Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De HeereH136 HEEREH3069 deed mij aldusH3541 zienH7200; en zietH2009, Hij formeerdeH3335 sprinkhanenH1462, in het beginH8462 des opkomensH5927 van het nagrasH3954; en zietH2009, het was het nagrasH3954, naH310 des koningsH4428 afmaaiingenH1488.
De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen.
KJV
Thus hath the Lord3
GOD4
shewed2
unto me; and, behold, he formed6
grasshoppers7
in the beginning8
of the shooting up9
of the latter growth;10
and, lo, it was the latter growth12
after13
the king's15
mowings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En het geschieddeH1961, als zij het kruidH6212 des landsH776 geheelH3615 zouden hebben afgegetenH398, dat ik zeideH559: HeereH136 HEEREH3069! vergeefH5545 tochH4994; wieH4310 zou er van JakobH3290 blijven staanH6965; wantH3588 hijH1931 is kleinH6996!
En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
KJV
And it came to pass, that when they had made an end3
of eating4
the grass6
of the land,7
then I said,8
O Lord9
GOD,10
forgive,11
I beseech thee: by whom shall Jacob15
arise?14
for he is small.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen berouwdeH5162 zulks den HEEREH3068; het zal nietH3808 geschiedenH1961, zeideH559 de HEEREH3068.
Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.
KJV
The LORD2
repented1
for this: It shall not be, saith7
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Wijders deed mij de Heere HEEREH3069 aldusH3541 zienH7200; en zietH2009, de Heere HEEREH3069 riepH7121 uit, dat Hij wilde twistenH7378 met vuurH784; en het verteerdeH398 een groten afgrondH8415, ook verteerdeH398 het een stukH2506 lands.
Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands.
Ook in dit vers
HeereH136
HeereH136
KJV
Thus hath the Lord3
GOD4
shewed2
unto me: and, behold, the Lord9
GOD10
called6
to contend7
by fire,8
and it devoured11
the great14
deep,13
and did eat up15
a part.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Toen zeideH559 ik: HeereH136 HEEREH3069! houdH2308 tochH4994 op; wieH4310 zou er van JakobH3290 blijven staanH6965; wantH3588 hijH1931 is kleinH6996!
Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
KJV
Then said1
I, O Lord2
GOD,3
cease,4
I beseech thee: by whom shall Jacob8
arise?7
for he is small.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Toen berouwdeH5162 zulks den HEEREH3068. OokH1571 ditH2063 zal nietH3808 geschiedenH1961, zeideH559 de HeereH136 HEEREH3069.
Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.
KJV
The LORD2
repented1
for this: This also shall not be, saith9
the Lord10
GOD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Nog deed Hij mij aldusH3541 zienH7200; en zietH2009, de HeereH136 stondH5324 opH5921 een muurH2346, die naar het pasloodH594 gemaakt was, en een pasloodH594 was in Zijn handH3027.
Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.
KJV
Thus he shewed2
me: and, behold, the Lord4
stood5
upon a wall7
made by a plumbline,8
with a plumbline10
in his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En de HEEREH136 zeideH559 totH413 mij: WatH4100 ziet gijH859, AmosH5986? En ik zeideH559: Een pasloodH594. Toen zeideH559 de HEEREH3068: ZieH2009, Ik zal het pasloodH594 stellenH7760 in het middenH7130 van Mijn volkH5971 IsraelH3478; Ik zal het voortaanH3254 nietH3808 meerH5750 voorbijgaanH5674.
En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de HEERE: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
KJV
And the LORD2
said1
unto me, Amos,7
what seest6
thou? And I said,8
A plumbline.9
Then said10
the Lord,11
Behold, I will set13
a plumbline14
in the midst15
of my people16
Israel:17
I will not again19
pass by
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar IzaksH3446 hoogtenH1116 zullen verwoestH8074, en IsraelsH3478 eigendommenH4720 verstoordH2717 worden; en Ik zal tegenH5921 JerobeamsH3379 huisH1004 opstaanH6965 met het zwaardH2719.
Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.
KJV
And the high places2
of Isaac3
shall be desolate,1
and the sanctuaries4
of Israel5
shall be laid waste;6
and I will rise7
against the house9
of Jeroboam10
with the sword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Toen zondH7971 AmaziaH558, de priesterH3548 te Beth-ElH1008, totH413 JerobeamH3379, den koningH4428 van IsraelH3478, zeggendeH559: AmosH5986 heeft een verbintenisH5921 tegen u gemaakt, in het middenH7130 van het huisH1004 IsraelsH3478; het landH776 zal alH3605 zijn woordenH1697 niet kunnen verdragenH3557.
Toen zond Amazia, de priester te Beth-El, tot Jerobeam, den koning van Israel, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israels; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.
KJV
Then Amaziah2
the priest3
of Bethel4
sent1
to Jeroboam7
king8
of Israel,9
saying,10
Amos13
hath conspired11
against thee in the midst14
of the house15
of Israel:16
the land19
is not able18
to bear20
all his words.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 alzoH3541 zegtH559 AmosH5986: JerobeamH3379 zal door het zwaardH2719 stervenH4191, en IsraelH3478 zal voorzekerH1540 uit zijn landH127 gevankelijkH1540 worden weggevoerd.
Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.
KJV
For thus Amos4
saith,3
Jeroboam7
shall die6
by the sword,5
and Israel8
shall surely9
be led away captive10
out of their own land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Daarna zeideH559 AmaziaH558 totH413 AmosH5986: Gij zienerH2374! ga wegH3212, vliedH1272 in het landH776 van JudaH3063, en eetH398 aldaarH8033 broodH3899, en profeteerH5012 aldaarH8033.
Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar.
KJV
Also Amaziah2
said1
unto Amos,4
O thou seer,5
go,6
flee thee away7
into the land10
of Judah,11
and there eat12
bread,14
and prophesy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Maar te Beth-ElH1008 zult gij voortaanH3254 nietH3808 meerH5750 profeterenH5012; wantH3588 dat is des koningsH4428 heiligdomH4720, en dat is hetH1931 huisH1004 des koninkrijksH4467.
Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks.
KJV
But prophesy6
not again4
any more at Bethel:1
for it is the king's9
chapel,8
and it is the king's12
court.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen antwoorddeH6030 AmosH5986, en zeideH559 totH413 AmaziaH558: IkH595 was geenH3808 profeetH5030, en ikH595 was geenH3808 profetenzoonH5030; maarH3588 ikH595 was een ossenherderH951, en lasH1103 wilde vijgenH8256 af.
Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.
KJV
Then answered1
Amos,2
and said3
to Amaziah,5
I was no prophet,7
neither was I a prophet's11
son;10
but I was an herdman,14
and a gatherer16
of sycomore fruit:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Maar de HEEREH3068 namH3947 mij van achterH310 de kuddeH6629; en de HEEREH3068 zeideH559 totH413 mij: GaH3212 henen, profeteerH5012 totH413 Mijn volkH5971 IsraelH3478.
Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel.
KJV
And the LORD2
took1
me as I followed3
the flock,4
and the LORD7
said5
unto me, Go,8
prophesy9
unto my people11
Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Nu dan, hoorH8085 des HEERENH3068 woordH1697: GijH859 zegtH559: Gij zult nietH3808 profeterenH5012 tegenH5921 IsraelH3478, nochH3808 druppenH5197 tegenH5921 het huisH1004 van IzakH3446.
Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israel, noch druppen tegen het huis van Izak.
KJV
Now therefore hear2
thou the word3
of the LORD:4
Thou sayest,6
Prophesy8
not against Israel,10
and drop12
not thy word against the house14
of Isaac.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DaaromH3651 zegtH559 de HEEREH3068 alzo: Uw vrouwH802 zal in de stadH5892 hoererenH2181, en uw zonenH1121 en uw dochterenH1323 zullen door het zwaardH2719 vallenH5307, en uw landH127 zal door het snoerH2256 uitgedeeldH2505 worden; en gijH859 zult in een onreinH2931 landH127 stervenH4191, en IsraelH3478 zal voorzekerH1540 uit zijn landH127 gevankelijkH1540 worden weggevoerd.
Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.
KJV
Therefore thus saith3
the LORD;4
Thy wife5
shall be an harlot7
in the city,6
and thy sons8
and thy daughters9
shall fall11
by the sword,10
and thy land12
shall be divided14
by line;13
and thou shalt die19
in16
a polluted18
land:17
and Israel20
shall surely21
go into captivity22
forth of his land.
zien;
Dat is, openbaarde mij dit volgende gezicht. Zie Jer. 24:1 .
Hertaald:
zien;
Dat is: openbaarde mij het volgende gezicht. Zie Jer. 24:1.
Hij formeerde
De Heere.
Hertaald:
Hij formeerde
Namelijk de HEERE.
sprinkhanen,
betekenende een grote aanstaanden hongersnood, vermits het verderf der landvruchten door ongedierte, gelijk Joël 1:4 , enz. of, [gelijk sommigen] den overval der Assyriërs, die alles, als wilde sprinkhanen, zouden bederven, zo God het niet verhoedde.
Hertaald:
sprinkhanen,
Die een grote naderende hongersnood aanduiden, doordat de veldvruchten door ongedierte verwoest worden, zoals Joël 1:4, enzovoort. Volgens sommigen: de inval van de Assyriërs, die alles als wilde sprinkhanen zouden verwoesten wanneer God het niet verhinderde.
afmaaiingen
Dat is, nadat de koning had laten maaien, misschien tot voeder voor zijne paarden, of omdat de eerste maaiing hem mag hebben toebehoord. Hebr. scheringen; maar het Hebr. woord wordt alzo van afgemaaid gras ook gebruikt; Ps. 72:6 .
Hertaald:
afmaaiingen
Dat is: nadat de koning had laten maaien, misschien als voer voor zijn paarden, of omdat de eerste snede hem toekwam. Hebreeuws: scheringen; maar het Hebreeuwse woord wordt ook voor afgemaaid gras gebruikt, Ps. 72:6.
zij het kruid des lands
Hebr. hij, te weten, de sprinkhaan, dat is, de voorzeide sprinkhanen.
Hertaald:
zij het kruid des lands
Hebreeuws: hij, namelijk de sprinkhaan, dat is: de genoemde sprinkhanen.
geheel zouden hebben afgegeten,
Hebr. geëindigd, of volbracht zou hebben af te eten. Anders: als zij het gans afgegeten hadden.
Hertaald:
geheel zouden hebben afgegeten,
Hebreeuws: geëindigd of volbracht zou hebben af te eten. Anders: toen zij het geheel afgegeten hadden.
vergeef toch;
Te weten, de zonden van het volk, en houd op van deze straf, of ga zo niet voort te plagen.
Hertaald:
vergeef toch;
Namelijk de zonden van het volk, en houd op met deze straf, of ga niet zo voort met plagen.
Jakob
De Israëlieten, Jakobs nakomelingen.
Hertaald:
Jakob
De Israëlieten, de nakomelingen van Jakob.
blijven staan;
Dat is, overblijven, in het leven kunnen blijven, wanneer het land van vruchten gans zou beroofd zijn? Anders: hoedanig [dat is, in wat staat] zou Jakob [dan] staan? Wie zou hij dan wezen? Hoe zou hij er uitzein; of, hoe zou hij kunnen opstaan, weder rijzen? Zie vs.5.
Hertaald:
blijven staan;
Dat is: overblijven, in leven kunnen blijven wanneer het land geheel van zijn vruchten beroofd zou zijn? Anders: hoe zou Jakob er dan aan toe zijn? Wie zou hij dan zijn, hoe zou hij eruitzien? Of: hoe zou hij weer kunnen opstaan? Zie vers 5.
klein
Of, gering; dat is, daar is, of zijn, weinig overig.
Hertaald:
klein
Of: gering; dat is: er is weinig van over.
berouwde zulks den HEERE;
Zie Gen. 6:6 .
Hertaald:
berouwde zulks den HEERE;
Zie Gen. 6:6.
geschieden,
Te weten, dat zij het alles afeten.
Hertaald:
geschieden,
Namelijk dat zij alles zouden afeten.
twisten
Of, pleiten, rechten; en vervolgens straffen. Zie Hos. 4:1 , met de aantekening.
Hertaald:
twisten
Of: pleiten, rechten, en vervolgens straffen. Zie Hos. 4:1 met de aantekening.
vuur;
Van krijg en oorlog, gelijk in Am. 1:4 , Am. 1:7 , Am. 1:10 . Sommigen verstaan het naar de letter van een hemelsen brand, gelijk Sodom en Gomorra overkwam, of anderen gemenen brand, of grote droogte. Zie Joël 1:19 , met de aantekening.
Hertaald:
vuur;
Het vuur van krijg en oorlog, zoals Amos 1:4, Amos 1:7, Amos 1:10. Sommigen verstaan het letterlijk van een hemelse brand, zoals Sodom en Gomorra overkwam, of van een gewone brand of een grote droogte. Zie Joël 1:19 met de aantekening.
groten afgrond,
Dat is, diepte van wateren; waarvan Syrië verwoest door Tiglath-Pilezer, 2 Kon. 16:9 , en door het stuk land een gedeelte van Israël, in Gilead, over de Jordaan. Zie 2 Kon. 15:29 ; 1 Kron. 5:26 .
Hertaald:
groten afgrond,
Dat is: een diepte van wateren; daarmee wordt Syrië bedoeld, dat door Tiglath-Pileser verwoest is (2 Kon. 16:9), en met het stuk land een deel van Israël in Gilead, aan de overzijde van de Jordaan. Zie 2 Kon. 15:29; 1 Kron. 5:26.
geschieden,
Dat het ganse land op ditmaal zou verteerd worden door het vuur.
Hertaald:
geschieden,
Namelijk dat het hele land dit keer door het vuur verteerd zou worden.
die naar het paslood gemaakt was,
Hebr. een muur des pasloods; dat is, die naar het richtsnoer wel gemaakt was. Waardoor men [met sommigen] kan verstaan de republiek van Israël, die God door zijn heilige wetten en zijn genadigen zegen wel en heerlijk gesticht en gebouwd had; en door het paslood, dat God ni in zijne hand had, zijn streng en rechtvaardig oordeel, dat Hij na langdurige verdraagzaamheid en verschoning [waarvan in het voorgaande] over Israël wilde uitvoeren; omdat zij alles omgekeerd en geschonden hadden, gelijk in Am. 6:12 , enz. Verg. Am. 8:2 .
Hertaald:
die naar het paslood gemaakt was,
Hebreeuws: een muur van het paslood; dat is: een muur die naar het richtsnoer goed gebouwd was. Daaronder kan men met sommigen de staat van Israël verstaan, die God door Zijn heilige wetten en Zijn genadige zegen goed en heerlijk gesticht en gebouwd had; en onder het paslood dat God nu in Zijn hand had, Zijn strenge en rechtvaardige oordeel, dat Hij na langdurige verdraagzaamheid en sparen — waarover het voorgaande — over Israël wilde uitvoeren, omdat zij alles omgekeerd en geschonden hadden, zoals Amos 6:12, enzovoort. Vergelijk Amos 8:2.
paslood was in Zijn hand
Het Hebr. woord wordt alleenlijk hier in deze beide verzen gevonden.
Hertaald:
paslood was in Zijn hand
Het Hebreeuwse woord komt alleen hier in deze twee verzen voor.
paslood
Van mijn rechtvaardig oordeel.
Hertaald:
paslood
Namelijk van Mijn rechtvaardige oordeel.
het
Mijn volk.
Hertaald:
het
Namelijk Mijn volk.
voortaan
Hebr. Ik zal niet meer voortgaan, of voortvaren voorbij, of over te gaan.
Hertaald:
voortaan
Hebreeuws: Ik zal niet meer voortgaan voorbij of over te gaan.
voorbijgaan
Dat is, ongestraft laten overzien, verschonen, gelijk Ik tot nog toe gedaan heb. Verg. de manier van spreken met Spr. 19:11 ; Mi. 7:18 , en zie de aantekening aldaar. Alzo in Am. 8:2 .
Hertaald:
voorbijgaan
Dat is: ongestraft laten, door de vingers zien, sparen, zoals Ik tot nu toe gedaan heb. Vergelijk de manier van spreken met Spr. 19:11; Micha 7:18, en zie de aantekening daar. Zo ook Amos 8:2.
Izaks hoogten
Daar zij hunne voorvaders en het voorbeeld van hunne voorvaders Izak en Jakob, als welken aldaar in voortijden den waren God altaren opgericht en geofferd hadden. Zie Gen. 26:25 , en Gen. 35:7 .
Hertaald:
Izaks hoogten
Daar hielden zij zich aan het voorbeeld van hun voorvaders Izak en Jakob, die daar vroeger de ware God altaren opgericht en geofferd hadden. Zie Gen. 26:25 en Gen. 35:7.
heiligdommen verstoord worden;
Afgodische tempels.
Hertaald:
heiligdommen verstoord worden;
Afgodische tempels.
Jeróbeams
Die een zoon was van Joas, zie Am. 1:1 .
Hertaald:
Jeróbeams
Die een zoon van Joas was; zie Amos 1:1.
huis opstaan
Zijn zoon Zacharia [die maar zes maanden regeerde] is van Sallum in het openbaar, in tegenwoordigheid van het volk verslagen, 2 Kon. 15:10 .
Hertaald:
huis opstaan
Zijn zoon Zacharia, die maar zes maanden regeerde, is door Sallum in het openbaar en in tegenwoordigheid van het volk verslagen, 2 Kon. 15:10.
zwaard
Het is aanmerkelijk dat de profeet hier tegen het oordeel Gods niet meer antwoordt, gelijk hij in de twee voorgaande gezichten zijne voorbede had gedaan en was verhoord.
Hertaald:
zwaard
Het is opmerkelijk dat de profeet hier niet meer tegen Gods oordeel in antwoordt, terwijl hij bij de twee vorige gezichten wel voorbede gedaan had en verhoord was.
Toen zond Amázia,
Als de profeet deze gezichten het volk had voorgedragen.
Hertaald:
Toen zond Amázia,
Toen de profeet deze gezichten aan het volk voorgehouden had.
verbintenis tegen u gemaakt,
Ennbehoort dienvolgens [wil hij zeggen] als een samenzweerder gestraft te worden; voorts ook als een opreormaker, omdat hij in het openbaar voor al het volk tegen u profeteert.
Hertaald:
verbintenis tegen u gemaakt,
En daarom behoort hij, wil hij zeggen, als een samenzweerder gestraft te worden; en bovendien als een oproermaker, omdat hij in het openbaar voor heel het volk tegen u profeteert.
verdragen
Het volk [wil hij zeggen] zal tot oproer tegen u door hem verwekt worden. De staat van het land en het gezag des konings vereisen dan dat hierin voorzien worde. Hebr. vatten, houden.
Hertaald:
verdragen
Het volk, wil hij zeggen, zal door hem tot oproer tegen u aangezet worden. De toestand van het land en het gezag van de koning eisen dus dat hierin voorzien wordt. Hebreeuws: vatten, houden.
Jeróbeam zal door het zwaard sterven,
Amo had gesproken van Jerobeams huis, vs.3.
Hertaald:
Jeróbeam zal door het zwaard sterven,
Amos had gesproken over het huis van Jerobeam, vers 9.
voorzeker
Hebr. gevankelijk weggevoerd wordende, gevankelijk worden weggevoerd.
Hertaald:
voorzeker
Hebreeuws: gevankelijk weggevoerd wordend gevankelijk weggevoerd worden.
ziener
Zie 1 Sam. 9:9 .
Hertaald:
ziener
Zie 1 Sam. 9:9.
vlied
Hebr. vlied u, of voor u; het woordje u, of voor u, wordt gehouden als overtollig en dienende tot sieraad der spraak, anderzins moest met het hier nemen, voor u; dat is, tot uw best, om in geen lijden te komen. Verg. Gen. 12:1 ; Jer. 5:5 ; Mi. 1:11 , met de aantekening.
Hertaald:
vlied
Hebreeuws: vlied u, of: voor u. Het woordje u of voor u wordt beschouwd als overtollig en als versiering van de zin; anders zou men het hier moeten opvatten als: voor u, dat is: tot uw eigen bestwil, om niet in het lijden te komen. Vergelijk Gen. 12:1; Jer. 5:5; Micha 1:11 met de aantekening.
Juda,
Waar Thekoa was gelegen, het vaderland van den profeet, zie Am. 1:1 .
Hertaald:
Juda,
Waar Thekoa lag, het vaderland van de profeet; zie Amos 1:1.
eet aldaar brood,
Dat is, geneer, onderhoud u aldaar. Zie Gen. 3:19 .
Hertaald:
eet aldaar brood,
Dat is: verdien daar uw brood, onderhoud u daar. Zie Gen. 3:19.
voortaan
Hebr. niets toedoen, of voortvaren meer te profeteren.
Hertaald:
voortaan
Hebreeuws: niets toedoen of voortgaan meer te profeteren.
niet meer profeteren;
Verg. Am. 2:12 .
Hertaald:
niet meer profeteren;
Vergelijk Amos 2:12.
heiligdom,
Dat is, de plaats, die de koning voor zijn heiligdom houdt, daar hij zijn plechtigen godsdienst bij het gouden kalf verricht, waartegen men hier geen profeteren mag lijden. Sommigen verstaan hierdoor den koning Melech, of Molech, den groten afgod en koning van Israël; zie Am. 5:26 .
Hertaald:
heiligdom,
Dat is: de plaats die de koning voor zijn heiligdom houdt, waar hij zijn plechtige godsdienst bij het gouden kalf verricht en waar men geen profeteren tegen die dienst mag dulden. Sommigen verstaan hieronder de koning Melech of Molech, de grote afgod en koning van Israël; zie Amos 5:26.
huis des koninkrijks
Dit kan men verstaan van een koninklijk hof, dat de koning ongetwijfeld te Bethel mede gehad heeft, als hij daar woonde, om zijn afgoderij te plegen: of van de plaats waar het opperste recht en de koniklijke rijksraad geweest zijn; of men kan het alzo verstaan, dat gans Israël hier in den afgodischen tempel [huis voor tempel ] gewoon was te komen, enz.; zulks dat het, naar zijnen zin, voor Amos niet alleen niet veilig, maar ook zulke profetieën aldaar gans onlijdelijk waren.
Hertaald:
huis des koninkrijks
Dit kan men verstaan van een koninklijk hof dat de koning ongetwijfeld ook in Bethel gehad heeft, wanneer hij daar verbleef om zijn afgoderij te bedrijven; of van de plaats waar het hoogste gerechtshof en de koninklijke rijksraad zetelden. Of men kan het zo opvatten dat heel Israël hier in de afgodische tempel — huis in de betekenis van tempel — placht samen te komen, zodat het naar zijn oordeel voor Amos niet alleen niet veilig was, maar zulke profetieën daar ook volstrekt ondraaglijk waren.
ossenherder,
Het Hebr. woord komt, naar sommiger gevoelen, van een ander, dat runderen, ossen, of groot vee betekent. Verg. Am. 1:1 . Anders: maar ik zocht en las af wilde vijgen; alzo het Hebr. woord eigenlijk zoeken betekent, en in het volgende vers staat dat hij achter het kleinvee of de schapen ging.
Hertaald:
ossenherder,
Het Hebreeuwse woord komt volgens sommigen van een ander woord dat runderen, ossen of grootvee betekent. Vergelijk Amos 1:1. Anders: maar ik zocht en las wilde vijgen, aangezien het Hebreeuwse woord eigenlijk zoeken betekent en in het volgende vers staat dat hij achter het kleinvee liep.
las
Het Hebr. woord wordt alleenlijk hier gevonden. Versta, òf voor zichzelven tot spijs, òf voor de beesten tot voedsel.
Hertaald:
las
Het Hebreeuwse woord komt alleen hier voor. Versta: hetzij voor zichzelf tot voedsel, hetzij voor de dieren als voer.
wilde vijgen af
Of, vijgmoerbeziën. Zulke bomen waren er bij menigte in Kanaän. Zie 1 Kon. 10:27 ; Jes. 9:9 .
Hertaald:
wilde vijgen af
Of: vijgmoerbeien. Zulke bomen waren er in Kanaän in menigte. Zie 1 Kon. 10:27; Jes. 9:9.
kudde;
Het Hebr. woord wordt eiegelijk van kleinvee gebruikt, maar is hier breder genomen.
Hertaald:
kudde;
Het Hebreeuwse woord wordt eigenlijk voor kleinvee gebruikt, maar is hier ruimer genomen.
HEERE
Dien ik meer moet gehoorzamen dan mensen. Verg. Hand. 4:19 . Hieruit leiden sommigen af dat Amos niet is gevlucht. De Joden menen dat de koning Jerobeam de aanklacht van Amazia niet heeft aangenomen, maar de profeet laten begaan.
Hertaald:
HEERE
Die ik meer moet gehoorzamen dan de mensen. Vergelijk Hand. 4:19. Hieruit leiden sommigen af dat Amos niet gevlucht is. De Joden menen dat koning Jerobeam de aanklacht van Amazia niet aangenomen heeft, maar de profeet zijn gang heeft laten gaan.
druppen tegen het huis van Izak
Zie Deut. 32:2 ; Ezech. 21:2 , met de aantekening.
Hertaald:
druppen tegen het huis van Izak
Zie Deut. 32:2; Ezech. 21:2 met de aantekening.
hoereren,
Dat is, òf zij zal zachtmoedigen tot hoererij begeven, òf als ene hoer van den vijand misbruikt worden.
Hertaald:
hoereren,
Dat is: óf zij zal zich uit eigen beweging aan hoererij overgeven, óf zij zal als een hoer door de vijand misbruikt worden.
snoer uitgedeeld worden;
Te weten, voor anderen. Zie Deut. 3:4 , en Ps. 16:5 .
Hertaald:
snoer uitgedeeld worden;
Namelijk aan anderen. Zie Deut. 3:4 en Ps. 16:5.
onrein land sterven,
Het afgodisch Assyrië.
Hertaald:
onrein land sterven,
Namelijk het afgodische Assyrië.
voorzeker
Gelijk in vs.11.
Hertaald:
voorzeker
Zoals vers 11. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een veehoeder en vijgenkweker uit Thekoa in Juda, die door de HEERE geroepen werd om in Israël te profeteren, in de dagen van Uzzia van Juda en Jerobeam II van Israël. Hij kondigde oordeel aan over de omliggende volken en vooral over Israël, vanwege sociale onrechtvaardigheid en valse godsdienst, en werd door de priester Amazia uit Beth-El weggejaagd (Amos 1-9). De priester van het gouden kalf-heiligdom te Beth-El, die Amos bij koning Jerobeam II aanklaagde wegens samenzwering en hem gebood naar Juda te vluchten en daar te profeteren; Amos kondigde hem daarop persoonlijk oordeel aan (Amos 7:10-17). Niet te verwarren met koning Amazia van Juda. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het eerste gezicht: "Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras" (Amos 7:1). Toen de sprinkhanen het kruid van het land dreigden op te eten, bad Amos: "Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!" (Amos 7:2). Het antwoord: "Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE" (Amos 7:3). Het tweede gezicht herhaalt hetzelfde patroon met vuur: de HEERE riep uit dat Hij wilde twisten met vuur, en het verteerde een grote afgrond (Amos 7:4). Amos bidt opnieuw met dezelfde woorden (Amos 7:5), en weer volgt: "Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden" (Amos 7:6). Bijbelse betekenis: Merk op de herhaling in deze twee gezichten: hetzelfde gebed, met dezelfde woorden, en hetzelfde antwoord. Amos vraagt niet om vergeving voor de zonde zelf, maar om verschoning van het oordeel, met als enige grond: "hij is klein." Let vervolgens op wat er over Gods berouw gezegd wordt. Dat woord is elders in het register al onderzocht (reeds behandeld bij Jer. 18:7-8): het gaat niet om spijt over een fout, maar om een verandering in Zijn handelen in antwoord op wat Hem wordt voorgelegd. Let ten slotte op wat er hierna verandert. Bij het derde en vierde gezicht (Amos 7:7-9 en 8:1-3) blijft dat berouw uit; de voorbede van de profeet heeft twee keer gewerkt, maar niet blijvend. Typologie: Wat hier bij Amos gebeurt, gebeurde eerder bij Mozes na het gouden kalf, en later bij Ninevé: God zag hun werken, "en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet" (Jona 3:10, reeds behandeld). Amos 7:1-6; Jer. 18:7-8; Jona 3:10 "De Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand" (Amos 7:7). Op de vraag wat Amos ziet, antwoordt hij: "Een paslood", en de HEERE zegt: "Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan" (Amos 7:8). Het gezicht sluit met een concreet vonnis over Jerobeams huis (Amos 7:9). Bijbelse betekenis: Merk op het verschil met de twee vorige gezichten. Daar bad Amos, en God had berouw; hier bidt Amos niet, en er komt geen verschoning. Let vervolgens op het beeld van het paslood zelf. Een muur die naar het paslood gemaakt is, staat recht; het paslood meet enkel na wat er al gebouwd is. Zo wordt hier niet een nieuwe eis gesteld, maar vastgesteld hoe scheef het volk al staat ten opzichte van de maatstaf die er altijd al was. Let ten slotte op de zin: "Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan." Dezelfde woorden keren terug bij het vierde gezicht (Amos 8:2); vanaf hier is de weg naar uitstel afgesloten. Typologie: Jesaja gebruikt hetzelfde beeld van het meten wanneer hij aankondigt dat God "een richtsnoer der woestigheid" en "een richtlood der ledigheid" over Edom zal trekken (reeds behandeld bij Jes. 34:11). Een rechte maatstaf oordeelt niet naar willekeur, maar naar wat er werkelijk staat. Amos 7:7-9; Jes. 34:11 Amazia, priester te Beth-El, klaagt Amos aan bij koning Jerobeam en zegt tot Amos zelf: "Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar" (Amos 7:12). Hij voegt eraan toe: "Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom" (Amos 7:13). Amos antwoordt met zijn eigen geschiedenis: "Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af" (Amos 7:14). "Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel" (Amos 7:15). Dan volgt een persoonlijk vonnis over Amazia zelf (Amos 7:17). Bijbelse betekenis: Merk op wat Amazia's bezwaar werkelijk is: niet dat Amos onwaarheid spreekt, maar dat hij op de verkeerde plaats spreekt — "des konings heiligdom." De boodschap wordt niet inhoudelijk bestreden, maar weggestuurd. Let vervolgens op Amos' antwoord. Hij beroept zich niet op een opleiding of een ambt — hij had geen van beide — maar alleen op een roeping: de HEERE nam mij. Wat hem het recht geeft te spreken, is niet zijn afkomst maar Zijn zending. Let ten slotte op het persoonlijke vonnis in Amos 7:17. Wie een boodschapper het zwijgen wil opleggen, ontloopt daarmee de boodschap zelf niet. Typologie: Paulus spreekt in dezelfde toon over zijn eigen roeping: "de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!" (1 Kor. 9:16). En Jeremia hoorde al vóór zijn geboorte: "Ik heb u den volken tot een profeet gesteld" (reeds behandeld bij Jer. 1:5). Amos 7:10-17; 1 Kor. 9:16; Jer. 1:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding ambt Amos komt uit Juda en spreekt in het noordelijke rijk, in de jaren voordat Assyrië komt. Hij is geen tempelman en geen hoveling. Hij is een veehouder uit Tekoa die ook vijgen kweekt, en hij zegt dingen die aan het hof van Bethel niet gehoord willen worden. Een boer die geen profeet was, wordt weggehaald van achter zijn kudde, pleit tweemaal met succes voor het volk, en wordt daarna het land uitgestuurd. Het hoofdstuk bestaat uit drie gezichten en één botsing, en die vier stukken horen bij elkaar. In het eerste gezicht ziet Amos sprinkhanen die het gewas kaalvreten, en hij doet iets wat een profeet zelden doet: hij onderbreekt het gezicht met een gebed. “Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!” Hij pleit niet op de deugd van het volk maar op zijn kleinheid. En dan staat er: “Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.” Bij het tweede gezicht, een vuur dat het land verteert, gebeurt precies hetzelfde. Bij het derde gezicht houdt Amos zijn mond, en dat is het aangrijpendste van het hoofdstuk. Hij ziet de Heere staan op een muur die naar het paslood gemaakt was, met een paslood in Zijn hand. Een paslood is een simpel gereedschap: een gewicht aan een touw dat aanwijst of een muur recht staat. Het maakt niets krom en het buigt niets recht; het meet alleen. En God zegt: “Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.” Tegen een meetlat valt niet te pleiten. En dan komt Amazia, de priester van Bethel. Hij stuurt naar de koning met de mededeling dat het land Amos' woorden niet verdragen kan, en hij raadt Amos aan in Juda zijn brood te gaan verdienen. Zijn argument is dat Bethel het heiligdom van de koning is. Het antwoord van Amos is dat van dit hele hoofdstuk: “Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israël.” Hij verdedigt zich niet met een opleiding of een aanstelling. Hij zegt: ik heb hier niet om gevraagd, en ik ben hier niet zelf begonnen. Daar raakt dit hoofdstuk de lijn van de ambten. Wie namens God spreekt, is niet iemand die het beroep gekozen heeft. Bij de roeping van David staat er dat God hem nam van achter de zogende schapen, en Amos gebruikt bijna hetzelfde woord. En wanneer Christus Zijn eerste discipelen roept, staan zij bij hun netten en hun boot; Hij vraagt hun niet of zij ervoor geleerd hebben. En er is nog een tweede lijn, die van de voorbede. Tweemaal staat er in dit hoofdstuk een mens tussen God en het oordeel in, en tweemaal wordt zijn gebed gehoord. Maar bij het paslood houdt het op. Wat Amos niet meer kon, is later gedaan door Iemand Die niet alleen bad maar ook de meetlat verdroeg. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 4:18-22; 1 Korinthe 1:26-29; Hebreeën 7:25; Handelingen 4:13; 2 Samuël 7:8 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Amos 7 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op wat Amos zelf zegt: hij was geen profeet en geen profetenzoon, en de HEERE nam hem van achter de kudde. Dat God ook elders zo roept, blijkt uit 2 Samuël 7:8 en uit de roeping van de discipelen. De verbinding met de voorbede van Christus berust op de overeenkomst en niet op een aanhaling. En het paslood is in het hoofdstuk zelf een beeld van het oordeel, niet van Christus.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Nog deed hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was en een paslood was in zijn hand. Amos… Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. Amos… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Amos 7
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af — 7:1-17
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Amos 7:7 - Het Paslood
Gods werk


Amos 7
Amos 7:1-3.KruisverwijzingenJoël 1:4→Deuteronomium 32:36→Amos 8:1→Exodus 10:15→Jesaja 37:4→Ezechiël 11:13→Jona 3:10→Hosea 11:8→
— De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen. En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.
In een gezicht zag de profeet de sprinkhanen komen om alle groen van het land te verslinden — een zeer verschrikkelijke bezoeking. Hebt u het nooit gezien, dan kunt u zich niet voorstellen hoe volkomen kaal alles gemaakt wordt na het bezoek van de sprinkhanen.
De profeet bad een hevig en ernstig gebed; hij riep: Heere HEERE, vergeef toch! En nauwelijks was die voorbede gedaan of de HEERE zei: het zal niet geschieden. Zo werd het dreigende oordeel afgewend.
Amos 7:4-6.KruisverwijzingenJesaja 66:15→Amos 7:1→Psalmen 85:4→Micha 1:4→Amos 5:6→Leviticus 10:2→Hebreeën 1:7→Amos 7:7→
— Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.
Ditmaal zag de profeet het vuur dat het land verteerde — misschien het vuur van de oorlog, dat zijn brandende fakkel op vreedzame woningen werpt. Maar dit vuur was iets ergers dan dat, want zelfs de afgrond zelf leek door tongen van vlammen opgelikt te worden.
En de profeet, in hartelijk meegevoel met het verdrukte volk, riep opnieuw zoals hij eerder gedaan had. En het antwoord kwam: ook dit zal niet geschieden, zegt de Heere HEERE. Dit moest u die de gedenkers van de Koning bent aanmoedigen om gebruik te maken van de plaats waarin Zijn genade u gesteld heeft. Roep ernstig tot Hem dat Hij Zijn toornige hand afwendt en Zich over zondaars ontfermt. God geve dat velen van ons zo’n voorbiddende geest mogen hebben als Amos, de veeherder-profeet!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
C. Het derde en laatste hoofddeel van ons Boek Hoofdst. 7-9, bevat vijf visioenen, die den inhoud der profetische rede van het vorige gedeelte verder moeten ophelderen en bevestigen. Deze vormen twee hoofdgroepen: de eerste vier behoren bij elkaar, wat uitwendig zichtbaar wordt door het gelijke begin; “De Heere HEERE deed mij aldus zien, ” terwijl de vijfde een bijzondere groep vormt met de beginwoorden: “Ik zag den Heere. ” Wat den inhoud aangaat onderscheiden zich de beide groepen zo van elkaar, dat de eerste de strafgerichten afbeeldt die gedeeltelijk reeds over Israël zijn gekomen, deels nog komen zullen, de tweede daarentegen den ondergang van het oude Godsrijk, vervolgens zijne wederoprichting en eindelijke verheerlijking verkondigt. Ook onder de eerste vier visioenen is weer een onderscheid: de twee eerste bevatten meer algemene, de gehele geschiedenis van Israël en ook de heidenwereld omvattende gerichten, en door de voorbede van den Profeet wordt het gericht over Israël, dat nabij is, nog afgewend, de twee laatste kondigen alleen den ondergang van het rijk van Israël aan, zonder dat de voorbede van den Profeet het gericht kan afwenden.
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenJoël 1:4→Deuteronomium 32:36→Amos 8:1→Exodus 10:15→Jesaja 37:4→Ezechiël 11:13→Jona 3:10→Hosea 11:8→
— De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen. En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.
Eerste gezicht. De Profeet ziet, hoe de Heere op het punt staat, nu, nadat alle vroegere straffen over Israël te vergeefs zijn geweest, een laatste gericht, dat het volk met den ondergang dreigt, over hen te brengen. Amos bidt voor hen, en God verschoont nog eens.
De Heere HEERE deed mij aldus zien door de werking van Zijnen Heiligen Geest, een gezicht (1 Kon. 22:22), zodat ik met het inwendige oog in een beeld aanschouwde, wat Hij met Zijn volk voorhad, en ziet Hij formeerde tot Israëls straf sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras, toen het land weer begon groen te worden, en ziet, het was het nagras na des konings afmaaiingen.
En het geschiedde, als zij, de sprinkhanen het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, en zich gereed maakten ook nog het op nieuw groen wordende nagras te vernietigen, dat ik zei: Heere HEERE! vergeef toch aan Uw arm land zijne schuld, en bewaar het voor dit zware oordeel; wie zou er van Jakob 1) blijven staan, wanneer Gij dit oordeel over hen brengt, wien zou het niet ten onder brengen? want hij is klein; zijne kracht is na al de zware straffen, die Gij over hen gebracht hebt, bijna uitgeput, en niet in staat de grote straf te verdragen, zonder te vergaan.
Het noordelijk rijk wordt hier genoemd met den erenaam “Jakob”, even als onder “Izak” (vs. 9), om de tegenspraak van naam en oorsprong des volks met zijnen tegenwoordigen innerlijken toestand te laten gevoelen.
Toen de Profeet met andere vromen die voorbede deed tot afwending van het gedreigde kwaad, berouwde zulks den HEERE: het zal niet geschieden, dat zijn pas weer uitspruitende grond door Mijn gericht verdelgd wordt; Ik zal het land nogmaals vergeven zei de HEERE. De betekenis van dit gezicht hangt geheel zamen met het verstaan der uitdrukking “na des konings afmaaiingen” (vs. 1). “Nergens in het O. T. staat iets van een recht of voorrecht der Israëlietische koningen, om het voorjaarsgras van de weiden des lands tot onderhoud van hun paarden en muildieren te laten maaien, zodat de onderdanen voor hun vee alleen het nagras zonden hebben mogen maaien. Doch al ware dat ongehoorde recht te bewijzen, zo zou toch daar de koning zijn hooi reeds had ingeoogst, toen de sprinkhanen kwamen, deze juist niet zijn getroffen, hetgeen duidelijk tegen de bedoeling van deze en de volgende visioenen is. Wil men het gezicht juist verstaan, zo mag men niet vergeten, welke de aard van dit gezicht is. Beelden of symbolen der gebeurtenissen, die in het rijk Gods reeds verleden zijn of nog toekomstig, zijn den Profeet voor het inwendig oog gesteld, en hij beschrijft ze, zo als hij ze gezien heeft tegelijk met den indruk, dien zij op hem hebben gemaakt. Daarom moet het maaien des konings even als ook de sprinkhanen, het kruid, vroeg gras en nagras geestelijk worden verstaan. De Koning is Israëls eeuwige Koning en Heere Jehova, die onder Zijn volk woont en Zich daarin heiligt, zo als Amos (Hoofdst. 4:6-10) optelt, reeds vele straffen over zijn afgevallen volk gebracht, en de bloesem des lands door de vijanden, zo als de Syriërs, laten verwoesten. Toch is het volk en het land weer hersteld, het nagras, d. i. nieuwe welvaart en bloei, is weer uitgesproten, zo als dit onder Jerobeam II en Uzzia overal zichtbaar was, maar inwendig is het met het volk slechts erger geworden. Daar bereidt de Heere een laatste, het zwaarste gericht, voorgesteld onder het beeld van sprinkhanen, door welke ook het laatste groen zal worden vernietigd. In ‘t bijzonder zijn de Assyriërs bedoeld, die Hij over het land wil brengen. Reeds begint dit gericht zich te vertonen, de sprinkhanen vreten werkelijk reeds het kruid in het land af; maar voordat zij nog het nagras kunnen verteren, voordat het laatste, de inval van het Assyrische gericht, geschiedt: en daarmee het einde van rijk en volk komt, wendt de Profeet door zijne voorbede Gods toorn nog eenmaal af. De Heere heft dit laatste gericht nog eens op, omdat Zijne genade niet de gehele verdelging van Zijn volk wil, maar alleen zijne reiniging en heiliging. 4.
II. Vs. 4-6.KruisverwijzingenJesaja 66:15→Amos 7:1→Psalmen 85:4→Micha 1:4→Amos 5:6→Leviticus 10:2→Hebreeën 1:7→Amos 7:7→
— Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.
Tweede gezicht. De Profeet ziet hoe Gods toorn-vuur over de bewogene zee der volken komt, en nadat hij die verteerd heeft ook het erfdeel des Heeren, het volk van God, begint te verteren. Daar smeekt Amos den Heere om verschoning, en de Heere geeft de belofte, dat Israël niet meer zal ten ondergaan.
Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur Zijns toorns; en het verteerde enen groten afgrond, de grote waterplas, alle bronnen, d. i. de gehele wereld der heidenen, die tegen Hem was opgestaan; ook verteerde het een stuk lands, het begon het erfdeel des Heeren, het uitverkoren volk (Deut. 32:9) te verdelgen.
Toen zei Ik: Heere HEERE! houd toch op van Uwen verdelgenden toorn tegen Uw uitverkoren volk; wie zou er van Jakob blijven staan, wanneer Gij uwen gansen toorn daarover uitstorttet, want hij is klein; Uwe oordelen, die reeds over Uw volk zijn gekomen, hebben zijne kracht reeds zo uitgeput, dat het Uwen toorn niet zal verdragen. Tot zulk een gebed nam Amos de toevlucht bij de gevaren, die Israël om de zonde bedreigden. Hij erkent de grote schuld en zonde des volks. Hij gevoelt, dat God rechtvaardig oordelen en straffen mag toezenden, en hij toont dit door niet om recht, maar om vergeving te vragen. Maar hij weet ook dat die God Zich zelven heeft genoemd “barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. ” Hij weet en gevoelt, dat bij den Heere goedertierenheid en veel vergeving is. En wordt hij nu bij het gezicht der gevaren, die het volk dreigen, met innig medelijden en deernis aangedaan, hij wordt er door gedrongen tot het gebed. Ootmoedig, maar tevens gelovig en vrijmoedig nadert hij tot den Heere. Ernstig en herhaald smeekt hij om genade. Hij begint met te vragen om vergeving, natuurlijk langs den enigen weg, waarin die mogelijk is, den weg van ootmoed en bekering. Maar in dien weg vraagt hij dan ook om ophouden, om heiliging en matiging der bezoekingen, en dan om opheffing, als zij hun doel der heilzame tuchtiging mogen bereikt hebben. Hij doet het met aandrang uit den groten nood en de diepe afhankelijkheid des volks. “Wie zou er, ” zegt hij “van Jakob blijven staan, want hij is klein. ” Hij wendt zich met zijne bede tot den Heere HEERE, Adonai Jehova, en erkent daarbij wel Gods recht, maar pleit tevens op Zijne genadebeloften en verbondstrouw.
Toen berouwde zulks ook den HEERE: Ook dit zal niet geschieden, zei de Heere HEERE. Ik zal mijn volk niet geheel verdelgen, maar er zal een heilig zaad overblijven, dit zal als een brandhout uit het vuur worden gered. Even als de sprinkhanen in het eerste visioen niet direct aardse sprinkhanen voorstelden, zo ook het vuur geen aards vuur, maar het hemelse vuur van den Goddelijken toorn, dat zijne wederpartijders verteert (Deut. 32:22). De stormachtige zee is hier, zo ook elders (Job. 38:11) beeld der gehele van God vervreemde, en Gode vijandige wereld der heidenen in haren opstand tegen Jehova, den Heere en Koning der wereld; “zij gelijkt aan den Chaos bij het begin der schepping of den vloed, die ten tijde van Noach zijne golven over den aardbodem uitstortte. ” Daardoor, dat het vuur van God op den bewogen oceaan der volken valt, wordt het gericht voorgesteld, dat de Heere in den loop der tijden aan de Gode vijandige volken heeft volvoerd, en dat zijne laatste vervulling in de vernietiging van al het Gode vijandige op aarde zal ondervinden, wanneer de Heere in vuur komt, om met alle vlees te rechten (Jes. 66:15 vv.), en de aarde en alle werken daarin te verbranden, ten dage van het gericht en van de verdoemenis der goddeloze mensen (2 Petr. 3:7, 10 vv.). Maar ook in dit gericht zal Gods belofte en verkiezing onvergeten blijven, en Israël, Zijn heilig erfdeel zal wel worden geoordeeld en gelouterd, maar eindelijk toch in een heilig overblijfsel zalig worden. Beide visioenen beduiden hetzelfde. De Heere openbaart aan den Profeet Zijn groten toorn over Zijn volk van wege de zonde. Hij laat zelfs tonen, welke verschrikkelijke macht Hij kan zenden om het volk te vernietigen. maar ook toont Hij traag tot toorn te zijn en dat er diepten van liefde en van ontferming voor Zijn volk zijn. Want toch waar de Profeet als voorbidder optreedt, en er op wijst dat Jakob geheel te gronde zou gaan, stelt de Heere de straf nog uit en toont Hij dat er nog wel ontferming bij Hem is. De liefde Gods is oneindig. 7.
III. Vs. 7-9.KruisverwijzingenAmos 8:2→2 Koningen 21:13→Ezechiël 7:2→Jeremia 15:6→Klaagliederen 2:8→2 Koningen 15:8→Genesis 46:1→Zacharia 2:1→
— Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de HEERE: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.
Derde gezicht. De Profeet ziet, hoe de Heere op het punt is het vaste gebouw van het rijk van Israël te vernietigen, vooral om zijne twee hoofdzonden, de afgodische heiligdommen en het onwettige koningschap, te bezoeken.
Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de HEERE, Jehova, de Koning Israëls, stond op enen vasten, welgebouwden muur, die naar het paslood gemaakt was 1), waardoor de vaste welgeordende bouw van het rijk Gods in Israël was afgebeeld, en een paslood was in zijne hand.
Israël was een muur, een sterke muur, die God zelf had opgericht als een bolwerk, als een muur van redding van zijn heiligdom, hetwelk Hij onder hen opgericht had. Deze muur was gemaakt naar het paslood, zeer nauwkeurig en sterk. Nu stond God op dezen muur, niet om hem te ondersteunen, maar om hem neer te trappen, of liever om te zien, wat hij er mede doen zal. Hij stond op denzelve met een paslood in de hand, om er de maat van te nemem, opdat het blijken mocht, dat het een ingebogen, kromme muur was. Dat paslood wij tonen waar hij krom, of scheef was. Daar zou God het volk Israëls ten pas brengen, zou hun tijdelijk afscheiden en tonen waarom zij dwaalden. Insgelijks zou Hij Zijn oordelen over hen brengen naar billijkheid, zou een paslood in het midden van hen stellen, om te tonen hoe ver hun muur moest worden afgebroken.
En de HEERE zei tot mij 1): Wat ziet gij, Amos? En Ik zei: Een paslood. Toen zei de Heere: Zie, Ik zal het paslood) stellen in het midden van Mijn volk Israël, en den vasten bouw van zijn rijk geheel verstoren; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan, niet meer verschonen.
Dat de Heere Amos vraagt, geschiedt alleen met het doel, om de bedoeling van het gericht aan het antwoord vast te knopen.
Het paslood dient niet alleen tot kunstige oprichting, maar ook tot afbreken van muurwerken of: Ik zal Mijn volk Israël nauwkeurig meten; Ik zal ene bijzondere schouwing doen, hoe ver het welgesteld en hoe ver het verdorven is.
Maar Izak’s afgodische hoogten (1 (Kon. 3:2), de altaren van het volk in het noordelijk rijk, dat van verheven aartsvaders afstamt en nu zo diep gezonken is, zullen verwoest, en Israëls heiligdommen, die het tegen Mijn uitdrukkelijk verbod in groot aantal tot zijnen valsen godsdienst te Bethel, Dan en Gilgal (1 Kon. 12:29) gebouwd heeft, zullen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams 1) huis opstaan met het zwaard; niet alleen zal de familie van Jerobeam II ophouden te heersen, maar het koningschap in dit rijk zal in ‘t algemeen worden vernietigd (Hos. 1:1 2 Kon. 15:8 vv.).
Jerobeam wordt hier genoemd, niet omdat onder hem het rijk der Tien stammen zou verwoest worden, maar omdat hij op dat ogenblik de koning van dat rijk was. In des konings heerlijkheid was de heerlijkheid van het rijk besloten, zo ook in de verwoesting van het koningshuis de verwoesting van het gehele rijk. 10.
IV. Vs. 10-17.KruisverwijzingenJeremia 38:4→Hosea 9:3→1 Koningen 12:32→Amos 2:12→Amos 1:1→Ezechiël 20:46→1 Koningen 12:31→2 Koningen 14:23→
— Toen zond Amazia, de priester te Beth-El, tot Jerobeam, den koning van Israel, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israels; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen. Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar. Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks. Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel. Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israel, noch druppen tegen het huis van Izak. Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.
Geschiedkundig bericht, hoe deze openlijke verkondiging van den val van het koningshuis den toorn des opperpriesters te Bethel opwekte, zodat deze de zaak aan den koning bericht en den Profeet als oproermaker aanklaagt, maar dan zelfs den Profeet zoekt te verschrikken. Amos wijst vooreerst de beschuldiging van zich af, als voorspelde hij om den brode, en verkondigt dan den opperpriesters Gods bijzondere straf.
Toen de profeet zo duidelijk het gericht over volk en koning voorzegde, zond Amazia (= sterkte van Jehova), de opperpriester bij het gouden kalf te Bethel, waarheen de Heere den Profeet gezonden had (Hoofdst. 1:1) tot JerobeamII, den koning van Israël, zeggende: Amos, die zichzelven een Profeet des Allerhoogsten noemt, heeft ene verbintenis tegen u, tegen uwen koninklijken persoon en uwe heerschappij gemaakt in het midden van het huis Israëls, namelijk hier te Bethel, het godsdienstige middelpunt van uw rijk:het land zal al zijne woorden niet kunnen verdragen, zij zijn gevaarlijk voor het welzijn van den staat. Zo lang een wereldrijk bestaat, zijn de ware profeten en dienaren Gods, die zich bij de zuivere, ware leer en den zuiveren godsdienst hielden, of de gebeurtenissen des tijds met de mate der wet Gods maten, als opstandelingen tegen de bestaande ordeningen en autoriteiten, als landverraders gebrandmerkt. Zij weten echter, dat zij ook daarin hunnen Meester het kruis moeten nadragen, die ter dood werd veroordeeld, omdat Hij een vijand des keizers en een oproermaker was. Wie daarom ernstig en bestendig Gode en Zijner kerk zijne krachten wil wijden, die bereide zich voor op tweeërlei aanvechtingen, dat hij namelijk elke vrees en elken heimelijken aanval tegenstand biede. Wij weten wel, dat velen juist niet bevreesd zijn, al is de dood hun honderdmaal aangekondigd, maar zij zijn niet voorzichtig genoeg, wanneer de vijanden hen met listigheid aanvallen. Mocht ik daarom niet te vergeefs hebben gezegd, dat dienaren Gods op tweeërlei verdediging moeten letten, dat zij toegerust zijn tegen elke vreze des doods, en onverschrokken blijven, zelfs wanneer zij moeten sterven en hun hoofd overgeven, dat zij in den dienst voortgaan en hun prediking, zo dikwijls het nodig is, met hun eigen bloed bezegelen. Aan de andere zijde, dat zij op hun hoede zijn. Want dikwijls grijpen de vijanden der waarheid hen door vleierij aan, zo als de ervaring van onzen tijd dit genoegzaam leert, en hierin ligt veel groter gevaar.
Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven(vs. 9), en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd (vs. 9, Hoofdst. 5:27). Hiëronymus merkt hier ene viervoudige vervalsing op van de woorden des Profeten; namelijk
wanneer hij zegt: “Zo zegt Amos”; alsof hij het uit zich zelven had gesproken, terwijl Amos altijd voorop zet: “zo zegt de Heere” 2) dat hij zegt: “Jerobeam zal enz. “, daar het toch gezegd is onder voorwaarde, wanneer zij zich niet zouden bekeren; 3) dat hij op den koninklijken persoon van Jerobeam doelde, wat toch slechts van de koninklijke familie gezegd was; 4) dat hij ook direct van Israëls wegvoering spreekt, terwijl die toch slechts voorwaardelijk was gedreigd.
Daarna, toen de koning gene maatregelen tegen den Profeet nam, omdat hij de zaak voor niets betekenend hield, zei Amazia tot Amos, om door het inboezemen van vrees van hem bevrijd te worden: Gij ziener, ga weg, vlied in het land van Juda, opdat de straf des konings u niet treffe, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar, daar moogt gij naar hartelust door profeteren uw brood zoeken te verdienen. De valse Profeet beoordeelt den waren naar zijne eigene gezindheid, volgens welke het hem alleen om den buik te doen is.
Maar hier te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren: daar mag niemand iets tegen den koning zeggen; want dat is des konings heiligdom, hij zelf heeft het gesticht (1 Kon. 12:28), en dat is het huis des koninkrijks, de hoofdstad, het middelpunt van den door den koning voor het volk ingerichten en door hem voorgeschrevenen godsdienst. Amazia is een trouw voorbeeld voor alle staats- en hoftheologen, die ene inrichting Gods op aarde, waarin alleen een onzichtbare koning regeert, en door zijne krachten zijne gemeente tot volmaking leidt, niet kennen; voor wie de godsdienst, de kerk staatsinstelling is, waarin de regerende vorst krachtens zijne opperste staatsmacht kan bevelen en inrichtingen maken, zonder gebonden te zijn aan de heilige eeuwige ordeningen Gods. Zo als ons vers ene treffende voorstelling is van dit afgodisch Caesaropapisme, zo is de geschiedenis van het noordelijk rijk zijne beste veroordeling.
Toen antwoordde Amos op de boosaardige en onwaardige beschuldiging, dat hij een broodprofeet zou zijn, en zei tot Amazia: Ik was(ben) geen Profeet van professie, en ik was geen (Sir. 24:38) profetenzoon, geen leerling in de profetenscholen, ten tijde van Samuël gesticht (1 Kon. 29:21), waar ik voor zulk een ambt zou zijn gevormd, maar ik was een arme ossenherder, en ik las wilde vijgen, sycomoren (1 Kron. 27:28) af, en leefde daarvan (Hoofdst. 1:1 1). Amos wil zeggen, dat hij om den brode nergens behoefde heen te gaan. Brood in den zin van een beter inkomen zoekt hij niet, ook niet in ‘t rijk van Israël te Bethel. Hij is gewoon als herder zich met het geringste te vergenoegen, maar dat is hem ook genoeg, meer wil hij niet en heeft hij niet nodig. Daartoe kan hij ieder ogenblik terugkeren. Wanneer hij echter nu in Israël toch profetisch, dus faktisch als een Profeet optreedt, zo doet hij dat, omdat hij moet, volgens een Goddelijk bevel, niet uit enige zelfbedoeling. Wie hem dit wil verhinderen, die staat dus Jehova tegen. Daarom kondigt Amos Amazia in ‘t bijzonder straf aan, welke hem bij het gericht over Israël zal treffen.
Niet eigen willekeur en het zoeken van brood hebben mij hierheen gebracht en tot Profeet des Heeren gemaakt. Maar de HEERE nam mij van achter de kudde, uit mijn gering beroep, dat mij echter genoeg opleverde, en de HEERE zei tot mij: Ga henen naar Bethel, en profeteer tot Mijn volk Israël.
Gij verzet u dus tegen den Heere, waar gij mij verhinderen wilt, daarom nu dan, hoor des HEEREN woord, tot straf over uwen tegenstand: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen(Deut. 32:2. Micha 2:6, 11. Ezech. 21:2, 7) tegen het huis van Izak.
Daarom zegt de HEERE alzo: Uwe vrouw zal in de stad, wanneer die door de vijanden veroverd wordt, door ruwe soldaten worden geschandvlekt, en hoereren, en uwe zonen en uwe dochteren, zullen alsdandoor het zwaard vallen, en uw land zal door het meetsnoer aan anderen, namelijk den nieuwen inwoners, uitgedeeld worden; en gij zultgevankelijk worden weggevoerd en in een onrein land sterven, in een heidens land en geheel Israël zal met u voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd daarbij blijft het ondanks uwe belastering en bedreiging.
Hij veroordeelt Amazia om den tegenstand, dien hij hem bood, en kondigt hem Gods oordeel aan, niet uit enige bijzondere gevoeligheid of wraakzucht, maar in den naam des Heren en op Zijn gezag. De Profeet begeert geen geld en goed, hij heeft het niet nodig, hij maakt zelfs geen aanspraak op den profetentitel, daar het hem om geen titel te doen is. Treedt hij op als Profeet, zo doet hij het niet om den naam en het ambt, zo min als om het brood, maar alleen uit gehoorzaamheid aan de Goddelijke aanwijzing. Gelijk hij echter geen loon zoekt, zo vreest hij ook gevaar en vervolging niet, hij weet, dat de goddelijke last om een boetprediker te zijn voor een goddeloos geslacht, gevaren meebrengt, toch onttrekt hij zich niet. Door bedreigingen laat hij zich niet bevreesd maken. Al wil men hem niet horen, al wil men hem den mond stoppen, hij laat zich niet tot zwijgen brengen. Hij moet spreken, omdat hij daartoe een Goddelijk bevel heeft. Er was geloofsmoed nodig tot de roeping van enen Profeet, wanneer hij met zijne aankondigingen van straf openlijk wilde optreden. Maar dit niet alleen, ook afgezien van zulk optreden met strafredenen en dreigingen, was er ene grote mate van geloofssterkte nodig, om te midden van een ontaard geslacht de overtuiging vast te houden, en met alle beslistheid te kunnen uitspreken, dat God toch regeert, en Zijne wet toch zal verdedigen, en Zich als Heere en Rechter zal betonen. Men zou dit misschien willen verzwakken door er zich op te beroepen, dat de Profeten toch niet uit zich zelven spraken, maar alleen als organen Gods, dat zij dus wat zij verkondigen, volgens hoge opdracht verkondigen. Maar zo zeker aan de profetische rede haar objectief karakter moet verblijven, en zo zeker die zijde het meest moet worden opgemerkt, hoe die aankondiging eigenlijke praedictie, aankondiging van ene bepaalde soort en vorm, of van ene bepaalde mate van straf is, zo mag toch de subjectieve factor niet worden voorbijgezien. De profeten waren gene instrumenten zonder wil, instrumenten van Gods Geest volgens het begrip van mechanische inspiratie, maar wat zij moesten openbaren, dat was bij de ware profeten ook hun eigen geloof, hun eigene vaste geloofsovertuiging, zo ook zeker bij den herder van Thekoa. Er is ook een edele, grote, vorstelijke moed, een vrije geest in den Profeet, die aldus met den hogepriester en den groten bisschop Amazia kan spreken. Zulk een moed is niet menselijk, maar komt van boven en wordt gegeven aan hen, die door Gods kracht en bijstand iets groots in de kerk van God of in het wereldlijk bestuur moeten te weeg brengen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel