Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De koningH4430 NebukadnezarH5020 aan alle volkenH5972, natienH524 en tongenH3961, die op den gansenH3606 aardbodemH772 wonenH1753: uw vredeH8001 worde vermenigvuldigdH7680!
De koning Nebukadnezar aan alle volken, natien en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!
KJV
Nebuchadnezzar2
the king,
unto all
people,
nations,
and languages,
that dwell
in all
the earth;
Peace
be multiplied
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Het behaagtH8232 mij te verkondigenH2324 de tekenenH852 en wonderenH8540, die de allerhoogsteH5943 GodH426 aan mij gedaan heeft.
Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.
KJV
I thought
it good
to shew
the signs
and wonders
that the high
God
hath wrought
toward
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HoeH4101 groot zijn Zijn tekenenH852! en hoeH4101 machtigH8624 Zijn wonderenH8540! Zijn RijkH4437 is een eeuwigH5957 RijkH4437, en Zijn heerschappijH7985 is van geslachtH1859 tot geslachtH1859.
Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.
KJV
How
great
are his signs!
and how
mighty
are his wonders!
his kingdom
is an everlasting
kingdom,
and his dominion
is from
generation
to generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik, NebukadnezarH5020, gerustH7954 zijnde in mijn huisH1005, en in mijn paleisH1965 groenendeH7487,
Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,
KJV
I9
Nebuchadnezzar
was
at rest
in mine house,
and flourishing
in my palace:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
ZagH2370 een droomH2493, die mij vervaardeH1763, en de gedachtenH2031, die ik op mijn bedH4903 had, en de gezichtenH2376 mijns hoofdsH7217 beroerdenH927 mij.
Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.
KJV
I saw
a dream16
which made me afraid,
and the thoughts
upon
my bed
and the visions
of my head
troubled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Daarom is er een bevelH2942 van mij gesteldH7761, dat men voor mij zou inbrengenH5954 al de wijzenH2445 van BabelH895, opdat zij mij de uitleggingH6591 van dien droomH2493 zouden bekendH3046 maken.
Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken.
KJV
Therefore
made
I
a decree
to bring
in all12
the wise
men of Babylon
before
me, that they might make known6
unto me the interpretation21
of the dream.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Toen kwamen in de tovenaarsH2749, de sterrekijkersH826, de ChaldeenH3779 en de waarzeggersH1505; en ik zeideH560 den droomH2493 voor hen; maar zij maaktenH3046 mij zijn uitleggingH6591 niet bekendH3046;
Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;
KJV
Then
came
in the magicians,
the astrologers,
the Chaldeans,
and the soothsayers:
and I
told
the dream
before
them; but they did not
make known
unto me the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Totdat ten laatsteH318 DanielH1841 voor mij inkwamH5922, wiens naamH8036 BeltsazarH1096 is, naar den naamH8036 mijns godsH426, in wien ook de geestH7308 der heiligeH6922 godenH426 is; en ik verteldeH560 den droomH2493 voor hem, zeggende:
Totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zeggende:
KJV
But at
the last
Daniel
came in
before me,
whose name
was Belteshazzar,
according to the name
of my god,
and in whom is the spirit
of the holy
gods:
and before
him I told
the dream,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
BeltsazarH1096, gij oversteH7229 der tovenaarsH2749! dewijl ik weet, dat de geestH7308 der heiligeH6922 godenH426 in u is, zo zegH560 de gezichtenH2376 mijns droomsH2493, dien ik gezien heb, te weten zijn uitleggingH6591.
Beltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijn uitlegging.
Ook in dit vers
zwaarH598
verborgenheidH7328
KJV
O Belteshazzar,
master
of the magicians,
because I
know
that the spirit
of the holy
gods
is in thee, and no6
secret
troubleth
thee, tell
me the visions
of my dream
that I have seen,
and the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De gezichtenH2376 nu mijns hoofdsH7217 op mijn legerH4903 waren deze: Ik zagH1934, en ziet, er was een boomH363 in het middenH1459 der aardeH772, en zijn hoogteH7314 was groot.
De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.
KJV
Thus were the visions3
of mine head4
in5
my bed;6
I saw,2
and behold7
a tree
in the midst
of the earth,
and the height
thereof was great.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De boomH363 werd groot en sterkH8631; en zijn hoogteH7314 reikteH4291 aan den hemelH8065, en hij werd gezien tot aan het eindeH5491 der ganse aardeH772;
De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;
KJV
The tree6
grew,
and was strong,
and the height
thereof reached
unto heaven,
and the sight
thereof to the end
of all
the earth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zijn loofH6074 was schoonH8209, en zijn vruchtenH4 veleH7690, en er was spijzeH4203 aan denzelve voor allen; onder hem vondH2927 het gedierteH2423 des veldsH1251 schaduwH2927, en de vogelenH6853 des hemelsH8065 woondenH1753 in haar takkenH6056, en alle vleesH1321 werd daarvan gevoedH2110.
Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan denzelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in haar takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
KJV
The leaves
thereof were fair,
and the fruit
thereof much,
and in it was meat
for all:
the beasts17
of the field12
had shadow
under
it, and the fowls
of the heaven14
dwelt
in the boughs
thereof, and all
flesh
was fed
of it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ik zagH1934 verder in de gezichtenH2376 mijns hoofdsH7217, op mijn legerH4903; en ziet, een wachterH5894, namelijk een heiligeH6922, kwam af van den hemelH8065,
Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,
KJV
I saw
in the visions
of my head
upon12
my bed,
and, behold,
a watcher
and an holy one
came down
from2
heaven;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
RoependeH7123 met krachtH2429, en aldusH3652 zeggendeH560: HouwtH1414 dien boomH363 af, en kaptH7113 zijn takkenH6056 af; strooptH5426 zijn loofH6074 af, en verstrooitH921 zijn vruchtenH4, dat de dierenH2423 van onder hem wegzwervenH5111, en de vogelenH6853 van zijn takkenH6056;
Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken;
KJV
He cried
aloud,
and said
thus,
Hew down
the tree,
and cut off
his branches,
shake off
his leaves,
and scatter
his fruit:
let the beasts
get away
from
under it,
and the fowls
from
his branches:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Doch laat den stamH6136 met zijn wortelenH8330 in de aardeH772, en met een ijzerenH6523 en koperenH5174 bandH613 in het tedere grasH1883 des veldsH1251; en laat hem in de dauwH2920 des hemelsH8065 natH6647 gemaakt worden, en zijn deelH2508 zij met het gedierteH2423 in het kruidH6211 der aardeH772.
Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.
KJV
Nevertheless
leave
the stump
of his roots
in the earth,
even with a band
of iron
and brass,
in the tender grass
of the field;
and let it be wet
with the dew
of heaven,
and let his portion
be with
the beasts
in the grass
of the earth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zijn hartH3825 worde veranderdH8133, dat het geensH4481 mensenH606 hartH3825 meer zij, en hem worde eens beestenH2423 hart gegevenH3052, en laat zevenH7655 tijdenH5732 over hem voorbijgaanH2499.
Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.
KJV
Let his heart
be changed
from
man's,
and let a beast's
heart
be given
unto him; and let seven
times
pass
over
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Deze zaakH6600 is in het besluitH1510 der wachtersH5894, en deze begeerteH7595 is in het woordH3983 der heiligenH6922; opdat de levendenH2417 bekennenH3046, dat de AllerhoogsteH5943 heerschappijH7990 heeft over de koninkrijkenH4437 der mensenH606, en geeftH5415 ze aan wien Hij wilH6634, ja, zetH6966 daarover den laagsteH8215 onder de mensenH606.
Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen.
KJV
This matter
is by the decree
of the watchers,
and the demand
by the word
of the holy ones:
to
the intent
that the living
may know
that the most High
ruleth
in the kingdom
of men,
and giveth
it to whomsoever
he will,
and setteth up
over
it the basest
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
DezenH1836 droomH2493 heb ik, koningH4430 NebukadnezarH5020 gezien; gij nu, BeltsazarH1096! zegH560 de uitleggingH6591 van dien, dewijl als de wijzenH2445 mijns koninkrijksH4437 mij de uitleggingH6591 niet hebben kunnen bekendH3046 maken; maar gij kuntH3546 wel, dewijl de geestH7308 der heiligeH6922 godenH426 in u is.
Dezen droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; gij nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van dien, dewijl als de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is.
KJV
This
dream
I
king
Nebuchadnezzar
have seen.
Now thou,
O Belteshazzar,
declare
the interpretation
thereof, forasmuch as
all6
the wise
men of my kingdom
are not
able
to make known
unto me the interpretation:
but thou
art able;
for the spirit
of the holy
gods
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Toen ontzetteH8075 zich DanielH1841, wiens naamH8036 BeltsazarH1096 is, bij een uurH8160 lang, en zijn gedachtenH7476 beroerdenH927 hem. De koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560: BeltsazarH1096! laat u de droomH2493 en zijn uitleggingH6591 niet beroerenH927. BeltsazarH1096 antwoorddeH6032 en zeideH560: Mijn heerH4756! de droomH2493 wedervare uw haterenH8131, en zijn uitleggingH6591 uw wederpartijdersH6146!
Toen ontzette zich Daniel, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zeide: Beltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer! de droom wedervare uw hateren, en zijn uitlegging uw wederpartijders!
KJV
Then
Daniel,
whose name
was Belteshazzar,
was astonied
for one
hour,
and his thoughts
troubled
him. The king3
spake,
and said,
Belteshazzar,
let not
the dream,
or the interpretation
thereof, trouble
thee. Belteshazzar
answered
and said,
My lord,
the dream
be to them that hate
thee, and the interpretation
thereof to thine enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De boomH363, dien gij gezien hebt, die groot en sterkH8631 geworden was, en wiens hoogteH7314 tot aan den hemelH8065 reikteH4291, en die over het ganse aardrijkH772 gezien werd;
De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;
KJV
The tree11
that thou sawest,2
which grew,
and was strong,
whose height
reached
unto the heaven,8
and the sight
thereof to all
the earth;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En wiens loofH6074 schoonH8209, en wiens vruchtenH4 veleH7690 waren, en waar spijzeH4203 aan was voor allen, onder wien het gedierteH2423 des veldsH1251 woondeH1753, en in wiens takkenH6056 de vogelenH6853 des hemelsH8065 nesteldenH7932;
En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;
KJV
Whose leaves
were fair,
and the fruit
thereof much,
and in it was meat
for all;
under
which the beasts
of the field
dwelt,
and upon whose branches
the fowls
of the heaven
had their habitation:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Dat zijt gij, o koningH4430! die groot en sterkH8631 zijt geworden; want uw grootheidH7238 is zo gewassenH7236, dat zij reiktH4291 aan den hemelH8065, en uw heerschappijH7985 aan het eindeH5491 des aardrijksH772.
Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij aan het einde des aardrijks.
KJV
It is thou,
O king,
that art grown
and become strong:
for thy greatness
is grown,
and reacheth
unto heaven,15
and thy dominion
to the end
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Dat nu de koningH4430, een wachterH5894, namelijk een heiligeH6922 gezien heeft, van den hemelH8065 afkomendeH5182, die zeideH560: HouwtH1414 dezen boomH363 af, en verderftH2255 hem; doch laat den stamH6136 met zijn wortelenH8330 in de aardeH772, en met een ijzerenH6523 en koperenH5174 bandH613 in het tedere grasH1883 des veldsH1251, en in de dauwH2920 des hemelsH8065 natH6647 gemaakt worden, en dat zijn deelH2508 zij met het gedierteH2423 des veldsH1251, totdat er zevenH7655 tijdenH5732 over hem voorbijgaanH2499;
Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem; doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;
KJV
And whereas the king
saw
a watcher
and an holy one
coming down
from11
heaven,16
and saying,2
Hew
the tree7
down,
and destroy
it; yet
leave3
the stump4
of the roots5
thereof in the earth,
even with a band
of iron
and brass,
in the tender grass
of the field;
and let it be wet
with the dew
of heaven,
and let his portion
be with
the beasts
of the field,
till
seven
times
pass
over
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Dit is de beduidingH6591, o koningH4430! en dit is een besluitH1510 des AllerhoogstenH5943, hetwelk over mijn heerH4756, den koningH4430 komenH4291 zal:
Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijn heer, den koning komen zal:
KJV
This
is the interpretation,
O king,2
and this
is the decree
of the most High,
which is come
upon5
my lord
the king:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Te wetenH4481, men zal u van de mensenH606 verstotenH2957, en met het gedierteH2423 des veldsH1251 zal uw woningH4070 zijn, en men zal u het kruidH6211, als den ossenH8450, te smakenH2939 geven; en gij zult van den dauwH2920 des hemelsH8065 natH6647 gemaakt worden, en er zullen zevenH7655 tijdenH5732 over u voorbijgaanH2499, totdat gij bekentH3046, dat de AllerhoogsteH5943 heerschappijH7990 heeft over de koninkrijkenH4437 der mensenH606, en geeftH5415 ze, wien Hij wilH6634.
Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte des velds zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als den ossen, te smaken geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze, wien Hij wil.
KJV
That they shall drive
thee from
men,
and thy dwelling
shall be
with
the beasts
of the field,
and they shall make thee to eat
grass
as oxen,
and they shall wet
thee with the dew
of heaven,
and seven
times
shall pass
over3
thee, till
thou know
that the most High
ruleth
in the kingdom
of men,
and giveth
it to whomsoever
he will.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Dat er ook gezegdH560 is, dat men den stamH6136 met de wortelenH8330 van dien boomH363 latenH7662 zou; uw koninkrijkH4437 zal u bestendigH7011 zijn, nadatH4481 gij zult bekendH3046 hebben, dat de HemelH8065 heerstH7990.
Dat er ook gezegd is, dat men den stam met de wortelen van dien boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.
KJV
And whereas they commanded
to leave
the stump
of the tree
roots;
thy kingdom7
shall be sure
unto thee, after
that thou shalt have known
that the heavens
do rule.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Daarom, o koningH4430! laat mijn raadH4431 u behagenH8232, en breekH6562 uw zondenH2408 af door gerechtigheidH6665, en uw ongerechtigheid door genadeH2604 te bewijzen aan de ellendigenH6033, of er verlengingH754 van uw vredeH7963 mochtH1934 wezen.
Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheid door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.
Ook in dit vers
ongerechtighedenH5758
KJV
Wherefore,
O king,2
let my counsel
be acceptable
unto thee,
and break off
thy sins
by righteousness,
and thine iniquities
by shewing mercy
to the poor;
if
it may be
a lengthening
of thy tranquillity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Dit allesH3606 overkwamH4291 den koningH4430 NebukadnezarH5020.
Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar.
KJV
All
this came
upon
the king4
Nebuchadnezzar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Want op het eindeH7118 van twaalfH8648 maandenH3393, toen hij op het koninklijkH4437 paleisH1965 van BabelH895 wandeldeH1934,
Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
KJV
At the end
of twelve
months
he walked
in16
the palace
of the kingdom23
of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
SprakH6032 de koningH4430, en zeideH560: Is dit niet het grote BabelH895, dat ik gebouwdH1124 heb tot een huisH1005 des koninkrijksH4437, door de sterkteH8632 mijner machtH2632, en ter ereH3367 mijner heerlijkheidH1923!
Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
KJV
The king
spake,
and said,
Is not
this
great
Babylon,
that I
have built
for the house
of the kingdom
by the might
of my power,
and for the honour
of my majesty?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Dit woordH4406 nog zijnde in des koningsH4430 mondH6433, vielH5308 er een stemH7032 uit den hemelH8065: U, o koningH4430 NebukadnezarH5020! wordt gezegdH560: Het koninkrijkH4437 is van u gegaanH5709.
Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.
KJV
While
the word
was in the king's
mouth,
there fell
a voice
from
heaven,6
saying, O king
Nebuchadnezzar,4
to thee it is spoken;
The kingdom21
is departed
from
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En men zal u van de mensenH606 verstotenH2957, en uw woningH4070 zal bij de beestenH2423 des veldsH1251 zijn; men zal u grasH6211 te smakenH2939 geven, als den ossenH8450, en er zullen zevenH7655 tijdenH5732 over u voorbijgaanH2499, totdat gij bekentH3046, dat de AllerhoogsteH5943 over de koninkrijkenH4437 der mensenH606 heerschappijH7990 heeft, en dat Hij ze geeftH5415, aan wien Hij wilH6634.
En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wien Hij wil.
KJV
And they shall drive
thee from
men,
and thy dwelling
shall be with
the beasts
of the field:
they shall make thee to eat
grass
as oxen,
and seven
times
shall pass
over
thee, until
thou know
that the most High
ruleth
in the kingdom
of men,
and giveth
it to whomsoever
he will.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Ter zelfder ureH8160 werd dat woordH4406 volbrachtH5487 over NebukadnezarH5020, want hij werd uit de mensenH606 verstotenH2957, en hij atH399 grasH6211 als de ossenH8450, en zijn lichaamH1655 werd van den dauwH2920 des hemelsH8065 natH6647 gemaakt, totdat zijn haar wiesH7236 als der arendenH5403 vederen, en zijn nagelenH2953 als der vogelenH6853.
Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.
KJV
The same hour
was the thing
fulfilled
upon5
Nebuchadnezzar:
and he was driven
from
men,
and did eat
grass
as oxen,
and his body
was wet
with the dew
of heaven,
till
his hairs
were grown
like eagles'
feathers, and his nails
like birds'
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Ten eindeH7118 dezer dagenH3118 nu, hiefH5191 ik, NebukadnezarH5020, mijn ogenH5870 op ten hemelH8065, want mijn verstandH4486 kwam weerH8421 in mij; en ik loofdeH1289 den AllerhoogsteH5943, en ik preesH7624 en verheerlijkteH1922 den EeuwiglevendeH2417, omdat Zijn heerschappijH7985 is een eeuwigeH5957 heerschappijH7985, en Zijn KoninkrijkH4437 is van geslachtH1859 tot geslachtH1859;
Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;
KJV
And at the end
of the days
I2
Nebuchadnezzar3
lifted up
mine eyes
unto heaven,8
and mine understanding
returned
unto me,
and I blessed
the most High,
and I praised4
and honoured6
him that liveth
for ever,
whose dominion
is an everlasting
dominion,
and his kingdom
is from
generation
to generation:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
En al de inwonersH1753 der aardeH772 zijn als nietsH3809 geachtH2804, en Hij doet naar Zijn wilH6634 met het heirH2429 des hemelsH8065 en de inwonersH1753 der aardeH772, en er is niemandH3809, die Zijn handH3028 afslaanH4223, of tot Hem zeggenH560 kanH4101: Wat doet Gij?
En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Ter zelfder tijdH2166 kwam mijn verstandH4486 weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijksH4437, mijn majesteitH1923 en mijn glansH2122 weder op mij; en mijn raadsherenH1907 en mijn geweldigenH7261 zochtenH1156 mij, en ik werd in mijn koninkrijkH4437 bevestigdH8627; en mij werd groterH3493 heerlijkheid toegevoegdH3255.
Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weder op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.
Ook in dit vers
heerlijkheidH3367
heerlijkheidH7238
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Nu prijsH7624 ik, NebukadnezarH5020, en verhoogH7313, en verheerlijkH1922 den KoningH4430 des hemelsH8065, omdat al Zijn werkenH4567 waarheidH7187, en Zijn padenH735 gerichtenH1780 zijn; en Hij is machtigH3202 te vernederenH8214 degenen, die in hoogmoedH1467 wandelenH1981.
Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.
koning Nebukadnezar
Hier beginnen wij het 4de hfdst. met meer andere overzetters, alhoewel sommigen het eerst met vs.4 beginnen. Wanneer nu dit plakkaat zij afgekondigd, kan men zo geheel zeker niet zeggen; het schijnt dat het geschied is nadat Nebukadnezar verscheidene landen en koninkrijken overwonnen hebbende, [alsook ten laatste Egypte] wederom te Babel gekomen was, na welken tijd, tot het einde zijner regering, ten hoogste tien jaren verlopen zijn, gelijk af te nemen is uit Ezech. 29:17 . Zodat dan dit plakkaat gepubliceerd is op het einde van het leven van Nebukadnezar, omtrent twee jaren vóór zijn dood.
Hertaald:
koning Nebukadnezar
Hier beginnen wij hoofdstuk 4, samen met de meeste andere vertalers, hoewel sommigen het pas bij vers 4 laten beginnen. Wanneer dit besluit afgekondigd is, kan men niet met zekerheid zeggen; het lijkt erop dat het gebeurd is nadat Nebukadnezar verscheidene landen en koninkrijken veroverd had — waaronder ten slotte ook Egypte — en weer in Babel gekomen was. Na die tijd zijn er tot het einde van zijn regering hoogstens tien jaar verlopen, zoals af te leiden is uit Ezech. 29:17. Dit besluit is dus aan het einde van het leven van Nebukadnezar bekendgemaakt, ongeveer twee jaar vóór zijn dood.
aan alle volken,
Te weten die onder mijn gebied staan, gelijk Dan. 2:39 ; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
aan alle volken,
Namelijk die onder mijn gezag staan, zoals Dan. 2:39; zie de aantekening daar.
uw vrede worde vermenigvuldigd
Versta hier en elders meer, door den vrede alle heil en welvaart; vergelijk 1 Tim. 1:2 ; gelijk ook 1 Petr. 1:2 , en 2 Petr. 1:2 , en Jud. 1:2 .
Hertaald:
uw vrede worde vermenigvuldigd
Versta hier, en ook elders, onder de vrede alle heil en welvaart; vergelijk 1 Tim. 1:2, en ook 1 Petr. 1:2, 2 Petr. 1:2 en Judas 1:2.
Het behaagt mij te verkondigen
Of, het belieft mij; dat is, ik zie het voor goed aan. Dit zouden de Hebreën zeggen: het is goed in mijne ogen, Chaldeeuws, het is voor mij schoon.
Hertaald:
Het behaagt mij te verkondigen
Of: het belieft mij; dat is: ik acht het goed. De Hebreeën zouden zeggen: het is goed in mijn ogen. Chaldeeuws: het is voor mij schoon.
de tekenen en wonderen,
Te weten de zending van dien droom, mitsgaders de dingen die daardoor werden te kennen gegeven.
Hertaald:
de tekenen en wonderen,
Namelijk het zenden van die droom en de dingen die daardoor te kennen gegeven werden.
de allerhoogste God
Te weten de God van Israël, die een God der goden is. Gelijk de koning zijnen onderzaten dezen God aanprijst, alzo had hij denzelven, ja denzelven alleen, ook zelf behoren te omhelzen voor zijnen God, verlatende alle andere valse goden; maar het blijkt dat hij het niet volkomenlijk noch oprechtelijk gedaan heeft.
Hertaald:
de allerhoogste God
Namelijk de God van Israël, Die een God van de goden is. Zoals de koning deze God aan zijn onderdanen aanprijst, zo had hij Hem — ja Hem alleen — ook zelf als zijn God moeten omhelzen en alle andere valse goden moeten verlaten; maar het blijkt dat hij dat niet volkomen en niet oprecht gedaan heeft.
van geslacht tot geslacht
Chaldeeuws, met geslacht en geslacht.
Hertaald:
van geslacht tot geslacht
Chaldeeuws: met geslacht en geslacht.
gerust zijnde
Of, rust hebbende, triomferende over al mijne vijanden, zelfs ook over Egypte. Het schijnt dat hij zeggen wil: Daar was geen gelegenheid of aanleiding, of oorzaak, om mij aldus te doen dromen, derhalve kan ik wel afnemen dat deze droom van God kwam. Anders: in voorspoed zijnde, gelijk Ps. 30:4 , zie aldaar de aantekening.
Hertaald:
gerust zijnde
Of: rust hebbend, terwijl ik triomfeerde over al mijn vijanden, zelfs over Egypte. Het lijkt erop dat hij wil zeggen: er was geen aanleiding of oorzaak om zo te dromen, en daaruit kan ik dus opmaken dat deze droom van God kwam. Anders: in voorspoed zijnde, zoals Ps. 30:4; zie de aantekening daar.
in mijn huis,
Dit huis of paleis van den koning was in de stad Babel, vs.29.
Hertaald:
in mijn huis,
Dit huis of paleis van de koning stond in de stad Babel, vers 29.
groenende,
Groeiende en bloeiende als een schone en vruchtbare boom, geen tegenspoed hebbende.
Hertaald:
groenende,
Groeiend en bloeiend als een mooie en vruchtbare boom, zonder tegenspoed.
een droom,
Buiten twijfel is deze droom den koning zo aangenaam, dat hij wel gevoeld heeft dat het geen algemene of gewone droom geweest is, gelijk de mensen dagelijks wel hebben, spruitende uit deze of die oorzaken; maar dat het een goddelijke droom was. Daarom heeft hij de uitlegging van denzelven begeerd te weten.
Hertaald:
een droom,
Deze droom was de koning ongetwijfeld zo onaangenaam dat hij wel gevoeld heeft dat het geen alledaagse of gewone droom was zoals mensen die dagelijks hebben, voortkomend uit deze of gene oorzaak, maar dat het een goddelijke droom was. Daarom verlangde hij de uitlegging ervan te weten.
gesteld,
Of, gezet, gegeven, aangeslagen.
Hertaald:
gesteld,
Of: gezet, gegeven, uitgevaardigd.
opdat zij mij
Hieruit blijkt dat deze koning nog niet van harte tot den waren God bekeerd was, anders zou hij dezen lieden geen raad gevraagd hebben. Zie de aantekening Dan. 3:29-30 .
Hertaald:
opdat zij mij
Hieruit blijkt dat deze koning nog niet van harte tot de ware God bekeerd was; anders zou hij deze mensen geen raad gevraagd hebben. Zie de aantekening bij Dan. 3:29-30.
zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;
Dan. 2:4 zeggen zij: Zeg uwen knechten den droom, zo zullen wij zijne uitlegging te kennen geven; maar ofschoon nu de koning hun zijn droom vertelt, zo kunnen zij hem evenwel de uitlegging niet zeggen, waaruit blijkt dat hunne kunst niets dan ijdel bedrog geweest is, en het is gebleken dat Daniël door het ingeven van den Geest Gods de dromen heeft uitgelegd.
Hertaald:
zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;
In Dan. 2:4 zeggen zij: zeg uw knechten de droom, dan zullen wij de uitlegging bekendmaken. Maar hoewel de koning hun nu zijn droom vertelt, kunnen zij hem toch de uitlegging niet zeggen. Daaruit blijkt dat hun kunst niets dan ijdel bedrog geweest is, en dat Daniël de dromen door de ingeving van Gods Geest uitgelegd heeft.
Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam,
Te weten toen nu de koning raad noch troost bij zijne Chaldeën vond. Het schijnt wel, indien hij bij hen [bij wie hij tevoren geen troost gevonden had] de uitlegging van zijn droom had kunnen vinden, dat hij Daniël geen raad zou gevraagd hebben, die hem nochtans tevoren zijn droom gezegd en de uitlegging gedaan had.
Hertaald:
Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam,
Namelijk toen de koning bij zijn Chaldeeën raad noch troost vond. Het lijkt erop dat hij Daniël geen raad gevraagd zou hebben, als hij de uitlegging van zijn droom bij hen had kunnen krijgen — bij wie hij tevoren al geen troost gevonden had. En dat terwijl Daniël hem eerder zijn droom verteld én uitgelegd had.
Beltsazar is,
Aangaande den naam Beltsazar, zie de aantekening (33) bij hfdst.1:7.
Hertaald:
Beltsazar is,
Over de naam Beltsazar, zie de aantekening bij Dan. 1:7.
mijns gods,
De koning noemt zijn afgod zijnen god; waaruit wederom blijkt dat hij nu nog te dezer tijd tot den waren God niet bekeerd was. En versta hier den afgod Bel, van welken zie breder boven Dan. 1:2 , en Jes. 46:1 .
Hertaald:
mijns gods,
De koning noemt zijn afgod zijn god; waaruit opnieuw blijkt dat hij op dat moment nog niet tot de ware God bekeerd was. Versta hier de afgod Bel, over wie uitvoeriger Dan. 1:2 en Jes. 46:1.
de geest der heilige goden is;
Dat is, een hemelse en van boven komende wijsheid en wetenschap, om te verklaren verborgen dingen en te voorzeggen toekomende dingen.
Hertaald:
de geest der heilige goden is;
Dat is: een hemelse wijsheid en kennis die van boven komt, om verborgen dingen te verklaren en toekomende dingen te voorzeggen.
gij overste der tovenaars
Dit is wel in deze mening van den heidensen koning een zeer voortreffelijke eretitel geweest, maar inderdaad was het de schandelijkste titel, die Daniël kon gegeven worden, want hij wilde geenszins gerekend wezen onder het getal der Chaldeeuws tovenaars, die toch bedriegers waren. Maar hij kon het niet keren, dat de koning hem den titel gaf. Zie boven Dan. 2:48 .
Hertaald:
gij overste der tovenaars
In de opvatting van deze heidense koning was dit een zeer voortreffelijke eretitel, maar in werkelijkheid was het de schandelijkste titel die Daniël gegeven kon worden. Want hij wilde volstrekt niet gerekend worden onder de Chaldeeuwse tovenaars, die nu eenmaal bedriegers waren. Maar hij kon niet verhinderen dat de koning hem die titel gaf. Zie Dan. 2:48.
dewijl ik weet,
Of, dien ik weet.
Hertaald:
dewijl ik weet,
Of: die ik ken.
dat de geest der heilige goden in u is,
Wist hij dit, waarom heeft hij dan niet eerst en vooral zijne toevlucht tot Daniël genomen, maar is eerst tot de Chaldeën gegaan? Hieruit blijkt wederom dat hij niet waarlijk tot den waren God is bekeerd geweest.
Hertaald:
dat de geest der heilige goden in u is,
Als hij dat wist, waarom heeft hij dan niet meteen en allereerst zijn toevlucht tot Daniël genomen in plaats van eerst naar de Chaldeeën te gaan? Hieruit blijkt opnieuw dat hij niet werkelijk tot de ware God bekeerd was.
zwaar is,
Of, u bezwaart, of u bezwaarlijk is, of u perst, of drukt, benauwt, beangstigt; te weten vanwege zijne zwarigheid en moeilijkheid. De zin is: Het is u een kleine moeite of zwarigheid verborgen dingen uit te leggen.
Hertaald:
zwaar is,
Of: u bezwaart, of u zwaar valt, of u perst, drukt, benauwt; namelijk vanwege de moeilijkheid ervan. De betekenis is: het kost u weinig moeite verborgen dingen uit te leggen.
te weten zijn uitlegging
Dat de Chaldeeuwse letter vau hier door te weten moet overgezet worden, blijkt daaraan, dat de koning hier van Daniël niet verzocht dat hij hem den droom zou te kennen geven, en ook de uitlegging van denzelven, gelijk Dan 2 , [want hij zelf vertelt Daniël den droom, gelijk ook onder vs.18], maar hij verzoekt alleen de uitlegging van denzelven; daarom spreekt ook Daniël niet van den droom, maar hij zegt den koning alleen de uitlegging van denzelven. Maar indien men hier overzette: en zijne uitlegging, zo zou het schijnen dat de koning hier van Daniël begeert te weten zowel den droom als zijne uitlegging.
Hertaald:
te weten zijn uitlegging
Dat de Chaldeeuwse letter waw hier met namelijk vertaald moet worden, blijkt hieruit dat de koning hier niet van Daniël vraagt dat hij hem de droom én de uitlegging daarvan bekendmaakt, zoals in Dan. 2 — want hij vertelt Daniël de droom zelf, zoals ook in vers 18 — maar dat hij alleen om de uitlegging vraagt. Daarom spreekt Daniël ook niet over de droom, maar zegt hij de koning alleen de uitlegging ervan. Als men hier zou vertalen: en zijn uitlegging, dan zou het lijken alsof de koning hier zowel de droom als de uitlegging van Daniël wil weten.
daar was een boom in het midden der aarde,
Zie deze gelijkenis ook Ezech. 31:3 .
Hertaald:
daar was een boom in het midden der aarde,
Zie deze vergelijking ook in Ezech. 31:3.
werd groot en sterk;
Anders: was groot.
Hertaald:
werd groot en sterk;
Anders: was groot.
hij werd gezien tot aan het einde
Chaldeeuws, en zijn gezicht was tot, enz.; dat is, hij werd gezien. Alzo ook vs.20.
Hertaald:
hij werd gezien tot aan het einde
Chaldeeuws: en zijn aanblik reikte tot, enzovoort; dat is: hij werd gezien. Zo ook vers 20.
der ganse aarde;
Te weten zo wijd en zo ver als de Babylonische monarchie strekte.
Hertaald:
der ganse aarde;
Namelijk zo wijd en zo ver als de Babylonische monarchie reikte.
Zijn loof was schoon,
Of, zijne bladeren. Anders: zijne takken. Chaldeeuws, zijn loof, of zijn tak; dat is, elkeen van zijne bladen of takken.
Hertaald:
Zijn loof was schoon,
Of: zijn bladeren. Anders: zijn takken. Chaldeeuws: zijn loof, of zijn tak; dat is: elk van zijn bladeren of takken.
voor allen;
Dat is, voor allerlei gedierte.
Hertaald:
voor allen;
Dat is: voor allerlei gedierte.
onder hem vond het gedierte des velds schaduw,
Of, onder dien, of onder denzelven, te weten boom. Anders, onder hen, te weten takken.
Hertaald:
onder hem vond het gedierte des velds schaduw,
Of: onder die, namelijk boom. Anders: onder hen, namelijk de takken.
woonden in haar takken,
Dat is, onthielden zich, schuilden en namen hunne toevlucht voor de hitte der zon en van het onweder.
Hertaald:
woonden in haar takken,
Dat is: hielden zich op, schuilden en zochten er hun toevlucht tegen de hitte van de zon en tegen het onweer.
alle vlees
Dat is, alle dieren, of beesten, alle levende zielen op aarde.
Hertaald:
alle vlees
Dat is: alle dieren, alle levende wezens op aarde.
Ik zag verder
Chaldeeuws, ik was ziende, alzo ook vs.10.
Hertaald:
Ik zag verder
Chaldeeuws: ik was ziende; zo ook vers 10.
een wachter,
Aldus noemt hij den engel, die hem verschenen is. De engelen worden daarom wachters of wakers genoemd, omdat zij met geen slaap bevangen worden, gelijk wel de mensen, die met vlees en bloed beladen zijn.<i>II.</i> Omdat zij zonder opgehouden altoos op den dienst van God en de bewaring zijner kinderen passen; ten welken aanzien hun vele ogen worden toegeschreven, Eze 1 . Zie Ps. 91:11 , en Ps. 103:20 .
Hertaald:
een wachter,
Zo noemt hij de engel die hem verschenen is. De engelen worden wachters of wakers genoemd, ten eerste omdat zij niet door slaap bevangen worden, zoals de mensen die met vlees en bloed belast zijn; ten tweede omdat zij zonder ophouden gericht zijn op de dienst van God en de bewaring van Zijn kinderen — met het oog waarop hun ook veel ogen toegeschreven worden, Ezech. 1. Zie Ps. 91:11 en Ps. 103:20.
een heilige,
Dit wordt hier bijgevoegd tot onderscheiding van de kwade engelen.
Hertaald:
een heilige,
Dit wordt hier toegevoegd ter onderscheiding van de kwade engelen.
kwam af van den hemel,
Te weten van God gezonden zijnde.
Hertaald:
kwam af van den hemel,
Namelijk gezonden door God.
zeggende
Te weten tot de andere engelen, die van God tot uitvoering van dit oordeel bescheiden waren.
Hertaald:
zeggende
Namelijk tot de andere engelen, die door God aangewezen waren om dit oordeel uit te voeren.
Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde,
Alhoewel God de Heere dezen koning zeer zwaarlijk gestraft heeft vanwege zijne hovaardij, zo doet Hij hem nog die genade, dat Hij hem niet ten enenmale uitroeit, maar laat den stronk of stam nog blijven, om weder op te wassen en tot zijn vorigen staat te komen.
Hertaald:
Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde,
Hoewel God de HEERE deze koning zeer zwaar gestraft heeft vanwege zijn hoogmoed, bewijst Hij hem toch deze genade dat Hij hem niet volkomen uitroeit, maar de stronk of stam laat staan om weer op te groeien en tot zijn vorige staat te komen.
hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden,
Te weten dien, die door den boom beduid wordt.
Hertaald:
hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden,
Namelijk hem die door de boom aangeduid wordt.
in het kruid der aarde
Dat is, van, gelijk Lev. 22:4 .
Hertaald:
in het kruid der aarde
Dat is: van, zoals Lev. 22:4.
Zijn hart worde veranderd,
Chaldeeuws, dat zij zijn hart van de mensen veranderen. Hij is niet in een beest veranderd naar het lichaam; maar hij is zo onvernuftig en onverstandig geworden, alsof hij een beest ware geworden. Sommigen menen dat hij met een bozen geest is bezeten geweest, en dat hij daarom van de mensen is verstoten, of verlaten zou zijn geweest; vergelijk Marc. 5:2 .
Hertaald:
Zijn hart worde veranderd,
Chaldeeuws: dat zij zijn hart veranderen van dat van de mensen. Hij is naar het lichaam niet in een dier veranderd, maar hij werd zo redeloos en onverstandig alsof hij een dier geworden was. Sommigen menen dat hij door een boze geest bezeten geweest is en dat hij daarom door de mensen verstoten of verlaten zou zijn; vergelijk Mark. 5:2.
zeven tijden over hem voorbijgaan
Eenigen verstaan hier door deze zeven tijden zeven weken. Anderen zeven maanden. Maar het is meer te geloven dat het zeven jaren geweest zijn; gelijk onder Dan. 11:13 .
Hertaald:
zeven tijden over hem voorbijgaan
Sommigen verstaan onder deze zeven tijden zeven weken, anderen zeven maanden. Maar het is aannemelijker dat het zeven jaar geweest zijn, zoals Dan. 11:13.
is in het besluit der wachters,
Welverstaande voorzoveel als den engelen de uitvoering bevolen was, want eigenlijk te spreken is het God, die dit besluit gemaakt heeft; de wachters, dat is de engelen, zijn alleen uitvoerders van des Heeren bevel.
Hertaald:
is in het besluit der wachters,
Uiteraard voor zover de uitvoering aan de engelen opgedragen was; want eigenlijk gesproken is het God Die dit besluit genomen heeft. De wachters, dat is: de engelen, zijn alleen uitvoerders van het bevel van de HEERE.
en deze begeerte is in het woord der heiligen;
Hij wil zeggen dat al de heilige engelen eendrachtig begeren en wensen dat het goddelijk besluit, aangaande de nederhouwing van dezen boom, mocht voltrokken worden.
Hertaald:
en deze begeerte is in het woord der heiligen;
Hij wil zeggen dat alle heilige engelen eendrachtig verlangen en wensen dat Gods besluit over het omhouwen van deze boom voltrokken wordt.
de levenden bekennen,
De mensen op aarde.
Hertaald:
de levenden bekennen,
De mensen op aarde.
al de wijzen
Dat is, geen onder de wijzen.
Hertaald:
al de wijzen
Dat is: geen van de wijzen.
de geest
De inspiratie, inblazing, ingeving.
Hertaald:
de geest
De inspiratie, inblazing, ingeving.
der heilige goden in u is
Hij spreekt als een heidens mens.
Hertaald:
der heilige goden in u is
Hij spreekt als een heidens mens.
Toen ontzette zich Daniël,
Dat is, hij was als buiten zichzelven, door verbaasdheid stilzwijgende, vernemende de zware straf, die den koning [wiens onderzaat hij was] boven het hoofd was hangende; zie Jer. 29:7 .
Hertaald:
Toen ontzette zich Daniël,
Dat is: hij was als buiten zichzelf en zweeg van verbijstering, toen hij de zware straf vernam die de koning — wiens onderdaan hij was — boven het hoofd hing; zie Jer. 29:7.
beroerden hem
Of, verschrikten, of bedroefden hem, alzo straks wedeRom.
Hertaald:
beroerden hem
Of: verschrikten of bedroefden hem; zo ook meteen hierna.
laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren
Alsof de koning zeide: Heb goeden moed, en zeg mij maar de rechte uitlegging van dezen droom, al is zij zodanig niet als ik en gij wel wensen zouden.
Hertaald:
laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren
Alsof de koning zei: houd goede moed en zeg mij maar de juiste uitlegging van deze droom, ook al is die niet zoals ik en u zouden wensen.
wedervare uw hateren,
Of, treffe, of zij. Daniël wenst dat die gruwelijke straf, waarmede de koning gedreigd werd, van hem mocht afgewend worden.
Hertaald:
wedervare uw hateren,
Of: treffe, of zij. Daniël wenst dat die gruwelijke straf waarmee de koning bedreigd werd van hem afgewend zou mogen worden.
De boom,
Dit is de uitlegging van het eerste deel van den droom, verhaald boven vs.10,11.
Hertaald:
De boom,
Dit is de uitlegging van het eerste deel van de droom, verteld in vers 10 en 11.
wiens hoogte tot aan den hemel reikte,
Dat is, die alles vervulde.
Hertaald:
wiens hoogte tot aan den hemel reikte,
Dat is: die alles vervulde.
die over het ganse aardrijk gezien werd;
Zie boven vs.11.
Hertaald:
die over het ganse aardrijk gezien werd;
Zie hierboven vers 11.
En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren,
De zin is: gelijk een schone, grote, vruchtbare boom de dieren, die onder hem schuilen, en de vogelen, die in zijne takken zitten of nestelen, bedekt en met zijne vruchten spijst; alzo beschut en beschermt een goed en voortreffelijk koning zijne onderzaten als onder zijne takken, en door goede orde en politie maakt hij dat een ieder door zijne nering gerustelijk zijn brood wint.
Hertaald:
En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren,
De betekenis is: zoals een mooie, grote, vruchtbare boom de dieren die onder hem schuilen en de vogels die in zijn takken zitten of nestelen beschut en met zijn vruchten voedt, zo beschut en beschermt een goede en voortreffelijke koning zijn onderdanen als onder zijn takken, en zorgt hij door goede orde en bestuur dat ieder rustig door zijn werk zijn brood verdient.
woonde,
Zie boven vs.12.
Hertaald:
woonde,
Zie hierboven vers 12.
nestelden;
Dat is, zaten, woonden, rustten.
Hertaald:
nestelden;
Dat is: zaten, woonden, rustten.
Dat zijt gij,
Die boom zijt gij. Het teken wordt gegeven de naam van het betekende ding.
Hertaald:
Dat zijt gij,
Die boom bent u. Het teken krijgt de naam van de betekende zaak.
uw grootheid is zo gewassen,
Daar waren te dien tijde nog wel enige koningen in de wereld, maar hunne macht was nergens naar te vergelijken bij de macht en heerschappij van dezen koning.
Hertaald:
uw grootheid is zo gewassen,
Er waren in die tijd nog wel andere koningen in de wereld, maar hun macht was in geen enkel opzicht te vergelijken met de macht en heerschappij van deze koning.
dat zij reikt aan den hemel,
Dat is, dat zij zich wijd en breed uitstrekt; een overtollige manier van spreken.
Hertaald:
dat zij reikt aan den hemel,
Dat is: dat zij zich wijd en breed uitstrekt; een overdrijvende manier van spreken.
Dat nu de koning,
Dit is de uitlegging van het tweede deel van den droom, vs.13, enz.
Hertaald:
Dat nu de koning,
Dit is de uitlegging van het tweede deel van de droom, vers 13, enzovoort.
den stam met zijn wortelen in de aarde,
Dat is, de stam, mitsgaders de wortels, opdat hij te zijner tijd wederom moge opschieten.
Hertaald:
den stam met zijn wortelen in de aarde,
Dat is: de stam met de wortels, opdat hij te zijner tijd weer zou kunnen uitlopen.
met een ijzeren en koperen band
Tot een teken dat hij als met geweld in dien lagen staat zou vastgehouden worden, totdat zeven tijden over hem zouden gegaan zijn.
Hertaald:
met een ijzeren en koperen band
Als teken dat hij als met geweld in die lage staat vastgehouden zou worden, totdat zeven tijden over hem voorbijgegaan zouden zijn.
zijn deel zij met het gedierte des velds,
Te weten het deel desgenen, die door dien boom beduid werd.
Hertaald:
zijn deel zij met het gedierte des velds,
Namelijk het deel van hem die door die boom aangeduid werd.
men zal u het kruid,
Chaldeeuws, zij zullen, voor men zal. Deze manier van spreken is zeer gemeen bij de Chaldeën en Hebreën, gelijk vs.26.
Hertaald:
men zal u het kruid,
Chaldeeuws: zij zullen, in plaats van: men zal. Deze manier van spreken is zeer gebruikelijk bij de Chaldeeën en Hebreeën, zoals vers 26.
te smaken geven;
Dat is, te eten geven.
Hertaald:
te smaken geven;
Dat is: te eten geven.
totdat gij bekent,
Indien God de Heere met hoogste gestrengheid tegen dezen koning had willen handelen, Hij had oorzaak genoeg om hem en zijne gedachtenis ten enenmale te verdelgen; maar in het midden zijner gestrengheid bewijst God nog genade.
Hertaald:
totdat gij bekent,
Als God de HEERE met de hoogste gestrengheid tegen deze koning had willen handelen, had Hij reden genoeg om hem en zijn nagedachtenis volkomen uit te roeien; maar midden in Zijn gestrengheid bewijst God nog genade.
Dat er ook gezegd is,
Chaldeeuws, en dat zij gezegd hebben. Zij, te weten de wachters. Doch inderdaad is er maar een engel of wachter geweest; zie vs.13, enz.
Hertaald:
Dat er ook gezegd is,
Chaldeeuws: en dat zij gezegd hebben. Zij, namelijk de wachters. Maar in werkelijkheid was er maar één engel of wachter; zie vers 13, enzovoort.
dat men den stam
Hier is de uitlegging van het derde deel des drooms, verhaald boven vs.15.
Hertaald:
dat men den stam
Hier volgt de uitlegging van het derde deel van de droom, verteld in vers 15.
uw koninkrijk zal u bestendig zijn,
Versta hierop, is, of betekent dit; gelijk boven Dan. 2:43 , enz.
Hertaald:
uw koninkrijk zal u bestendig zijn,
Vul hierbij aan: is, of betekent dit; zoals Dan. 2:43, enzovoort.
de Hemel heerst
Dat is, de God des hemels, gelijk Matt. 21:25 , en Luc. 15:18 , Luc. 15:21 . De zin is hier, dat God den hemel en de aarde regeert en het opperste gebied over en in dezelve heeft.
Hertaald:
de Hemel heerst
Dat is: de God van de hemel, zoals Matth. 21:25 en Luk. 15:18, Luk. 15:21. De betekenis is hier dat God hemel en aarde regeert en daarover en daarin het hoogste gezag heeft.
laat mijn raad u behagen,
Chaldeeuws, mijn raad zij schoon bij u.
Hertaald:
laat mijn raad u behagen,
Chaldeeuws: mijn raad zij schoon bij u.
breek uw zonden af door gerechtigheid,
Alsof hij zeide: Gij hebt nu lang genoeg met allerlei ongerechtigheid gezondigd, [zie onder Dan. 5:19 ] , dewijl u dan God de Heere zo genadiglijk tevoren waarschuwt, voorkom zijn oordeel en straffen met boetvaardigheid, breek, of snijd af, of ruk af [gelijk Gen. 27:40 ; Ex. 32:2 ] door gerechtigheid, [of aalmoezen; want dat betekent het Chaldeeuwse woord ook] uwe ongerechtigheid, en oefen genade over Gods volk, hetwelk verdrukt wordt door de strengheid uwer heerschappij.
Hertaald:
breek uw zonden af door gerechtigheid,
Alsof hij zei: u hebt nu lang genoeg met allerlei ongerechtigheid gezondigd (zie Dan. 5:19); nu God de HEERE u zo genadig van tevoren waarschuwt, kom Zijn oordeel en straffen voor met boetvaardigheid; breek, snijd of ruk uw ongerechtigheid af (zoals Gen. 27:40; Ex. 32:2) door gerechtigheid — of door aalmoezen, want dat betekent het Chaldeeuwse woord ook — en bewijs genade aan Gods volk, dat door de strengheid van uw heerschappij onderdrukt wordt.
aan de ellendigen,
Of, aan de bedrukten, of aan de armen.
Hertaald:
aan de ellendigen,
Of: aan de verdrukten, of aan de armen.
of er verlenging van uw vrede mocht wezen
Anders: of er misschien verlenging mocht wezen, enz. Het woord misschien betekent niet altoos twijfeling. Vergelijk Joz. 14:12 ; 1 Sam. 14:6 ; Hand. 8:22 , en zie de aantekening aldaar. De zin is hier: Indien gij mijn raad volgt [te weten dien ik u geef, vs.27], zo hebt gij te hopen dat God, zich over u ontfermende, uw vrede, rust, welstand zal verlengen. Anders: zie, dit zal ene verlenging van uw voorspoed [of rust] zijn.
Hertaald:
of er verlenging van uw vrede mocht wezen
Anders: of er misschien verlenging mocht zijn, enzovoort. Het woord misschien duidt niet altijd twijfel aan. Vergelijk Joz. 14:12; 1 Sam. 14:6; Hand. 8:22, en zie de aantekening daar. De betekenis is hier: als u mijn raad volgt, mag u hopen dat God Zich over u ontfermt en uw vrede, rust en welstand verlengt. Anders: zie, dit zal een verlenging van uw voorspoed of rust zijn.
Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar
Te weten wat God door dien droom en Daniël door de uitlegging van denzelven voorzegd had.
Hertaald:
Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar
Namelijk wat God door die droom en Daniël door de uitlegging daarvan voorzegd had.
op het einde van twaalf maanden,
Zolang heeft de goddelijke lankmoedigheid de straf nog uitgesteld, om hem tijd van bekering te geven.
Hertaald:
op het einde van twaalf maanden,
Zo lang heeft Gods lankmoedigheid de straf nog uitgesteld, om hem tijd tot bekering te geven.
toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
Het schijnt dat de koning boven op het platte dak van zijn paleis gewandeld heeft, vanwaar hij al de gedeelten der stad kon overzien.
Hertaald:
toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
Het lijkt erop dat de koning boven op het platte dak van zijn paleis wandelde, vanwaar hij alle delen van de stad kon overzien.
Sprak de koning,
Chaldeeuws, antwoordde de koning. Het schijnt dat de koning den droom en zijne beduiding, hem door Daniël aangediend, straks vergeten of lichtvaardiglijk in den wind geslagen had, misbruikende de lankmoedigheid Gods over hem. Vergelijk Rom. 2:4 .
Hertaald:
Sprak de koning,
Chaldeeuws: antwoordde de koning. Het lijkt erop dat de koning de droom en de betekenis daarvan, die Daniël hem meegedeeld had, al snel vergeten of lichtvaardig in de wind geslagen had, en zo Gods lankmoedigheid over hem misbruikte. Vergelijk Rom. 2:4.
Is dit niet
Alsof hij zeide: Wie zal deze grote en machtige stad durven bestrijden? Wie zal mij daaruit kunnen verdrijven? Het schijnt dat de koning, ziende op de woorden van den profeet Daniël [die hem voorzegd had dat hij van zijn koninklijken stoel zou afgestoten worden], de stad Babel nog veel sterker heeft bevestigd dan zij tevoren was, ja, dat hij haar zo sterk gemaakt heeft dat hij haar achtte onwinbaar te zijn. Maar het is gelijk er staat Ps. 18:28 ; Spr. 16:18 ; Jak. 4:6 , en 1 Petr. 5:5 .
Hertaald:
Is dit niet
Alsof hij zei: wie zal deze grote en machtige stad durven bestrijden? Wie zal mij daaruit kunnen verdrijven? Het lijkt erop dat de koning, met het oog op de woorden van de profeet Daniël — die hem voorzegd had dat hij van zijn koninklijke troon gestoten zou worden — de stad Babel nog veel sterker versterkt heeft dan zij tevoren was, ja dat hij haar zo sterk gemaakt heeft dat hij haar onneembaar achtte. Maar het gaat zoals geschreven staat in Ps. 18:28; Spr. 16:18; Jak. 4:6 en 1 Petr. 5:5.
het grote Babel,
Babel was [gelijk Herodotus schrijft lib.1 ], in het rond vierhonderd tachtig stadiën, dat is, vijftien gewone Duitse mijlen, elk van een uur gaans. Aristoteles zegt, Polit, lib. 3, cap.2, dat Babylon zo groot was, dat als het van de vijanden aan het ene einde al drie dagen was ingenomen geweest, die aan het andere einde doende waren, zulks eerst ten derden dage daarna vernomen ehbben.
Hertaald:
het grote Babel,
Babel was volgens Herodotus (boek 1) vierhonderdtachtig stadiën in omtrek, dat is vijftien gewone Duitse mijlen, elk van een uur gaans. Aristoteles zegt (Politica, boek 3, hoofdstuk 2) dat Babylon zo groot was dat, wanneer het aan het ene einde al drie dagen door de vijanden ingenomen was, zij die aan het andere einde bezig waren daar pas op de derde dag daarna van hoorden.
dat ik gebouwd heb
Dit is een ijdele en valse roem, tot schande zijner voorzaten strekkende; want Babel is straks na de overstroming gebouwd geweest, Gen. 10:10 . En het is van tijd tot tijd vergroot en versterkt geworden onder de regering van verscheidene koningen, die aldaar hebben hof gehouden. Deze Nebukadnezar heeft het alleen sterker gemaakt en met meer huizen vergroot. Zie JosEf. Lib.10, Antiq. Iudaic. cap.11.
Hertaald:
dat ik gebouwd heb
Dit is een ijdele en valse roem, die zijn voorgangers tot schande strekt. Want Babel is kort na de zondvloed gebouwd (Gen. 10:10) en is van tijd tot tijd vergroot en versterkt onder de regering van verscheidene koningen die daar hof gehouden hebben. Deze Nebukadnezar heeft het alleen sterker gemaakt en met meer huizen uitgebreid. Zie Josefus, Oudheden, boek 10, hoofdstuk 11.
door de sterkte mijner macht,
Wat heeft er dan God toe gedaan?
Hertaald:
door de sterkte mijner macht,
Wat heeft God er dan aan gedaan?
ter ere mijner heerlijkheid
Of, tot ere mijner majesteit, maar niet ter ere Gods.
Hertaald:
ter ere mijner heerlijkheid
Of: tot eer van mijn majesteit — maar niet tot eer van God.
Dit woord nog zijnde in des konings mond,
Dat is, eer hij nog terdeeg die hovaardige woorden uitgesproken had.
Hertaald:
Dit woord nog zijnde in des konings mond,
Dat is: voordat hij die hoogmoedige woorden helemaal uitgesproken had.
uit den hemel
Opdat deze hovaardige koning, mitsgaders al zijne hovelingen en trawanten, zouden zien en vernemen dat er een veel machtiger Koning in den hemel was dan hij. Vergelijk Psa 2 , Psa 4 , Psa 5 .
Hertaald:
uit den hemel
Opdat deze hoogmoedige koning en al zijn hovelingen en lijfwachten zouden zien en vernemen dat er in de hemel een veel machtiger Koning was dan hij. Vergelijk Ps. 2, 4 en 5.
U, o koning Nebukadnezar
Alsof God de Heere zeide: Gij verlaat u op uw koninklijke macht, maar gij zult binnenkort bevinden dat die van gene waarde is, Ik zal u terneder stoten en zal u het koninkrijk van zeven jaren lang afnemen; zie de vervulling vs.33.
Hertaald:
U, o koning Nebukadnezar
Alsof God de HEERE zei: u verlaat u op uw koninklijke macht, maar u zult spoedig ondervinden dat die niets waard is; Ik zal u neerstoten en u het koninkrijk zeven jaar lang ontnemen; zie de vervulling in vers 33.
is van u gegaan
Of, het gaat van u weg, of het zal van u weggaan, het is van u geweken, dit is in mijn raad alzo besloten.
Hertaald:
is van u gegaan
Of: het gaat van u weg, of het zal van u weggaan, het is van u geweken; dit is in Mijn raad zo besloten.
te smaken geven,
Dat is, te eten geven.
Hertaald:
te smaken geven,
Dat is: te eten geven.
zeven tijden over u voorbijgaan,
Zie boven de aantekening vs.16.
Hertaald:
zeven tijden over u voorbijgaan,
Zie hierboven de aantekening bij vers 16.
Ter zelfder ure
Te weten in welke de stem uit den hemel gevallen was; vergelijk Ps. 33:8-9 .
Hertaald:
Ter zelfder ure
Namelijk het uur waarop de stem uit de hemel gekomen was; vergelijk Ps. 33:8-9.
over Nebukadnezar
Of, aan.
Hertaald:
over Nebukadnezar
Of: aan.
hij werd uit de mensen verstoten,
Hij werd niet alleen van zijn koninklijken troon en uit zijn koninklijk paleis verstoten, maar ook uit het gezelschap en de bijwoning aller mensen. Zie onder vs.34.
Hertaald:
hij werd uit de mensen verstoten,
Hij werd niet alleen van zijn koninklijke troon en uit zijn koninklijk paleis verstoten, maar ook uit het gezelschap en de omgang van alle mensen. Zie vers 34.
hij at gras als de ossen,
Te weten die tevoren allerlei kostelijke spijs en lekkerlijk toebereide gerechten op zijne tafel te hebben gewoon was.
Hertaald:
hij at gras als de ossen,
Namelijk hij die tevoren gewend was allerlei kostbare spijzen en heerlijk toebereide gerechten op zijn tafel te hebben.
zijn lichaam
In plaats van het dak van zijn kostelijk en koninklijk paleis, waarin hij zich verhovaardigd had, ligt hij nu dag en nacht onder den blauwen hemel in het koude veld, zonder huis of hut.
Hertaald:
zijn lichaam
In plaats van het dak van zijn kostbare koninklijke paleis, waarop hij zich verhovaardigd had, ligt hij nu dag en nacht onder de blote hemel in het koude veld, zonder huis of hut.
zijn haar
Niet alleen het haar van zijn hoofd, maar al de haren van zijn lichaam.
Hertaald:
zijn haar
Niet alleen het haar van zijn hoofd, maar alle haren van zijn lichaam.
wies als der arenden vederen
Dat is, zo lang werd als der arenden, enz.; want hij had geen acht op zijn lichaam, hij dacht niet op het scheren van zijn haar, noch op het korten zijner nagelen, want hij was van zijn verstand beroofd; derhalve zijn zijne haren en nagels zo gewassen dat hij meer den gruwelijken en wilden vogels en gedierten gelijk scheen, dan den mensen.
Hertaald:
wies als der arenden vederen
Dat is: zo lang werd als die van de arenden, enzovoort. Want hij lette niet op zijn lichaam en dacht niet aan het knippen van zijn haar of het korten van zijn nagels, omdat hij van zijn verstand beroofd was. Daardoor groeiden zijn haar en nagels zo dat hij meer op de gruwelijke wilde vogels en dieren leek dan op een mens.
dezer dagen nu,
Zie boven vs.16, 32.
Hertaald:
dezer dagen nu,
Zie hierboven vers 16 en 32.
hief ik, Nebukadnezar,
De orde der woorden zou, naar den zin, deze zin: Mijn verstand kwam weder in mij, toen hief ik, enz.
Hertaald:
hief ik, Nebukadnezar,
De volgorde van de woorden zou naar de betekenis zo zijn: mijn verstand kwam in mij terug, toen hief ik, enzovoort.
mijn verstand kwam weer in mij;
Hieruit blijkt dat hij van zijn verstand een tijdlang is beroofd geweest; en heeft zijne ogen niet opwaarts ten hemel geslagen, totdat God hem als uit dezen dollen uitzinnigen slaap gered heeft; teoen eerst heeft hij gedacht dat God een rechtvaardig rechter was, en hij heeft zich voor Hem verdeemoedigd met verslagenheid en nederigheid des harten.
Hertaald:
mijn verstand kwam weer in mij;
Hieruit blijkt dat hij een tijdlang van zijn verstand beroofd geweest is en zijn ogen niet omhoog naar de hemel geslagen heeft, totdat God hem als het ware uit deze waanzinnige slaap gered heeft. Toen pas heeft hij bedacht dat God een rechtvaardig Rechter is, en heeft hij zich voor Hem verootmoedigd met verslagenheid en nederigheid van hart.
al de inwoners der aarde
Hoe sterk en machtig de mensen zijn, zo zijn zij in generlei manier met God te vergelijken, zij zijn ijdel en broos, hun rijk en regering vergaan haast, maar God is en blijft een Heere en Koning in eeuwigheid.
Hertaald:
al de inwoners der aarde
Hoe sterk en machtig de mensen ook zijn, zij zijn op geen enkele manier met God te vergelijken: zij zijn ijdel en broos, hun rijk en regering vergaan snel; maar God is en blijft Heere en Koning in eeuwigheid.
met het heir des hemels
Dat is, met de engelen, ook met de zon, maan, sterren en het ganse gebouw des hemels en der wolken. Zie de aantekening Gen. 2:1 .
Hertaald:
met het heir des hemels
Dat is: met de engelen, en ook met de zon, de maan, de sterren en het hele gebouw van de hemel en de wolken. Zie de aantekening bij Gen. 2:1.
afslaan,
Verhinderen, weren, ophouden, afkeren kan.
Hertaald:
afslaan,
Verhinderen, weren, tegenhouden, afkeren kan.
Wat doet Gij?
Of, wat hebt gij gedaan?
Hertaald:
Wat doet Gij?
Of: wat hebt U gedaan?
kwam mijn verstand weder in mij;
Dit was het grootste en voornaamste dat hij verloren had, waar de koninklijke waardigheid niet bij te vergelijken was.
Hertaald:
kwam mijn verstand weder in mij;
Dit was het grootste en voornaamste dat hij verloren had; de koninklijke waardigheid was daar niet mee te vergelijken.
mijn glans weder op mij;
Te weten de glans, of vorige schone gestaltenis van zijn aangezicht. Zie Dan. 2:31 .
Hertaald:
mijn glans weder op mij;
Namelijk de glans of de vorige mooie gestalte van zijn gezicht. Zie Dan. 2:31.
raadsheren
Of, regenten, of vorsten.
Hertaald:
raadsheren
Of: regenten, of vorsten.
geweldigen
Of edelen, of de groten des lands.
Hertaald:
geweldigen
Of: edelen, of de groten van het land.
zochten mij,
Het schijnt dat de koning van zijne raden is afgezet en verstoten geworden, toen zij zagen dat hij uitzinnig was; maar dat zij hem weder gezocht en aangenomen hebben, toen zij zagen dat hij wederom tot zijn verstand gekomen was.
Hertaald:
zochten mij,
Het lijkt erop dat de koning door zijn raadslieden afgezet en verstoten is toen zij zagen dat hij waanzinnig was, maar dat zij hem weer opgezocht en aangenomen hebben toen zij zagen dat hij weer bij zijn verstand gekomen was.
toegevoegd
Te weten van God en de vorsten des rijks.
Hertaald:
toegevoegd
Namelijk door God en door de vorsten van het rijk.
Nu prijs ik, Nebukadnezar,
Te weten nadat ik al het bovenverhaalde heb beleefd en bevonden. Anders: daarom prijs ik, enz.
Hertaald:
Nu prijs ik, Nebukadnezar,
Namelijk nadat ik alles wat hierboven verteld is beleefd en ondervonden heb. Anders: daarom prijs ik, enzovoort.
verheerlijk den Koning des hemels,
Dat nochtans deze koning niet ganselijk tot den waren God is bekeerd geweest, blijkt boven vs.8, waar hij Bel zijn God noemt: Niemand kan twee heren tegelijk dienen, Matt. 6:24 .
Hertaald:
verheerlijk den Koning des hemels,
Dat deze koning toch niet volkomen tot de ware God bekeerd geweest is, blijkt uit vers 8, waar hij Bel zijn god noemt. Niemand kan twee heren tegelijk dienen, Matth. 6:24.
al Zijn werken waarheid,
Dat is, alles wat Hij belooft, voorzegt en dreigt, dat is waar, zeker en vast; daar is niets berispelijks in.
Hertaald:
al Zijn werken waarheid,
Dat is: alles wat Hij belooft, voorzegt en dreigt is waar, zeker en vast; er is niets in te berispen.
Zijn paden
Dat is, zijne handelingen, werken en daden.
Hertaald:
Zijn paden
Dat is: Zijn handelingen, werken en daden.
gerichten zijn;
Zij bestaan niet alleen in het gericht, maar zij zijn zelf een regel en richtsnoer van alle gerichten; zijne handelingen stellen het gericht.
Hertaald:
gerichten zijn;
Zij zijn niet alleen in overeenstemming met het recht, maar zij zijn zelf een regel en richtsnoer voor alle recht; Zijn handelingen bepalen wat recht is.
Hij is machtig te vernederen degenen,
Hier bekent de koning openlijk zijne zonde der hovaardij, waarmede hij die straf wel verdiend had.
Hertaald:
Hij is machtig te vernederen degenen,
Hier belijdt de koning openlijk zijn zonde van hoogmoed, waarmee hij die straf terdege verdiend had. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas In de droom van de koning wordt een grote boom omgehouwen; dat beeld staat elders in het register (reeds behandeld bij Ezech. 31:3-14). Wat hier telkens meekomt is de reden: "opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen" (Dan. 4:17). Diezelfde zin staat in de uitlegging (Dan. 4:25) en nog eens in het vonnis: "totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wien Hij wil" (Dan. 4:32). Bijbelse betekenis: Merk op hoe vaak dit gezegd wordt. Driemaal in één hoofdstuk, en telkens met het woord opdat of totdat erbij: het is het doel van alles wat er gebeurt. Wat de koning overkomt, is er niet om hem te vernietigen maar om hem dit te leren. Let vervolgens op de toevoeging aan het slot van Dan. 4:17. God geeft de koninkrijken aan wie Hij wil, en Hij kan er de laagste onder de mensen over zetten; afkomst en geschiktheid beslissen niet. Let ten slotte op wie deze woorden opschrijft. Het hele hoofdstuk is een brief van Nebukadnezar zelf (Dan. 4:1-2). De belijdenis staat dus niet in de mond van de profeet maar in die van de koning die het zelf ondervonden heeft. Typologie: Paulus zegt dat er geen macht is dan van God, en dat de machten die er zijn van God verordend zijn (Rom. 13:1). En de Heere Jezus zegt het tegen de stadhouder die over Zijn leven meende te beschikken: "Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware" (Joh. 19:11). Dan. 4:1-2,17,25,32; Ezech. 31:3-14; Rom. 13:1; Joh. 19:11 Nadat Daniël de droom heeft uitgelegd, geeft hij ongevraagd raad: "Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheid door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen" (Dan. 4:27). Twaalf maanden later is er van die raad niets terechtgekomen (Dan. 4:29-30). Bijbelse betekenis: Merk eerst op wat hier niet staat. Er staat niet dat schuld met weldadigheid afgekocht kan worden; dat de mens niet uit de werken gerechtvaardigd wordt, ligt in de Schrift vast (reeds behandeld bij Ef. 2:8-9). Wat Daniël vraagt is een breuk met de zonde, en hij noemt erbij waaraan die te zien zou zijn: aan het recht en aan het ontfermen over de ellendigen. Dat is dezelfde maatstaf als bij Jeremia, waar het kennen van God omschreven wordt met het rechtdoen aan de arme (reeds behandeld bij Jer. 22:16). Let vervolgens op de voorzichtige vorm van het slot. Er staat: of er verlenging van uw vrede mocht wezen. Daniël belooft niets; hij spreekt over uitstel van een aangekondigd oordeel over dit koningschap, niet over het eeuwige leven. Let ten slotte op de man die dit zegt. Hij is een balling in dienst van de koning die zijn stad verwoest heeft, en hij waarschuwt hem toch, en met tegenzin (Dan. 4:19). Wie zijn overheid iets moet zeggen, mag dat doen met eerbied en zonder leedvermaak. Typologie: Johannes de Doper geeft dezelfde soort raad aan mensen die zich lieten dopen: "Brengt dan vruchten voort der bekering waardig" (Luk. 3:8), en hij maakt het meteen concreet met het delen van rok en spijs (Luk. 3:11). De vrucht bewijst de bekering; zij koopt haar niet. Dan. 4:19,27,29-30; Ef. 2:8-9; Jer. 22:16; Luk. 3:8,11 Een jaar na de waarschuwing wandelt de koning op zijn paleis en zegt: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!" (Dan. 4:30). Terwijl hij nog spreekt, valt er een stem uit de hemel (Dan. 4:31). Wat volgt geeft de tekst kort weer: hij wordt uit de mensen verstoten, eet gras als de ossen en wordt van de dauw nat (Dan. 4:32-33). Dan komt de omslag: "Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste" (Dan. 4:34). En het slot van zijn brief: "Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen" (Dan. 4:37). Bijbelse betekenis: Merk op waar de hoogmoed zich toont. Niet in een daad maar in een zin, en alles daarin wijst naar hemzelf: hij heeft het gebouwd, door zijn macht, tot zijn eer. Dat zegt hij een jaar nadat hij gehoord had van Wie het rijk gegeven was. Let vervolgens op wat de tekst over die zeven tijden zegt en wat niet. De vernedering wordt in twee verzen verteld, zonder uitweiding; het register laat dat zo. Let ten slotte op het ogenblik van de omslag. Er staat: ik hief mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij. Het opzien komt vóór de lofzang, en het herstel wordt niet aan hemzelf toegeschreven. Wat hij aan het einde zegt, is precies wat hij aan het begin niet wilde horen: dat God machtig is te vernederen wie in hoogmoed wandelen. Typologie: De psalm begint met dezelfde beweging: "Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit" (Ps. 123:1). En Petrus geeft de regel met de belofte erbij: "Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd" (1 Petr. 5:6). Dan. 4:29-37; Ps. 123:1; 1 Petr. 5:6 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 4
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Daniël 4
Daniël 4:34-35.KruisverwijzingenPsalmen 115:3→Daniël 12:7→Jeremia 10:10→Openbaring 4:10→Daniël 4:32→Daniël 2:44→Daniël 6:26→Psalmen 145:13→
— Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?
“Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;”
Hier vinden wij Nebukadnezar de eeuwige heerschappij van God belijden. De God Die wij dienen bestaat niet alleen, maar Hij regeert ook. Geen andere plaats zou Hem passen dan die van een onbeperkte soevereiniteit over al Zijn schepselen. De HEERE is van nature de Bestuurder van allen; en wie zou Zich aanmatigen over Hém te heersen?
Hij moet niet door het eindige verstand van de mens beoordeeld worden, want Hij doet grote dingen die wij niet begrijpen kunnen. Verbazingwekkend is de vrijpostigheid van de mens wanneer het schepsel over de Schepper durft te oordelen. Zijn karakter mag niet aangevochten of in twijfel getrokken worden; alleen de grenzeloze aanmatiging van onze hoogmoed zou de driemaal heilige God zo durven beledigen.
De plaats van de HEERE is op de troon, en onze plaats is te gehoorzamen. Het is aan Hem om te regeren en aan ons om te dienen. Het is aan Hem om te doen wat Hij wil, en aan ons om zonder tegenspreken die wil tot ons gedurige genoegen te maken.
Bedenk dan dat God in het heelal werkelijk regeert. Laten wij ons God nooit voorstellen als oneindig groot maar Zijn grootheid niet uitoefenend; als oneindig in staat om te regeren, maar voorlopig een enkel toeschouwer van de gebeurtenissen. Zo is het niet. De HEERE regeert ook nu. Eer zij de alomtegenwoordige en onzichtbare Heere van allen!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-37.KruisverwijzingenDaniël 6:25→Daniël 3:26→Daniël 2:44→Daniël 1:7→Daniël 2:48→Daniël 3:4→Daniël 6:26→Psalmen 105:27→
— De koning Nebukadnezar aan alle volken, natien en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd! Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij. Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken. Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend; Totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zeggende: Beltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijn uitlegging. De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.
Ongeveer uit het laatste tiental jaren van Nebukadnezar wordt ons ene wonderbare gebeurtenis met dezen koning meegedeeld, waaruit duidelijk blijkt, aan welk een groot gevaar van verdwalen en verderf de wereldmacht hare dragers en leden blootstelt, hoe dezen echter toch van zulk een verderf kunnen gered worden, wanneer zij slechts willen gehoor geven aan de waarschuwing en terechtwijzing, die van de zijde van het Godsrijk tot hen komt, en zij zich oprecht bekeren. Nebukadnezar namelijk, toen hij eens na de ontzaglijke oorlogen, die hij gevoerd had, en den groten buit, dien hij veroverd had, in het koninklijk paleis op zijne lauweren uitrustte en zich aan gedachten en zelfverheffing overgaf, had enen droom. Hij zag enen groten boom, die tot aan den hemel reikte, met grote takken en vele vruchten, onder welke alle dieren op het veld schaduw vonden, op wiens takken de vogelen onder den hemel toevlucht zochten, en van wiens vruchten alle vlees zich voedden. Toen kwam een heilige wachter van den hemel af met het bevel den boom om te houwen en te verderven. Hij had den last alleen den stam met den wortel in den grond te laten, terwijl ook deze zelf aan een zwaar gericht zou worden overgegeven. Geen van de wijzen van Babel kon den koning zijnen droom, die hem beangstigde. verklaren, totdat Daniël kwam, die het vermocht. Gelijk Daniël voorzegde, zo geschiedde het een jaar later-Nebukadnezar verviel in dierlijken waanzin; van welken hij eerst na verloop van den bepaalden tijd genas, daarna werd hij weer in zijn rijk hersteld en eerde hij den Koning des hemels. Hij doet dit in een koninklijk schrift, dat wij in ons hoofdstuk voor ons hebben. Na ene korte inleiding verhaalt hij zelf zijne ondervinding in alle bijzonderheden, zonder de waarheid in enig opzicht te verbergen, en verkondigt luide voor al zijne onderdanen, dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der mensen, en dat Hij, wie trots is, kan verootmoedigen, “Het tweede, derde en vierde hoofdstuk vormen een heerlijken vooruitgang in de openbaring Gods voor Nebukadnezar; in Hoofdst. 2 erkent de koning door de uitlegging van zijn droombeeld, dat de God des hemels het verborgene weet en kan openbaren, en hij bekent dit in zijne kamer, in Hoofdst. 3 ziet hij de wonderbare macht van God, die redden kan, als geen ander God; hij geeft voor de vergadering van zijne rijksbeambten daarvan getuigenis, en verbiedt in den omvang van zijn gehele rijk dezen God te lasteren; In Hoofdst. 4 ondervindt hij door een zwaar oordeel aan zich zelven, dat God de trotsen kan verootmoedigen, en prijst hij in zijn geschrift aan al zijne onderdanen dezen Allerhoogsten God aan als dien, die eeuwig leeft, wiens macht eeuwig is en wiens rijk eeuwig duurt. Nu is hij werkelijk Gods knecht geworden, in zo verre hij dit kon worden zonder zijne afgoden weg te werpen; nu verdwijnt hij echter ook bij Daniël uit de geschiedenis, en heeft hij, waarschijnlijk spoedig daarna, na ene regering van 43 jaren zijn leven geëindigd.
De koning Nebukadnezar aan alle volken, natiën en tongen, die op den gansen aardbodem wonen 1); Uw vrede worde u vermenigvuldigd!God geve u rijkdom en vrede (Hoofdst. 6:25. Ezra 4:17. 7:12.
Het Chaldeeuwse rijk maakte, evenals later het Romeinse (Luk. 2:1), er aanspraak op, ene de gehele wereld omvattende, algemene monarchie te zijn. Een rechtsgeleerde in Bologne, Bertolus en Saxoferrot (overl. 1356), bewijst in een commentaar op de Pandecten, dat diegene een ketter zou wezen, die beweerde, dat de Duitse keizer van het Roomse rijk niet zou zijn de monarch en heer der ganse aarde.
Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. Nieuwere uitleggers hebben het hoogst bevreemdend gevonden, dat Nebukadnezar zelf van zijne krankzinnigheid aan zijne volken bericht zou gegeven hebben, in plaats van alles aan te wenden, om deze treurige geschiedenis te doen vergeten. Maar afgezien daar van, dat de mening der ouden over krankzinnigheid, van de onze zeer verschilde, moeten wij integendeel beweren: openbaarheid was in zulk een geval beter dan verbergen, maar de buitendien reeds bekende zaak kon door openbaarmaking niet slechter maar wel beter worden. Nebukadnezar wil ook niet zijne krankzinnigheid, maar de hem geschonkene hulpe Gods bekend maken; dat hij dit openlijk deed, strekt zijn anders zo hoogmoedig karakter tot ere.
Hoe groot zijn Zijne tekenen! en hoe machtig zijn Zijne wonderen! Zijn rijk, gelijk het in Ps. 145:13 heet, is een eeuwig rijk, en Zijne heerschappij is van geslacht tot geslacht1) (vs.
.
Wij onderwijzen elkaar van tijd tot tijd uit de Brieven der Apostelen, thans moge een brief van den grootsten en machtigsten koning, die ooit op aarde geregeerd heeft, ons onderwijzen. Er zijn vele uitdrukkingen in het vervolg van dien brief, die ons noodzaken aan te nemen, dat de gemoedsverandering van Nebukadnezar niet ene wedergeboorte of bekering tot den waarachtigen God, maar ene volkomene overtuiging van Gods oppermacht en onafhankelijke heerschappij was, zo als wij meermalen in de Schrift bij de vorsten van volken, die buiten Israël stonden, aantreffen. Zo iets kan geheel buiten het geestelijk leven omgaan en ene zaak des verstands en des gevoels zijn. Nebukadnezar althans spreekt nog in éénen adem van God en van de heilige goden. Doch reeds op uitwendige verootmoediging geeft God enen zegen-Nebukadnezar was een instrument in de hand Gods. God schreef op hem Zijne profetieën, die thans nog moeten dienen, om ons de tekenen der tijden te leren kennen, en Hij maakte hem tot een ziener en liet hem dromen dromen, waarin Hij Zijne profetieën voor alle tijden leide. Hiermede maakt de koning zich nog niet bekend als iemand, die de afgoden heeft afgezworen. Wel als iemand, die boven zijn afgoden den God van Israël erkent als een Hoog verheven Wezen, wiens heerschappij is van geslacht tot geslacht. Vastelijk is hij overtuigd, maar niet hartelijk wedergeboren. Hij belijdt wel dat de macht Gods niet afhangt van menselijke willekeur, wel heeft hij veel van zijn trotsheid laten varen, dewijl hij Gods gezag boven zich stelt, maar verder gaat hij niet. Dit blijkt ons duidelijk uit vs. 8, waar hij spreekt van de heilige goden.
Ik Nebukadnezar, na het volbrengen van mijne krijgsdadengerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, terwijl naar buiten mijne heerschappij gevestigd was en nu alles, wat ik wilde, inwendig gelukt was (vs. 30).
Zag enen droom, dien ik verhalen zal (vs. 10 vv.), een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij, want, hoewel ik de betekenis van het gezicht nog niet verstond, vermoedde ik toch, dat mij daardoor iets van grote, ongunstige betekenis aangekondigd was. Na de inneming en verwoesting van Jeruzalem in het jaar 588 v. C. had Nebukadnezar het, gelijk wij bij Jes. 23:1 mededeelden, met de dertienjarige belegering van Tyrus te doen, dat zich eveneens aan zijne opperheerschappij moest onderwerpen. In dien tijd strafte hij ook de stammen in het Oost-Jordaanland, de Ammonieten, Moabieten en Edomieten. Volgens Jozefus zou hij zelfs tot Egypte en van daar verder door Libië tot aan de zuilen van Herkules (aan de straat van Gibraltar), in het noorden en noordwesten tot aan Pontus en Thracië doorgedrongen zijn. Daarna, (ongeveer sedert 572 vóór Chr.) trok hij naar Babylon terug, om zich nu in vrede te verheugen in de heerschappij, die in lange oorlogen verkregen was, en zich door werken van bouwkunst te verheerlijken. Tot deze wendde hij de schatten aan uit den ontzaglijken buit, welken zijne veroveringstochten hem hadden opgeleverd. In de eerste plaats moet onder deze genoemd worden de Medische muur, de bekende. 20 voet dikke en 100 voet hoge beschutting, die hij 10-12 mijlen boven zijne hoofdstad Babylon van den enen stroom tot den anderen tegen invallen uit het noorden bouwde. Wenden wij ons van dezen muur zuidelijk naar Babel, zo vinden wij het oudste gedeelte der stad aan de westzijde van den Eufraat in het ongeveer 2 uren zuidwestelijk van het tegenwoordige vlek Hilleh gelegene Birs Nimrod, d. i. Nimrods toren. Daar hebben wij de oudste ruïne van de wereld voor ons, een berg van puin in de gedaante van ene van ‘t westen naar ‘t oosten langwerpige verdieping, bij den grondslag meer dan 2000 voeten in omtrek, geheel uit bakstenen bestaande, die deels in de zon gedroogd (binnen in), deels in ovens gebakken waren (de uitwendige bekleding, die enen ongeveer 20 schreden dikken muur vormt). Als op brede trappen kan men op deze onderlaag den gehelen bouw rondgaan en ziet men spoedig, dat er van het terrasvormig opstijgend gebouw slechts 3 verdiepingen zijn blijven staan, terwijl de bovenste vier met hun puin op de ondersten nederstortten en den omtrek vergrootten; op het laatste 200 voet hoge bolwerk verheft zich een solide pilaar van 28 voet breedte en 35 voet hoogte. Er is geen twijfel aan, of wij bevinden ons hier, gelijk het verhaal der Arabieren luidt (Gen 11:8), aan de puinhopen van Babels toren; dit is zeker, nadat Oppert uit Hamburg op last der Franse regering zeer belangrijke onderzoekingen gedaan heeft. Hij, die dit gebouw uit zijne oorspronkelijke puinhopen opgebouwd en tot een tempel van Bel, den hoogsten god der Babyloniërs op ene schitterende wijze heeft ingericht, om daar ook de vaten uit den tempel van Jeruzalem onder te brengen (Hoofdst. 1:2), is Nebukadnezar, wiens naam bijna elke tichel der ruïnen in Babylonisch spijkerschrift draagt, en die op enen te Borsippa gevonden cilinder zich op dit zijn werk met deze woorden beroemt: “Het gedenkteken uit den oudsten tijd van Babylon heb ik, Nebukadnezar, koning van Babylon, de dienaar van het eeuwige Wezen, de getuige der onveranderlijkheid van Nerodach, den hoogsten heerser, die den Nebo verheft. enz. (vgl. Jer. 50:2. Jes. 46:1) hersteld en voltooid, in tichelen en koper heb ik zijnen top opgericht-het gedenkteken van den oudsten tijd van Borsippa, dat een koning uit den ouden tijd bouwde (men telt 42 menschenleeftijden?), maar hij richtte zijnen top niet op; van den dag van den zondvloed af verlieten zij hem, daar zij in verwarring hun woorden voortbrachten. ” Treffend is het gezicht rondom van de hoogte van dezen Nimrodstoren; de geheel omtrek, dien het oog van deze hoogte af overziet. vertoont niets dan de “woestijn aan de zee” (Jes. 21:1), woeste velden in het oosten, noorden en westen, zonder gras, kruid of geboomte, alleen aan den langzaam voortvloeienden Eufraat en hier en daar aan de kanalen tamarisken bosjes, aan de zijde het grote Hindija-meer, dat in de moerassen van Bahr-Redschef en Chor-Allah ongeveer 35 geografische mijlen ver en 3-10 mijlen in de breedte tot aan Samavah zich uitstrekt en in de ontzaglijk uitgestrekte lage landen van deze Babylonische moerassen die voor Alexander den Grote zo gevaarlijk ontelbare kleinere eilanden. Ruim 2 geografische mijlen zuid-oostelijk van Birs-Nimrod bevindt zich ene rivier en ene rij van heuvelen, die den naam van Dura draagt en op een van welke Oppert een carré van 6 meter hoog en van 14 meters aan de basis ontdekt heeft, waarin hij een overblijfsel van het gouden beeld van Nebukadnezar (Hoofdst. 3:1) ziet. Ongeveer 3 geografische mijlen zuidelijk ligt een sterk dorp, Kisil, grotendeels door Joden bewoond, die hier het grafteken van den Profeet Ezechiël in ere houden, hetwelk de koning Jojachin (2 Kron. 24:8 vv. # Ch) hem in ballingschap zou hebben laten oprichten. Tegenover deze oudere stad aan den oostelijken oever van den Eufraat, waar reeds zijn vader zich een paleis had gebouwd, legde Nebukadnezar de nieuwe stad aan, die een kwadraat van 9 geografische mijlen in den omtrek vormde. Een ontzaglijke muur, zo breed, dat op de schansen achter de tinnen twee vierspannen zeer goed voor elkaar kunnen uitwijken, waarboven 250 torens uitsteken, door ene breedte en diepe met water uit den Eufraat gevulde gracht beschermd (Jer. 51:32, 58) omgaven de stad, tot welke 100 poorten met posten, vleugels en dorpels van erts den toegang openden (Jes. 44:2) en welke tegen de overstromingen van den Eufraat nog door een bijzonder bolwerk gedekt was; ene brug van stenen pilaren met ene beweegbare bedekking van cederen en palmhouten balken, die des nachts worden weggetrokken, verbond beide delen der stad met elkaar. Naast het paleis van zijnen vader bouwde Nebukadnezar zijn koninklijken burg; de ruïnen daarvan heten el Kasr d. i. slotberg, en bestaan uit een groep stukken van muurwerk, 70 voeten hoog, 2400 voeten lang en 1800 voeten breed, uit de sierlijkste tichelstenen, dikwijls met blauw, rood en zwart verglaassel, in den regel echter helder geel gevormd. Een bepaald plan der gebouwen kan men niet meer opmaken, daar het voornamelijk deze Kasr is, welks muren voor de latere hoofdsteden Seleucia, Ktesiphon enz. stenen moesten leveren; wij weten echter, dat de burg ene ruimte van 3/4 mijl innam terwijl zich ook, behalve de gebouwen van het paleis tuinen en vijvers binnen de hoge muren bevonden. Daartoe behoorden de zo beroemde hangende tuinen een terrassenbouw van 400 voet lengte en van dezelfde breedte, en zo hoog aangelegd, dat het boven den 130 voet hogen burgtoren uitstak; het had den aanleg van tuinen en lustbossen op de oppervlakte en werd door pompen van water uit den Eufraat voorzien. Deze tuinen moesten aan de Medische echtgenoot van Nebukadnezar, aan Amytis, gelijk zij gewoonlijk genoemd wordt (dochter van Cyaxares (zie 2 Kon. 21:12 en 22:2) enen blik in de vlakte van Babel verschaffen, gelijk zij van de bergen in haar land gewoon was; van de hoogte der terrassen kon men dan den gehelen der oude en nieuwe stad overzien-ginds de oude koningsburg en den groten Belustempel, hier het nieuwe paleis, daar tussen het gewoel op de brug en op de straten-men kon zelfs over de stadsmuren uitzien in de vruchtbare vlakte. Dit is zonder twijfel de plaats waar de koning de woorden uitsprak (vs. 30): “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht en ter ere mijner heerlijkheid. ” De vlakke ruimte binnen de stad was rechthoekig: met zo vele straten doorkruist, dat er 625 kleine vierhoeken ontstonden, die echter niet alle met huizen bedekt waren, maar voor een groot deel ook tuinen en bebouwde velden bevatten. Onder de in Kasr gevondene oudheden is het merkwaardigste een basreliëf, dat een leeuw voorstelt, die zich over enen op den grond liggenden man verheft, misschien ene voorstelling van Daniël in den leeuwekuil (Hoofdst. 6).
Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, (Hoofdst. 2:2) op mijnen koninklijken burg; opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken.
Toen kwamen in volgens mijn bevel de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeën, en de waarzeggers; en ik zei den droom voor hen, maar zij maakten mij zijne uitlegging niet bekend: Bij den eersten droom in Hoofdst. 2 beweerden de wijzen enen droom te kunnen verklaren, maar te weten wat een ander gedroomd had, konden zij niet, nu wordt het duidelijk, dat zij ook het verklaren niet kunnen, hoewel Nebukadnezar zijnen droom niet weer, gelijk toen, vergeten heeft, maar dien in zijn geheel mededeelt. Het ware mogelijk, dat de, Chaldeeuwse wijzen, overeenkomstig hun eigene voorschriften van droomverklaring, in ‘t algemeen ene gedachte hadden, dat de droom een groot onheil voor Nebukadnezar inhield, hoewel zij, zonder de Goddelijke ingeving, waarmee Daniël verwaardigd werd, de juiste strekking niet konden verstaan. Onder deze onwetendheid omtrent de juiste betekenis, hebben zij misschien gewenst zich zelven te beschermen, want weinigen zouden den moed hebben, een oosters heerser bekend te maken, dat zijn droom een groot onheil voor hem zelven bevatte.
Totdat ten laatste Daniël, de gevangene uit Juda (Dan. 2:25), voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns gods Bel (Hoofdst. 1:7), in wien ook, gelijk nu ten tweeden male bekend is geworden, de geest der heilige Goden is, om dromen te kunnen verklaren (Hoofdst 2:11, 28; 5:11, 14. Gen. 41:38), en ik vertelde den droom voor hem, zeggende: Gelijk Nebukadnezar niet heeft opgehouden een heiden te zijn, zo heeft ook Bel niet opgehouden, voor hem de hoogste god te zijn, toch moeten wij in aanmerking dat hij bij het uitvaardigen zich nog geheel geschikt naar het heidens standpunt zijner onderdanen, om hen eerst door volledige mededeling van het voorval nader tot de kennis der waarheid te brengen. Waarom, zo gevoelt men zich gedrongen te vragen, heeft Nebukadnezar zich niet aanstonds tot Daniël gewend, maar eerst de wijzen laten roepen, van wier onvermogen hem toch de geschiedenis van zijnen vroegeren droom overtuigd had? Intussen zijn sedert dien ongeveer 32 jaren voorbijgegaan; Daniël had dus in langen tijd gene gelegenheid om als openbaarder van Goddelijke geheimen bij den koning bevestigd te worden, terwijl voor dezen door den overvloed van zijn geluk de vroegere openbaring steeds meer verduisterd werd, ook zelfs het wonder voor ongeveer 16 jaren aan de drie mannen in den vurigen oven geschied (Hoofdst.
, steeds meer uit zijn hart verdween. Bovendien komt in aanmerking, dat Nebukadnezar misschien vermoedde, dat zijn droom hem zelven betrof en iets kwaads voor hem betekende; en de mens is toch inderdaad zo, dat hij ene hem onaangename waarheid zoveel mogelijk uit den weg gaat, al zou hij ook gaarne tot de kennis der waarheid komen, en dat hij eerst nadat hem de omwegen op het dwaalspoor geleid hebben, den rechten weg inslaat. “Vorsten en heren, en de mensen in het algemeen, hebben niet gaarne te doen met mensen, die boven hen verheven zijn, in wie de Geest Gods is, behalve wanneer zij hen bepaald nodig hebben. “
Beltsazar, gij overste der tovenaars (Hoofdst. 2:2)! Dewijl ik weet, dat de geest der heilige Goden 1) in u is, en gene verborgenheid u zwaar is, zodat de uitlegging voor u zou moeilijk zijn, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijne uitlegging, daar ik den droom zelven nog herinner.
Hij behoudt de taal en de uitspraak van zijn afgodendienst en daarom is het te vrezen, dat hij tot het geloof en den dienst van den levenden God niet bekeerd is. Hij is een afgodendienaar en zijn spraak verraadt hem. Want hij spreekt van vele goden, en hij verklaart zich niet om in een God als algenoegzaam te berusten, neen, niet in Hem, die algenoegzaam is. Bovendien prijst hij Daniël niet als een dienstknecht des levenden Gods, maar als een overste der tovenaars. Hij erkent daarom wel, dat deze zijn heidense tovenaars in trappen, maar niet in wezen overtreft. Den God van Israël stelt hij dus als op één lijn met de afgoden van zijn land.
De gezichten nu mijns hoofds, mijner verbeelding op mijn leger waren deze: ik zag, en ziet er was een boom in het midden der aarde, en zijne hoogte was, reeds van den beginne af, groot.
De boom werd hoe langer hoe meer groot en sterk, en zijne hoogte reikte ten laatste aan den hemel (Gen. 11:4), en, wat zijn omvang betreft, hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde. De allegorische voorstelling is groots en verheven, tot in de kleinste delen treffend doorgevoerd, uit gemengde beelden tot een zeldzaam groots geheel zamengevoegd. Zij gelijkt met recht, volgens het voor de allegorie gebezigde beeld van enen vernuftigen onderzoeker (Creuzer) aan de in de breedte slingerende takken van ene welig groeiende plant- de vrijheid en de lust tot spelen, die aan de fantasie eigen is, omzweeft de gedachte, eer de geest zich van haar heeft meester gemaakt. Het beeld is echt oosters en het symbool van den boom even zo min zonder betekenis als het de koeien zijn, die Faraö in den droom zag; wij kunnen hier meer zeggen, het is op Babylonische grond gewassen, daarheen wijzen ons de gezichten van Ezechiël, die daar gezien zijn (Ezech. 17:22 v. 19:10 vv. 31:3 vv. en de inkleding van die in merkwaardige overeenstemming met het onze.
Zijn loof aan de uitgestrekte takken was schoon, en zijne vruchten, die hij droeg, vele, en er was spijze aan denzelven voor allen, die in zijn bereik leefden; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden zijne takken, en alle vleesde dieren des velds en de vogelen des hemels, werd daarvan gevoed. De toepassing van dit vers op den koning blijft achter vs. 22 weg, en de lezer kan die nu zelf maken; men verklare echter de uitdrukking, dat van den boom zich alle vlees voedt, niet van des konings rijkdom, die vele (maar niet alle!) mensen voedt, maar omtrent de voorstelling, dat eigenlijk alles aan hem toebehoort, ieder zijn eigendom van den koning ter leen heeft, en dus van hem zijn voedsel ontvangt.
Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, mijner verbeelding op mijn leger (vs. 7), en ziet, een wachter, namelijk een heilige, een van de heilige engelen, die steeds waakzaam zijn en bereid tot het volbrengen van den Goddelijken wil, kwam af van den hemel.
Roepende met kracht gelijk een heraut (Hoofdst. 3:4), en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kaptdoor dat gehele afhouwen zijne takken af, stroopt zijn loof af, en verstrooit zijne vruchten, zodat zij niet te vinden zijn, dat de dieren van onder hem wegzwerven, tengevolge dier verwoesting van schrik vervuld, en de vogelen van zijne takken. Wie zij zijn, wien de Engel het bevel omtrent het afhouwen van den boom toeroept, zal men moeilijk kunnen vragen. Het moet slechts aan Nebukadnezar bekend gemaakt worden, welk een vonnis den boom treft; daartoe moet hij slechts het bevel horen, niet degenen zien, wien de volvoering is opgedragen.
Doch laat den stam met zijne wortelen (de stam zijns wortels) in de aarde, en met enen ijzeren en koperen band, hem, die door dat beeld bedoeld is, in het tedere gras des velds, daar de krankzinnigheid hem zijne vrije beschikking over zichzelven ontneemt en zijnen geest met donkerheid omgeeft (Ps. 107:10), zonder dat eigen vermogen of menselijke kunst ooit weer zulke banden kan losmaken, en laat hem in den dauw des hemels, even als een dier, dat in de open lucht zijn verblijf heeft, nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde, tot welke hij in dien toestand zal nedergestoten zijn. Men kan den boom en den stam zijns wortels niet zo onderscheiden, dat men onder den om te houwen boom Nebukadnezar zelven en onder den stam zijn huis, zijne familie verstaat. Nebukadnezar is de boom met den stam, maar wanneer de boom Nebukadnezar wordt omgehouwen, zal toch zijn stam in de aarde blijven, opdat hij weer kan uitspruiten en tot een boom Nebukadnezar opwassen, of, gelijk Hitzig het opvat, de koning Nebukadnezar zal in krankzinnigheid ten onder gaan, maar de mens Nebukadnezar zal blijven, opdat hij weer tot koning Nebukadnezar kan worden. Ongetwijfeld betekent dit dat zijn koningschap vast en zeker zou zijn gedurende den tijd, dat hij beroofd van zijn verstand zou zijn. Nebukadnezar ondervindt hier nog dat God in Zijn oordelen des ontfermens nog gedachtig zou zijn, ja, dat Hij steeds wegen van uitkomst en redding heeft, voor hen, wier zaak hopeloos en reddeloos schijnt te zijn.
En om het nog nader aan te wijzen, hoe diep hij vernederd zal worden, zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, zodat hij zich voor een dier houdt en zich als zodanig gedraagt, en laat zeven tijden (volgens Hoofdst. 7:25; 12:7 zeven jaren) over hem voorbijgaan, laat hem zolang in dien toestand blijven. Over het algemeen levert het oude evenmin als het tegenwoordige oosten vele voorbeelden van psychische of zielziekten op; dan beide hoofdvormen, de melancholie en de kranzinnigheid komen twee bijzonder interessante gevallen in de Heilige Schrift voor en wel daar en hier bij enen koning. Wanneer in het algemeen kan worden aangenomen, dat psychische ziekten tot psychischen basis hebben ene ontstemming van het zenuwgestel, zo is de melancholie voornamelijk verbonden met ziekelijke aandoening van het ganglien(onderlijfs-zenuwen-) systeem. Zij gaat, vooral waar psychische opwellingen, bijv. eergierigheid ijverzucht enz. mede oorzaak is, periodiek uit de passieve, de vorm van het in droefheid verzonken zijn tot den aktieven vorm van manie over en wordt tot razernij, gelijk bij Saul (1 Sam. 16:23, 23, 18:10). De uitzinnigheid daarentegen, voornamelijk met ene ziekelijke affectie van het hersenleven verbonden, is een in den war zijn van den geest. Zij openbaart zich als gek zijn, als waanzinnig, of zij zoekt zich, wat in ‘t bijzonder bij individuen, wier geest krachtiger is, het geval is, den geest te fixeren door ene inbeelding, ene idee fixe in betrekking op zijne plaats in de objectieve wereld, met welke hij zich in tweespalt bevindt, Deze inbeelding kan zijn of alleen omtrent het stoffelijke, omtrent de intellectuele en ethische zijde van het menselijk wezen, bijv. op den stand van het individu in het maatschappelijk leven in de wereld, in de rij der schepselen; de uitzinnige is dan verbijsterd, houdt zich bijv. voor God, een koning, een dier, een glas enz. Die vorm van krankzinnigheid, waarin het zelfbewustzijn geheel verkeerd voorkomt, het “Ik” zich zelven geheel verloren heeft, en iemand zich voor een geheel ander wezen houdt, vindt men enigzins bij een Herodes Agrippa (Hand. 12:22), Nebukadnezar is echter een bijzonder merkwaardig voorbeeld van dezen vorm van gehele verbijstering met een Latijns woord insania metamorphosis of zoanthropica genoemd. Zij was bij hem beide, natuurlijk gevolg van een goddelijke straf voor zich zelven vergodenden hoogmoed, Hij, die zich zelven in zijn hart had verheven boven alle mensen, werd tot de dieren vernederd, zonk in een dierlijken toestand weg, en hield zich zelven in zijne waanzinnigheid voor een dier, at gras, bleef onder den vrijen hemel en duldde niet, dat hem haren en nagels werden gesneden, Overigens worden voorbeelden van zulke ziekten uit alle tijden verhaald; zo van een boer, die zich verbeeldde, dat hij een wolf was (Lykantropie), met dit onderscheid, dat het vel omgekeerd, en de haren inwendig waren, van een meisje, dat om de epidemie te verdrijven, kattenbloed gedronken had, en uit afkeer daarvan in ene krankzinnigheid verviel, waarbij zij zich inbeeldde ene kat te zijn, enz.
Deze zaak (vs. 11-13) is in het besluit der wachters; en deze begeerte 1), deze aangelegenheid is in het woord der heiligen, is door de heiligen bevolen en zal dus zeker volvoerd worden, opdat de levenden de mensenkinderen op aarde (Jes. 53:8) bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen (Hoofdst 2:21), en geeft ze aan wien Hij wil, ja zet daarover den laagste 2), den geringste onder de mensen; een mens is dus slechts zoveel, als de Allerhoogste hem wil doen zijn,
In het Chald. atlav (Scheëelta) Beter: deze aangelegenheid. Onder de heiligen moeten hier de Engelen verstaan worden, die het besluit Gods hebben goedgekeurd en ondertekend. In de H. Schrift komt meermalen voor dat de Heere God het besluit den Engelen voorlegt. (Jes. 6:8. 1 Kon. 22:20 Niet omdat God, de Heere hen van node heeft of hun toestemming behoeft, maar omdat Hij hun dienst gebruikt in de uitvoering van Zijn plannen.
Deze uitdrukkingen vinden volkomene verklaringen uit de Babylonische godsdienstbegrippen, met welke noodzakelijk de goddelijke, aan Nebukadnezar ten dele gewordene openbaring in zijne ziel moest zamensmelten. Diodorus Sicadus bericht van die godsdienstige voorstellingen; “Aan den loop van deze sterren (5 planetengoden) zijn, gelijk zij (de Babyloniërs) zeggen, 30 andere ondergeschikt, welke zij raadgevende goden noemen, van welke de ene helft het opzicht heeft over de landen onder de aarde, de andere echter ziet op datgene, wat op de aarde onder de mensen en in den hemel voorvalt. Alle tien dagen werd een van deze als bode der sterren van de bovenste naar de benedenste, en eveneens een ander van de onderste naar de bovenste gezonden. ” Deze plaats werpt een bijzonder licht op de onze; hier even als daar een senaat van ondergoden of engelen, die het bestuur over de aarde heeft, over hetgeen daar voorvalt bericht geeft en de hogere goedkeuring voor zijne voorstellen gaat halen. Ook op een beeld bij Kazwini komt Bel voor, terwijl genieën (geesten) rondom hem zweven, die bereid zijn zijne bevelen te volbrengen. Volgens de leer der Schrift bepalen de Engelen het lot der mensen niet, maar alleen God, rondom Wien de Engelen slechts als dienende geesten staan, opdat zij Zijne bevolen volbrengen, Zijnen raad den mensen bekend maken; de Engel betekent voor den Babylonischen koning het Goddelijke besluit ten opzichte van het over hem te komen gericht van verootmoediging voor zijnen hoogmoed, als besluit der wachters, om hem dit op de voor hem meest verstaanbare wijze als een Godsgericht aan te kondigen. Hier hoort gij, wie de macht heeft over troon en kroon, en dat uit den mond van een absoluut souverein en machtig heidens koning, die door een tijdelijk verlies van zijn koningschap en van zijn verstand alzo geleerd had te getuigen en te belijden. Laat ons daarom de godslastering der Fransen niet nazeggen: “de macht is uit het volk. ” Neen, de macht is uit God. God toont ook van tijd tot tijd en vooral in onzen tijd, waarin de soevereiniteit des volks van de daken gepredikt wordt, dat de macht uit Hem is, en dat niet het volk, maar dat Hij de koninkrijken geeft aan die Hij wil, ja, dat Hij daarover den laagste onder de mensen zet. De uitdrukking van den tekst is ene zinspeling op de handelwijze van aardse vorsten, welke hun besluiten maken in overeenstemming met hun eerste ministers. Zo wordt God beschreven als het heir der engelen bijeenroepende, en besluiten makende met hun goedvinden (1 Kon. 22:19). En Christus wordt voorgesteld als omringd van Engelen en heiligen, als bij hem zittende in den dag des oordeels (zie Hoofdst. 7:22, 1 Kor. 6:2 en 3. 1 Tim. 5:21, 1Co 1Ti 1 Openb. 20:4) .
Dezen droom, zo ging ik tot Daniël voort, heb ik, koning Nebukadnezar, gezien; gij nu Beltsazar! zeg de uitlegging van dien, dewijl al de wijlen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken, maar gij kunt wel, dewijl de Geest der heilige Goden in u is.
Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, daar hij de betekenis van den droom aanstonds doorzag, bij een uur lang1) (liever een poos), en zijne gedachten beroerden hem, daar hij den koning toegenegen was en hij hem toch een zware straf moest aankondigen. De koning, die wel bemerkte waarom hij zo nedergeslagen was, antwoordde en zei): Beltsazar! laat u den droom en zijne uitlegging niet beroeren, spreek vrijmoedig en zonder iets te verbergen (1 (Sam. 3:15 vv.)Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer! de droom wedervare niet u maar uwen hateren, en zijne uitlegging, in plaats van u, uwen wederpartijders, van zulk ene droevige betekenis is hij!
Het woord in den grondtekst heeft wel bij de Rabbijnen de betekenis van uur; in het Bijbelse Chaldeeuws betekent het echter: een kleine tijd, “een kort ogenblik. ” .
In ‘t oog vallend is de afwisseling van persoon; uit het vorige zou men verwachten, dat de koning ook verder in den eersten persoon van zich zou spreken. In dergelijke dokumenten komt dit echter meermalen voor: Ezra 7:13 vv. Esth. 8:7 vv. 1 Kon. 1:33.
De boom, dien gij volgens uwe mededeling gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;
En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;
Dat zijt gij, o koning die groot en sterk zijt geworden; want uwe grootheid is zo gewassen, dat zij reikt tot aan den hemel, en uwe heerschappij aan het einde des aardrijks.
Dat nu de koning vervolgens in zijnen droom enen wachter, namelijk enen heilige, gezien heeft, van den hemel afkomende, die zei: Houwt dezen boom af en verderft hem, doch laat den stam met zijne wortelen in de aarde, en met enen ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds en in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel lij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;
Dit is de beduiding, de betekenis, o koning! en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijnen heer, den koning, komen zal.
Te weten, men zal u van de mensen verstoten (zie bij vs. 33). en met het gedierte des velds zal uwe woning zijn, en men zal u kruid, als den ossen te smaken geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze wien Hij wil. Opmerkelijk is de onverschrokkenheid van den knecht Gods, dat hij niet op verbloemde wijze den koning te kennen geeft, wat hem wacht, maar met omstandige woorden hem openlijk zegt, welk een smadelijke en ellendige toestand hem wacht, uitstoting uit de zamenleving, wonen bij de dieren des velds, gelijk voedsel met hen en even als zij zonder deksel.
Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gerechtigheid, en uwe ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen 1), of er verlenging van uwen vrede mocht wezen (of: zo zal uw geluk bestendig zijn en de gedreigde straf niet komen) 2)
Het is niet twijfelachtig of Daniël heeft den koning tot boete willen vermanen. Maar slechts één soort heeft hij aangehaald, zo als wij weten dat dit zeer gebruikelijk is bij de Profeten. Want wanneer zij het volk tot den weg terugroepen, vatten zij niet altijd samen wat boete is, noch bepalen zij het nauw, maar roeren of de uitwendige plichten van de boete aan of een deel er van. Deze wijze van handelen volgt Daniël. Indien men vraagt wat berouw is, is het de bekering van den mens tot God, van wien hij vervreemdt was. Doch deze bekering bestaat die slechts in handen en voeten en tong? Eerder begint zij van het verstand, vervolgens van het hart, daarna gaat zij over tot de uitwendige werken. Derhalve een waar berouw heeft haar begin in het verstand van den mens, zodat hij, die al te zeer wijs heeft willen zijn, afstand doet van zijn wijsheid, of afstand doet van het dwaze vertrouwen op eigen rede, vervolgens, dat hij zijn boze hartstochten ten onder brengt en deze Gode onderwerpt; eindelijk zal het uitwendige leven volgen. De Rabbijnen zetten deze woorden over. “Maak uwe zonden weer goed door aalmoezen, en uwe overtredingen door weldaden aan de armen. ” Dien overeenkomstig heeft de Vulgata: “peccata tus eleëmosynis redime, et iniquitates tuas misericordiis pauperum. ” Onze plaats wordt dan ook in de Katholieke kerk voor een hoofdbewijs gehouden van de verdienstelijkheid der goede werken. Daartegen verheft zich de Apologie der Augsburgse confessie in het 3de artikel: van de liefde en de vervulling der wet aldus: Dit is een korte inhoud van ene gehele prediking; het is zoveel als: “Bekeer u!” Het is waar, wanneer wij ons bekeren, worden wij van de zonde bevrijd, daarom zegt hij: “maak los” (breek af). Daaruit volgt echter niet, dat wij van onze zonden kunnen bevrijd worden om onzer werken wil, of dat onze werken de betaling zijn voor de zonde. Ook stelt Daniël niet alleen de werken. maar zegt: “door gerechtigheid. ” Nu weet ieder, dat “gerechtigheid” in de Schrift niet alleen “uitwendige werken” betekent, maar het geloof inhoudt, gelijk Paulus zegt: “de rechtvaardige zal door het geloof leven. ” Daarom vordert Daniël in de eerste plaats geloof, als hij “gerechtigheid” noemt en zegt: “breek uwe zonden af door gerechtigheid, ” d. i. door geloof in God, opdat gij gerechtvaardigd wordt; voeg daarbij ook goede werken, namelijk, volbreng uwe roeping wees geen tiran, maar zie toe, dat uwe regering voor land en volk nuttig zij, bewaar den vrede en beschermt de armen tegen onrechtvaardig geweld, dat zijn vorstelijke aalmoezen. ” . Daniël geeft hier aan den koning den raad, om zijn hoogmoed te laten varen, te bestrijden, om af te laten van het verdrukken der ellendigen, en tegenovergesteld zich aan God te onderwerpen, van wien hij alle macht had ontvangen, en zich Gode onderwerpende, de armen en ellendigen tot een hand en voet te zijn, d. w. z. hen te ondersteunen en de behoeftigen te helpen. Nebukadnezars hoofdzonde was hoogmoed en verdrukking van de ellendigen. Van eeuwig leven en van eeuwige zaligheid is hier geen sprake in den eigenlijken zin van het woord, wel van een zich bekeren op zijn uitwendige wegen tegen God en zijn volk.
Hier is geen sprake van eeuwig leven en zaligheid, maar daarvan hoe Nebukadnezar wellicht de gedreigde straf zou kunnen ontgaan, daartoe wil Daniël, dat hij de zonden van zich doe, door welke hij zich dat vonnis op den hals haalde. Gerechtigheid en ontferming zijn de koninklijke hoofddeugden. (Jes. 11:4 vv,), die hij aan Nebukadnezar ter beoefening aanbeveelt. Wanneer de koning uit vrees voor de gerichten des Allerhoogsten over zijne zonden en misdaden berouw gevoelde en ze naliet, zo hij er zich op toelegde om gerechtigheid jegens ieder, zachtheid jegens de armen te bewijzen, zo was dit zeker nog gene volledige bekering, maar toch een zeker teken van die bekering, waarvoor hij na zijne erkenning van God bekwaamheid bezat. Daniël kent geen heidens fatum, maar weet, dat Gods gericht zich maar den zedelijken toestand des mensen richt, en de gedreigde straf door bekering kan worden afgewend (Jer. 18:7. vv. Jon. 3:5 vv. Jes. 38:1 vv.). Deze weg om het gedreigde vonnis van zich af te wenden, stond ook voor Nebukadnezar open, te meer daar de tijd, op welken de droom zou vervuld worden, niet bepaald was, en hem dus nog tijd tot bekering was gelaten. Zich van zijne zonden losmaken door gerechtigheid betekent niets anders dan ze afleggen, zodat men gerechtigheid in hare plaats stelt, gerechtigheid aangrijpt en uitoefent. Als een gevolg nu der gerechtigheid, die de koning zich moet toeëigenen, wordt het weldoen aan de armen genoemd, daar dit ene gelijke gezindheid veronderstelt, als zij bezitten, die men zich aantrekt, namelijk als die der lijdende vromen; hier deze vermaning te geven, was des te meer gepast, daar zij tot enen koning was gericht, die geroepen was de gerechtigheid van God af te beelden, welke den ellendigen onder het volk recht verschaft en de armen helpt.
Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar, die den hem gegeven raad niet ter harte nam.
Want op het einde van twaalf maanden, juist een jaar na de in vs. 1 vv. medegedeelde gebeurtenis, toen hij op het koninklijk paleis van Babel was wandelende op de hoogte der terrassen in el Kasr (vs. 3).
Sprak de koning en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, tot een koninklijken zetel, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er ene stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd, dat daar gij u niet bekeerd hebt, maar in uwen hoogmoed tot het uiterste zijt voortgegaan (vs. 27), aan u zal vervuld worden, wat door den droom bedreigd is: het koninkrijk is van u gegaan.
En men zal u van de mensen verstoten, en uwe woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft aan wien Hij wil (vs. 16).
Ter zelver ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, daar ene krankzinnigheid hem overviel in den vorm van boanthropie, zodat hij zich voor een rund hield, want hij werd uit de mensen verstoten 1), daar men gedurende den tijd zijner krankzinnigheid niets anders kon doen, dan die te laten uitwoeden, en hem zelven aan de blikken der mensen onttrekken, en hij at gras als de ossen), en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijne nagelen als der vogelen 3).
Dat men zijn verstoten niet te denken heeft, als ware dit door zijn onderdanen geschied, maar dat het zijne ziekte was, die hem uitdreef, blijkt daaruit, dat voor hem de heerschappij werd bewaard. De zijnen wisten het van Daniël zowel als van den koning zelven, die van zijnen droom geen geheim maakte, dat zijne ziekte zich slechts over zeven tijden zou uitstrekken; toen begon met zijne ongesteldheid ene waarneming van de regering, totdat men na zijne herstelling hem zelven de teugels der regering weer in handen kon geven.
Dit is ook nu nog iets, dat soms bij krankzinnigen wordt waargenomen. Rösch meldt van ene vrouw, in het krankzinnigengesticht in Würtemberg, die ditzelfde deed.
Hier is in aanmerking te nemen, aan de ene zijde, dat de haren, hoe meer zij aan invloed van het ruwe weer en aan de zonnestralen zijn blootgesteld, ene des te grotere hardheid verkrijgen en hierin als het ware den vederen der vogelen gelijk worden, aan de andere zijde, dat soms bij psychische ziekten de nagels enen bijzonderen, monsterachtigen, onnatuurlijken vorm verkrijgen. Zie hier, hoe God de hoogmoedigen wederstaat. Nebukadnezar wilde meer dan een mens zijn. God maakte hem juist minder dan een mens. .
Ten einde dezer dagen nu, dezer zeven tijden, hief ik, Nebukadnezar, mijne ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij 1), en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijne heerschappij ene eeuwige heerschappij, en Zijn koninkrijks van geslacht tot geslacht (Hoofdst. 7:14).
“Ene schone schilderachtig uitdrukking voor het herleven van het menselijk bewustzijn in Nebukadnezar! Het dier richt den blik ter aarde, de mens ten hemel; alzo is dan het opheffen der ogen naar den hemel het begin en het eerste teken, dat het dierlijk hart den koning verlaat, en de menselijke geest in hem weer de wieken verheft. Het verstand keert in hem terug en de blik naar boven wordt tot een gebed; uit dit gebed nu zien wij, dat de goddelijke bedoeling met hem bereikt is; niet meer aan zich zelven, maar den Allerhoogste en Eeuwiglevende geeft hij de eer. ” Bij 1 Sam. 16:14 hebben wij reeds opgemerkt, dat de toestand van krenking der geestvermogens de mogelijkheid ener bekering niet uitsluit, want krankzinnigheid, razernij en alle valselijk zogenaamde zielsziekten zijn volgens het eenparig resultaat der nieuwere onderzoekingen gene ziekten der ziel, maar van de fijnere, lichamelijke organen der ziel.
En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijnen wil met het heir des hemels, en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijne hand afslaan of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?(vgl. bij Hoofdst. 2:33). Hoe aandoenlijk is deze schildering! Ach, dat de wijzen en groten dezer wereld het toch meer bedachten, dat zij eigenlijk over niets meester zijn, zelfs niet over hun eigen verstand! Hoe spoedig kan het hun ontnomen worden. Ga in de gestichten voor krankzinnigen, daar zult gij mensen vinden, zelfs van de edelste families en van hoge geboorte, en van hogen rang in de maatschappij, ja, die op de gestoelten der ere hebben gezeten, en van wie niemand zou gezegd hebben, dat zij eenmaal onder de ellendigste der ellendigen zouden nederzitten, en toch, zij zitten daar nu, en wie vrijwaart mij en u voor zulk ene bezoeking? Och, dat wij toch nederig zijn voor God en mensen en ons niet verheffen op iets, dat enkel ene gave Gods is, en dat Hij ons ieder ogenblik weer ontnemen kan.
Ter zelver tijd kwam mijn verstand weer in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijne majesteit en mijn glans weer op mij; en mijne raadsheren en mijne geweldigen, die intussen de regering hadden waargenomen, maar ook in mijnen toestand het oog niet van mij hadden afgewend, zochten mij 1), en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd 2), dan ik te voren had (Job. 42:10 vv.).
Volgens Jer. 39:13 vormden de raadsheren en de geweldigen des konings een college; even als zij reeds vroeger eens, gedurende Nebukadnezars afwezigheid, ten tijde van den dood zijns vaders gedaan hadden (2 Kon. 24:1), zo verzekerden zij ook nu voor hem de regering en namen zij zijne plaats in. Dat men iemand, die krankzinnig was geweest, weer liet regeren, veroorzaakt, bij de zachte beoordeling van de krankzinnigheid in de oudheid, en de plaats, die Oosterse heersers innamen, gene bezwaren.
Nebukadnezar heeft dus nog enigen tijd na zijne herstelling geregeerd, hoewel door die woorden niet gezegd wordt, dat hij nog grote zaken heeft ten uitvoer gebracht; veel meer is het wel de ondervinding er van, tegelijk met zijn zo heerlijk einde zelf, die hem des te grotere heerlijkheid ook in de ogen zijner onderdanen verschafte.
Nu ik dit in mijn leven ondervonden heb, prijs ik, Nebukadnezar, de grote aardse koning, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijne werken waarheid, en Zijne paden gerichten zijn, (Jer. 9:23 vv.), en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen, 2) gelijk Hij mij vernederd heeft, toen mijn hart zich trots verhief (Hoofdst. 5:20).
Dit is de ware wijze van God te prijzen, niet slechts wanneer wij bekennen dat wij niets zijn, maar ook wanneer wij onze zonden bekennen. Vervolgens dat wij niet slechts bij ons zelven bekennen, dat wij schuldig zijn en gezondigd hebben voor Hem, maar ook dat wij dit met onzen mond voor de stervelingen belijden, waar dit nodig is. En waar hij het woord van vernederen stelt, daar moet dit terug gebracht worden tot de uitwendige verootmoediging. Want Nebukadnezar was vernederd geworden, toen God hem in de bossen had geworpen, opdat zijn leven gemeen zou zijn met de landdieren. Maar vervolgens ook om een andere reden werd hij vernederd, zoals als een uit de kinderen Gods. Waar er derhalve een dubbele vernedering is, daar heeft Nebukadnezar de eerste hier willen uitdrukken, dat God namelijk de hoogmoedigen verstrooit en vernedert. Dit is één wijze van vernedering. Maar de ware vernedering ontbreekt, indien God niet later ons regeert door den Geest der zachtmoedigheid. En zo heeft Nebukadnezar hier niet omhelsd de genade Gods, die echter waardig was een niet gemene verheerlijking en lofverheffing. Maar hij heeft in dit edikt niet beschreven wat geëist kan worden van een godvruchtig mens, een die onderwezen was in de school Gods. Maar toch heeft hij getoond dat hij wel is vooruitgegaan onder de kastijding Gods, waar hij Hem de hoogste macht toeschrijft. Vervolgens verenigt hij met den lof over de waarheid, die over de gerechtigheid, en bekent zich zelven schuldig te zijn, en getuigt dat zijn straf rechtvaardig was, die van Gods wege was opgelegd. Het blijft bij den koning van Babel in de oppervlakte hangen. Wel is hij gedwongen om Gode eer te geven, en dit zegt reeds veel voor zulk een heidens despoot, maar van een ware hartgrondige bekering, die gepaard ging met een vaarwel zeggen van de afgoden, lezen wij niets.
Bij de oprichting van het beeld van Dura (Hoofdst. 3) bezweek Nebukadnezar voor de verzoeking van hoogmoed en zelfvergoding die voor hem in het bewustzijn zijner stelling als beheerser van het Babylonische wereldrijk lag; hier bezwijkt hij voor dezelfde verzoeking ten tweeden male. Het goddelijk ingrijpen is nu daar veroorzaakt door het gevaar, waarin de eis des konings de drie Joodse mannen bracht, terwijl in ons hoofdstuk zulk ene uitwendige aanleiding niet bestaat; daarom komt echter het ingrijpen Gods niet ongemotiveerd voor. Wij staan niet meer in de bewogen eerste helft Nebukanezars regering, toen de gedachten van vergroting en bevestiging van zijn rijk, zowel als de oorlogen met de vijanden daarvan hem geheel innamen, maar wij bevinden ons in de laatste vreedzame periode, toen de koning op zijne lauweren rustte. Wanneer vroegere gedachten van hoogmoed in zijn hart opstegen, zo had dit niet zó veel te betekenen, daar weer andere deze kruisten en des konings kracht en tijd bezet hielden. Wanneer wij daarentegen nu hij in goede rust leeft, zien, hoe zijn hoogmoed stijgt en zich bevestigt, zo wordt het gevaarlijk; de hoogmoed wordt tot een systeem, volgens hetwelk geregeerd en geleefd wordt. Dat zien wij duidelijk uit de vermaning van Daniël, dat de koning voortaan gerechtigheid en ontferming mocht uitoefenen. Hij was dus tot willekeur en hardheid vervallen, onder welke zijn volk veel had te lijden, en voor welke Daniëls invloed hoe langer hoe meer moest wijken. De koning, die zich zelven vergoodde, kon geen behagen meer vinden in den man, die hem te voren de heerlijkheid van den God des hemels gepredikt had. Zo was het nu de vraag, of de wereldmacht de wending tot zelfvergoding en daarmee de richting tegen God reeds nu zou nemen, welke zij volgens de profetie zeker nemen zou, maar eerst in lateren tijd. Nu grijpt God in en weerhoudt haar in haren loop, en legt den wereldbeheerser als een wild dier een ring in den neus, dat hij tam wordt en de ontvangene les zijn gehele leven niet meer vergeet. Treffend slot! laat ons er uit leren in nederigheid te wandelen. Hoogheid en grootheid zijn gevaarlijk, niemand kan er zich op den duur in staande houden; niet alleen Nebukadnezar niet, maar ook Daniël niet. Geen hoogmoed of de val volgt vroeg of laat; daarentegen gene nederigheid, of de eer volgt er op, zij het ook eerst in den hemel; want daar is met den Satan de hoogmoed buitengeworpen en zit de nederigheid op de allerhoogsten troon in Hem, die niet kwam om gediend te worden, maar om te dienen, en daarom met eigen hand zijnen discipelen de voeten wies. Laat ons aan Zijne voeten alles nederleggen, ook ons zelven, in de houding der diepste aanbidding, en wij zullen uit Zijne hand de kroon der ere ontvangen. De geschiedenis van Israël stelt ons in een kort bestek een hoofdinhoud van de gehele wereldgeschiedenis voor; in haar zien wij het verborgen besturen van den persoonlijken God in de leiding en opvoeding der volken duidelijk; het voorhangsel van menselijke voornemens en menselijke werken wordt daar opgeheven, en de hand, die alles beweegt en bestuurt, wordt openbaar van Hem (Efeze. 1:11), van wien geschreven staat, dat Hij alle dingen werkt naar den raad Zijns wils. O, aanbiddenswaardige nederbuiging Gods, om welke Hij, om de zwakheid van ons geloof te hulp te komen, eens aan een uitverkoren volk de geheimen van Zijne verhevene, alles besturende Voorzienigheid op de aanschouwelijkste wijze voor onzen gezichtskring wilde brengen! Ons mag voortaan geen schijnbare chaos van tijdelijke voorvallen meer verbaasd of twijfelmoedig maken, nadat ons ene tweeduizendjarige (?) leiding van dat volk een overvloed van aanleidingen tot de waarneming biedt, dat ook de meest verwarde draden, die door ons leven heengaan, zich naar enen hogeren wil moeten voegen en eindelijk tot een weefsel moeten zamengeknoopt worden, dat nader beschouwd, slechts het Apostolische: “O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!” ons op de lippen dringt. Wat de wereldse geschiedschrijvers aangaat, weet geen enkel schrijver der oudheid iets van deze buitengewone gebeurtenis in de geschiedenis van Nebukadnezars regering, De Griekse schrijvers, die in de tijden van het diepste verval hunner natie en letterkunde in het algemeen over de geschiedenis der oude rijken in Midden-Azië gehandeld hebben, zijn ten opzichte der oudere geschiedenis van Azië zonder waarde en maken van Nebukadnezar met geen enkel woord melding, zelfs de oudere en meer geloofwaardige Herodotus geeft over hem geen bericht. Josefus, die alles opzocht, wat tot opheldering der Chaldeeuwse geschiedenis kon dienen, en Eusebius noemen in den gehelen rijkdom der ongewijde letterkunde slechts zes schrijvers, die van Nebukadnezar melding maakten; van deze komen er vier in ‘t geheel niet in aanmerking, daar door hen alleen de inname van Fenicië en de betrekking van Nebukadnezar tot het land van den schrijver vluchtig vermeld wordt. Er blijven dus slechts twee, Abydenus en Berosus over, bij welke enige sporen van het hier vermelde voorval gevonden worden, al is het ook duister en met omkering van het eigenlijke feit, In een fragment van den laatsten vinden wij: “nadat Nebukadnezar den vroeger vermelden muur voltooid had, verviel hij in ene ziekte en stierf na ene regering van 43 jaren. ” Abydenus schrijft: “hierna, gelijk men bij de Chaldeën vertelt, werd hij, toen hij op het koninklijk paleis gestegen was, door den éénigen God aangegrepen en sprak hij: “Ik, deze Nebukadnezar, o Babyloniërs, verkondig u het lot, dat u wacht, dat noch mijn vader Bel, noch de koningin Beltis door overreding der schikgodinnen hebben kunnen afwenden. De Perziër, de muilezel (Cyrus, die uit Medisch-Perzisch geslacht afstamde) zal komen met behulp van uwe demonen; hij zal slavernij over u brengen, waarbij een medeschuldige zal zijn de Mediër, die de trots van Assyrië was. O dat hij, voordat hij zo mijne opvolgers te niet doet, zelf in ene charybdis of in ene diepe zee viel en omkwam, of dat hij op andere wegen geleid door de woestijn gevoerd werd, waar noch steden zijn, noch enig spoor van mensen. maar waar de dieren hun weiden hebben en de vogels ronddwalen, alleen gevangen te midden van rotsen en afgronden, en dat ik voordat dit in zijne gedachte gelegd wordt, een beter einde deelachtig worde!” Nadat hij dit voorzegd had, verdween hij plotseling! Het is duidelijk, dat Abydenus het bericht van Daniël gebruikt heeft, maar er evenzo mede gehandeld heeft, als met de Bijbelse geschiedverhalen van de schepping, den zondvloed, den torenbouw van Babel en het tot ene mythe misvormd heeft, uit welke het nauwelijks meer mogelijk is, den historischen kern te vinden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel