Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Voorts, broedersG80, bidtG4336 voor ons, opdatG2443 het WoordG3056 des HeerenG2962 zijn loopG5143 hebbe, enG2532 verheerlijktG1392 worde, gelijk ookG2532 bijG4314 uG4771;
Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
KJV
Finally,
brethren,4
pray3
for5
us,
that7
the word9
of the Lord11
may have free course,12
and13
be glorified,14
even16
as15
it is with17
you:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En opdatG2443 wij mogen verlostG4506 worden vanG575 de ongeschikteG824 enG2532 bozeG4190 mensenG444; wantG1063 het geloofG4102 is nietG3756 allerG3956.
En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.
KJV
And1
that2
we may be delivered3
from4
unreasonable6
and7
wicked8
men:9
for11
all12
men have not10
faith.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG1161 de HeereG2962 isG1510 getrouwG4103, DieG3739 uG4771 zal versterkenG4741 en bewarenG5442 vanG575 den bozeG4190.
Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van den boze.
KJV
But2
the Lord5
is
faithful,1
who6
shall stablish7
you,
and9
keep10
you from11
evil.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En wij vertrouwenG3982 van u inG1722 den HeereG2962, dat gijG4771, hetgeenG3739 wij uG4771 bevelenG3853, ookG2532 doet, en doen zult.
En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult.
KJV
And2
we have confidence1
in3
the Lord4
touching5
you,
that7
ye both11
do12
and13
will do14
the things which8
we command9
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DochG1161 de HeereG2962 richteG2720 uw hartenG2588 totG1519 de liefdeG26 van GodG2316, en totG1519 de lijdzaamheidG5281 van ChristusG5547.
Doch de Heere richte uw harten tot de liefde van God, en tot de lijdzaamheid van Christus.
KJV
And2
the Lord3
direct4
your
hearts7
into8
the love10
of God,12
and13
into14
the patient waiting16
for Christ.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En wij bevelenG3853 uG4771, broedersG80, inG1722 den NaamG3686 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, dat gij u onttrektG4724 vanG575 een iegelijkG3956 broederG80, die ongeregeldG814 wandeltG4043, en nietG3361 naarG2596 de inzettingG3862, dieG3739 hij van ons ontvangenG3880 heeft.
En wij bevelen u, broeders, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
KJV
Now2
we command1
you,
brethren,4
in5
the name6
of our
Lord8
Jesus10
Christ,11
that ye withdraw12
yourselves
from14
every15
brother16
that walketh18
disorderly,17
and19
not20
after21
the tradition23
which24
he received25
of26
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Want gijzelvenG846 weetG1492, hoeG4459 men ons behoortG1163 na te volgenG3401; want wij hebben ons nietG3756 ongeregeld gedragenG812 onderG1722 uG4771;
Want gijzelven weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u;
KJV
For2
yourselves1
know3
how4
ye ought5
to follow6
us:
for8
we behaved10
➔ not9
ourselves disorderly
among11
you;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En wij hebben geen broodG740 bijG4314 iemandG5100 gegetenG5315 voor niet, maarG235 inG1722 arbeidG2873 enG2532 moeiteG3449, nachtG3571 enG2532 dagG2250 werkendeG2038, opdat wij nietG3361 iemandG5100 van uG4771 zouden lastigG1912 zijn;
En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
KJV
Neither1
did we eat4
any man's5
bread3
for nought;2
but7
wrought15
with8
labour9
and10
travail11
night12
and13
day,14
that16
we might19
➔ not18
be chargeable
to any6
of you:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
NietG3756, dat wij de machtG1849 nietG3756 hebbenG2192, maarG235 opdatG2443 wij onszelvenG1438 uG4771 gevenG1325 zouden tot een voorbeeldG5179, omG1519 ons na te volgenG3401.
Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
KJV
Not1
because2
we have4
not3
power,5
but6
to7
make10
ourselves8
an ensample9
unto you
to12
follow14
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want ook toen wij bijG4314 uG4771 warenG1510, hebben wij uG4771 ditG3778 bevolenG3853, dat, zoG1487 iemandG1536 nietG3756 wilG2309 werkenG2038, hij ook niet eteG2068.
Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
KJV
For2
even1
when3
we were
with5
you,
this
we commanded8
you,
that10
if any
would14
not13
work,15
neither16
should he eat.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 wij horenG191, dat sommigenG5100 onderG1722 uG4771 ongeregeldG814 wandelenG4043, niet werkendeG2038, maarG235 ijdeleG4020 dingen doende.
Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
KJV
For2
we hear1
that there are some3
which walk4
among5
you
disorderly,7
working9
not at all,8
but10
are busybodies.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DochG1161 de zodanigenG5108 bevelenG3853 en vermanenG3870 wij doorG1223 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, datG2443 zij metG3326 stilheidG2271 werkendeG2038, hun eigenG1438 broodG740 etenG2068.
Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.
KJV
Now2
them that are such3
we command4
and5
exhort6
by7
our
Lord9
Jesus11
Christ,12
that13
with14
quietness15
they work,16
and eat20
their own18
bread.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 gijG4771, broedersG80, vertraagtG1573 nietG3361 in goedG2569 te doen.
En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen.
KJV
But2
ye,
brethren,3
be5
➔ not4
weary
in well doing.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 indienG1487 iemandG1536 ons woordG3056, doorG1223 dezeG3778 briefG1992 geschreven, nietG3756 gehoorzaamG5219 is, tekentG4593 dien; en vermengtG4874 u niet met hem, opdatG2443 hij beschaamdG1788 worde;
Maar indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent dien; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
KJV
And2
if any man
obey5
not4
our
word7
by9
this epistle,11
note13
that
man, and14
have16
➔ no15
company with
him,17
that18
he may be ashamed.19
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 houdtG2233 hem nietG3361 als een vijandG2190, maarG235 vermaantG3560 hem alsG5613 een broederG80.
En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.
KJV
Yet1
count5
him not2
as3
an enemy,4
but6
admonish7
him as8
a brother.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De HeereG2962 nuG1161 des vredesG1515 ZelfG846 geveG1325 uG4771 vredeG1515 te allen tijdG1722, in allerleiG3956 wijzeG5158. De HeereG2962 zij metG3326 uG4771 allen.
De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen.
KJV
Now2
the Lord4
of peace6
himself1
give7
you
peace10
always11
by13
all12
means.15
The Lord17
be with18
you
all.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De groetenisG783 met mijnG1699 handG5495, van PaulusG3972; hetwelkG3739 isG1510 een tekenG4592 inG1722 iederenG3956 zendbriefG1992; alzoG3779 schrijfG1125 ik.
De groetenis met mijn hand, van Paulus; hetwelk is een teken in iederen zendbrief; alzo schrijf ik.
KJV
The salutation2
of Paul6
with mine own4
hand,5
which7
is
the token9
in10
every11
epistle:12
so13
I write.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De genadeG5485 vanG575 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uG4771 allenG3956. AmenG281.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
KJV
The grace2
of our
Lord4
Jesus6
Christ7
be with8
you
all.9
Amen.11
[fn]
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord. De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
het
Dat is, de prediking van het Evangelie.
Hertaald:
het
Dat is: de prediking van het Evangelie.
zijn
Gr. lope; dat is, haastig en gelukkig mag verbreid en bevorderd worden.
Hertaald:
zijn
Grieks: lope; dat is: snel en met goed gevolg verbreid en bevorderd mag worden.
verheerlijkt
Dat is, in eer en achtig mag gehouden worden, en waardige vruchten voortbrengen.
Hertaald:
verheerlijkt
Dat is: in eer en achting gehouden mag worden en waardige vruchten mag voortbrengen.
verlost
Dat is, ontslagen, of vrij gehouden van zulke mensen, die den loop des Evangelies zoeken te verhinderen, gelijk de hardnekkige Joden en hun aanhang onder hen waren geweest; Hand. 17, 18.
Hertaald:
verlost
Dat is: ontslagen of vrij gehouden van zulke mensen die de voortgang van het Evangelie proberen te verhinderen, zoals de hardnekkige Joden en hun aanhang onder hen geweest waren; Hand. 17 en 18.
is
Dat is, het is niet allen gegeven in Christus te geloven. Zie Matt. 13:11; Joh. 6:44, enz.
Hertaald:
is
Dat is: het is niet aan allen gegeven om in Christus te geloven. Zie Matth. 13:11; Joh. 6:44, enzovoort.
versterken
Namelijk in het geloof
Hertaald:
versterken
Namelijk versterken in het geloof.
van
Namelijk waar hij in het voorgaande vs. van had gehandeld; of, van het boze; namelijk dat gij daarin niet vervalt. Of, van den duivel, dat gij van hem niet verzocht wordt; Matt. 6:13.
Hertaald:
van
Namelijk van hen over wie hij in het voorgaande vers gesproken had; of: van het boze, namelijk dat u daarin niet vervalt. Of: van de duivel, dat u door hem niet verzocht wordt; Matth. 6:13.
bevelen
Namelijk in den naam des Heeren, gelijk hierna vs.6 uitgedrukt wordt en hiervoor 1 Thess. 4:2.
Hertaald:
bevelen
Namelijk in de naam van de Heere, zoals hierna in vers 6 uitgedrukt wordt en hiervoor in 1 Thess. 4:2.
richte
Dat is, besture uwe harten recht zonder aan de ene of de andere zijde te wankelen.
Hertaald:
richte
Dat is: besture uw harten recht, zonder naar de ene of de andere kant af te wijken.
de liefde
Dit kan verstaan worden, òf van de liefde waarmede wij God liefhebben, òf de liefde waarmede God ons liefheeft, opdat wij namelijk in het gevoel derzelve meer en meer worden gesterkt. Zie Rom. 5:5, en Rom. 8:39.
Hertaald:
de liefde
Dit kan verstaan worden van de liefde waarmee wij God liefhebben, of van de liefde waarmee God ons liefheeft, namelijk opdat wij in het ervaren daarvan meer en meer gesterkt worden. Zie Rom. 5:5 en Rom. 8:39.
de lijdzaamheid
Dat is, de verdraagzaamheid in het kruis en de verdrukkiung om Christus' wil; of, tot de lijdzame verwachting van Christus ten oordeel.
Hertaald:
de lijdzaamheid
Dat is: de volharding onder het kruis en de verdrukking om Christus' wil; of: het geduldig verwachten van Christus ten oordeel.
in
Dat is, als gelast zijnde, of gezag daartoe hebbende van Christus. Zie 2 Kor. 5:19, 2 Kor. 5:20.
Hertaald:
in
Dat is: als iemand die daartoe opdracht en gezag van Christus heeft. Zie 2 Kor. 5:19, 2 Kor. 5:20.
dat
Dat is, schuwt, geen gemeenzamen omgang houdt met zodanigen; namelijk nadat behoorlijke kennis in de gemeente daarvan is genomen, en hij, vermaand zijnde, ongehoorzaam blijft. Zie Matt. 18:15, enz. ;1 Kor. 5:11 en hierna vs.14.
Hertaald:
dat
Dat is: schuwt hen en houdt geen vertrouwelijke omgang met zulke mensen; namelijk nadat de gemeente daarvan behoorlijk kennis genomen heeft en hij na een aansporing ongehoorzaam blijft. Zie Matth. 18:15, enzovoort; 1 Kor. 5:11 en hierna vers 14.
broeder
Dat is, die belijdenis doet van het geloof in Christus, hoewel hij zulks niet recht beleeft, gelijk Paulus verklaart 1 Kor. 5:11.
Hertaald:
broeder
Dat is: iemand die belijdenis doet van het geloof in Christus, hoewel hij dat niet goed in praktijk brengt, zoals Paulus verklaart in 1 Kor. 5:11.
die
Dit kan hier in het algemeen voor alle ongeregeldheid worden genomen, waardoor ergenis wordt gegeven in de gemeente God; of van die bijzondere ongeregeldheid, waarvan hij vs.11 nadere verklaring doet; namelijk dergenen die ledig omgingen en ijdele dingen pleegden, zonder hun beroep behoorlijk waar te nemen, gelijk het vervolg schijnt te vereisen.
Hertaald:
die
Dit kan hier in het algemeen opgevat worden voor alle ongeregeldheid waardoor in de gemeente van God aanstoot gegeven wordt; of voor die bijzondere ongeregeldheid die hij in vers 11 nader verklaart, namelijk van hen die ledig omgingen en zich met ijdele dingen bezighielden zonder hun beroep behoorlijk waar te nemen, zoals het vervolg lijkt te vragen.
de inzetting
Dat is, bevelen en vermaningen, gelijk hier voor 2 Thess. 2:15.
Hertaald:
de inzetting
Dat is: de bevelen en aansporingen, zoals hiervoor in 2 Thess. 2:15.
ons behoor
Namelijk niet alleen mij, maar ook Timotheüs en Silvanus, uit wier naam deze brief ook is geschreven.
Hertaald:
ons behoor
Namelijk niet alleen mij, maar ook Timotheüs en Silvánus, uit wier naam deze brief ook geschreven is.
ongeregeld
Namelijk gelijk deze lediggangers of dieners van ijdele dingen buiten hun beroep.
Hertaald:
ongeregeld
Namelijk zoals deze lediggangers, die zich buiten hun beroep met ijdele dingen bezighielden.
geen
Of, geen brood van iemand; dat is, geen spijs en drank genoten; gelijk Gen. 3:19.
Hertaald:
geen
Of: van niemand brood; dat is: geen eten en drinken genoten; zoals in Gen. 3:19.
werkende
Dat is, boven het zorgvuldig waarnemen van ons apostelambt, ook werkende met onze handen om onszelven te onderhouden, Zie Hand. 20:34, en hier voor 1 Thess. 2:9.
Hertaald:
werkende
Dat is: naast het zorgvuldig waarnemen van ons apostelambt ook werkend met onze handen om onszelf te onderhouden. Zie Hand. 20:34 en hiervoor 1 Thess. 2:9.
de macht
Van u lastig te vallen, of onderhoud van u te nemen, gelijk andere apostelen deden, en hij elders leert, dat de Dienaren des Woords ook vermogen te doen. Zie hiervan breder 1 Kor. 9:3, enz.
Hertaald:
de macht
Namelijk de macht om u tot last te zijn of onderhoud van u aan te nemen, zoals andere apostelen deden en zoals hij elders leert dat de dienaars van het Woord ook mogen doen. Zie hierover uitvoeriger 1 Kor. 9:3, enzovoort.
ons na
Namelijk in het waarnemen van uwen arbeid, elk in zijn beroep, en niet onder een dekmantel, òf van het Evangelie te willen bevorderen, òf dat Christus tot het oordeel haast zou komen, uw lediggang en plegen van ijdele dingen te verontschuldigen.
Hertaald:
ons na
Namelijk in het waarnemen van uw arbeid, ieder in zijn eigen beroep, en niet onder de dekmantel dat men het Evangelie zou willen bevorderen of dat Christus binnenkort ten oordeel zou komen, om zo uw ledigheid en uw bezigheid met ijdele dingen te verontschuldigen.
zo
Namelijk gezondheid, sterkte en gelegenheid daartoe hebbende; want anderszins is de gemeente gehouden ook een ieder die gebrek heeft, zoveel doenlijk is, te verzorgen. Zie 2Co 8-9.
Hertaald:
zo
Namelijk als hij gezondheid, kracht en gelegenheid daartoe heeft. Want overigens is de gemeente verplicht om ook ieder die gebrek heeft zoveel mogelijk te verzorgen. Zie 2 Kor. 8 en 9.
wij
Dit doet de apostel daarbij, om aan te wijzen, dat hij deze voorgaande vermaninge en voorbeelden hun niet tevergeefs voorstelt; en dit hangt eigenlijk aan hetgeen door hem vs.6 is gezegd.
Hertaald:
wij
Dit voegt de apostel eraan toe om aan te wijzen dat hij deze voorgaande aansporingen en voorbeelden hun niet tevergeefs voorhoudt. Dit sluit eigenlijk aan bij wat hij in vers 6 gezegd heeft.
ijdele
Dat is, doende dingen zonder beroep en tegen hun beroep; gelijk dit woord van sommige lediggaande weduwen ook gebrukt wordt; 1 Tim. 5:13.
Hertaald:
ijdele
Dat is: dingen doen zonder beroep en tegen hun beroep; zo wordt dit woord ook gebruikt van sommige weduwen die ledig omgingen; 1 Tim. 5:13.
hun
Dat is, dat zij met hun eigen arbeid hebben verkeregen. Zie 1 Thess. 4:11.
Hertaald:
hun
Dat is: wat zij met hun eigen arbeid verkregen hebben. Zie 1 Thess. 4:11.
vertraagt
Het Griekse woord betekent eigenlijk erger, dat is, slapper of trager worden, en de apostel doet dit hierbij om hen te vermanen, dat zij om het misbruik van deze lediggangers niet slapper of trager moesten worden in het weldoen aan de rechte armen.
Hertaald:
vertraagt
Het Griekse woord betekent eigenlijk slechter, dat is: slapper of trager worden. De apostel voegt dit eraan toe om hen aan te sporen dat zij vanwege het misbruik van deze lediggangers niet slapper of trager moesten worden in het goeddoen aan de echte armen.
ons
Dat is, deze onze vermaning van in stilheid te werken, zijn eigen zaken waar te nemen, en een geregeld leven te leiden. Zie verder vs.6.
Hertaald:
ons
Dat is: deze aansporing van ons om in stilte te werken, zijn eigen zaken waar te nemen en een geregeld leven te leiden. Zie verder vers 6.
tekent
Sommigen voegen dit woord tekenen bij het voorgaande woord brief, alsof de apostel zei: tekent dien, of wijst mij dien aan door een brief; doch deze samenvoeging komt met het Griekse woord semeiousthai en met hetgeen volgt niet wel overeen. Want dit Griekse woord betekent eigenlijk niet iemand aanwijzen, maar iemand merken, of merktekenen, die men enige schande aandoet, of uit enige eerlijke vergaderingen laat, en zijn naam, als de eer van zulk een onwaardig, aantekenen, of uitdoen. Zodat dit woord hier door anderen zeer bekwamelijk wordt verstaan van den Christelijken ban en uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk, volgens de orde door Christus ingesteld, Matt. 18:15; gelijk ook de volgende woorden klaar medebrengen.
Hertaald:
tekent
Sommigen voegen dit woord tekenen bij het voorgaande woord brief, alsof de apostel zei: wijst hem aan door een brief. Maar die samenvoeging past niet goed bij het Griekse woord sèmeiousthai en bij wat volgt. Want dat Griekse woord betekent eigenlijk niet iemand aanwijzen, maar iemand merken of van een merkteken voorzien: iemand die men beschaamd maakt of uit een eerlijk gezelschap uitsluit, en van wie men de naam aantekent of uitwist als iemand die de eer daarvan onwaardig is. Daarom wordt dit woord hier door anderen zeer treffend verstaan van de christelijke ban en de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk, volgens de orde die Christus ingesteld heeft, Matth. 18:15; en de volgende woorden houden dat ook duidelijk in.
vermengt
Zie van ditzelfde woord en de zaak daardoor betekend, breder 1 Kor. 5:9, 1 Kor. 5:11.
Hertaald:
vermengt
Zie over dit zelfde woord en over de zaak die ermee bedoeld wordt uitvoeriger 1 Kor. 5:9, 1 Kor. 5:11.
beschaamd
En door deze schaamte wederkere tot zijn schuldigen plicht, gelijk het Griekse woord medebrengt. Zie Matt. 21:37.
Hertaald:
beschaamd
Namelijk beschaamd, opdat hij door die schaamte terugkeert tot zijn verschuldigde plicht, zoals het Griekse woord inhoudt. Zie Matth. 21:37.
als een vijand,
Namelijk dien gij geheel moet vlieden, of verlaten, gelijk men vijanden pleegt te doen.
Hertaald:
als een vijand,
Namelijk een vijand die u helemaal moet ontvluchten of verlaten, zoals men met vijanden plegt te doen.
als een broeder
Namelijk die verdwaald is, en dien men derhalve weder op den rechten weg moet brengen; 2 Kor. 2:7.
Hertaald:
als een broeder
Namelijk een broeder die verdwaald is en die men daarom weer op de rechte weg moet brengen; 2 Kor. 2:7.
De Heere nu
Dat is, die een auteur is van allen vrede en gelukzaligheid.
Hertaald:
De Heere nu
Dat is: Hij Die de bewerker is van alle vrede en welzijn.
in
Dat is, zo met God als onder de anderen.
Hertaald:
in
Dat is: zowel vrede met God als vrede onder elkaar.
een
Namelijk waardoor mijn eigen brieven van andere, die op mijn naam zouden mogen versierd zijn, bij de gemeente kunnen worden onderscheiden. Zie Kol. 4:18.
Hertaald:
een
Namelijk een teken waardoor de gemeente mijn eigen brieven kan onderscheiden van andere die op mijn naam verzonnen zouden zijn. Zie Kol. 4:18. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Om in de liefde van God geleid te worden, is iets anders dan er alleen maar over te horen vertellen. Er ligt een prachtige tuin voor ons. We kijken over de muur en mogen zelfs bij de poort staan, terwijl iemand ons manden met gouden appels aanreikt. Dat is al heerlijk. Wie zou niet verblijd zijn wanneer hij zo dicht bij de tuin van de hemelse heerlijkheid mag komen? Toch is het iets heel anders wanneer we naar de deur worden geleid, de klink wordt opgelicht, de toegang wordt geopend en we vervolgens zachtmoedig het paradijs van God worden binnengeleid. Dát is wat wij nodig hebben: dat wij geleid worden in de liefde van God. O, dat wij er iets van mogen ervaren terwijl wij erover nadenken! Wanneer de Geest van God ons onderwijst, worden wij binnengeleid in de liefde van God en gaan wij zien dat deze liefde het middelpunt van alles vormt. We ontdekken dat de liefde van God de bron en het middelpunt, de fontein en het fundament is van heel onze zaligheid en van alles wat wij van God ontvangen. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Thessalonicenzen 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ter overdenking


2 Thessalonicenzen 3
2 Thessalonicenzen 3:1
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 5:25→Efeze 6:19→Kolossenzen 4:3→1 Thessalonicenzen 1:8→Handelingen 19:20→Hebreeën 13:18→2 Korinthe 1:11→Lukas 10:2→— Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
Een zeer belangrijk verzoek. Wat kunnen de dienaren van het Evangelie doen, als hun gemeenteleden ophouden voor hen te bidden? Ook al worden hun eigen gebeden verhoord, zoals zij zullen worden, en wordt er een mate van zegen gegeven, toch zal die karig zijn. Vergeleken met wat zij zou zijn als alle heiligen zich in hun voorbede verenigden, is het weinig. Waar wij zien dat Gods Woord op de ene plaats krachtig is, zou dat ons moeten aansporen te bidden dat het op een andere plaats hetzelfde mag zijn. Het is immers hetzelfde Woord, en de harten van alle mensen zijn gelijk. Dezelfde Geest kan overal dezelfde zegen geven. Paulus schreef deze brief, naar men zegt, vanuit Korinthe of Athene. Hij verlangde ernaar dat het Woord van God daar even krachtig zou zijn als het te Thessalonica geweest was. Bid nu, dat in elk deel van de wereld Gods Woord vrij loop mag hebben. Velen staan het in de weg. Bid God dat zij daaruit weggevaagd worden, opdat “het Woord des Heeren zijn loop hebbe.” Wij willen dat het Evangelie loopt en zich verspreidt, totdat de gehele aarde zijn gezegende boodschap kent.
2 Thessalonicenzen 3:2
KruisverwijzingenRomeinen 15:31→Deuteronomium 32:20→2 Korinthe 4:3→Handelingen 13:45→Handelingen 17:5→Handelingen 28:24→Handelingen 14:2→Handelingen 13:50→— En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.
Ik weet werkelijk niet wat het ergst is om mee om te gaan: een onredelijk mens of een goddeloos mens. Een goddeloos mens kan u allerlei kwaad berokkenen, maar u doorziet hem al snel. Een onredelijk mens daarentegen kunt u niet plaatsen, en hij kan u van alle kanten aanvallen. Helaas, er zijn heel onredelijke christenen: op sommige punten goed, maar op andere heel dwaas. Een dwaas mens kan een heel dorp in vuur en vlam zetten, net zo makkelijk als een goddeloos mens. Het ongeluk van de dwaas kan even gevaarlijk zijn als het opzet van een ander mens. Bid daarom dat wij verlost mogen worden van goddeloze en onredelijke mensen, want niet alle mensen hebben geloof — en, zou ik eraan willen toevoegen, ook niet alle mensen hebben verstand.
2 Thessalonicenzen 3:3
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:9→2 Timotheüs 4:18→1 Korinthe 10:13→Johannes 17:15→1 Thessalonicenzen 5:24→Mattheüs 6:13→Lukas 11:4→2 Petrus 2:9→— Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van den boze.
Daar ligt de genade. Of mensen nu dwazen zijn of schurken, de Heere is getrouw. Wij worden geleerd om voor deze genade te bidden. Hier wordt ons gezegd dat wij haar zullen ontvangen. Omdat God getrouw is, zal Hij ons bewaren voor het kwade.
2 Thessalonicenzen 3:4
Kruisverwijzingen2 Korinthe 2:3→1 Thessalonicenzen 4:10→Filippenzen 2:12→Filemon 1:21→2 Thessalonicenzen 3:6→2 Thessalonicenzen 3:12→1 Thessalonicenzen 4:1→Galaten 5:10→— En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult.
Onze gehoorzaamheid aan de apostolische geboden moet zowel het heden als de toekomst gelden. Zij moet vastliggen in onze ziel. Wat de Heere in Zijn gemeente door Zijn apostelen geboden heeft, moet door ons zorgvuldig in acht genomen worden.
2 Thessalonicenzen 3:5
Kruisverwijzingen1 Kronieken 29:18→Psalmen 130:5→2 Timotheüs 4:8→Klaagliederen 3:26→Psalmen 119:36→Psalmen 119:5→Spreuken 3:6→Jeremia 10:23→— Doch de Heere richte uw harten tot de liefde van God, en tot de lijdzaamheid van Christus.
Beide zaken horen bij elkaar. Wanneer wij God liefhebben, verlangen wij naar de heerlijkheid en de verschijning van Zijn Zoon. De liefdevolste geesten in de wereld hebben altijd het meest uitgezien naar die heerlijke komst. Denk aan Henoch, die met God wandelde en profeteerde, zeggende: “Zie, de Heere komt.” Denk aan Daniël, “een zeer gewenst man,” een ziener die in de toekomst keek en de Oude van dagen zag. Denk ook aan Johannes, die zijn hoofd te rusten legde aan Jezus’ boezem. Van hem mogen wij zeggen dat hij meer over de wederkomst gesproken heeft dan alle andere apostelen samen. Wanneer het hart zich losmaakt van de aarde en op God gericht wordt, dan pas beginnen wij te verlangen naar de openbaring van de Heere uit de hemel. Onze Vader heeft elk van Zijn kinderen lief, alsof Hij geen andere had. Wij moeten in deze afgrond van liefde turen, ons in deze zee onderdompelen, in deze onpeilbare diepte duiken. Om geleid te worden in de liefde van God, is iets anders dan alles wat ons erover verteld kan worden. Er ligt een prachtige tuin voor ons. Wij kijken over de muur, en mogen zelfs bij de deur staan terwijl iemand ons manden met gouden appels aanreikt. Dat is heerlijk. Wie zou niet blij zijn zo dicht bij de tuin van hemelse verrukkingen te komen? Toch is het nog iets meer, de deur getoond te krijgen, en de klink opgelicht te zien. Het is nog iets meer, de poort geopend te zien, en zachtjes geleid te worden in het paradijs van God. Dit is wat nodig is: dat wij geleid worden in de liefde van God. Mochten wij toch iets daarvan voelen, terwijl wij erover nadenken. Wanneer wij door de Geest van God onderwezen worden, komen wij ertoe de liefde van God binnen te gaan, door haar centrale betekenis in te zien. Wij zien dat de liefde van God de bron en het middelpunt is. Zij is de fontein en het fundament van heel onze zaligheid, en van alles wat wij verder van God ontvangen.
2 Thessalonicenzen 3:6
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 5:14→1 Korinthe 5:4→2 Thessalonicenzen 2:15→Romeinen 16:17→1 Thessalonicenzen 4:11→Hebreeën 12:15→1 Korinthe 5:11→2 Korinthe 2:10→— En wij bevelen u, broeders, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
Paulus was in Thessalonica geweest en had er mondeling onderwijs gegeven. Nu legt hij in de brief vast wat hij gesproken had. Maar hij spoort hen aan, zich niet aan te sluiten bij hen die willens en wetens de inzettingen van de gemeente overtraden die hij hun geleerd had. Er zijn broeders met wie het voor ons niet goed is om te verkeren, opdat zij ons geen kwaad doen. En het is ook niet goed voor hen dat wij met hen verkeren, opdat wij niet lijken hen bij te staan in hun kwade daden. Dit geldt vooral voor broeders van het soort dat hij nu gaat beschrijven: onruststokers. Het zijn mensen die altijd de roddel van een gemeente kunnen vertellen, en die de goede naam van een medegelovige aan flarden kunnen scheuren. Het zijn mensen die vlekken op de zon weten te ontdekken. Het zijn mensen die er behagen in scheppen de fouten van Gods eigen kinderen te venten. Zij zijn nooit zo gelukkig als wanneer zij anderen ongelukkig maken door wat zij te vertellen hebben. Dit zijn de mensen bij wie u op grote afstand moet blijven.
2 Thessalonicenzen 3:7-9
KruisverwijzingenHandelingen 18:3→1 Thessalonicenzen 2:9→2 Thessalonicenzen 3:7→1 Korinthe 9:4→2 Thessalonicenzen 3:9→1 Korinthe 4:16→1 Korinthe 11:1→Efeze 4:28→— Want gijzelven weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn; Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
De apostel had het recht om onderhouden te worden door hen onder wie hij arbeidde. Hij houdt daar altijd aan vast. Maar voor hun bestwil, wetend hoe die tijd geneigd was, deed hij zelf afstand van dat recht. En hij is verontwaardigd dat er anderen waren die in het geheel niets deden aan christelijke bediening. Toch bedienden zij zich wel van de liefdadigheid van de gemeente te Thessalonica, om ervan te kunnen leven zonder te werken.
2 Thessalonicenzen 3:10
KruisverwijzingenSpreuken 13:4→Genesis 3:19→Spreuken 20:4→1 Thessalonicenzen 4:11→Spreuken 24:30→Spreuken 21:25→1 Thessalonicenzen 3:4→Lukas 24:44→— Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
Een uitstekende regel, inderdaad. Er zijn er die zo geestelijk gezind zijn, dat het bevuilen van hun handen ook hun geweten bevuilt. Zij zijn bang voor zwaar werk. Zij menen dat het ongeestelijk is. Terwijl er, naast de genade van God, niets in de wereld is dat mensen meer voor onheil behoedt dan veel te doen hebben.
2 Thessalonicenzen 3:11
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 5:13→1 Petrus 4:15→2 Thessalonicenzen 3:6→1 Thessalonicenzen 4:11→— Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
Zij bemoeien zich niet met hun eigen zaken, en steken daarom hun neus in ieders andere zaken. Hadden zij hun eigen zaken behartigd, dan hadden zij anderen met rust gelaten. Zulke mensen zijn er nog steeds. Wij moeten niet verbaasd zijn als wij ze tegenkomen, want zij bestonden ook al in de dagen van de apostel. Kwelden zij hem, dan is het geen wonder dat zij ook ons kwellen.
2 Thessalonicenzen 3:12
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 4:11→Efeze 4:28→2 Thessalonicenzen 3:8→Prediker 4:6→1 Thessalonicenzen 4:1→Genesis 49:14→1 Timotheüs 2:2→Spreuken 17:1→— Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.
Het beste en zoetste brood is ons eigen brood. Daarvoor moeten wij werken. Wij moeten werken met stilheid. Voor sommigen is dat, denk ik, heel zwaar werk, maar zij moeten ernaar streven, want stilheid is een christelijke deugd; zij is zelfs een hoge christelijke verworvenheid.
2 Thessalonicenzen 3:13-15
KruisverwijzingenGalaten 6:9→2 Thessalonicenzen 3:6→1 Thessalonicenzen 5:14→Galaten 6:1→1 Thessalonicenzen 4:1→Lukas 18:1→Titus 3:10→1 Korinthe 5:11→— En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen. Maar indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent dien; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde; En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.
Dit soort christelijke tucht behoort nog steeds toegepast te worden, niet alleen bij dit ene geval van bemoeials, maar bij alle andere gevallen. Wanneer een gemeente groot wordt, kan er geen doeltreffende tucht komen van één man, of van al zijn ambtsdragers samen. Er moet tucht zijn van de hele gemeente jegens zichzelf, waarbij elke christen, naar de maat van zijn genade, het welzijn van het geheel zoekt. Want al moet iedereen zijn eigen last dragen, er staat toch ook geschreven: “Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.” En: “Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.” De zorgvuldige begeerte om het christelijk welzijn van al onze medeleden te bevorderen, is iets heel anders dan bemoeials zijn. Wij moeten evengoed de begeerte hebben om ons nergens mee te bemoeien waar wij dat niet behoren te doen.
2 Thessalonicenzen 3:16
KruisverwijzingenRomeinen 15:33→Ruth 2:4→Jesaja 26:12→Numeri 6:26→Lukas 2:14→Jesaja 9:6→2 Timotheüs 4:22→Jesaja 8:10→— De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen.
Wat een lieflijke zegenbede! En hoe stapelt hij de woorden op elkaar, alsof vrede een van de grootste zegeningen was die een gemeente kon hebben. Inderdaad, geliefde broeders, zij is onmisbaar voor alle andere zegeningen.
2 Thessalonicenzen 3:16-17
KruisverwijzingenRomeinen 15:33→1 Korinthe 16:21→Ruth 2:4→Jesaja 26:12→Numeri 6:26→Lukas 2:14→Jesaja 9:6→2 Timotheüs 4:22→— De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen. De groetenis met mijn hand, van Paulus; hetwelk is een teken in iederen zendbrief; alzo schrijf ik.
Ik veronderstel dat hij altijd zelf een deel van elke brief schreef. Waarschijnlijk kon hij, door het falen van zijn ogen, niet de hele brief met eigen hand schrijven, en gebruikte hij een van zijn broeders als schrijver. Maar opdat iedereen zou weten dat de brief echt was, stond er altijd een stukje van Paulus’ eigen handschrift in. Soms was dat in grote letters, zoals wanneer hij tegen een gemeente zegt: “Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.”
2 Thessalonicenzen 3:18
KruisverwijzingenRomeinen 16:20→Romeinen 16:23→— De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
Zo besluit hij zijn brief, met grote hoffelijkheid en een omvattend gebed.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
D. Het derde deel bevat beschikkingen van de apostel met betrekking tot diegenen in de gemeente, die ongeregeld wandelen. Het volgt pas nadat een korte inleiding is voorafgegaan. Daarin vraagt Paulus ten eerste de voorbede voor de briefschrijvers, dat door hun dienst ook op hun tegenwoordig arbeidsveld in Achaje het Evangelie een goede voortgang moge hebben en zij van de ongeschikte en boze mensen, die hun werk zozeer tegenstaan, verlost mogen worden. Aan de andere kant vertroost hij zich met betrekking tot die nood, die zij eveneens lijden, met de trouw van de Heere, die hen zal sterken en bewaren voor de boze (vs. 1-3). Nadat hij dit heeft gezegd, wat hij voor de lezers in hun moeilijkheden vertrouwt van de Heere, zegt hij ook wat hij in de Heere van hen vertrouwt over hetgeen zij ook doen en zullen doen. Dat woord van vertrouwen laat hij vergezeld gaan van een gebedswens aan dezelfde Heere gericht (vs. 4 en 5). Daarop schrijft hij vervolgens met aandrang voor, hoe zij moeten worden behandeld, die niet willen nalaten in ledigheid te wandelen, waarbij hij zich ook gebiedend en vermanend tot deze wendt, maar de gemeente, als in haar kern nog gezond gebleven, over haar als bewaakster en tuchtmeesteres plaatst, om de ongeregeldheden te voorkomen (vs. 6-15). Tot het slot overgaande verbindt hij met zijn bepalingen nog een zegenwens voor de gemeente, wier vreedzame toestand zozeer was gestoord, dat de Heere van de vrede haar deze niet alleen weer wilde teruggeven, maar voor de hele omvang van hun leven hen met Zijn vrede wilde begenadigen en met Zijn Geest bij haar wilde zijn (vs. 16).
Voorts, broeders, a) bidt voor ons, (1 Thessalonicenzen. 5: 25), opdat het Woord van de Heere zonder hindernis of stilstand zich steeds verder verbreidt, zijn loop heeft en door de vrucht, die het oplevert, verheerlijkt wordt ook in onze tegenwoordige werkkring te Corinthiërs en ingeheel Achaje, zoals ook bij u (1 Thessalonicenzen. 1: 5 vv., 2: 13 vv.).
MATTHEUS. 9: 38 Efeze. 6: 19 Kol. 4: 8
Zoals de apostel gedurig bad voor de Thessalonicenzen, zo wenste hij dat ook zij voor hem en zijn medearbeiders baden. Hij voelde ook voor zich behoefte aan hun voorbede en achtte het niet beneden zich om haar te vragen. Het getuigt van zijn godvruchtig gemoed en edel karakter. Gevoel van diepe afhankelijkheid, geringheid en zwakheid zien wij overal met een hoge mate van zelfstandigheid, van levendig besef van zijn waarde en met een buitengewone kracht van geest in hem verenigd. En wat wilde hij, dat de Thessalonicenzen voor hem en zijn medearbeiders zouden bidden? Dit, dat het Woord van de Heere, evenals bij hen, zo ook aan andere plaatsen zijn loop mocht hebben en verheerlijkt worden. Dat was zijn hoogste wens, dat zijn vurigste begeerte. Hoe getuigt het van zijn vaste overtuiging dat hij en met hem Silvanus en Timotheus het Woord van de Heere verkondigden en van zijn hoge ingenomenheid daarmee! Hij had het van de Heere zelf ontvangen en wist, dat het de waarheid behelsde. Hij had dat bij ervaring leren kennen als een kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft en het was hem door eigen nadenken zowel als door de verlichtende invloed van Gods Geest steeds duidelijker geworden, welk een schat van ware wijsheid en vertroosting en heiliging dat woord in zich bevatte, hoe het hart en leven bij mensen en in de huisgezinnen veranderde en vernieuwde en welk een uitnemende strekking het had, om de eer van God en de Heere Jezus op de aarde te bevorderen. Maar kan het ons dan wel bevreemden, dat hij niets vuriger verlangde, dan dat dit woord zich ongehinderd mocht verbreiden, dat het allerwegen mocht worden aangenomen en verheerlijkt, zoals dit plaats had bij de Thessalonicenzen, zoals hij er met dankbare blijdschap mocht bijvoegen? Met geen ander doel verlangde hij ook voor zich en zijn medearbeiders de bede, dat zij verlost mochten worden van de slechte en boze mensen, die niet geloofden en hen tegenstonden.
a) En opdat wij, die heden niet weinig verdrukkingen hebben te lijden (Hand. 18: 12 vv.), verlost mogen worden van de ongeschikte, tegen alle goddelijke en menselijke ordening zich verzettende en boze, boosaardig gezinde mensen (Rom. 15: 30 v.); want het geloof is niet van allen, zo velen willen zich daartoe niet laten brengen (2 Tim. 3: 8).
Joh. 6: 64
Als de apostel met een “voorts, broeders” voortgaat, schijnt het alsof hij aan het einde zou zijn met hetgeen hij nu had te schrijven; want hij komt reeds aan de oproeping tot voorbede voor hem en zijn ambtgenoten (vgl. Efeze. 6: 19 Kol. 4: 3). En wel is het iets tweevoudigs, dat zij voor hen moeten bidden: 1) dat het woord van de Heere goede voortgang heeft en 2) dat zij verlost worden van de nood, die boze mensen hun veroorzaken. Als er geen mensen waren, van wie niet kon worden verwacht dat zij gelovig worden, had de apostel slechts èèn wens en de door hem begeerde voorbede slechts èèn inhoud. Zo moet hij echter begeren, dat de gemeente ook het andere voor hen bidt, opdat hij zijn beroepsbezigheid zonder hinder volvoert.
Met de woorden: “want het geloof is niet van allen” geeft de apostel de reden aan, waarom hij van degenen moest spreken, uit wier hand hij gered moest worden en voor wie men toch niet eenvoudig alleen kon bidden (Joh. 17: 9): “bekeer ze! ” De Zin is niet om, zoals men die vaker gebruikt, lichtvaardig uit te spreken. Evenmin bevat die de bewering van een absoluut goddelijk decreet, alsof God niet aan allen het geloof wilde geven, maar het is een zware aanklacht. Er zijn mensen, die al te ongeschikt en boos zijn om voor het geloof vatbaar te wezen; en zeer terecht schrijft Paulus juist aan de Thessalonicenzen, die zo snel tot het geloof waren gekomen: “het bevreemdt u niet, als het niet bij allen zo gaat!”
Die de kracht van Gods Woord ondervonden heeft, daardoor tot geloof en bij het geloof tot grote vreugde en tot vrede gekomen is, denkt vaak dat het niet mogelijk is, of ook anderen moeten gemakkelijk gelovige worden. Men moet echter ook vaak bedenken, dat het geloof niet van ieder is, opdat men deels onder de ervaring hiervan minder bevreesd wordt, deels ook de vaak schijnbare verzoeking ontgaat om aan het geloof, aan de leer en de weg zolang te draaien en er van af te doen, tot ieder het kan aannemen.
Niemand heeft uit zichzelf het geloof, het is een gave van God en de werking van Zijn Geest en het wordt alleen gegeven aan de uitverkorenen van God, die voor het eeuwige leven voorbeschikt zijn, waarom het ook de naam draagt van het geloof van Gods uitverkorenen; het hele mensdom heeft het niet, niemand dan alleen Christus’ schapen en de reden, waarom alle anderen het niet hebben, is omdat zij niet Zijn schapen zijn. Dit is een volkomen waarheid; toch schijnt de ware zin van de woorden te wezen dat allen, die ware belijders van de godsdienst, ledematen van de gemeente en zelfs allen, die predikers van het Woord zijn, niet het geloof hebben; zij mogen een historisch en een tijdgeloof hebben en het wonderwerkend geloof en zelfs al het geloof, behalve het waarachtig geloof, zij mogen belijden te geloven en nochtans niet geloven en dit wordt tot een reden gegeven, waarom de apostel wenste van de bovengemelde mensen verlost te worden. De Joden zeggen: die zich niet oefent in de wet, het is ongeoorloofd hem te naderen, of met hem te handelen, of met hem te wandelen, omdat er geen geloof is in hem. De apostel schijnt op dit gebruik te zinspelen.
Ook u heeft van mensen van die aard veel kwaad te lijden gehad (Hoofdstuk 1: 4 vv.) en dan zou het kunnen geschieden, dat iemand onder u in die moeilijkheden bewogen werd (1 Thessalonicenzen. 3: 3). a) Maar, dit is mijn troost, als bezorgde gedachten over u mij vervullen, de Heere is getrouw, die u zal versterken b) en bewaren van de boze, die vijand, die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Thessalonicenzen. 2: 18; 3: 5. 1 Petrus 5: 8 zodat u geen prooi van Hem wordt.
1 Thessalonicenzen. 5: 24 b) Joh. 17: 15
Paulus houdt zich niet lang bij zijn moeilijkheden op, maar als hij eraan denkt, dat de Thessalonicenzen die menselijke boosheid ondervinden, die hij te Corinthiërs ondervond, komt hij dadelijk weer terug op zijn bestreden geestelijke kinderen, die minder geoefend zijn dan hij.
De Thessalonicenzen zouden, als die nog slechts met het Christendom een aanvang hadden gemaakt, door hetgeen de apostel in vs. 2 schreef, vreesachtig kunnen gemaakt worden, toen zij hoorden, dat zij hem met hun gebed moesten steunen, opdat hij verlost mocht worden van de ongeschikte en boze mensen. Zij hadden kunnen zeggen: “Is de apostel zo voor zichzelf bezorgd, hoe zullen wij dan tot het einde kunnen volharden! ” Die bevreesdheid wil Paulus hier voorkomen, door hen te wijzen op de trouw van de Heere.
Van de boze mensen, die hen in de uitoefening van hun werk hinderlijk willen zijn, komt hij tot de boze (1 Joh. 5: 18), die hem van de vrucht op zijn werk reeds verkregen, zou willen beroven en spreekt zijn vertrouwen op de Heere uit, dat Hij, die getrouw is, de gemeente zal bevestigen en tegenover hem zal bewaren.
En wij vertrouwen van u, als wij ten slotte nog iets ter sprake moeten brengen, dat u zeker niet aangenaam zal zijn en u een zware plicht oplegt, in de Heere, waaraan wij beiden, zowel u als wij toebehoren (Gal. 5: 10), dat u deels zeker wel uit uzelf, hetgeen wij u bevelen van vers 6 af, omdat het tot uw Christelijk leven zeker bevorderlijk is, ook doet en van nu aan nog veel ernstiger doen zult.
Maar de Heere, in wiens naam wij het u gebieden, richt uw harten tot de liefde van God, dat u ten allen tijde in het oog houdt, welke grote dingen Hij u door uw verlossing van alle ongerechtigheid bewezen heeft. Hij leidt u daartoe tot de lijdzaamheid van Christus, waarin Hij zelf het verlossingswerk u ten zegen heeft volbracht. Dat zal u bewaren voor de ondankbaarheid, om deze God van de liefde enig leed aan te doen door ongepast wandelen en zal alle eschatologisch ongeduld, waaruit zo’n wandelen voortvloeit, bij u uitdoven.
Er ligt de apostel iets op het hart, dat hij, nu hij eenmaal aanleiding heeft gekregen om de Thessalonicenzen te schrijven, toch nog moet uitspreken, voordat hij werkelijk eindigt. Uit het talmen, dat hij doet, kunnen de lezers zien, dat het hem moeilijk is.
Dit laat ons zien welke zedelijke nadelen de dwalingen van de Thessalonicenzen van de gemeente hebben veroorzaakt. Wat in 1 Thessalonicenzen. 4: 11 v. en 5: 14 kort werd aangeduid, eist nu een openlijke, zeer strenge berisping. Om de vermeende nabijheid van het rijk van God was de arbeid door velen nagelaten, die nu in dweepachtige ledigheid rondgingen.
De apostel spreekt op een tedere, harten winnende manier zijn vermaning aan de Thessalonicenzen uit in de vorm van vertrouwen, want hij dwingt niet, hij zoekt een vrije overtuiging te vestigen: gedraag u waardig de goede mening, die wij van u hebben in de Heere; in Hem heeft ons vertrouwen op u zijn grond; wij hopen niet op u als mensen, maar als behorend tot Christus, als degenen, die in Hem zijn evenals wij. Zo zult u de vermaning in de naam van de Heere aannemen; en de Heere, in wie u staat, zal uw harten leiden en u gewillig en bekwaam maken. Hij wilde hun oog vestigen op de liefde, die God jegens ons heeft en vooral in het verlossingswerk heeft geopenbaard en op de lijdzaamheid van Christus, waarmee Hij Zich in Zijn lijden overgaf en ons altijd draagt; opdat wij u niet slechts een voorbeeld zijn, maar ook bron van kracht. “
Het is een veel omvallende wens, dat onze harten tot de liefde van God en tot de lijdzaamheid van Christus mochten worden gericht. Christus heeft gehoorzaamheid en lijdzaamheid geleerd en ook alle mogelijke zaden daartoe in ons hart gebracht. Daarom moet al onze gehoorzaamheid en al onze lijdzaamheid worden aangezien voor een rank uit deze wijnstok.
Deze woorden zijn voor verschillende opvattingen vatbaar. Volgens de meest gewone, die ook de meeste waarschijnlijkheid heeft, is de zin deze: de Heere doe u streven naar de liefde voor God en de lijdzaamheid of standvastigheid, die Christenen betaamt. Volgens anderen, de Heere vestigt uw aandacht op de liefde, die God ons toedraagt en op de lijdzaamheid, die Christus bewezen heeft.
Men kan daardoor verstaan die lijdzaamheid, waarvan Christus het onderwerp was en die zich vertoonde in Zijn stille onderwerping onder al die uitwendige geringheid, die Zijn staat van vernedering vergezelde; in het verdragen van de verguizingen en lasteringen van de mensen en de ongemakkelijkheid van Zijn eigen discipelen en het gedogen, dat Hij door de satan verzocht werd en in het dragen van de zonden van Zijn volk, de toorn van God en de slagen van de goddelijke rechtvaardigheid op zo’n manier als Hij dit deed: en het is voor de heilige van groot nut, dat hun harten gericht zijn tot deze lijdzaamheid van Christus, om Christus aan hen dierbaar te maken; om hen te leiden tot de grootheid van Zijn liefde en ook van Zijn persoon; en om hen lijdzamer te maken onder het kruis, wanneer zij Hem aanmerken en Hem tot voorbeeld hebben. Of anders kan men hierdoor verstaan de genade en deugd van de lijdzaamheid, waarvan Hij de oorzaak en werker is; want alle genade komt van Hem en hierom wordt Hij genoemd de God van de lijdzaamheid, zoals Zijn woord, dat het middel van de lijdzaamheid is, het woord van Zijn lijdzaamheid heet; en het is door Zijn sterkte, dat de gelovigen bekrachtigd worden tot alle lijdzaamheid en verdraagzaamheid; en tot deze lijdzaamheid, of tot de oefening daarvan gericht te zijn, is van groot nut en voordeel onder de bezoekingen van de hand van God, onder de smaadheden en vervolgingen van de mensen, onder de goddelijke verlatingen en het missen van verhoringen van het gebed, onder de verzoekingen van de satan en in de verwachtingen van de hemelse heerlijkheid. En het hart is nooit werkzamer in deze deugd, dan wanneer het gericht is tot de liefde van God. Of men kan hierdoor verstaan die lijdzaamheid, waarvan Christus het voorwerp is en dan hiervoor nemen, of een lijdzaam dragen van het kruis omwille van Hem, want een ieder gelovige heeft een kruis op te nemen en te dragen om Christus en dit moet bestendig, blijmoedig en lijdzaam gedragen worden; en niets geeft sterker moed tot zo’n lijdzaam dragen daarvan, dan een gevoel van de liefde van God, zodat tot deze liefde gericht te zijn, ook leidt tot de deugd van de lijdzaamheid; of zoals de Engelse vertaling de zin uitdrukt, men kan daarvoor nemen een lijdzaam verwachten van de tweede toekomst van Christus. Christus zal zeker voor de tweede keer komen, schoon het onzeker is wanneer Hij komen zal en Zijn komst zal zeer heerlijk in zichzelf en zeer voordelig voor de heiligen zijn; hierom betaamt hen niet alleen die de geloven, te hopen, te lieven, te verwachten, maar lijdzaam te verwachten en hiertoe door de Geest van God gericht te zijn is van groot nut voor hen in de tegenwoordigen staat van de dingen.
a) En wij bevelen u, broeders, om nu nader aan te wijzen wat wij bij de verwachting in vs. 4 uitgesproken bedoelden, in de naam van onze Heere Jezus Christus (vgl. 1 Kor. 5: 4), dat u zich door vermijding van alle omgang (Gal. 2: 12)onttrekt van een ieder broeder, die ongeregeld wandelt (1 Thessalonicenzen. 5: 14) en niet naar b) de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft, in hetgeen wij in uw gemeente in het algemeen, toen wij persoonlijk bij u waren, zowel als wij in onze vorige brief hebben voorgeschreven (vs. 10. 1 Thessalonicenzen. 4: 11 v.) en toen ook door ons eigen voorbeeld metterdaad hebben bevestigd.
2 Thessalonicenzen. 3: 14 Tit. 3: 10 b) 2 Thessalonicenzen. 2: 15
Door broeder is niet gemeend een broeder in een natuurlijke of burgerlijke zin, die dit uit bloed of uit nabuurschap is, als zijnde van hetzelfde land of van hetzelfde menselijk geslacht, omdat allen uit een bloed zijn; maar een broeder in een kerkelijke zin, een lid van de kerk, die een broeder genoemd wordt, schoon het wezen kan, dat hij geen waarachtig kind van God, geen van Christus? broeders, of niet uit de Geest geboren is, echter omdat hij een medeburger van de heiligen is en uitwendig tot Gods huisgezin behoort, zo draagt hij deze naam; en zo een alleen valt onder het oordeel van de gemeente, die niet te oordelen heeft, die buiten, maar alleen die binnen zijn. En een ieder broeder, in deze zin, valt onder haar kennisneming; een ieder, die een lid is, hetzij mans- of vrouwspersoon, want dit woord sluit beiden in; en omdat de zusters zowel als de broeders in die betrekking staan, in dezelfde inzettingen deel hebben en die voorrechten genieten, zo zijn zij verplicht om die regels van het Evangelie en die plichten van de godsdienst waar te nemen en moet men, in geval van ongelegenheid, zich ook aan haar onttrekken; en dat betreft insgelijks een ieder broeder, van welke staat of gelegenheid hij is, dienstbaar of vrij, hoog of laag, rijk of arm, geen eenzijdigheid moet plaats hebben, geen voorrecht gegeven worden aan de een boven de ander; een arm ledemaat, ongeregeld wandelend, moet niet hard gevallen, terwijl een rijke ingeschikt en met oogluiking aangezien wordt; en het betreft ook de broeders, hetzij bijzondere ledematen of bedienaars van de kerk, want niet alleen de eersten, maar ook de laatsten, als zij ongeregeld wandelen, hetzij in de waarneming van hun dienst, of in enig ander deel van hun gedrag, vallen onder het oordeel en de bestraffing van de gemeente. Maar deze bestraffing heeft alleen plaats wanneer iemand van de broederschap ongeregeld wandelt, niet in alle ongeregeldheid, waaraan men schuldig is; geen mens leeft er zonder zonde en de leden van de kerk hebben hun struikelingen en zullen ze houden zolang zij in het vlees of in het lichaam zijn en zij moeten voor geen schuldenaars en overtreders verklaard worden, om een woord, of om een enkele ongeregeldheid, of om de gemene struikelingen van het leven, noch moeten de rechtvaardigen verwezen worden om een beuzeling, of een geringe overtreding, waarin zij niet volharden; het is wat anders schuldig te wezen aan een ongeregeldheid en wat anders ongeregeld te wandelen, dat uitdrukt een voortgaan een reeks van ongeregeldheden, een voortvaren daarin, een voortgaan van kwaad tot kwaad, een toenemen in meer goddeloosheid; want wandelen is een daad van voortgang en ongeregelde mensen staan niet stil, maar worden erger en erger, want zij scheppen vermaak in hun ongeregeldheden, zij verkiezen hun eigen wegen en hebben genoegen in hun gruwelen; de paden van de zonde zijn vermakelijke paden voor hen. Er zijn ongeregelde wandelaars, die halsstarrig en hardnekkig volharden in hun ongeregeldheden, in weerwil van de vermaningen van bijzondere personen en van de hele gemeente. En van dit soort zijn er, die ongeregeld wandelen in de wereld, in het bedrijven van openbare en schandelijke zonden, zoals onreinigheid, onmatigheid, gierigheid enz. en die ongeregeld wandelen in de huisgezinnen; zoals mannen, die hun vrouwen niet liefhebben en hun huishouden verwaarlozen: vrouwen, die haar mannen niet onderdanig zijn; ouders, die hun kinderen tot toorn verwekken, kinderen, die ongehoorzaam zijn aan hun ouders, meesters, die hun dienstknechten, dienstknechten, die hun meesters verachten, omdat zij broeders zijn; omdat zij hun te genegener moesten dienen, omdat zij gelovigen en geliefden zijn. En ook die ongeregeld wandelen in de gemeente, zoals die hun plaatsen niet vervullen, de dienst van het Woord niet bijwonen, en het onderhouden van de inzettingen verzuimen, die twistgierig en krakeelachtig zijn en zich niet willen onderwerpen aan hen, die boven hen in getal en verstand zijn en ook die kwade begrippen en leringen hebben, strekkende beiden tot de verkleining van de genade van God, van de persoon en de ambten van Christus en van de werkingen van die Geest; die niet in de waarheid wandelen noch volgens het richtsnoer van Gods Woord en bijzonderlijk zijn hier degenen gemeend, die lui en ledig zijn, die gans niet willen werken, maar van het goed en het voedsel van anderen leven; die handelen tegen de orde en het voegzame bij alle volkeren, steden en huisgezinnen; tegen hetgeen God vast heeft gesteld onder het mensdom; tegen het voorbeeld van God en van Christus als God, die tot heden samen werken in de Voorzienigheid en in het bestuur van de wereld, tegen het voorbeeld, dat Christus als mens heeft gegeven en tegen het voorbeeld van de apostelen en tegen hun bevelen. Nu, hetgeen bevolen wordt, dat de gemeente, ja de hele broederschap, over zulke ongeregelde mensen zal doen, is zich van hen te onttrekken; waardoor niet alleen genoemd is zich van hen te onderscheiden door een geschikt en geregeld gedrag en een nauwkeurig waarnemen van de evangelieleer, dat zeer recht is, noch slechts, hoewel dat behoort, zijn genegenheid over de zodanige in te krimpen en te bedwingen, opdat niet door ons te gedragen als van te voren, op een vriendelijke, tedere en toegenegene wijze, zij daaruit aanmoediging mochten nemen, om in hun ongeregeldheden te volharden, evenals liefhebbende ouders hun toegenegenheid verbergen en zich wachten van die aan hun kinderen, wanneer zij ongeregeld zijn en door hen bestraft worden, te tonen, opdat zij niet mochten schijnen hen in het kwade te stijven; maar ook, hoewel dit eensgelijks behoort gedaan te worden, zijn hand in te trekken of te sluiten voor zulke mensen en te weigeren om te geven aan die zo lui en ledig leven en zo ongeregeld wandelen; noch betekent deze uittrekking alleen, dat men zulke mensen zijn huis en tafel zal verbieden, niet gedogend, dat zij aan de ene aanzitten, of zelfs in het ander inkomen, hun niet vergunnende gezelschap en verkering met ons te hebben, opdat zij geen gelegenheid mogen hebben tot navolging van hun luiheid en zucht tot achterklap, hoewel zo’n handelwijze over hen ten hoogte billijk en redelijk is; noch zij betekent alleen een afwering en uitsluiting van hen van de tafel van de Heere, dat dan niemand moet worden gedaan, zolang hij in gemeenschap met de gemeente staat en een lid daarvan is; maar daardoor is gemeend degenen uit de gemeente te doen en buiten haar gemeenschap te sluiten, dat soms genoemd wordt dezen te verwerpen, uit de gemeente te werpen en weg te doen en hier zich van hen te onttrekken, dat alle uitdrukkingen van die betekenis zijn en behelzen de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk. En zo heeft de Ethiopische vertaling hier: dat u wegdoet een ieder broeder.
Vooral om dat door ons gegeven voorbeeld kan niemand onder u zich verontschuldigen door onwetendheid voor te wenden, over hetgeen de voor God welgevallige wandel, waarover wij hier spreken, aangaat (1 Thessalonicenzen. 4: 1 v.) b) Want u zelf weet a) hoe men ons behoort na te volgen en kunt dus daarom vanzelf opmaken wat goed is, ook al gaven wij u in enig opzicht nog geen uitdrukkelijk onderricht; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u toen wij bij u waren, dat wij ons in enig opzicht buiten de gewone levensregel zouden hebben bewogen.
1 Kor. 11: 1. 1 Thessalonicenzen. 1: 6, 7 b) 1 Thessalonicenzen. 2: 10
a) En wij hebben, wat inzonderheid het punt aangaat waarom het ons te doen is, geen brood bij iemand gegeten voor niet, als degenen, die geen lust hadden om voor eigen levensonderhoud te zorgen. Wij hebben ons niet door anderen laten voeden, maar in arbeid en moeite macht en dag werkend. Bij dag verrichtten wij ons predikwerk en ‘s nachts verrichtten wij ons handwerk (Hand. 18: 3; 20: 34 v. 1 Kor. 4: 12 Zo hebben wij ons ingespannen, opdat wij niet iemand van u lastig zouden zijn (1 Thessalonicenzen. 2: 9. 1 Kor. 9: 12).
2 Kor. 11: 9; 12: 13
Wij hebben het a) niet vermeden, dat wij ons door u zouden laten voeden, omdat wij de macht, daartoe niet hebben. Het zou integendeel zeer juist zijn geweest, als u ons had geschonken, wat wij voor het leven nodig hadden (1 Kor. 9: 4, 7 vv.), maar wij hebben daarom ons eigen brood willen verdienen, opdat wij onszelf u geven zouden tot b) een voorbeeld, om ons in diezelfde werkzaamheid na te volgen.
1 Thessalonicenzen. 2: 2 b) 1 Kor. 4: 16; 11: 1
Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen en bij ons voorbeeld nog een Joods spreekwoord gevoegd, zoals dat bij de Joodse Schriftgeleerden wordt gevonden, dat als iemand niet wil werken, hij ook niet eet.
Nadat de apostel een voldoende grondslag gelegd heeft, begint hij over een bijzondere zaak te spreken, die hem op het hart ligt. Hij richt zijn gebod in de eerste plaats tot allen in de gemeente, die niet zelf wanordelijk wandelden (tot deze spreekt hij eerst in vs. 12), tot hen, van wie hij volgens vs. 4 kan vertrouwen, dat zij doen en zullen doen wat hij hun gebiedt. Het komt er nu op aan tegenover de tedere, verzachtend woorden van de eerste brief, tegen de onverbeterden door te tasten, om de besmetting af te snijden, de gemeente te bewaren en zo mogelijk op de halsstarrigen zelf door de krachtiger middelen heilzame invloed uit te oefenen.
Die mensen liepen niet ledig, maar zij deden niet wat zij doen moesten. Zij bemoeiden zich met andere dingen en bleven daarom niet in de vereiste rust; hun bezigheid was dus geen arbeiden, maar een rusteloze en voor anderen lastige drukte.
Evenals toen, zo is er gewoonlijk ook heden nog bij elke opwekking, die plaats heeft een richting, die de zielverzorger niet krachtig genoeg kan tegenwerken.
Onder voorwendsel van voor het rijk van God werkzaam te zijn lieten zich deze spraakzuchtige en bedrijvige mensen door de gemeente onderhouden. Des te meer moest hen het voorbeeld van de apostel beschamen, die in elk geval een belangrijker ambt in het rijk van God bekleedde dan zij en die toch van zijn handenarbeid leefde. Wat echter van het leven in zo’n enge gemeenschap geldt, geldt ook in het algemeen van elk, die Christen heten wil; hij kan zijn brood, al is het ook van zijn eigendom genomen, met geen goed geweten nuttigen, als hij niet arbeiden wil.
Wat Paulus ten opzichte van zijn eigen gedrag bij haar in 1 Thessalonicenzen. 2: 9 van de gemeente in het geheugen heeft geroepen, om een verdenking van zijn werk tegen te staan, alsof hij daarmee alleen voordeel zocht, brengt hij haar nu tot een ander doel door een uit de aard van de zaak begrijpelijke, gelijkluidende uitdrukking in gedachte. Zoals hij reeds in 1 Thessalonicenzen. 4: 11 v. op zijn mededeling onderricht heeft gewezen, zo drukt hij ook hier erop, dat hij reeds toen hij bij de gemeente aanwezig was, haar zijn aanwijzing had gegeven. Hij stelt er toch veel belang in, dat zij niet menen, dat hij hun, toen hij ze tot Christus leidde, een andere vorm van Christelijk leven had voorgehouden en hen nu pas later, in verband met een andere lering over Christus terugkomst, waardoor deze hoop tot later werd verdaagd, weer tot de gewone orde van het burgerlijk leven wilde teruggeven.
Naast alle versterking in hemelsgezindheid is toch de getrouwheid van de pelgrim in het kleine wel gepast. Die zich voor zo hemelsgezind en voor zo ver gevorderd in het beschouwen en dienen van God wilde uitgeven, dat de arbeid hem niet meer passen zou, die ziet toe, of hij ook boven het eten verheven is en zolang voor hem nog de noodzakelijkheid tot eten bestaat, leidt hij daaruit af, dat hij ook nog moet arbeiden.
Wij hebben er wel reden voor, dat wij u dat alles nogmaals voor ogen houden: want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkend, maar ijdele dingen doen, allerlei zaken, waartoe zij niet geroepen zijn (1 Tim. 5: 13 Jak. 3: 1).
Maar dezen bevelen wij nadrukkelijk en vermanen wij als degenen, die wij nog als broeders beschouwen (vs. 15), door onze Heere Jezus Christus, wiens genade en gemeenschap hun toch wel nog iets waardig is, dat zij met stilheid hun beroepsbezigheden waarnemend (1 Thessalonicenzen. 4: 11 Sir 3: 23) en met ijver werkende hun eigen brood eten, in plaats van door de gaven van anderen hun leven te onderhouden.
Nadat de apostel in vs. 6-10 aan de gemeente heeft gezegd, hoe zij zich moest houden tegenover hen, die anders leefden dan hij vroeger had geleerd, zo verklaart hij nu wat hem er toe brengt, om haar dit te zeggen en wendt zich nu tot hen, van wie hij hoort, dat zij, in plaats van hun levensonderhoud te verdienen met buitengewonen arbeid, zich veel moeite deden met te doen wat buiten hun eigenlijke roeping lag.
Gewoonlijk denken zulke dweepzieke, werkschuwende mensen nog wel dat zij de allerijverigste, vroomste en heiligste zijn en zwakken bewonderen gewoonlijk zulke dwepers nog; maar Christus wil op die manier niet gediend zijn.
De arbeid oefent een heilzame invloed uit op het menselijk gemoed, leidt van de verstrooidheid tot ernstig nadenken, van de willekeur tot de orde, van het gewoel tot de stilte, zodat tussen de arbeid nog wel tijd wordt gevonden om tot zichzelf in te keren en in het opzien tot God zich te heiligen en te sterken; de ledigheid heeft daarentegen juist de tegenovergestelde uitwerking. Hoewel het lichaam trage rust geniet, gaat de geest des te onvaster heen en weer en wordt een buit van de ongeregeldste gedachten en begeerten.
En u, broeders, die dat gedeelte van de gemeente uitmaakt, dat nog door die dweperij niet is aangestoken, vertraagt niet in goed te doen, laat u van de juiste weg, die u tot hiertoe bent ingeslagen, door geen ter neerslaande of op dwaalwegen leidende ervaringen brengen, maar bewandel die met volharding, alles wat Gods wil is volbrengend (Gal. 6: 9. 1 Petrus 2: 15).
Maar als iemand van hen, die tot uw gemeente behoren, in onderscheiding van ons woord, dat wij vroeger, op gebiedende en vermanende manier hebben uitgesproken (vs. 12), door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, teken die, met het doel om niets met hem te doen te hebben (1 Kor. 5: 9, 11), a) en vermeng u niet met hem, opdat hij beschaamd wordt, wanneer hij daar staat als een door de gemeente vermedene.
MATTHEUS. 18: 7. 2 Thessalonicenzen. 3: 6
En houd hem evenwel niet als een vijand, met wie u geheel en voor altijd heeft gebroken, maar vermaan hem als een broeder, die u probeert te herwinnen.
De apostel, zich weer tot de gehele gemeente wendend, vermaant deze in goeddoen niet te vertragen. Tegenover de lediggang van die vroeger berispten is een arbeiden van degenen bedoeld, dat de mensen op een manier bezig houdt, die hun wel past en de zedelijke gemeenschap ten voordele is, hen in goede werken (Tit. 3: 8, 14) laat leven. Van deze vermaning gaat Paulus terug tot de aanwijzing (vgl vs. 6), hoe zich de gemeente moet gedragen ten opzichte van hen, die de gewone arbeid verwaarlozen en zich voor een bedrijvigheid naar eigen lust door anderen laten voeden, of zoals hij nu volgens de voorafgegane waarschuwing tegen zulk drijven zich uitdrukt, die zijn woord in de brief niet gehoorzamen. Deze aanwijzing onderscheidt zich nu van de boven gegevene daardoor, dat daar wordt geboden zich terug te trekken van hen, die onordelijk wandelen, dus een zaak van elk in het bijzonder was, nu daarentegen een maatregel is geboden, die de zaak van de gemeente is, omdat zij hen tekent, die zij uit haar gemeenschappelijk leven uitsluit, een maatregel, waarbij zij niet ophouden, voor Christelijke broeders gehouden te worden en als de zodanige vermaand te worden, opdat zij tot zichzelf inkeren en weer in het genot van de broederlijke gemeenschap worden gesteld. Zij zeggen toch niet aan dat apostolisch woord, waardoor zij tot Christus bekeerd zijn, de gehoorzaamheid op, maar zij weigeren die alleen aan dat, hetwelk nu door de brief tot de gemeente wordt gericht; zij zijn geen vijanden van het Evangelie geworden, maar zij verzetten zich alleen in een enkel punt tegen de orde van het leven, waarover zij zich door de apostel moesten laten onderrichten.
Dit is het eerste voorbeeld van regelmatige, kerkelijke tucht in de Christelijke gemeenten.
Men heeft de vraag gedaan, of het afbreken van broederlijke omgang, die volgens 1 Kor. 5: 11 een ontzeggen van het gemeenschappelijk eten was, een uitsluiten van het heilig avondmaal ook zal hebben ingehouden. De vraag wordt daardoor opgelost, dat het avondmaal toen niet plaats had als afzonderlijke plechtigheid, maar het slot van de liefdemaaltijd uitmaakte en nu beide samen de maaltijd van de Heere word genoemd. Werd de eerste helft ontzegd, natuurlijk dan ook de tweede.
a) De Heere nu van de vrede zelf (Fil. 4: 9 Kol. 3: 15) geve u vrede te allen tijd op allerlei manier (Fil. 1: 18). De Heere zij met u allen, ook met degenen, die dwalen.
Rom. 15: 33; 16: 20. 1 Kor. 14: 33. 2 Kor. 13: 11. 1 Thessalonicenzen. 5: 23
Het is een verstoring van de inwendige vrede van de gemeente, als hij tegen enkelen in haar midden strenge maatregelen moet nemen. Daaruit moet verklaard worden, dat de apostel overgaat tot de wens, dat de Heere van de vrede haar de vrede geeft, waarnaar hij Hem noemt. Toch beperkt hij zijn wens niet tot vrede in dit enkel opzicht, omdat hij het “te allen tijde, op allerlei manier” erbij voegt. Evenals echter de apostel aan de gemeente vrede toewenst voor de hele omvang van haar leven, zo groet hij tenslotte met het woord: “de Heere zij met u allen! ” haar en al haar leden en heft daarin de tegenstelling weer op, waarin hij enkelen in hun midden had moeten plaatsen.
E. Tenslotte wil de apostel nog een groet laten volgen geheel gelijk aan die in 1 Thessalonicenzen. 5: 28 Hij voegt echter bij het “er” nog een “allen” en maakt er vooraf opmerkzaam op, dat hij deze groeten tot besluit eigenhandig schreef. Hij voegt erbij, dat dit teken aan het einde van elke brief werd gevonden, die van hem afkomstig was en roept de lezers uitdrukkelijk op, om op zijn ondertekening te letten. De aanleiding daartoe ligt in de omstandigheid, dat in de gemeente te Thessalonika een brief in omloop was gekomen, die of ervoor werd uitgegeven, of er ten minste voor werd gehouden, dat die van Paulus afkomstig was.
De groet, die ik tot afscheid in vs. 18 laat volgen, is geschreven met mijn hand, van Paulus (1 Kor. 16: 21 Kol. 4: 18), dat is een teken in iedere Zendbrief, die ik afzend, als die niet geheel en al door mij is geschreven (Gal. 6: 11), maar aan een helper gedicteerd is, en die te merken als van mij afkomstig. Zo, zoals dit schrift het u voor ogen stelt schrijf ik en zo kunt u later elke ondergeschoven brief (Hoofdstuk 2: 2) dadelijk als onecht leren kennen.
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen! Amen (Rom. 16: 24 Ro Fil. 4: 23).
De apostel had de gewoonte om zijn brieven, die hij niet eigenhandig had geschreven, met een korte afscheidsgroet eigenhandig te eindigen, zonder er opmerkzaam op te maken, dat hij dit zelf schreef. Wat hem nu, als hij daarop uitdrukkelijk opmerkzaam maakte, aanleiding gaf, kon van verschillende aard zijn. Wij hebben de aanleiding zowel bij 1 Kor. 16: 21 bij Kol. 4: 18 meegedeeld en wat hem hier tot die opmerking heeft bewogen, blijkt duidelijk genoeg uit Hoofdstuk 2: 2.
Amen! zal de gemeente te Thessalonika erop gezegd hebben, toen de voorlezer had geeindigd. Amen zegge ook ons hart er op. Hoeveel sluit dat woord in zich! Het bevat al wat wij nodig hebben voor de tijd en de eeuwigheid. De genade van onze Heere Jezus Christus zij dan met ons en met onze kinderen en met allen, Amen!
SLOTWOORD OP DE BEIDE BRIEVEN AAN DE THESSALONICENZEN
Deze brieven, die de eerste apostolische Zendbrieven zijn, laten ons zowel in het werk als in het hart van de grote Apostel menige blik slaan, die voor ons nuttig is tot beter begrijpen van hetgeen de Handelingen van de Apostelen van hem vertellen en niet weinig bijdraagt tot een juist inzicht van het wezen en het leven van een man van God, in wie Christus werkelijk een gestalte verkregen heeft. Bovendien vernemen wij over de toestand van de Christelijke gemeente, die als de eerste onder die in de landen van de heidenen, ons hier nader bekend wordt, waarin bloeiend staat zij zich te midden van haar droevige omstandigheden bevond; tevens ook welke dwalingen aan de andere kant uit het oude leven en zelfs uit het nieuwe, uit de eenzijdige richting op een hoofdpunt van de leer hen dreigden en waarmee een wijsheid, waarmee een waardering van het goede, dat aanwezig was, waarmee een hopende liefde en tevens waarmee een bestraffende ernst de apostel tot hen komt. Hij is daarin een waar toonbeeld voor de behandeling van dwepende richtingen ook in onze tijd. Betrekkelijk hebben zelfs geleerde uitleggers zich slechts weinig moeite gegeven voor de brieven aan de Thessalonicenzen. De reden daarvan is zeker wel hierin te zoeken, dat de laatste dingen, die aan deze alleen hun specifiek karakter geven, slechts weinig aantrekkingskracht op hen uitoefenden, ja zelfs wat de apostel daarover zegt, hen in hun eigen meningen onaangenaam aantastte.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel