Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In het tweedeH8147 jaarH8141 nu des koninkrijksH4438 van NebukadnezarH5019, droomdeH2492 NebukadnezarH5019 dromenH2472; daarvan werd zijn geestH7307 verslagenH6470, en zijn slaapH8142 werd in hem gebrokenH1961.
In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.
KJV
And in the second2
year1
of the reign3
of Nebuchadnezzar4
Nebuchadnezzar6
dreamed5
dreams,7
wherewith his spirit9
was troubled,8
and his sleep10
brake
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Toen zeideH559 de koningH4428, dat men roepenH7121 zou de tovenaarsH2748, en de sterrekijkersH825, en de guichelaarsH3784, en de ChaldeenH3778, om den koningH4428 zijn dromenH2472 te kennenH5046 te geven; zij nu kwamenH935, en stondenH5975 voor het aangezichtH6440 des koningsH4428.
Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.
KJV
Then the king2
commanded1
to call3
the magicians,4
and the astrologers,5
and the sorcerers,6
and the Chaldeans,7
for to shew8
the king9
his dreams.10
So they came11
and stood12
before13
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de koningH4428 zeideH559 tot hen: Ik heb een droomH2472 gedroomdH2492; en mijn geestH7307 is ontsteldH6470 om dien droomH2472 te wetenH3045.
En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.
KJV
And the king3
said1
unto them, I have dreamed5
a dream,4
and my spirit7
was troubled6
to know8
the dream.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen sprakenH1696 de ChaldeenH3778, tot den koning in het SyrischH762: O koning, leefH2418 in eeuwigheidH5957! ZegH560 uw knechtenH5649 den droomH2493, zo zullen wij de uitleggingH6591 te kennenH2324 geven.
Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
Ook in dit vers
koningH4428
koningH4430
KJV
Then spake1
the Chaldeans2
to the king3
in Syriack,4
O king,5
live7
for ever:6
tell8
thy servants10
the dream,9
and we will shew12
the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot de ChaldeenH3779: De zaakH4406 is mij ontgaanH230; indien gij mij den droomH2493 en zijn uitleggingH6591 niet bekendH3046 maakt, gij zult in stukkenH1917 gehouwenH5648 worden, en uw huizenH1005 zullen tot een drekhoopH5122 gemaakt worden.
De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
KJV
The king2
answered1
and said3
to the Chaldeans,4
The thing5
is gone7
from me:6
if8
ye will not9
make known10
unto me the dream,11
with the interpretation12
thereof, ye shall be cut14
in pieces,13
and your houses15
shall be made17
a dunghill.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar indien gijlieden den droomH2493 en zijn uitleggingH6591 te kennenH2324 geeftH2324, zo zult gij geschenkenH4978 en gavenH5023, en grote eerH3367 van mij ontvangenH6902; daarom geeft mij den droomH2493 en zijn uitleggingH6591 te kennen.
Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.
KJV
But if1
ye shew4
the dream,2
and the interpretation3
thereof, ye shall receive9
of10
me11
gifts5
and rewards6
and great8
honour:7
therefore
shew15
me the dream,13
and the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij antwoorddenH6032 ten tweeden maleH8579, en zeidenH560: De koningH4430 zeggeH560 zijn knechtenH5649 den droomH2493, dan zullen wij de uitleggingH6591 te kennenH2324 geven.
Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.
KJV
They answered1
again2
and said,3
Let the king4
tell6
his servants7
the dream,5
and we will shew9
the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560: Ik weet vastelijkH4481, dat gijlieden den tijdH5732 uitkooptH2084, dewijl gij ziet, dat de zaakH4406 mij ontgaanH230 is.
De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
KJV
The king2
answered1
and said,3
I7
know6
of4
certainty5
that ye10
would gain11
the time,9
because13
ye see15
the thing19
is gone17
from
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Indien gijlieden mij dien droomH2493 niet te kennenH2324 geeft, ulieder vonnisH1882 is enerleiH1932; daarom hebt gij een leugenachtigH3538 en verdichtH7844 woordH4406 voor mij te zeggenH560 bereidH2164, totdat de tijdH5732 verandereH8133; daarom zegtH560 mij den droomH2493, dan zal ik wetenH3046, dat gij mij deszelfs uitleggingH6591 zult te kennenH3046 geven.
Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.
KJV
But if2
ye will not4
make known5
unto me the dream,3
there is but one7
decree8
for you: for ye have prepared12
lying10
and corrupt11
words9
to speak13
before14
me, till15
the time17
be changed:18
therefore
tell21
me the dream,20
and I shall know23
that1
ye can shew26
me the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De ChaldeenH3779 antwoorddenH6032 voor den koningH4430, en zeidenH560: Er is geen mensH606 op den aardbodemH3007, die des koningsH4430 woordH4406 zou kunnen te kennenH2324 geven; daarom is er geen koningH4430, grote of heerserH7990, die zulk een zaakH4406 begeerdH7593 heeft van enigenH3606 tovenaarH2749, of sterrekijkerH826, of ChaldeerH3779.
De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
KJV
The Chaldeans2
answered1
before3
the king,4
and said,5
There is7
not6
a man8
upon9
the earth10
that can14
shew15
the king's13
matter:12
therefore17
there is no25
king,20
lord,21
nor ruler,22
that asked26
such24
things23
at any16
magician,28
or astrologer,29
or Chaldean.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Want de zaakH4406 die de koningH4430 begeertH7593, is te zwaarH3358; en er is niemandH3809 andersH321, die dezelve voor den koningH4430 te kennenH2324 kan geven, dan de godenH426, welker woningH4070 bij het vleesH1321 niet is.
Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.
KJV
And it is a rare5
thing1
that the king3
requireth,4
and there is8
none7
other6
that can shew10
it before11
the king,12
except13
the gods,14
whose dwelling16
is20
not19
with17
flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Daarom werd de koningH4430 toornigH1149 en zeer verbolgenH7108, en zeideH560, dat men al de wijzenH2445 te BabelH895 zou ombrengenH7.
Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
KJV
For2
this3
cause1
the king4
was angry5
and very7
furious,6
and commanded8
to destroy9
all10
the wise11
men of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Die wetH1882 dan ging uit, en de wijzenH2445 werden gedoodH6992; men zochtH1156 ook DanielH1841 en zijn metgezellenH2269, om gedoodH6992 te worden.
Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden.
KJV
And the decree1
went forth2
that the wise3
men should be slain;4
and they sought5
Daniel6
and his fellows7
to be slain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen brachtH8421 DanielH1841 een raadH5843 en oordeelH2942 in, aan AriochH746, den oversteH7229 der trawantenH2877 des koningsH4430, die uitgetogenH5312 was, om de wijzenH2445 van BabelH895 te dodenH6992.
Toen bracht Daniel een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.
KJV
Then1
Daniel2
answered3
with counsel4
and wisdom5
to Arioch6
the captain7
of9
the king's10
guard,8
which was gone forth12
to slay13
the wise14
men of Babylon:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Hij antwoorddeH6032 en zeideH560 tot AriochH746, den bevelhebberH7990 des koningsH4430: Waarom zou de wetH1882 van 's koningsH4430 wegeH6925 zo verhaastH2685 worden? Toen gaf AriochH746 aan DanielH1841 de zaakH4406 te kennenH3046.
Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniel de zaak te kennen.
KJV
He answered1
and said2
to Arioch3
the king's6
captain,4
Why8
is the decree9
so hasty10
from11
the king?13
Then14
Arioch17
made the thing15
known16
to Daniel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En DanielH1841 ging in, en verzochtH1156 van den koningH4430, dat hij hem een bestemden tijdH2166 wildeH5415 geven, dat hij den koningH4430 de uitleggingH6591 te kennen gaveH2324.
En Daniel ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave.
KJV
Then Daniel1
went in,2
and desired3
of4
the king5
that he would give8
him time,7
and that he would shew11
the king12
the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Toen ging DanielH1841 naar zijn huisH1005, en hij gaf de zaakH4406 zijn metgezellenH2269, HananjaH2608, MisaelH4333, en AzarjaH5839 te kennenH3046;
Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;
KJV
Then1
Daniel2
went4
to his house,3
and made the thing9
known10
to Hananiah,5
Mishael,6
and Azariah,7
his companions:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Opdat zij van den GodH426 des hemelsH8065 barmhartighedenH7359 verzochtenH1156 over deze verborgenheidH7328, dat DanielH1841 en zijn metgezellenH2269 met de overigeH7606 wijzenH2445 van BabelH895 niet omkwamenH7.
Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
KJV
That they would desire2
mercies1
of3
the God5
of heaven6
concerning7
this9
secret;8
that Daniel13
and his fellows14
should not11
perish12
with15
the rest16
of the wise17
men of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Toen werd aan DanielH1841 in een nachtgezichtH3916 de verborgenheidH7328 geopenbaardH1541; toen loofdeH1289 DanielH1841 den GodH426 des hemelsH8065.
Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels.
KJV
Then1
was the secret6
revealed7
unto Daniel2
in a night5
vision.3
Then8
Daniel9
blessed10
the God11
of heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DanielH1841 antwoorddeH6032 en zeideH560: De NaamH8036 GodsH426 zij geloofdH1289 van eeuwigheidH5957 tot in eeuwigheidH5957, want Zijn is de wijsheidH2452 en de krachtH1370.
Daniel antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.
KJV
Daniel2
answered1
and said,3
Blessed8
be4
the name5
of God7
for9
ever10
and ever:11
for wisdom14
and might15
are
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Want Hij verandertH8133 de tijdenH5732 en stondenH2166; Hij zetH5709 de koningenH4430 af, en Hij bevestigtH6966 de koningenH4430; Hij geeftH3052 den wijzenH2445 wijsheidH2452, en wetenschapH4486 dengenen, die verstandH999 hebben;
Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
KJV
And he changeth2
the times3
and the seasons:4
he removeth5
kings,6
and setteth up7
kings:8
he giveth9
wisdom10
unto the wise,11
and knowledge12
to them that know13
understanding:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Hij openbaartH1541 diepeH5994 en verborgenH5642 dingen; Hij weet, wat in het duisterH2816 is, want het lichtH5094 woontH8271 bij Hem.
Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.
KJV
He revealeth2
the deep3
and secret things:4
he knoweth5
what6
is in the darkness,7
and the light8
dwelleth10
with him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Ik dankH3029 en ik loofH7624 U, o GodH426 mijner vaderenH2! omdat Gij mij wijsheidH2452 en krachtH1370 gegevenH3052 hebt, en mij nu bekendH3046 gemaakt hebt, wat wij van U verzochtH1156 hebben, want Gij hebt ons des koningsH4430 zaakH4406 bekendH3046 gemaakt.
Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.
KJV
I6
thank4
thee, and praise5
thee, O thou God2
of my fathers,3
who hast given10
me wisdom8
and might,9
and hast made known13
unto me now12
what we desired15
of thee:16
for thou hast now made known20
unto us the king's19
matter.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Daarom ging DanielH1841 in tot AriochH746, dien de koningH4430 gesteldH4483 had om de wijzenH2445 van BabelH895 om te brengenH7; hij ging henen en zeideH560 aldusH3652 tot hem: Breng de wijzenH2445 van BabelH895 niet om, maar breng mij in voor den koningH4430, en ik zal den koningH4430 de uitleggingH6591 te kennenH2324 geven.
Daarom ging Daniel in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.
Ook in dit vers
BrengH7
brengH5954
KJV
Therefore1
Daniel4
went in5
unto6
Arioch,7
whom the king10
had ordained9
to destroy11
the wise12
men of Babylon:13
he went14
and said16
thus15
unto him; Destroy21
not20
the wise18
men of Babylon:19
bring me in22
before23
the king,24
and I will shew27
unto the king26
the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Toen brachtH5954 AriochH746 met haastH927 DanielH1841 in voor den koningH4430, en hij sprakH560 alzo tot hem: Ik heb een manH1400 van de gevankelijkH1123 weggevoerden van JudaH3061 gevondenH7912, die den koningH4430 de uitleggingH6591 zal bekendH3046 maken.
Toen bracht Arioch met haast Daniel in voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken.
KJV
Then1
Arioch2
brought in4
Daniel5
before6
the king7
in haste,3
and said9
thus8
unto him, I have found12
a man13
of the captives15
of14
Judah,18
that will make known22
unto the king21
the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
De koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot DanielH1841, wiens naamH8036 BeltsazarH1096 was: Zijt gij machtigH3546 mij bekendH3046 te maken den droomH2493, dien ik gezien heb, en zijn uitleggingH6591?
De koning antwoordde en zeide tot Daniel, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijn uitlegging?
KJV
The king2
answered1
and said3
to Daniel,4
whose name6
was Belteshazzar,7
Art8
thou able9
to make known10
unto me the dream11
which I have seen,13
and the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
DanielH1841 antwoorddeH6032 voor den koningH4430, en zeideH560: De verborgenheidH7328, die de koningH4430 eistH7593, kunnen de wijzenH2445, de sterrekijkersH826, de tovenaarsH2749, en de waarzeggersH1505 den koningH4430 niet te kennenH2324 geven;
Daniel antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven;
KJV
Daniel2
answered1
in the presence3
of the king,4
and said,5
The secret6
which the king8
hath demanded9
cannot15
the wise11
men, the astrologers,12
the magicians,13
the soothsayers,14
shew16
unto the king;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar er is een GodH426 in den hemelH8065, Die verborgenhedenH7328 openbaartH1541, Die heeft den koningH4430 NebukadnezarH5020 bekendH3046 gemaakt, wat er geschiedenH1934 zal in het laatsteH320 der dagenH3118; uw droomH2493, en de gezichtenH2376 uws hoofdsH7217 op uw legerH4903, zijn deze:
Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
KJV
But1
there is2
a God3
in heaven4
that revealeth5
secrets,6
and maketh known7
to the king8
Nebuchadnezzar9
what10
shall be12
in the latter13
days.14
Thy dream,15
and the visions16
of thy head17
upon18
thy bed,19
are these;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Gij, o koningH4430! op uw legerH4903 zijnde, klommenH5559 uw gedachtenH7476 op, wat hiernaH311 geschiedenH1934 zou; en Hij, Die verborgenH7328 dingen openbaartH1541, heeft u te kennen gegevenH3046, wat er geschiedenH1934 zal.
Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.
KJV
As for thee,1
O king,2
thy thoughts3
came6
into thy mind upon4
thy bed,5
what7
should come to pass9
hereafter:10
and he that revealeth12
secrets13
maketh known14
to thee what15
shall come to pass.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Mij nu, mij is de verborgenheidH7328 geopenbaardH1541, niet door wijsheidH2452, die in mij is boven alle levendenH2417; maar daarom, opdat men den koningH4430 de uitleggingH6591 zou bekendH3046 maken, en opdat gij de gedachtenH7476 uws hartenH3825 zoudt wetenH3046.
Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom, opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.
KJV
But as for me,1
this11
secret10
is not2
revealed12
to me for any wisdom3
that I have5
more than7
any8
living,9
but14
for their sakes16
that15
shall make known20
the interpretation18
to the king,19
and that thou mightest know23
the thoughts21
of thy heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Gij, o koningH4430! zaagtH1934, en ziet, er was een groot beeldH6755 (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glansH2122 was uitnemend), staandeH6966 tegen u over; en zijn gedaanteH7299 was schrikkelijkH1763.
Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
KJV
Thou,1
O king,2
sawest,4
and behold5
a great7
image.6
This10
great11
image,9
whose brightness12
was excellent,13
stood14
before15
thee; and the form16
thereof was terrible.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Het hoofdH7217 van dit beeldH6755 was van goedH2869 goudH1722; zijn borstH2306 en zijn armenH1872 van zilverH3702; zijn buikH4577 en zijn dijenH3410 van koperH5174;
Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
KJV
This image's2
head3
was of fine6
gold,5
his breast7
and his arms8
of silver,10
his belly11
and his thighs12
of brass,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Zijn schenkelenH8243 van ijzerH6523; zijn voetenH7271 eensdeelsH4481 van ijzerH6523, en eensdeelsH4481 van leemH2635.
Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.
KJV
His legs1
of iron,3
his feet4
part5
of iron7
and part8
of clay.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Dit zaagtH2370 gij, totdat er een steenH69 afgehouwenH1505 werd zonder handenH3028, die sloegH4223 dat beeldH6755 aan zijn voetenH7271 van ijzerH6523 en leemH2635, en vermaaldeH1855 ze.
Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
KJV
Thou sawest1
till3
that a stone6
was cut out5
without8
hands,9
which smote10
the image11
upon12
his feet13
that were of iron15
and clay,16
and brake17
them18
to pieces.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Toen werden te zamenH2298 vermaaldH1855 het ijzerH6523, leemH2635, koperH5174, zilverH3702 en goudH1722, en zij werden gelijk kafH5784 van de dorsvloerenH147 des zomersH7007, en de windH7308 namH5376 ze wegH5376, en er werd geen plaatsH3606 voor dezelve gevondenH7912; maar de steenH69, die het beeldH6755 geslagenH4223 heeft, werd tot een groten bergH2906, alzo dat hij de gehele aardeH772 vervuldeH4391.
Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.
KJV
Then1
was the iron,4
the clay,5
the brass,6
the silver,7
and the gold,8
broken to pieces2
together,3
and became9
like the chaff10
of11
the summer13
threshingfloors;12
and the wind16
carried14
them15
away,
that17
no19
place18
was found20
for them: and the stone22
that smote24
the image25
became26
a great28
mountain,27
and filled29
the whole30
earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Dit is de droomH2493; zijn uitleggingH6591 nu zullen wij voor de koningH4430 zeggenH560.
Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen.
KJV
This1
is the dream;2
and we will tell4
the interpretation3
thereof before5
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Gij, o koningH4430! zijt een koningH4430 der koningenH4430; want de GodH426 des hemelsH8065 heeft u een koninkrijkH4437, machtH2632, en sterkteH8632, en eerH3367 gegevenH3052;
Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;
KJV
Thou,1
O king,2
art a king3
of kings:4
for the God6
of heaven7
hath given12
thee a kingdom,8
power,9
and strength,10
and glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
En overalH3606, waar mensenkinderenH1123 wonenH1753, heeft Hij de beestenH2423 des veldsH1251 en de vogelenH5776 des hemelsH8065 in uw handH3028 gegevenH3052; en Hij heeft u gesteldH3606 tot een heerserH7981 over al dezelve; gij zijt dat goudenH1722 hoofdH7217.
En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.
KJV
And wheresoever1
the children4
of men5
dwell,3
the beasts6
of the field7
and the fowls8
of the heaven9
hath he given10
into thine hand,11
and hath made thee ruler12
over them all.13
Thou14
art this head16
of gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
En na u zal een anderH317 koninkrijkH4437 opstaanH6966, lagerH772 dan het uwe; daarna een anderH317, het derdeH8523 koninkrijkH4437 van koperH5174, hetwelk heersenH7981 zal over de gehele aardeH772.
En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.
KJV
And after1
thee shall arise2
another4
kingdom3
inferior5
to thee,6
and another9
third8
kingdom7
of brass,11
which shall bear rule13
over all14
the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En het vierdeH7244 koninkrijkH4437 zal hardH8624 zijn, gelijk ijzerH6523; aangezien het ijzerH6523 allesH3606 vermaaltH1855 en verzwaktH2827; gelijk nu het ijzerH6523, dat zulks allesH3606 verbreektH7490, alzo zal het vermalenH1855 en verbrekenH7490.
En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.
KJV
And the fourth2
kingdom1
shall be3
strong4
as iron:5
forasmuch as iron9
breaketh in pieces10
and subdueth11
all6
things: and as7
iron13
that breaketh15
all12
these,17
shall it break in pieces18
and bruise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En dat gij gezien hebt de voetenH7271 en de tenenH677, ten deleH4481 van pottenbakkersleemH6353, en ten deleH4481 van ijzerH6523, dat zal een gedeeldH6386 koninkrijkH4437 zijn, doch daar zal van des ijzersH6523 vastigheidH5326 in zijn, ten welken aanzienH6903 gij gezien hebt ijzerH6523 vermengdH6151 met modderigH2917 leemH2635;
En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;
KJV
And whereas thou sawest2
the feet3
and toes,4
part5
of potters'8
clay,6
and part9
of iron,10
the kingdom11
shall be13
divided;12
but14
there shall be18
in it of
the strength15
of the iron,17
forasmuch as20
thou sawest23
the iron24
mixed25
with miry27
clay.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
En de tenenH677 der voetenH7271, ten deleH4481 ijzerH6523, en ten deleH4481 leemH2635; dat koninkrijkH4437 zal ten deleH4481 hardH8624 zijn, en ten deleH4481 broosH8406.
En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
KJV
And as the toes1
of the feet2
were part3
of iron,4
and part5
of clay,6
so the kingdom9
shall be10
partly7
strong,11
and partly12
broken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
En dat gij gezien hebt ijzerH6523 vermengdH6151 met modderigH2917 leemH2635, zij zullen zich wel door menselijkH606 zaadH2234 vermengenH1934, maar zij zullen de een aan den anderH1836 niet hechtenH1693, gelijk als zich ijzerH6523 met leemH2635 niet vermengtH6151.
En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
KJV
And whereas1
thou sawest2
iron3
mixed4
with miry6
clay,5
they shall mingle themselves8
with the seed9
of men:10
but they shall12
not11
cleave13
one14
to15
another,16
even17
as iron19
is not20
mixed7
with clay.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
Doch in de dagenH3118 van die koningenH4430 zal de GodH426 des hemelsH8065 een KoninkrijkH4437 verwekkenH6966, dat in der eeuwigheidH5957 niet zal verstoordH2255 worden; en dat KoninkrijkH4437 zal aan geen anderH321 volkH5972 overgelatenH7662 worden; het zal al die koninkrijkenH4437 vermalenH1855, en te niet doen, maar zelfH1932 zal het in alle eeuwigheidH5957 bestaanH6966.
Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
KJV
And in the days1
of these4
kings3
shall the God6
of heaven7
set up5
a kingdom,8
which shall never10
be destroyed:12
and the kingdom13
shall not11
be left17
to other15
people,14
but it shall break in pieces18
and consume19
all20
these21
kingdoms,22
and it23
shall stand24
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
Daarom hebt gij gezien, dat uit den bergH2906 een steenH69 zonder handenH3028 afgehouwenH1505 is geworden, die het ijzerH6523, koperH5174, leemH2635, zilverH3702 en goudH1722 vermaaldeH1855; de grote GodH426 heeft den koningH4430 bekendH3046 gemaakt, wat hiernaH311 geschiedenH1934 zal; de droomH2493 nu is gewisH3330, en zijn uitleggingH6591 is zekerH540.
Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.
KJV
Forasmuch as1
thou sawest4
that the stone8
was cut out7
of the mountain6
without10
hands,11
and that it brake in pieces12
the iron,13
the brass,14
the clay,15
the silver,16
and the gold;17
the great19
God18
hath made known20
to the king21
what22
shall come to pass24
hereafter:25
and the dream28
is certain,27
and the interpretation30
thereof sure.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
Toen vielH5308 de koningH4430 NebukadnezarH5020 op zijn aangezichtH600, en aanbadH5457 DanielH1841; en hij zeideH560, dat men hem met spijsofferH4504 en liefelijk reukwerkH5208 een drankofferH5260 doen zou.
Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniel; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.
KJV
Then1
the king2
Nebuchadnezzar3
fell4
upon5
his face,6
and worshipped8
Daniel,7
and commanded11
that they should offer12
an oblation9
and sweet odours
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
De koningH4430 antwoorddeH6032 DanielH1841 en zeideH560: Het is de waarheidH7187, dat ulieder GodH426 een GodH426 der godenH426 is, en een HeereH4756 der koningenH4430, en Die de verborgenhedenH7328 openbaartH1541, dewijl gij deze verborgenheidH7328 hebt kunnen openbarenH1541.
De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.
KJV
The king2
answered1
unto Daniel,3
and said,4
Of5
a truth6
it is, that7
your God8
is a God10
of gods,11
and a Lord12
of kings,13
and a revealer14
of secrets,15
seeing thou couldest17
reveal18
this20
secret.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
Toen maakte de koningH4430 DanielH1841 groot, en hij gaf hem veleH7690 grote geschenkenH4978, en hij stelde hem tot een heerserH7981 over het ganse landschapH4083 van BabelH895, en een oversteH7229 der overhedenH5460 over al de wijzenH2445 van BabelH895.
Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.
KJV
Then1
the king2
made4
Daniel3
a great man,
and gave8
him many7
great6
gifts,5
and made him ruler10
over11
the whole12
province13
of Babylon,14
and chief15
of the governors16
over17
all18
the wise19
men of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
Toen verzochtH1156 DanielH1841 van den koningH4430; en hij steldeH4483 SadrachH7715, MesachH4336 en Abed-negoH5665 over de bedieningH5673 van het landschapH4083 van BabelH895; maar DanielH1841 bleef aan de poortH8651 des koningsH4430.
Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel bleef aan de poort des konings.
KJV
Then Daniel1
requested2
of3
the king,4
and he set5
Shadrach,11
Meshach,12
and Abednego,13
over6
the affairs7
of the province9
of Babylon:10
but Daniel15
sat in the gate16
of the king.
tweede jaar
Dat is niet te verstaan van het tweede jaar, in hetwelk Nebukadnezar heeft begonnen te regeren, want Daniël wordt hier met de wijzen te Babel gezocht om gedood te worden, onder welken hij niet is gerekend geworden, dan nadat hij drie jaren in het hof van Nebukadnezar was opgevoed en in de schrift der Chaldeën onderwezen geweest. Men kan dit verstaan van het tweede jaar der absolute regering van Nebukadnezar, zijn vader dood zijnde, en hij nu alleen regerende over de gehele monarchie van Babylonië, nadat hij overwinnend uit Egypte en het Joodse land was wedergekomen, en nu in vrede over hetzelve regeerde.
Hertaald:
tweede jaar
Dit moet niet verstaan worden van het tweede jaar waarin Nebukadnezar begonnen is te regeren. Want Daniël wordt hier samen met de wijzen van Babel gezocht om gedood te worden, terwijl hij pas onder hen gerekend werd nadat hij drie jaar aan het hof van Nebukadnezar was opgevoed en in de geschriften van de Chaldeeën onderwezen was. Men kan dit verstaan van het tweede jaar van de volstrekte regering van Nebukadnezar, toen zijn vader gestorven was en hij alleen over de hele monarchie van Babylonië regeerde, nadat hij als overwinnaar uit Egypte en het Joodse land teruggekeerd was en er nu in vrede over regeerde.
des koninkrijks van Nebukadnezar,
Niet van het rijk van Cyrus, maar van Nebukadnezar; want dit wordt hier alleen tot onderscheiding bijgevoegd, dewijl van den koning Cyrus in Dan. 1:21 was gewag gemaakt, dat niemand mene dat deze geschiedenis voorgevallen is in Cyrus' rijk.
Hertaald:
des koninkrijks van Nebukadnezar,
Niet van het rijk van Kores, maar van Nebukadnezar. Dat wordt hier alleen ter onderscheiding toegevoegd, omdat in Dan. 1:21 koning Kores genoemd was en niemand zou moeten menen dat deze geschiedenis in het rijk van Kores plaatsvond.
dromen;
Aldus spreekt de profeet, omdat ofschoon het maar een droom geweest is, toch worden in denzelven vele delen of stukken verhaald, gelijk Dan. 2:31 , enz. te zien is. Anders: dromen; dat is, een bijzonderen en voortreffelijken droom.
Hertaald:
dromen;
Zo spreekt de profeet, omdat er weliswaar maar één droom was, maar daarin toch veel onderdelen verteld worden, zoals in Dan. 2:31 en volgende te zien is. Anders: dromen, dat is: een bijzondere en voortreffelijke droom.
verslagen,
Hieruit heeft de koning vernomen en kunnen oordelen, dat het een buitengewone droom was, dien God hem had ingegeven, gelijk van Jozef, Gen 37 ; van den schenkers en bakkers, Gen. 40:6 ; van Farao, Gen 41 ; van Abimelech, Gen. 20:3 ; van Laban, Gen 31 ; zie de aantekening Gen. 40:6 , en zie van het Hebreeuwse woord Richt. 13:25 ; vergelijk Gen. 41:8 .
Hertaald:
verslagen,
Hieruit heeft de koning begrepen en kunnen opmaken dat het een buitengewone droom was die God hem ingegeven had, zoals bij Jozef (Gen. 37), bij de schenker en de bakker (Gen. 40:6), bij Farao (Gen. 41), bij Abimelech (Gen. 20:3) en bij Laban (Gen. 31); zie de aantekening bij Gen. 40:6, en zie over het Hebreeuwse woord Richt. 13:25; vergelijk Gen. 41:8.
werd in hem gebroken
Of, als zijn slaap in hem was; dat is, toen hij nog sliep.
Hertaald:
werd in hem gebroken
Of: toen zijn slaap nog op hem was; dat is: terwijl hij nog sliep.
zeide de koning,
Dat is, gebood; gelijk Dan. 1:3 .
Hertaald:
zeide de koning,
Dat is: gebood, zoals Dan. 1:3.
de tovenaars,
Zie de aantekening Gen. 41:8 .
Hertaald:
de tovenaars,
Zie de aantekening bij Gen. 41:8.
guichelaars,
Zie Ex. 7:11 .
Hertaald:
guichelaars,
Zie Ex. 7:11.
Chaldeën,
Dit was in die tijden een erenaam, alsof zij al de wijsheid en wetenschap alleen gehad hadden, en dat in andere landen of mensen gene wijsheid ware te vinden geweest.
Hertaald:
Chaldeën,
Dat was in die tijd een erenaam, alsof zij als enigen alle wijsheid en wetenschap bezaten en er in andere landen of bij andere mensen geen wijsheid te vinden was.
te kennen te geven;
Versta hierbij: en daarna uit te leggen, vs.5.
Hertaald:
te kennen te geven;
Vul hierbij aan: en daarna uit te leggen, vers 5.
om dien droom te weten
Dit is een kort afgebroken rede in verbaasdheid gesproken, die op deze of dergelijke wijze kan vol gemaakt worden: en ik ben begerig om dien droom te weten.
Hertaald:
om dien droom te weten
Dit is een korte, afgebroken zin die in verbijstering uitgesproken is en die op deze of soortgelijke wijze aangevuld kan worden: en ik verlang die droom te weten.
de Chaldeën,
Onder dezen naam moet men hier verstaan al die soorten van tovenaars, waar vs.2 van gesproken is.
Hertaald:
de Chaldeën,
Onder deze naam moet men hier alle soorten tovenaars verstaan waarover in vers 2 gesproken is.
in het Syrisch
Hebreeuws, in het Aramisch. Want Aram is Syrië; zie de aantekening 2 Sam. 8:5 . De Syrische taal was ook de taal der Chaldeën en der Babyloniërs en zij was in die tijden zeer algemeen in al de Oosterse landen.
Hertaald:
in het Syrisch
Hebreeuws: in het Aramees. Want Aram is Syrië; zie de aantekening bij 2 Sam. 8:5. De Syrische taal was ook de taal van de Chaldeeën en de Babyloniërs en zij was in die tijd zeer algemeen in alle oosterse landen.
O koning,
Van hier af tot het einde van Dan 7 is de tekst Chaldeeuws of Babylonisch.
Hertaald:
O koning,
Vanaf hier tot het einde van Dan. 7 is de tekst Chaldeeuws of Babylonisch.
eeuwigheid
Dat is, lang en gelukkig. Vergelijk 1 Kon. 1:31 , met de aantekening. Hebreeuws, in eeuwigheden.
Hertaald:
eeuwigheid
Dat is: lang en gelukkig. Vergelijk 1 Kon. 1:31, met de aantekening. Hebreeuws: in eeuwigheden.
uw knechten den droom,
Dat is ons, die uwe knechten zijn.
Hertaald:
uw knechten den droom,
Dat is: ons, die uw knechten zijn.
zo zullen wij de uitlegging te kennen geven
Deze belofte is al te stout, te beloven de uitlegging van een droom eer zij hem gehoord hadden.
Hertaald:
zo zullen wij de uitlegging te kennen geven
Deze belofte is al te stoutmoedig: de uitlegging van een droom beloven voordat zij die gehoord hadden.
De zaak is mij ontgaan;
Dat is, ik heb vergeten wat ik gedroomd heb, gelijk vs.8. Anders: daar gaat een bevel van mij uit, te weten hetgeen hier volgt, tenzij dat gij, enz. en alzo vs.8.
Hertaald:
De zaak is mij ontgaan;
Dat is: ik ben vergeten wat ik gedroomd heb, zoals vers 8. Anders: er gaat een bevel van mij uit, namelijk wat hier volgt: tenzij u, enzovoort; zo ook vers 8.
gij zult in stukken gehouwen worden,
Chaldeeuws, gij zult [tot] stukken gemaakt worden; dat is, gij zult in stukken gekapt of gehouwen worden. Dit was in zichzelven een gans onrechtvaardige begeerte, en zulk een dreigement gans tirannisch; want welk mens is er, die van een ander mens zijn droom kan weten? Nochtans, dewijl deze sterrenkijkers zich beroemden uit den loop des hemels verborgen dingen, ook toekomenden te kunnen weten en voorzeggen, zo eist de koning hier niets meer van hen, dan zijzelf vermaten te kunnen doen, God deze zaak alzo door zijne voorzienigheid besturende, opdat de ijdelheid van hun hoge beroeming zou openbaar worden.
Hertaald:
gij zult in stukken gehouwen worden,
Chaldeeuws: u zult tot stukken gemaakt worden; dat is: u zult in stukken gekapt of gehouwen worden. Dit was op zichzelf een volstrekt onrechtvaardige eis en zo'n bedreiging is louter tirannie, want welk mens kan de droom van een ander mens weten? Maar deze sterrenwichelaars beroemden zich erop dat zij uit de loop van de hemel verborgen en zelfs toekomstige dingen konden weten en voorzeggen; de koning eist hier dus niets meer van hen dan zij zichzelf toeschreven. God bestuurde deze zaak door Zijn voorzienigheid zo, dat de ijdelheid van hun hoge bewering openbaar zou worden.
drekhoop gemaakt worden
Of, mesthoop, privaat, alzo Dan. 3:29 , en Ezra 6:11 .
Hertaald:
drekhoop gemaakt worden
Of: mesthoop, privaat; zo ook Dan. 3:29 en Ezra 6:11.
gaven,
Het Chaldeeuwse woord betekent een overvloedige of overdadige verering als men geen geld spaart. Hieruit blijkt hoe groot dat des konings begeerte was om dezen droom te weten.
Hertaald:
gaven,
Het Chaldeeuwse woord duidt een overvloedige of overdadige beloning aan, waarbij men geen geld spaart. Hieruit blijkt hoe groot het verlangen van de koning was om deze droom te weten.
grote eer van mij ontvangen;
Of, veel heerlijkheid; te weten verhoging van bezoldigingen, privilegiën, vrijheden, vereringen.
Hertaald:
grote eer van mij ontvangen;
Of: veel heerlijkheid, namelijk verhoging van bezoldiging, voorrechten, vrijheden en beloningen.
vastelijk,
Chaldeeuws, uit vaste; dat is, zekerlijk, voorzeker.
Hertaald:
vastelijk,
Chaldeeuws: uit vaste; dat is: zeker, voorzeker.
den tijd uitkoopt,
Dat is, uitstel zoekt, tijd zoekt te winnen en mijn begeerte uit te stellen zolang als het ulieden goeddunken zal.
Hertaald:
den tijd uitkoopt,
Dat is: uitstel zoekt, tijd probeert te winnen en mijn verlangen zolang probeert uit te stellen als het u goeddunkt.
de zaak mij ontgaan is
Chaldeeuws, het woord; zie boven de aantekening vs.5.
Hertaald:
de zaak mij ontgaan is
Chaldeeuws: het woord; zie hierboven de aantekening bij vers 5.
dien droom niet te kennen geeft,
Versta hierbij, met zijne uitlegging.
Hertaald:
dien droom niet te kennen geeft,
Vul hierbij aan: met zijn uitlegging.
vonnis is enerlei;
Chaldeeuws, wet; vergelijk Est. 4:11 . Alsof de koning zeide: Gij weet wel wat vonnis er alreeds over ulieden uitgesproken is, te weten dat gij zult in stukken gehouwen worden, vs.5, daarom hebt gij, enz.
Hertaald:
vonnis is enerlei;
Chaldeeuws: wet; vergelijk Est. 4:11. Alsof de koning zei: u weet wel welk vonnis er al over u uitgesproken is, namelijk dat u in stukken gehouwen zult worden (vers 5); daarom hebt u, enzovoort.
totdat de tijd verandere;
Dat is, totdat ik met langheid van tijd vergeet ulieden aan te porren, en gij middelerwijl ontkomen mocht.
Hertaald:
totdat de tijd verandere;
Dat is: totdat ik na verloop van tijd vergeet u aan te sporen en u ondertussen zou kunnen ontkomen.
voor den koning,
Dat is, in de tegenwoordigheid van den koning, of voor het aangezicht van den koning, gelijk vs.11.
Hertaald:
voor den koning,
Dat is: in tegenwoordigheid van de koning, of voor het aangezicht van de koning, zoals vers 11.
Er is geen mens
Zij brengen drie redenen van verontschuldiging bij: 1. dat het den mens onmogelijk is; 2. dat nooit een koning zulks geëist heeft; 3. dat het alleen den goden toekomt te weten hetgeen de koning van hen begeerde te weten.
Hertaald:
Er is geen mens
Zij voeren drie redenen tot verontschuldiging aan: ten eerste dat het voor een mens onmogelijk is; ten tweede dat nooit een koning zoiets geëist heeft; ten derde dat het alleen aan de goden toekomt te weten wat de koning van hen wilde weten.
op den aardbodem,
Chaldeeuws, op het droge; gelijk Gen. 1:10 .
Hertaald:
op den aardbodem,
Chaldeeuws: op het droge, zoals Gen. 1:10.
woord zou kunnen te kennen geven;
Dat is, hetgeen de koning begeert te weten.
Hertaald:
woord zou kunnen te kennen geven;
Dat is: wat de koning wil weten.
grote of heerser,
Het Chaldeeuws woord betekent een die groot is in macht of eer, of enige andere zaak.
Hertaald:
grote of heerser,
Het Chaldeeuwse woord duidt iemand aan die groot is in macht, in eer of in enig ander opzicht.
is te zwaar;
Chaldeeuws, is te dierbaar, te kostelijk, dat is, zij wordt onder de mensen niet gevonden.
Hertaald:
is te zwaar;
Chaldeeuws: is te kostbaar, te zeldzaam; dat is: zij wordt onder de mensen niet gevonden.
de goden,
Dat is gesproken naar de wijze der heidenen, die vele goden hadden.
Hertaald:
de goden,
Dat is gesproken naar de gewoonte van de heidenen, die veel goden hadden.
bij het vlees niet is
Dat is, bij de mensen, die met vlees en bloed bekleed zijn.
Hertaald:
bij het vlees niet is
Dat is: bij de mensen, die met vlees en bloed bekleed zijn.
Daarom werd de koning toornig
Eensdeels, omdat zij des konings begeerte niet konden voldoen; anderdeels, omdat zij den koning genoegzaam van tirannie beschuldigden, omdat hij zulke onmogelijke, ongehoorde, ja goddelijke dingen van hen wilde weten.
Hertaald:
Daarom werd de koning toornig
Enerzijds omdat zij niet aan zijn verlangen konden voldoen, anderzijds omdat zij de koning in feite van tirannie beschuldigden, omdat hij zulke onmogelijke, ongehoorde, ja goddelijke dingen van hen wilde weten.
zeide,
Dat is, gebood.
Hertaald:
zeide,
Dat is: gebood.
wet dan ging uit,
Vonnis, oordeel, sententie.
Hertaald:
wet dan ging uit,
Vonnis, oordeel, uitspraak.
de wijzen werden gedood;
Eenigen der wijzen. Daniël heeft verhinderd dat zij allen zijn gedood geworden, maar het vonnis was aan enigen al ten uitvoer gebracht eer Daniël tevoorschijn kwam.
Hertaald:
de wijzen werden gedood;
Enkelen van de wijzen. Daniël heeft verhinderd dat zij allen gedood werden, maar het vonnis was al aan enkelen voltrokken voordat Daniël naar voren kwam.
men zocht ook Daniël en zijn metgezellen,
Hieruit is af te nemen dat Daniël en zijne metgezellen niet zijn geweest in het gezelschap der Chaldeeuwse tovenaars, toen die voor den koning kwamen.
Hertaald:
men zocht ook Daniël en zijn metgezellen,
Hieruit is af te leiden dat Daniël en zijn metgezellen niet in het gezelschap van de Chaldeeuwse tovenaars geweest zijn toen die bij de koning kwamen.
Toen bracht Daniël een raad en oordeel in,
Anders: toen antwoordde Daniël aan Arioch met raad en wijsheid. Anders: toen schortte Daniël het besluit en den last, welke aan Arioch gegeven was. Anders: toen antwoordde Daniël een raad en voorzichtigheid, dat is, een voorzichtigen raad.
Hertaald:
Toen bracht Daniël een raad en oordeel in,
Anders: toen antwoordde Daniël Arioch met raad en wijsheid. Anders: toen hield Daniël het besluit en de opdracht tegen die aan Arioch gegeven was. Anders: toen gaf Daniël een raad en voorzichtigheid, dat is: een voorzichtige raad.
den overste der trawanten des konings,
Zie de aantekening Gen. 37:36 .
Hertaald:
den overste der trawanten des konings,
Zie de aantekening bij Gen. 37:36.
Hij antwoordde en zeide tot Arioch,
Dat is, hij sprak, of hij hief zijne rede op. Aldus wordt het woord antwoorden dikwijls genomen; zie Richt. 18:14 .
Hertaald:
Hij antwoordde en zeide tot Arioch,
Dat is: hij sprak, of hij nam het woord. Zo wordt het woord antwoorden vaak opgevat; zie Richt. 18:14.
den bevelhebber des konings
Chaldeeuws, heerser. Hetwelk hier zoveel is als een geweldhebber of overste van des konings garde, gelijk vs.10.
Hertaald:
den bevelhebber des konings
Chaldeeuws: heerser. Dat is hier zoveel als een bevelhebber of overste van de lijfwacht van de koning, zoals vers 10.
Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden?
Dat is, welke reden is er, dat men dus haastelijk met het doden der wijzen voortvaart? En zou het uitvoeren van dit vonnis niet nog wat kunnen of mogen opgeschort worden? Chaldeeuws, waarom haast deze wet, of dit vonnis van het aangezicht des konings?
Hertaald:
Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden?
Dat is: welke reden is er dat men zo haastig voortgaat met het doden van de wijzen? En zou de uitvoering van dit vonnis niet nog wat kunnen worden uitgesteld? Chaldeeuws: waarom haast deze wet of dit vonnis van het aangezicht van de koning?
Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen
Hieruit blijkt dat Daniël niet is ontboden geweest met de tovenaars, enz. De Heere heeft niet gewild dat zijne dienaars onder de dienaars van den duivel gemengd of gerekend zouden worden, tot verkleining of verdonkering van de eer zijner heilige majesteit.
Hertaald:
Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen
Hieruit blijkt dat Daniël niet samen met de tovenaars ontboden was. De HEERE heeft niet gewild dat Zijn dienaars onder de dienaars van de duivel gemengd of gerekend zouden worden, tot verkleining of verduistering van de eer van Zijn heilige majesteit.
En Daniël ging in,
Versta dit alzo, dat Daniël in het paleis van den koning gegaan is, en door een van de voornaamste hovelingen verzocht heeft, dat hem een zekere tijd moch gesteld worden om den koning den droom en de uitlegging te kennen te geven, maar zelf is hij voor ditmaal tot den koning niet ingegaan en heeft hem niet gesproken; want vs.25 staat, dat Daniël door Arioch tot den koning is gebracht.
Hertaald:
En Daniël ging in,
Versta dit zo dat Daniël het paleis van de koning binnenging en door een van de voornaamste hovelingen liet vragen of hem een bepaalde tijd gegeven mocht worden om de koning de droom en de uitlegging bekend te maken. Zelf is hij ditmaal niet bij de koning binnengegaan en heeft hij hem niet gesproken, want in vers 25 staat dat Daniël door Arioch bij de koning gebracht is.
hij gaf de zaak zijn metgezellen,
Te weten tot dat einde, opdat zij met hem God zouden bidden, dat Hij hem den droom en de uitlegging zou willen openbaren; zie vs.23, 30. Ofschoon Daniël zijne metgezellen in wijsheid en verstand verre teboven ging, zo veracht hij hen nochtans niet, maar hij verzoekt dat zij hunne gebeden, tot de zijne zouden willen voegen, gelijk Paulus ook gedaan heeft; Rom. 15:30 ; 2 Kor. 1:11 ; Fil. 1:19 .
Hertaald:
hij gaf de zaak zijn metgezellen,
Namelijk met dit doel: dat zij samen met hem God zouden bidden of Hij hem de droom en de uitlegging wilde openbaren; zie vers 23 en 30. Hoewel Daniël zijn metgezellen in wijsheid en verstand ver overtrof, veracht hij hen toch niet, maar vraagt hij of zij hun gebeden bij de zijne willen voegen, zoals ook Paulus gedaan heeft; Rom. 15:30; 2 Kor. 1:11; Filipp. 1:19.
van den God des hemels
Chaldeeuws, van het aangezicht des hemels.
Hertaald:
van den God des hemels
Chaldeeuws: van het aangezicht van de hemel.
barmhartigheden verzochten
Alhoewel deze mannen zo uitnemend waren in godzaligheid, zo wenden zij gene verdiensten voor, om welker wil zij de openbaring dezer verborgenheden zouden verdienen.
Hertaald:
barmhartigheden verzochten
Hoewel deze mannen zo uitnemend waren in godzaligheid, voeren zij geen verdiensten aan waarom zij de openbaring van deze verborgenheden zouden verdienen.
in een nachtgezicht
In den slaap, of wakker zijnde.
Hertaald:
in een nachtgezicht
In de slaap, of in wakende toestand.
loofde Daniël den God des hemels
Hebreeuws, zegende, gelijk Gen. 14:20 , en elders.
Hertaald:
loofde Daniël den God des hemels
Hebreeuws: zegende, zoals Gen. 14:20 en elders.
antwoordde en zeide
Zie boven vs.15.
Hertaald:
antwoordde en zeide
Zie hierboven vers 15.
De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid,
Dat is, God de Heere, gelijk Ps. 7:18 , en Ps. 113:2 , en Ps. 115:1 , en Ps. 116:4 .
Hertaald:
De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid,
Dat is: God de HEERE, zoals Ps. 7:18, Ps. 113:2, Ps. 115:1 en Ps. 116:4.
Zijn is de wijsheid en de kracht
Zodat zijn voornemen op generlei wijze kan tegenstaan of belet worden.
Hertaald:
Zijn is de wijsheid en de kracht
Zodat Zijn voornemen op geen enkele manier weerstaan of verhinderd kan worden.
Hij verandert de tijden en stonden;
Dat is, Hij ordineert, bestuurt en regeert al de zaken, die in de wereld geschieden, naar zijn believen en goddelijke almacht; alzo dat alle ding, persoon en wat het wezen moge, zijn zekeren bestemden tijd van God verordineerd is, wanneer, hoe, door wien, dit of dat onfeilbaarlijk geschieden zal, ofschoon het alle mensen en duivels zochten te verhinderen; vergelijk Pred. 3:1 .
Hertaald:
Hij verandert de tijden en stonden;
Dat is: Hij verordent, bestuurt en regeert alles wat er in de wereld gebeurt naar Zijn welbehagen en goddelijke almacht, zodat voor elk ding en elke persoon, wat het ook is, door God een vaste tijd bepaald is waarop, hoe en door wie dit of dat onfeilbaar gebeuren zal — ook al zouden alle mensen en duivels het proberen te verhinderen; vergelijk Pred. 3:1.
zet de koningen af,
Of, verzet. Chaldeeuws, die de koningen overzet; te weten van een hogen tot een nederen staat, ja ook van het leven in het graf. Anders: Hij doet hen voorbijgaan, Hij neemt hen weg. Zie de voorbeelden van Nebukadnezar en Belsazar, in dit boek, en vergelijk met deze plaats Job 12:18 .
Hertaald:
zet de koningen af,
Of: verzet. Chaldeeuws: Die de koningen overzet, namelijk van een hoge naar een lage staat, ja zelfs van het leven in het graf. Anders: Hij doet hen voorbijgaan, Hij neemt hen weg. Zie de voorbeelden van Nebukadnezar en Belsazar in dit boek, en vergelijk met deze plaats Job 12:18.
bevestigt de koningen;
Of, zet in; te weten in hun koninklijke waardigheid; zie Ps. 75:7 , en Job 34:24 .
Hertaald:
bevestigt de koningen;
Of: zet aan, namelijk in hun koninklijke waardigheid; zie Ps. 75:7 en Job 34:24.
die verstand hebben;
Chaldeeuws, die verstand kennen, of weten; zie Jak. 1:5 , Jak. 1:17 .
Hertaald:
die verstand hebben;
Chaldeeuws: die verstand kennen of weten; zie Jak. 1:5, Jak. 1:17.
diepe en verborgen dingen;
Dat is, hetgeen de mensen niet zouden kunnen verstaan of doorgronden, tenware Hij hun verstand door de werking van zijn Heiligen Geest verlicht.
Hertaald:
diepe en verborgen dingen;
Dat is: wat de mensen niet zouden kunnen begrijpen of doorgronden, tenzij Hij hun verstand door de werking van Zijn Heilige Geest verlicht.
Hij weet, wat in het duister is,
De zin is, daar is geen ding zo verborgen, of het is voor zijne ogen openbaar; zie Hebr. 4:13 . Ja, Hij weet ook alle toekomende dingen.
Hertaald:
Hij weet, wat in het duister is,
De betekenis is: er is niets zo verborgen of het is voor Zijn ogen openbaar; zie Hebr. 4:13. Ja, Hij weet ook alle toekomende dingen.
het licht woont bij Hem
De Heilige Schrift getuigt dat God het licht zelf is, 1 Joh. 1:5 ; dat Hij in het licht is, 1 Joh. 1:7 ; dat Hij woont in het licht waar niemand toe komen kan; 1 Tim. 6:16 ; zodat voor zijne ogen geen ding duister of verborgen is.
Hertaald:
het licht woont bij Hem
De Heilige Schrift getuigt dat God het licht Zelf is (1 Joh. 1:5), dat Hij in het licht is (1 Joh. 1:7) en dat Hij woont in een ontoegankelijk licht (1 Tim. 6:16), zodat voor Zijn ogen niets duister of verborgen is.
kracht gegeven hebt,
Versta hier door kracht of sterkte, couragie of moed, om het wrede voornemen van den koning te stuiten. Sommigen verstaan hier door de kracht het vermogen of de macht, om den droom van den koning en zijne beduiding te verstaan. Want Daniël had geen uitwendige kracht van wapenen, gelijk de koningen en prinsen dezer wereld hebben.
Hertaald:
kracht gegeven hebt,
Versta hier onder kracht of sterkte: moed, om het wrede voornemen van de koning te stuiten. Sommigen verstaan hier onder de kracht het vermogen om de droom van de koning en de betekenis daarvan te begrijpen. Want Daniël had geen uitwendige kracht van wapens, zoals de koningen en vorsten van deze wereld.
ons
Te weten mij en mijnen metgezellen.
Hertaald:
ons
Namelijk mij en mijn metgezellen.
des konings zaak bekend gemaakt
Dat is, den droom van den koning en zijne uitlegging.
Hertaald:
des konings zaak bekend gemaakt
Dat is: de droom van de koning en de uitlegging daarvan.
Breng de wijzen van Babel niet om,
Daniëls mening is dat de wijzen geenszins daarmede den dood verdiend hadden, omdat zij den koning den droom niet zeggen of uitleggen konden. Maar hij verschoont hen daarin niet, dat zij tovenaars, enz waren, en te dien aanzien waardig waren aan het leven gestraft te worden; de koning integendeel liet hun ambt goed blijven, en hij strafte hen omdat zij het niet ter deeg konden, naar zijne gedachte.
Hertaald:
Breng de wijzen van Babel niet om,
Daniël bedoelt dat de wijzen daarmee volstrekt niet de dood verdiend hadden, namelijk omdat zij de koning de droom niet konden zeggen en uitleggen. Maar hij verontschuldigt hen niet in dit opzicht, dat zij tovenaars enzovoort waren en daarom wel verdienden met de dood gestraft te worden; de koning daarentegen liet hun ambt in stand en strafte hen omdat zij het naar zijn oordeel niet goed genoeg konden.
de uitlegging te kennen geven
Den droom en de uitlegging van den droom, want zulks verzocht de koning.
Hertaald:
de uitlegging te kennen geven
De droom én de uitlegging van de droom, want dat vroeg de koning.
met haast
Of, op het spoedigste. Chaldeeuws, met beroering, want in de haast is beroering. Het kan ook wel genomen worden naar de letter, alzo namelijk, dat Arioch in zijn gemoed is ontroerd geweest, omdat hij den koning zou kunnen verblijden, en omdat hij nu zou ontslagen worden van den last, belangende het doden der wijzen.
Hertaald:
met haast
Of: zo snel mogelijk. Chaldeeuws: met ontroering, want in de haast is ontroering. Het kan ook letterlijk opgevat worden, namelijk dat Arioch in zijn gemoed ontroerd was omdat hij de koning zou kunnen verblijden en omdat hij nu ontheven zou worden van de opdracht om de wijzen te doden.
gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden,
Chaldeeuws, kinderen der gevangenis, of gevankelijke wegvoering, gelijk onder Dan. 5:13 .
Hertaald:
gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden,
Chaldeeuws: kinderen van de gevangenschap of van de wegvoering, zoals Dan. 5:13.
antwoordde
Antwoorden, voor een rede aanvangen, of spreken; zie boven vs.20; Spr. 15:1 , Spr. 15:28 , en Spr. 16:1 .
Hertaald:
antwoordde
Antwoorden in de zin van: het woord nemen of spreken; zie hierboven vers 20; Spr. 15:1, Spr. 15:28 en Spr. 16:1.
zeide tot Daniël,
Te weten, nadat Daniël tot hem was ingebracht.
Hertaald:
zeide tot Daniël,
Namelijk nadat Daniël bij hem binnengebracht was.
Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom,
Dat is, hebt gij de wetenschap en het verstand?
Hertaald:
Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom,
Dat is: hebt u de kennis en het inzicht?
de waarzeggers den koning
Versta hier, zulke personen, die de Latijnen haruspices noemen, die uit de ingewanden der opgeofferde beesten zich vermaten toekomstige dingen te kunnen voorzeggen. Chaldeeuws eigenlijk, snijders, omdat zij de geofferde beesten opensneden, tot zulk een einde als straks gezegd is; zie Ezech. 21:21 .
Hertaald:
de waarzeggers den koning
Versta hier zulke personen die de Latijnen haruspices noemen, die zich erop beroemden uit de ingewanden van de geofferde dieren toekomende dingen te kunnen voorzeggen. Chaldeeuws eigenlijk: snijders, omdat zij de geofferde dieren opensneden met het zojuist genoemde doel; zie Ezech. 21:21.
Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt,
Het heeft God den Heere niet beliefd den koning Nebukadnezar door Daniël te openbaren wat er in alle bijzondere vorstendommen, of alle hoeken der wereld geschieden zou; maar alleen welke gelegenheid het hebben zou met de vier monarchieën in het algemeen.
Hertaald:
Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt,
Het heeft God de HEERE niet behaagd koning Nebukadnezar door Daniël te openbaren wat er in alle afzonderlijke vorstendommen of alle hoeken van de wereld gebeuren zou, maar alleen hoe het in het algemeen met de vier monarchieën zou gaan.
in het laatste der dagen;
Chaldeeuws, in navolging der dagen; dat is hierna, in volgende tijden, gelijk onder vs.29, 45; vergelijk ook Gen. 49:1 , en Jer. 23:20 .
Hertaald:
in het laatste der dagen;
Chaldeeuws: in het navolgen van de dagen; dat is: hierna, in de komende tijden, zoals vers 29 en 45; vergelijk ook Gen. 49:1 en Jer. 23:20.
zijn deze
Chaldeeuws, is dit; dat is, het betekent dat het geschieden zal in toekomende tijden.
Hertaald:
zijn deze
Chaldeeuws: is dit; dat is: het betekent dat het in komende tijden gebeuren zal.
hierna
Te weten lang na uw dood.
Hertaald:
hierna
Namelijk lang na uw dood.
geschieden zou;
Te weten van uwe monarchie, of zij in uwe nakomelingen zal blijven, of dat zij aan een ander geslacht of volk zal overgesteld worden.
Hertaald:
geschieden zou;
Namelijk met uw monarchie: of zij bij uw nakomelingen zal blijven, of dat zij aan een ander geslacht of volk zal overgaan.
niet door wijsheid,
Daniël wil geenszins hebben dat men hem die eer zou geven, alsof hij door zijne wijsheid den koning zijn droom zou kunnen openbaren; maar hij wil dat men daarvan al de eer Gode zal toeschrijven.
Hertaald:
niet door wijsheid,
Daniël wil volstrekt niet dat men hem de eer zou geven alsof hij door zijn eigen wijsheid de koning zijn droom zou kunnen openbaren, maar hij wil dat men daarvan alle eer aan God toeschrijft.
daarom,
Of, om dergenen wil die, enz. Of, derhalve opdat. Chaldeeuws, ter oorzake opdat zij den koning bekend zouden maken. Waarvan de zin zou zijn, naar sommiger gevoelen: Dat is mij geopenbaard, om der Joden wil, uwe gevangenen, waar ik er een van ben, in deze gevangenschap of ballingschap; door welker gebeden God geopenbaard heeft des konings droom en de uitlegging daarvan, opdat zij enigen troost daardoor van u zouden verkrijgen, die door mij den droom en zijne uitlegging uwe majesteit zullen bekend maken.
Hertaald:
daarom,
Of: ter wille van hen die, enzovoort. Of: daarom, opdat. Chaldeeuws: om de reden dat zij de koning bekend zouden maken. De betekenis daarvan zou volgens sommigen zijn: dit is mij geopenbaard ter wille van de Joden, uw gevangenen, van wie ik er een ben in deze ballingschap; door hun gebeden heeft God de droom van de koning en de uitlegging daarvan geopenbaard, opdat zij daardoor enige troost van u zouden verkrijgen — zij die door mij de droom en zijn uitlegging aan de koning bekend zullen maken.
opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten
Dat is, opdat gij weten moogt wat het is, waar gij zozeer over bekommerd zijt.
Hertaald:
opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten
Dat is: opdat u mag weten wat het is waarover u zo bezorgd bent.
zaagt,
Chaldeeuws, waart ziende, niet met de vleselijke ogen, maar al slapende en in den droom.
Hertaald:
zaagt,
Chaldeeuws: was ziende; niet met de lichamelijke ogen, maar slapend en in de droom.
een
In de gedaante van een man, voorstellende de staatkundige regering onder verscheidene monarchieën, die op elkander zouden volgen.
Hertaald:
een
In de gestalte van een man, die de staatkundige regering onder de verschillende monarchieën voorstelt die elkaar zouden opvolgen.
groot beeld
In dikte, hoogte, breedte, afbeeldende de grote macht en voortreffelijkheid van deze koninkrijken.
Hertaald:
groot beeld
In dikte, hoogte en breedte, waarmee de grote macht en voortreffelijkheid van deze koninkrijken afgebeeld wordt.
zijn glans was uitnemend),
Dat is, het blonk en het had een schoon schijnsel en glans in de ogen der mensen.
Hertaald:
zijn glans was uitnemend),
Dat is: het blonk en had een mooie schittering en glans in de ogen van de mensen.
zijn gedaante was schrikkelijk
Of, en het was verschrikkelijk aan te zien.
Hertaald:
zijn gedaante was schrikkelijk
Of: en het was schrikwekkend om aan te zien.
zuiver goud;
Door de verscheidenheid der stof, waar dit beeld van gemaakt was, werd afgebeeld de verscheidene gelegenheid en staat der koninkrijken, die dit beeld representeerde, waarvan het Babylonische het beste geweest is alhoewel boos en wreed genoeg.
Hertaald:
zuiver goud;
Door de verschillende stoffen waaruit dit beeld gemaakt was, werd de verschillende aard en staat afgebeeld van de koninkrijken die dit beeld voorstelde. Daarvan is het Babylonische het beste geweest, hoewel het boos en wreed genoeg was.
buik en zijn dijen van koper;
Chaldeeuws, ingewanden.
Hertaald:
buik en zijn dijen van koper;
Chaldeeuws: ingewanden.
eensdeels van ijzer,
Chaldeeuws, van haar des ijzers, en van haar des leems; dat is, geen zuiver ijzer, maar ijzer met leem, of klei vermengd.
Hertaald:
eensdeels van ijzer,
Chaldeeuws: van het een ijzer en van het ander leem; dat is: geen zuiver ijzer, maar ijzer vermengd met leem of klei.
Dit zaagt gij,
Dit beeldt zaagt gij staan. Zie de verklaring van vs.34,35 onder vs.44.
Hertaald:
Dit zaagt gij,
Dit beeld zag u staan. Zie de verklaring van vers 34 en 35 bij vers 44.
een steen
Dat is, Christus, met zijn geestelijk lichaam, hetwelk zijne kerk is, vs.35, 44.
Hertaald:
een steen
Dat is: Christus, met Zijn geestelijke lichaam, dat Zijn kerk is; vers 35 en 44.
afgehouwen werd
Of, uitgehouwen; te weten van, of uit een berg, onder vs.45.
Hertaald:
afgehouwen werd
Of: uitgehouwen, namelijk uit een berg, vers 45.
zonder handen,
Of, niet door handen; dat is, niet door enige menselijke hulp of kracht.
Hertaald:
zonder handen,
Of: niet door handen; dat is: niet door enige menselijke hulp of kracht.
te zamen vermaald
Dat is, het ganse beeld, bestaande uit ijzer, leem, enz.
Hertaald:
te zamen vermaald
Dat is: het hele beeld, dat uit ijzer, leem enzovoort bestond.
de dorsvloeren des zomers,
Waar het koren gedorst zijnde, het kaf van den wind weggewaaid en hier en daar verstrooid wordt; alzo zijn al deze monarchieën, die zo heerlijk en bestendig schenen, verdwenen en tot niet gekomen.
Hertaald:
de dorsvloeren des zomers,
Waar het koren gedorst wordt en het kaf door de wind weggewaaid en hier en daar verstrooid wordt. Zo zijn al deze monarchieën, die zo heerlijk en duurzaam leken, verdwenen en tot niets geworden.
dat hij de gehele aarde vervulde
Dat is, hij breidde zich uit door en gansen aardbodem; betekenende de uitbreiding van Christus' rijk over de gehele wereld. Naar den loop der natuur kan geen steen, die uit een berg gehouwen is, groeien of groter worden dan hij is. Zo betekent dan de grote wasdom van dezen steen dat de wasdom en vermenigvuldiging van Christus' kerk gans bovennatuurlijk is.
Hertaald:
dat hij de gehele aarde vervulde
Dat is: hij breidde zich uit over de hele aardbodem, wat de uitbreiding van Christus' rijk over de hele wereld betekent. Naar de gewone loop van de natuur kan geen steen die uit een berg gehouwen is groeien of groter worden dan hij is. De grote groei van deze steen betekent dus dat de groei en vermenigvuldiging van Christus' kerk geheel bovennatuurlijk is.
wij voor de koning zeggen
Aldus spreekt Daniël, als sprekende niet alleen in zijnen naam, maar het woord tegelijk voerende in zijner metgezellen en aller Joden naam, om welker wil hem die verborgenheid was geopenbaard; zie boven vs.30.
Hertaald:
wij voor de koning zeggen
Zo spreekt Daniël, omdat hij niet alleen in zijn eigen naam spreekt maar tegelijk het woord voert namens zijn metgezellen en alle Joden, om wie deze verborgenheid hem geopenbaard was; zie hierboven vers 30.
een koning der koningen;
Dat is, de grootste koning op aarde, wien andere koningen onderworpen zijn en gehoorzamen, gelijk Jeremia voorzegt, Jer. 25:15 , enz., en Jer 27 doorgaans; zie ook Ezech. 29:19 . En van deze manier van spreken zie Gen. 9:25 .
Hertaald:
een koning der koningen;
Dat is: de grootste koning op aarde, aan wie andere koningen onderworpen zijn en gehoorzamen, zoals Jeremia voorzegt in Jer. 25:15, enzovoort, en doorlopend in Jer. 27; zie ook Ezech. 29:19. Over deze manier van spreken, zie Gen. 9:25.
een koninkrijk,
Te weten de Babylonische monarchie, die te dien tijde met groot geweld heerste over alle andere koninkrijken en landen.
Hertaald:
een koninkrijk,
Namelijk de Babylonische monarchie, die in die tijd met groot geweld over alle andere koninkrijken en landen heerste.
macht, en sterkte, en eer gegeven;
Ten aanzien van uw grote en machtige heirlegers en rijkdommen.
Hertaald:
macht, en sterkte, en eer gegeven;
Met het oog op uw grote en machtige legers en rijkdommen.
overal,
Dat is, in alle omliggende koninkrijken en landen, die bewoond worden, gelijk Gen. 41:54 .
Hertaald:
overal,
Dat is: in alle omliggende koninkrijken en landen die bewoond worden, zoals Gen. 41:54.
in uw hand gegeven;
Dat is, Hij heeft u heerschappij over al dezelve gegeven.
Hertaald:
in uw hand gegeven;
Dat is: Hij heeft u heerschappij over die alle gegeven.
gesteld tot een heerser
Chaldeeuws, doen heersen; alzo onder vs.48.
Hertaald:
gesteld tot een heerser
Chaldeeuws: doen heersen; zo ook vers 48.
gij zijt
Dat is, gij en uwe nakomelingen worden betekend door het gouden hoofd. Want men moet dit hier verstaan gesproken te zijn, niet zozeer van de personen, als van hunne monarchieën en staten.
Hertaald:
gij zijt
Dat is: u en uw nakomelingen worden door het gouden hoofd aangeduid. Want men moet dit hier verstaan als niet zozeer over de personen gesproken, maar over hun monarchieën en staten.
dat gouden hoofd
Dat is, een koninkrijk, bloeiende boven alle andere koninkrijken van zijn tijd in rijkdom en macht; zie onder Dan. 3:1 .
Hertaald:
dat gouden hoofd
Dat is: een koninkrijk dat boven alle andere koninkrijken van zijn tijd bloeide in rijkdom en macht; zie Dan. 3:1.
na u
O koning Nebukadnezar. Doch onder hem wordt ook begrepen zijn zoon Evilmerodach en zijn kleinzoon Belsazar, want deze beiden zijn ook monarchen van Babel geweest. Zie Jer. 27:7 ; Dan 5 .
Hertaald:
na u
O koning Nebukadnezar. Maar onder hem worden ook zijn zoon Evilmerodach en zijn kleinzoon Belsazar begrepen, want die beiden zijn ook monarchen van Babel geweest. Zie Jer. 27:7; Dan. 5.
een ander koninkrijk opstaan,
De monarchie der Meden en Perzen onder den koning Cores, afgebeeld door de borst en armen van zilver boven vs.32.
Hertaald:
een ander koninkrijk opstaan,
De monarchie van de Meden en Perzen onder koning Kores, afgebeeld door de borst en de armen van zilver, hierboven vers 32.
lager dan het uwe;
Of, benedener dan gij; dat is, dan uwe monarchie, gelijk het zilver lager van waarde is dan het goud. Het Perzische rijk was groot van rijkdom; zie Jes. 45:3 . Nochtans kan ook te dezen aanzien de Perzische monarchie slechter geweest zijn dan de Babylonische.
Hertaald:
lager dan het uwe;
Of: lager dan u; dat is: dan uw monarchie, zoals zilver lager in waarde is dan goud. Het Perzische rijk was groot in rijkdom; zie Jes. 45:3. Toch kan de Perzische monarchie ook in dit opzicht minder geweest zijn dan de Babylonische.
een ander,
Versta, de monarchie der Grieken, afgebeeld door den buik en de dijen, vs.32.
Hertaald:
een ander,
Versta: de monarchie van de Grieken, afgebeeld door de buik en de dijen, vers 32.
over de gehele aarde
Dat is, over een groot deel der aarde, te wete over Chaldea en de rijken daaronder behorende. Alzo Luc. 2:1 , de gehele wereld, dat is, al degenen, die onder het Romeinse rijk stonden, hetwelk een groot deel der wereld was. Dat nu de derde monarchie, namelijk der Grieken, gezegd wordt van koper te zijn, daarmede wordt aangewezen dat deze monarchie harder zou wezen dan de vorige, want koper is harder dan goud en zilver. Dit komt wel overeen met de monarchie van Alexander, die door de wapenen de Perzische monarchie heeft tenonder gebracht, en zijne nakomelingen, [die sommigen onder deze monarchie mede begrijpen] die wrede vervolgers der kerk Gods geweest zijn, gelijk de boeken der Machabeën getuigen.
Hertaald:
over de gehele aarde
Dat is: over een groot deel van de aarde, namelijk over Chaldea en de rijken die daaronder vielen. Zo betekent in Luk. 2:1 de hele wereld: allen die onder het Romeinse rijk stonden, dat een groot deel van de wereld besloeg. Dat nu de derde monarchie, die van de Grieken, van koper genoemd wordt, wijst erop dat deze monarchie harder zou zijn dan de vorige, want koper is harder dan goud en zilver. Dat komt goed overeen met de monarchie van Alexander, die de Perzische monarchie met de wapens onderworpen heeft, en met zijn opvolgers — die sommigen ook onder deze monarchie rekenen — die wrede vervolgers van Gods kerk geweest zijn, zoals de boeken van de Makkabeeën getuigen.
het vierde koninkrijk zal hard zijn,
Welks schenkels zijn van ijzer enz. vs.33. Velen duiden dit op de Romeinse monarchie; maar anderen menen dat men door het vierde koninkrijk moet verstaan het rijk der Seleuciden en Lagiden, navolgers van Alexander den Grote, koningen van Klein-Azië, Syrië, Egypte, nadat zijn koninkrijk verdeeld en als teniet gelopen was, van welken de Joden, ten tijde der Machabeën, zeer jammerlijk zijn geplaagd geweest; zie onder Dan 8 , Dan 11 . Doch vergelijk inzonderheid onder Dan. 8:21-22 , met de aantekening.
Hertaald:
het vierde koninkrijk zal hard zijn,
Waarvan de schenkels van ijzer zijn, enzovoort, vers 33. Velen betrekken dit op de Romeinse monarchie, maar anderen menen dat men onder het vierde koninkrijk het rijk van de Seleuciden en Lagiden moet verstaan, de opvolgers van Alexander de Grote, koningen van Klein-Azië, Syrië en Egypte, nadat zijn koninkrijk verdeeld en als het ware uiteengevallen was; door hen zijn de Joden in de tijd van de Makkabeeën zeer jammerlijk geplaagd. Zie Dan. 8 en Dan. 11, en vergelijk vooral Dan. 8:21-22 met de aantekening.
gelijk nu het ijzer,
Anders: gelijk het ijzer verbreekt, zal het alles vermalen en verbreken. Aangaande de monarchie der koningen, hunne tirannie is genoegzaam bekend; van de Seleuciden en Lagiden wreedheid, zie de boeken der Machabeën, en vergelijk onder Dan. 7:23 , en Dan. 8:24 .
Hertaald:
gelijk nu het ijzer,
Anders: zoals het ijzer verbreekt, zal het alles vermalen en verbreken. Wat de monarchie van deze koningen betreft: hun tirannie is voldoende bekend. Over de wreedheid van de Seleuciden en Lagiden, zie de boeken van de Makkabeeën, en vergelijk Dan. 7:23 en Dan. 8:24.
een gedeeld koninkrijk zijn,
De monarchie van Alexander den Grote is wel in vier koninkrijken verdeeld [zie onder Dan. 8:22 ] , maar hier worden alleen de twee voornaamste [Egypte en Syrië] door de twee schenkels, naar sommiger gevoelen, afgebeeld, vs.33, omdat deze de kerk Gods meest vervolgd hebben. Daarna is het verdeeld geworden in vele landschappen, hetwelk door de tenen wordt afgebeeld. Doch anderen verstaan dit van de Romeinse monarchie, en bij de voeten en tenen, dezelfde monarchie naderhand in het Oosterse en Westerse koninkrijk verdeeld.
Hertaald:
een gedeeld koninkrijk zijn,
De monarchie van Alexander de Grote is weliswaar in vier koninkrijken verdeeld (zie Dan. 8:22), maar hier worden volgens sommigen alleen de twee voornaamste — Egypte en Syrië — door de twee schenkels afgebeeld (vers 33), omdat die Gods kerk het meest vervolgd hebben. Daarna is het in veel landstreken verdeeld, wat door de tenen afgebeeld wordt. Maar anderen verstaan dit van de Romeinse monarchie, en zien in de voeten en tenen diezelfde monarchie zoals zij later in een Oosters en een Westers rijk verdeeld is.
doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn,
Alsof hij zeide: Ofschoon het verdeeld zal wezen, zo zal het evenwel sterk en machtig zijn, want deze koningen hebben bezeten Syrië, Klein-Azië en Egypte, met andere daartoe behorende landen. Desgelijks is ook macht gebleven bij de monarchie der Romeinen, waarvan anderen dit verstaan.
Hertaald:
doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn,
Alsof hij zei: hoewel het verdeeld zal zijn, zal het toch sterk en machtig zijn; want deze koningen hebben Syrië, Klein-Azië en Egypte bezeten met andere daarbij behorende landen. Evenzo is de macht bij de monarchie van de Romeinen gebleven, waarvan anderen dit verstaan.
de tenen der voeten,
Chaldeeuws, de vingers der voeten.
Hertaald:
de tenen der voeten,
Chaldeeuws: de vingers van de voeten.
ten dele hard zijn,
Dit wordt gezegd ten aanzien van het Joodse volk, hetwelk somtijds van de koningen van Syrië en van Egypte hard is geslagen geworden, alsook wel van de Romeinen hard geperst en gedrukt; hoewel de Joden ook somtijds voortreffelijke overwinningen hebben bevochten, gelijk in de boeken der Machabeën te zien is.
Hertaald:
ten dele hard zijn,
Dit wordt gezegd met het oog op het Joodse volk, dat soms hard geslagen is door de koningen van Syrië en Egypte, en ook wel hard geperst en gedrukt door de Romeinen — hoewel de Joden soms ook voortreffelijke overwinningen behaald hebben, zoals in de boeken van de Makkabeeën te zien is.
vermengen,
Dat is, verhuwelijken zullen. Dit passen sommigen op de Romeinen, door huwelijken verstaande, eensdeels staatkundige verbintenissen, anderdeels eigenlijke huwelijken. Op de Seleuciden en Lagiden past het ook wel, want deze familiën hebben meermalen hunne vredeshandelingen met huwelijken bevestigd, gelijk in Dan. 11:6-7 gezegd wordt, maar tevergeefs. Plolomeus Filadelfus heeft zijne dochter Bernice aan Antiochus Theus, den zoon van Soteris, en Antiochus de Grote heeft zijne dochter Cleopatra aan Ptolomeus Epifanes gehuwd, maar de vriendschap is daarom niet te bestendiger geweest; maar integendeel hebben die koningen, door deze huwelijken, gelegenheid gezocht te bedriegen en in het land te vallen.
Hertaald:
vermengen,
Dat is: huwelijken zullen sluiten. Sommigen passen dit toe op de Romeinen en verstaan onder huwelijken deels staatkundige verbintenissen, deels eigenlijke huwelijken. Het past ook goed op de Seleuciden en Lagiden, want deze families hebben hun vredesonderhandelingen meermalen met huwelijken bekrachtigd, zoals in Dan. 11:6-7 gezegd wordt — maar tevergeefs. Ptolemeüs Filadelfus heeft zijn dochter Berenice uitgehuwelijkt aan Antiochus Theos, de zoon van Soter, en Antiochus de Grote zijn dochter Cleopatra aan Ptolemeüs Epifanes; maar de vriendschap is daardoor niet duurzamer geworden. Integendeel, die koningen hebben juist door deze huwelijken gelegenheid gezocht om elkaar te bedriegen en elkaars land binnen te vallen.
die koningen zal de God des hemels
Chaldeeuws, in hunne dagen, [namelijk] der koningen; dat is, niet lang na de verdelging van het laatste onder die koninkrijken, te weten nadat Egypte door den keizer Augustus verheerd zou worden. Doch anderen nemen het voor den tijd van de Romeinse monarchie zelve, welke ten tijde van Augustus al die andere koninkrijken onder zich had, en onder welker hoogste bloei Christus gekomen is.
Hertaald:
die koningen zal de God des hemels
Chaldeeuws: in hun dagen, namelijk die van de koningen; dat is: niet lang na de ondergang van het laatste van die koninkrijken, namelijk nadat Egypte door keizer Augustus onderworpen zou worden. Maar anderen vatten het op als de tijd van de Romeinse monarchie zelf, die in de tijd van Augustus al die andere koninkrijken onder zich had en onder wier hoogste bloei Christus gekomen is.
een Koninkrijk verwekken,
Te weten het koninkrijk van Christus, zijnde een geestelijk koninkrijk, voortgeplant door de predikatie van het heilige Evangelie. Hierop heeft Johannes de Doper gezien, ja Jezus Christus ook, zeggende: Het koninkrijk der hemelen is nabij.
Hertaald:
een Koninkrijk verwekken,
Namelijk het koninkrijk van Christus, dat een geestelijk koninkrijk is, voortgeplant door de prediking van het heilig Evangelie. Daarop heeft Johannes de Doper gezien, ja ook Jezus Christus, toen Hij zei: het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
dat Koninkrijk
Te weten van den koning Christus. Anders: en de regering daarvan, zal, enz.
Hertaald:
dat Koninkrijk
Namelijk van de Koning Christus. Anders: en de regering daarvan zal, enzovoort.
zal aan geen ander volk overgelaten worden;
Dat is, het zal niet veranderd worden gelijk andere aardse koningen; geen sterker zal hen overweldigen; de poorten der hel vermogen niets tegen Christus, Matt. 16:18 .
Hertaald:
zal aan geen ander volk overgelaten worden;
Dat is: het zal niet veranderd worden zoals andere aardse koninkrijken; geen sterkere zal het overweldigen; de poorten van de hel vermogen niets tegen Christus, Matth. 16:18.
al die koninkrijken
Niet alleen die vier, maar ook alle andere, die na deze zullen opkomen.
Hertaald:
al die koninkrijken
Niet alleen die vier, maar ook alle andere die daarna zullen opkomen.
vermalen,
Hij zal ze verbrijzelen [vergelijk Jer. 44:10 ] , tot oprechte bekering en gehoorzaamheid des Evangelies. Of, Hij zal ze verpletteren met een ijzeren scePetr. Zie Ps. 2:9-10 ; Jes. 60:12 , en 2 Kor. 10:4-6 .
Hertaald:
vermalen,
Hij zal ze verbrijzelen (vergelijk Jer. 44:10) tot oprechte bekering en gehoorzaamheid aan het Evangelie. Of: Hij zal ze verpletteren met een ijzeren scepter. Zie Ps. 2:9-10; Jes. 60:12 en 2 Kor. 10:4-6.
Daarom hebt gij gezien,
Dat is, om u dit bekend te maken is u in den droom getoond, dat, enz.
Hertaald:
Daarom hebt gij gezien,
Dat is: om u dit bekend te maken is u in de droom getoond dat, enzovoort.
uit den berg
Onze Koning Christus, die naar zijn goddelijke natuur van den Vader van eeuwigheid geboren is [waarop sommigen menen dat hier ook gezien wordt] en uit den hemel gezegd wordt nedergedaald te zijn, Joh. 3:13 ; 1 Kor. 15:47 , zal naar zijn menselijke natuur uit het koninkrijk van Juda [gelijk koninkrijken bij bergen in de Schriftuur worden vergeleken] en voorts uit de maagd Maria [die van Davids geslacht is] zonder toedoen van den man door de werking van den Heiligen Geest [ Luc. 1:34-35 ] voortkomen, en de voorzeide koninkrijken verbrijzelen, en Davids koninkrijk in een geestelijk en eeuwig veranderen. Vergelijk de manier van spreken met Jes. 51:1 .
Hertaald:
uit den berg
Onze Koning Christus, Die naar Zijn goddelijke natuur van eeuwigheid uit de Vader geboren is — waarop sommigen menen dat hier ook gezien wordt — en van Wie gezegd wordt dat Hij uit de hemel is neergedaald (Joh. 3:13; 1 Kor. 15:47), zal naar Zijn menselijke natuur voortkomen uit het koninkrijk van Juda (koninkrijken worden in de Schrift met bergen vergeleken) en verder uit de maagd Maria, die uit het geslacht van David is, zonder toedoen van een man, door de werking van de Heilige Geest (Luk. 1:34-35); en Hij zal de genoemde koninkrijken verbrijzelen en het koninkrijk van David in een geestelijk en eeuwig koninkrijk veranderen. Vergelijk deze manier van spreken met Jes. 51:1.
een steen
Door dezen steen is te verstaan Jezus Christus; vergelijk Ps. 118:22 ; Jes. 28:16 . Sommigen menen dat tegelijk door den steen wordt te kennen gegeven dat de persoon en het rijk van Christus in het eerst slecht en van klein aanzien bij de mensen op aarde wezen zou, gelijk een steen gering is, vergeleken bij goud of zilver, die in dat beeld waren.
Hertaald:
een steen
Onder deze steen moet men Jezus Christus verstaan; vergelijk Ps. 118:22; Jes. 28:16. Sommigen menen dat met de steen tegelijk te kennen gegeven wordt dat de persoon en het rijk van Christus in het begin gering zouden zijn, en van weinig aanzien bij de mensen op aarde. Een steen is immers gering vergeleken bij het goud of zilver in dat beeld.
zonder handen
Anderen vertalen de woorden van den tekst aldus: die in geen handen is; dat is, dat Christus niet door menselijke wegen en macht tot de regering van zijn rijk zal gebracht worden, noch menselijkerwijze het zal bedienen, maar alleen naar zijn en zijns Vaders welbehagen en wil, door werking van den Heiligen Geest.
Hertaald:
zonder handen
Anderen vertalen de woorden van de tekst zo: die niet in handen is; dat is: dat Christus niet door menselijke wegen en macht tot de regering van Zijn rijk gebracht zal worden, en dat Hij het ook niet op menselijke wijze zal bedienen, maar alleen naar Zijn eigen welbehagen en dat van Zijn Vader, door de werking van de Heilige Geest.
afgehouwen is geworden,
Dat is, die onvoorziens den mensen zal verschijnen, zittende in duisternis en in de schaduw des doods. Christus zegt Luc. 17:20 :Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gebaar; dat is, het komt niet met uiterlijken glans van menselijke majesteit, waaruit het de wereld zou kunnen kennen.
Hertaald:
afgehouwen is geworden,
Dat is: Die onverwacht zal verschijnen aan de mensen die in duisternis en in de schaduw van de dood zitten. Christus zegt in Luk. 17:20: het Koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gelaat; dat is: het komt niet met uiterlijke glans van menselijke majesteit, waaraan de wereld het zou kunnen herkennen.
die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde;
Dat is, die te schande maakte alle koninkrijken, die hem tegenstaan; want hier worden genoemd al de delen van het beeld, hetwelk den koning is vertoond geworden.
Hertaald:
die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde;
Dat is: Die alle koninkrijken die Hem weerstaan te schande maakte; want hier worden alle delen genoemd van het beeld dat de koning getoond is.
hierna geschieden zal;
Zie boven vs.28.
Hertaald:
hierna geschieden zal;
Zie hierboven vers 28.
is gewis,
Met dusdanige vrijmoedigheid hebben ook de leraars van het Nieuwe Testament gesproken; vergelijk 1 Tim. 1:15 , en 1 Tim. 3:16 , en 1 Tim. 4:8-9 ; 2 Tim. 1:11 , en Tit. 3:8 , enz.
Hertaald:
is gewis,
Met zo'n vrijmoedigheid hebben ook de leraars van het Nieuwe Testament gesproken; vergelijk 1 Tim. 1:15, 1 Tim. 3:16 en 1 Tim. 4:8-9; 2 Tim. 1:11 en Tit. 3:8, enzovoort.
Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht,
Tevoren beval hij dat men Daniël doden zou, vs.13; nu doet hij hem grote eer aan. De natuurlijke mens, aan welke zijde hij valt, kan geen maat houden.
Hertaald:
Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht,
Tevoren beval hij dat men Daniël doden zou (vers 13); nu bewijst hij hem grote eer. De natuurlijke mens kan naar welke kant hij ook uitslaat geen maat houden.
aanbad Daniël;
Indien hierdoor verstaan wordt, gelijk sommigen gevoelen, een burgerlijke of hoofse eerbied, zo heeft de koning zulks doende niet gezondigd; gelijk ook Daniël niet, zulks toelatende. Het betaamt ons dit gevoelen van den heiligen profeet Daniël te hebben, dat hij alle goddelijke eer heeft geweigerd aan te nemen, veel meer zal hij den koning bestraft hebben, als hij zou gemerkt hebben dat de koning zulks wilde doen. Gelijk de heidenen wel plegen; vergelijk Hand. 14:11 , enz.
Hertaald:
aanbad Daniël;
Als hiermee, zoals sommigen menen, een burgerlijke of hoofse eerbewijzing bedoeld wordt, dan heeft de koning daarmee niet gezondigd, en Daniël evenmin door dat toe te laten. Het past ons van de heilige profeet Daniël te denken dat hij alle goddelijke eer geweigerd heeft. Hij zal de koning zeker bestraft hebben wanneer hij gemerkt had dat de koning zoiets van plan was, zoals de heidenen plachten te doen; vergelijk Hand. 14:11, enzovoort.
antwoordde Daniël
Welverstaande, nadat Daniël hem had vermaand dat hij alleen den waren God zou aanbidden, en hem alleen de eer geven van deze openbaring. Of, antwoorden is hier te zeggen spreken.
Hertaald:
antwoordde Daniël
Uiteraard nadat Daniël hem vermaand had dat hij alleen de ware God moest aanbidden en Hem alleen de eer van deze openbaring moest geven. Of: antwoorden betekent hier zoveel als spreken.
de waarheid,
Chaldeeuws, uit de waarheid.
Hertaald:
de waarheid,
Chaldeeuws: uit de waarheid.
dat ulieder God een God der goden is,
Dat is, dat de God, dien gijlieden eert en aanbidt, is een waarachtig God, te eren en te achten boven alle goden. De belijdenis is goed en waarachtig. Doch dit is maar een haast oplopende beweging geweest in dezen koning, gelijk in Farao, Ex. 9:28 . Het hart van Nebukadnezar was nog niet terdege aangeroerd, gelijk straks hierna gebleken is, toen hij dat grote gouden beeld heeft opgericht en het van een ieder wilde aangebeden hebben.
Hertaald:
dat ulieder God een God der goden is,
Dat is: dat de God Die u eert en aanbidt een waarachtig God is, Die boven alle goden geëerd en geacht moet worden. Deze belijdenis is goed en waar. Maar bij deze koning was het slechts een snel opkomende gemoedsbeweging, zoals bij Farao (Ex. 9:28). Het hart van Nebukadnezar was nog niet werkelijk geraakt, zoals meteen hierna gebleken is toen hij dat grote gouden beeld oprichtte en wilde dat iedereen het aanbad.
Toen maakte de koning Daniël groot,
Sommigen menen dat dit geschied is wel twee jaren eer Jechonia is gevangen geworden, om de godzalige Joden des te gewilliger te maken in de Babylonische gevangenschap te gaan, ziende dat hunne edelen aldaar in zulke eer en hoge ambten waren.
Hertaald:
Toen maakte de koning Daniël groot,
Sommigen menen dat dit wel twee jaar gebeurd is voordat Jechonia gevangengenomen werd, om de godvruchtige Joden des te gewilliger te maken in de Babylonische gevangenschap te gaan, wanneer zij zagen dat hun edelen daar zulke eer en hoge ambten bekleedden.
Toen verzocht Daniël van den koning;
Dit verzocht Daniël ten beste van de kerk der Joden, opdat die het des te verdragelijker in de Babylonische gevangenschap mochten hebben.
Hertaald:
Toen verzocht Daniël van den koning;
Dit vroeg Daniël ten beste van de kerk van de Joden, opdat zij het in de Babylonische gevangenschap des te draaglijker zouden hebben.
over
Daniël was als gouverneur generaal , de drie jongelingen stonden onder hem als onder gouverneurs , of als rentmeesters van de schattingen, inkomsten en vruchten der landen en landerijen.
Hertaald:
over
Daniël was als gouverneur-generaal; de drie jongemannen stonden onder hem als ondergouverneurs, of als rentmeesters van de belastingen, inkomsten en opbrengsten van de landen en landerijen.
de bediening van het landschap van Babel;
Hetzij over de landbouwerij of andere zaken van den koning.
Hertaald:
de bediening van het landschap van Babel;
Hetzij over de landbouw, hetzij over andere zaken van de koning.
maar Daniël bleef aan de poort des konings
Hebbende last dat zonder zijn verlof niemand tot den koning mocht ingaan; wie den koning te spreken had, moest zich eerst bij Daniël aangeven. Door deze gelegenheid, die zonder twijfel Daniël wel heeft weten waar te nemen, heeft hij de zaken der Joden bij den koning grotelijks weten te bevorderen.
Hertaald:
maar Daniël bleef aan de poort des konings
Met de opdracht dat niemand zonder zijn toestemming bij de koning mocht binnengaan; wie de koning wilde spreken, moest zich eerst bij Daniël melden. Door deze gelegenheid, die Daniël ongetwijfeld goed heeft weten te benutten, heeft hij de zaken van de Joden bij de koning zeer kunnen bevorderen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een van Daniëls drie metgezellen uit het koninklijk geslacht van Juda, in Babel hernoemd tot Sadrach. Samen met Misael en Azarja weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs, en weigerde later het gouden beeld van Nebukadnezar te aanbidden; om die reden in de brandende oven geworpen, werd hij daarin door God wonderbaarlijk bewaard (Dan. 1; 3). Een van Daniëls drie metgezellen, in Babel hernoemd tot Mesach; samen met Hananja en Azarja weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs en het gouden beeld te aanbidden, en werd met hen ongedeerd uit de brandende oven gered (Dan. 1; 3). Een van Daniëls drie metgezellen, in Babel hernoemd tot Abed-nego; samen met Hananja en Misaël weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs en het gouden beeld te aanbidden, en werd met hen ongedeerd uit de brandende oven gered (Dan. 1; 3). De overste der trawanten (lijfwacht) van Nebukadnezar, belast met het doden van de wijzen van Babel; Daniël wist hem met wijs beleid over te halen hem tijd te geven, waarna hij de droom en de uitlegging aan de koning kon verklaren (Dan. 2:14-25). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas De koning eist het onmogelijke: hij wil de droom én de uitlegging horen zonder de droom te vertellen (Dan. 2:5). Daniël vraagt uitstel en gaat naar huis, "opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid" (Dan. 2:18). Dan wordt het hem in een nachtgezicht geopenbaard, en het eerste wat hij doet is loven: "De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht" (Dan. 2:20). Wat daarop volgt tekent Wie God is: "Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen" (Dan. 2:21), en: "Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem" (Dan. 2:22). Voor de koning zegt hij het nog eens uitdrukkelijk: "Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden" (Dan. 2:30). Bijbelse betekenis: Merk op wat Daniël als eerste doet. Niet naar de koning gaan, maar de zaak met drie anderen voor God brengen; het gebed staat vóór de uitkomst en niet erna. Let vervolgens op de plaats van de lofzang. Hij dankt zodra hij het weet, en nog voordat het hem iets opgeleverd heeft. Let ten slotte op de zin waarmee hij zichzelf uit het midden haalt (Dan. 2:30). Hij is de enige in het rijk die het weet, en juist hij zegt dat het niet aan zijn wijsheid ligt. Dat verborgen dingen bij God zijn en geopenbaarde bij ons, staat al in de wet (reeds behandeld bij Deut. 29:29); hier wordt het aan een heidens hof getoond. Typologie: De Heere Jezus dankt in dezelfde woorden: de Vader heeft deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen en aan de kinderkens geopenbaard (Matt. 11:25). En Paulus noemt het Evangelie zelf een verborgenheid die geopenbaard is (Rom. 16:25-26). Dan. 2:5,17-30; Deut. 29:29; Matt. 11:25; Rom. 16:25-26 "Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld" (Dan. 2:31). Het wordt van boven naar beneden beschreven: "Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper" (Dan. 2:32), en daaronder ijzer, met voeten van ijzer en leem (Dan. 2:33). De uitlegging begint bij de koning zelf: "gij zijt dat gouden hoofd" (Dan. 2:38). Daarna volgen er nog drie: een tweede koninkrijk, "lager dan het uwe", een derde van koper, en een vierde dat hard is als ijzer (Dan. 2:39-40). Van de voeten wordt gezegd: "dat zal een gedeeld koninkrijk zijn" (Dan. 2:41), en van de tenen dat het "ten dele hard zijn, en ten dele broos" zal wezen (Dan. 2:42). Bijbelse betekenis: Merk eerst op wat de tekst zelf invult en wat niet. Van het gouden hoofd wordt gezegd wie het is; van de drie volgende koninkrijken wordt geen naam genoemd. Uitleggers hebben die namen ingevuld, en zij komen daarin niet overeen; het register doet dat daarom niet en spreekt zich ook niet uit over het tijdstip. Dat is dezelfde terughoudendheid als bij Gog en Magog (reeds behandeld bij Ezech. 38:16). Let vervolgens op de richting van het beeld. Van boven naar beneden wordt het metaal minder kostbaar en tegelijk harder, en aan het eind staat het op voeten van ijzer met leem. Wat sterker lijkt, staat minder vast. Let ten slotte op wat de koning te horen krijgt. Hij is het gouden hoofd, en in hetzelfde gesprek hoort hij dat er een ander na hem komt. Het gaat in dit hoofdstuk niet om een tijdtafel maar om een grens: ook het grootste rijk heeft een opvolger. Typologie: Wat hier tegenover gesteld wordt, staat in Dan. 2:44 en is apart behandeld. Het beginsel dat hier bij een heidens hof geleerd wordt, staat elders als lofzang: "Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen" (Dan. 2:21). Dan. 2:21,31-42; Ezech. 38:16 "Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze" (Dan. 2:34). Wat er dan gebeurt staat in het vers erna: alles wordt als kaf van de dorsvloer, "maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde" (Dan. 2:35). De uitlegging zegt wat die steen is: "in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden" (Dan. 2:44). Bijbelse betekenis: Eerst in zijn eigen tijd. Een heidens koning krijgt te horen dat er na alle rijken die hij kent nog iets komt, en dat het van de God des hemels is en niet van een volk. Merk vervolgens op de woorden zonder handen. De steen is niet gehouwen en niet gemaakt; tegenover het beeld, dat door mensen gebouwd en gepolijst is, staat iets wat niemand heeft voortgebracht. Let ook op de plaats waar de steen treft: aan de voeten, dus aan het zwakste punt, en het hele beeld valt. Let ten slotte op de groei. De steen blijft geen steen maar wordt een berg die de aarde vervult; het einde is niet alleen afbraak maar vervanging. Over het tijdstip en de wijze waarop dit vervuld wordt, doet het register geen uitspraak. Typologie: De Heere Jezus past het beeld van de steen op Zichzelf toe en voegt er dezelfde uitwerking aan toe: "op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen" (Luk. 20:18); de steen die de bouwlieden verwierpen is elders in het register behandeld (reeds behandeld bij Ps. 118:22). En de Hebreeënbrief spreekt van hetzelfde koninkrijk: "alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen" (Hebr. 12:28). Dan. 2:34-35,44-45; Luk. 20:18; Ps. 118:22; Hebr. 12:28 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Nebukadnezar heeft gedroomd en is de droom vergeten, en hij eist dat zijn wijzen hem zowel de droom als de uitleg geven. Op straffe des doods. Daniël vraagt uitstel, bidt met zijn vrienden, en krijgt het gezicht. In de droom staat een groot beeld van vier metalen, en dat wordt vernietigd door een steen die zonder mensenhanden uit een berg gehouwen is. Het beeld is indrukwekkend: een hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en dijen van koper, benen van ijzer, en voeten van ijzer met leem vermengd. Vier rijken, de een na de ander, en elk minder edel dan het vorige. Aan de voeten wordt het broos. En dan komt de steen. De kanttekening zegt kort wie daarmee bedoeld is: dat is Christus, met Zijn geestelijke lichaam, dat Zijn kerk is. En bij het afhouwen: uitgehouwen, namelijk uit een berg. Twee dingen vallen op. De steen komt zonder handen — hij wordt niet gemaakt, niet gebouwd, niet door mensen tot stand gebracht. En hij treft het beeld niet aan het gouden hoofd maar aan de voeten, aan het zwakste punt, en het geheel valt. Daniël geeft zelf de uitleg: in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden. Niet een rijk dat de andere opvolgt en zelf ook weer valt, maar een dat blijft. En de steen blijft geen steen. Hij wordt een grote berg en vervult de gehele aarde. Dat is de gestalte van het Koninkrijk zoals Christus het zelf beschrijft: het kleinste zaad, dat groter wordt dan alle moeskruiden; een weinig zuurdesem dat het hele deeg doorzuurt. Het beeld van de steen loopt door heel de Schrift. De steen die de bouwlieden verworpen hebben, is tot een hoofd des hoeks geworden — Christus haalt dat aan over Zichzelf, en Petrus herhaalt het voor het Sanhedrin. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 21:42-44; Handelingen 4:11; 1 Petrus 2:6-8; Mattheüs 13:31-33
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De steen zonder handen afgehouwen — 2:31-45
Wat betekenen de niveaus?


Daniël 2
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-49.KruisverwijzingenDaniël 1:20→Daniël 4:5→Daniël 6:18→Esther 6:1→Daniël 5:7→Daniël 3:9→Daniël 5:10→Ezra 6:11→
— In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings. En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten. Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden. Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen. Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is. Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven. De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
Nauwelijks heeft Daniël de plaats bereikt, van welke hij zijne profetische roeping vervullen kan, als de Heere hem reeds gelegenheid geeft, om daarmee een begin te maken. Door Goddelijke besturing wordt namelijk Nebukadnezar in enen nacht, als hij onder verhevene ontwerpen voor de toekomst in geslapen is, een droom gegeven, dien bij zich bij zijn ontwaken niet meer kan herinneren, maar van welken de indruk achtergebleven is, daar die een sterken schok heeft veroorzaakt, Hij gevoelt, dat hem in dit beeld de gehele geschiedenis van hetgeen te wachten staat, en het lot van het rijk, welks stichter hij is, te aanschouwen is gegeven. Nu roept hij de kunst der Magiërs, opdat zij hem den droom in herinnering brenge; vermag zij dit, zo zal het haar ook gemakkelijk zijn, de verklaring te geven; voor hem zelven zal het een bewijs zijn van de juistheid der verklaring, wanneer zij in staat is dien eersten eis te vervullen. Op dezen eis dringt hij aan, ondanks alle hare voorstellingen, dat hij iets voor een mens onmogelijks begeert. Hij geeft het bevel alle Magiërs in Babel om te brengen, als aan zijnen eis niet voldaan wordt. Dan zal de beurt der ombrenging ook aan Daniël en zijne drie vrienden komen, doch Daniël bewerkt bij den koning een uitstel, verenigt zich met zijne drie vrienden tot gebed, en ontvangt van God in een nachtgezicht ene openbaring, die hem hetzelfde beeld, dat Nebukadnezar voor zich had, doet aanschouwen en hem tevens de betekenis verklaart. Zo toegerust met alles, wat hij nodig had, treedt hij voor den koning, de ere voor hetgeen hij te zeggen heeft alleen aan Hem gevende, wien alle eer toekomt, Hij verhaalt eerst den droom en verklaart dien dan van de vier heidense wereldrijken, die na elkaar zullen komen en van het Godsrijk, dat zo wel in zijn ontstaan als in zijn bestaan een geheel ander is dan die alle, en ze vernietigt, om op hun puin zegerijk tot in alle eeuwigheid te staan. De koning, eerst met bewondering voor Daniël vervuld, als voor ene zichtbare verschijning des Allerhoogsten Gods, legt, door dezen over den waren toestand van zaken ingelicht, ene ootmoedige belijdenis af van de macht en grootheid van Israëls God, maakt Daniël tot een overste van de Magiërs en tot stadhouder van de provincie Babel; hij stelt hem op zijne bede zijne drie vrienden als onderbestuurders ter zijde.
In het tweede jaar 1) nu des koninkrijks van Nebukadnezar, nadat hij na den dood van zijnen vader Nabopolassar tot zelfstandige regering was gekomen, d. i. in het jaar 604 vóór Christus (2 (Kon. 25:27), droomde Nebukadnezar dromen 2) enen gewichtigen droom; daarvan werd zijn geest verslagen en zijn slaap werd in hem gebroken, hij ontwaakte met zulk een indruk, dat het hem onmogelijk was weer den slaap te vatten, te meer daar hij zich onmogelijk meer herinneren kon, wat het was, dat hem zo diep had geschokt.
De beide tijdsbepalingen in Hoofdst. 1:2 en op onze plaats veroorzaken den uitleggers veel moeite, daar zij niet geheel en al met Jer. 25:1 schijnen overeen te stemmen. Volgens Jeremia toch zou het jaar der wegvoering naar Babel niet het derde, maar vierde jaar van den koning Jojakim zijn, en zou dit 4e jaar van Jojakim overeenkomen met het eerste van Nebukadnezar. Nu liggen tussen Daniëls wegvoering naar Babel en de geschiedenis in ons hoofdstuk de drie jaren van Daniëls leren en het intreden in den dienst van Nebukadnezar (Hoofdst. 1:5, 18 vv.); dus moest hier eerder van het vierde dan van het tweede jaar der regering van Nebukadnezar sprake zijn. Intussen wordt de schijnbare tegenspraak met Jeremia eenvoudig daardoor opgeheven, dat Daniël gestrenger rekent namelijk van het definitief aanvaarden der regering, zowel door Jojakim (609 v. Chr. zie Jer. 22:19 als door Nebukadnezar (605 v. Chr. zie 2 Kon. 23:27), terwijl Jeremia ook den vroegeren tijd, toen beide zo als koningen waren mede rekent. Ten opzichte van den driejarigen leertijd daarentegen, moet men vasthouden, dat die tijd wel regel was (vgl. Hoofdst. 1:5), maar bij Daniël en zijne vrienden niet ten volle is gebleven. De koning had gelijk Hoofdst. 1:18 uitdrukkelijk zegt, een bepaald, waarop hij zich persoonlijk van de vorderingen der Joodse jongelingen wilde overtuigen, en toen hij nu bij de in het jaar 604 genomene proef, den uitslag ten opzichte van deze vier (1:19) zo bijzonder gunstig bevond, verhief hij hen reeds nu Doven den stand van leerlingen en stelde hij ze in zijnen dienst. Hun wetenschap en kennis van allerlei boeken. hun wijsheid was toch ene gave Gods; dat zij dit was niet het gevolg van het onderwijs bij van nature begaafde jongelingen, moest volgens ‘s Heeren raad en leiding aanstonds daaruit blijken, dat de leertijd nog lang niet ten einde was. Overigens sluit zich ons Hoofdstuk onmiddellijk aan hetgeen in Hoofdst. 1:18-20 verhaald is; naar alle waarschijnlijkheid volgde Nebukadnezars droom in den nacht op dien dag, op welken hij Daniël in zijnen dienst en in de orde der Magiërs had opgenomen.
Zeer opmerkelijk en eigenaardig is het, dat niet de Profeet Daniël, maar de wereldheerser Nebukadnezar, in een droom de gehele toekomstige ontwikkeling der wereldrijken ziet. Aan den eersten vertegenwoordiger der wereldlijke macht, die aan de godsregering onder Israël een einde gemaakt had, moest bekend worden, hoe eenmaal door het Godsrijk zijn bestaan en alle wereldlijke macht zou vernietigd worden. Bevreemdend moge het ons toeschijnen, dat hier de wereldheerser zelf het werktuig der openbaring wordt; doch hoewel, van het standpunt der eeuwigheid beschouwd, de wereldheerschappij een niets is, en zij dus aan het einde der dagen spoorloos zal vergaan, zo is toch, van de andere zijde bezien (voor de wereld-historische volvoering van het Goddelijk raadsbesluit, een koning, die de wereldregering in handen heeft, een zó belangrijk persoon, dat God, de Heere, zelf hem met denzelfden naam noemt, als den aanvanger en voleinder van het theokratisch koninkrijk, David en den Messias: “Mijn knecht, Mijn werk volbrengt, wiens rechterhand Ik heb gevat (Jer. 25:9. Ezech. 28:12-15. Jes. 44:28; 45:1). Hierom het begrijpelijk, waarom juist aan een koning, die als zodanig den luister der majesteit draagt, ene hemelse openbaring gezonden wordt (zie Ps. 82:1, 6. Rom. 13:1 vv.). Een droom was voor een heerser, buiten de vreze en kennis des Heeren levende, de beste en enig mogelijke vorm van openbaring; wij hebben de voorbeelden reeds vroeger bij een Abimelech, Faraö en zo vele anderen (Gen. 20 en 41) daarbij moeten wij in gedachten houden, hoe de dromen onder het heidendom geëerbiedigd werden, en ook niet nalaten op te merken, dat de heidense vorst wel den droom ontvangt, doch dien niet vermag uit te leggen, evenmin als zijne wijzen en waarzeggers; integendeel, hij wordt ten hoogste verontrust en gekweld, en kan gene bevrediging vinden voordat de door Gods Geest verlichte Israëliet hem den sleutel tot de rechte uitlegging geeft. Aan de zijde des heidendoms vindt men dus de afhankelijkheid en het lijdelijk afwachten (passiviteit), terwijl bij Israël in goddelijke zaken de bedrijvigheid (activiteit) bestaat; zodat de God des hemels en der aarde ook hier ten slotte met Zijne openbarings-bedeling alleen de ere ontvangt. Het was een algemeen aangenomen gevoelen in de vroege tijden der wereld, dat dromen, als zij vergezeld waren door enige buitengewone omstandigheden, zekere toekomstige gebeurtenissen betekenden of voorspelden. Cicero behandelt dit onderwerp breedvoerig (de Divinatione I) en brengt verscheidene opmerkelijke voorbeelden daarvan bij. Homerus geeft ons het algemeen gevoelen van zijn eigen tijd, als hij zegt: kai t inar ek Diov estin. “Zelfs een droom komt van God. ” Het gezag van Jozef is nog ouder. welke zegt: “Komen niet de uitleggingen (der dromen) van God (Gen. 40:8)? Elifaz spreekt van een nachtgezicht, dat hij zelf gehad had (Job. 4:2), en Job 32:14, 15 verzekert Elihu, dat God, tot enen mens spreekt, eens, ja tweemaal-in enen droom en een gezicht des nachts. ” Deze was inderdaad de wijze, waardoor God Zijnen wil bekend maakte aan de aartsvaders van ouds en naderhand aan de profeten. Om op latere tijden neer te komen, de zoon van Sirach, als hij redeneert van de ijdelheid der dromen, maakt echter deze uitzondering, tenzij zij van den Allerhoogste gezonden worden (Jez. Sirach 34:1-6). Het menselijk geheugen is van dien aard, dat het soms ontvangene indrukken zich niet van zelf kan herinneren, maar aanstonds bij het verhalen door een ander, erkent, of zij met de verduisterde herinnering overeenkomen of niet. Zo was het toen bij Nebukadnezar; zijn droom werd later door Gods openbaring geheel Daniëls eigendom, en werd tevens de grond, op welken alle zijne latere gezichten en voorspellingen rusten. Men moet hierbij tevens opmerken, dat de droom, dien Nebukadnezar van God toekwam, ook volgens Gods wil aan zijne gedachten ontsnappen moest, opdat door de openbaring van dezen de heerlijkheid van God tegenover het onvermogen der Chaldeeuwse goden des te duidelijker aan het licht zou komen. De meest verhevene mensen staan dikwijls het meeste bloot voor zorgen en onrust, terwijl de slaap van een arbeider zoet en verfrissend is. Wij kennen den last niet van menigeen, die in grote pracht en, zoals men ten onrechte meent, altijd in genoegen leeft. .
Toen zei de koning, dat men roepen zou 1) alle de klassen der Magiërs, de tovenaars), en de sterrekijkers en de guichelaars, en de Chaldeën, om den koning zijne dromen, zijnen gewichtigen droom, den inhoud daarvan, het beeld zelf en de betekenis te kennen te geven: zij nu kwamen en stonden voor het aangezicht des konings overeenkomstig zijn bevel.
Dit vers toont te duidelijker, dat de droom zodanig is geweest, dat de koning gevoelde, dat God er de Auteur van was. Want het was niet zijne eerste droom, maar de schrik, welken God zijn gemoed had doen indringen, drong hem, om alle Magiërs te roepen, dewijl hij niet kon rusten, ook al wilde hij tot zijn slaap terug keren. Hij gevoelde derhalve als het ware een brandijzer in zijn gemoed, dewijl de Heere niet duldde dat hij tot rust kwam, maar wilde dat hij bewogen van gemoed zou zijn, totdat hem de droom was verklaard.
De algemene benaming, waarmee de Bijbel de Magiërs (een Perzisch woord, zoveel als “groot, uitstekend”) invoert, is wijzen (Jes. 44:25. Jer. 50:35. Dan. 2:12, 18, 24, 27. 4:3; 5:7, 8 en 15 De derde benaming Chaldeën wijst oorspronkelijk de eigenlijke priesterkaste in Babylonië aan, en komt eerst later van de Magiërs voor, toen het eigenlijke wezen van die kaste te niet ging. Wat nu de boven en in vs. 27 even als in Hoofdst. 4:4 en 5:11 genoemde verschillende klassen der Magiërs aangaat, zo bedoelt de uitdrukking Chartumim (St. Overz. : tovenaars), volgens de meest waarschijnlijke afleiding van het woord (van cheret, griffel), de klasse van heilige schrijvers en van de kenners van het beeldenschrift (ierogrammateiv); want even als de Egyptische priesterkaste haar geheim beeldenschrift had, dat uit de tijden vóór de uitvinding van het letterschrift afstamde, als ook hare mannen, die daarin kundig waren, zo hadden dit ook de Magiërs. De Aschaphim (St. overz. : de sterrekijkers) zijn de bezweerders (van aschaph = bedekken, verbergen, bezweren), gelijk er bij de Babyloniërs vele bezweringskunsten in zwang waren (Jes. 47:9, 12). De Mechaschphim (St. overz. : guichelaars), waren degenen, die Magische en Theürgische kunsten verrichten, en de Gosrim (vs. 27) zijn de eigenlijke waarzeggers, de verkondigers van het lot uit de beschouwing der sterren (Jes. 47:13), of sterrekijkers. De hoofden der bijzondere klasse (Hoofdst. 3:2, 27) hadden aan hun hoofd enen overste, die behalve dit ambt, nog een wereldlijk konden bekleden. Hij was tevens de vorst van het landschap Babel, behoorde tot de medeleden van den Staatsraad en vergezelde als zodanig den koning in het veld (Jer. 39:3, 12). Wij zien later Daniël tot deze waardigheid verhoogd, terwijl de werkzaamheden van het wereldlijk ambt op zijn bijzonder verzoek zijnen drie vrienden werden opgedragen (vs. 48 vv.). Gewoonlijk had er ene erfelijke opvolging onder de leden van de orde der Magiërs plaats; toch konden er ook vreemden, wanneer de koning dit beval, in haar worden opgenomen, of ten minste in de school der Magiërs onderricht verkrijgen.
En de koning zei tot hen in ene plechtige vergadering: Ik heb enen droom gedroomd, en mijn geest is ontsteld, om dien droom te weten, kunt gij mij dien droom te kennen geven en zijne uitlegging?
Toen spraken de Chaldeën tot den koning in het Syrisch, in het Aramees, in de spraak van het gewone verkeer, terwijl de Chaldeeuwse taal de taal der wetenschap was (Hoofdst. 1:4): O koning, leef in eeuwigheid! 1) God verlene u een lang leven (1 (Kon. 1:31. Neh. 2:3)! Zeg uwe knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven, want dit slechts is de zaak der wijzen, niet den droom te weten.
Een gewone uitdrukking in den mond der hovelingen om daarmee den wens uit te spreken, dat de koning lang mocht leven. Eeuwig leven heeft de betekenis van, zo lang mogelijk. Het was om daarmee te kennen te geven, dat zij den koning zeer genegen waren en zich onder zijne regering gelukkig gevoelden. Of het altijd gemeend werd, is een andere vraag.
De koning antwoordde en zei tot de Chaldeën: De zaak is mij ontgaan die ik gedroomd heb: indien gij mij den droom en daarna zijne uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden 1) (1 (Sam. 15:33. (Ezech. 16:40. Dan. 3:29), en uwe huizen zullen tot enen drekhoop, een puinhoop (Ezra 6:11) gemaakt worden. 2)
Deze straf was een zeer wrede en onmenselijke straf, bij de Chaldeën in gebruik, waarbij alle delen van het lichaam werden afgehouwen. En dit zonder enige billijkheid, dewijl de koning van hen niet kon vergen, wat boven de menselijke macht gaat. God, de Heere, beschikte dit echter zo, opdat tegenover de valselijk gewaande wetenschap der Chaldeën de wijsheid Gods in en door Daniël geopenbaard, heerlijk zou uitblinken. Calvijn tekent dan ook aan: “waarom bedreigt hij hen met den dood? Maar, immers, dewijl God op die wijze het wonder wil tonen, wat zij later zouden zien. Want indien de koning de Chaldeën van zich had laten gaan, zou ook terstond die zorg verdreven zijn, die hun ziele beangstigde en pijnigde. Ook zou de zaak minder bij het volk bekend geworden zijn. God derhalve kwelde aldoor het gemoed des konings, zodat hij in woede uitbarstte. Vervolgens deze zo scherpe en woeste bedreiging moest allen opwekken. Want er is geen twijfel aan of hoger en lager hebben gebeefd, toen zij hoorden dat de hitte van des konings toorn zo groot was. Dit is derhalve de hoofdzaak en het doel van de Voorzienigheid Gods om aan te merken, waarom Hij gewild heeft, dat de koning zonder enige matiging zou uitbarsten in toorn.
Volgens ene gewoonte bij de Oosterlingen werden vijandelijke huizen of woningen, die aan misdadigers toebehoorden, zelfs tempels en heilige plaatsen, ten teken der hoogste beschimping, niet alleen nedergeworpen, maar ook uitdrukkelijk tot mesthopen, modderkolken, vilplaatsen, drekhopen en andere onterende onreine doeleinden gebezigd.
Maar indien gijlieden den droom en zijne uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijne uitlegging te kennen. De mensen zijn begeriger om hun nieuwsgierigheid te voldoen en de toekomst in te zien, dan om den weg van verlossing en het pad der deugd te leren. (HENRY EN SCOTT).
Zij antwoordden ten tweeden male (vs. 4), daar zij niet konden geloven dat het den koning, met zijnen eis ernst was, en zeiden: De koning zegge zijnen knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.
De koning antwoordde en zei: Ik weet vastelijk, dat gij lieden den tijd uitkoopt dat gij tijd zoekt te winnen, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is, gij meent, dat zolang mij den droom niet weer invalt, gij vrij zijt van de uitlegging te geven.
Maar gij vergist u. Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei, het blijft hetzelfde als ik uitgesproken heb (vs. 5); daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, gij zoekt mij met nietige voorwendsels en ijdele woorden op te houden, totdat de tijd verandere, totdat ik geen belang meer in de zaak zal stellen en er, om zo te gras over gegroeid is; daarom, wilt gij vonnis ontgaan, zegt mij den droom, dan ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven, dan heb ik een bewijs van de juistheid uwer verklaring.
De Chaldeën antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom omdat men erkend heeft, dat er grenzen aan het menselijk weten zijn, die niemand kan overschrijden, is er geen koning, grote of heerser, die zulk ene zaak begeerd heeft van enigen tovenaar of sterrekijker, of Chaldeër. 1)
De Chaldeën verontschuldigden zich weer dat zij den koning zijnen droom niet konden verhalen. Zij zeggen in hoofdzaak, dat dit niet in de macht staat van hun kunst of wetenschap. Vervolgens dat er geen voorbeeld is geweest, dat het gebeurd is dat de wijzen op die wijze werden ondervraagd. Zij pochen er wel op, dat zij uitleggers van dromen zijn, maar zij konden hun gissingen niet uitstrekken tot de dromen zelf, maar slechts naar de uitlegging zochten zij. Deze verontschuldiging was wel juist, maar zij werd door den koning niet toegelaten, die in woede uitbarstte en dit niet zonder hogere aandrijving Gods, opdat het zou blijken, dat de Magiërs guichelaars en sterrekijkers niets minder dan bedriegers waren, die het volk misleidden. En het doel is altijd wel daarvan in het oog te houden, dewijl God zijn knecht Daniël wilde te voorschijn brengen en hem boven den gewonen hoop doen uitblinken.
Want de zaak, die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de Goden, welker woning bij het vlees niet is, die geen verkeer met de mensen houden. Deze belijdenis is overeenkomstig aan die, welke de Egyptische tovenaars (Exod. 8:19) voor Faraö afleggen: “dit is Gods vinger!” De Magiërs moesten juist tot de belijdenis gedreven worden, dat zij met de hoogste Godheid in gene gemeenschap stonden, en slechts met de mindere goden, de demonen te doen hadden, daarom had de Heere den droom uit de ziel van Nebukadnezar weer weggenomen, nadat hij zijne eerste werking gedaan, ‘s konings gedachten op de toekomst gericht en zijn hart daarvoor met vrees vervuld had.
Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, daar hij nu te meer verlangde naar hetgeen hem ontzegd werd, en hij zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen, zo niet allen in het rijk, toch allen, die in de stad Babylon waren en aan deze vergadering hadden deelgenomen (vs. 2). Des konings gramschap was niet geheel zonder reden, vooral om hun zeggen, dat de goden met de mensen geen verkeer hielden, daar zij toch steeds hadden voorgegeven met de goden in gemeenschap te staan, of althans zulke dingen te weten, die behalve aan hen, slechts aan de goden bekend waren.
Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood 1) men zocht ook Daniël en zijne metgezellen, die eveneens tot de orde der Magiërs behoorden, hoewel zij eerst den rang van novitii bij hen innamen, en daarom bij de vergadering (vs. 2 vv.) niet tegenwoordig geweest waren; men zocht hem om gedood te worden 2), daar des konings bevel geen onderscheid maakte tussen leermeesters en leerlingen.
Dit wil niet zeggen, dat alle wijzen in het ganse rijk van Babel worden gedood, maar voornamelijk die welke in Babel zelf verblijf hielden. Het is dan ook zelfs meer dan waarschijnlijk, dat de uitvoering van het toen gestuit is, door hetgeen Daniël later zegt (vs.
, zodat met de slachting van de Chaldeën werd opgehouden, nadat Daniël, uitstel had verkregen.
Het is ongegrond, te beweren, dat Daniëls verbinding aan het instituut der Magiërs in tegenspraak is met de verering van den waren God, want het heidendom, wanneer het niet door bijzondere, feitelijke benadeling geprovoceerd werd, stond den dienst van Jehova toe als van enen, misschien ook zeer machtigen uit de menigte der goden. Daniël kon echter alle bezigheden der wijzen in den zin van den God der zogenaamde goden (Deut. 10:17. (Ps. 136:2) overbrengen, om daardoor van zijn standpunt de verhevenheid van zijnen God tot verheerlijkende erkenning te brengen. Die met zijne vrienden zich de lekkernij van ‘s konings tafel ontzei, omdat hij zich niet wilde verontreinigen, zal wel geweten hebben, hoe hij in die orde kon leven, zonder met den afgodendienst des lands zich te verontreinigen; en wanneer hij later (vs. 48) tot overste over de hoofden der Magiërs verhoogd werd, zo is dit hetzelfde als wanneer heden een minister van eredienst met de hoogste leiding belast wordt van zodanige kerkgenootschappen, wier belijdenis hij niet deelt. vgl. het opgemerkte bij Gen. 41:46, tweede helft).
Toen bracht Daniël enen raad en oordeel 1) in, aan A’rioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.
In het Chald. Metw aje byth laynd Kydab (Bedajin Daniëel hatib eta oeteëem). Beter: toen trad Daniël tegen met raad en verstand, d. i. met woorden van raad en verstand. Niet in gramschap om het hard besluit, maar zo, dat A’rioch moest luisteren naar zijn voorslag, naar wat hij hem tegenvoerde. Ook daaruit blijkt dat God hem op bijzondere wijze met verstand en wijsheid had begaafd, maar ook het hart van A’rioch en straks van den koning neigde.
Hij antwoordde en zei tot A’rioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van ‘s konings wege zo verhaast worden; zou de uitvoering van dit vonnis niet kunnen worden uitgesteld? Toen gaf A’rioch aan Daniël de zaak te kennen 1).
Met dit tweede gedeelte komt meer overeen de vertaling, die de Chaldeeuwse tekst eveneens toelaat en door Luther, v. d. Palm enz. gevolgd wordt: “Waarom is toch zulk een hard vonnis van den koning uitgesproken?” Hieruit blijkt te meer, dat Daniël niet bij de vergadering tegenwoordig was en eerst nu van de zaak verneemt.
En Daniël ging in het paleis des konings, tot hetwelk A’rioch hem toegang verschafte, en verzocht van den koning, dat hij hem enen bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave. Hier is ook opmerkelijk, hoe vast Daniël vertrouwt, dat hem van God zal gegeven worden, wat hij van Hem zal bidden (Hoofdst. 1:12). Hem zou ene dubbele straf getroffen hebben, wanneer hij de verwachting des konings, die nu op ‘t hoogst gespannen was, bedroog, doch zie 1 Kon. 17:24 .
Toen ging Daniël, nadat het door hem gevraagde uitstel was toegestaan en de volvoering van het vonnis over de wijzen uitgesproken, was uitgesteld, naar zijn huis, en hij gaf de zaak aan zijne metgezellen Hananja, Misaël en Azarja (Hoofdst. 1:6) te kennen;
Opdat zij van den God des hemels, onder wiens heerschappij de gehele wereld ook met de hemelse machten en krachten staat (Hoofdst. 4:34), barmhartigheden 1) verzochten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijne metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
Wij behoren in het bidden te zien op God, als den God des hemels. Een God boven ons, die heerschappij heeft over ons, aan Wien wij dienst en gehoorzaamheid schuldig zijn. Een almachtig God, die alles doen kan. Onze Zaligmaker heeft ons geleerd, God te aanbidden als onzen Vader in de hemelen. En om welk goed wij ook bidden, ons betrouwen moet zijn op de barmhartigheden Gods; en wij moeten zoeken deel te hebben aan deze barmhartigheden. Want wij kunnen niets bij wege van vergelding voor onze verdiensten verwachten, maar alles als een gave van Gods barmhartigheid. Alles wat een ziele nodig heeft, mag zij van God vragen. Alles gaat naar den bepaalden Raad Gods, en die Raad is voor ons verborgen. Dies hebben wij God, den Heere, onze noden en behoeften bekend te maken en van Hem te begeren, dat, indien het met Zijn Raad in overeenstemming is, Hij die begeerten vervulle.
Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; de Heere verhoorde zijn gebed en Nebukadnezars droom trad voor zijne ogen en tevens de betekenis daarvan; toen loofde Daniël den God des hemels. Dit nachtgezicht is niet zonder meer met den droom gelijk te stellen, wel kunnen ook dromen als middel van Goddelijke openbaring droomgezichten zijn en als zodanig nachtgezichten heten (Hoofdst. 7:1, 13), maar op zich zelf is een nachtgezicht een visioen, dat iemand gedurende den nacht in wakenden toestand ontvangt.
Daniël antwoordde en zei: De naam Gods zij geloofd 1) van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijne is (Jes. 27:1) de wijsheid en de kracht 2) (Job 12:13
Uit zijn dankzegging blijkt, dat Daniël verzekerd is van zijn gebedsverhoring. Hij heeft zijn nachtgezicht den koning nog niet meegedeeld. Hij kon dus wat hem geopenbaard was nog niet vergelijken met wat de koning had gedroomd. En toch is hij verzekerd van zijn gebedsverhoring, en daarom looft hij den Heere God, den God, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is.
De Schrift, wanneer zij aan God wil toekennen wat Hem eigen is, verenigt deze twee ontegenzeglijk. Dat God alles voorziet, omdat niets voor Zijn ogen verborgen is, vervolgens, dat Hij zelf vaststelt, wat geschieden zal, de wereld naar Zijn wil bestiert, er niets bij toeval gebeurt, maar alles naar zijn leiding.
Want hij verandert door Zijne wijsheid en sterkte de tijden en stonden 1), de gelegenheden, daar Hij aan elk wereldrijk zijnen bepaalden tijd geeft, en wanneer die is voorbijgegaan een nieuwen te weeg brengt; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen, stelt hen aan (vs. 37 vv.): Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben, zodat degenen, die werkelijk dezen erenaam verdienen, alleen door Zijne genade zijn, wat zij zijn (vs. 23).
Daniël verklaart hier nu duidelijk, wat verborgen kan zijn. Hij leert alzo dat God is de bron van wijsheid en kracht, zodat Hij niet bij Zich achterhoudt, wat alleen bij Hem berust, maar over heel de aarde uitstort. Wij vatten derhalve de bedoeling van den Profeet zo op, dat God als het ware in beelden de bewijzen van Zijn macht en wijsheid voor onze ogen daarheen werpt, waar de dingen op de wereld zich wentelen, waar de mensen in wijsheid uitmunten, wanneer sommigen in de hoogte worden verheven, doch anderen naar beneden zinken, zoals de ervaring leert, dat er niets kan geschieden of menselijke, of door enige gelijkmatigen loop der natuur en de machtigste koningen vallen alzo, dat anderen de hoogste eerambten bereiken. Tijden en standen zijn aldus te onderscheiden, dat door de eerste de grotere tijdvakken, door het andere de gelegenheden en tijdstippen in die tijdvakken aangeduid worden. God bestuurt, wil de Godsman zeggen, de wisseling der wereldgebeurtenissen, waardoor bestaande vaak op eenmaal ene andere gedaante bekomt. Eerst het Chaldeeuwsch-Babylonische rijk, schitterend als het goud van het hoofd, overwinnaar van Jeruzalem, van Ninevé, van Spanje zelfs en Afrika’s kusten. Straks dat der Meden en Perzen, minder in macht dan het overige, maar toch nog altijd glansrijk als zilver, aan twee uitgespreide armen gelijk, die als in ene gruwzame omhelzing de macht van Babel verstikken. Daarna het Grieks-Macedonische, het rijk van Alexander den Grote, kopersterk, zo lang het ongescheiden bestaat en als de gevleugelde luipaard in het zevende hoofdstuk, zijne triomfen voortzet tot de oevers van Indus en Ganges. Eindelijk de macht van Rome, waarvoor Griekenland op zijne beurt zwichten en wegvluchten moet, onbuigzaam als het ijzer, zo pas aan de aarde ontgraven, en toch, bij innerlijken tweespalt, zo zwak en broos als het leem, waaraan het ijzer niet hecht. Zij gaan allen in den droom voor het aangezicht van koning en ziener, allen in de werkelijkheid voor het oog der wereld voorbij; daar komt ten laatste het Godsrijk, schijnbaar onaanzienlijk als de ruwe steen, uit den vasten berg van Gods verbond en beloften gehouwen, en evenmin te weerstaan als de rotsklomp, die alles verbrijzelt, waarmee hij in aanraking komt. Gij ziet in uwe verbeelding hem voortrollen, dien wondersteen, zo groot als een heuvel, als een berg, als den hoogsten aller bergen geworden. Gij vraagt niet eenmaal, waar deze Nebukadnezar, die het ook zag, met zijne bedwelmend grote macht is gebleven, de opgravingen van het oude Babylon geven nog in onze dagen op die vraag een weergaloos antwoord. Maar waar gij dan het goud even onherroepelijk als het zilver en koper vermalen vindt, en even weinig het leem als het ijzer gespaard door den alles verpletterenden, maar ook alles vervangenden en vervullenden Steen, zegt mij, begint daar niet steeds dieper het woord des Zieners te peilen: “God verandert ze, maar met Zijne eigene hand en naar Zijnen heiligen wil, maar op den juisten tijd en met het aanbiddelijkst doel, maar zonder dat de waarheid van Zijn woord en de vastigheid van Zijn troon wordt veranderd.
Hij a) openbaart diepe en verborgene dingen, die de mensen met al hun wetenschap en vlijt niet kunnen doorgronden; Hij weet, wat in het duister is, en heeft niet nodig, dat een ander Hem daarvoor licht geeft; want het licht woont bij Hem, het is bij hem enkel licht (Ps. 139:12).
Job 32:8.
Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen, van wiens genade en trouw reeds mijne vaderen konden zingen, omdat Gij mij, gelijk aan hen, zo ook gaan mij verheerlijkende, wijsheid en kracht uit de diepte van Uwen rijkdom (vs. 20) gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben (vs. 18), want Gij hebt ons (zie bij vs. 36) des konings zaak, wat den droom en zijne verklaring, die hem zozeer ter harte gaat betreft, bekend gemaakt. Daniël weet, dat hij wijs en sterk is, maar hij weet ook, dat wijsheid en sterkte alleen van God komen en Gode daarvoor alleen ere toekomt, en hij geeft gaarne de ere aan God alleen. Dat is de ootmoed der zelfkennis bij degenen, die door Gods genade werkelijk iets zijn. Wat de Heere eens door den mond van Jesaja (2 Kon. 20:17 vv.) als ene straf bekend maakte, dat werd, dewijl Daniël onder de weggevoerde jongelingen was, tot ene genade. Daniël was bestemd om, in Babylon een voorspraak, beschermer en redder van het gevangen Israël te worden, dat hem moest navolgen. Juist daarom was hij onder de eersten, die weggevoerd werden; hij werd als het ware het volk vooruit gezonden, om het ene plaats te bereiden. Als het vervolgens zelf kwam, moest reeds ene grote, zeer wonderbare openbaring door hem plaats gevonden hebben, welke de verachting verminderde, die de der wereld en der heidenen tegen hen opwekte (Gen. 45:7). Hier heeft hij op God, als den God zijner vaderen het oog. Want alhoewel de Joden thans in Babel gevangen waren, zij waren evenwel geliefd om der vaderen wil. Hij looft God, die de Fontein is van wijsheid en kracht, van de wijsheid en kracht, die Hij hen heeft gegeven. Ook daarom noemt Daniël den Heere God zijn of liever den God zijner vaderen, dewijl Hij zich als de levende, als de wijze, genadige God heeft geopenbaard, in tegenstelling van de afgoden der heidenen, die hun dienaren geen wijsheid en kracht konden verlenen.
Daarom ging Daniël, toen hij alzo in staat gesteld was om de belofte aan den koning gegeven te vervullen, tot Arioch, dien de koning gesteld had, om de wijzen van Babel te brengen (vs. 13 vv.); hij ging henen en zei aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om; het vonnis behoeft niet ten uitvoer gebracht te worden, de Heere heeft mij den droom geopenbaard; maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.
Toen bracht A’rioch, vol vreugde, dat hij het bloedig bevel niet verder behoefde te volbrengen, met haast Daniël in voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: ik heb enen man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden 1) die hetgeen alle Chaldeeuwse wijzen niet vermochten, den koning den droom met de uitlegging zal bekend maken.
Hoe kan A’rioch zo zwetsen van hetgeen hij gevonden heeft, alsof hij hem met veel moeite had gezocht en door een gelukkig geval ontdekt had! Het is de gewoonte van hovelingen, zeer gedienstig te willen zijn en hun eigene bedrijven breed voor te doen, om zich bij hun vorsten te doen gelden en noodzakelijk te maken. (POOLE en LOWTH).
De koning antwoordde en zei tot Daniël, wiens naam aan het koninklijke hof (Hoofdst. 1:7) Beltsazar 1) was, toen die nu voor hem stond: Zijt gij machtig) mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijne uitlegging?
Ook in Hoofdst. 10:1 wijst Daniël zelf (overigens doen het altijd slechts anderen Hoofdst. 4:14 vv. 5:12) op zijnen Babylonischen naam; dit heeft beide malen zijne reden in den aard der aan Nebukadnezar te geven openbaring, zo als in ‘t algemeen van Daniël, die thans aanvangen. “Het is altijd het conflict van de wereldmacht met het volk van God, waarom die openbaringen zich bewegen, en dat hier enigzins later uitvoerig ter sprake komt. Daniël is juist door zijn dubbel standpunt geschikt om dit conflict te doorzien, aan de ene zijde toch is hij lid van het volk van God, aan de andere behoort hij tot het wereldrijk, waarvan hij later grootwaardigheidbekleder wordt. Op dat dubbel standpunt wijst hij door de beide namen, van welke de ene hem als Israëliet, de andere als dienaar van den Babylonischen wereldbeheerser aanwijst. Op dit ogenblik beschouwde de koning Daniël niet meer als een wijze in den zin van zijn wichelaars en sterrekijkers. Het is daarom dat hier er bijgevoegd wordt: “Wiens naam was Beltsazar. “
In den zin van: zijt gij waarlijk machtig, zijt gij inderdaad in staat? Het is niet een vraag uit onbekendheid met den persoon van Daniël, maar voortgebracht uit twijfel aan zijn macht. Het is daarom dan ook dat Daniël voor den koning openlijk belijdt, van wien de droom is en van wien zijne uitlegging is. Namelijk van den levenden God, en niet van de stomme afgoden.
Daniël antwoordde voor den koning, allen lof van zich afkerende en Gode gevende, en zei: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars en de waarzeggers den koning niet te kennen geven, gelijk zij den koning zelf bekend hebben (vs. 10 vv.).
Gij, o koning! op uw leger zijnde klommen uwe gedachten op, toen gij op uw leger waart in dien nacht (vs. 1), rezen er gedachten in u op omtrent datgene, wat hierna geschieden zou, of het rijk, dat gij gesticht hebt en tot een wereldrijk hebt verheven, zou blijven bestaan en welke de lotgevallen daarvan zouden zijn (Gen. 40:5 en 19); en Hij, die verborgene dingen openbaart, de God van Israël, dien gij niet kent, heeft u, om u te tonen, hoe Hij alle dingen, zelfs de machtigste koningen in Zijne hand heeft (Ps. 139:1 vv.), te kennen gegeven, wat er geschieden zal, terwijl gij dat nooit door eigen nadenken zoudt hebben kunnen uitvinden.
Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, 1) niet door de wijsheid, die in mij is boven alle levenden (Gen. 41:16); maar daarom opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten; 2) hoe God gedacht heeft over alle uwe meningen en plannen.
Hier nu komt Daniël een tegenwerping tegen, dewijl Nebukadnezar deze hem maakt, dat indien het alleen in de macht van God stond het verborgene te openbaren, hoe komt het dan heden dat gij dit kunt doen, dewijl gij een sterveling zijt? Daniël komt dit derhalve voor en geeft weer alle eer aan God en bekent weer, dat van hem niets is in deze uitlegging, welke hij te voorschijn brengt, maar dat hij als het ware door de hand Gods er toe geleid wordt, en Zijn uitlegger is, dat hij niets heeft van zijn eigen doorzicht, maar dewijl het God behaagd heeft hem tot bedienaar in dezen rol aan te stellen en zijn arbeid te gebruiken.
God, de openbaarder der geheimen wil Nebukadnezar antwoord geven op zijne vragen, maar zo, dat hij er niet aan kon twijfelen, wie hem die verleende; daarom mocht de droom als zodanig hem niet reeds de toekomst ontsluieren-wat zou dan den koning zekerheid hebben gegeven, of het niet maar een voortbrengsel zijner fantasie was? De droom mocht hem slechts in raadselachtige verborgenheid een beeld van de toekomst aanbieden, terwijl hem door anderen de verklaring moest worden gegeven. Maar wederom had nu Daniël of iemand anders hem de verklaring gegeven, wie zou hem voor de waarheid hebben ingestaan? Kon het niet de verdichting van een slim hoofd zijn? Daarom moest Nebukadnezar den droom weer vergeten, en wie dien verklaren wilde, dien moest hij eerst zelf geopenbaard worden; daar nu God alleen dit vermag, zo is Daniël, daar hij den koning zijnen droom kan bekend maken, tevens als diegene gewettigd, die de ware verklaring weet te geven, en Nebukadnezar heeft een bewijs, dat de droom, zowel als de uitlegging, van Israëls God tot hem gekomen zijn. De Heere wilde den hoogmoedigen koning van de dwaasheid van zijnen overmoed overtuigen en hem tonen, hoe gemakkelijk en snel al het menselijke afwisselt. Daartoe stelt Hij hem den droom voor, en verdeelt de delen van het beeld in verschillende stoffen, om daarmee de voortdurende opvolging van andere koningen te leren en hun allen te betuigen, dat Hij alleen bij voortduring macht heeft en een koninkrijk zonder begin en zonder einde, met één woord, een eeuwig koninkrijk.
Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeldals eens mensen beeld, dit beeld was treffelijk en zijn glans was uitnemend, staande tegen u over; en zijne gedaante was bij die grootheid en dien glans, door de groteske en zeldzame wijze van zamenstelling schrikkelijkom aan te zien.
Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijne borst en zijne armen van zilver. zijn buik en zijne dijen van koper;
Zijne schenkelen onder de lenden van ijzer zijne voeten, van de knieën af, eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem. “Het beeld verenigt in zich, wat op aarde kostbaar en duurzaam is, het edele en sterke in de wereld: goud en zilver, koper en ijzer. Het edelste is de stof, waaruit het hoofd van het beeld gevormd is, het is van zuiver goud, het borststuk met de armen daarentegen van zilver. Het daalt dus af van het edelste tot het mindere. Buik en lendenen volgen uit koper, dat minder is dan zilver, maar sterk, even als het volgende, het ijzer, waaruit schenkelen en voeten gevormd zijn; onder aan komt de zwakke zijde van het beeld te voorschijn. De voeten zijn deels uit ijzer, deels uit leem; ijzer en leem vermengen zich niet met elkaar, maar elk blijft op zichzelven, en leem is nog daarenboven gemakkelijk te verbreken. De geweldige kolos staat dus op zwakke voeten; hoe verschrikkelijk de eerste indruk is en hoe dreigend zijn aanzienzodra men op den grond ziet, waarop hij staat, bemerkt men, dat hij, hoe sterk hij schijne, in enen nacht ineen kan storten. Wat wordt er nu van dat beeld? .
Dit zaagt gij, totdat er van den berg (vs. 45) een steen afgehouwen werd zonder handen, zonder dat gij handen zaagt, die hem afhieuwen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
Toen werden, terwijl het kolossale beeld nederstortte te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en de overblijfselen bleven niet liggen, om van de vorige grootheid aan het nageslacht getuigenis te geven, maar zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg (Jes. 41:16. Jer. 13:24), en er werd gene plaats voor dezelve gevonden (Ps. 1:4); maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot enen groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.
Dit is de droom, dien ik u in de eerste plaats in de gedachte moest roepen; zijne uitlegging nu, zullen wij, om ook het tweede deel van deze opdracht te volvoeren, voor den koning zeggen. Reeds boven (vs. 23) heeft Daniël zijne drie vrienden mede genoemd, als die de Goddelijke openbaring ontvingen, hoewel zij hem alleen ten dele werd; zij hadden echter door hun voorbede tot het ontvangen medegewerkt en wat hem ten dele werd, kwam ook hun ten goede (vs. 47).
Gij, o koning! zijt in den tegenwoordige tijd een koning der koningen, daar gij zo vele koningen tot uwe vazallen hebt (Ezech. 26:6); want de God des hemels, de eigenlijke Koning der koningen en Heere van alle heren (1 Tim. 6:15) heeft u een koninkrijk, macht en sterkte en ere gegeven;
En overal waar mensenkinderen wonen, heeft Hij tot zelfs de beesten des velds en de vogelen des hemels in uwe hand gegeven, alles, waarover bij de schepping de mens als heer gesteld is (Gen. 1:26, (Ps. 8:7 vv.), en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve (Jer. 27:6; 28:14); 1) gij zijt dat gouden hoofd 2) van het beeld, dat gij in den droom gezien hebt (vs. 32).
Daniël verklaart hier dat het gouden hoofd van het beeld was het Babylonische rijk. Wij weten dat de Assyriërs geheerst hebben vóór de monarchie overging op Babel. Maar dewijl zij niet zo in aanzien stonden, dat zij geacht konden worden in geheel het oosten monarch te zijn, daarom wordt hier in de eerste plaats de Babylonische regering genoemd. Vervolgens is het de moeite waard op te merken, dat God niet gewild heeft hier te melden alles wat reeds vroeger had plaats gehad, maar liever dat het hem zou worden voorgesteld, opdat het volk voor het vervolg zou hangen aan de godsspraak en ook aan dezelve zich vasthouden. Daarom was het overbodig wat ook te verhandelen van de Assyriërs, dewijl die regering reeds was vervallen. Maar de Chaldeën waren tot op zekeren tijd nog heersers ongeveer zeventig of zestig jaar op zijn minst. Daarom wilde God de gemoederen zijner knechten gespannen houden op het einde van deze monarchie. Vervolgens met nieuwe hoop bezielen totdat de tweede monarchie zich zou oplossen, opdat zij naderhand ook rustig zouden verkeren onder de derde en vierde monarchie en eindelijk weten, dat de tijd rijp was voor de komst van Christus. Als hier van Babylon en in vs. 39 van het Griekse rijk gezegd wordt dat het heersen zal over de gehele wereld wil dit niet zeggen, dat er geen volk van zijne heerschappij zal uitgesloten worden. Immers Babel heerst niet ongehinderd over heel de wereld en Griekenland had geen heerschappij over Rome, maar dit, dat het over alle machtige volken heerschappij voerde, dat het de economie over de volken als één geheel gedacht uitoefende, dat het aan spitse stond van alle andere volken, en bij machte was om alle andere volken zijn wil te doen kennen.
Het is niet genoeg, van het gouden hoofd te zeggen, dat het een zinnebeeld is van het Chaldeeuwse rijk (zie 2 Kon. 20:12 en 25:27), men moet ook reden kunnen geven, waarom eerst met dit en niet met het Assyrische rijk (2 Kon 15:20), het begin ener eigenlijke wereldmonarchie gerekend wordt. Het is duidelijk, dat, gelijk het hoofd tot het overige des lichaams, zo ook het Chaldeeuwse rijk inderdaad tot alle wereldmachten van dien tijd af in verhouding staat. Vóór Nebukadnezar waren er ook wel machtige koningen, die in het gebied hunner naburen invielen, plunderende en verwoestende, tot schatting en leendienst dwingende, en in ‘t bijzonder hadden de krijgstochten der Assyrische koningen naar Syrië en Egypte geheel dezen aard en dit karakter; maar de gedaante ener wereldmonarchie, in welke de volken te zamen zijn, om zich aan ééne gemeenschappelijke levensorde te onderwerpen, nam eerst het rijk van Nebukadnezar aan. Tussen de heerschappij der Assyrische koningen en die van Nebukadnezar bestaat een dergelijk onderscheid als tussen het Arabische rijk en den Frankischen Karel; in zijne verhouding tot de overige rijken, die zich op zijne puinhopen verhieven, is het Chaldeeuwse rijk het opmerkelijkste, het verhevenste, en gelijk het, wat den tijd aangaat, het eerste is, zo imponeert het ook het meest door het vroege van zijne glinsterende hoogheid. Is nu Nebukadnezar degene, die het eerst wereldheerschappij geleerd heeft, en zijne gedachte dat gehele beeld van de geschiedenis der mensheid geschapen, dat uit de vier wereldrijken bestaat, zo is ook hij inderdaad het hoofd; daarenboven staat zijn even zo eenzaam en in zich zelven afgesloten, als het hoofd op het lichaam. Babel was een rijk van goud. Thans is de weelde fijner en fraaier, maar van dat massieve goud, van die ontzettende pracht, als die van een rijk van Babel, hebben wij thans gene voorstelling meer. Babel was het gouden hoofd van het beeld; de voorspelling van de opvolging der wereldrijken door een beeld was eigenaardig voor een volk, dat, als het Babylonische, van afgodsbeelden omringd was. Te midden van al die menselijke beelden liet God den koning nu eens een ander beeld zien, waarin hij zich zelven kon aanschouwen, en de macht van dien God, die hem en al zijne opvolgers kon en zou vermalen tot stof, dat de wind meevoert. Daarom vreesde dan ook Daniël, als de dienaar des almachtigen Gods, niet voor den machtigen gouden koning, maar zei tot hem vrij uit, dat het alleen de God des hemels was, die hem het koninkrijk, de macht de sterkte en de ere gegeven had. En dan voegt God het soms zo, dat zulk een groot koning voor een eenvoudig gelovige nedervalt als voor een zoon der goden (vs. 40) .
En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe, gelijk het zilver, waaruit borst en armen van het beeld bestonden (vs. 32), geringer is dan goud; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat afgebeeld is door den koperen buik en de koperen lendenen, hetwelk heersen zal over de gehele aarde, over Azië en Afrika en Europa, Door borst en armen van het beeld wordt een rijk aangewezen, waarvan de zamenstelling ten nadele zijner eenheid op te merken is, en dat reeds daarom geringer is dan het eerste, hoewel het uitwendig een groteren omvang heeft; daarbij komt nog, dat het ene natie (de Grieken), die te dier tijd aan het hoofd der beschaving staat, niet kan ten onder brengen, terwijl zowel het eerste als de beide laatste rijken, wat de oecumeniciteit (algemeenheid), die een wereldrijk behoort te bezitten, aangaat, iets veel hoger bereiken. Er kan nu geen twijfel aan zijn, dat hiermede het Medisch-Perzische rijk bedoeld is, dat eerst als Medisch door de verovering van Babylon in de plaats van het Chaldeeuwse rijk trad, totdat het vervolgens, doordat Cyrus het van zijnen oom Cyaxares I erfde tot een Perzisch werd (zie 2 Kron. 36:20 en Ezra 1:4), Meden en Perzen nu zijn de beide zijden der borst, en wel de Perzen die tot welke het hart, het middelpunt van den bloedsomloop behoort; want de Pers Cyrus was het, die Babylon veroverde. Is echter reeds de borst, bestaande uit twee zijden, en deze ongelijk aan elkaar, terwijl het hoofd een afgesloten geheel was, zo gaan de armen wel van de borst uit, maar zijn toch van haar afgezonderd. Op gelijke wijze strekten zich aan het Medisch-Perzische rijk Fenicië en Egypte naar de ene, het gebied van het Lydische rijk met de Klein-Aziatische Grieken naar de andere zijde uit, wel van het middelpunt des rijks uit beheerst, maar steeds geneigd om zich afhankelijk te maken en in de pogingen daartoe meermalen gelukkig. Alexander de Grote, voordat hij op zijn veroveringstocht (1 Makk. 1:4) de borst van het rijk aantastte, maakte zich eerst van de beide armen meester, welke de Perzische eens zo dreigende tegen Griekenland had uitgestrekt. Het derde, het Griekse wereldrijk was zamengesteld uit ongelijksoortige bestanddelen, als buik en lendenen, namelijk uit de vurige en krachtige volken van Griekenland en Macedonië aan de ene zijde (de lendenen) en uit de trage menigte van het Oosten aan de andere zijde (de buik) (vgl. 1 Makk. 1:4 slot); de lendenen van Griekenland hielden den buik van Azië tussen zich, zonder dien van zijn levensvermogen te kunnen mededelen, en even als het bewegelijkste deel des lichaams, waardoor zich dit draait en wendt, in de naaste nabijheid is van dat, dat slechts wil gedragen zijn, zo was het in het rijk van Alexander met het drukste en schranderste volk ten opzichte van het zich slechts passief gedragende Oosten. Daarbij is nog opmerkingswaardig, dat Alexanders monarchie later werkelijk, ten minste wat de voor het rijk van God gewichtig gewordene rijken zijner opvolgers (de zogenaamde Diadochen) aangaat, in twee lendenen uitliep, wij verwijzen op de beide rijken der Ptolemeüssen in Egypte en der Seleuciden in Syrië, waarover wij bij Hoofdst. 11 nader moeten spreken. Wat de verschillende metalen aangaat, uit welke de beide delen van het beeld bestaan, merken wij nu op, nadat drie wereldrijken voor ons oog zijn voorbijgegaan, dat het goud het duurzaamste metaal is en tot bewerking het geschiktst, zilver is buigzaam en minder geschikt ter bewerking dan het goud, zijn glans is echter zachter dan van het goud, het buigzaamste van alle metalen is het koper daarbij echter even zo geschikt ter bewerking als het ijzer, zijn diepere glans heeft daarentegen iets afschrikkends, ietwat stotends, Zo gaf ook het Perzische rijk aan weerstrevende werking van buiten gemakkelijker toe dan het Chaldeeuwse, dat tot op het ogenblik van den ondergang schijnt te zamen gehouden te hebben en nog gemakkelijker het rijk van Nebukadnezar het onvoorwaardelijkste, minder reeds aan dien van Cyrus en van Darius Hystaspes, het allerminst aan dien van Alexander gelukte, ene zelf gelukte, ene zelf gekozene gedaante van zijn rijk uit te drukken. Nebukadnezar in den glans van een heerser, Cyrus in dien van een rechtvaardige vader, Alexander in dien van een demonisch gedreven krijgsheld! De aan Nebukadnezar toevertrouwde macht, die als zodanig kostbaar, in hare soort volmaakt en van elke andere macht afhankelijk was, uitgenomen van de macht van Hem, die haar geschonken had, werd voorgesteld door het goud. Het zilver verbeeldde het Medisch-Perzische, het aristocratische wereldrijk. De heerschappij van Alexander, den stichter van het derde rijk, was uitgestrekter dan die der Perzen, en toch werd het afgebeeld door een metaal van minder waarde, het koper; het was ene militaire oligarchie (regering van weinigen); het gezag hing meer of min af van de generaals, die gevormd waren in de school van het democratisch Griekenland. (E. GUERS).
En het vierde koninkrijk zal hard zijn ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles, dat alle dingen verbreekt, alzo zal het al die andere metalen of rijken vermalen en verbreken.
En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottebakkersleem, en ten dele van ijzer, dat betekent, dit koninkrijk dat in zijn begin enkel ijzer was, zal in latere tijden een gedeeld koninkrijk in zichzelven verscheurd rijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid, van zijn aard en karakter in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem.
En de tenen der voeten, ten dele ijzer en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt. Gelijk aan het lichaam de lendenen in de schenkels overgaan en deze weer in de voeten hun voortzetting hebben, zo is geschiedkundig het Griekse rijk door het Romeinse vervangen, onder welke heerschappij dan ook werkelijk de oprichting van het rijk Gods volgde (vs. 34 vv.); dit rijk nu, geluk het de oude wereld slkit (schenkels), reikt het aan de andere zijde in de nieuwe wereld (voeten) en zal het in zijne verschillende einden (de tenen), d. i. in de menigvuldige uit Romeinse en ingedrongen barbaarse volksbestanddelen vermengde rijken, blijven tot aan den dag, dat het door het Rijk der heerlijkheid geheel zal vernietigd worden, gelijk als het reeds als bij wijze van een voorbeeld eens door het rijk der genade vernietigd is geworden. De beginselen van het Romeinse Rijk waren zeer sterk; het versloeg alles met de kracht van het ijzer; van het verscheurde rijk van Alexander lijfde het ene deel na het andere zonder veel strijd en bezwaren in zijn gebied in-even als de lendenen aan het lichaam onmerkbaar en van zelf in de schenkels overgaan. En gelijk nu reeds de onwederstaanbaar zware en meedogenloze arm van den Romein zeer nauwkeurig op het ijzer, onder hetwelk alles verpletterd wordt, zo is het ook het gehele aanzien van het Romeinse rijk duister en ernstig, gelijk de kleur van het ijzer; daarbij was het ook, om het beeld der twee schenkelen aan te vullen, dadelijk van den beginne af, toen het zich vormde, in het Latijnse en Griekse, Westerse en Oosterse rijk gescheiden, en deze scheiding heeft sedert voortbestaan, gelijk het eens van elkanders verdeelde lichaam niet weer aaneen gesloten wordt, maar in voeten en tenen uitloopt. Zeer opmerkelijk is het, dat de voeten met de tenen aan het beeld eensdeels van leem zijn. Toen de Duitsers en Slaven ten tijde der volksverhuizing in het Romeinse rijk inrukten, deels op hunnen grond, deels ook in de plaats, die het in de wereldgeschiedenis innam, verzwagerden zich hun vorsten met Romeinse families. Keizer Karel stamde uit een Romeins huis af, en bijna ter zelfder tijd hebben zich de Duitse keizer Otto II en de Russische grootvorst Wladimir met dochters van Oost-Romeinse keizers verbonden. Dit was van grote betekenis voor de verhouding der nakomende volken in ‘t algemeen; zij hebben geen nieuw rijk gesticht, maar slechts het Romeinse voortgezet, en tot op den tegenwoordigen dag ligt aan alle staatsinrichtingen het ijzer, het Romeinse ten grondslag. Zo blijft het tot aan het einde van de gehele wereldmacht, totdat zij eindelijk uitloopt in tien heerschappijen, die, gelijk Hoffman zich voortreffelijk uitdrukt, men evenmin nu reeds zou kunnen aanwijzen, als wanneer men de wederkomst van Christus op morgen of overmorgen wilde stellen; intussen zullen wij later zien, hoe de geschiedenis van den tegenwoordigen tijd op dat einde heenwijst. De tien tenen der voeten van het beeld zijn nog niet gevormd, de tien koninkrijken van het vierde rijk moeten nog komen. Deze zullen ongetwijfeld zich weer op ene gelijke wijze verdelen tussen de twee grote afdelingen, waaruit het op nieuw, maar onder ééne heerschappij zal bestaan, tussen het Romeinse Oosten en Westen, afgebeeld door de twee benen het metalen beeld. De benen van het standbeeld waren van ijzer, zonder bijmengsel van enige vreemde zelfstandigheid; maar de voeten zijn van ijzer en van leem tevens. Dit verdient opgemerkt te worden. Tot nu toe hebben wij slechts de ontaarding der metalen gezien; thans vertoont zich de vervalsing aan ons oog. Het metaal was metaal gebleven; thans vermengt het zich met leem. Waarom? Waarschijnlijk om aan te tonen, dat het herstelde rijk het verbond van twee ongelijksoortige bestanddelen zal vertonen-van de oude oorspronkelijke macht, voorgesteld door het ijzer, het blijft metaal in de ogen des Heeren, en van ene nieuwe macht, die voor Hem slechts leem is. Het zal de keizerlijke of vorstelijk oppermacht met de oppermacht des volks of de volksregering verenigen. In zijn oorsprong zuiver goud, vervolgens zilver, daarna koper, daarna ijzer, zal de macht in de handen der heidenen, in hun tien koninkrijken en in hun laatste uur, niets meer zijn dan ene onzamenhangende ineensmelting van ijzer en leem; ik zeg ene onzamenhangende ineensmelting want men zal er evenmin in slagen om de koninklijke macht met de macht des volks in overeenstemming te brengen, als men er in slagen zou, om door middel van smelting ijzer en leem met elkaar te vermengen, het komt alleen den Messias toe, om de onverenigbare bestanddelen, die reeds zo lang in den boezem der Romeinse maatschappij gistende zijn, en die haar voortdurend met ene algehele overstroming dreigen, met elkaar in overeenstemming te brengen. (E. GUERS).
Doch in de dagen van die koningen van dit vierde rijk, dat al de voorafgaande in zich bevat, zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, a) dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat door God zelven opgerichte koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden, gelijk elk der drie eerste onder de vier wereldrijken steeds tot een ander volk gekomen is, het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
Dan. 4:3, 34; 6:27. 7:14, 27. Micha 4:7. Luk. 1:33.
Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen, zonderdat er handen bij werkzaam waren, afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu, dien gij gedroomd hebt, is gewis, en zijne uitlegging, die ik u gegeven heb, is zeker. Het rijk van den laatsten wereldbeheerser, dat geen einde neemt, treedt niet, gelijk het tot hiertoe steeds het geval was, in de plaats van het naast voorgaande, maar het vernietigde de aardse macht geheel en al. Het stamt ook niet af, waar de vorige rijken afstammen, maar het is Gods eigen, onmiddellijk werk, en de berg, van welken het afgehouwen wordt, is de berg Zion, gelijk geschreven staat (Ps. 50:2): “Uit Zion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. ” “De beschrijving van het keerpunt der dingen in vs. 34 vv. #Da “zegt Auberlen: “is in hare eenvoudigheid zo goddelijk groot, heilig en verheven, dat men gevoelt: dat kan niet van mensen verdicht zijn, het moest uit het hemelse heiligdom geopenbaard zijn. Wanneer wij ook alle dichters en geschiedschrijvers van vroeger of later tijd doorzoeken, waar vinden wij iets in majesteit en eenvoudigheid met deze woorden te vergelijken? De wereldlijke macht is in haar hoogsten glans geschilderd, maar het metalen beeld staat op zeer zwakke voeten van leem. Ja, de gehele heerlijkheid der mensen, die eerst zo kostbaar en zo vast scheen te zijn, is toch in waarheid verstuivende als kaf en zonder enige waarde. Het rijk Gods daarentegen schijnbaar zo onopgemerkt als een steen, die op den grond ligt, is evenwel in zich zelf vast en onveranderlijk tegenover de wereldlijke macht, die reeds in hare veelvoudige verwisseling een bewijs van kwijning en oplossing oplevert en met zich voert, en in het laatst der dagen, in enen ook voor ons nog toekomstigen tijd zal het Godsrijk een einde maken aan al het geweldig drijven, en zelf op aarde plaats nemen, alles met zijne heerlijkheid vervullende (vgl. 2 Thess. 2:8. Matth. 5:5. Openb. 11:15 en 20:4). Uit het zooeven gezegde is reeds duidelijk, dat de voorzegging der beide voor ons liggende verzen slechts middellijk en op ondergeschikte wijze op de eerste verschijning van Christus in het vlees toepasselijk is. Zij is tot op zekere hoogte vervuld daardoor, dat Christus onder den Romeinsen keizer Augustus geboren werd en Zijne kerk het gebied van het vroegere wereldrijk in bezit genomen heeft. Maar de eigenlijke en volkomene oprichting van Zijn rijk en de schitterende vernietiging van de aardse wereldmacht, wachten wij bij de tweede komst des Heeren, waarbij wij de vraag over het zogenaamde duizendjarige rijk nog buiten beschouwing laten. Voor het tegenwoordige bestaat nog het Romeinse rijk voort, zowel van het gezichtpunt der Schrift als volgens de uitspraak der geschiedenis. Zelfs het Germaanse rijk kende gene grotere eer, dan die: het heilige Roomse rijk der Duitse natie te zijn. Voordat het opgelost werd, had reeds Napoleon de idee van het Roomse keizerschap tot de zijne gemaakt, zijne universeel-monarchie was in werkelijkheid en met name van Roomsen aard; zijn zoon heette koning van Rome. Zo is het Roomse rijk nog altijd het ideaal, dat den beheersers dezer wereld met betoverende kracht voor den geest staat, dat zij steeds weer zoeken te verwezenlijken, en dat zonder twijfel nog eens verwezenlijkt zal worden. Gelijk dit aan de ene zijde op de voortzetting van het Westelijk-Romeinse rijk betrekking heeft, zo hebben wij aan de andere zijde ook ene voortzetting van het Oosterse-Romeinse in het Russische rijks, welks beheersers zich naar den Romeinsen Cesar “Czaar” noemen en wier politiek het oog heeft op Konstantinopel en de wederoprichting van het Byzantijnse keizerrijk. De tijd zal dan ook zeker komen, dat het uit elkaar gaan van het vierde wereldrijk in tien afzonderlijke rijken als in de tenen van den Kolossus vervuld wordt. “Nu hebben wij veel meer dan tien rijken, die alle van het Oud-Romeinse afstammen, maar toont niet de geschiedenis van den laatsten tijd onwedersprekelijk, dat de tijden der kleine staten voorbij is en dat die nog overig zijn, bestemd zijn, langzamerhand door de grotere geannexeerd te worden? Hoe menige kleine staat is niet in de laatste decenniën (tientallen van jaren) van de kaart verdwenen, en van hoe menig oude zijn de dagen reeds geteld. De tijd wijst er op, dat de grotere staten zich consolideren, zich afronden; en, gelijk de loop der geschiedenis tot hiertoe de profetie van Daniël bevestigde, zo zal hij ook daarin haar bevestigen, dat wij nog ten laatste 10 staten zullen hebben, waarin het Romeinse rijk uitloopt, en hoe meer wij dit tiental naderen, des te meer naderen wij het einde. ” . Wat is de steen, zonder handen afgehouwen, die het beeld slaat en vermaalt? Is dat de gemeente, of een gedeelte der gemeente, zo als beweerd wordt? De steen is, naar onze overtuiging, de Heere Jezus, die de tegen Hem op de Romeinse aarde opgestane volken oordelen, en eindelijk het lange tijdvak der heidenen sluiten moet. Hij zal die volken slaan rechtstreeks, plotseling, zonder enig middel der Voorzienigheid te gebruiken (Openb. 19:15. Ps. 110:2. Jes. 63 enz.) Met een enkelen schok zal de Steen, die door de bouwlieden verworpen werd en die thans verheven is aan de rechterhand Gods (Ps. 118:22. Jer. 8:14; 38:16. Matth. 21:43, 44. 1 Petr. 2:4, 6 de geestelijke steen, het trotse beeld verbrijzelen, hij zal het tot gruis maken, hij zal het vernietigen, hij zal daarvan geen spoor laten overblijven. Daarna een grote berg geworden, zal hij weldra de ganse aarde bedekken (Micha 5:3) en heersen van de ene pool tot de andere. Dit is de algemene heerschappij van den Zoon des mensen. Merk wel op, wanneer die Steen valt: “in de dagen van die koningen” staat er, dat is van die, welke voorgesteld worden door de tien tenen der voeten. En merk eveneens op, op welk gedeelte van het beeld hij valt, namelijk op “de voeten van ijzer en leem; ” die voeten nu behoren tot het vierde rijk, waarvan zij den laatsten toestand vooraf schaduwen. Door den steen zal dus getroffen worden het vierde rijk, dat hij in zijn laatsten vorm (de tien koninkrijken) zal aantreffen; hij zal het verbreken als een pottebakkersvat (Ps. 2), staatkundige, burgerlijke en maatschappelijke instellingen, godsdienstige en kerkelijke inrichtingen, voor zoveel zij nog op dit laatste ogenblik zijn overgebleven, al wat slechts enigermate in verband staat met het Romeinse heidendom, al wat van zijnen geest van goddeloosheid, van opstand tegen den Heere, van haat tegen Zijn Evangelie, van vervolging tegen Zijn volk doordrongen is, zal onder de handen van den oppersten Rechter in den vreselijken vloed vergaan; en dit woord van Jezus zal dan zijne volkomene vervulling erlangen: Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen (Luk. 20:18). De steen zal niet alleen het ijzer en leem vermalen, hij zal met denzelfden slag vermalen het goud, het zilver en het koper, hij zal tot zelfs het laatste spoor daarvan verdoen; al de macht en al de heerlijkheid der heidenen zullen alsdan als een droom van den nacht voorbijgaan, zo als de droom van den koning van Babel voorbijging. Het bestaan der volken zijne perken, maar de vorm der hun toebetrouwde macht, hun regeringstelsels, hoewel gewijzigd, overleven hen. De staatkundige instellingen en wetten van Chaldea hebben zekere beginselen in die van Perzië overgegoten. Perzië heeft op Griekenland teruggewerkt, en Griekenland op Rome, Rome zal op zijne beurt in de tien koninkrijken herleven. Menige eerst in Chaldea afgekondigde wet en inzetting werkt nog heden in de Romeinse wereld, haar geest wordt nog door die bezield, zij zullen niet eer vergaan, dan op den dag, waarop het heiligdom zal vallen onder de almachtige hand van Jezus Christus. (E. GUERS). Wie zich ergeren kan, dat de loop der wereldgeschiedenis hier voor het eerst aan een heidensen Nebukadnezar kon bekend gemaakt worden, ziet aan de ééne zijde de hoge betekenis van dezen vorst in de geschiedenis, bepaaldelijk van Israël, voorbij, en vergeet aan den anderen kant, hoe daardoor tegenover de ijdelheid der sterrenwichelarij, de naam van Jehova werd geopenbaard en verheerlijkt in het hart der heidense wereld. Is het daarbij niet treffend, dat God aan den machtigsten werelddwinger zijner eeuw, als met eigen oog doet aanschouwen, wat het einde is van stoffelijke kracht hier beneden? Ook hij wordt hier, niet minder dan een David of Cyrus, een dienaar van Gods eeuwigen raad. Toch kan hij, de heiden, het gezicht, dat hij ontvangen heeft, niet uit zich zelven verklaren; de afgezant van den enig Waarachtige moet den sleutel hem toereiken van het raadsel, hem van verre getoond. Voor Daniël zelf biedt het woord, hem hier door den Geest des Heeren op de lippen gelegd, ongetwijfeld de ruime stof van voortgezet eerbiedig nadenken aan. Zonder het te weten, werd hij te dier ure reeds voorbereid voor ene nadere openbaring, die hij zelf ettelijke jaren later aangaande de opvolging en het lot der voornaamste wereldrijken ontvangen zou. Heeft hij wellicht thans nog de betekenis niet ten volle doorgrond, van wat hij op hoger last aan zijnen gebieder moest melden, later onder de regering van Belsazar-onverschillig welke opvolger van Nebukadnezar door deze benaming wordt aangeduid-is ook voor hem het licht uit het duister verrezen. Het is hem toen mogen gebeuren, in profetische verrukking den koning zelven te zien, wiens aanstaande heerschappij hij reeds aan den laatstgenoemden monarch had aangekondigd. Het koninkrijk van Christus zal alle andere koninkrijken verderven, het zal ze overleveren, ja het zal bloeien, wanneer zij door hun eigene zwaarte zinken en in dien trap verwoest worden, dat hun plaats hen niet meer kent. Alle de koninkrijken, die zich tegen het koninkrijk van Christus aankanten, zullen verstoord en met een ijzeren scepter als een pottebakkersvat verbroken worden. En in de koninkrijken, die zich aan het koninkrijk van Christus onderwerpen, zal tyrannie en afgoderij en alles wat hen verachtelijk maakt, zover als het Evangelie van Christus veld wint, verdreven worden. Dat Daniël zegt dat de droom gewis is en zijne uitlegging zeker is, om daarmee den koning op het hart te binden, dat zeker zal gebeuren wat voorspeld is, maar ook om hem er toe te dwingen, dat hij aan den levenden God al de ere geve, en zich afkere van de afgoden, waarvoor hij zich tot nu gebogen heeft.
Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, nadat hij met toenemende bewondering het verhaal van zijnen droom had gehoord, dien hij zich weer geheel herinnerde, en door de verklaring hevig getroffen was, en hij aanbad Daniël, in wien hij ene zichtbare verschijning van den hoogsten God meende te zien (Hand. 14:11 vv.); en hij zei, dat men met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. 1) Daniël heeft dit echter zonder twijfel met nadruk afgewezen, en den koning doen verstaan, dat hij niets dan een sterfelijk, een gering dienaar van den God van Israël was, en dat het deze God was, die Zich aan Nebukadnezar had willen verheerlijken en antwoord geven op de gedachten en vragen van zijn hart (vs. 29).
Dat gezegd wordt dat de koning van Babel op zijn aangezicht is gevallen, kan hem eensdeels tot lof worden toegekend, anderdeels ook tot schuld toegerekend worden. Het was toch een teken, zowel van vroomheid als van bescheidenheid, dat hij zich neerboog voor God en Zijn profeet. Wij weten hoe hevig de trotsheid der koningen is, ja, wij zien, dat zij gelijk zijn aan de waanzinnigen, dewijl zij niet menen dat zij behoren tot het getal der stervelingen, zozeer zijn zij verblind door den glans van hun grootheid. Nebukadnezar was toen de grootste monarch. Moeilijk derhalve was zijn gemoed zo in te richten, dat hij God de eer gaf, terwijl de droom, welken Daniël had uitgelegd, hem toch niet aangenaam was. Hij zag toch zowel dat zijn monarchie bij God vervloekt was, alsook dat deze met smaad zou vergaan, dat de andere, welke zouden voortleven, in den hemel waren verordineerd. En ofschoon hij enigen troost kon scheppen uit den ondergang van de andere rijken, zo was het toch zeer hard voor verwende oren te vernemen, dat een rijk, hetwelk toen zeer bloeiende was en naar aller mening eeuwigdurend; geen vastigheid bezat, en zeer zwak was. Dat hij derhalve zich voor Daniël neerboog, was een teken van vroomheid, zodat hij God daarmee eerbied bewees en de godsspraak omhelsde, hetwelk overigens zwaar en moeilijk kon zijn, maar het is ook een teken van bescheidenheid, omdat hij zich daarbij neerboog voor den Profeet Gods. Maar niet geheel kan hij verontschuldigd worden, dewijl, ofschoon hij erkent dat de God Israëls de enige God is, hij echter dien eredienst overbrengt op een sterfelijk mens. Wie dit verontschuldigen letten er niet genoeg op dat de ijdele mensen hemel en aarde vermengen, dewijl zodra zij rechte aandoeningen hebben terstond terugvallen tot hun bijgelovigheden. Wij lezen niet dat Daniël deze eerbewijzing heeft aangenomen en evenmin dat hij ze geweigerd heeft. Het ligt echter voor de hand, dat Daniël deze geweigerd heeft, dewijl hij een man was, die God vreesde, en wist dat zulke eerbewijzen alleen God, den Heere, toekomen.
De koning antwoordde Daniël, op hetgeen deze hem van de Majesteit en heerlijkheid zijns Gods gezegd had, toen hij de goddelijke eer voor zichzelven afwees, en zei: Het is de waarheid, dat ulieder God, dien gij Joden vereert, een God der goden is (Ex. 15:11. 11 Ps. 136:2) en een Heere der koningen (Hoofdst. 8:25), en die de verborgenheden openbaart, terwijl mijne sterrekijkers en wijzen van hun goden moesten zeggen: zij wonen niet bij mensen (vs. 11); ik erken daarvoor uwen God, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren, den droom, dien ik had met zijne verklaring. Deze goede en ware belijdenis zou een teken van ware bekering en zinsverandering kunnen schijnen, maar onheilige mensen worden soms tot bewondering van God gedrongen, en dan bekennen zij met een overvloed van woorden, wat men meer van de ware vereerders van God zou kunnen verlangen. Dit is echter slechts een ogenblikkelijke indruk; intussen blijven zij daarna, even als te voren, in hun dwalingen verward. Het is dus God, die hun de woorden afperst, wanneer zij zo vroom worden; inwendig behouden zij hun zonde, zodat zij weer spoedig in hun vorigen toestand wegzinken, gelijk ook in het voor ons liggende geval daarvan een merkwaardig voorbeeld in het volgend hoofdstuk wordt meegedeeld. Hoe het echter zij, God wilde den mond van den onheiligen koning Zijnen roem laten verkondigen en hem tot enen heraut van Zijne macht en heerlijkheid maken. Daarentegen kan ook gezegd worden: dat Nebukadnezar de onverschrokkene belijdenis van Daniël over Gods heerlijkheid en gericht zo hoog eerde, dat hij ditmaal werkelijk slechts waarheid, gene vleierij wilde, en dat hij de waarheid, ook die hem verootmoedigde, wist te erkennen en te waarderen. God had hem echter ook door de wijze, waarop deze openbaring tot hem kwam, daartoe voorbereid; hij had te voren in zijn hartstochtelijk gemoed den honger naar deze waarheid opgewekt en tot een grenzeloos ongeduld doen stijgen. De vertegenwoordiger der eerste wereldmacht is het die hier plechtig de superioriteit (meerderheid) van Israëls God erkent en zich voor Hem buigt. Hoe geheel anders zullen wij het bij den vertegenwoordiger der laatste wereldmacht, den Antichrist, vinden, die zich zelven tot God maakt! Ook hier heeft het eerste en hebben de eerste wereldrijken een voorrang boven het laatste. De overwinning van de wereldheerschappij door het Godsrijk, niettegenstaande de eerste zo groot, het laatste zo zwak schijnt, trok ook bijzonder de aandacht van den man, die aan ‘t begin dezer eeuw, gelijk eertijds een Nebukadnezar, van ene algemene wereldheerschappij scheen te dromen, van Napoleon. De graaf van Montholon verhaalt: “het Brits Bijbelgenootschap gaf den keizer op St. Helena een prachtigen Bijbel ten geschenke. Hij las dien dikwijls, sprak met eerbied over dat Boek, en in zijn lijden zweefde dikwijls den naam des Heilands op zijne lippen. Onder anderen zei hij: ‘t is niet één dag of één gevecht, die den Christelijken godsdienst hebben doen zegevieren over de wereld. Neen, het is een oorlog, een strijd der eeuwen, aangevangen door de Apostelen en voortgezet door hun navolgers en den stroom der Christelijke nageslachten. In deze strijd staan van de ene zijde alle koningen en krachten der aarde, en tegenover hen zie ik geen leger, maar ene geheimzinnige kracht, enige mensen, hier en daar, in alle delen der aarde verstrooid, en die geen ander verenigingsteeken hebben, dan het gemeenschappelijk geloof in de verborgenheden des kruises. Ik sterf vóór mijnen tijd en mijn lichaam zal ook aan de aarde wedergegeven worden. Dit is het noodlot, dat weldra den groten Napoleon zal nederwerpen. Welk een onderscheid tussen mijne diepe ellende en het eeuwig rijk van Christus, dat gepredikt, bemind, aangebeden wordt, dat over de ganse wereld zich uitstrekt. Is dat sterven? is het niet veeleer leven? De dood van Christus, hij is de dood Gods. ” Hierop zweeg Napoleon. Toen echter de generaal Bertrand niets antwoordde, zei de keizer: “Begrijpt gij niet, dat Jezus Christus God is, dan heb ik verkeerd gehandeld, toen ik u tot generaal benoemde. ” .
Toen maakte de koning naar zijne belofte (vs. 6) aan hem, die den droom en zijne betekenis zou te kennen geven, Daniël groot (vgl. Gen. 41:38 vv.), en hij gaf hem vele grote geschenken, gelijk dit in het Oosten bij eervolle onderscheidingen de gewoonte is, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, de provincie Babylon, de voornaamste in het gehele rijk, en tot enen overste der overheden over al de wijzen van Babel, zodat de gehele orde der Magiërs voortaan onder zijne leiding stond, waarvan deze groten zegen had tot in de verste tijden (Matth. 2:1 vv.). In enen tijd, toen God Zich niet aan het gehele volk kon verheerlijken, was Daniël voor de ogen van Babels vorst, die zich voor almachtig hield, geroepen, om in zijn persoon het volk van God en de uitwendig aan de macht der Chaldeën prijs gegevene Theokratie voor de heidenen, aan de hoogste plaats der heidense wereldmacht te vertegenwoordigen. Daardoor moest de bewaring en de wederherstelling van hen of het terugkeren van het volk Gods naar zijn land voorbereid worden. Om indruk te maken op de machtige dragers van het heidendom, moesten nu de wonderen, die aan Daniël en zijne vrienden of voor deze geschiedden, een machtig indrukwekkend karakter aannemen. Dat zij dit doel werkelijk bereikten, bewijst het eindigen der ballingschap, namelijk het edict van Cyrus (Ezra 1:1 vv.), dat niet alleen beperkt was op de toestemming voor de Joden om terug te keren, maar uitdrukkelijk den God des hemels ere geeft en beveelt Zijnen tempel te bouwen (Vgl. het bij 2 Kron. 35. 23 gezegde).
Toen verzocht Daniël van den koning, om over de bijzondere districten van het landschap intendanten, of onder den stadhouder staande commissarissen aan te mogen stellen, en hij stelde, daar hem dit verzoek werd toegestaan, Sadrach, Mesach en Abed-nego, zijne hem gelijkgezinde en eveneens met hoge wijsheid begaafde drie vrienden (Hoofdst. 1:17; 2:17 v.) over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniël bleef, daar hij tevens hoofd van de orde der Magiërs was, aan de poort des konings 1), zodat hij met de bezigheden van het stadhouderschap voor zijn eigen persoon niets verder te doen had (Hoofdst. 3:12).
Deze wijze van spreken is bij de Turken steeds behouden, daar volgens hen, het paleis van den groten heer te Konstantinopel, gewoonlijk bij ons genoemd wordt de porte d. i. porta of poort. Hoewel de koning erkent, dat de God van Israël de God der goden was, heeft hij enigen tijd daarna Zijnen tempel beroofd en verwoest. De wijze en heilige oogmerken, welke de allerhoogste God gehad heeft in de bestiering van deze gebeurtenis, zijn ons reeds onder het overwegen der zaken zelf openbaar geworden. De Heere wilde dus al aanstonds in den beginne van de Babylonische gevangenis, onder de Chaldeën, op ene doorluchtige wijze betonen Zijne opperhoogheid en alwetendheid, en hen daardoor verplichten, om te erkennen hetgeen Nebukadnezar ter ere van den God Israëls beleed, dat Hij namelijk groter was dan alle goden, en een Heere der koningen, en die de verborgenheden openbaart. Te krachtiger straalde dit door, als God dit deed in ene zaak, die den persoon van den koning zelven aanging, in welke Hij toonde, hoe ook die in zijne hand was, en hem deed weten, dat hij al zijne macht aan Hem te danken had; ten bewijze dat hij ook over Israël, het volk des Heeren, niets meer vermocht of vermogen zou, dan het Hem behaagde toe te laten. En zo veel te meer moest het gehele hof van den koning, en allen, die er kennis van kregen, met de uiterste verbazing de hoogheid van Israëls God hierin erkennen, dewijl de Heere al de wijsheid van hun wijzen op ene zo ongemene wijze geheel en al beschaamde, en deze zelf verplicht werden om te erkennen, dat het alleen het werk van de Godheid was, zulke verborgene dingen te openbaren, hetgeen zij nochtans niet zagen te verkrijgen van hun goden, daar het Daniël verkreeg van zijnen God.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel