Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De koningH4430 NebukadnezarH5020 maakte een beeldH6755 van goudH1722, welks hoogteH7314 was zestigH8361 ellenH521, zijn breedteH6613 zesH8353 ellenH521; hij richtteH6966 het op in het dalH1236 DuraH1757, in het landschapH4083 van BabelH895.
De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.
KJV
Nebuchadnezzar1
the king2
made3
an image4
of gold,6
whose height7
was threescore9
cubits,8
and the breadth10
thereof six12
cubits:11
he set it up13
in the plain14
of Dura,15
in the province16
of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En de koningH4430 NebukadnezarH5020 zondH7972 henen, om te verzamelenH3673, de stadhoudersH324, de overhedenH5460, en de landvoogdenH6347, de wethoudersH148, de schatmeestersH1411, de raadsherenH1884, de ambtliedenH8614, en al de heerschappersH7984 der landschappenH4083, dat zij komenH858 zouden tot de inwijdingH2597 van het beeldH6755, hetwelk de koningH4430 NebukadnezarH5020 had opgerichtH6966.
En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.
KJV
Then Nebuchadnezzar1
the king2
sent3
to gather together4
the princes,5
the governors,6
and the captains,7
the judges,8
the treasurers,9
the counsellors,10
the sheriffs,11
and all12
the rulers13
of the provinces,14
to come15
to the dedication16
of the image17
which Nebuchadnezzar20
the king21
had set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen verzameldenH3673 zich de stadhoudersH324, de overhedenH5460, de landvoogdenH6347, de wethoudersH148, de schatmeestersH1411, de raadsherenH1884, de ambtliedenH8614, en al de heerschappersH7984 der landschappenH4083, tot inwijdingH2597 van het beeldH6755, hetwelk de koningH4430 NebukadnezarH5020 had opgerichtH6966; en zij stondenH6966 voor het beeldH6755, dat NebukadnezarH5020 had opgerichtH6966.
Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht.
KJV
Then1
the princes,3
the governors,4
and captains,5
the judges,6
the treasurers,7
the counsellors,8
the sheriffs,9
and all10
the rulers11
of the provinces,12
were gathered together2
unto the dedication13
of the image14
that Nebuchadnezzar17
the king18
had set up;16
and they stood19
before20
the image21
that Nebuchadnezzar24
had set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En een herautH3744 riepH7123 met krachtH2429: Men zegtH560 u aan, gij volkenH5972, gij natienH524, en tongenH3961!
En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen!
KJV
Then an herald1
cried2
aloud,3
To you it is commanded,5
O people,6
nations,7
and languages,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ten tijdeH5732 als gij horenH8086 zult het geluidH7032 des hoornsH7162, der pijpH4953, der citerH7030, der vedelH5443, der psalterenH6460, des akkoordgezangsH5481, en allerleiH3606 soortenH2178 van muziekH2170, zo zult gijlieden nedervallenH5308, en aanbiddenH5457 het goudenH1722 beeldH6755, hetwelk de koningH4430 NebukadnezarH5020 heeft opgerichtH6966;
Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht;
KJV
That at what time1
ye hear3
the sound4
of the cornet,5
flute,6
harp,7
sackbut,8
psaltery,9
dulcimer,10
and all11
kinds12
of musick,13
ye fall down14
and worship15
the golden17
image16
that Nebuchadnezzar20
the king21
hath set up:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En wie niet nedervaltH5308 en aanbidtH5457, die zal te dierzelfder ureH8160 in het middenH1459 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135 geworpenH7412 worden.
En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.
KJV
And whoso1
falleth4
not3
down
and worshippeth5
shall the same hour7
be cast8
into the midst9
of a burning12
fiery11
furnace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarom te dier tijdH2166, als al die volkenH5972 hoordenH8086 het geluidH7032 des hoornsH7162, der pijpH4953, der citerH7030, der vedelH5443, der psalterenH6460, en allerleiH3606 soortenH2178 der muziekH2170, alle volkenH5972, natienH524, en tongenH3961 nedervallendeH5308, aanbadenH5457 het goudenH1722 beeldH6755, hetwelk de koningH4430 NebukadnezarH5020 had opgerichtH6966.
Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.
KJV
Therefore2
at that time,5
when6
all1
the people9
heard7
the sound10
of the cornet,11
flute,12
harp,13
sackbut,14
psaltery,15
and all8
kinds17
of musick,18
all16
the people,21
the nations,22
and the languages,23
fell down19
and worshipped24
the golden26
image25
that Nebuchadnezzar29
the king30
had set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Daarom naderdenH7127 even ter zelfder tijdH2166 ChaldeeuwseH3779 mannenH1400, die de JodenH3062 openlijkH399 beschuldigdenH7170;
Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;
Ook in dit vers
even zelfderH1836
KJV
Wherefore2
at that3
time5
certain7
Chaldeans8
came near,6
and accused10
the Jews.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij antwoorddenH6032 en zeidenH560 tot den koningH4430 NebukadnezarH5020: O koningH4430! leefH2418 in der eeuwigheidH5957!
Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: O koning! leef in der eeuwigheid!
KJV
They spake1
and said2
to the king4
Nebuchadnezzar,3
O king,5
live7
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Gij, o koningH4430! hebt een bevelH2942 gegevenH7761, dat alle mensenH606, die horenH8086 zouden het geluidH7032 des hoornsH7162, der pijpH4953, der citerH7030, der vedelH5443, der psalterenH6460, en des akkoordgezangsH5481, en allerleiH3606 soortenH2178 van muziekH2170, nedervallenH5308, en het goudenH1722 beeldH6755 aanbiddenH5457 zouden;
Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;
KJV
Thou,1
O king,2
hast made3
a decree,4
that every6
man7
that shall hear9
the sound10
of the cornet,11
flute,12
harp,13
sackbut,14
psaltery,15
and dulcimer,16
and all17
kinds18
of musick,19
shall fall down20
and worship21
the golden23
image:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En wie niet nedervielH5308, en aanbadH5457, die zou in het middenH1459 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135 geworpenH7412 worden.
En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.
KJV
And whoso1
falleth4
not3
down
and worshippeth,5
that he should be cast6
into the midst7
of a burning10
fiery9
furnace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Er zijn JoodseH3062 mannenH1400, die gij over de bedieningH5673 van het landschapH4083 van BabelH895 gesteld hebt, SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665; deze mannenH1400 hebben, o koningH4430! op u geen achtH2942 gesteld; uw godenH426 erenH6399 zij niet, en zij biddenH5457 het goudenH1722 beeldH6755 niet aan, hetwelk gij opgerichtH6966 hebt.
Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt.
Ook in dit vers
gesteldH4483
gesteldH7761
KJV
There are1
certain2
Jews3
whom6
thou hast set5
over7
the affairs8
of the province9
of Babylon,10
Shadrach,11
Meshach,12
and Abednego;13
these16
men,15
O king,20
have18
not17
regarded21
thee:19
they serve24
not23
thy gods,22
nor29
worship30
the golden26
image25
which thou hast set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen zeideH560 NebukadnezarH5020 in toornH7266 en grimmigheidH2528, dat men SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 voorbrengenH858 zou; toen werden die mannenH1400 voor den koningH4430 gebrachtH858.
Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.
KJV
Then1
Nebuchadnezzar2
in his rage3
and fury4
commanded5
to bring6
Shadrach,7
Meshach,8
and Abednego.9
Then11
they brought14
these13
men12
before15
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
NebukadnezarH5020 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot hen: Is het met opzetH6656, SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665, dat gijlieden mijn godenH426 niet eertH6399, en het goudenH1722 beeldH6755, dat ik opgerichtH6966 heb, niet aanbidtH5457?
Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?
KJV
Nebuchadnezzar2
spake1
and said3
unto them, Is it true,5
O Shadrach,6
Meshach,7
and Abednego,8
do not11
ye12
serve13
my gods,10
nor18
worship19
the golden15
image14
which I have set
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Nu dan, zo gijlieden gereedH6263 zijt, dat gij ten tijdeH5732, als gij horenH8086 zult het geluidH7032 des hoornsH7162, der pijpH4953, der citerH7030, der vedelH5443, der psalterenH6460, en des akkoordgezangsH5481, en allerleiH3606 soortH2178 der muziekH2170, nedervaltH5308, en aanbidtH5457 het beeldH6755, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidtH5457; ter zelfder ureH8160 zult gijlieden geworpenH7412 worden in het middenH1459 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135; en wie is de GodH426, Die ulieden uit mijn handenH3028 verlossenH7804 zou?
Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?
KJV
Now1
if2
ye be3
ready4
that at what time6
ye hear8
the sound9
of the cornet,10
flute,11
harp,12
sackbut,13
psaltery,14
and dulcimer,15
and all16
kinds17
of musick,18
ye fall down19
and worship20
the image21
which I have made;23
well: but if24
ye worship26
not,25
ye shall be cast29
the same hour28
into the midst30
of a burning33
fiery32
furnace;31
and who34
is that God36
that shall deliver38
you out of39
my hands?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 antwoorddenH6032 en zeidenH560 tot den koningH4430 NebukadnezarH5020: Wij hebben niet nodigH2818 u op deze zaakH6600 te antwoordenH8421.
Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.
KJV
Shadrach,2
Meshach,3
and Abednego,4
answered1
and said6
to the king,7
O Nebuchadnezzar,8
we11
are not9
careful10
to answer15
thee in12
this13
matter.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zal het zo zijn, onze GodH426, Dien wij erenH6399, is machtigH3202 ons te verlossenH7804 uit den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135, en Hij zal ons uit uw handH3028, o koningH4430! verlossenH7804.
Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.
KJV
If1
it be so, our God3
whom we5
serve6
is2
able7
to deliver8
us from9
the burning12
fiery11
furnace,10
and13
he will deliver16
us out of
thine hand,14
O king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Maar zo niet, u zij bekendH3046, o koningH4430! dat wij uw godenH426 niet zullen erenH6399, noch het goudenH1722 beeldH6755, dat gij hebt opgerichtH6966, zullen aanbiddenH5457.
Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.
KJV
But if1
not,2
be it4
known3
unto thee, O king,6
that we will10
not9
serve11
thy gods,8
nor16
worship17
the golden13
image12
which thou hast set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Toen werd NebukadnezarH5020 volH4391 grimmigheidH2528, en de gedaanteH6755 zijns aangezichtsH600 veranderdeH8133 tegen SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665; hij antwoorddeH6032 en zeideH560, dat men den ovenH861 zevenmaalH2298 meer heetH228 zou maken dan men dien pleegtH2370 heetH228 te maken.
Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien pleegt heet te maken.
KJV
Then1
was Nebuchadnezzar2
full3
of fury,4
and the form5
of his visage6
was changed7
against8
Shadrach,9
Meshach,10
and Abednego:11
therefore he spake,13
and commanded14
that they should heat15
the furnace16
one17
seven times18
more19
than20
it was wont21
to be heated.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En tot de sterksteH1401 mannenH1400 van krachtH2429, die in zijn heirH2429 waren, zeideH560 hij, dat zij SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 bindenH3729 zouden, om te werpenH7412 in den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135.
En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in den oven des brandenden vuurs.
KJV
And he commanded6
the most3
mighty2
men1
that were in his army5
to bind7
Shadrach,8
Meshach,9
and Abednego,10
and to cast12
them into the burning15
fiery14
furnace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Toen werden die mannenH1400 gebondenH3729 in hun mantelsH5622, hun broekenH6361, en hun hoedenH3737, en hun andere klederenH3831, en zij wierpenH7412 hen in het middenH1459 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135.
Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs.
KJV
Then1
these3
men2
were bound4
in their coats,5
their hosen,6
and their hats,7
and their other garments,8
and were cast9
into the midst10
of the burning13
fiery12
furnace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Daarom dan, dewijl het woordH4406 des koningsH4430 aandreefH2685, en de ovenH861 zeer heetH228 was, zo hebben de vonkenH7631 des vuursH5135 die mannenH1400, die SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 opgehevenH5267 hadden, gedoodH6992.
Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood.
KJV
Therefore1
because4
the king's7
commandment6
was urgent,8
and the furnace9
exceeding11
hot,10
the flame22
of the fire24
slew20
those13
men12
that took up15
Shadrach,16
Meshach,17
and Abednego.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar als die drieH8532 mannenH1400, SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665, in het middenH1459 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135, gebondenH3729 zijnde, gevallenH5308 waren,
Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren,
KJV
And these2
three3
men,1
Shadrach,4
Meshach,5
and Abednego,6
fell down8
bound13
into the midst9
of the burning12
fiery11
furnace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen ontzetteH8429 zich de koningH4430 NebukadnezarH5020, en hij stondH6966 op in der haastH927, antwoorddeH6032 en zeideH560 tot zijn raadsherenH1907: Hebben wij niet drieH8532 mannenH1400 in het middenH1459 des vuursH5135, gebondenH3729 zijnde, geworpenH7412? Zij antwoorddenH6032 en zeidenH560 tot den koningH4430: Het is gewisH3330, o koningH4430!
Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in der haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!
KJV
Then1
Nebuchadnezzar2
the king3
was astonied,4
and rose up5
in haste,6
and spake,7
and said8
unto his counsellors,9
Did not10
we cast13
three12
men11
bound16
into the midst14
of the fire?15
They answered17
and said18
unto the king,19
True,20
O king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Hij antwoorddeH6032 en zeideH560: Ziet, ik zieH2370 vierH703 mannenH1400, losH8271 wandelendeH1981 in het middenH1459 des vuursH5135, en er is geen verderfH2257 aan hen; en de gedaanteH7299 des vierdenH7244 is gelijk eens zoonsH1247 der godenH426.
Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.
KJV
He answered1
and said,2
Lo,3
I4
see5
four7
men6
loose,8
walking9
in the midst10
of the fire,11
and they have14
no13
hurt;12
and the form16
of the fourth18
is like19
the Son20
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Toen naderdeH7127 NebukadnezarH5020 tot de deurH8651 van den ovenH861 des brandendenH3345 vuursH5135, antwoorddeH6032 en sprakH560: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechtenH5649 des allerhoogstenH5943 GodsH426! gaat uit en komtH858 hier! Toen gingenH7715 Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het middenH1459 des vuursH5135.
Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden des vuurs.
Ook in dit vers
MesachH4336
MesachH5665
SadrachH4336
SadrachH7715
Abed-negoH5312
Abed-negoH5665
KJV
Then1
Nebuchadnezzar3
came near2
to the mouth4
of the burning7
fiery6
furnace,5
and spake,8
and said,9
Shadrach,10
Meshach,11
and Abednego,12
ye servants14
of the most high17
God,16
come forth,18
and come19
hither. Then20
Shadrach,22
Meshach,23
and Abednego,13
came forth21
of26
the midst27
of the fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Toen vergaderdenH3673 de stadhoudersH324, de overhedenH5460, en de landvoogdenH6347, en de raadsherenH1907 des koningsH4430, deze mannenH1400 beziendeH2370, omdat het vuurH5135 over hun lichamenH1655 niet geheerstH7981 had, en dat het haar huns hoofdsH7217 niet verbrandH2761 was, en hun mantelsH5622 niet veranderdH8133 waren, ja, dat de reukH7382 des vuursH5135 daardoor niet gegaanH5709 was.
Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.
KJV
And the princes,2
governors,3
and captains,4
and the king's6
counsellors,5
being gathered together,1
saw7
these9
men,8
upon whose bodies14
the fire13
had no11
power,12
nor17
was an hair15
of their head16
singed,18
neither20
were their coats19
changed,21
nor24
the smell22
of fire23
had passed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
NebukadnezarH5020 antwoorddeH6032 en zeideH560: GeloofdH1289 zij de GodH426 van SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665, Die Zijn engelH4398 gezondenH7972, en Zijn knechtenH5649 verlostH7804 heeft, die op Hem vertrouwdH7365 hebben, en des koningsH4430 woordH4406 veranderdH8133, en hun lichamenH1655 overgegevenH3052 hebben, opdat zij geen godH426 eerdenH6399 noch aanbadenH5457, dan hun GodH426.
Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.
KJV
Then Nebuchadnezzar2
spake,1
and said,3
Blessed4
be the God5
of Shadrach,7
Meshach,8
and Abednego,9
who hath sent12
his angel,13
and delivered14
his servants15
that trusted17
in him,18
and have changed21
the king's20
word,19
and yielded22
their bodies,23
that they might not25
serve26
nor27
worship28
any29
god,30
except31
their own God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Daarom wordt van mij een bevelH2942 gegevenH7761, dat alle volkH5972, natieH524 en tongH3961, die lasteringH7960 spreektH560 tegen den GodH426 van SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665, in stukkenH1917 gehouwenH5648 worde, en zijn huisH1005 tot een drekhoopH5122 gesteldH7739 worde; want er is geen anderH321 GodH426, Die alzo verlossenH5338 kanH3202.
Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.
KJV
Therefore I1
make2
a decree,3
That every5
people,6
nation,7
and language,8
which speak10
any thing amiss11
against12
the God13
of Shadrach,15
Meshach,16
and Abednego,17
shall be cut20
in pieces,19
and their houses21
shall be made23
a dunghill:22
because25
there is28
no27
other30
God29
that can32
deliver33
after this
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Toen maakte de koningH4430 SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 voorspoedigH6744 in het landschapH4083 van BabelH895.
Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel.
KJV
Then1
the king2
promoted3
Shadrach,4
Meshach,5
and Abednego,6
in the province8
of Babylon.
maakte een beeld van goud,
Hieruit blijkt genoegzaam dat de belijdenis, die hij Dan. 2:47 gedaan heeft, geen oprechte bestendige belijdenis geweest is; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
maakte een beeld van goud,
Hieruit blijkt genoeg dat de belijdenis die hij in Dan. 2:47 deed geen oprechte en blijvende belijdenis geweest is; zie de aantekening daar.
welks hoogte was
Uit het vervolg der historie schijnt dat de koning uit raad en aandrijven der voornaamsten onder de Chaldeën dit beeld heeft opgericht; vergelijk Dan. 6:4-6 . Zij hebben dit behendig bedacht uit haat, inzonderheid tegen Daniëls metgezellen, benijdende de aanzienlijkheid en hoge staten, die zij bedienden, opdat zij, dit weigerende, niet alleen van hunne waardigheden beroofd, maar ook aan het leven mochten gestraft worden. Want om andere Babyloniërs halve, die vanzelf genoegzaam tot afgoderij geneigd waren, was het niet van node dat men hen met zulk een wreed dreigement tot deze afgoderij zou dwingen. De tijd, wanneer dit beeld is opgericht, wordt hier niet uitgedrukt, maar het is wel te vermoeden dat het enigen tijd nadat hij dien droom gehad heeft geschied is.
Hertaald:
welks hoogte was
Uit het vervolg van de geschiedenis lijkt het erop dat de koning dit beeld heeft opgericht op raad en aandringen van de voornaamsten onder de Chaldeeën; vergelijk Dan. 6:4-6. Zij hebben dit slim bedacht uit haat, vooral tegen de metgezellen van Daniël, omdat zij hun aanzien en de hoge ambten die zij bekleedden benijdden — opdat zij, als zij dit weigerden, niet alleen van hun waardigheden beroofd maar ook met de dood gestraft zouden worden. Want voor de andere Babyloniërs, die vanzelf al genoeg tot afgoderij geneigd waren, was het niet nodig hen met zo'n wrede bedreiging tot deze afgoderij te dwingen. De tijd waarop dit beeld opgericht is, wordt hier niet genoemd, maar het is wel aannemelijk dat het enige tijd na die droom gebeurd is.
de stadhouders,
De koning heeft al deze hoge officieren geschreven en gewild dat zij daar zouden tegenwoordig zijn, eensdeels ter ere van dit beeld, anderdeels opdat alle onderzaten hun voorbeeld des te vrijwilliger zouden navolgen, ook om de Joden, die weigerlijk zouden wezen, een schrik aan te jagen.
Hertaald:
de stadhouders,
De koning heeft al deze hoge ambtenaren aangeschreven en gewild dat zij daarbij aanwezig zouden zijn, deels ter ere van dit beeld, deels opdat alle onderdanen hun voorbeeld des te bereidwilliger zouden volgen, en ook om de Joden die zouden weigeren schrik aan te jagen.
een heraut riep met kracht
Of, uitroeper, afkondiger, die openlijk van des Heeren wege iets afkondigde.
Hertaald:
een heraut riep met kracht
Of: uitroeper, afkondiger, iemand die van overheidswege in het openbaar iets afkondigde.
Men zegt u aan,
Of, zij zeggen u aan; te weten de koning en zijne raden.
Hertaald:
Men zegt u aan,
Of: zij zeggen u aan, namelijk de koning en zijn raadsheren.
gij volken, gij natiën, en tongen
Dat is, gij volken, van wat tong of taal dat gij zijt.
Hertaald:
gij volken, gij natiën, en tongen
Dat is: u volken, van welke tong of taal u ook bent.
des hoorns, der pijp,
Chaldeeuws, karna, in het Latijn cornu.
Hertaald:
des hoorns, der pijp,
Chaldeeuws: karna, in het Latijn cornu.
der citer,
Chaldeeuws, kytros, of katros.
Hertaald:
der citer,
Chaldeeuws: kytros of katros.
vedel, der psalteren,
Chaldeeuws, sabbechia, bij de Grieken en Latijnen sambuca genoemd, enigen zetten het over een harp, anderen een hakkebord.
Hertaald:
vedel, der psalteren,
Chaldeeuws: sabbechia, bij de Grieken en Latijnen sambuca genoemd; sommigen vertalen het met harp, anderen met hakkebord.
des akkoordgezangs,
Chaldeeuws, sumfoniah. Hetwelk sommigen menen met het Grieks overeen te komen, betekenende een gezang van vele stemmen samen wel overeenstemmende. Doch anderen menen dat het is een Chaldeeuwse naam van een zeker muziekinstrument, als orgel, klavecimbaal, te dien tijde bekend.
Hertaald:
des akkoordgezangs,
Chaldeeuws: sumfonia. Sommigen menen dat dit overeenkomt met het Griekse woord en een samenzang van veel goed samenklinkende stemmen aanduidt. Anderen menen dat het een Chaldeeuwse naam is van een bepaald muziekinstrument dat in die tijd bekend was, zoals een orgel of klavecimbel.
der psalteren,
Na psalteren staat vs.5, des accoordgezangs, hetwelk hier nagelaten is.
Hertaald:
der psalteren,
In vers 5 volgt na psalters nog: het samenklinkend gezang, wat hier weggelaten is.
Daarom naderden
Hier wordt te kennen gegeven dat die boze officieren des konings geloerd hebben op deze gelegenheid, om de Joden, doch inzonderheid de drie jongelingen, in hun net te krijgen. Zie vs.1.
Hertaald:
Daarom naderden
Hier wordt te kennen gegeven dat die boze ambtenaren van de koning op deze gelegenheid geloerd hebben om de Joden, en vooral de drie jongemannen, in hun net te krijgen. Zie vers 1.
even ter zelfder tijd
Te weten straks, zo haast als zij zagen dat de drie jongelingen het gouden beeld niet aanbaden, niet zo lang kunnende wachten, totdat deze afgodische ceremonie geëindigd was.
Hertaald:
even ter zelfder tijd
Namelijk meteen, zodra zij zagen dat de drie jongemannen het gouden beeld niet aanbaden; zij konden niet eens wachten totdat deze afgodische plechtigheid afgelopen was.
die de Joden openlijk beschuldigden;
Chaldeeuws, die de beschuldigingen der Joden uitriepen; dat is, die de Joden met een groot geroep bij den koning aanklaagden, doch inzonderheid de drie jongelingen, waar het hun meest om te doen was, omdat zij tot hoge staten verheven waren.
Hertaald:
die de Joden openlijk beschuldigden;
Chaldeeuws: die de beschuldigingen van de Joden uitriepen; dat is: die de Joden met luid geroep bij de koning aanklaagden, maar vooral de drie jongemannen, om wie het hun het meest te doen was omdat zij tot hoge ambten verheven waren.
Zij antwoordden en zeiden
Dat is, zij spraken; alzo meermalen.
Hertaald:
Zij antwoordden en zeiden
Dat is: zij spraken; zo ook vaker.
leef in der eeuwigheid
Zie boven Dan. 2:4 .
Hertaald:
leef in der eeuwigheid
Zie hierboven Dan. 2:4.
gegeven,
Chaldeeuws, gesteld; dat is laten uitgaan.
Hertaald:
gegeven,
Chaldeeuws: gesteld; dat is: laten uitgaan.
die gij over
Alsof zij zeiden: Inplaats daar zij u alle gehoorzaamheid behoorden te bewijzen, vanwege de menigvuldige eer, genaden en weldaden, die zij van u ontvangen hebbben, zo zijn zij u allerongehoorzaamst.
Hertaald:
die gij over
Alsof zij zeiden: in plaats dat zij u alle gehoorzaamheid zouden bewijzen vanwege de vele eer, gunsten en weldaden die zij van u ontvangen hebben, zijn zij u juist het meest ongehoorzaam.
de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt,
Of, werk, of zaken.
Hertaald:
de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt,
Of: werk, of zaken.
Sadrach, Mesach en Abed-nego;
Waarom beschuldigen zij ook tegelijk Daniël niet? Of hij is hier niet bij geweest, zijnde ergens ver van de hand om grootwichtige zaken van den koning te verrichten; of was hij hier tegenwoordig, zo wisten zij wel dat hij bij den koning zo heel groot was, dat zij hem tevergeefs zouden beschuldigd hebben. Zo hebben zij dan van hem stilgezwegen, tenminste voor een tijd, zoekende deze drie mannen vooreerst van kant te helpen, die zich uit deze algemene bijeenkomst niet hebben kunnen of mogen weghouden.
Hertaald:
Sadrach, Mesach en Abed-nego;
Waarom klagen zij niet tegelijk Daniël aan? Óf hij was hier niet bij, omdat hij ver weg was om gewichtige zaken van de koning te behartigen; óf, als hij hier wel aanwezig was, wisten zij wel dat hij zo hoog stond bij de koning dat zij hem tevergeefs zouden hebben aangeklaagd. Zij hebben dus over hem gezwegen, in elk geval voorlopig, en hebben eerst deze drie mannen uit de weg willen ruimen, die zich aan deze algemene bijeenkomst niet konden en mochten onttrekken.
uw goden
Gelijk 1 Kon. 11:33 . Anders: uwen god, dat is, dit beeld, waar gij een god van maakt. Of waarin, of waardoor gij uw god aanbidt.
Hertaald:
uw goden
Zoals 1 Kon. 11:33. Anders: uw god, dat is: dit beeld, dat u tot een god maakt. Of: waarin of waardoor u uw god aanbidt.
eren
Of, dienen.
Hertaald:
eren
Of: dienen.
zij niet,
Te weten die drie jongelingen. In deze historie wordt nergens gezegd dat de andere Joden zijn aangeklaagd en gestraft geworden. Sommigen menen dat deze boze Chaldeën zo blijde waren als zij die drie jongelingen in hun net hadden gekregen, dat zij op de rest niet letten.
Hertaald:
zij niet,
Namelijk die drie jongemannen. In deze geschiedenis wordt nergens gezegd dat de andere Joden aangeklaagd en gestraft zijn. Sommigen menen dat deze boze Chaldeeën zo blij waren toen zij die drie jongemannen in hun net gekregen hadden, dat zij op de rest niet meer letten.
Is het met opzet,
Alsof hij zeide: Doet gij dit in goeden ernst en met voorbedachten rade, of spot en gekt gij met mij, en met dezen mijn god? Anders: is het waar?
Hertaald:
Is het met opzet,
Alsof hij zei: doet u dit in volle ernst en met opzet, of drijft u de spot met mij en met deze god van mij? Anders: is het waar?
zo is het wel ;
De zin is: Indien gij nu nog mijn bevel gehoorzaamt, ik zal u genadig zijn. Dergelijke onvolmaakte rede vindt men Luc. 13:9 . Anders in het begin van het vs. aldus: Nu ziet, weest gijlieden gereed, enz. bevelsgewijze.
Hertaald:
zo is het wel ;
De betekenis is: als u nu alsnog mijn bevel gehoorzaamt, zal ik u genadig zijn. Een soortgelijke onvoltooide zin vindt men in Luk. 13:9. Anders kan het begin van dit vers als bevel gelezen worden: nu dan, houdt u gereed, enzovoort.
wie is de God,
Hieronder begrijpt hij ook den waren God; zodat dit een gruwelijke godslastering is. Vergelijk hiermede de woorden van Senacherib, 2Ki 19 , en der Farizeën, Matt. 27:43 .
Hertaald:
wie is de God,
Hieronder begrijpt hij ook de ware God, zodat dit een gruwelijke godslastering is. Vergelijk hiermee de woorden van Sanherib (2 Kon. 19) en van de farizeeën (Matth. 27:43).
verlossen zou?
Of, verlossen zal.
Hertaald:
verlossen zou?
Of: verlossen zal.
Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden
De zin is: Wij zouden u tevergeefs antwoorden, want gij hebt vastelijk besloten ons te doden indien wij uwe goden niet aanbidden, en wij hebben een vast voornemen die te versmaden; dewijl dan gij van uw voornemen, en wij van het onze niet te brengen zijn, zo is het tevergeefs dat wij veel woorden gebruiken, daar zal geen voordeel van komen. Zie gelijke betekenis van het Hebreeuwse woord Ezra 6:9 , en Ezra 7:20 .
Hertaald:
Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden
De betekenis is: wij zouden u tevergeefs antwoorden, want u hebt vast besloten ons te doden als wij uw goden niet aanbidden, en wij zijn vast van plan die te versmaden. Aangezien u dus niet van uw voornemen af te brengen bent en wij niet van het onze, is het tevergeefs veel woorden te gebruiken; daar zal geen voordeel van komen. Zie een soortgelijke betekenis van het Hebreeuwse woord in Ezra 6:9 en Ezra 7:20.
Zal het zo zijn, onze God,
Te weten dat wij in dezen vurigen oven zullen geworpen worden. Of aldus: Zie, onze God dien wij eren, is machtig, enz.
Hertaald:
Zal het zo zijn, onze God,
Namelijk dat wij in deze brandende oven geworpen zullen worden. Of zo: zie, onze God Die wij eren is machtig, enzovoort.
Maar zo niet,
Indien het onzen God niet belieft ons te verlossen, zo zullen wij evenwel deze afgoderij niet begaan, ja zelfs niet met het uiterlijk gelaat; liever willen wij sterven.
Hertaald:
Maar zo niet,
Als het onze God niet behaagt ons te verlossen, zullen wij deze afgoderij toch niet bedrijven, zelfs niet met de uiterlijke schijn; liever willen wij sterven.
de gedaante zijns aangezichts veranderde
Chaldeeuws, het beeld; dat is, het gelaat van zijn aangezicht, hetgeen waaraan men den mens kent.
Hertaald:
de gedaante zijns aangezichts veranderde
Chaldeeuws: het beeld; dat is: de uitdrukking van zijn gezicht, waaraan men de mens herkent.
zevenmaal
Chaldeeuws, een zevenmaal boven dan het gezien was dien heet te maken. De oven was alrede heet gemaakt, gelijk af te nemen is uit vs.6, maar dat was niet genoeg, hij moest zevenmaal heter gemaakt worden.
Hertaald:
zevenmaal
Chaldeeuws: zevenmaal meer dan men gewoon was hem heet te stoken. De oven was al heet gestookt, zoals uit vers 6 af te leiden is, maar dat was niet genoeg: hij moest zevenmaal heter gemaakt worden.
dan men dien pleegt heet te maken
Anders: dan het behoorlijk was dien te heten. Dit beval die wrede en in zijn afgodischen ijver brandende koning, om anderen hierdoor een schrik aan te jagen en te maken dat zij hem gehoorzamen zouden.
Hertaald:
dan men dien pleegt heet te maken
Anders: dan het gepast was hem te stoken. Dat beval die wrede koning, die brandde van afgodische ijver, om anderen daarmee schrik aan te jagen en hen zo tot gehoorzaamheid te brengen.
En tot de sterkste mannen van kracht,
Chaldeeuws, tot de mannen, de mannen der sterkte, of kracht, dat is, tot de sterkste mannen.
Hertaald:
En tot de sterkste mannen van kracht,
Chaldeeuws: tot de mannen, de mannen van sterkte of kracht; dat is: tot de sterkste mannen.
die in zijn heir waren,
Of, die in zijn gevolg, of garde, waren. Eertijds plachten de koningen de executiën van hunne bevelen te laten geschieden door hunne soldaten, of trawanten; zie 2 Sam. 1:15 .
Hertaald:
die in zijn heir waren,
Of: die in zijn gevolg of lijfwacht waren. Vroeger lieten de koningen de uitvoering van hun bevelen doen door hun soldaten of lijfwachten; zie 2 Sam. 1:15.
gebonden
Om des te bekwamer in te werpen.
Hertaald:
gebonden
Om hen des te gemakkelijker naar binnen te kunnen werpen.
mantels,
Dat is, opperklederen, die buiten twijfel schoon en sierlijk waren, gelijk zulken mannen betaamde te dragen. Hier wordt aangewezen dat deze uitvoerders van het bevel des konings zo ijverig geweest zijn om den wreden koning te gehoorzamen, dat zij hun de klederen, hoe schoon en kostelijk dat zij geweest zijn, niet hebben afgenomen, maar zij hebben ze terstond met de mannen in het vuur geworpen.
Hertaald:
mantels,
Dat is: bovenkleren, die ongetwijfeld mooi en sierlijk waren, zoals bij zulke mannen paste. Hier wordt aangewezen dat de uitvoerders van het koninklijk bevel zo ijverig waren om de wrede koning te gehoorzamen, dat zij hun de kleren niet eens uitgetrokken hebben, hoe mooi en kostbaar die ook waren, maar hen er meteen mee in het vuur geworpen hebben.
het woord des konings aandreef,
Dat is, het bevel.
Hertaald:
het woord des konings aandreef,
Dat is: het bevel.
de vonken des vuurs die mannen,
De zin is dat de spranken, of het uiterste der vlam, of rook en damp, die sterke kerels, die het vuur stookten, heeft verbrand, maar dat die drie jongelingen in het midden der vlam, der kolen en van den gloed, onbezeerd zijn gebleven; de almogende kracht der voorzienigheid des Heeren heeft gemaakt dat die verbrand werden, die de koning wilde sparen, en die hij wilde verbrand hebben, werden gespaard. Vergelijk onder Dan. 6:25 .
Hertaald:
de vonken des vuurs die mannen,
De betekenis is dat de vonken, of het uiterste van de vlam, of de rook en de damp die sterke kerels die het vuur stookten verbrand hebben, terwijl die drie jongemannen midden in de vlam, de kolen en de gloed onbeschadigd bleven. De almachtige kracht van de voorzienigheid van de HEERE maakte dat zij verbrand werden die de koning wilde sparen, en dat zij gespaard werden die hij verbrand wilde zien. Vergelijk Dan. 6:25.
opgeheven hadden,
Of, opgenomen hadden. Chaldeeuws, hadden doen opgaan; dat is, die hen eerst omhoog geheven hadden, om in den vurigen oven te werpen. Want dewijl de oven hoger of verhevener was dan de aarde, zo moesten de dienaars deze jongelingen eerst omhoog heffen en dan in het vuur laten vallen, of werpen.
Hertaald:
opgeheven hadden,
Of: opgenomen hadden. Chaldeeuws: hadden doen opgaan; dat is: die hen eerst omhoog getild hadden om hen in de brandende oven te werpen. Want omdat de oven hoger lag dan de grond, moesten de dienaars deze jongemannen eerst omhoogtillen en hen dan in het vuur laten vallen of werpen.
gebonden zijnde,
Gelijk de profeet zegt dat zij gebonden zijnde in den oven vielen of geworpen werden, zo geeft hij te kennen dat zij zich voor het vuur nergens konden wachten, en derhalve natuurlijkerwijze noodzakelijk straks hadden moeten verbranden. Sommige overzetters voegen hierbij den lofzang, dien deze mannen in den oven gezongen zouden hebben. Doch deze wordt in den Hebreeuwse Bijbel niet gevonden, en is derhalve apocriEf.
Hertaald:
gebonden zijnde,
Doordat de profeet zegt dat zij gebonden in de oven vielen of geworpen werden, geeft hij te kennen dat zij zich nergens tegen het vuur konden beschermen en dus van nature onvermijdelijk meteen hadden moeten verbranden. Sommige vertalers voegen hier de lofzang aan toe die deze mannen in de oven gezongen zouden hebben. Maar die staat niet in de Hebreeuwse Bijbel en is dus apocrief.
Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar,
Te weten toen hij vier mannen in den oven zag wandelen.
Hertaald:
Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar,
Namelijk toen hij vier mannen in de oven zag lopen.
hij stond op
Tevoren zat hij als een koning in zijnen stoel, om de marteling van de drie jongelingen aan te zien.
Hertaald:
hij stond op
Tevoren zat hij als koning op zijn zetel om de terechtstelling van de drie jongemannen aan te zien.
in der haast,
Of, met beroering.
Hertaald:
in der haast,
Of: met ontroering.
raadsheren
Anders: gouverneurs, of bijstanders, of lijfwachten.
Hertaald:
raadsheren
Anders: gouverneurs, of bijstanders, of lijfwachten.
wij niet drie mannen in het midden des vuurs,
Te weten ik, op ulieder verzoek en met ulieder raad.
Hertaald:
wij niet drie mannen in het midden des vuurs,
Namelijk ik, op uw verzoek en op uw raad.
gebonden zijnde,
Zij werden wel, met koorden gebonden zijnde, in den vurigen oven geworpen; maar die zijn straks in stukken gebrand, of van den engel losgemaakt en ontbonden.
Hertaald:
gebonden zijnde,
Zij werden inderdaad met touwen gebonden in de brandende oven geworpen, maar die zijn meteen verbrand, of door de engel losgemaakt.
Het is gewis,
Zij moeten, zowel als de koning, van de waarheid getuigenis geven.
Hertaald:
Het is gewis,
Zij moeten evengoed als de koning van de waarheid getuigenis geven.
gelijk eens zoons der goden
Of, gelijk een zoon van God; dat is, voortreffelijk schoon, uitstekende in schoonheid, alsof hij niet van menselijke, maar van goddelijke afkomst ware. vs.28 noemt hij hem recht, een engel Gods. Hoe de engelen genoemd worden zonen Gods, zie de aantekening Job 1:6 , en Job 38:7 . Dezen engel heeft God de Heere dezen drie mannen bijgevoegd tot hun troost en tot verlichting en verkwikking, opdat zij in het midden des vuurs en der vlam niet bezwijken zouden; vergelijk 2 Kon. 6:15 ; Ps. 34:8 , en Ps. 91:11 . Sommigen menen dat het de Heere Christus zelf geweest is, die dezen jongelingen verschenen is.
Hertaald:
gelijk eens zoons der goden
Of: gelijk een zoon van God; dat is: buitengewoon mooi, uitblinkend in schoonheid, alsof hij niet van menselijke maar van goddelijke afkomst was. In vers 28 noemt hij hem terecht een engel van God. Hoe de engelen zonen van God genoemd worden, zie de aantekening bij Job 1:6 en Job 38:7. God de HEERE heeft deze engel aan deze drie mannen toegevoegd tot hun troost, verlichting en verkwikking, opdat zij midden in het vuur en de vlam niet zouden bezwijken; vergelijk 2 Kon. 6:15; Ps. 34:8 en Ps. 91:11. Sommigen menen dat het de Heere Christus Zelf geweest is Die aan deze jongemannen verschenen is.
Toen naderde Nebukadnezar
Hij die tevoren deze drie jongelingen bevolen had tot hem te brengen, vs.13, die gaat nu zelf met verslagenheid en verbaasdheid des gemoeds tot hen.
Hertaald:
Toen naderde Nebukadnezar
Hij die tevoren bevolen had deze drie jongemannen bij hem te brengen (vers 13), gaat nu zelf met verslagenheid en verbijstering van gemoed naar hen toe.
gij knechten
Wiens knechten waren dan de Chaldeën en Nebukadnezar zelf? Knechten der valse goden en afgoden, die zij zichzelven verzonnen en gemaakt hadden.
Hertaald:
gij knechten
Wier knechten waren de Chaldeeën en Nebukadnezar zelf dan? Knechten van de valse goden en afgoden die zij zichzelf verzonnen en gemaakt hadden.
des allerhoogsten Gods
Aldus noemt hij den waren God niet zozeer uit rechte mening van zijn gemoed, als uit verslagenheid des harten, door aanschouwen van het grote wonder. Wien hij tevoren het allergrootste ongelijk aangedaan had, dien doet hij nu de grootste eer aan. Dezelfde mond, die hen tevoren had verwezen, ontschuldigt hen nu.
Hertaald:
des allerhoogsten Gods
Zo noemt hij de ware God niet zozeer uit een oprechte overtuiging van zijn gemoed als wel uit verslagenheid van hart bij het zien van dit grote wonder. Hem Die hij tevoren het allergrootste onrecht aangedaan had, bewijst hij nu de grootste eer. Dezelfde mond die hen tevoren veroordeeld had, spreekt hen nu vrij.
Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego
God heeft gewild dat deze mannen niet zouden uitgaan totdat de koning het hun gelastte, door wiens bevel zij in den vurigen oven geworpen waren, opdat het wonderwerk te meer mocht bekend zijn en de koning ten volle overtuigd.
Hertaald:
Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego
God heeft gewild dat deze mannen niet naar buiten zouden komen voordat de koning het hun beval — dezelfde koning op wiens bevel zij in de brandende oven geworpen waren — opdat het wonderwerk des te bekender zou worden en de koning volledig overtuigd.
uit het midden des vuurs
God had wel het vuur kunnen uitblussen, maar het heeft hem belieft het nog te laten branden, opdat zijne macht des te langer voor de ogen van alle mensen zou blijken.
Hertaald:
uit het midden des vuurs
God had het vuur wel kunnen doven, maar het heeft Hem behaagd het nog te laten branden, opdat Zijn macht des te langer voor de ogen van alle mensen zou blijken.
Toen vergaderden de stadhouders,
Dat is, zij kwamen nader bij elkander, spraken van dit wonder hetwelk zij daar zagen. Het heeft God beliefd dat de vorsten der Chaldeën dit wonder terdeeg zouden zien, om elk bij de hunnen daarvan te mogen spreken, hetwelk meer kracht had dan dat al de Joden daarvan gesproken en bij de heidenen getuigenis gegeven hadden.
Hertaald:
Toen vergaderden de stadhouders,
Dat is: zij kwamen dichter bij elkaar en spraken over dit wonder dat zij daar zagen. Het heeft God behaagd dat de vorsten van de Chaldeeën dit wonder terdege zouden zien, om er ieder bij de zijnen over te kunnen spreken — wat meer kracht had dan wanneer alle Joden erover gesproken en er bij de heidenen getuigenis van gegeven hadden.
niet geheerst had,
Dat is, geen macht gehad had.
Hertaald:
niet geheerst had,
Dat is: geen macht gehad had.
het haar huns hoofds
Of, geen haar.
Hertaald:
het haar huns hoofds
Of: geen haar.
verbrand was,
Of, verzengd.
Hertaald:
verbrand was,
Of: verzengd.
niet veranderd waren,
Dat is, dat er niet een nop of wolletje aan was, hetwelk van het vuur gekwetst was of zijne kleur veranderd had.
Hertaald:
niet veranderd waren,
Dat is: dat er geen pluisje of wolvezeltje aan zat dat door het vuur beschadigd was of van kleur veranderd.
daardoor niet gegaan was
Hetzij door hunne lichamen of door hunne klederen; de zin is: zij roken niet eens naar den brand, of het vuur.
Hertaald:
daardoor niet gegaan was
Hetzij door hun lichamen, hetzij door hun kleren; de betekenis is: zij roken niet eens naar brand of vuur.
antwoordde en zeide
Dat is, sprak.
Hertaald:
antwoordde en zeide
Dat is: sprak.
de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego,
Chaldeeuws, geloofd zij deze God van Sadrach, enz. Waarom zegt hij niet: mijn God zij geloofd? Omdat hij zijn valse goden nog niet wilde verlaten, om den enen waren God, die een jaloers God is, alleen te dienen.
Hertaald:
de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego,
Chaldeeuws: geprezen zij deze God van Sadrach, enzovoort. Waarom zegt hij niet: geprezen zij mijn God? Omdat hij zijn valse goden nog niet wilde verlaten om de ene ware God, Die een jaloers God is, alleen te dienen.
Zijn engel gezonden,
Dat deze heidense koning hier weet te spreken van den engel des Heeren, dat zal hij vermoedelijk gehoord en geleerd hebben uit den mond der drie jongelingen, nadat zij uit den oven verlost zijnde, met hem gesproken en hem alles verteld hadden; vergelijk deze historie met Dan. 6:23 .
Hertaald:
Zijn engel gezonden,
Dat deze heidense koning hier over de engel van de HEERE weet te spreken, zal hij vermoedelijk gehoord en geleerd hebben uit de mond van de drie jongemannen, nadat zij uit de oven verlost waren en met hem gesproken en hem alles verteld hadden; vergelijk deze geschiedenis met Dan. 6:23.
veranderd,
Dat is, niet geacht noch gehoorzaamd hebben; namelijk omdat het streed met Gods bevel, die de afgoderij verbiedt. Zie dergelijke manier van spreken Ezra 6:11 .
Hertaald:
veranderd,
Dat is: niet geacht en niet gehoorzaamd hebben, namelijk omdat het in strijd was met Gods gebod, dat de afgoderij verbiedt. Zie een soortgelijke manier van spreken in Ezra 6:11.
overgegeven hebben,
Te weten ten vure.
Hertaald:
overgegeven hebben,
Namelijk aan het vuur.
opdat zij geen god eerden noch aanbaden,
De koning prijst wel deze jongelingen hierin, dat zij zo standvastig bij hunne, dat is bij den waren God gebleven zijn, maar hij had hen behoren na te volgen in het eren van dezen waren God.
Hertaald:
opdat zij geen god eerden noch aanbaden,
De koning prijst deze jongemannen erom dat zij zo standvastig bij hun God — dat is: bij de ware God — gebleven zijn; maar hij had hen behoren na te volgen in het eren van deze ware God.
lastering spreekt
Of, dwaling, of vergrijping spreekt; dat is, een ijdel, lichtvaardig en dwalend woord spreekt, die zich met woorden tegen den God van Sadrach, enz., vergrijpt; hoeveel meer die een smadelijk of lasterlijk woord zouden gesproken hebben?
Hertaald:
lastering spreekt
Of: een dwaling of vergrijp spreekt; dat is: een ijdel, lichtvaardig en dwalend woord spreekt en zich met woorden vergrijpt aan de God van Sadrach, enzovoort — hoeveel te meer wie een smadelijk of lasterlijk woord zou spreken?
tegen den God
Hij doet den waren God die eer nog niet, die hij zijn beeld of afgod gedaan heeft, bevelende allen volken en natiën het aan te bidden. Van den waren God gebiedt hij alleen, dat men geen kwaad van Hem spreken en Hem niet lasteren zou; ook noemt hij den waren God niet zijn God, maar den god van Sadrach, enz. Waaruit af te nemen is dat Nebukadnezar zijne afgoden niet verlaten heeft, maar de schrik en vrees hebben hem deze belijdenis uitgeperst. Dit blijkt ook uit Dan 4 ; want toen hij wederom een droom had, heeft hij de Chaldeën en tovenaars wederom aangezocht om de uitlegging daarvan te hebben.
Hertaald:
tegen den God
Hij bewijst de ware God nog niet de eer die hij zijn beeld of afgod bewezen heeft, toen hij alle volken en naties beval dat te aanbidden. Over de ware God gebiedt hij alleen dat men geen kwaad van Hem spreekt en Hem niet lastert; ook noemt hij de ware God niet zijn God, maar de God van Sadrach, enzovoort. Daaruit is af te leiden dat Nebukadnezar zijn afgoden niet verlaten heeft, maar dat schrik en vrees hem deze belijdenis afgeperst hebben. Dat blijkt ook uit Dan. 4: toen hij opnieuw een droom had, heeft hij weer de Chaldeeën en tovenaars geraadpleegd om de uitlegging daarvan te krijgen.
in stukken gehouwen worde, zijn huis tot een drekhoop gesteld worde
Zie boven Dan. 2:5 .
Hertaald:
in stukken gehouwen worde, zijn huis tot een drekhoop gesteld worde
Zie hierboven Dan. 2:5.
Die alzo verlossen kan
Namelijk, zo wonderlijk, zo snel, zo machtig. Anders: die verlossen kan gelijk deze.
Hertaald:
Die alzo verlossen kan
Namelijk zo wonderlijk, zo snel, zo machtig. Anders: Die kan verlossen zoals Deze.
Toen maakte de koning
Anders: toen herstelde de koning Sadrach, enz., te weten in hun vorige staten en waardigheden, elk in de provincie waar hij tevoren gewoond en gebied gehad had. Dit was zoveel, alsof de koning drie voortreffelijke leraars had uitgezonden, om door het ganse land te verkondigen de krachten en wonderheden van den waren God aan hen bewezen.
Hertaald:
Toen maakte de koning
Anders: toen herstelde de koning Sadrach, enzovoort, namelijk in hun vorige ambten en waardigheden, ieder in de provincie waar hij tevoren gewoond en gezag gehad had. Dat kwam erop neer dat de koning drie voortreffelijke leraars uitzond om door het hele land de krachten en wonderen van de ware God te verkondigen die aan hen bewezen waren. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Een vlakte in het landschap van Babel, vermoedelijk niet ver van de hoofdstad zelf. Geschiedenis: Hier richtte koning Nebukadnezar het zestig ellen hoge, gouden beeld op waarvoor alle volken, natiën en tongen zich moesten neerbuigen — en hier weigerden Sadrach, Mesach en Abed-Nego, ondanks de doodsbedreiging van de brandende vurige oven, voor dit beeld te buigen, waarna de HEERE hen op wonderlijke wijze uit het vuur verloste, zodat zelfs de reuk van het vuur niet aan hen kwam (Dan. 3:1-27). Bijbelse betekenis: Het dal Dura is de plaats van een van de meest geliefde geloofsgetuigenissen uit het hele Oude Testament: de drie jongelingen kozen liever de vurige oven dan afgodische ontrouw, met de onvergetelijke belijdenis "onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen; ... doch zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen eren" (Dan. 3:17-18) — geloofsgehoorzaamheid zonder enige garantie op een aards gunstige afloop. Recente inzichten: De precieze ligging is niet met zekerheid vast te stellen; verschillende, kleinere heuvels bij het huidige Bagdad dragen nog altijd de naam "Douair" of "Dura", wat als herinnering aan deze plaats wordt beschouwd. Dan. 3:1-27 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De koning heeft een gouden beeld opgericht en gebiedt dat iedereen zich daarvoor neerbuigt (Dan. 3:1). Drie mannen doen dat niet, en dat wordt aangebracht: "zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt" (Dan. 3:12). Voor de koning gebracht antwoorden zij kort: "Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden" (Dan. 3:16). Dan volgen de twee zinnen waar dit hoofdstuk om bekendstaat: "onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen" (Dan. 3:17), en: "Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden" (Dan. 3:18). Bijbelse betekenis: Merk op waar het scharnier van deze belijdenis ligt. In de drie woorden maar zo niet. Zij spreken uit dat God machtig is te verlossen, en zij houden er rekening mee dat Hij het niet doet; hun besluit hangt niet af van de afloop. Wie alleen standhoudt op de verwachting van redding, houdt geen stand zodra die verwachting wegvalt. Let vervolgens op wat zij niet doen. Zij bestrijden de koning niet en zij redeneren niet; zij zeggen wat zij wel en niet zullen doen. Let ten slotte op wat er gehoorzaamd wordt en wat niet. Zij dienen deze koning in zijn landschap en zij weigeren hem als god; het onderscheid tussen het een en het ander is precies de zaak waar het om gaat. Typologie: Petrus en de apostelen geven voor de raad hetzelfde antwoord: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen" (Hand. 5:29). En Job spreekt dezelfde soort verwachting uit, die niet op de uitkomst rust: "Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" (Job 13:15). Dan. 3:1,12,16-18; Hand. 5:29; Job 13:15 De koning schrikt op en telt na: er zijn er drie gebonden in het vuur geworpen (Dan. 3:24). Dan zegt hij wat hij ziet: "Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden" (Dan. 3:25). Even later noemt hij het anders: "Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft" (Dan. 3:28). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier spreekt. Het is de heidense koning die de vierde beschrijft, en hij doet dat in de taal van zijn eigen godsdienst. In Dan. 3:28 zegt hij het opnieuw en dan noemt hij Hem Gods engel. Velen hebben in deze vierde de Zoon van God gezien; die uitleg is oud en eerbiedwaardig, maar de tekst zelf noemt Hem niet zo, en het register gaat daarom niet verder dan wat er staat. Let vervolgens op wat er wél vaststaat. Zij worden niet uit het vuur gehouden maar in het vuur bewaard, en het enige wat verbrandt zijn hun banden: gebonden gingen zij erin en los wandelen zij erin rond. Let ten slotte op de uitkomst voor de koning. Het teken bekeert hem niet, maar hij erkent wel wat hij gezien heeft; het volgende hoofdstuk laat zien dat er meer nodig was. Typologie: Wat hier gebeurt, is bij Jesaja beloofd in bijna dezelfde woorden: "wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43:2). In datzelfde vers staat de grond ervan: Ik zal bij u zijn. Dan. 3:24-28; Jes. 43:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst functie Nebukadnezar heeft een gouden beeld opgericht en een orkest laten aantreden. Wie niet neervalt gaat de oven in. Drie Joodse mannen blijven staan, en zij zeggen er nog iets bij dat scherper is dan hun weigering: onze God kan ons verlossen, maar zo niet, dan nog dienen wij uw goden niet. De koning laat drie mannen gebonden in het vuur werpen en ziet er vier ongebonden rondlopen. De voorbereiding wordt met zorg verteld, want zij maakt het wonder hard. De oven wordt zevenmaal heter gestookt dan gewoonlijk. De sterkste mannen van het leger moeten de veroordeelden binden. De vlam slaat zo ver naar buiten dat die mannen zelf omkomen. En de drie worden gebonden naar binnen geworpen, met mantels, broeken, hoeden en al. En dan gaat de koning opeens overeind staan. Hij had als rechter zitten toekijken; nu vraagt hij zijn raadsheren of het er niet drie waren. Zij bevestigen het, want ook zij moeten van de waarheid getuigenis geven. Dan zegt hij wat hij ziet: “Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.” Drie dingen zijn er veranderd sinds zij naar binnen gingen. Zij zijn met hun vieren. Zij zijn niet meer gebonden — de touwen zijn verbrand, merkt de kanttekening op, of door de engel losgemaakt. En zij lopen; zij liggen niet, zij wandelen. Wie is die vierde? Hier moet men de kanttekening precies volgen, want zij is voorzichtiger dan menigeen die dit hoofdstuk aanhaalt. Zij vertaalt de woorden van de koning als gelijk een zoon van God, en zij legt uit wat een heidense vorst daarmee bedoelde: buitengewoon mooi, uitblinkend in schoonheid, alsof hij niet van menselijke maar van goddelijke afkomst was. Zij wijst er ook op dat de koning zelf hem in vers 28 een engel van God noemt. En pas daarna, als laatste, voegt zij toe: sommigen menen dat het de Heere Christus Zelf geweest is Die aan deze jongemannen verschenen is. Zo hoort het hier ook te staan. Dat de vierde de Zoon van God was, is een uitleg die de kanttekenaars noemen maar niet als de hunne overnemen. De tekst zelf zegt dat een heiden Iemand bij hen zag die er niet als een mens uitzag, en de koning noemt hem een engel. Dat is minder dan velen ervan maken, en het is genoeg. Want wat vaststaat is dit: God verloste hen niet uit het vuur maar in het vuur. Hij doofde het niet. De kanttekening zegt zelfs waarom niet — het heeft Hem behaagd het te laten branden, opdat Zijn macht des te langer voor de ogen van alle mensen zou blijken. En de drie mochten pas naar buiten toen dezelfde koning die hen erin liet gooien hen eruit riep, opdat het wonder des te bekender zou worden. Daar ligt de lijn naar het Evangelie. Niet in de vraag wie de vierde was, maar in wat er gebeurt: God gaat mee de oven in. Jesaja zegt het tegen ditzelfde volk in bijna dezelfde bewoordingen — wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, want Ik ben met u. En de belofte waarmee het Evangelie van Mattheüs sluit, is er de laatste vorm van: zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. In het Nieuwe Testament: Jesaja 43:2; Mattheüs 28:20; Hebreeën 11:33-34; Mattheüs 1:23; Handelingen 7:55-56 Hoever dit reikt: Dit is een mogelijke toepassing en niet meer. De kanttekening noemt de uitleg dat de vierde de Heere Christus was uitdrukkelijk als de mening van sommigen. Zijzelf zet de engel voorop, met de opmerking dat de koning hem in vers 28 zo noemt. Het Nieuwe Testament komt er niet op terug; Hebreeën 11 noemt wel dat gelovigen de kracht des vuurs uitgeblust hebben, maar zegt niets over een vierde gestalte. Wie deze plaats gebruikt, doet er goed aan te zeggen wat er staat — er was Iemand bij hen — en de vraag wie precies open te laten.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Willen wij een christen zijn en daarom het juk van deze tegenwoordige boze wereld afwerpen, dan moet ons besluit vaststaan om alle gevolgen te dragen liever dan de afgod van het ogenblik te aanbidden. Wij moeten de oven in, willen wij de nauwste en dierbaarste omgang met Christus Jezus hebben. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De vierde in de oven — 3:19-28
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten


Daniël 3
Daniël 3:14.KruisverwijzingenDaniël 3:1→Jesaja 46:1→Jeremia 50:2→Daniël 4:8→Exodus 21:13→
— Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?
“Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?”
De wereld verwacht, net als Nebukadnezar, dat wij allen haar mode volgen en haar regels gehoorzamen. De god van deze wereld is de duivel, en hij eist onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. De zonde is, in de een of andere vorm, het beeld dat de satan opricht en dat wij dienen moeten.
De fluit en de harp van de wereld moeten voor ons tevergeefs klinken. Een edeler muziek moet ons oor bekoren en ons de dreigementen van de wereld doen trotseren. De ware gelovige moet stelling nemen, en wij moeten besluiten dat wij Gode meer gehoorzaam zullen zijn dan de mensen. Wat ons geweten als recht, rein en waar aanbeveelt, moeten wij zonder voorbehoud volgen. Maar wat verkeerd, vuil en vals is, moeten wij met een vast besluit verlaten. Wij kunnen geen discipelen van Christus zijn tenzij wij daartoe gekomen zijn en daarbij blijven, want Jezus leidt alleen op de wegen van de gerechtigheid.
De wereld mag eisen dat wij ons aan haar bevelen onderwerpen. Maar als knechten van de Heere Jezus Christus zullen wij dat weigeren. Zoals Sadrach, Mesach en Abed-nego tegen Nebukadnezar zeiden, zo zullen ware gelovigen tegen de wereld zeggen: “wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden”.
Daniël 3:25.KruisverwijzingenJesaja 43:2→Handelingen 28:5→Psalmen 91:3→Psalmen 34:7→Daniël 3:28→Job 1:6→Markus 16:18→Job 38:7→
— Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.
“Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.”
Een vierde man in de oven, zo helder en heerlijk dat zelfs de heidense ogen van Nebukadnezar een bovennatuurlijke glans aan hem konden onderscheiden. “de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden”, zei hij.
Telkens wanneer de HEERE verschijnt, is het aan Zijn volk terwijl zij in de strijd staan. Mozes zag God bij Horeb, maar het was in een brandend braambos. Jozua zag Hem, maar met een uitgetogen zwaard in Zijn hand, om te tonen dat Zijn volk nog altijd een strijdend volk is. En hier, waar de heiligen hun Zaligmaker zagen, was het Hemzelf in de oven.
De rijkste gedachte waar een christen misschien van leven kan, is deze: Christus is met hem in de oven. Wanneer wij lijden, lijdt Christus. Geen lid van het lichaam kan pijn hebben zonder dat het hoofd zijn deel draagt. Zo doen ook wij, als leden van het lichaam van Christus, met elke pijn die wij voelen het Hoofd pijn, Christus Jezus. Hij brengt ons door geen enkele kamer zo donker of Hij is er Zelf in die duisternis. Door Zijn tegenwoordigheid maakt Hij die duisternis licht en verblijdt en verkwikt Hij ons hart.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-30.KruisverwijzingenJeremia 16:20→Habakuk 2:19→Jesaja 46:6→Hosea 8:4→Daniël 4:1→Daniël 6:25→Daniël 3:15→Daniël 3:10→
— De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel. En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht. En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen! Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht; En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden; Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: O koning! leef in der eeuwigheid! Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;
In het midden zijner regering, als hij op het toppunt van zijne macht en van zijn geluk staat, laat Nebukadnezar in de Babylonische vlakte Dura een kolossaal gouden beeld oprichten. Alle hogere beambten van het rijk werden geroepen tot inwijding. Door een heraut wordt het bevel bekend gemaakt, dat op een gegeven teken de gehele vergadering voor het beeld moet nedervallen en het aanbidden. Die aan dit bevel niet voldoen, worden bedreigd met de straf van verbranding in den gloeienden oven. Daniëls drie vrienden, die als staatsbeambten van het Babylonische rijk de plechtigheid bijwonen, weigeren standvastig de aanbidding van het beeld, daar zij den god van Nebukadnezar niet kunnen dienen. Zij worden in hun klederen gebonden, in den oven geworpen, terwijl de hitte zo sterk mogelijk gemaakt is. Zij blijven echter ongedeerd, zodat later zelfs geen spoor van brand, noch enige reuk bij hen op te merken is. Een Engel des Heeren vergezelt hen, zodat zij midden in den vurigen oven wandelen als in den koelen morgendauw. Als de koning van buiten af hen ziet wandelen, wordt hij door ontzetting aangegrepen; hij laat hen er uit komen, overtuigt zich met zijne staatsraden er van, dat zij volkomen ongedeerd zijn gebleven, en prijst nu niet alleen met ene enkele belijdenis de macht van hunnen God, maar verbiedt ook in een manifest den volken van zijn rijk, dezen God te minachten, onder bedreiging van ene smadelijke doodstraf. Gelijk hier uit het voorbeeld van Sadrach, Mesach en Abed-nego blijkt, dat men de wereldmacht niet positief mag huldigen door aanbidding van het wereldbeeld, zo zal later (Hoofdst. 6) in Daniëls voorbeeld gezien worden, dat men haar ook niet negatief mag huldigen door het niet aanbidden van God.
De koning Nebukadnezar maakte 1) (liet maken) een beeld van goud, in den vorm van een obelisk, of van ene hoge spitse zuil, inwendig van hout en van buiten met goud overtogen, welks hoogte was zestig ellen, zijne breedte zes ellen); hij richtte het op in het dal Dura, niet ver van de stad Babel (Hoofdst. 4:2), in het landschap van Babel.
Wanneer dit feit heeft plaats gehad is niet juist aan te geven. Wat sommigen beweren dat het zou hebben plaats gehad bij de verwoesting van Jeruzalem is niet te bewijzen. Meer dan hoogstwaarschijnlijk heeft de koning dit beeld opgericht toen hij op het toppunt stond van zijn macht en zich als den wereldbeheerser wilde doen eren. Dat de Joden zijn gebod niet mochten gehoorzamen, heeft hij niet bedacht. Alle zijne onderdanen moesten den nationalen afgod hulde bewijzen.
Andere uitleggers bestrijden de mening, dat het in de grondtaal voor “beeld” gebruikte woord slechts ene zuil of een obelisk zou kunnen aanwijzen, integendeel heeft men zich een beeld als van een mens, met het hoofd, gezicht, armen en borst te denken; naar beneden kon het echter wel bij wijze van ene zuil gevormd of op een hogen piëdestal (zuilen voetstuk) geplaatst zijn. Moeilijkheid geeft daarbij de maat: 60 ellen hoogte en 6 ellen breedte, maar in de 60 ellen hoogte kan ook de piëdestal mede begrepen zijn (bij de menselijke gedaante staat de lengte tot de breedte als 6 tot 1). Het monsterachtige van het gehele beeld komt overeen met den smaak der Babyloniërs, die behagen hadden in groteske (zeldzame of tegen-natuurlijke) reuzen-vormen.
En de koning Nebukadnezar zond boden met uitnodigingsbrieven henen, om te verzamelen de stadhouders, de overheden en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen 1), dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. Door de plechtige erkenning van al de grootwaardigheidbekleders wilde hij het maken tot hetgeen het zijn moest, een symbool van de wereldmachten en van hare goddelijke grootheid.
De buitengewone uitbreiding van het oud-Aziatische rijk maakte het noodzakelijk, dat aan de ene zijde een geëvenredigd getal overheden was, en aan de andere zijde een band, die deze met elkaar verenigde en met den troon verbond. Van de hier genoemde opperbeambten van het Babylonische rijk nu zijn 1) de stadhouders, de bestuurders der provincies, of de eigenlijke satrapen, 2) de overheden de miltaire chefs in de provincies, 3) de landvoogden, de hoofden der burgerlijke rechtspleging 4) de wethouders, de regeringsraden, 5) de schatmeesters, de bestuurders der openbare geldmiddelen, 6) de raadsheren, de bewaarders der wet, 7) de ambtlieden, de rechters in engeren zin; dan volgen nog 8) de heerschappers der landschappen. d. i. de prefekten, die aan den opperbestuurders ondergeschikt zijn.
Toen verzamelden zich, tengevolge van deze oproeping, de stadhouders, de overheden, de landvoogden de onderstadhouders, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers de machthebbers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar opgericht had.
En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiën en tongen!
Ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der harp, der psalteren, des akkoordgezangs 1), en allerlei soorten van muziek (Num. 10:2), zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht: 2)
De zogenaamde doedelzak, de bekende Italiaanse sampogna.
Nebukadnezar staat hier gelijk met alle andere heidense vorsten, die wel duldden en toestonden, dat de vreemdelingen hun eigen godsdienst uitoefenden, maar echter er op stonden, dat zij zich bogen voor den dus genaamden nationalen god of afgod.
En wie dan niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelver ure in het midden van den oven des brandenden vuurs, die reeds gereed en aangestoken is, geworpen worden. Gelijk uit Jer. 29:22 blijkt, was het verbranden in ovens ene bij de Chaldeën gewone doodstraf. Ook de Joden schijnen dien straf gekend te hebben, wanneer men in 2 Sam. 12:31 zich aan de gewone leeswijze houdt. Zodanige vuurovens waren in de hoogte gebouwd en van boven open, zodat men van daar de misdadigers naar beneden kon storten; aan het benedeneinde bevond zich ene opening om te stoken; deze was van ene deur voorzien, welke degenen, die het verbranden wilden zien, een doorzicht verleende. Op onze plaats was de oven reeds aangestoken, toen de heraut zijne aankondiging deed, om des te meer vrees te verwekken voor elke ongehoorzaamheid aan ‘s konings gebod, en om de bedreiging tegen degenen, die mochten weigeren, dadelijk ten uitvoer te brengen. gelijk het nog heden in Perzië de gewoonte is.
Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natiën en tongen, die aanwezig waren, nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. Het moet de wereldmacht, die Nebukadnezar had opgericht, zijnen onderworpen volken als voorwerp van aanbidding voorstellen. Maar het draagt het teken, dat het niets goddelijks is; want het heeft wel het teken van het getal tien, d. i. de oecomeniciteit (uitbreiding over de gehele wereld) een over de gehele aarde heersend rijk, een wereldrijk is het in elk geval-maar het teken van goddelijke volmaking, het teken van de zeven ontbreekt. In plaats daarvan heeft het het teken van zes; alles wat een mens in de zes werkdagen, die hem gegeven zijn, bearbeiden en verkrijgen kan, dat bezit het, maar tot de volmaaktheid van het goddelijke werk komt het noch met zijne hoogte, noch met zijne breedte. Dat Nebukadnezar de maat van zijn beeld volgens zulke sprekende getallen bepaalde, is wel providentiëel (door de Goddelijke voorzienigheid ook zonder dat de mens het weet, veroorzaakt).
Daarom naderden (doch er naderden) even ter zelver tijd tot den koning, die bij het feest tegenwoordig was, Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden dat zij het beeld niet hadden aangebeden.
Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar, als die hen voor de vraag, wat zij voor te brengen hadden, tot spreken vrijheid had gegeven: O koning, leef in der eeuwigheid (Hoofdst. 2:4), God verlene u een lang leven!
Gij, o koning hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen en het gouden beeld aanbidden zouden.
En wie niet nederviel en aanbad, die zou in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden (vs. 4 vv.).
Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt 1) (Hoofdst. 2:49), Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld, uwe goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt. 2)
Hieruit blijkt zo duidelijk mogelijk, dat de Chaldeën meer uit haat en afgunst handelen. Het is hun niet alleen te doen om de vrienden van Daniël aan te klagen wegens ongehoorzaamheid aan des konings bevel, maar bovenal om hen van hun ereplaats ontzet te krijgen. Daarom stellen zij de zaak zo in al haar zwaarte voor. Edoch evenals God van den hemel voor Daniël later waken en de aanslagen van zijne vijanden verijdelen zou, zo ook hier. Als God waakt en beschermt, wie zal zich dan tegen Zijne kinderen kunnen verzetten? Deze mannen kwamen op voor de ere Gods, en nu zou God ook voor hun eer zorgen. Wie Mij eren, die zal Ik eren, zegt de Heere en bevestigt het door Zijne daden.
Deze Chaldeeuwse mannen kennen de drie Joden van vroeger. Zij weten sedert lang, dat zij gene afgoden aanbidden; maar bij de tegenwoordige gelegenheid, dat hun godsdienst de Joden tot ongehoorzaamheid aan het koninklijk bevel dwingt, brengen zij hun weten aan den man. De opmerkelijke omstandigheid, dat bij de plechtigheid Daniël niet tegenwoordig was, die anders het beeld ook niet zou aangebeden hebben, is daaruit het natuurlijkste te verklaren, dat hij tot gene van de in vs. 2 v. genoemde klassen van beambten behoorde; in zijnen naam en onder zijn oppertoezicht namen de drie vrienden de bezigheden over het landschap van Babylonië waar; deze waren nu ook verplicht, de plechtigheid bij te wonen, terwijl hij zelf aan het koninklijk hof achterbleef.
Toen zei Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.
Nebukadnezar, in plaats van hen zonder meer ter dood te laten leiden, beproefde nog eerst de drie mannen te bewegen tot het voldoen aan het door hem gegeven bevel; hij antwoordde op de beschuldiging, die ingebracht was, en zei tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, die u anders als zulke getrouwe en gehoorzame dienaren jegens mij gedragen hebt, dat gijlieden mijne goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt? 1)
Het behoeft hem niet te verwonderen, dat hij hoorde, dat deze drie mannen zijne goden nu niet dienden, omdat hem zeer wel bekend was dat zij het nog nimmer hadden gedaan, dat zulks hen verboden werd door hunnen godsdienst, dien zij altijd hadden aangekleefd. Hij had dus geen reden om te denken, dat zij het niet zouden doen uit versmading van zijn gezag, daar zij zich jegens hem als hun vorst in alle gevallen eerbiedig en getrouw getoond hadden.
Nu dan, zo gijlieden gereed (bereid) zijt, om uwen misslag weer goed te maken, dat gij ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt, ter zelver ure zult gijlieden geworpen worden het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, die ulieden uit mijne handen verlossen zou?1) In zulk een vurigen oven u in het leven en ongedeerd te bewaren, gaat zeker boven het vermogen van uwen God.
Deze hoon tegen den Heere, den God Israëls, alsof Hij hen, die Zijne geboden houden en op Hem vertrouwen, niet uit alle gevaar zou kunnen redden, is een der belangrijkste punten, waarop in dit verhaal alles aankomt. De drie mannen stellen hun geloofsverklaring daartegenover. De Heere rechtvaardigt hun woord door de meest wonderbare redding (vs. 24-27), en den trotsen koning wordt (vs. 29) de belijdenis afgeperst: “Er is geen ander God, die zo redden kan als deze. ” Het wonder geschiedt tot herstelling van Gods ere, opdat Zijn naam, die gelasterd werd, ook wierde geheiligd. Zo was het ook bij den strijd tussen David en Goliath (vgl. 1 Sam. 17:45-47), zo bij de belegering van Jeruzalem door koning Sanherib (Jes. 36:15, 20), ten tijde van Hizkia (Jes. 37:20), volgens de profetie van Jesaja (Hoofdst. 37:23, 29, 33-36).
Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden bij monde van den laatste (vs. 23), en zeiden tot den koning Nebukadnezar. Wij hebben niet nodig u op deze zaak, op de tot ons gerichte vraag (vs. 14) te antwoorden 1); het is overbodig een antwoord daarop te geven, want het is duidelijk genoeg, dat wij God meer moeten gehoorzamen dan de mensen.
De Engelse vertaling heeft: “wij zijn niet bekommerd u op deze zaak te antwoorden. ” Met andere woorden, zij hadden geen ogenblik nodig om op een antwoord te zinnen, dewijl zij op het woord des konings: wie is de God, die ulieden uit mijne hand verlossen zou, geen ander antwoord hadden dan dit: Onze God dien wij eren, is machtig ons te verlossen. Daarmee spreken zij het uit, dat al hun vertrouwen is op den Heere, maar ook dat indien Hij het nodig keurt, hen niet te verlossen, zij toch niet zullen gehoorzamen aan des konings bevel, omdat zij niet mogen. Godes eer en woord gaan bij hen boven eigen gemak en veiligheid.
En wat uwe bedreiging betreft, zal het zo zijn, dat wij in den oven geworpen worden, onze God, dien wij eren, is machtig ons, zo het Zijn heilige raad en wil is, te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o koning! verlossen (Jes. 43:2).
Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uwe goden met zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden; wij zijn bereid tot ere van den naam onzes Gods, wanneer het moet zijn, zelfs den vuurdood te lijden (2 Makk. 7). Men heeft in het woord der drie mannen: “Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden, ” ene trotse uitdaging willen vinden. Verplaatsen wij ons echter geheel in den toestand dezer mannen, zo kunnen wij daarin gene trotsheid, maar slechts bedachtzaamheid en wijsheid zien; zij vermijden daardoor een “Neen!” aan het hoofd van hun spreken te plaatsen. Hadden zij dadelijk gezegd: “Neen, wij willen het beeld niet aanbidden!” zo hadden zij zeker geen woord verder kunnen spreken; door het uitstellen van het antwoord hadden zij echter nog ruimte voor de heerlijke belijdenis ter ere van God, die zij in vs. 17 afleggen, en dan volgt in vs. 18 eerst werkelijk het besliste: “Neen!” Wel hadden deze drie mannen een bepaald woord der Goddelijke belofte, dat zij op hun geval konden toepassen en waarop zij zich verlaten konden, dat de gloeiende oven hun gene schade kon doen, namelijk het woord in Jes 43:2 : “Wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken, ” toch ware zulk een gebruik van Gods woord een misbruik, en zulk een vertrouwen op lichamelijke redding ene vermetelheid geweest, daar de Heere Zijn raadsbesluit, hoe Hij in hun bijzonder geval die belofte wilde vervullen, door Zijnen Geest hun niet openbaren, omdat Hij hen wilde verzoeken. Hun toestand is als die van Abraham in Gen. 22, die ook niet meer mocht weten, dan in het algemeen, wat God kan (Hebr. 11:19), zonder reeds in bijzonderheden te verstaan, hoe Hij Zijne wegen wilde inrichten; en desgelijks gaat het ons in de meeste gevallen. Wij hebben voor elken nood en elke aanvechting in ons leven ene bepaalde belofte, die daarop past, en kunnen van de Goddelijke hulp en van onze zaligheid zeker zijn, alleen dat onze ogen verhinderd worden, den tijd en de wijze der hulp en hetgeen de Heere tot ons welzijn heeft uitgekozen, reeds nu te zien, daar wij moeten leren, ons onvoorwaardelijk en onverdeeld aan Zijne leiding over te geven. In enkele, zeer bijzonder gevallen, wanneer het tot ere van God en tot bevordering van Zijn rijk dienstbaar is, zal den gelovigen bidder aanstonds bij den aanvang een voorgevoel van het door God beslotene gegeven worden, en hem daardoor het recht worden verleend, om van een woord Gods een letterlijk gebruik te maken (zie daarover bij 1 Kon. 17:1). Het verhaal van den mannelijken moed en de wonderlijke uitredding der drie heilige mannen, of liever helden, is zeer geschikt om in het hart der gelovigen moed en standvastigheid op te wekken tot het getrouw blijven aan de waarheid, zelfs onder dwingelandij en in de zaken des doods. Laat jonge Christenen vooral door hun voorbeeld leren, nooit tegen hun geweten te handelen, noch in zaken betreffende hun godsdienstig geloof, noch bij hun werk. Verlies liever alles dan uwe oprechtheid, en is al het andere verloren, behoud dan toch nog een rein geweten, als het schoonste ereteken, dat de borst eens stervelings kan versieren. Laat u niet leiden door het dwaallicht der staatkunde, maar door de poolster der goddelijke macht. Doe het goede onder alle omstandigheden. Ziet gij geen ogenblikkelijk voordeel: wandel door geloof en niet door aanschouwen. Doe God ten minste de eer aan, Hem te vertrouwen wanneer het er op aankomt, om den wille van beginselen iets te verliezen. Beproef het of Hij uw schuldenaar wil zijn. Beproef het of Hij niet zelfs in dit leven Zijn woord waar maakt: dat “zaligheid een groot gewin is met vergenoegen, en dat dengenen, die eerst het koninkrijk Gods zoeken en zijne gerechtigheid, alle dingen zullen toegeworpen worden. ” Mocht het gebeuren dat Gods voorzienigheid wil, dat gij om uws gewetens wil zoudt verliezen lijden, dan zult gij ondervinden, dat zo de Heere het u niet in het zilver van aardsen voorspoed teruggeeft, Hij Zijne beloften aan u vervullen zal met het goud van geestelijke vreugde. Bedenk, dat des mensen leven niet bestaat in den overvloed zijner bezittingen. Een hart zonder bedrog en misdaad, de gunst Gods en Zijne goedkeuring te bezitten, is groter rijkdom dan de mijnen van Ofir zouden kunnen opleveren, of de handel van Tyrus aanbrengen. Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os en haat daarbij. Een weinig gemoedsrust is ene ton gouds waard.
Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde, de gehele uitdrukking van zijn gelaat was, in plaats van de vroegere zachtheid, en vriendelijkheid (vs. 14 vv.) onbestemd doorbrekende woede tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zei, dat men den oven zeven maal (in den zin van ons tien malen Gen. 31:7) meer heet maken zou dan men dien pleegt heet te maken.
En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zei hij, aan enige der sterkste mannen onder zijne krijgsknechten gebood hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om hen te werpen den oven des brandenden vuurs. “De toorn van den koning, ” schrijft Füller, in overeenstemming met de opvatting der overige uitleggers, “is gemakkelijk te verklaren; het was hem misschien nog nooit voorgekomen, dat zijne bevelen zulk een tegenspraak ontmoetten-moet hij niet zijne eigene majesteit voor al het aanwezige volk als beledigde beschouwen? maar nu zal men ook zien, hoe zulk een tegenstander gestraft wordt. ” . Wat nu den koning Nebukadnezar betreft, ook hier weer toont Daniël als in een spiegel, hoe groot de trotsheid der koningen is, en hoe groot hun hoogmoed, wanneer men hun verordeningen niet gezind is. Want een ijzeren gemoed had week moeten worden door dit antwoord waardoor zij hadden gehoord, dat Sadrach, Mesach en Abed-nego hun leven aan God wijdden; vervolgens toen hij hoorde, dat zij niet door de vrees voor den dood konden afgetrokken worden van hun geloof, maar met toorn slechts vervuld werd. Wat nu die woede betreft, wij moeten er mede rekenen, hoe groot de werkzaamheid van Satan is, wanneer hij de mensen bezit en in beslag houdt. Want in hen is geen matiging, ofschoon zij overigens een grote en uitstekende verwachting en deugd openbaren, evenals Nebukadnezar begaafd was met vele deugden, zoals gezien is. Maar dewijl de duivel hem beheerste werd er niets anders in hem gevonden dan wat zondig en barbaars was. Laten wij ons ondertussen ook herinneren dat Gode onze standvastigheid behaagt, ofschoon zij niet terstond voor de wereld haar vrucht voortbrengt.
Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere klederen, met hun onder- en hun bovenklederen, tot hun voet- en hoofddeksels toe, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs (vgl. vs. 27).
Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, volgens het bevel (vs. 19), zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood 1); als zij hen ophieven, om hen van boven af in het vuur te werpen, werden zij door den gloed verstikt.
Zo bepleitte God onmiddellijk de zaak van Zijn zo onrechtvaardig behandeld wordende dienstknechten. Hij nam wrake op hun vervolgers in hun plaats. Hij strafte hen niet alleen in het dadelijk uitvoeren van hun zonden, maar door het middel van de uitvoering zelf. Dan deze sterke mensen waren alleen maar werktuigen der wreedheid. Hij die hen daartoe bevel gegeven had, had grotere zonde. Zij nochtans leden rechtvaardig om de uitvoering van een onrechtvaardig bevel. En het is zeer waarschijnlijk, dat zij dit bevel met genoegen hebben uitgevoerd, en verblijd zijn geweest, dat zij tot de uitvoering daarvan zijn gebruikt geworden.
Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren: Tussen dit en het volgend vers heeft de Septuaginta ene dubbele bijvoeging, die met recht onder de Apokryfen gerekend zijn, namelijk “het gebed van Azaria” en “het gezang der drie mannen in den gloeienden oven. “
Toen hij door de benedenopening van den oven zag en een viertal ongedeerd zag wandelen, ontzette zich de koning Nebukadnezar, die op een troon gezeten het schouwspel bijwoonde, en hij stond op in der haast, antwoordde en zei tot zijne raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!
Hier verhaalt Daniël dat de macht Gods is geopenbaard geweest aan gewone mensen. Zo wel aan den koning zelven als aan zijne hovelingen, die hadden samengezworen tot den dood van deze heilige mannen. Hij zegt dus dat de koning is ontzet geweest over dit wonder, zoals God de goddelozen dwingt om Zijn kracht te erkennen. Hoe zij zich ook verzetten en al hun zinnen verharden, worden zij echter willens onwillens gedwongen de kracht Gods te erkennen. Dit toont Daniël aan dat met den koning Nebukadnezar geschied is. Zij antwoorden hem dit: “Zo is het; ” en er is geen twijfel aan of Nebukadnezar werd gedreven van Godswege dat is door Hoger instinct, om dit van zijn hof te weten te komen; vervolgens of hij had de belijdenis hen afgeperst. Nebukadnezar had terstond tot den oven kunnen gaan, maar God wilde dat deze belijdenis Zijnen vijanden werd afgeperst, dat zij zouden bekennen tegelijk met den koning, dat Sadrach, Mesach en Abed-nego niet door enige aardse middelen, maar door de vermogende en geenszins gewone kracht Gods waren gered. Laten wij dan opmerken, dat de goddelozen niet uit eigen beweging getuigen zijn geweest van de macht Gods, maar dewijl God in den mond des konings deze vraag gelegd heeft, vervolgens omdat Hij hen niet heeft toegestaan te ontvluchten of te weigeren, maar te bekennen, wat waar was.
Hij antwoordde en zei: Ziet, ik zie vier mannen, hun banden los (vs. 21 en 23) wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden, 1) als van een Engel (vs. 28).
Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten des Allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden des vuurs door de deur der opening.
Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, de leden van zijn staadsraad (Hoofdst. 4:33) deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels, zowel de boven- als de onderklederen, niet verbrand waren, ja dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was, alleen waren de banden, waarmee zij gebonden waren, van hen afgevallen.
Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, die Zijnen Engel gezonden (Hoofdst. 6:22), en wat ik niet voor mogelijk wilde houden (vs. 15) Zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, een ander gebod dan het mijne gehoorzaamd hebben, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij genen god eerden noch aanbaden, dan hunnen God.
Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde(Hoofdst. 2:5); want er is geen ander God, die alzo verlossen kan. 1)
Deze bekentenis van den koning van Babel was gevolg van ene ogenblikkelijke bewegings des gemoeds, niet die van een uiting des harten. Hij werd aangegrepen door de wonderlijke bewaring van de drie jongelingen door den God van Israël, en nu vol verbazing moest hij hiervan getuigenis geven. Zijn trotsheid en zijn verzet tegen den levenden God werd er niet door verbroken, gelijk uit zijn verder leven blijkt. Derhalve was belijdenis geen werk des Geestes in zijn hart, zodat ook dit teken Gods van Zijne macht geen invloed had op hart en leven.
Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel, daar hij onder bijzondere bewijzen van zijne genade hen weer in hun vroegere ambten liet plaatsen (Hoofdst. 2:48 vv.). Het is zonder twijfel een goed getuigenis voor Nebukadnezar, dat hij den vroeger door hem gehoonden God van Israël, die hem nu voor aller ogen ene zo gevoelige nederlaag bereid heeft, zo onvoorwaardelijk prijst en Hem zijne luide bewondering laat ten dele worden. Verstokt heeft Nebukadnezar zijn hart niet, gelijk Faraö, daarom heeft hij ook God niet door zijnen ondergang behoeven te prijzen, gelijk gene. En gelijk hij zelf vol verwondering is over de macht van dezen God, die allen, welke op Hem vertrouwen, uit het grootste gevaar weet te redden, zo gebiedt hij onder bedreigingen van zware straf, dat niemand in zijn rijk ene lastering tegen dien God uitspreke, die redden kan als geen ander. Letten wij op de betekenis van dit verhaal voor de geschiedenis van het Godsrijk, zo leert het, hoe de getrouwe belijders des Heeren onder de heerschappij der wereldmacht in botsingen kunnen komen, die hun leven in gevaar brengen, in botsingen tussen de eisen der heren dezer wereld en de plichten jegens God; doch wanneer zij hunnen God getrouw blijven, worden zij door Hem wonderbaar beschermd, daar Hij Zijne almacht zo heerlijk zal opmerken, dat zelfs de heidense wereldbeheersers genoodzaakt worden Zijne Godheid te erkennen en Hem de ere te geven. Hoe onbegrijpelijk ons de mogelijkheid van dit wonder moge zijn, de doelmatigheid daarvan ligt duidelijk voor ogen. Terwijl God den koning van Babel als Zijnen knecht gebruikt, om het afvallige volk van God te straffen, terwijl de heilige vaten van den tempel in de schatkamer van den afgod Bel als buit zijn gebracht, bewijst de God van Israël door een openbaar wonder aan Zijne getrouwen, voor de vergaderde bevelhebbers van het Chaldeeuwse rijk, dat er geen ander God is, die alzo kan redden als Hij. Nebukadnezar wordt gedrongen dit in een manifest uit te spreken, en de lasteraars des Heeren in zijn rijk met den dood en de vernieling van hun huizen te bedreigen. Dat aan het hof van Babel werkelijk ook bij de verwoesting van Jeruzalem de Majesteit van den God van Israël erkend werd, in zoverre die van een heidens standpunt kon erkend worden, bewijst de uitspraak van Nebuzaradan, den overste der trawanten, in Jer. 40:2 vv. In hun verheffing zien wij niet alleen eer en voordeel naar de wereld, maar ook beweldadiging en goedkeuring van den hogen God, waaruit het voor elkeen blijkbaar werd, wat Jehova vermag, en welk een loon Zijne getrouwe dienaren te wachten hebben. In hun verheffing bovenal ontdekken wij ene openlijke prediking van het bestaan en de opperheerschappij van den God van Israël, ene zichtbare handhaving van Zijne eer en zaak onder de heidense volken en ene bemoediging voor Zijne kerk, die thans in ballingschap was, daar de Heere met haar bleef en trouwe houdt tot in eeuwigheid. Indien ergens, hier vinden wij aanmoediging tot ene standvastige en onwrikbare aankleving aan Jezus’ leer en dienst, en tot een rustig en blijmoedig vertrouwen op Zijne belofte, dewijl Zijne genade ons tot alles genoeg is en Zijne kracht in zwakheid wordt volbracht.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel