Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En te dier tijdH6256 zal MichaelH4317 opstaanH5975, die groteH1419 vorstH8269, die voor de kinderenH1121 uws volksH5971 staatH5975, als hetH1931 zulk een tijdH6256 der benauwdheidH6869 zijn zal, als er nietH3808 geweest is, sinds dat er een volkH5971 geweest is, totH5704 opH5921 dienzelven tijdH6256 toe; en te dier tijdH6256 zal uw volkH1471 verlostH4422 worden, alH3605 wie gevondenH4672 wordt geschrevenH3789 te zijn in hetH1931 boekH5612.
En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
KJV
And at that time1
shall Michael4
stand up,3
the great6
prince5
which standeth7
for the children9
of thy people:10
and there shall be11
a time12
of trouble,13
such as never was since there was a nation18
even to that same time:20
and at that time22
thy people25
shall be delivered,24
every one that shall be found27
written28
in the book.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En velenH7227 van die, die in het stofH6083 der aardeH127 slapenH3463, zullen ontwakenH6974, dezenH428 ten eeuwigenH5769 levenH2416, en genen tot versmaadhedenH2781, en tot eeuwigeH5769 afgrijzingH1860.
En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
KJV
And many1
of them that sleep2
in the dust4
of the earth3
shall awake,5
some to everlasting8
life,7
and some to shame10
and everlasting12
contempt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De leraarsH7919 nu zullen blinkenH2094, als de glansH2096 des uitspanselsH7549, en die er velenH7227 rechtvaardigenH6663, gelijk de sterrenH3556, altoosH5769 en eeuwiglijkH5703.
De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
KJV
And they that be wise1
shall shine2
as the brightness3
of the firmament;4
and they that turn many6
to righteousness5
as the stars7
for ever8
and ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En gijH859, DanielH1840! sluitH5640 deze woordenH1697 toe, en verzegelH2856 dit boekH5612, totH5704 den tijdH6256 van het eindeH7093; velenH7227 zullen het naspeurenH7751, en de wetenschapH1847 zal vermenigvuldigdH7235 worden.
En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
KJV
But thou, O Daniel,2
shut up3
the words,4
and seal5
the book,6
even to the time8
of the end:9
many11
shall run to and fro,10
and knowledge13
shall be increased.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En ikH589, DanielH1840, zagH7200, en zietH2009, er stondenH5975 tweeH8147 anderen, de een aan deze zijde van den oeverH8193 der rivierH2975, en de anderH259 aan gene zijde van den oeverH8193 der rivierH2975.
En ik, Daniel, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.
KJV
Then I Daniel3
looked,1
and, behold, there stood7
other6
two,5
the one8
on this side9
of the bank10
of the river,11
and the other12
on that side of the bank14
of the river.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En hij zeideH559 tot den ManH376, bekleedH3847 met linnenH906, DieH834 boven op het waterH4325 der rivierH2975 was: TotH5704 hoe langH4970 zal het zijn, dat er een eindeH7093 van deze wonderenH6382 zal wezen?
En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
KJV
And one said1
to the man2
clothed3
in linen,4
which was upon6
the waters7
of the river,8
How long shall it be to the end11
of these wonders?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En ik hoordeH8085 dienH834 ManH376, bekleedH3847 met linnenH906, Die boven op het waterH4325 van de rivierH2975 was, en Hij hiefH7311 Zijn rechterhandH3225 en Zijn linkerhandH8040 op naarH413 den hemelH8064, en zwoerH7650 bij Dien, Die eeuwiglijkH5769 leeftH2416, dat na een bestemden tijdH4150, bestemde tijdenH4150, en een helftH2677, en alsH3588 Hij zal voleindH3615 hebben te verstrooienH5310 de handH3027 des heiligenH6944 volksH5971, alH3605 dezeH428 dingen voleindH3615 zullen worden.
En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.
KJV
And I heard1
the man3
clothed4
in linen,5
which was upon7
the waters8
of the river,9
when he held up10
his right hand11
and his left hand12
unto heaven,14
and sware15
by him that liveth16
for ever17
that it shall be for a time,19
times,20
and an half;21
and when he shall have accomplished22
to scatter23
the power24
of the holy26
people,25
all these things shall be finished.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Dit hoordeH8085 ik, doch ik verstondH995 het nietH3808; en ik zeideH559: Mijn HeereH113! watH4100 zal het eindeH319 zijn van dezeH428 dingen?
Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
KJV
And I heard,2
but I understood4
not: then said5
I, O my Lord,6
what shall be the end
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En Hij zeideH559: GaH3212 henen, DanielH1840! wantH3588 deze woordenH1697 zijn toegeslotenH5640 en verzegeldH2856 totH5704 den tijdH6256 van het eindeH7093.
En Hij zeide: Ga henen, Daniel! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.
KJV
And he said,1
Go thy way,2
Daniel:3
for the words7
are closed up5
and sealed6
till the time9
of the end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VelenH7227 zullen er gereinigdH1305 en witH3835 gemaakt, en gelouterdH6884 worden; doch de goddelozenH7563 zullen goddelooslijkH7561 handelen, en geenH3808 van de goddelozenH7563 zullen het verstaanH995, maar de verstandigenH7919 zullen het verstaanH995.
Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
KJV
Many4
shall be purified,1
and made white,2
and tried;3
but the wicked6
shall do wickedly:5
and none of the wicked10
shall understand;8
but the wise11
shall understand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En van dien tijdH6256 af, dat het gedurigH8548 offer zal weggenomenH5493, en de verwoestendeH8074 gruwelH8251 zal gesteldH5414 zijn, zullen zijn duizendH505 tweehonderdH3967 en negentigH8673 dagenH3117.
En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
KJV
And from the time1
that the daily3
sacrifice shall be taken away,2
and the abomination5
that maketh desolate6
set up,4
there shall be a thousand8
two hundred9
and ninety10
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WelgelukzaligH835 is hij, die verwachtH2442 en raaktH5060 tot duizendH505 driehonderdH7969 vijfH2568 en dertigH7970 dagenH3117.
Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
KJV
Blessed1
is he that waiteth,2
and cometh3
to the thousand5
three6
hundred7
and five9
and thirty8
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Maar gij, gaH3212 henen tot het eindeH7093, want gij zult rustenH5117, en zult opstaanH5975 in uw lotH1486, in het eindeH7093 der dagenH3117.
Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.
KJV
But go thou thy way2
till the end3
be: for thou shalt rest,4
and stand5
in thy lot6
at the end7
of the days.
te dier tijd
Te weten als Antiochus de Joden [en de Antichrist de kerk van het Nieuwe Testament] op het heiligst zal kwellen en bestrijden.
Hertaald:
te dier tijd
Namelijk wanneer Antiochus de Joden — en de antichrist de kerk van het Nieuwe Testament — het hevigst zal kwellen en bestrijden.
Michaël
Zie boven Dan. 10:13 .
Hertaald:
Michaël
Zie Dan. 10:13.
opstaan,
Of, zich opmaken om zijne kerk te verlossen, eerst van de vervolgingen van Antiochus, en ten laatste ook van de vervolgingen van den Antichrist.
Hertaald:
opstaan,
Of: zich opmaken om Zijn kerk te verlossen, eerst van de vervolgingen van Antiochus en ten slotte ook van de vervolgingen van de antichrist.
voor de kinderen uws volks staat,
Dat is, die voor de kerk van God staat, haar beschuttende en beschermende tegen al hare vijanden.
Hertaald:
voor de kinderen uws volks staat,
Dat is: die voor Gods kerk staat en haar beschut en beschermt tegen al haar vijanden.
verlost worden,
Dat is, beginnen verlost te worden, en de zaligheid en het heil Gods zal aankomen en eindelijk meer en meer vervuld worden door den Heere Christus, tot de opstanding der doden toe.
Hertaald:
verlost worden,
Dat is: beginnen verlost te worden; de zaligheid en het heil van God zal aanbreken en ten slotte meer en meer vervuld worden door de Heere Christus, tot aan de opstanding van de doden toe.
geschreven te zijn in het boek
Dat is, die in den onveranderlijken raad Gods bestemd is om deze verlossing deelachtig te wezen; het is ene manier van spreken, genomen van de mensen, onder wie het gebruikelijk is dat van degenen, die in ene stad het burgerrecht ontvangen, de namen in een boek opgetekend worden; zie Ex. 32:32 ; Ps. 69:29 , en Ezech. 13:9 .
Hertaald:
geschreven te zijn in het boek
Dat is: die in de onveranderlijke raad van God bestemd is om aan deze verlossing deel te krijgen. Het is een manier van spreken die ontleend is aan de mensen, bij wie het gebruikelijk is dat de namen van hen die in een stad het burgerrecht ontvangen in een boek opgetekend worden; zie Ex. 32:32; Ps. 69:29 en Ezech. 13:9.
velen van die,
Dat is, de veelheid, of allen, gedeeld in twee hopen, zijnde in beide hopen velen, gelijk in het volgende verklaard wordt. Dit moet men verstaan van de algemene opstanding der doden ten jongsten dage.
Hertaald:
velen van die,
Dat is: de menigte, of allen, verdeeld in twee groepen, waarbij het in beide groepen om velen gaat, zoals in het vervolg verklaard wordt. Dit moet men verstaan van de algemene opstanding van de doden op de jongste dag.
in het stof der aarde
Hebreeuws, in den aardbodem des stofs.
Hertaald:
in het stof der aarde
Hebreeuws: in de aardbodem van het stof.
slapen,
Te weten den slaap des doods. Zie 1 Thess. 4:14 , 1 Thess. 4:16 .
Hertaald:
slapen,
Namelijk de slaap van de dood. Zie 1 Thess. 4:14, 1 Thess. 4:16.
afgrijzing
Of, walging, of verfoeiing. Zie de aantekening Jes. 66:24 .
Hertaald:
afgrijzing
Of: walging, of verfoeiing. Zie de aantekening bij Jes. 66:24.
De leraars
Of, de onderwijzers, de verstandigen, de kloekmakers; zie boven Dan. 11:33 .
Hertaald:
De leraars
Of: de onderwijzers, de verstandigen, zij die anderen wijs maken; zie Dan. 11:33.
blinken,
Of, glinsteren.
Hertaald:
blinken,
Of: glinsteren.
des uitspansels,
Dat is, van den hemel, van het firmament, van de sterren des hemels. Zie Gen. 1:6 .
Hertaald:
des uitspansels,
Dat is: van de hemel, van het firmament, van de sterren aan de hemel. Zie Gen. 1:6.
rechtvaardigen,
Of, rechtvaardig maken; te weten door hunne leer en onderwijzing. Zie de aantekening Ezech. 3:18 .
Hertaald:
rechtvaardigen,
Of: rechtvaardig maken, namelijk door hun leer en onderwijs. Zie de aantekening bij Ezech. 3:18.
altoos en eeuwiglijk
Dit voegt de engel hierbij tot troost der godzaligen, die hier op aarde aan veel kruis en vervolging onderworpen zijn.
Hertaald:
altoos en eeuwiglijk
Dit voegt de engel eraan toe tot troost van de godvruchtigen, die hier op aarde aan veel kruis en vervolging onderworpen zijn.
sluit deze woorden toe,
Zie boven Dan. 8:26 .
Hertaald:
sluit deze woorden toe,
Zie Dan. 8:26.
den tijd van het einde;
Hebreeuws, tot den tijd van het einde, gelijk vs.9; dat is, totdat de tijd zal gekomen zijn, in welken het God zal believen dit volkomener te openbaren.
Hertaald:
den tijd van het einde;
Hebreeuws: tot de tijd van het einde, zoals vers 9; dat is: totdat de tijd gekomen zal zijn waarin het God zal behagen dit vollediger te openbaren.
naspeuren,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk omlopen, omtrekken, heen en weder lopen, om iets naarstiglijk te onderzoeken en uit te vinden. Zie Job 1:7 . Alsof de engel zeide: Alhoewel er nu weinigen zijn, die begerig zijn om te weten den toekomenden staat der kerk, zo zal dan nog de tijd komen, dat er velen zullen pogen naar de kennis van deze heilige dingen, en zullen ook in kennis toenemen.
Hertaald:
naspeuren,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: rondlopen, heen en weer gaan om iets ijverig te onderzoeken en te ontdekken. Zie Job 1:7. Alsof de engel zei: er zijn nu weinigen die verlangen te weten hoe het met de kerk in de toekomst gesteld zal zijn. Maar er komt nog een tijd dat velen naar de kennis van deze heilige zaken zullen streven, en ook in kennis zullen toenemen.
twee anderen,
Te weten engelen, die begerig zijn zulke dingen in te zien, 1 Petr. 1:12 . Deze twee engelen waren anderen dan die engel, die tot nog toe met Daniël gesproken heeft, ook anderen dan van wien boven Dan. 10:5 gesproken is.
Hertaald:
twee anderen,
Namelijk engelen, die verlangen een blik te slaan in zulke dingen, 1 Petr. 1:12. Deze twee engelen waren anderen dan de engel die tot nu toe met Daniël gesproken heeft, en ook anderen dan degene over wie in Dan. 10:5 gesproken is.
oever der rivier,
Hebreeuws, lip.
Hertaald:
oever der rivier,
Hebreeuws: lip.
rivier
Te weten van de rivier Hiddekel; zie boven Dan. 10:4 .
Hertaald:
rivier
Namelijk van de rivier de Hiddekel; zie Dan. 10:4.
hij zeide
Te weten een van hen, of zij beiden, de een voor, de ander na.
Hertaald:
hij zeide
Namelijk een van hen, of allebei, de een na de ander.
Man,
Zie boven Dan. 10:9 .
Hertaald:
Man,
Zie Dan. 10:9.
Die boven op het water der rivier was
Dat is, die geweld heeft over alle heidenen, want door wateren worden dikwijls volken betekend in de Heilige Schrift.
Hertaald:
Die boven op het water der rivier was
Dat is: Die macht heeft over alle volken, want in de Heilige Schrift worden met wateren vaak volken aangeduid.
dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
Wanneer zullen dan deze dingen, welke in ons verstand wonderlijk zijn, een einde nemen?
Hertaald:
dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
Wanneer zullen deze dingen, die in onze ogen wonderlijk zijn, een einde nemen?
na een bestemden tijd,
Zie de aantekening Dan. 7:25 .
Hertaald:
na een bestemden tijd,
Zie de aantekening bij Dan. 7:25.
een helft,
Of, een deel; te weten van den bestemden tijd.
Hertaald:
een helft,
Of: een deel, namelijk van de bepaalde tijd.
Hij zal voleind hebben
Te weten God de Heere.
Hertaald:
Hij zal voleind hebben
Namelijk God de HEERE.
te verstrooien
Dat is, zijn volk en kerk zo vernederd en verzwakt zal hebben, dat zij zal schijnen schier geheellijk tenonder gebracht te zijn.
Hertaald:
te verstrooien
Dat is: Zijn volk en kerk zo vernederd en verzwakt zal hebben dat zij bijna geheel onderworpen lijkt te zijn.
de hand des heiligen volks,
Dat is, alle macht en vermogen van het volk. Vergelijk Deut. 32:36 . Anderen verstaan hier door de hand, die hand door welke het heilige volk was gedrukt geworden, namelijk de macht van Antiochus Epifanes, van zijn krijgsvolk en zijne nakomelingen; dat alsdan die grote vervolgingen op het hoogste gelopen zouden zijn; vergelijk Dan. 7:26 , en dat zich God opmaken zou om zijn volk te verlossen. Zie boven vs.1, vergelijk Dan. 7:26 .
Hertaald:
de hand des heiligen volks,
Dat is: alle macht en vermogen van het volk. Vergelijk Deut. 32:36. Anderen verstaan hier onder de hand: de hand waardoor het heilige volk onderdrukt was, namelijk de macht van Antiochus Epifanes, van zijn krijgsvolk en zijn opvolgers; dan zouden die grote vervolgingen op hun hoogst gekomen zijn (vergelijk Dan. 7:26) en zou God Zich opmaken om Zijn volk te verlossen. Zie hierboven vers 1, en vergelijk Dan. 7:26.
ik verstond het niet;
Te weten wat dat te zeggen was, een bestemde tijd, bestemde tijden, en ene helft, enz.
Hertaald:
ik verstond het niet;
Namelijk wat er bedoeld werd met een bepaalde tijd, bepaalde tijden en een helft, enzovoort.
Mijn Heere
Aldus noemt hij Christus, met wien hij sprak.
Hertaald:
Mijn Heere
Zo noemt hij Christus, met Wie hij sprak.
het einde zijn van deze dingen?
Hebreeuws, het laatste. Daniël begeert duidelijk den tijd te mogen weten, wanneer de kerk Gods van die zware vervolging zou verlost en de ware godsdienst zou hersteld worden.
Hertaald:
het einde zijn van deze dingen?
Hebreeuws: het laatste. Daniël verlangt duidelijk de tijd te mogen weten waarop Gods kerk van die zware vervolging verlost en de ware godsdienst hersteld zou worden.
deze woorden zijn toegesloten en verzegeld
Vergelijk boven Dan. 8:26 .
Hertaald:
deze woorden zijn toegesloten en verzegeld
Vergelijk Dan. 8:26.
tot den tijd van het einde
Dan zal deze ganse profetie open en klaar wezen, maar vóór dien tijd kan de rechte mening daarvan niet vastelijk noch zekerlijk in al hare delen geweten worden.
Hertaald:
tot den tijd van het einde
Dan zal deze hele profetie open en duidelijk zijn; maar vóór die tijd kan de juiste betekenis ervan niet in al haar delen vast en zeker gekend worden.
Velen zullen
Eene wederhaling van de voorzegging der ellenden, die de kerk Gods zouden overkomen. Zie Dan. 11:35 .
Hertaald:
Velen zullen
Een herhaling van de voorzegging van de ellende die Gods kerk zou overkomen. Zie Dan. 11:35.
gereinigd en wit gemaakt,
Of, gezuiverd worden. Onze Heere Christus gebruikt hier drie woorden bij gelijkenis; het eerste is genomen van de zuivering van het koren; gelijk het koren met de wan van het kaf gezuiverd wordt, alzo de gelovigen met den wan der vervolging; het tweede woord is genomen van de vollers, die het laken schoon en wit vollen; de derde gelijkenis is genomen van de goudsmeden, die het goud en zilver in hun smeltoven louteren en het schuim uitzuiveren. Zie Dan. 11:35 .
Hertaald:
gereinigd en wit gemaakt,
Of: gezuiverd worden. Onze Heere Christus gebruikt hier drie beeldende woorden. Het eerste is ontleend aan het zuiveren van het koren: zoals het koren met de wan van het kaf gezuiverd wordt, zo worden de gelovigen gezuiverd met de wan van de vervolging. Het tweede woord is ontleend aan de vollers, die het laken schoon en wit maken. De derde vergelijking is ontleend aan de goudsmeden, die goud en zilver in hun smeltoven louteren en het schuim eruit zuiveren. Zie Dan. 11:35.
doch de goddelozen
De zin is: De goddelozen zullen afwijken en voortvaren in hunne goddeloosheid, en zullen deze verborgenheden niet verstaan, hoe dikwijls en hoe duidelijk hun die zullen mogen uitgelegd worden. Vergelijk Openb. 22:11 .
Hertaald:
doch de goddelozen
De betekenis is: de goddelozen zullen afwijken en voortgaan in hun goddeloosheid, en zij zullen deze verborgenheden niet begrijpen, hoe vaak en hoe duidelijk die hun ook uitgelegd worden. Vergelijk Openb. 22:11.
verstandigen zullen het verstaan
Of, de leraars; gelijk boven Dan. 11:33 .
Hertaald:
verstandigen zullen het verstaan
Of: de leraars, zoals Dan. 11:33.
het gedurig offer zal weggenomen,
Zie Dan. 11:31 .
Hertaald:
het gedurig offer zal weggenomen,
Zie Dan. 11:31.
gesteld zijn,
Zie hiervan ook Dan. 11:31 .
Hertaald:
gesteld zijn,
Zie hierover ook Dan. 11:31.
zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen
Dat zijn drie jaren, zeven maanden en dertien dagen, indien men dit op de vervolging van Antiochus Epifanes duidt, en natuurlijke of gewone dagen hier verstaat. Doch enigen onder de geleerden nemen deze dagen voor jaardagen.
Hertaald:
zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen
Dat is drie jaar, zeven maanden en dertien dagen, wanneer men dit op de vervolging van Antiochus Epifanes betrekt en hier gewone dagen verstaat. Maar sommige geleerden vatten deze dagen op als jaardagen.
raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen
Of, reikt, bereikt, komt, tot dertienhonderd vijf en dertig dagen. Hier zijn vijf en veertig dagen meer dan vs.11 en dit is de zin, gelijk sommigen menen, dat de staat van het Joodse volk veel beter wezen zal als er nog vijf en veertig dagen boven de drie jaren, zeven maanden en dertien dagen zullen verlopen zijn, want alsdan zou het Joodse volk van dien wreden tiran Antiochus Epifanes geheel vrij en ontlast worden; hij is gestorven in het begin van het honderd negen en veertigste jaar van het rijk der nakomelingen van Seleucus, 1 Mach.6:8,16.
Hertaald:
raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen
Of: reikt tot dertienhonderdvijfendertig dagen. Dat zijn vijfenveertig dagen meer dan in vers 11. Volgens sommigen is de betekenis deze: de toestand van het Joodse volk zal veel beter zijn wanneer er nog vijfenveertig dagen verlopen zijn, boven op die drie jaar, zeven maanden en dertien dagen. Want dan zou het Joodse volk geheel vrij zijn van die wrede tiran Antiochus Epifanes. Hij is gestorven aan het begin van het honderdnegenenveertigste jaar van het rijk van de opvolgers van Seleucus, 1 Makk. 6:8, 1 Makk. 6:16.
tot het einde,
Te weten tot het einde van uw leven; stel al uwe zaken daartoe; bestel uw huis, want gij zult haast sterven.
Hertaald:
tot het einde,
Namelijk tot het einde van uw leven; richt al uw zaken daarop in en breng uw huis op orde, want u zult spoedig sterven.
rusten,
Te weten in de aarde, na uwen dood, gij zult verlost en ontslagen worden van alle moeite en rusten van uwen arbeid, uwe ziel zal opgenomen worden in den schoot van Abraham.
Hertaald:
rusten,
Namelijk in de aarde, na uw dood; u zult verlost en ontheven worden van alle moeite en rusten van uw arbeid, en uw ziel zal opgenomen worden in de schoot van Abraham.
zult opstaan
Te weten in de opstanding der doden ten jongsten dage.
Hertaald:
zult opstaan
Namelijk bij de opstanding van de doden op de jongste dag.
in uw lot,
Dat is, in uw deel, te weten in het deel van uw hemels erfgoed, hetwelk u bereid en verordend is, met alle uitverkoren kinderen Gods, naar het goede welbehagen van God.
Hertaald:
in uw lot,
Dat is: in uw deel, namelijk het deel van uw hemelse erfenis dat voor u bereid en bestemd is, samen met alle uitverkoren kinderen van God, naar Gods goede welbehagen.
in het einde der dagen
Dat is, op het einde der wereld, als uwe ziel met het lichaam verenigd zijnde, zal opgenomen worden in de vreugde van het eeuwige leven, om en door de verdiensten van Jezus Christus, den waren Messias, die geprezen moet zijn in eeuwigheid; Amen Rom. 9:5 .
Hertaald:
in het einde der dagen
Dat is: aan het einde van de wereld, wanneer uw ziel weer met uw lichaam verenigd zal zijn en opgenomen zal worden in de vreugde van het eeuwige leven, om en door de verdiensten van Jezus Christus, de ware Messias, Die geprezen moet worden in eeuwigheid. Amen. Rom. 9:5. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Na de aankondiging van een tijd van benauwdheid "als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe" (Dan. 12:1), komt de belofte: "te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek." Dan volgt de uitspraak zelf: "velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing" (Dan. 12:2). En over wie daarin voorgaan: "de leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk" (Dan. 12:3). Bijbelse betekenis: Merk op wat hier voor het eerst zo duidelijk gezegd wordt: niet ieder die slaapt in het stof ontwaakt tot hetzelfde. Er zijn twee uitkomsten, en beide zijn eeuwig — het is geen tijdelijk herstel van een volk maar een uitspraak over ieder mens persoonlijk. Let vervolgens op wie hier bijzonder genoemd worden: de leraars, die anderen rechtvaardigen. Wat zij anderen leerden, wordt hun eigen blijvende glans. Let ten slotte op de plaats van dit vers in het boek: het staat vlak vóór het slot, als het laatste woord van hoop temidden van alles wat hiervoor aangekondigd is. Typologie: De Heere Jezus zegt hetzelfde onderscheid in Zijn eigen woorden: "de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis" (reeds behandeld bij Joh. 5:28-29). En Hij belooft de leraars dezelfde glans: "Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders" (Matt. 13:43). Dan. 12:1-3; Joh. 5:28-29; Matt. 13:43 "En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden" (Dan. 12:4). Daniël zelf stelt de vraag die de lezer ook stellen wil: "Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?" (Dan. 12:8). Het antwoord wijst hem terug naar wat al gezegd is: "deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde" (Dan. 12:9). Er wordt nog een getal gegeven — "duizend tweehonderd en negentig dagen" (Dan. 12:11) en "duizend driehonderd vijf en dertig dagen" (Dan. 12:12) — maar geen uitleg erbij. Het boek eindigt met een persoonlijk woord aan de profeet: "gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen" (Dan. 12:13). Bijbelse betekenis: Merk op dat zelfs Daniël, aan wie dit alles getoond is, geen volledig antwoord krijgt. Ook hij moet horen: "Ga henen, Daniel!" Wat een profeet ziet, is niet altijd wat een profeet begrijpt. Let vervolgens op wat verzegeld betekent. Niet geheim voor altijd, maar bewaard tot zijn tijd: "velen zullen het naspeuren" (Dan. 12:4). Let ten slotte op het laatste woord aan Daniël zelf, niet aan het volk: rust nu, en sta op in uw eigen lot aan het einde der dagen. Na hoofdstukken over rijken en tijden eindigt het boek bij het eenvoudigste wat een gelovige toekomt: een eigen deel in de opstanding. Typologie: Het laatste boek van de Schrift keert dit om: "Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij" (Op. 22:10). Wat bij Daniël gesloten bleef tot zijn tijd, wordt daar geopend omdat de tijd gekomen is. En de Heere Jezus zegt over het tijdstip zelf: "Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft" (Hand. 1:7). Dan. 12:4,8-9,11-13; Op. 22:10; Hand. 1:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Het laatste hoofdstuk van Daniël sluit het lange gezicht af dat bij de rivier begon. Er wordt een tijd van benauwdheid aangekondigd zoals er nooit geweest is, en middenin die aankondiging staat de duidelijkste uitspraak over de opstanding die het Oude Testament kent. Er wordt gezegd dat velen die in het stof slapen zullen ontwaken, en dat zij naar twee kanten uiteengaan. Het begint met een naam: te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat. En dan de mededeling waar het om gaat: te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En dan volgt het vers: “En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.” Drie dingen staan daar. De doden slapen in het stof — een beeld dat de dood ernstig neemt en er tegelijk niet het laatste woord aan geeft. Zij ontwaken. En zij gaan naar twee kanten uiteen, en beide kanten heten eeuwig. Wat hier gebeurt, is een verschijnsel dat in de profetie vaker voorkomt en dat men kennen moet om haar goed te lezen. Daniël zet twee opstandingen in één zin naast elkaar zonder te zeggen hoeveel tijd ertussen ligt. Johannes maakt later duidelijk dat er duizend jaar tussen die twee ligt. Zo doet Jesaja het ook. Hij noemt het aangename jaar des HEEREN en de dag der wraak in één adem. En Christus leest in de synagoge van Nazareth precies tot dat punt en houdt daar op, want het eerste werd die dag vervuld en het tweede nog niet. Profetie kijkt dus over de tijd heen zoals men over een bergketen kijkt: twee toppen achter elkaar lijken naast elkaar te staan, en pas als men dichterbij komt ziet men het dal ertussen. Het is geen wonder dat de gelovigen van het Oude Testament zich afvroegen wanneer deze grote dingen gebeuren zouden. Petrus schrijft dat de profeten zelf onderzochten op welke tijd de Geest in hen doelde. Het slot van het boek is persoonlijk, en het is het mooiste van het hoofdstuk. Daniël krijgt te horen dat hij het niet zal begrijpen en dat hij daar vrede mee mag hebben: “Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.” Drie werkwoorden voor een oude man: gaan, rusten, opstaan. En tussen de opstanding en dat slot in staat een woord over wie dan blinken zullen. Niet de machtigen en niet de rijken, maar de leraars, en die er velen rechtvaardigen — gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. Christus gebruikt datzelfde beeld aan het eind van Zijn gelijkenis over het onkruid: dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders. In het Nieuwe Testament: Johannes 5:28-29; Mattheüs 13:43; 1 Petrus 1:10-11; Lukas 4:18-21; Openbaring 20:4-6 Hoever dit reikt: Dat er een opstanding ten leven en een opstanding ten oordeel is, zegt Christus in Johannes 5 met zoveel woorden, en Hij gebruikt daarbij bijna dezelfde bewoordingen als dit vers. Over de tijd tussen beide, en over de verhouding tot Openbaring 20, lopen de opvattingen uiteen; die vraag wordt hier niet beslist. Wat wel vaststaat is dat de profetie tijdsafstanden onvermeld kan laten, zoals Christus Zelf laat zien wanneer Hij in Nazareth midden in een zin van Jesaja ophoudt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De verstandigen zullen blinken als de glans van het hemelgewelf, en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren, voor eeuwig en altijd. Daniël 12:3 Stel je eens… Een van de verwachtingen van de apostel Paulus voor voorgangers was dat de man Gods een man van kennis zou zijn. Zijn pastorale roeping zou in feite ook… Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen. Daniël 12:13 We kunnen niet alle… De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. Daniël 12: 3 Dit is iets om… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 12
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Die in het stof der aarde slapen — 12:1-4, 13
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Spreek over Jezus
De bibliotheek van Spurgeon
Niets om ongerust over te zijn
Schijnen als vele sterren


Daniël 12
Daniël 12:13.KruisverwijzingenOpenbaring 14:13→2 Timotheüs 4:7→Zacharia 3:7→Lukas 2:29→Lukas 21:36→Mattheüs 19:28→Psalmen 16:5→Daniël 12:3→
— Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.
“Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
Omdat Daniël een zeer bemind man was, mocht hij zijn wonderlijke boek met deze belofte besluiten. Hij begrijpt niet alles wat God geopenbaard heeft. Maar hij moet zijns weegs gaan en rusten, tevreden dat het hem geen kwaad doen zou of hij het nu begreep of niet. Want wanneer het einde kwam, zou hij zijn plaats en zijn deel hebben, en zou hij voor eeuwig bij zijn Heere zijn.
Komen wij de volgende keer bij het bestuderen van een profetie van de Schrift die wij niet kunnen ontraadselen, laten wij ons dan niet ontrusten. Laten wij dan de stem van God horen Die zegt: ga uws weegs. Wacht een tijdje. Het zal alles te zijner tijd duidelijk worden. God is met u. Er blijft een rust over voor u, en een kroon die op geen hoofd dan het uwe past, en een harp die geen vingers dan de uwe bespelen kunnen. En, zoals de engel zei, “gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen”.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En te dier tijd, wanneer de ure daar is, dat het met dien koning een einde zal nemen (Hoofdst. 11:45), zal, om dit einde te bewerken, wat voor menschenkracht onmogelijk is, en alle tegen hem verbondene krachten ook niet konden uitwerken (11:44, Michaël 1) (= wie is Gode gelijk?) opstaan ten strijde tegen hem, Michaël, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, wiens zaak hij in de onzichtbare wereld der geesten moet verdedigen (Hoofdst. 10:13, 21). Hij zal ten strijde komen, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; wanneer de koning is uitgetrokken met grote grimmigheid en de tenten van zijn paleis om den heiligen berg heeft opgeslagen, dan zal het een tijd zijn, waarin de macht der boosheid haar toppunt heeft bereikt; en werden deze dagen niet verkort door onmiddellijk ingrijpen van boven, zo zou geen mens zalig worden (Matth. 24:21 vv.); en te dier tijd, wanneer zulk een machtige hulp komt, welke in de kleine (Hoofdst. 11:34) haar voorbeeld heeft, zal uw volk verlost worden, en met uw volk zal gered worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek 2) (Ex. 32:32. 1 Sam. 25:29. 69:29. (Jes. 4:3. Luk. 10:20. Fil. 4:3. Openb. 3:5 enz.).
Wie is Michaël? Waarschijnlijk een uitnemende Engel (Judas 1:9), die de in hun land wedergekeerde Joden moet beschermen (Dan. 7:21), tijdens de langdurige tonelen van oorlog en verwoesting, die in de profetie geschetst zijn, en die hen vooral bewaren zal gedurende het laatste tijdperk der gramschap en wanneer Judea, het toneel van de ergelijkste gruwelen, daarna een uitgestrekt en vreselijk slachtveld geworden, meer dan ooit door de heidenen zal worden vertreden. Wonderbare tussenkomst ten gunste van het volk. Op ene onzichtbare wijze beveiligd door den Aartsengel Michaël, tot zijne bescherming aangesteld, zal het evenwel eerst volkomen verlost worden door de verschijning van den Messias (Zach. 14). Michaël is de Engel der opstanding. Het was ook daarom dat hij met Satan twistte om het lichaam van Mozes. (Judas 1:9). Michaël wilde het opeisen op bevel Gods, maar Satan eist, omdat ook Mozes eens gezondigd had, en daarom niet in Kanaän mocht komen, het lichaam op als aan hem toebehorende. Ook daarom wordt, in verband met vs. 3, hij hier voorgesteld als de Engel der opstanding.
Dit boek is hetzelfde als dat op de gelijk luidende plaats Jes. 4:3 wordt vermeld door het boek des levens (vgl. Hoofdst. 7:10). Het is natuurlijk gene lijst der levende Israëlieten (vgl. Ps. 69:20. Ex. 32:32), en even zo min zal hierbij te denken zijn aan ene lijst dergenen, die in het uur der beslissing gered worden en in leven zullen blijven. Het is ene aanwijzing van hen, die het eeuwige leven zullen beërven, ene lijst der burgers van het hemelrijk, ene optekening van hen, die in het gericht zullen bestaan, hetzij zij dien tijd beleven of tot dien (vs. 2) opgewekt worden. Toen Daniël deze profetie ontving was het deelgenootschap aan het volk van God nog uitwendig door de afkomst uit Abraham bepaald, zodat daartoe nog goeden en bozen behoorden. Wanneer echter de Antichrist zal verschijnen, zal het op andere wijze bepaald worden of men tot het volk Gods behoort, namelijk door het geloof in den zegen Gods, zodat daartoe kunnen behoren dezulken, die niet van Abraham afstammen, wanneer zij dit geloof bezitten, en daarentegen geborene zonen Abraham’s er niet toe kunnen behoren, wanneer zij dit geloof niet hebben. Omdat dit zo zal zijn, wil de toevoeging aan het einde van het vers het begrip van het volk Gods duidelijk bepalen, zo als dat van den antichristelijken tijd past: Gods volk zal dan uit de gehele wereld en uit alle tijden worden gered, maar noch alle Abrahamieten zonder uitzondering als zodanige, noch alleen de Abrahamieten, maar diegenen, die in het Boek des levens geschreven werden bevonden, maar ook deze allen, van welke natie zij ook mogen zijn. Even als nu door bovengenoemde bijvoeging aan de ene zijde, de kring dergenen, op wie de belofte toepasselijk is, nauwkeurig wordt omschreven, zo wordt daardoor aan de andere zijde ook het begrip van redding nader bepaald; dit zal niet alleen ene redding zijn uit de wereld en haar angst, maar ook ene redding ten leven en ter zaligheid. Daardoor voert ons vers dadelijk tot het volgende, waarin na elkaar van opstanding, gericht, zaligheid of verdoemenis, van eeuwige heerlijkheid wordt gesproken. Zo dan, Gods volk is zeker en veilig, niettegenstaande deze verdrukking. Noch leven, noch dood zullen ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus. Wanneer deze dingen zullen geschieden, wanneer de grote benauwdheid komt, wanneer de aardbeving den bodem doet golven, vorstengeslachten van hun zetels worden geworpen, en als drijfhout op de stromen des tijds ronddobberen, zijt dan niet verschrikt, maar heft uwe hoofden omhoog, wetende dat uwe verlossing nabij is. Terwijl gij het oor op den grond legt, en beproeft den voetstap der bezoeking, die in de verte nadert, waar te nemen, zo bedenkt dat des werelds zwaarste benauwdheid het uur is van des Christens heerlijkste verlossing. Terwijl gij u voor die ure bereidt, verzamelt de lichtstralen, uitgaande van het woord Gods, als een schat in uw binnenste, en in den donkersten nacht en avondtijd zal een heldere glans u omgeven. Laat ons wel verstaan, dat niets van hetgeen wij wensen te behouden, of van hetgeen God heeft gemaakt, in die grote verdrukking schade zal lijden. De zonde zal worden vernietigd; wie wenst hare voortduring? De ziekte zal verdwijnen, wie verlangt dat zij zal blijven bestaan? De smart zal wegvlieden; harten nu gebroken, zullen dan van vreugde kloppen, wie begeert dat het anders zij? Al wat God gemaakt heeft, van de ster aan het uitspansel tot de bloem in den hof, van het ephemerisch insect, dat in den zonnestraal dartelt, tot den aartsengel, die aanbidt voor den troon, het zal alles blijven bestaan. Het verkeerde zal terecht gebracht worden; wat satan overweldigd heeft, zal aan zijne rust worden ontrukt, en deze onze aarde, die zo lang geweend, geleden en gezocht heeft, zal van haar toestand van slavernij geëmancipeerd worden, hersteld in oorspronkelijke kracht en schoonheid, en de wereld zal eindigen met een paradijs, heerlijker en schoner dan dat, waarmee zij in den aanvang begon.
En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen, daar de verlossing en het gericht van dezen laatsten tijd zich niet alleen zal uitstrekken over diegenen, die dan op aarde leven, maar over allen tegelijk, die ooit op aarde wonen, ontwaken door de stem van de laatste bazuin uit den doodslaap opgewekt (1 (Thess. 4:16); a) dezen, wier namen geschreven staan in het boek (vs. 1) ten eeuwigen leven, en genen, zovelen tot den Antichrist en zijn volk behoren, tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing (Jes. 66:24), zodat, even als de tijd van Antiochus ene scheiding heeft bewerkt tussen rechtvaardigen en goddelozen (Hoofdst. 11:34 vv.), deze laatste tijd ene scheiding der rechtvaardigen van de goddelozen teweegbrengt.
Matth. 25:46. Joh. 5:29.
De leraars nu zullen onder degenen, die ten eeuwigen leven ontwaken (vs. 29), die door de grote hulp (vs. 1) gered worden, allen, die in de Christelijke kerkgeschiedenis, voornamelijk in dien laatsten, antichristelijken tijd (Hoofdst. 11:36 vv.) voor anderen tot leidslieden op den rechten weg zijn geworden, niet alleen even als de anderen de zaligheid van het eeuwige leven deelachtig worden, maar zullen blinken, als de glans des uitspansels, hun is ene bijzondere heerlijkheid bereid; en die er velen rechtvaardigen, 1) gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk, 1) gelijk de Makkabeën in hunnen tijd eeuwigen roem en grote eer hebben verkregen (Matth. 13:43).
Hier herhaalt hij met andere woorden het zelfde. Want spreekt hij nu van de sterren, waar hij zooeven van den glans des uitspansels heeft gesproken, hij doet het in denzelfden zin in betrekking tot de met verstand begaafden, deze noemt hij hier als die hebben gerechtvaardigd. Het is niet twijfelachtig of de Engel spreekt hier voornamelijk van de doctoren, echter naar mijn mening omvat hij hier alle vrome dienaars Gods. Want er is niemand van de kinderen Gods aan wie het ten eigen bate is toegewezen, maar hij moet, zoveel als in hem is, ook zorg dragen voor het heil van zijne broeders. Want onder deze voorwaarde heeft God bij ons deze kennis gedeponeerd, niet opdat iemand haar zou achterhouden, maar om zich te oefenen om den weg tot het heil aan alle anderen te tonen. Dit wordt derhalve tot vele kinderen Gods uitgestrekt, namelijk dat zij zich moeten toeleggen op het heil der broederen. Dit nu verstaat de Engel onder het woord: rechtvaardigen, niet omdat het in de macht van den mens is, iemand te rechtvaardigen, maar omdat het eigendom Gods overgedragen wordt op zijne dienaren. Niet dus de leraars rechtvaardigen iemand, in den zin dat zij iemand voor rechtvaardig verklaren, hem de schuldvergeving schenken, maar dewijl zij hem den weg tot schuldvergeving en dus tot rechtvaardiging door het geloof, hebben aangewezen en het middel, het instrument Gods zijn geweest tot hun toebrenging tot de gemeente, die zalig wordt.
Wie kan zich den aanblik voorstellen, wanneer Jezus op den Olijfberg wederkomt, omringd van de mensen Gods, die eenmaal op deze wereld zijn gekruisigd, onthoofd, verbrand, gestenigd, gemarteld, gefolterd, in stukken gezaagd, geschonden, door wilde dieren verscheurd, of die wel een natuurlijken dood gestorven zijn, maar levenslang ten bloede werden vervolgd? Al te maal lieden, welke de wereld niet waardig was. Deze zullen in hun heerlijkheid den verheerlijkten Heiland het meest nabij komen. Al naardat een mens den Zaligmaker in den tijd der genade navolgt, vraagt zijn verheerlijkt lichaam ook een hoger graad van heerlijkheid; hoe meer een mens aan het Lam gelijk wordt in dezen tijd der genade, des te meer zal hij het Lam gelijken ginds in de heerlijkheid. Het is niet genoeg de wijsheid te weten, indien gij een ander niet onderwijst. Welnu, gij leraars van het Evangelie? wordt niet moede in uwe bediening. Wijst steeds meer met moed, ijver en leven op Christus als de ware gerechtigheid! Lijdt getroost alles wat u daarom door de boze wereld wordt aangedaan! De grootheid van het loon der genade voor u is zulk een vlijt en zulk een geduld wel waard. 4.
VI. Vs. 4-13KruisverwijzingenDaniël 12:9→Daniël 7:25→Daniël 11:31→Daniël 8:26→Daniël 8:24→Daniël 11:35→Openbaring 22:10→Daniël 8:17→
— En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. En ik, Daniel, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier. En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen? En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden. Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen? En Hij zeide: Ga henen, Daniel! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde. Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan. En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.
, Daniël ontvangt bevel van den Engel om de profetie te sluiten, niet alleen deze, maar ook alle vroegere hem ten deel gewordene openbaring, die in een boek goed te verzegelen en veilig voor de toekomst te bewaren, opdat zij velen ten zegen worde. Vervolgens verandert op eens het toneel: de Engel die tot hiertoe met hem heeft gesproken, zweeft over het water van den Tiger; aan elk der beide oevers staat eveneens een Engel, en nu begint in de eerste plaats ene verhandeling over den duur van den antichristelijken tijd; vervolgens van het voorbeeld, de Antiocheense periode, waarop Daniël uit zijn profetisch ambt wordt ontslagen en op zijn naderend levenseinde wordt voorbereid.
Na deze aanwijzing van hetgeen geschieden moet (Hoofdst. 11:2a) ging hij, die reeds lang (Hoofdst. 10:18 vv.) met mij had gesproken, voort: En gij, Daniël! sluit deze woorden, die ik van Hoofdst. 11:2b tot u gesproken heb, toe, opdat daarvan niets verloren ga, en verzegel dit boek, met al hetgeen u bekend is gemaakt, ook de vroegere openbaringen, die gij hebt ontvangen, breng het alles in een bijzonder boek zamen, en zorg dat het tegen elke vervalsing beveiligd zij tot den tijd van het einde, want hetgeen omtrent de toekomst geopenbaard is, is tot op dien tijd van rijken inhoud en grote betekenis; velen zullen het in den loop der tijden naspeuren, zullen de in het boek zich bevindende voorzeggingen doorzoeken, en de wetenschap van de wijze waarop God met zijn volk heeft gehandeld zal vermenigvuldigd worden, men zal in de tijden der vervulling de betekenis er van begrijpen, en de vooraf verkondigde verdrukkingen op de rechte wijze leren verstaan. Het verzegelen is niet letterlijk zó bedoeld, dat de opgetekende openbaring werkelijk gesloten, en door een zegel ontoegankelijk moest gemaakt worden; ook wordt niet, bij wijze van een beeld, daarmee gezegd, dat Daniël het geschrift geheim moest houden, maar alleen:
dat dit geschrift tot in den laatsten tijd, voor welken het voornamelijk bestemd is, moet worden bewaard, 2) dat vóór den laatsten tijd de zin daarvan en het doel niet geheel en al zal kunnen worden ontcijferd: Jes. 29:11 vv. De gehele opmerking heeft duidelijk ten doel de vermaning tot geheim- en heilighouding der medegedeelde profetie, en haar verre houden van profane handen te motiveren. Zij is toch niet iets gerings, maar een middel, om eens velen, die haar ernstig doorzoeken, tot dieper inzien in de wegen van God, den bestuurder van alle aardse lotgevallen, te brengen. Het ware daarom zonde, ze gemeen te maken. Tot dusver zijn deze woorden bewaarheid en vervuld, in iedere eeuw dezer wereld, en op elke plek gronds dezer aarde. Ten allen tijde had er ene voorwaardse beweging plaats; gedurig wies het kapitaal van gewijde en ongewijde kennis aan. Maar de woorden der profetie schijnen te kennen te geven, dat deze vordering en toeneming door zonderlinge inspanning tot voorbeeldeloze hoogte geklommen, eenmaal een karakteristiek feit zal worden, en dat naarmate de wereld ouder wordt, en de schemering harer ondergaande zon al meer en meer mat en flauw, de kennis van allerlei aard in rijkdom, diepte en uitgebreidheid, over de gehele ruimte der aarde, meer den ooit te voren aanwinst op aanwinst zal doen.
En Ik, Daniël, zag, toen de Engel zo tot mij sprak, en ziet er stonden op eens twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier Hiddekel (Hoofdst. 10:4), en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.
En hij, een van deze beide, kleedde de vraag, die mij op het hart lag, in woorden, en zei tot den man, bekleed met linnen, die tot hiertoe tegenover mij staande gesproken had (Hoofdst. 10:5 vv.), maar nu van standplaats was veranderd, en die nu boven op het water der rivier, even als de in Hoofdst. 8:16 vermelde tussen Ulai was: Tot hoelang (liever: hoe lang) zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen, hoe lang zullen die wonderlijke dingen, die in de voorgaande afdeling verhaald zijn, aanhouden, hoelang zal deze eindkatastrofe der laatste dingen duren? In om vers is niet gezegd, wie van de beide Engelen de vraag deed. Zou men daarom het woord, dat zonder subjekt is gelaten, dat wel in den singularis staat, maar toch in elk geval op de engelen in vs. 5 slaat, ook zo kunnen verstaan: ieder der beide tegen elkaar overstaande engelen, de een zowel als de ander, deed de vraag; zij riepen elkaar de vraag toe, die aan den boven het water zwevenden Engel of aan God gedaan was? Ook Theodotion en de Syriër zetten in den pluralis over. Dan zou de rivier het beeld zijn van den tijd, die in zijn voortvlieten de eeuwigheid zoekt, en de beide aan de beide oevers van den stroom des tijds staande engelen riepen elkaar de vraag toe omtrent het einde van den tijd en het begin der eeuwigheid, opdat de Engel, die boven den stroom des tijds staat, die in Gods naam beantwoordde.
En ik vol verwachting hoorde dien man, bekleed met linnen, die boven op het water der rivier was, welk een antwoord hij geven zou op de vraag, die als uit mijn hart was gedaan, en hij hief om op de allerplechtigste wijze zijne woorden te bekrachtigen, zijne rechter- en zijne linkerhand op naar den hemel, en zwoer, om den wille van hen, die ten tijde der verdrukkingen een zekeren troost en een vast steunpunt ten opzichte van maat en duur moesten hebben bij Dien, die eeuwiglijk leeft (Openb. 10:6), dat na enen bestemden tijd, na een jaar, bestemdena twee tijden, twee tijden elk van een jaar, en ene helft, een half jaar (dus in het geheel 3 1/2 jaren, vroeger reeds aangekondigde duur, (Hoofdst. 7:25 .), en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand de macht des heiligen volks 1), als er aan de verstrooiing van Gods volk, van Israël een einde zal komen, daar dit toch met het begin van den laatsten tijd weer uit de gehele wereld naar zijn land moet verzameld worden (Jes. 43:5 vv.), al deze dingen voleind zullen worden, met dat tijdpunt namelijk beginnen de 3 1/2 jaren
,
Onder “de hand des heiligen volks” hebben wij te verstaan met Zöckler “een deel” of liever “de macht des heiligen volks, ” zodat ene gehele weglating van het woord hier ons wel den juisten zin zal geven.
Van dit alles is nog niets vervuld; de koning, die voorspoedig moet zijn tot het einde der gramschap Gods tegen Jeruzalem, en de Joden drie en een half jaar moet vervolgen, is er nog niet; de verstrooiing des heiligen volks duurt nog voort, en de verlosten slapen nog in het stof der aarde; dit alles is dus aanstaande. Het is Christus, de Koning der wereld, zelf, die de eedzwering volbrengt, welke in zijnen mond veel meer gewicht heeft dan in den mond van Gabriël. Gelijk een aards koning bij de aanvaarding van zijn bestuur ene plechtige verklaring aflegt van de rechten des volks onschendbaar te zullen handhaven, zo bekrachtigt de hemelse Koning hier met opgeheven handen deze voorspelling als de echte, waarbij het in den raad Gods blijft. De Koning der mensheid wil bij den in eeuwigheid levenden Vader aan Zijn hier geopenbaard raadsbesluit vasthouden en daarnaar regeren. Niet voor eeuwig zal de duivel hier op aarde heersen, niet altoos zullen de zondaars hun handen met het bloed der heiligen bevlekken, wanneer de drie tijden en een halve tijd des Antichristendoms verstreken zijn, en het oude bondsvolk gedurende dat tijdperk wederom in Jeruzalem is verzameld, dan nemen deze ontzettende dingen der satanische machten, verleidende geesten en logenwonderen een einde, en het duizendjarig sabbatsrijk begint, waarin den heiligen de heerschappij zal gegeven worden. Zo hebben wij hier een profetisch woord, plechtig door den Zoon bij den eeuwiglevenden Vader bezworen. Zo ongeschokt als hemel en aarde staan, staat ook het woord der profetie. Het is duidelijk dat hier een blik gegund wordt op het laatste der dagen. Niet alleen zal er vertroosting zijn, maar ook verlossing. Als eenmaal de bestemde tijd vervuld is, als het rijk Gods voleind zal zijn, en de opstanding der doden plaats heeft, dan zal ook alles vervuld zijn, wat hier aan Daniël, Gods knecht, is geopenbaard.
Dit hoorde ik, Daniël duidelijk en nauwkeurig, hoe de man in linnen klederen, die met hemels ook verre heen tot aan het doel der gehele wereldgeschiedenis zag, de laatste dingen openbaarde, doch ik, die met mijne gedachten bij de meer nabijzijnde toekomst van mijn volk en het einde daarvan bleef staan, verstond het niet, omdat uit het gezegde daaromtrent nog niets kon worden afgeleid, en ik zei, om nadere verklaring daarover vragende: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen? wat zal na den tegenwoordige stand van zaken komen, want ik zal het antwoord hierop beter verstaan, daar het meer nabijzijnde zaken geldt.
En Hij zei: Ga henen, Daniël! in vrede en verontrust er u niet over, dat gij niet hebt verstaan wat over de verre toekomst tot u gezegd is, want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde, de volle betekenis daarvan zal eerst ten tijde der vervulling worden verstaan; onderwerp u met ootmoed onder het verborgene van het Goddelijk raadsbesluit.
Bij de toekomstige geslachten, wien het nader aangaat dan u, zal het zijne kracht en uitwerking hebben. Velen, die zich gelovig aan het geopenbaarde woord overgeven, zullen er door de droefenissen der toekomende tijden (Hoofdst. 11:35) gereinigd, en wit gemaakt, en gelouterd worden, doch de goddelozen, die zich ganselijk niet willen laten raden en helpen, zullen goddelooslijk handelen, zonder zich te laten bekeren, en gene van de goddelozen zullen het verstaan, en daarvan groot voordeel hebben, maar de verstandigen zullen het verstaan. Wat de Engel aan Daniël ter geruststelling over zijn niet verstaan zegt is het volgende: “Stel u tevreden Daniël, ook wanneer gij deze voorzegging nog niet geheel verstaat. Deze profetie zal toch worden bewaard door alle tijden heen tot het einde der dagen; de tijden zullen toch alle dingen met zich brengen, die de mensen reinigen en daardoor tot het verstaan van geestelijke zaken opvoeden; en zo er ook velen deze loutering en opvoeding weerstaan, en in hun goddeloosheid blijven, en daarom deze profetie niet verstaan, zo zullen toch zijn, die zich ten allen tijde door de verdrukkingen laten louteren, en tot het verstaan van geestelijke zaken laten opleiden, deze voorzegging verstaan, en hoe verder de tijden voortgaan en komen tot hetgeen de profetie verduidelijkt, haar des te beter te verstaan. Al verstaat gij dan die voorspelling nog niet, zo is zij daarom voor het volk niet nutteloos maar zal door alle tijden heen tot aan het einde hoe langer hoe meer worden verstaan. Deze uitrukking vinden wij in het zevende hoofdstuk der Openbaring van Johannes terug, waar een der ouderlingen vraagt: Deze, die bekleed zijn met lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?” En het antwoord is: “Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen”; volgens Daniël zouden zij gereinigd en gelouterd worden, zij hebben hun lange klederen gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams. ” “Velen zullen worden wit gemaakt, ” dat is, velen zullen onschuldig worden verklaard, vrijgesproken. Zie hier ene verandering van staat, door overgang uit de betrekking, in welke wij van nature tot Adam staan, tot de gemeenschap met Christus, in welke wij worden opgenomen door de genade. Ieder onzer is van nature in zonde geboren; wij behoeven gene misdaad te begaan, om schuldig te zijn in Gods oog; wij zijn geboren zondaars, erfgenamen ener gevallen natuur; door onze verwantschap met Adam zijn wij die natuur deelachtig; en wij verzwaren onze schuld door onze eigene persoonlijke overtredingen. Doch wij worden thans welkom geheten en uitgenodigd, om door het geloof uit onzen toestand van nature over te gaan in den toestand van deelgenootschap aan Christus en Zijne gerechtigheid, van welke wij, na alzo begenadigd en verheerlijkt te zijn, nimmer kunnen worden vervreemd. Gij wordt aangemaand de wrakken van het oude Paradijs te laten varen, tot hetwelk de Cherubim met het vlammend zwaard den toegang beletten, en u te laten aandoen zonder dat iemand geld of prijs van u vraagt, dat kleed, hetwelk gij niet hebt te weven, hetwelk gij niet hebt te maken, waarvoor gij niet nodig hebt te betalen, hetwelk gij alleen als ene vrije en onverdiende gift hebt aan te nemen, om alzo door het geloof van God rechtvaardig te zijn, met Hem bevredigd in Christus Jezus. Dit is hetgeen ik u aangaande de grote verandering van staat wilde mededelen. Doch er is meer; er wordt bovendien gezegd, dat de aldus rechtvaardigen zullen worden gelouterd. “Gelouterd”; dit is het lot van al het volk Gods. Het is een der kenmerken van Gods kinderen, dat zij door vele verdrukkingen het koninkrijk der hemelen moeten binnengaan. In de schone taal der Apokalypse luidt het: “Zij komen uit de grote verdrukking. ” Wij vleien ons vaak, dat wij op gemakkelijker en zachter wijs door de wereld zullen gaan dan onze vaderen eenmaal gingen; doch het is niets anders dan zelfmisleiding. Gij kunt er op rekenen, zo waar als gij leeft, dat indien gij een Christen zijt, gij iets zult hebben, waardoor gij gelouterd en beproefd wordt, enige zorg die u bezwaart, enigen last, die u drukt, enige kwelling, die gij niet kunt verwijderen, de ene of andere stoornis in uwe rust, de ene of andere wisselvalligheid met opzicht tot uwe hoop, de ene of andere onzekerheid aangaande uwe bezitting, ene ongedachte verdrukking. Zo zeker als gij een Christen zijt, zal God u beproevingen toezenden; de wereld zal ene beproeving voor u zijn, gij zult ondervinden dat beproeving het u toegeschikte deel is, maar dat het u als bestemming is weggelegd haar door almachtige en ondersteunende genade te overwinnen. Tot aan het einde schijnen er twee krachten in deze wereld zullen blijven werken, de kracht der heiligheid en de kracht der zonde; de hemel is het toppunt van volkomenheid, waartoe de eerste opvoert, de hel is de diepte, werwaarts de laatste heenleidt. Gene van de goddelozen, zullen het verstaan. Om den Bijbel te verstaan, om zo vele redelijke en schriftelijke waarheden te verstaan, is er niet zozeer een schrander verstand, als wel een geheiligd hart nodig. Op zonderlinge wijze kan de hartstocht onze rede verduisteren, en het vooroordeel onzen geest bezwaren, totdat de mens zo diep in zijne verdorvenheid is weggezonken, dat hij oog noch gevoel meer heeft voor zedelijke uitnemendheid. Wij weten zeer wel, hoe moeilijk het is, een bloot natuurmens van sommige dier eenvoudige waarheden te overtuigen, welke den Christen zo duidelijk voorkomen. En de oorzaak hiervan is, dat, even als door het geldstuk dat onzen oogappel bedekt, het uitgestrekte panorama voor ons verborgen wordt gehouden, zo ook ene enkele woedende of stormachtige drift, gierigheid, haat, wraakzucht, ‘s mensen denkvermogen zodanig benevelt, dat hij noch de eenvoudigste waarheden, noch de plichten, die het meest van zelfsprekend inziet.
En, om over de naderende toekomst, naar welke gij gevraagd hebt (vs. 8), u ten minste nog enige verklaring te geven, zo weet: van dien tijd af, dat het gedurig, het dagelijks offer zal weggenomen worden, van het einde van October 168 v. Chr. en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, gelijk in Hoofdst. 11:31, dus anderhalve maand later, tot op den dood van den verwoester van het heiligdom, omstreeks het midden van Mei 164 v. Chr. zullen zijn duizend twee honderd en negentig dagen. Bij Daniël 8:14 verstonden wij de 2300 avonds en morgens van 1150 gehele dagen. Even als aan de oprichting van den gruwel der verwoesting een tijd van 45 dagen voorafgaat, sedert het dagelijks offer werd afgeschaft, zo volgt ook een tijd van 45 dagen, eer het bericht daarvan in Judea komt, en daar ene nieuwe wending veroorzaakt, dit is het parallelismus der geschiedenis, die meermalen voorkomt en ook bij wereldgebeurtenissen buiten den Bijbel in talloze voorbeelden kunnen aangewezen worden, maar in den Bijbel, waar de getallen een zo groot gewicht hebben, op ene bijzondere besturing der goddelijke Voorzienigheid wijst. Met den dood van Antiochus werd voor Israël ene betere toekomst geordend, daar de nu volgende twisten over den troon in Syrië, den strijd tegen dit rijk werkelijk verlichtten, en ten slotte daartoe moesten leiden, dat Judea tot gehele politieke zelfstandigheid kwam. Dagen. a t/m c = 1150 dagen (Dan. 8:14). a t/m d = 1290 dagen (Dan. 12:1). a. van de afschaffing van het dagelijks offer tot op de oprichting van den gruwel der verwoesting (1 Makk. 1:46-57) of van het einde van Oct. tot het midden van Dec. 168 v. C. = 45 dagen. b. van toen af tot het eerste afgodenoffer op den 15den Chrisleu (1 Makk. 1:62) = 10 dagen. c. vervolgens tot de reiniging van den tempel na drie jaren, of op 25 Chrisleu, 165 v. C. (1 Makk. 4:52 vv) = 1005 dagen. d. tot op den dood van Antiochus, omstreeks het midden van Mei 164 v. C. = 140 dagen. e. van diens dood tot de aankomst van het bericht daarvan in Palestina = 45 dagen.
Welgelukzalig is alzo hij, die verwacht en raakt totaan den tijd, wanneer het bericht van dien dood in het heilige land aankomt, en deze daar nog wel niet de bevrijding van alle verdrukkingen, maar toch de verzekering van ene nieuwe en betere toekomst veroorzaakt, namelijk tot 1290 + 45, dat is duizend drie honderd vijf en dertig dagen, 1) want die heeft het gevaar, waarin de ziel verkeerde gedurende den ontzettenden tijd, zegevierend doorstaan, en het is nog slechts een korte tijdelijke druk.
Ook hier heeft het getal 1135 een allegorische betekenis, en wel o. i. aanduidende dat de tijd der verademing meer zal zijn dan de tijd der verdrukking, en alsdan zal het einde wezen. Aangeduid wordt dan, dat eenmaal de tijd zal komen, dat aan de verdrukking der kerk een einde zal komen, dat alle vijanden van God en van Christus zullen vernietigd worden en de lijdende en strijdende kerk geheel in de triumferende zal overgaan. Vreeslijke tijden zullen er voor de gelovigen aanbreken, aleer de laatste dagen er zijn zullen, maar de verdrukking zal niet eeuwig duren, en welgelukzalig degenen, die de dagen der verdrukking nog overleven.
Maar gij, Daniël, ga henen tot het einde dat u voor dit leven wacht, gelijk nu reeds het einde van uw profetisch werk gekomen is, want gij zult rusten in het graf, en zult opstaan in uw lot1), om uw aandeel te ontvangen in de erve der heiligen, in het einde der dagen, waarvan in vs. 2 sprake was.
Hier herhaalt de Engel, wat hij gezegd had, n. l. dat de tijd nog niet rijp was voor het volle licht, dewijl God wilde dat de gemoederen der zijnen zouden gericht zijn op de openbaring van Christus. De Engel derhalve laat den Profeet gaan, en beveelt hem heen te gaan, alsof hij wilde zeggen: Wees tevreden met uw deel. Want God wil de volle openbaring van deze voorspelling uitstellen tot een anderen tijd, welken Hij zelf als den geschikste acht. Eindelijk eindigt het lijden der vromen in vreugde, dan volgt de rust en zoete verkwikking, en ten laatste ene heerlijke opstanding, wanneer zij met hun verheerlijkte lichamen ingaan in de vreugde des Heeren. Wel hem, die met Daniël een gelijk lot ontvangt! Amen. Hier vernemen wij ene behartenswaardige stem tot elken Daniël in de Christenheid, tot elken uitlegger en onderzoeker der profetie, tot iederen Christen in deze dagen gericht: Ga uwen weg, totdat het einde kome; want gij zult rusten en opstaan in uw lot, in het einde der dagen. Drie belangrijke wenken worden in dit voorschrift gegeven; in de eerste plaats, dat roeping en plicht in het minst niet behoren veronachtzaamd te worden, door de mogelijkheid van sommige gebeurtenissen. Ga uw weg, totdat het einde kome. De mening is; behartig uw bezigheid, volvoer uwe taak, betracht uw plicht. Ten tweede komt ons hier ene profetische toezegging ter ore, waarvan de vervulling niet zal achterblijven. Gij zult rusten; er blijft ene rust over voor het volk van God; en ten derde treffen wij hier ene persoonlijke, bepaalde en opbeurende verzekering van: gij zult opstaan in uw lot, aan het einde dagen. Het wordt in dit gedeelte der Schrift ons voorgesteld, waarvan de dichter Curns zei, dat hij het nimmer zonder schreien lezen kon: “Wie zijn deze en van waar zijn ze gekomen? Deze zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijnen tempel en die op den troon zit, zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte; want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Ziedaar het lot; in dat lot, dat heerlijk lot, zal een Daniël, en zullen allen, die het geloof van Daniël navolgen, opstaan. Doch wellicht is er nog iets meer bijzonders in de belofte: gij zult opstaan in uw lot. Er zijn trappen in de heerlijkheid, alle Christenen hebben gelijkelijk recht om den hemel in te gaan, maar er zijn hoogten in den hemel, er zijn tronen; er zijn trappen in de heerlijkheid. Deed ik een vat te water gaan dat tien kan, een ander dat vijftig, een ander dat honderd kon bevatten, zij zouden allen worden gevuld, maar het ene, dat vijftig kan bezat, zou niet voller zijn dan het andere, hetwelk slechts vijf kan inhield. Zo, wanneer de Christenen den hemel ingaan, zullen ze allen van gelukzaligheid vervuld worden, maar de een is vatbaarder voor een hoger genot van zaligheid dan de ander. In of tot uw lot sluit zich aan aan de verdeling van het rijk hier beneden, aan allen die er hun deel van ontvangen. Zo had Israël ieder zijn lot, zijn deel ontvangen van het Joodse land. Alzo wordt aan Daniël hier een lot beloofd in het Messiaanse rijk, dat is hier in de erve der heiligen in het licht. Daniël wordt hier de heerlijkheid der zaligheid vast en zeker beloofd. SLOTWOORD OP DEN PROFEET DANIEL. Wie het Profetisch Boek van Daniël, wat zijn inhoud betreft, vergelijkt met dat van de andere Profeten, zal terstond een niet gering onderscheid bemerken. Zowel in vorm als in inhoud onderscheidt het zich van al de andere. Een Jesaja, een Hosea en al de andere Profeten treden op tegen de zonde en ongerechtigheden van het volk, manen tot bekering, spreken van straf voor den onboetvaardige, van verlossing en redding van hem, die zijne zonden belijdt en nalaat, maar van dit alles bemerken wij bij onzen Profeet niets. Van zinnebeeldige handelingen als welke we in het Boek van Ezechiël aantroffen, vinden we ook in Daniël geen spoor. Traden de andere Profeten op binnen de grenzen, zo niet van het Joodse land, dan toch van het Joodse volk, Daniël treedt op te midden van de Heidense wereldmachten, of, zoals het ook wel eens is uitgedrukt “Hij trekt de theokratie in de geschiedkundige ontwikkeling der wereldrijken. ” Hij is geen Profeet binnen de theokratie, en vandaar dat de rangschikkers van de Boeken des Ouden Verbonds zijn boek niet hebben geplaatst onder de Profeten, maar onder de dusgenaamde Ketoebim, zijn plaats aangewezen tussen Esther en Ezra, en hem daarom beschouwd als een Profetische geschiedschrijver van dat tijdvak van het Rijk Gods, hetwelk begint met de ballingschap. Wel was hij een Profeet des Heeren, maar als in den dienst van de macht der werelden. Was door de ballingschap de theokratie getrokken in de geschiedkundige ontwikkeling der wereldrijken, stond de voortduring en de ontwikkeling der theokratie in het nauwste verband met de ontwikkeling van de wereldmachten, en wel zo, dat de ondergang van de laatste eerst moet plaats grijpen, aleer de eerste tot volkomene ontplooiing van hare heerlijkheid kwam: aan Daniël, den balling van het volk des Verbonds, maar tevens een der hoogste staatsdienaren van de toen heersende wereldmacht werd het gegeven, dat alles onder de meest indrukwekkende symbolen aan te kondigen. Heeft hij in zijn persoon afgebeeld, dat het Rijk Gods niet ten onder kon worden gebracht, wel tijdelijk verdrukt door de wereldmachten, in zijne redenen heeft hij, door Gods Geest gedreven, het zinnebeeldig voor ogen gesteld, hoe de ontwikkeling der wereldmachten in den loop der eeuwen zich zou openbaren, hoe het ene wereldrijk uit het andere zou te voorschijn treden, hoe de anti-goddelijke wereld macht zich zou stellen tegen den bloei en de vooruitgang van het Goddelijke, maar ook hoe ten leste de overwinning zou zijn, niet aan de zijde van de wereld, maar wel aan Hem, die leeft en regeert tot in alle eeuwigheid. De wijsheid der Chaldeeën werd op verscheidene wijzen in de schaduw gesteld door de wijsheid Gods, die uit hem sprak, maar hij verkondigt tevens, dat eenmaal, aan den eindpaal der eeuwen al de wijsheid en de macht der wereld zou te schande worden en alleen de wijsheid en kracht Gods zou blijken heerlijk te zijn. Zo werden zijne profetieën inzonderheid een verzameling van troostredenen voor het verdrukte volk Gods, om het te midden van lijden en ellende vast te zetten in het geloof aan en in de hope op de eeuwige kracht en hulpe van Hem, aan Wien de overwinning verblijven zou.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel