Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En wij biddenG2065 uG4771, broedersG80, door de toekomstG3952 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, en onze toevergaderingG1997 totG1909 HemG846,
En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,
KJV
Now2
we beseech1
you,
brethren,4
by5
the coming7
of our
Lord9
Jesus11
Christ,12
and13
by our
gathering together15
unto16
him,17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DatG3754 gijG4771 nietG3361 haastelijkG5030 bewogenG4531 wordt vanG575 verstandG3563, of verschriktG2360, noch doorG1223 geestG4151, noch doorG1223 woordG3056, noch doorG1223 zendbriefG1992, als van ons geschreven, alsofG5613 de dagG2250 van ChristusG5547 aanstaandeG1764 ware.
Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
KJV
That1
ye
be5
➔ not3
soon4
shaken
in7
mind,9
or10
be troubled,11
neither12
by13
spirit,14
nor15
by16
word,17
nor18
by19
letter20
as21
from22
us,
as24
that25
the day28
of Christ30
is at hand.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Dat uG4771 niemandG3361 verleideG1818 opG2596 enigerleiG3367 wijzeG5158; wantG3754 die komt niet, tenzijG3362 dat eerstG4412 de afvalG646 gekomen zij, enG2532 dat geopenbaardG601 zij de mensG444 der zondeG266, de zoonG5207 des verderfsG684;
Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
KJV
Let4
➔ no1
man2
deceive
you
by5
any6
means:7
for8
that day shall not come, except
there come11
a falling away13
first,14
and15
that man18
of sin20
be revealed,16
the son22
of perdition;24
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Die zich tegensteltG480, enG2532 verheftG5229 boven alG3956 wat GodG2316 genaamdG3004, ofG2228 als GodG2316 geeerdG4574 wordt, alzo dat hijG846 inG1519 den tempelG3485 GodsG2316 als een GodG2316 zal zittenG2523, zichzelvenG1438 vertonendeG584, dat hij God isG1510.
Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
KJV
Who1
opposeth2
and3
exalteth4
himself above5
all7
that is called8
God,14
or15
that is worshipped;16
so17
that he18
as24
God23
sitteth26
in19
the temple21
of God,25
shewing27
himself28
that29
he is
God.31
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
GedenktG3421 gij nietG3756, dat ik, nog bijG4314 u zijnde, uG4771 dezeG3778 dingen gezegdG3004 heb?
Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?
KJV
Remember ye2
not,1
that,3
when I was
yet4
with6
you,
I told9
you
these things?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 nu, wat hem wederhoudtG2722, weetG1492 gij, opdat hijG846 geopenbaardG601 worde te zijner eigenG1438 tijdG2540.
En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
KJV
And1
now2
ye know5
what withholdeth4
that6
he9
might be revealed8
in10
his12
time.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 de verborgenheidG3466 der ongerechtigheidG458 wordt alredeG2235 gewrochtG1754; alleenlijk, Die hem nu wederhoudtG2722, Die zal hem wederhouden, totdat hij uitG1537 het middenG3319 zal weggedaan worden.
Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
Ook in dit vers
[weggedaan]G1096
[wederhouden]G2193
KJV
For2
the mystery3
of iniquity7
doth5
➔ already4
work:
only8
he who now11
letteth10
will let, until12
he be taken15
out of13
the way.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 alsdanG5119 zal de ongerechtigeG459 geopenbaardG601 worden, denwelken de HeereG2962 verdoenG355 zal door den GeestG4151 Zijns mondsG4750, enG2532 te niet maken door de verschijningG2015 Zijner toekomstG3952;
En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;
KJV
And1
then2
shall3
➔ that Wicked5
be revealed,
whom6
the Lord8
shall consume9
with the spirit11
of his14
mouth,13
and15
shall destroy16
with the brightness18
of his21
coming:20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Hem, zeg ik, wiens toekomstG3952 isG1510 naarG2596 de werkingG1753 des satansG4567, inG1722 alleG3956 krachtG1411, enG2532 tekenenG4592, enG2532 wonderenG5059 der leugenG5579;
Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;
KJV
Even him, whose1
coming4
is
after5
the working6
of Satan8
with9
all10
power11
and12
signs13
and14
lying16
wonders,15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 in alleG3956 verleidingG539 der onrechtvaardigheidG93 in degenen, die verlorenG622 gaan; daarvoor datG3739 zij de liefdeG26 der waarheidG225 nietG3756 aangenomenG1209 hebben, omG1519 zaligG846 te worden.
En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
KJV
And1
with2
all3
deceivableness4
of unrighteousness6
in7
them that perish;9
because10
they received17
not16
the love13
of the truth,15
that18
they21
might be saved.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 daarom zal GodG2316 hunG846 zendenG3992 een krachtG1753 der dwalingG4106, datG3778 zijG846 de leugenG5579 zouden gelovenG4100;
En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
KJV
And1
for this
cause2
God7
shall send4
them5
strong8
delusion,9
that10
they13
should believe12
a lie:15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
OpdatG2443 zij allenG3956 veroordeeldG2919 worden, die de waarheidG225 nietG3361 geloofdG4100 hebben, maarG235 een welbehagenG2106 hebben gehad inG1722 de ongerechtigheidG93.
Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
KJV
That1
they all3
might be damned2
who4
believed6
not5
the truth,8
but9
had pleasure10
in11
unrighteousness.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
MaarG1161 wij zijn schuldigG3784 altijdG3842 GodG2316 te dankenG2168 overG4012 uG4771, broedersG80, die van den HeereG2962 bemindG25 zijt, datG3754 uG4771 GodG2316 van den beginneG746 verkorenG138 heeft totG1519 zaligheidG4991, in heiligmakingG38 des GeestesG4151, en geloofG4102 der waarheidG225;
Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;
KJV
But2
we
are bound3
to give thanks4
alway7
to God6
for8
you,
brethren10
beloved11
of12
the Lord,13
because14
God18
hath15
➔ from19
the beginning20
chosen
you
to21
salvation22
through23
sanctification24
of the Spirit25
and26
belief27
of the truth:28
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WaartoeG1519 Hij uG4771 geroepenG2564 heeft doorG1223 ons EvangelieG2098, tot verkrijgingG4047 der heerlijkheidG1391 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.
KJV
Whereunto1
he called3
you
by5
our
gospel,7
to9
the obtaining10
of the glory11
of our
Lord13
Jesus15
Christ.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zo dan, broedersG80, staatG4739 vast enG2532 houdtG2902 de inzettingenG3862, dieG3739 u geleerdG1321 zijn, hetzij doorG1223 ons woordG3056, hetzij doorG1223 onzen zendbriefG1992.
Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.
KJV
Therefore,1
brethren,3
stand fast,4
and5
hold6
the traditions8
which9
ye have been taught,10
whether11
by12
word,13
or14
our
epistle.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En onze HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 ZelfG846, en onze GodG2316 en VaderG3962, Die ons heeft liefgehadG25, en gegevenG1325 heeft een eeuwigeG166 vertroostingG3874 en goedeG18 hoopG1680 inG1722 genadeG5485,
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,
KJV
Now2
our
Lord4
Jesus6
Christ7
himself,1
and8
God,10
even11
our
Father,12
which3
hath loved15
us,
and17
hath given18
us everlasting20
consolation19
and21
good23
hope22
through24
grace,25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
VertroosteG3870 uw hartenG2588, enG2532 versterkeG4741 uG4771 inG1722 alleG3956 goedG18 woordG3056 enG2532 werkG2041.
Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
KJV
Comfort1
your
hearts,4
and5
stablish6
you
in8
every9
good13
word10
and11
work.12
door
Dat is, zo zeker als gij deze toekomst van Christus en onze toevergadering tot Hem gelooft en verwacht. Anderen zetten het over: wat aangaat de toekomst; enz. namelijk waarvan hij in den voorgaande brief, 1 Thess. 4:5, had gesproken, hetwelk enigen onder hen niet wel schenen verstaan te hebben, waarom hij hen daarvan hier nader onderricht. Doch het eerste komt met de Griekse woorden het best overeen.
Hertaald:
door
Dat is: zo zeker als u deze komst van Christus en onze vergadering tot Hem gelooft en verwacht. Anderen vertalen het: wat de komst betreft, enzovoort, namelijk de komst waarover hij in de voorgaande brief, 1 Thess. 4:5, gesproken had en die sommigen onder hen niet goed begrepen leken te hebben; daarom onderricht hij hen daarover hier nader. Maar het eerste komt het best overeen met de Griekse woorden.
onze toevergadering
Namelijk ten uitersten dage, in Zijne heerlijkheid, waarvan hij in den voorgaanden brief, 1 Thess. 4:16, had gehandeld.
Hertaald:
onze toevergadering
Namelijk onze vergadering tot Hem op de laatste dag, in Zijn heerlijkheid, waarover hij in de voorgaande brief, 1 Thess. 4:16, gesproken had.
bewogen
Eene gelijkenis genomen van de baren der zee, die door verschillende winden herwaarts en derwaarts worden gedreven.
Hertaald:
bewogen
Dit is een vergelijking, genomen van de golven van de zee, die door verschillende winden heen en weer gedreven worden.
van verstand
Dat is, van de rechte mening over dit artikel des geloofs. Anderen nemen het voor het wezenlijk verstand der mensen zelf, die, wanneer zij zulke voorzeggingen van Christus' tweede komst, met uitdrukking van dag en uur, beginnen aan te nemen, dan gelijk uitzinnige mensen plegen gedreven te worden, gelijk eertijds zodanigen onder de Chiliasten (voorstanders van het duizendjarig rijk) zijn geweest, en in onzen tijd onder enige soorten van drijvers.
Hertaald:
van verstand
Dat is: van het juiste inzicht in dit geloofsartikel. Anderen vatten het op als het verstand van de mensen zelf: wanneer zij zulke voorzeggingen over de tweede komst van Christus met vermelding van dag en uur beginnen aan te nemen, worden zij als het ware voortgedreven als uitzinnige mensen. Zo zijn er vroeger onder de chiliasten, de voorstanders van het duizendjarig rijk, geweest, en in onze tijd onder sommige soorten drijvers.
verschrikt
Of, ontroerd, ontzet, gelijk men pleegt over een haastig en onverwacht groot geroep van woelende mensen ontzet te worden.
Hertaald:
verschrikt
Of: verontrust, ontzet, zoals men gewoonlijk ontzet raakt door een plotseling en onverwacht groot geroep van opgewonden mensen.
door geest
Dat is, door voorwending van geestelijke openbaringen, welke zulke lieden plegen voort te brengen. Zie ook 1 Joh. 4:1.
Hertaald:
door geest
Dat is: door het voorwenden van geestelijke openbaringen, die zulke mensen gewoonlijk naar voren brengen. Zie ook 1 Joh. 4:1.
door woord
Of, rede; namelijk als van mij of Timotheüs en Silas gehoord. Anderen nemen het voor enige waarschijnlijke redenen hier en daar uit Gods Woord zonder grond bijeengebracht.
Hertaald:
door woord
Of: rede; namelijk een woord dat zij van mij of van Timotheüs en Silas gehoord zouden hebben. Anderen vatten het op als enkele schijnbaar aannemelijke redenen die hier en daar zonder grond uit Gods Woord bijeengebracht zijn.
door zendbrief
Namelijk van hen op onzen naam verdicht, dien zodanige lieden ook plegen tevoorschijn te brengen.
Hertaald:
door zendbrief
Namelijk een brief die zij op onze naam verzonnen hebben; ook zulke brieven brengen zulke mensen gewoonlijk naar voren.
de dag
Namelijk van Christus' tweede komst ten oordeel, alsof die terstond daarna zou geschieden.
Hertaald:
de dag
Namelijk de dag van de tweede komst van Christus ten oordeel, alsof die meteen daarna zou gebeuren.
verleide
Dit zegt de apostel, omdat deze lieden de gemeenten onder zulken schijn afkeerden van hun beroep en van hunnen gewonen arbeid, als voortaan onnodig, dewijl Christus in deze Zijne komst aan alles een einde zou maken, en een hemels leven invoeren, waarvan hij in het volgende hfdst. breder zal spreken. Anderen werden daardoor verleid om te twijfelen aan de vastigheid des Evangelies, omdat zij tevergeefs op de belofte dezer toekomst schenen te wachten, gelijk van zodanigen gesproken wordt 2 Petr. 3:3, 2 Petr. 3:8, 2 Petr. 3:9.
Hertaald:
verleide
Dit zegt de apostel omdat deze mensen de gemeenten onder zulk een voorwendsel afkeerden van hun beroep en van hun gewone arbeid. Dat zou voortaan niet meer nodig zijn, omdat Christus bij deze komst aan alles een einde zou maken en een hemels leven zou invoeren; daarover zal hij in het volgende hoofdstuk uitvoeriger spreken. Anderen werden daardoor verleid om te twijfelen aan de vastheid van het Evangelie, omdat zij tevergeefs op de belofte van deze komst leken te wachten, zoals over zulke mensen gesproken wordt in 2 Petr. 3:3, 2 Petr. 3:8, 2 Petr. 3:9.
die komt niet
Namelijk dag van Christus, waarvan hij terstond had melding gemaakt.
Hertaald:
die komt niet
Namelijk de dag van Christus, waarover hij net gesproken had.
de afval
Gr. Apostasia; hetwelk enige oude leraars verstaan van den afval veler koninkrijken van het Romeinse rijk, doch beter wordt genomen voor een algemenen afval van de zuiverheid des Evangelies, welken Paulus ook voorzegt 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3, 4; Johannes, Openb. 11
Hertaald:
de afval
Grieks: apostasia. Enkele oude leraars verstaan dat van de afval van veel koninkrijken van het Romeinse rijk, maar het wordt beter opgevat als een algemene afval van de zuiverheid van het Evangelie, die Paulus ook voorzegt in 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3 en 4, en Johannes in Openb. 11
geopenbaard
Dat is, Zijne geestelijke heerschappij over het Christendom openlijhk zal hebben bekend gemaakte en vbevestigd, gel;ijk dit woord hierna ook gebruikt wordt, vs.6, vs.8.
Hertaald:
geopenbaard
Dat is: wanneer hij zijn geestelijke heerschappij over het christendom openlijk bekend gemaakt en bevestigd zal hebben, zoals dit woord hierna ook gebruikt wordt in vers 6 en vers 8.
de mens
Dat is, de antichrist, de mens tot alle zonden overgegeven. Hieruit, gelijk ook uit het volgende woord de zoon, de ongerechtige, enz., willen sommigen besluiten, dat de antichrist, maar een persoon zou zijn, dien zij zeggen, dat drie en een half jaar zal heersen; dat hij al de Joden de gehele wereld door tot zich zal trekken, den tempel te Jeruzalem wederom opbouwen, en zich daarin als God zal laten eren, en alzo alle koninkrijken der aarde onder zijn gebied brengen, enz. Doch dit zijn verdichtselen, strijdende tegen alle menselijk beleid en macht, om den rechten antichrist te verduisteren, daar de werkingen en eigenschappen, die hem hierna, en doorgaans in de Openbaring van Johannes, worden toegeschreven, aan zulke verklaringen geheel vreemd zijn. Daarom, hoewel de antichrist hier onder den naam van een mens wordt beschreven, zo wordt noodzakelijk daaronder, niet één mens alleen, maar ene langdurige opvolging van mensen verstaan, die de een na den ander enerlei, ambt, macht en heerschappij hebben, gelijk zulk een manier van spreken in zodanige voorzeggingen gebruikelijk is. Zie Jes. 10:5 en Jes. 14:12;
Hertaald:
de mens
Dat is: de antichrist, de mens die aan alle zonden overgegeven is. Hieruit, en ook uit de volgende woorden de zoon, de ongerechtige, enzovoort, willen sommigen besluiten dat de antichrist maar één persoon zou zijn. Van hem zeggen zij dat hij drieënhalf jaar zal heersen, dat hij alle Joden over de hele wereld tot zich zal trekken, de tempel in Jeruzalem weer zal opbouwen, zich daarin als God zal laten eren en zo alle koninkrijken van de aarde onder zijn gezag zal brengen, enzovoort. Maar dat zijn verzinsels, die tegen alle menselijk beleid en macht ingaan en die dienen om de eigenlijke antichrist te verduisteren; want de werkingen en eigenschappen die hem hierna en telkens in de Openbaring van Johannes toegeschreven worden, zijn aan zulke verklaringen geheel vreemd. Daarom moet onder de naam van een mens, waarmee de antichrist hier beschreven wordt, noodzakelijk niet één mens alleen verstaan worden, maar een langdurige opeenvolging van mensen die de een na de ander hetzelfde ambt, dezelfde macht en dezelfde heerschappij hebben. Zulk een manier van spreken is in dergelijke voorzeggingen gebruikelijk. Zie Jes. 10:5 en Jes. 14:12;
de mens
Jer. 48:40; Dan. 7:17; Hebr. 9:25; 1 Joh. 4:3; Openb. 17:10; te meer, dewijl de apostel in vs.7, betuigt dat deze verborgenheid der ongerechtigheid nu reeds in zijn tijd begon te werken.
Hertaald:
de mens
Jer. 48:40; Dan. 7:17; Hebr. 9:25; 1 Joh. 4:3; Openb. 17:10. Dat geldt te meer omdat de apostel in vers 7 betuigt dat deze verborgenheid van de ongerechtigheid in zijn tijd al begon te werken.
de zoon
Dat is, die anderen verderft en zelf ten verderve gaat, en daartoe door Gods rechtvaardig oordeel beschikt is. Zie Joh. 17:12; Openb. 9:11.
Hertaald:
de zoon
Dat is: hij die anderen verderft en zelf naar het verderf gaat, en die daartoe door Gods rechtvaardig oordeel bestemd is. Zie Joh. 17:12; Openb. 9:11.
tegenstelt
Namelijk tegen Christus en Zijne leer, waarom hij ook de antichrist, dat is tegenchrist wordt genoemd, hetwelk verstaan wordt, niet van hetgeen hij met woorden zal voorgeven, maar dat zijn leer en daden zodanig zullen zijn, dat hij daardoor de ware leer van Christus en Zijn kerk zal zoeken te verdrukken, hoewel hij een anderen schijn zal willen hebben. Daarom worden hem twee hoornen toegeschreven, gelijk het lam, maar hij spreekt nochtans als de draak, en doet de werken van het eerste beest; Openb. 13:11, enz.
Hertaald:
tegenstelt
Namelijk tegen Christus en Zijn leer; daarom wordt hij ook de antichrist genoemd, dat is: tegenchristus. Dat moet niet verstaan worden van wat hij met woorden zal beweren, maar zo dat zijn leer en zijn daden zodanig zullen zijn dat hij daarmee de ware leer van Christus en Zijn kerk zal proberen te onderdrukken, terwijl hij toch een andere schijn zal willen ophouden. Daarom worden hem twee horens toegeschreven, zoals het Lam, terwijl hij toch spreekt als de draak en de werken van het eerste beest doet; Openb. 13:11, enzovoort.
verheft
Dat is, neemt meerder gezag aan, dan iets dat God genoemd wordt in den hemel en op de aarde. Zie Ps. 82:6, en Ps. 115:3; 1 Kor. 8:5. Of, verheft tegen al. Anderen lezen, boven al dat God genoemd wordt.
Hertaald:
verheft
Dat is: hij neemt meer gezag aan dan wat ook maar god genoemd wordt in de hemel en op de aarde. Zie Ps. 82:6 en Ps. 115:3; 1 Kor. 8:5. Of: verheft zich tegen alles. Anderen lezen: boven alles wat god genoemd wordt.
in
Of, tegen de tempel Gods. Waardoor de tempel van Jeruzalem niet kan verstaan worden, gelijk enigen voorgeven, overmits deze nu over vijftien honderd jaren verwoest is geweest, en ook verwoest moet blijven, naar de getuigenis des engels, Dan. 9:27, en van Christus Matt. 23:37, Matt. 23:38, en Matt. 24:1, Matt. 24:2. Die ook, zo hij van den antichrist weder gebouwed werd, om daarin geëerd te worden, niet de tempel Gods zou kunnen genoemd worden, maar de tempel van de antichrist, of van den duivel. Maar hierdoor wordt verstaan de gemeente Gods, waar de antichrist zichzelven in of tegen zal zetten, en welke hij met zijne heerschappij zal drukken, gelijk dit woord tempel Gods ook elders in de Schrift wordt gebruikt, 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; 1 Tim. 3:15; 1 Petr. 2:5,enz.; en gelijk het woord zitten ook van de antichrist gebruikt wordt, Openb. 17:15, en Openb. 18:7.
Hertaald:
in
Of: tegen de tempel van God. Daaronder kan niet de tempel van Jeruzalem verstaan worden, zoals sommigen beweren, omdat die nu al meer dan vijftienhonderd jaar verwoest is en ook verwoest moet blijven, naar het getuigenis van de engel, Dan. 9:27, en van Christus, Matth. 23:37, Matth. 23:38 en Matth. 24:1, Matth. 24:2. En als die tempel door de antichrist weer opgebouwd zou worden om daarin geëerd te worden, dan zou hij ook niet de tempel van God genoemd kunnen worden, maar de tempel van de antichrist of van de duivel. Hieronder wordt de gemeente van God verstaan, waarin of waartegen de antichrist zich zal opstellen en die hij met zijn heerschappij zal onderdrukken; zo wordt het woord tempel van God ook elders in de Schrift gebruikt, 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; 1 Tim. 3:15; 1 Petr. 2:5, enzovoort. En zo wordt ook het woord zitten van de antichrist gebruikt, Openb. 17:15 en Openb. 18:7.
als een
Namelijk op aarde, zich zelven Goddelijke macht toeschrijvende.
Hertaald:
als een
Namelijk als een god op de aarde, terwijl hij zichzelf goddelijke macht toeschrijft.
zichzelven
Dat is, zodanige majesteit, macht en heerschappij aannemende en oefenende, alsof hij God ware.
Hertaald:
zichzelven
Dat is: zulk een majesteit, macht en heerschappij aannemend en uitoefenend alsof hij God was.
hem
Namelijk de antichrist.
Hertaald:
hem
Namelijk de antichrist.
wederhoudt
Dat is, zijn openbaring, of openlijke opkomst nog verhindert en ophoudt. Hierdoor wordt door sommigen verstaan de zuivere prediking van het Evangelie, en de oprechtheid der leraars in de gemeente Gods, die zolang zij in Christus' Kerk zijn behouden, zulke geestelijke heerszucht en dwaling hebben wederstaan en tegengehouden. Doch door meest alle oude leraars en van onzen tijd wordt hierdoor verstaan de opperste autoriteit en aanzien der oude keizers in het Romeinse rijk, die door hunnen wereldlijke macht de opkomende geestelijke macht van den antichrist over de Christenheid heeft wederhouden, totdat hun keizerlijke autoriteit door de Saracenen en Mohammedanen in het Oosten, en door verscheidene barbaarse volken in het Westen, zeer is gebroken en onder den voet gebracht; bij welke gelegenheid deze geestelijke overheersende macht in het Christendom is doorgebroken, en heeft hare heerschappij zelfs over keizers, koningen, prinsen en volken openlijk bevestigd, hetwelk omtrent zes honderd jaren na de geboorte van Christus van velen uit de historiën (geschiedenis) van dien tijd bewezen is. Wie
Hertaald:
wederhoudt
Dat is: zijn openbaring of zijn openlijke opkomst nog verhindert en tegenhoudt. Sommigen verstaan daaronder de zuivere prediking van het Evangelie en de oprechtheid van de leraars in de gemeente van God; zolang die in de kerk van Christus bewaard bleven, hebben zij zulke geestelijke heerszucht en dwaling weerstaan en tegengehouden. Maar bijna alle oude leraars en ook die van onze tijd verstaan daaronder het hoogste gezag en aanzien van de oude keizers in het Romeinse rijk. Die hebben met hun wereldlijke macht de opkomende geestelijke macht van de antichrist over de christenheid tegengehouden. Dat duurde totdat hun keizerlijk gezag zeer gebroken en onder de voet gebracht is, door de Saracenen en de mohammedanen in het Oosten en door verschillende barbaarse volken in het Westen. Bij die gelegenheid is deze geestelijke, overheersende macht in het christendom doorgebroken en heeft zij haar heerschappij zelfs over keizers, koningen, vorsten en volken openlijk gevestigd; dat is door velen uit de geschiedschrijving van die tijd bewezen voor de periode rond zeshonderd jaar na de geboorte van Christus. Wie
wederhoudt
nu deze antichrist is, die deze macht in het Christendom vele honderden jaren heeft overheerst, wordt klaarlijk aangewezen Openb. 13:17, Openb. 13:18.
Hertaald:
wederhoudt
nu deze antichrist is, die deze macht in het christendom vele honderden jaren heeft uitgeoefend, wordt duidelijk aangewezen in Openb. 13:17, Openb. 13:18.
weet
Namelijk door de waarschuwing van mij aan u gedaan, hetwelk de apostel daarom hier niet uitdrukt, om, zoals vele ouden menen, de keizers van Rome niet te zeer te vertoornen tegen de Christenen, alzo de Romeinen voorgaven dat hunne heerschappij geen einde zou hebben in de wereld.
Hertaald:
weet
Namelijk door de waarschuwing die ik aan u gedaan heb. De apostel drukt dat hier niet uit om, zoals veel ouden menen, de keizers van Rome niet te sterk tegen de christenen op te zetten, omdat de Romeinen beweerden dat hun heerschappij in de wereld geen einde zou hebben.
te
Namelijk van God verordineerd, en den antichrist toegelaten, gelijk hier voor is verklaard.
Hertaald:
te
Namelijk de tijd die door God verordend is en die aan de antichrist toegelaten wordt, zoals hiervoor verklaard is.
de
Dat is, de heimelijk opkomst dezer ongerechtige antichristische heerschappij wordt allengskens in de Kerk van Christus bevorderd, namelijk door den Satan en enige zijner werktuigen, die door begeerte van heersen [gelijk een Diotrephes daarover bestraft wordt, 3Jo 9-10 ] ; en door invoering van valse en bijgelovige leerlingen en menselijke inzettingen, hier in den Satan, al van de tijden der apostelen af, de hand hebben geboden. Zie 1 Joh. 2:18. Of, de verborgenheid der ongerechtigheid werkt alrede.
Hertaald:
de
Dat is: de heimelijke opkomst van deze ongerechtige antichristische heerschappij wordt geleidelijk in de kerk van Christus bevorderd, namelijk door de satan en enkele van zijn werktuigen. Die hebben de satan al vanaf de tijd van de apostelen de hand geboden door heerszucht — zoals een Diótrefes daarover bestraft wordt, 3 Joh. 1:9-10 — en door het invoeren van valse en bijgelovige leringen en menselijke inzettingen. Zie 1 Joh. 2:18. Of: de verborgenheid van de ongerechtigheid werkt al.
Die hem
Namelijk den antichrist in zijne opkomst wederhoudt, waarvan in het voorgaande vs. is gesproken.
Hertaald:
Die hem
Namelijk hij die de antichrist in zijn opkomst tegenhoudt, waarover in het voorgaande vers gesproken is.
hij
Namelijk die hem wederhoudt.
Hertaald:
hij
Namelijk hij die hem tegenhoudt.
uit
Dat is, alzo gebroken zal worden, en zijn kracht verliezen, dat hij deze opkomende geestelijke heerschappij niet langer zal kunnen wederstaan. Wie deze nu is, is op het voorgaande vs.6 verklaard.
Hertaald:
uit
Dat is: hij zal zo gebroken worden en zijn kracht zo verliezen dat hij deze opkomende geestelijke heerschappij niet langer zal kunnen weerstaan. Wie deze is, is bij het voorgaande vers 6 verklaard.
alsdan
Dat is, nadat hij nu zijne kracht van wederhouden zal verloren hebben.
Hertaald:
alsdan
Dat is: nadat hij dan zijn kracht om tegen te houden verloren zal hebben.
de ongerechtige
Dat is, de antichrist die alzo genoemd wordt, omdat hij zich aan geen wetten zou onderwerpen, maar zichzelf boven alle wetten zou roemen te zijn; gelijk het Griekse woord anomos eigenlijk zonder wet, of wetteloos betekent.
Hertaald:
de ongerechtige
Dat is: de antichrist. Hij wordt zo genoemd omdat hij zich aan geen wetten zou onderwerpen, maar zich erop zou beroemen boven alle wetten te staan; het Griekse woord anomos betekent eigenlijk zonder wet of wetteloos.
geopenbaard
Zie hiervoor de aantekening op vs.3.
Hertaald:
geopenbaard
Zie hiervoor de aantekening bij vers 3.
verdoen
Of, verteren. Het Griekse woord analosei betekent eigenlijk spijs, drank, geld, goed, allengskens ombrengen en teniet maken. Alzo zal dan Christus te Zijner tijd ook den antichrist allengskens verdoen, en zijn aanzien benemen in de Christenheid.
Hertaald:
verdoen
Of: verteren. Het Griekse woord analōsei betekent eigenlijk voedsel, drank, geld en goed geleidelijk opmaken en tenietdoen. Zo zal Christus dan te Zijner tijd ook de antichrist geleidelijk tenietdoen en hem zijn aanzien in de christenheid ontnemen.
door den Geest
Dat is, door de zuivere prediking des heiligen Evangelies, waardoor de Geest des Heeren krachtig is in de harten der mensen. Zie dergelijke Jes. 11:4; Hebr. 4:12; Openb. 1:16.
Hertaald:
door den Geest
Dat is: door de zuivere prediking van het heilige Evangelie, waardoor de Geest van de Heere krachtig werkt in de harten van de mensen. Zie iets dergelijks in Jes. 11:4; Hebr. 4:12; Openb. 1:16.
door de verschijning
Dat is, door Zijn verschijning in Zijn laatste komst. Want alsdan zal het beest en de valse profeet gedood en in den poel des vuurs geworpen worden; Openb. 19:20.
Hertaald:
door de verschijning
Dat is: door Zijn verschijning bij Zijn laatste komst. Want dan zullen het beest en de valse profeet gedood en in de vuurpoel geworpen worden; Openb. 19:20.
wiens
Namelijk antichrist, waarvan hij in het begin van het voorgaande vs.8 had gesproken.
Hertaald:
wiens
Namelijk de antichrist, over wie hij aan het begin van het voorgaande vers 8 gesproken had.
des satans
Dat is, met zodanige werking als de Satan pleegt te gebruiken om de mensen te verleiden, welke werking in de volgende verzen wordt verklaard.
Hertaald:
des satans
Dat is: met zulk een werking als de satan gewoonlijk gebruikt om de mensen te verleiden; die werking wordt in de volgende verzen verklaard.
in
Dat is, kracht van tekenen, of wonderen, die de Satan zal te voorschijn brengen, om de heerschappij en valse leer van den antichrist te bevestigen. Zie Matt. 24:24; Openb. 13:13, enz.
Hertaald:
in
Dat is: kracht van tekenen of wonderen die de satan naar voren zal brengen om de heerschappij en de valse leer van de antichrist te bevestigen. Zie Matth. 24:24; Openb. 13:13, enzovoort.
wonderen
Dat is, die ten dele verzonnen zullen zijn, ten dele van den Satan te weeg gebracht, om zijn dienaars in aanzien, en de arme verblinde mensen in hunnen valse voorgevingen en bijgelovigheden te houden.
Hertaald:
wonderen
Dat is: wonderen die gedeeltelijk verzonnen zullen zijn en gedeeltelijk door de satan tot stand gebracht, om zijn dienaars in aanzien te houden en de arme verblinde mensen bij hun valse beweringen en bijgelovigheden te houden.
alle
Dat is, allerlei. Want de Satam heeft ene bepaalde macht.
Hertaald:
alle
Dat is: allerlei. Want de macht van de satan is begrensd.
verleiding
Dat is, tot ongerechtige en valse leer, gelijk het woord waarheid uitwijst, dat daartegen gesteld wordt, en gelijk hierna vs.12.
Hertaald:
verleiding
Dat is: verleiding tot ongerechtige en valse leer, zoals het woord waarheid aanwijst dat daartegenover gesteld wordt, en zoals hierna in vers 12.
daarvoor
Dat is, in vergelding dat zij, enz., hetwelk het Griekse woord medebrengt. Het is dan ene rechtvaardige straf Gods over de verkeerdheid en ondankbaarheid van zulke mensen, gelijk in het volgende vs. nader uitgedrukt wordt.
Hertaald:
daarvoor
Dat is: als vergelding daarvoor dat zij, enzovoort; dat houdt het Griekse woord in. Het is dus een rechtvaardige straf van God over de verkeerdheid en de ondankbaarheid van zulke mensen, zoals in het volgende vers nader uitgedrukt wordt.
de liefde
Dat is, de waarheid niet lief gehad hebben, en dientengevolgen ook niet geloofd en behouden. Zie dergelijke straf van God over de heidenen, die de natuurlijke kennis Gods niet hebben behouden; Rom. 1:28.
Hertaald:
de liefde
Dat is: de waarheid niet liefgehad hebben en die daarom ook niet geloofd hebben en niet behouden hebben. Zie een dergelijke straf van God over de heidenen, die de natuurlijke kennis van God niet vastgehouden hebben; Rom. 1:28.
God
Dat is, God zal den Satan den toom over hen los laten, om zijn kracht van verleiding tegen hen te gebruiken, en zal Zijne genade, die hen nog wederhield, voortaan inhouden, en hen alzo aan hunne eigen begeerten overgeven waardoor zij krachtiglijk tot dwaling zullen gebracht worden. Zie dergelijke oordelen Gods over de ondankbare mensen, Deut. 28:28; 2 Kron. 18:22; Job 12:17; Jes. 19:14; Rom. 1:24, en Rom. 11:8; 2 Kor. 4:3, 2 Kor. 4:4, enz.
Hertaald:
God
Dat is: God zal de satan de teugel over hen laten om zijn kracht van verleiding tegen hen te gebruiken; en Hij zal Zijn genade, die hen nog tegenhield, voortaan inhouden en hen zo aan hun eigen begeerten overgeven, waardoor zij krachtig tot de dwaling gebracht zullen worden. Zie dergelijke oordelen van God over ondankbare mensen in Deut. 28:28; 2 Kron. 18:22; Job 12:17; Jes. 19:14; Rom. 1:24 en Rom. 11:8; 2 Kor. 4:3, 2 Kor. 4:4, enzovoort.
leugen
Dat is, verzonnen en valse leer.
Hertaald:
leugen
Dat is: verzonnen en valse leer.
veroordeeld
Gr. geoordeeld; dat is, veroordeeld, of verdoemd, gelijk meermalen in andere plaatsen.
Hertaald:
veroordeeld
Grieks: geoordeeld; dat is: veroordeeld of verdoemd, zoals meermalen op andere plaatsen.
de waarheid
Namelijk des Evangelies.
Hertaald:
de waarheid
Namelijk de waarheid van het Evangelie.
ongerechtigheid
Dat is, valse en ongerechtige leer, gelijk vs.10.
Hertaald:
ongerechtigheid
Dat is: valse en ongerechtige leer, zoals in vers 10.
van den beginne
Namelijk der wereld, gelijk Mi. 5:1; 1 Joh. 1:1. Dat is, van eeuwigheid, of voor de grondlegging der wereld, Ef. 1:4; hoewel het enige anderen verstaan van het begin toen hun het Evangelie is verkondigd, wanneer hen God door Zijnen Geest uit den verdorven hoop der mensen heeft verkoren, of uitgezonderd; gelijk het woord verkiezen of uitnemen, ook elders wordt genomen. Zie Joh. 15:16, en 1 Kor. 1:27. Dan, de eerste verklaring schijnt op het volgende vs. wel zo bekwamelijk te passen, dewijl de verkiezing, waar Paulus hier van spreekt, voor de roeping gaat, gelijk ook te zien is Rom. 8:29, Rom. 8:30, en Rom. 9:23, Rom. 9:24; maar de dadelijke uitverkiezing uit den verdorven hoop der mensen, die in den tijd geschiedt, volgt na de roeping, dewijl deze uitzondering door de roeping des Evangelies wordt teweeggebracht.
Hertaald:
van den beginne
Namelijk van het begin van de wereld, zoals in Micha 5:1; 1 Joh. 1:1. Dat is: van eeuwigheid, of vóór de grondlegging van de wereld, Ef. 1:4. Toch verstaan sommige anderen het van het begin waarop het Evangelie hun verkondigd is, toen God hen door Zijn Geest uit de verdorven menigte van de mensen verkoren of afgezonderd heeft; zo wordt het woord verkiezen of uitnemen ook elders gebruikt. Zie Joh. 15:16 en 1 Kor. 1:27. Maar de eerste verklaring lijkt beter te passen bij het volgende vers, omdat de verkiezing waarover Paulus hier spreekt aan de roeping voorafgaat, zoals ook te zien is in Rom. 8:29, Rom. 8:30 en Rom. 9:23, Rom. 9:24. De werkelijke afzondering uit de verdorven menigte van de mensen, die in de tijd gebeurt, volgt echter na de roeping, omdat die afzondering door de roeping van het Evangelie tot stand gebracht wordt.
in heiligmaking
Of door, dat is, welke zaligheid door de heiligmaking des Geestes en het geloof wordt verkregen, en derhalve van uwe eeuwige verkiezing een onfeilbaar merkteken is; Rom. 8:14; 2 Kor. 1:22.
Hertaald:
in heiligmaking
Of: door heiligmaking; dat is: deze zaligheid wordt verkregen door de heiligmaking van de Geest en door het geloof, en die zijn daarom een onfeilbaar kenmerk van uw eeuwige verkiezing; Rom. 8:14; 2 Kor. 1:22.
geloof
Dat is, hetwelk op de waarheid des Evangelies ziet en steunt.
Hertaald:
geloof
Dat is: het geloof dat op de waarheid van het Evangelie ziet en daarop steunt.
tot
Dat is, om de eeuwige heerlijkheid door Christus en met Christus te verkrijgen; Rom. 8:17; Openb. 3:21.
Hertaald:
tot
Dat is: om de eeuwige heerlijkheid door Christus en met Christus te verkrijgen; Rom. 8:17; Openb. 3:21.
de inzettingen
Gr. overleveringen, overgevingen. Zo noemt de apostel de vermaningen en leringen, die zij van hem hadden ontvangen, zowel de leer, als het leven aangaande, niet alleen als hij bij hen tegenwoordig was, maar ook die hij nu in deze zendbrieven heeft voorgesteld. Zie 1 Kor. 11:2; 2 Thess. 3:6.
Hertaald:
de inzettingen
Grieks: overleveringen, overdrachten. Zo noemt de apostel de aansporingen en leringen die zij van hem ontvangen hadden, zowel over de leer als over het leven; niet alleen die hij gaf toen hij bij hen was, maar ook die hij nu in deze brieven voorgesteld heeft. Zie 1 Kor. 11:2; 2 Thess. 3:6.
door ons
Namelijk als ik bij u tegenwoordig was.
Hertaald:
door ons
Namelijk toen ik bij u aanwezig was.
een
Dat is een vaste vertroosting, gegrond op de belofte van het eeuwige leven.
Hertaald:
een
Dat is: een vaste troost, gegrond op de belofte van het eeuwige leven.
goede
Namelijk van onze verlossing en eeuwige zaligheid; 1 Petr. 1:3, 1 Petr. 1:4.
Hertaald:
goede
Namelijk de hoop op onze verlossing en eeuwige zaligheid; 1 Petr. 1:3, 1 Petr. 1:4.
in
Dat is, door Zijne genade.
Hertaald:
in
Dat is: door Zijn genade.
goed
Dat is, geven dat gij u zelven en anderen met godzalige woorden en werken altijd moogt stichten en versterken.
Hertaald:
goed
Dat is: geve dat u uzelf en anderen met godvrezende woorden en werken altijd mag opbouwen en versterken. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Om de Thessalonicenzen gerust te stellen dat de dag van Christus niet reeds aangebroken was, schrijft Paulus: "die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is" (2 Thess. 2:3-4). Deze openbaring wordt nog opgehouden: "wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd" (2 Thess. 2:6), en het vers erna: "Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden" (2 Thess. 2:6-7). Zijn optreden zal "naar de werking des satans" zijn, "in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen" (2 Thess. 2:9), maar zijn einde staat vast: hij is degene "welken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst" (2 Thess. 2:8). Bijbelse betekenis: Paulus laat de identiteit van wat hem wederhoudt met opzet ongenoemd — hij herinnert de Thessalonicenzen slechts aan wat hij hun mondeling al had uitgelegd (2 Thess. 2:5-6, niet apart aangehaald), en de tekst zelf geeft geen namen. Uitleggers hebben door de eeuwen heen verschillend gedacht over de precieze identificatie, zowel van "wat hem wederhoudt" als van de mens der zonde. Het register onthoudt zich hier bewust van een eigen identificatie en beperkt zich tot wat de tekst zelf zegt: een macht van zelfverheffende godslastering, tijdelijk tegengehouden, uiteindelijk door Christus Zelf teniet gedaan bij Zijn verschijning. Het hoofdstuk sluit overigens niet bij dit dreigende beeld, maar bij de troostvolle zekerheid van de verkiezing: "God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid" (2 Thess. 2:13-14). Typologie: Johannes spreekt van "de antichrist" die komen zal, en van "vele antichristen" die er reeds zijn (1 Joh. 2:18; 1 Joh. 4:3). Daniël tekent in het Oude Testament al een vergelijkbare zelfverheffende figuur: "hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God" (Dan. 11:36). En de Openbaring tekent eenzelfde godslasterlijke macht (Op. 13:5). 2 Thess. 2:1,3-4,6-9,13-14; Dan. 11:36; 1 Joh. 2:18; 1 Joh. 4:3; Op. 13:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Thessalonica gaat het gerucht dat de dag van Christus al aangebroken is, en de gemeente is erdoor bewogen. Paulus schrijft eerst uitvoerig dat er nog iets aan vooraf moet gaan. En dan keert hij zich naar hen toe. Tegenover onrust over de eindtijd zet Paulus geen tijdschema maar een vaste grond die vóór de tijd ligt. De omslag is hoorbaar in de aanhef: maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt. En dan de grond: dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid. De kanttekening bespreekt eerlijk waar dat begin ligt. Zij noemt eerst: van het begin van de wereld, dat is van eeuwigheid, of vóór de grondlegging van de wereld, met verwijzing naar Efeze 1. En zij vermeldt dat sommige anderen het verstaan van het begin waarop het Evangelie hun verkondigd is. Bij de heiligmaking en het geloof merkt zij iets op dat de pastorale bedoeling raakt: deze zaligheid wordt verkregen door de heiligmaking van de Geest en door het geloof, en die zijn daarom een onfeilbaar kenmerk van uw eeuwige verkiezing. Daarmee is de verkiezing geen raadsel om over te tobben maar iets waarvan men de sporen kan zien. Het gedeelte loopt uit op een zegenbede waarin de volgorde opvalt: en onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade. De Zoon wordt eerst genoemd, en het werkwoord dat volgt staat in het enkelvoud — beiden samen zijn de bron van die troost. En wat gevraagd wordt is precies wat een verontruste gemeente nodig heeft: dat Hij uw harten vertrooste en u versterke in alle goed woord en werk. Geen nieuwe kennis over de tijden, maar vastheid. In het Nieuwe Testament: Efeze 1:3-6; Romeinen 8:29-30; 1 Petrus 1:2; Johannes 10:27-29
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een eeuwige troost. 2 Thessalonicenzen 2:16 Eeuwige troost” — dat is het allerbeste van alles, want juist het onvergankelijke van deze troost vormt haar kroon en heerlijkheid. Maar… Vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest. (Psalm 51:12) Lees verder 2 Thessalonicenzen 2:13—15 Laten we vandaag aangespoord worden om ons verbond met Christus te vernieuwen. Of laten… En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heef een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, vertrooste uw… Een mens gaat aan het werk om zijn geld te verdienen en nadat men er hard voor heeft gewerkt heeft, krijgt men het loon, het is als een… Ik weet nog goed, dat toen ik nog gebukt ging onder de schuld van de zonde, ik naar een hond keek en wenste dat ik zo iemand was… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Thessalonicenzen 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Van den beginne verkoren tot zaligheid — 2:13-17
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Onze eeuwige troost
Genadige vernieuwing
De Vader, Die ons heeft liefgehad
Eeuwige vertroosting
Vreugde in de liefde van God


2 Thessalonicenzen 2
2 Thessalonicenzen 2:1-2
KruisverwijzingenMarkus 13:27→1 Thessalonicenzen 4:14→Mattheüs 24:31→1 Johannes 4:1→1 Korinthe 1:8→Markus 13:7→Romeinen 12:1→1 Thessalonicenzen 2:19→— En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
In de gemeente van Christus is altijd geleerd dat Christus spoedig komt. Die leer mag nooit worden losgelaten, want Hij komt spoedig, zoals Hij tegen Johannes zei in de Openbaring. Tegelijk heeft deze leer aan sommige aanmatigende mensen de gelegenheid gegeven te profeteren dat Christus op zulk of zulk een tijdstip zal komen. Zij weten er niets van, en hun profetieën zijn de adem niet waard die zij eraan besteden. In zijn eerste brief aan de Thessalonicenzen had Paulus geschreven alsof hij verwachtte dat Christus onmiddellijk zou komen. De mensen schijnen zijn woorden zo letterlijk te hebben opgevat, dat zij in verwachting van Christus’ komst leefden, en misschien zelfs enige angst daarover toonden. Nu stelt hij hun gemoed gerust, door hun te vertellen dat Christus niet zou komen voordat bepaalde gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. De geschiedenis van de wereld was nog niet voltooid, de oogst van de Gemeente was nog niet rijp. Ook de zonde van de mens, en vooral de “mens der zonde,” was nog niet ten volle ontwikkeld.
2 Thessalonicenzen 2:3-4
KruisverwijzingenEfeze 5:6→Daniël 7:25→Johannes 17:12→Mattheüs 24:4→1 Timotheüs 4:1→Ezechiël 28:2→1 Korinthe 8:5→Openbaring 13:11→— Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
Als deze “mens der zonde” niet de paus van Rome is, kunnen wij niet zeggen wie dan de antichrist is. Zou deze beschrijving in een opsporingsbericht staan, en waren wij politieagenten, dan zouden wij niet aarzelen. Wij zouden de paus aanhouden als de man wiens karakter overeenkomt met het signalement in onze hand. Hoe noemt hij zichzelf? “Plaatsbekleder van Christus op aarde.” Wat doet hij anders dan zichzelf laten aanbidden en vereren alsof hij goddelijk was, zich uitgevend voor de bron en het kanaal van alle genade? Ik geloof dat dit voor een groot deel al gebeurd is, en dat de “mens der zonde” geopenbaard is. Deze “zoon des verderfs” heeft al lang, in duisternis en verschrikking, geheerst over talloze mensen. Nog altijd zit hij op de zeven heuvelen van Rome, en heerst hij over menigten van zijn medezondaren. Er is gezegd dat de paus van Rome onfeilbaar is, dat zijn uitleg van de Schrift, wat die ook mag zijn, evenveel geldigheid heeft als de Schrift zelf. Wat hij ook verordent, moet volgens die leer door de gelovigen gehoorzaamd worden. Dit zijn enkele van de aanmatigingen die de “mens der zonde” ook in onze tijd nog heeft. Maar Paulus hield eraan vast dat het niet tegenstrijdig is te verwachten dat de Heere spoedig komt, en toch te weten dat er bepaalde gebeurtenissen moeten plaatsvinden voordat Hij komt. Dat is, denk ik, precies de gemoedsgesteldheid waartoe iemand komt die de Schrift, en vooral de profetische gedeelten ervan, ijverig en onpartijdig leest. De Heere zal komen op een uur dat wij niet verwachten. Toch zijn er duidelijke aanwijzingen van bepaalde dingen die moeten gebeuren voordat Hij komt.
2 Thessalonicenzen 2:5-7
Kruisverwijzingen1 Johannes 2:18→Openbaring 17:5→Openbaring 17:7→1 Johannes 4:3→Lukas 24:6→Handelingen 20:31→2 Thessalonicenzen 3:10→1 Thessalonicenzen 2:11→— Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
Er waren bepaalde redenen waarom die reusachtige ongerechtigheid zich al moest beginnen te ontwikkelen, terwijl het Romeinse rijk nog aan de macht was om haar in toom te houden. Toen dat rijk verdween, kreeg “de verborgenheid der ongerechtigheid” de gelegenheid om de dwingeland van de wereld te worden.
2 Thessalonicenzen 2:7-10
KruisverwijzingenJesaja 11:4→Mattheüs 24:24→Spreuken 1:7→1 Korinthe 1:18→1 Johannes 2:18→Openbaring 19:15→2 Thessalonicenzen 2:3→Openbaring 18:23→— Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
Dit is de laatste zonde van alle: dat goddeloze mensen “de liefde der waarheid” niet aannemen. Waren zij zelf oprecht, dan zouden zij de waarheid liefhebben. Was Gods genade in hen, dan zou Zijn eigen kostbare waarheid door hen boven alles geacht worden. Maar wanneer mensen uiteindelijk de waarheid verwerpen waardoor zij zalig konden worden, bezoekt God hen met verschrikkelijke oordelen.
2 Thessalonicenzen 2:11-14
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:9→1 Thessalonicenzen 1:4→Romeinen 1:32→2 Thessalonicenzen 1:3→Handelingen 13:48→1 Thessalonicenzen 2:12→Romeinen 1:28→Romeinen 2:8→— En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid; Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.
Terwijl God over de ongelovigen “een kracht der dwaling” zendt, is het genadeverbond met de gelovigen juist tegenovergesteld. Overweeg uw ware positie in Gods oog, opdat u opgeheven wordt uit de ashopen van uw klachten. Schud het stof van uw twijfels af, en wind het rouwgewaad van uw vrees los. Doe uw prachtige klederen van heilige blijdschap aan, en zing luid voor Hem, door Wiens genade u waardig gemaakt bent om “broeders, die van den Heere bemind zijt” genoemd te worden.
2 Thessalonicenzen 2:16-17
KruisverwijzingenJohannes 3:16→2 Thessalonicenzen 3:3→1 Thessalonicenzen 3:2→1 Thessalonicenzen 3:13→1 Thessalonicenzen 3:11→1 Petrus 1:3→Efeze 5:25→2 Korinthe 1:3→— En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
Daar ligt de bron van al onze zegeningen. De bron van onze tegenwoordige troost en van ons toekomstig volharden is het feit dat Christus de onze is. Wij moeten nu naar Hem opzien met de aanbiddende ogen van onze eerbiedige overdenking, in Zijn heerlijke Godheid en Zijn volmaakte mensheid. Omdat Hij God is, is Hij almachtig, en die almacht wendt Hij aan voor ons. Omdat Hij God is, is Hij alwetend, en die slapeloze ogen van Hem waken altijd over ons. Omdat Hij God is, is Hij onveranderlijk, en die eeuwige liefde van Hem, die geen schaduw van verandering kent, is op ons gevestigd. Verruim uw gedachten aangaande de Heere. Denk zeer hoog van Hem. Verheerlijk Hem met uw hart en met uw tong. Zo zij het, om Jezus’ wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
C. Het tweede deel bevat een onderrichting en vermaning over het openbaar worden van de mens van de zonde of de Anti-christ, die aan de terugkomst van Christus voorafgaat. Dit deel nu gaat van hetgeen de apostel met zijn medehelper voor de Thessalonicenzen bidt (Hoofdstuk 1: 11 v.) over tot hetgeen hij van hen moet vragen, omdat er aan hun goed gedrag, waarvoor hij God straks heeft moeten danken, toch ook nog weer het een en ander ontbreekt. En dat is het getrouw vasthouden aan de inzettingen, die zij mondeling en schriftelijk van hem hebben vernomen, waarvan zij zich door niets mogen laten aftrekken (vs. 15). Waar men hen probeert over te halen tot iets, dat tegen deze inzettingen is, daar moeten zij dat dadelijk voor bedriegerij houden, al werd het hun ook op de aanlokkelijkste wijze voorgesteld. Nu hadden zij zich op een dwaalspoor laten leiden door een verkondiging, alsof de dag van de Heere, waarop zij hopen, reeds nabij was en daardoor zijn zij nu in grote beroering gekomen. De apostel heeft hun vanaf het begin gezegd, dat de dag van Christus niet zal komen, tenzij dat de mens van de zonde gekomen is en zich in al zijn verleidende macht geopenbaard heeft. Eveneens is hun bekend gemaakt, wat de openbaring van de Anti-christ nog terughoudt en dat bestaat ook nu nog. Al is het dan ook, dat het geheim van de boosheid reeds in beweging is, zal het toch pas later gebeuren dat de boze geopenbaard wordt. Terwijl Paulus er nader over spreekt, welke krachten van de leugen ten tijde van die openbaring werkzaam zullen zijn om hen, die de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen, tot hun straf geheel in de verleidende macht van de satan over te geven, voelt hij zich ook hier uit dankbaarheid aan God, dat Hij de Thessalonicenzen tot zaligheid heeft verkoren, verplicht hen te vermanen, vast te houden aan zijn leer en bidt hij de Heere hen te sterken en te bewaren.
En, om nu over te gaan tot hetgeen ons vooral heeft gedrongen, om ook deze tweede brief aan u te richten, wij bidden u, broeders, door (bij) de toekomst van onze Heere Jezus Christus, die uw gedachten zozeer bezig houdt (1 Thessalonicenzen. 5: 1 v.) en onze toevergadering tot Hem, waarover wij in de vorige brief hebben gehandeld (1 Thessalonicenzen. 4: 13 vv.).
Dat niemand u verleidt op enigerlei wijze. Laat u niet misleiden door hen, die zeggen: “de Heere komt nog in lange tijd niet” (MATTHEUS. 24: 48. 1 Thessalonicenzen. 5: 3. 2 Petrus 3: 4) en evenmin door hen, die het zo-even gezegde beweren, dat evenzeer een valse en gevaarlijke rede is. Want die dag komt niet, tenzij dat eerst de afval van het geloof of van de Christelijke godsdienst (Dan. 8: 23; 11: 30. 1 Tim. 4: 1) gekomen is, met zo’n beslistheid en algemeenheid, dat die de mate van de goddelijke lankmoedigheid (2 Petrus 2: 9) zo geheel uitput, dat Zijn gericht niet langer kan uitblijven en dat geopenbaard is (vgl. vs. 6 en 8) de mens van de zonde, in wie de zonde als het ware belichaamd is en haar hoogste toppunt bereikt, namelijk de zoon van het verderf, die zonder twijfel in de eerste plaats een prooi wordt van het verderf (Joh. 17: 12 Openbaring 17: 11);
Die zich tegenstelt tegen Christus, de anti-Christ is (1 Joh. 2: 18 Dan. 8: 25) en zich in zelfverheffing en op erger manier nog dan eens Antiochus Epifanus deed (Dan. 11: 36 v.), verheft boven al wat God genoemd, of als God geëerd wordt; boven elke godsdienst in de Christelijke maatschappij naar de verschillende belijdenissen en sekten, waarin zij verdeeld is. En die vergoding zal ver gaan, zodat hij in eigen persoon en niet in een door hem gemaakte zuil (Dan. 3: 1 vv.), in de tempel van God (Openbaring 11: 1) als een God (volgens de meest betekenende handschriften moet dit als een god slechts worden beschouwd, als een verklarende bijvoeging) zal zitten, zichzelf vertonend dat hij God is. Dat zal hij ook door allerlei leugenachtige krachten proberen te bewijzen met tekenen en wonderen (vs. 9).
In 1 Thessalonicenzen. 5: 3 had de apostel het bedrog van zorgeloze slaperigheid getekend. Als hij nu schrijft “dat u niemand verleidt op enigerlei wijze”, dan wijst hij op het tegengestelde, waarbij het nauwlettend waken tot ongezonde opgewondenheid geworden is, die dan door de daaropvolgende teleurstelling het geloof met schipbreuk bedreigt. Hoe velen, die zich door fantastische opwekking tot verkoop van have en het verlaten van het vaderland lieten verleiden, verzonken later in doffe wereldgezindheid! Voor deze zowel als voor alle misleiding moeten de Thessalonicenzen zich wachten.
De apostel plaatst de zekerheid vooraan, dat aan de openbaring van Christus twee zaken moesten voorafgaan, de afval en de antichrist. Het is een verwonderenswaardige blik in de toekomstige loop van zaken, die Paulus hier doet. Pas kort geleden heeft hij de grond van Europa betreden en is hij begonnen kleine gemeenten te vergaderen en reeds staat hem de gehele loop van de latere geschiedenis helder voor ogen, de algemene verbreiding en de daarop volgende verloochening van het Christendom. Hij spreekt van een afval, niet slechts van een onverschilligheid, dus van een bewuste en uitdrukkelijke verloochening van het Christelijk geloof, waarmee men ook de Christelijke gemeenschap verlaat. Dit kan geen plaats hebben, zonder dat onder de Christenen zelf een valse leer opstaat en zo’n invloed verkrijgt, dat die de grote menigte tot zich trekt. Dat is dus de toekomst, die ook ons nog wacht en waarvan de beginselen ons reeds omgeven! Men zou zich aan een ijdele hoop overgeven, als men meende dat het Christendom altijd zich meer zou ontwikkelen tot een macht van denken en leven van de mensen, en eindelijk de vereniging van dit tweeërlei gebied, het Christelijke en natuurlijke leven teweeg zou brengen. Het Christendom moge nog zo zeer tot wereldgodsdienst worden en ook de meest verwijderde barbaren binnen de grenzen van de kerk vergaderen, de toekomst, die wij tegemoet gaan, is toch de gehele inwendige vervreemding van de massa’s van het Christelijk geloof en tenslotte hun openlijke afval. Geen eenheid, maar verdeling van het godsdienstig en van het natuurlijk bewustzijn, niet de samenvoeging, maar de scheiding van de kerk en van de burgerlijke maatschappij is het uitgangspunt van de geschiedenis. Het antichristelijk bewustzijn heeft nu echter een persoon nodig, die het in zich heeft, in wie het verschijnt en zich persoonlijk openbaart. In deze zin verbindt de apostel met de afval de mens van de zonde, zodat wij hem moeten houden voor het toppunt van die afval. Hij spreekt van één persoon, want alle namen, die hij kiest, stellen het buiten twijfel, dat hij daarmee niet slechts een richting van de geest of iets dergelijks wil te kennen geven. Hij noemt hem de mens van de zonde, de zoon van het verderf, de vijand en die zich verheft boven al wat God en godsdienst heet, die zich in de tempel plaatst en zich als God laat vereren, de ongerechtige, die te zijner tijd openbaar zal worden (vs. 8). Het is onmogelijk om anders te zeggen, dan dat hij van een bepaalde persoon spreekt: Hij spreekt van een mens van de toekomst. Deze mens van de toekomst nu vormt het tegengestelde van Christus. Zo noemt dan Paulus zijn verschijning met dezelfde woorden, die de Schrift voor de terugkomst van Christus gebruikt. Een openbaring of ontsluiering, die nu nog door een terughoudende macht wordt vertraagd een toekomst of paroesie, zoals Christus’ terugkomst een paroesie is, noemt hij zijn optreden. Dit klinkt zeker, alsof deze vijand van Christus reeds aanwezig was, maar niet op de aarde, maar in de diepte, zoals Christus in de hemel is en moet verschijnen. Wat de namen aangaat, die Paulus voor deze mens kiest, leert deze ons zijn wezen geheel kennen. Hij heet “de mens van de zonde”, daarom hij, in wie de zonde tot haar volle openbaring komt; zoals Jezus de mens van de gehoorzaamheid was, zo zal de mens van de zonde met die zonde geheel één zijn. De zonde bestaat niet alleen in de bijzondere zondige individuen; zij is een objectieve macht, een macht van de geschiedenis van de mensheid.
Daarmee heeft zij zelf ook een geschiedenis en vormt zij zich dragers van haar zelf. De voortgang van de geschiedenis zal dan ook een voortgang van de zonde zijn en elke volgende drager van de zonde zal in de kunst en energie van het zondigen een stap verder dan de vorige doen, tot in een laatste deze geschiedenis van opklimming haar toppunt bereikt. De zonde zal eens haar mens vinden, in wie zij, nadat zij als het ware lang naar hem gezocht heeft, haar gehele wezen tot werkelijkheid en openbaring kan brengen. Daardoor is deze dan ook het volkomen orgaan van de Satan en deelt nu in diens lot. Daarom noemt de apostel hem ook “zoon van het verderf. ” Zo had de Heere Jezus Judas genoemd, die zich ook tot een orgaan van de Satan had gesteld. In nog sterkere mate zal zowel van die mens van de toekomst waar zijn; hij zal de ware zoon van het verderf zijn, d. i. hij is een prooi van het eeuwig verderf geworden, juist omdat hij de mens van de zonde is. Evenals deze beide namen bij elkaar horen, zo ook de beide volgende: “die zich tegenstelt en verheft boven al wat God of godsdienst genoemd wordt. ” De apostel noemt hem, als die zich verheft, namelijk tegen Christus; want hij wordt in zijn tegenstand tegen Christus voorgesteld, waardoor het zegerijke weerstaan van Christus tegenover hem wordt teweeggebracht. Door de gehele geschiedenis gaat de satanische bestrijding van het genadewerk van God heen; door de strijd van deze beide machten wordt de geschiedenis gevormd. Met de voortgang van de openbaring van de zaligheid komt ook overeen de voortgang van de satanische tegenwerking. Toen de openbaring van de zaligheid zich concentreerde in Jezus Christus, toen werd de geschiedenis tot een strijd van de satan met Christus. De zege, die Christus behaalt, moet geschiedkundig in de gemeente worden verkregen; die ten gevolge is de strijd van satan tegen de gemeente van Jezus de ziel van de geschiedenis. Deze strijd moet haar toppunt bereiken in een bepaalde vijand van de gemeente, deze zal dan de tegenstander in volstrekte zin zijn; daarin ligt reeds opgesloten, in welke verhouding de gemeente tot hem moet staan; alle macht van de tegenstand van satan tegen het werk van God zal in zijn macht staan. Hij zal zichzelf stellen in de plaats van Christus, wiens erkenning hij bestrijdt en zichzelf laten eren. In hem zal de wereld haar God en Heiland zien en buiten hem niets hebben, waaraan zij goddelijke verering geeft. Antiochus Epifanes probeerde eens de Heere te onttronen, maakte diens tempel tot een tempel van Zeus en noodzaakte de Joden aan deze eer te bewijzen (vgl. bij Dan. 8: 27), maar de toekomstige vijand van God zal nog verder gaan. Hij zal niet alleen de God van het Nieuw Testamentische volk van God proberen te onttronen en daarvoor een heidense god ter verering oprichten, maar hij zal zichzelf in Zijn plaats stellen en voor zich goddelijke eer eisen. Dit was de apostel aan de hand gedaan door zijn tijd. Naast de vroegere goden lieten de Romeinse keizers zich op goddelijke wijze vereren, daarin zag Paulus een voortgaan in de geschiedenis van de goddeloosheid. Die verering toch van de Romeinse keizers was niet iets toevalligs, maar had haar grond in het wezen en in de geschiedenis van de macht van de wereld zelf. Dezelfde goddeloze gezindheid, die in haar denken het natuurlijke leven van de wereld afsluit en beschouwt als een harmonisch overeenstemmend en op zichzelf voldoende geheel, is het ook, die van de beginne de wereld probeerde tot zich te trekken en zich af te sluiten. Het is dezelfde geest, die die filosofie, als die, die deze politiek voortbrengt. Door de gehele geschiedenis gaat dit streven van politieke vereniging van het uitwendige bestaan van de wereld. Dat is het streven van de macht van de wereld en de grond van de vormen van de wereldrijken, zoals die in steeds nieuwe pogingen en vormen op elkaar volgen en eindigen zullen met een laatsten, in wie het de wereldgeest zal lukken de gehele wereld binnen de grenzen van dat ene rijk op te nemen. In dit streven is met inwendige noodzakelijkheid het tweede gegeven, om zichzelf te houden voor hetgeen voldoende is. Voor dat stoutste werk van menselijke kracht moeten de mensen zich buigen en daarin hun alles zien. Ieder wereldrijk heeft het streven naar apotheose. Met die bedoeling richtte Nebukadnezar dat beeld tot algemene aanbidding op, dat een symbool moest zijn van de eenheid van zijn rijk. In die zin was het, dat Alexander zich verklaren liet voor een zoon van Zeus en Napoleon I erover klaagde, dat iets dergelijks niet meer mogelijk was. Uit datzelfde streven vloeide het voort, dat de Romeinse keizers goddelijke verering eisten, niet zozeer voor hun persoon, als in zoverre hun persoon symbool was van de eenheid van het rijk; het was een noodzakelijke consequentie van het wereldrijk. En zo zal het dan ook een noodzakelijk stuk van de cultus zijn, die de laatste drager van de wereldmacht voor deze en zijn wereldrijk eist, dat hij zichzelf tot de god van de aarde zal maken. Hij zal zich in de tempel van God neerzetten en zichzelf vertonen dat hij God is, openlijke verering eisend. Niet genoeg dat hij zijn beeld opricht, hij zal zijn persoon openlijk voorstellen als voorwerp van godsdienstige verering en wel in de tempel van God, want, evenals Antiochus de tempel van de Heere tot een afgodentempel maakte, zo zal deze andere Antiochus hem tot een plaats van zijn eigen aanbidding maken. Dit feit zelf heeft niets zo ongelofelijks, als wij ons bijvoorbeeld herinneren, hoe men in de Franse revolutie de godinnen van de rede op de heilige plaatsen in de waanzinnigheid van de goddeloosheid vereerde, of hoe de eerste Napoleon zich op godslasterlijke manier liet vereren. Na zulke voorvallen moet men ergere dingen, ja zelfs het ergste niet voor ongelofelijk houden.
Dat deze mens van de zonde zich in de tempel van God als een God zal neerzetten, kan op de toen nog bestaande tempel van Jeruzalem reeds daarom niet worden toegepast, omdat het een gemeente van heidenen was, waaraan Paulus schreef en deze dus in geen betrekking stond tot Jeruzalems tempel. Veeleer is deze tempel de geestelijke tempel van de Heere, Zijn gemeente (1 Kor. 3: 16. 2 Kor. 6: 16 Uit het midden van de Christenheid (vgl. Openb. 12: 17) zal zo eens een mens optreden, die alle krachten van de boosheid, tot hiertoe werkzaam, in zich verenigen en zichzelf verheffen zal boven al wat God en godsdienst heet en binnen de grenzen van de Christenheid zich zal laten vereren in Gods plaats. In de latere dagen van de middeleeuwen en ten tijde van de hervorming werd deze plaats vaak op de paus te Rome toegepast. De toen zo algemene afval van de Christenheid van het waarachtig geloof, het wegroven van de Heilige Schrift, de willekeur, waarmee vele pausen hun bevelen in de plaats van Gods geboden stelden; ja, de naam “God op aarde”, die de paus althans te Rome vaak gegeven werd, verenigd met de valse godsdienst begunstigende, verdichte of door de satan gewerkte wonderen, gaven aan deze verklaring grote schijn van waarheid. Zelfs is zij in zoverre zeer juist, als het pausdom in zijn verbastering, tegen het einde van de middeleeuwen, de vreselijkste openbaring van een anti Christelijke macht binnen de Christelijke kerk is geweest, die zich ooit op aarde heeft vertoond. Kunnen wij nu naar de beschrijving van de apostel in deze ene voorbereiding een profetische heenwijzing op de mens van de zonde wel vinden, zo worden wij toch verhinderd om de vervulling van deze plaats in de paus te zoeken. Immers de paus heeft zich nooit verheven boven alles wat God en godsdienst heet, hij heeft nog altijd zijn macht afgeleid van Christus; ook in de Roomse kerk is, hoe ook vervalst, de grondslag van de Christelijke leer behouden, de belijdenis van de Drieëenige God en van de Godmens Jezus Christus; en eindelijk is het niet een ambt, of een reeks van personen, die het bekleden, maar een enkel bepaald mens als anti-Christ, die door de apostel wordt aangewezen. In onze tijd zijn er krachten van de leugens van een tegenovergestelde kant ontwaakt, die met veel meer kracht en bepaaldheid op de reeds naderende vervulling van deze apostolische profetie wijzen, de vergoding van het mensengeslacht zelf, de huiveringwekkende leer van de herstelling van het vlees, waarnaar de Christelijke leer van de menswording van God zo wordt omgekeerd, als betekende zij, dat de verdorven, zondige mensheid in haar tegenwoordige staat de eigenlijke openbaring van God zelf is. Voeg daarbij de algemene oplossing van alle kerkelijke en maatschappelijke banden en het verdwijnen van allen eerbied voor alle betrekking en waardigheid, waarin Gods heilige majesteit ons in Zijn vertegenwoordigers op aarde tegemoet komt. Voorts de aanvallen tegen de grondslagen van het Christelijke geloof, die nog nooit op zo’n manier en op zo’n schaal zijn voorgekomen; aanvallen, die ondanks hun dwaasheid de grootste toejuiching vinden bij hen, die de god van deze wereld verblind heeft. Dit alles zijn voortekenen van de verschijning van de anti-Christ, zoals zij niet bestonden in de machtige dagen van het pausdom. Nu is het slechts nodig, dat deze krachten van de boosheid zich verzamelen en verenigen; dat een hoog begaafd man die macht tot zich trekt, die de tijdgeest zo bereid is hem te laten; dat hij de verdwaasde wereld doe geloven, dat in hem de geest geheel en al vlees geworden is – zoals zelfs deze woorden met godslasterlijke voorspelling reeds door mannen van gewicht en van anti-Christelijke zin in onze dagen uitgesproken zijn – en de toestand is daar, waarvan de apostel hier spreekt. Alles dus wat hij hier profeteert, is een krachtige, treffende vermaning tot waakzaamheid, bepaald ook voor onze tijd.
Lezen wij in de eerste brief van Johannes, dat de anti-Christ komt, en dat er reeds vele anti-Christen verschenen waren en dat deze het goddelijk bestaan, de menswording van Christus, alsmede de waarheden, daarmee in verband staande, loochenden, waarom Johannes daartegen waarschuwen moest (1 Joh. 2: 18, 22 en 4: 3 en 2 Joh. 1: 7 dan kunnen wij aan niets anders dan het ongeloof denken, dat Christus uit het Evangelie wegredeneert, de eigenlijke kracht van zijn bestaan, leven en werking loochent en dus het Christendom met een algehele vernietiging bedreigt. Zo waren de voorlopers van de Gnostieken in de dagen van de apostelen, dat was het ongeloof, dat altijd de gemeente van Christus en elk van haar belijders de val bereidt en waarvan het zaad door al de volgende eeuwen onder allerlei gedaante als een verderfelijke kanker is gestrooid. Laat de kerkelijke geschiedenis van ruim achttien eeuwen getuigen, of niet al de ketterijen uit ongeloof aan Gods Woord zijn voortgesproten en meestal de persoon van de Verlosser in Zijn goddelijke waarheid, in de kracht van Zijn lijden en sterven en in Zijn werking door de Heilige Geest betroffen. Zelfs de trapsgewijze ontwikkeling van het bijgeloof en de heerschappij, die daaruit ontsproten is, is voor het grootste gedeelte en van nabij beschouwd, niet anders dan ongeloof, dat zich nu onder deze, dan weer onder een andere gedaante, op de ene tijd wat grover en op de anderen wat meer bedekt en verfijnd voordoet, maar zich altijd tegen Christus en Zijn leer verzet, al is het ook onder een Christelijk voorkomen en met schijnbare hulde aan Zijn persoon. Als nu dit zeker is en van de dagen van de apostelen af zich zo openbaarde, dan kunnen wij met en na Johannes zeggen, dat er reeds vele anti-Christen zijn geweest en dat zij zich vertoond hebben in elke sekte en in iedere persoon, van welke stand en rang ook, die zich in een mindere of meerdere mate tot verleiding van anderen, al was het ook onder een Christelijke naam en bij een gewaande ingenomenheid met de persoon van de Verlosser tegen Christus heeft verzet, dan is het ook ontwijfelbaar zeker, dat wij in onze dagen bij de verheffing van de menselijke rede en al de uitvloeisels daarvan al meer en meer die grote en algemene afval, waarvan apostel Paulus spreekt, naderbij komen en daartegen op onze hoede behoren te zijn; maar dan zal ook deze afval ten gevolge hebben, dat er ten slotte een persoon zal verschijnen, die vanwege zijn boosheid de mens van de zonde genoemd kan worden en vanwege al de rampzaligheden, die door hem veroorzaakt zullen worden ook een zoon van het verderf heten kan, terwijl zijn gehele stelsel en de werking daarvan met de naam van verborgenheid van de ongerechtigheid bestempeld kan worden; deze zal zich door de toenemende vergoding van de rede en de verwerping van de goddelijke waarheid, als een godheid aanstellen, ja boven al wat God genoemd wordt, verheffen en in de tempel van God, in de kerk van Christus Jezus, zal hij de hoogste eer ontvangen.
Gedenkt u niet, dat ik nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb, zoals ik die hier (vs. 3 v.) weer heb uitgesproken (vgl. 1 Thess. 3: 4)?
De apostel herinnert de Thessalonicensen, met vriendelijkheid hen berispend, aan de leer, die hij hun mondeling heeft meegedeeld; zozeer ging hij gedurende de tijd van zijn werkzaamheid aldaar in de bijzonderheden van de eschatologie. Dit leerstuk was dan ook voor de apostel belangrijker dan voor onze modernen (vgl. Hand. 17: 31).
Het heeft voor ons iets in het oog vallends, dat Paulus deze jeugdige Christenen zo sterk over schijnbaar zo ver verwijderde en onnodige themata, als anti-Christ en bovendien in aansluiting aan een boek als dat van de profeet Daniël, waartegen men zovele bedenkingen oppert, onderricht gaf. Was dat in overeenstemming met de pastorale wijsheid van de apostel, dan zal het ook voor ons niet strijden met de ware wijsheid in de leiding van de zielen, over zulke zaken te spreken en te leren. Zeker mag het niet de hoofdzaak in het onderricht worden, of in de plaats van de heilrijke leer van de rechtvaardiging komen; helemaal niet! Maar ook deze moet men niet uitsluitend voorhouden, alsof er anders geen was; is deze ook het hart in het lichaam van de Christelijke leer, zij is toch niet het lichaam zelf. Dit heeft vele leden, waarvan elk de daaraan toekomende plaats inneemt en de nodige diensten doet. Zo zijn dan ook deze leerstukken, van de anti-Christ en dergelijke, noodzakelijke delen van het geheel van de Christelijke waarheid en zij moeten ons dezelfde diensten bewijzen als de Christenen van Thessalonika, om ons voor te bereiden op de gevaren en moeilijkheden, die voor de deur staan, om ons te waarschuwen voor de verzoekingen van deze tijd, waarin zij worden voorbereid en ons te sterken door het uitzicht op de laatste overwinning van Christus over Zijn tegenstanders. In de leer van de anti-Christ, als het einde van de wereldmacht, lag echter voor de Christenen een gevaar, om zich bij het openbare leven en ten opzichte van de machthebbenden in het maatschappelijke en staatkundige en wellicht ook in uitwendig gedrag minder gepast te gedragen, als niet daarnaast de andere leer vaststond, dat in de staatkundige regeling de wil van God wordt volbracht en een zegenrijke macht werkt. Daarover gaat de apostel in het eerstvolgende spreken, als hij van de vertragende macht spreekt, die de openbaring van de anti-Christ nu nog in de weg staat.
U had u dus zeer goed kunnen bewaren voor alle opwinding door valse verontrusting (vs. 2 v.). En nu wat hem wederhoudt, wat vertraging aanbrengt in hetgeen u straks is meegedeeld, weet u uit mijn mondeling onderricht, namelijk opdat hij, de mens van de zonde geopenbaard wordtte zijnen eigen tijd, die voor hem in de raad van God bepaald is (Luk. 22: 53). Is er ook vertraging, hij zal niet altijd in die verborgenheid blijven, maar zeker eens openbaar worden als de volheid van zijn tijd gekomen is.
Reeds is een voorbode van zijn verschijning aanwezig, want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt al gewrocht; de zonde, wier toppunt de afval (vs. 3) is, werkt nu in het verborgen in het anti-Christendom van deze tijd (1 Joh. 4: 3); alleen, die hem nu wederhoudt, zodat hij nog niet tot gehele ontwikkeling in de persoonlijke anti-Christ kan komen, die zal hem wederhouden tot de juiste tijd en wel tot dat hij uit het midden weggedaan zal worden Da 11: 2.
“Gedenkt u niet”, die vraag wil zeggen: “heeft u geheel vergeten, dat ik u dit voorhoud, zodat u gehoor heeft kunnen geven aan zulke bedrieglijke woorden, alsof de dag van de Heere reeds aanwezig zou zijn (vs. 2)? Ook veronderstelt Paulus dat zij wisten wat het openbaar worden van de Anti-Christ (een naam, die alleen in de brieven van Johannes voorkomt (1 Joh. 2: 18, 22; 4: 3; 2 Joh. 1: 7 in die tijd nog terughield. Hij schrijft aan dit openbaar worden een bepaalde tijd toe, omdat dit volgens Gods beschikking zou en moest plaats hebben en ook hierin wordt een analogie met de verschijning van Christus uitgesproken (Joh. 7: 6, 30). Opdat dan de anti-Christ zich pas op de hem aangewezen tijd en niet vroeger, zou kunnen openbaren, dient volgens Gods bedoeling het ophouden. De macht, die hem produceert, is namelijk reeds aanhoudend werkzaam. Maar deze, die hem terughoudt, laat hem niet openbaar worden; zodra die verwijderd zal zijn, zal ook de anti-Christ zich openbaren. Het ligt voor de hand, dat wat zijn openbaring nu nog terughoudt een weldadige kracht moet zijn, die eerst overweldigd wordt door de macht van het kwade op de tijd, als God het eindelijk zal toelaten. Daaronder moet de gehele wettelijk geordende politieke toestand worden verstaan, waarmeen aan de ene kant het voortdurend terugdringen van alle afval en van alle wetteloosheid, aan de andere kant de voortgaande stille ontwikkeling van het Christendom is gegeven. Van deze toestand is het Romeinse rijk als het meest vaste en geregelde staatsorganisme, dat de geschiedenis kent, het natuurlijk voorbeeld.
In één stuk heeft het Romeinse rijk een goddelijke roeping en ene blijvende betekenis gehad, namelijk in de vorming van het recht en van gevoel voor recht. Daarin is de Romeinse geest boven alles groot en deze is de erfenis, die de volgende tijden van hem hebben verkregen. Ook Paulus heeft de bescherming van het Romeinse recht ondervonden; de Romeinse overheden beschutten hem tegen de woede van de Joden. En stelde niet alleen het volk, maar ook de overheid van het Romeinse rijk zich hoe langer hoe meer vijandig tegenover het Christendom, toch hebben ook de Christenen de zegen van die bescherming van de wet ondervonden. Daarom beveelt ook de apostel aan de overheid, als de door God gestelde bewaarster van het recht onderdanig te zijn (Rom. 13: 1 vv.) en voor haar te bidden, opdat door haar de gemeente rust en veiligheid van bestaan zou genieten (1 Tim. 2: 2). Petrus laat niet na de Christenen van Klein-Azië eveneens te vermanen en te leren (1 Petr. 2: 13 vv.), evenals Paulus de Romeinse. Volgens het tegenwoordige bewustzijn van de Christenen is echter nauwelijks iets anders vaster dan dit, dat de zedelijke wets-regeling een goddelijke dam is, die de stromen van een treurige diepte nu nog tegenhoudt. Inderdaad heeft de geschiedenis van Frankrijk in de jaren 1789 vv. voldoende getoond, dat de opstand tegen de bestaande politieke orde een voorname hefboom is van de anti-Christelijke macht om de mens van de zonde te verheffen, zoals ook in Matth. 24: 7 de oproeren uitdrukkelijk worden genoemd onder de momenten, die de laatste tijd voorbereiden. Daarmee komt overeen de benaming van de anti-Christ in vs. 8 als de “ongerechtige”, d. i. als van een mens die niet alleen het zuiver menselijke recht, maar ook de goddelijke orde van het zedelijke leven niet acht. Het is zeker, dat in het natuurlijke leven van de volken goede machten gebied vieren en de boze machten van de afgrond, die dreigen uit te barsten, tegenhouden Da 11: 2; zolang die bestaan en werkzaam zijn, heeft ook de gemeente van Jezus en haar woord plaats, om zich te bewegen en te leven op de aarde, hoewel haar misschien enige grenzen gesteld zijn; zijn die echter terzijde gesteld, dan zal snel voor de gemeente geen plaats meer hier beneden zijn.
Wat hiermee is gezegd, is voldoende ter verklaring van hetgeen wij moeten verstaan onder het “wat hem wederhoudt” in vs. 6; maar hoe is het met het “die hem nu wederhoudt” in vs. 7 ? hoe kon die macht in een enkel mannelijk subject worden samengevat? Als nu Paulus zich beroept op zijn mondeling onderricht en deze, wat de anti-Christ aangaat, onweersprekelijk op Daniël bouwde, zo is te verwachten, dat wij het best bij diezelfde bron ook over die, die ophoudt, verklaring vinden en zo is het ook inderdaad. In Dan. 10: 4 vv. is van een man in linnen met een gouden gordel om zijn lenden sprake, die aan de profeet openbaart, hoe hij de vorst van het koninkrijk in Perzië, die hem heeft weerstaan, met behulp van de vorst Michaël overwonnen heeft en zo de overwinning heeft verkregen bij de koningen van Perzië en daarop ook handelt over zijn verhouding tot de vorst uit Griekenland. Deze is dan degene, die ophoudt, die sterkt, wat nog aanwezig is als ophoudende, waarop hij echter het veld moet ruimen, zodat nu de boze geopenbaard wordt.
De apostel stelt het niet zo voor, dat met de openbaring van die mens van de zonde de tijd, die aan hem die ophoudt gegeven is, een einde neemt, maar omgekeerd doelt het handelen van de laatste daarop, dat de eerste in die tijd verschijnt, die dan de zijne is. Zijn weggedaan worden is echter, van zijn kant of in persoonlijk opzicht, een wegtrekken (Dan. 10: 20), het opgeven van zijn tegenstand tegen de boze machten bij de volkeren werkzaam, die hen nu zeker in zakelijk opzicht uit de weg kunnen ruimen.
En dan, wanneer zo’n wegdoen geeft hlaats gehad en er dus niets meer is, wat hem weerhoudt, zal de ongerechtige, of de roekeloze, die mens van de zonde (vs. 31, geopenbaard worden a), die de Heere Jezus volgens het voorspelde in Jes. 11: 4 verdoen zal door de Geest, de adem van Zijn mond (Ps. 33: 6). Geen krachtiger middel zal er nodig zijn om die zoon van het verderf te vernietigen (vs. 3) en de Heere zal hem teniet maken door de verschijning van Zijn toekomst. Die verschijning alleen zal reeds daartoe voldoende zijn (Openb. 19: 11 vv.).
Job 4: 9
Hem, zeg ik, zal de Heere verdoen, wiens toekomst aan die van de Heere voorafgaat (vs. 3) en die is a) naar of door de werking van de satan (Tit. 3: 5. 1 Petr. 1: 3 1Pe Kol. 1: 29 Hand. 3: 17) b) in alle kracht en tekenen en wonderen van de leugen. Van deze zal zijn toekomst vergezeld gaan (Openb. 13: 2, 12 v.), in tegenstelling tot de ware tekenen en wonderen en menigerlei krachten, waarmee God in het begin van de Evangelieprediking getuigenis heeft gegeven (Hebr. 2: 4 Hand. 2: 22).
Joh. 8: 41. 2 Kor. 4: 4 b) Deut. 13: 1 Openb. 13: 13
En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan (1 Kor. 1: 18. 2 Kor. 2: 15; 4: 3) daarvoor tot rechtvaardige vergelding, dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, welk aannemen het tegengestelde ten gevolge zou hebben gehad, namelijk om zalig te worden, zoals dat met de uitverkorenen het geval is.
Bij vs. 8 komt de volgende vraag voor de geest: waarom wordt van hem, die openbaar zal worden als die hem ophoudt zal zijn weggedaan, die “de ongerechtige” genoemd wordt in onderscheiding van de overige ongerechtigen, evenals boven “de mens van de zonde” in onderscheiding van de andere zondige mensen, nu reeds voor de derde maal (vgl. vs. 3 en 6) gezegd, dat hij geopenbaard zal worden? Het is niet voldoende, dat men aanmerkt, dat de apostel daarom die aanwijzing doet en later eveneens de uitdrukking “toekomst” (vs. 9), omdat hij de antichrist in parallel met Christus denkt, terwijl toch uit de tegenoverstellende vergelijking van zijn persoon met de persoon van Christus het gebruik van een aanwijzing van zijn komst, die alleen geschikt was om het tevoorschijn treden van Christus uit Zijn verborgenheid in God (Kol. 3: 3) te kennen te geven, niet begrijpelijk noch te rechtvaardigen zou zijn. Evenmin kan de uitdrukking daaruit worden verklaard, dat het te voorschijn treden van de boze één zou zijn met het openbaar worden van de nu nog als verborgenheid voorgestelde ongerechtigheid, terwijl dan het openbaar worden van het ongerechtige toch altijd slechts een openbaring van de boosheid en niet een openbaring van zijn persoon genoemd kon worden. Men is er ook niet door geholpen, dat men zegt, de antichrist is de Antiochus Epifanes van de profetie en daarom wordt van hem gezegd, dat hij geopenbaard zal worden; maar daaruit, dat de boze geprofeteerd of dat de Paulinische aankondiging van hem een wederopname van de profetie van Daniël over Antiochus Epifanes is, begrijpt men nog niet, waarom de openbaring van een mens van de toekomst, als tegenbeeld van deze vorst uit het verleden een openbaring van de voorspelde moet worden genoemd. Veel beter was het de uitdrukking, naar welker betekenis wordt gevraagd, daaruit te verklaren, dat de apostel de vijand van alle zedelijke orde, die te wachten is, zich reeds denkt als reeds aanwezig in een mens van deze tijd, maar die nog niet openbaar geworden is. Hij heeft intussen in vs. 7 alleen de verborgenheid van de boosheid als reeds werkzaam voorgesteld, men zou dus die verklaring zo moeten wenden, dat men zei, de apostel gebruikt de uitdrukking, waarover wij spreken daarom, omdat hij zich het ogenblik denkt, dat de mens van de zonde dan aanwezig, openbaar wordt als degene, die hij is en aan het daglicht komt (vgl. Rom. 8: 19 “de openbaring van de kinderen van God. Maar wat driemaal zijn openbaring wordt genoemd, heet dadelijk daarop zijn toekomst en even zeker als het laatste in geen andere zin bedoeld is, dan waarin het onmiddellijk vooraf gebruikt was van de komst van Christus, zo geldt hetzelfde van Hoofdstuk 1: 7 ook van “openbaring”, zodat dus zijn openbaring een verschijnen in de wereld en weer zijn verschijnen in de wereld een openbaring en niet het ene van het andere zo onderscheiden is, dat het ene (toekomst) zijn komen in de wereld zou betekenen, het andere daarentegen (openbaring) zijn zelfontdekking zou betekenen, dat pas gedurende de tijd van zijn bestaan zou tot stand komen. Integendeel, evenals Christus uit het bovenwereldse van Zijn tegenwoordig leven bij God in de wereld intreedt, zo ook moet de apostel zich het intreden van de ongerechtige in de wereld denken; men moge dit nu begrijpelijk vinden of niet. Mij komt het niet alleen niet begrijpelijk voor, maar ook gans niet goed en zij, die zich houden, alsof ik het alleen uit liefhebberij beweerde, mogen verzekerd zijn, dat ik hun zeer dankbaar zou zijn, als zij het mij mogelijk maakten met een goed geweten daarvan vrij te komen. Hoe meer in het oog lopend nu de voorstelling is van de verschijning van de ongerechtige, zoals die in de uitdrukkingen “openbaar worden” en “toekomst” gegeven is, des te waarschijnlijker hebben ook zij de lezers slechts voor de gedachte geroepen wat zij de apostel over hem hadden horen zeggen. Zo blijkt inderdaad ook uit de profetie van Daniël, waaraan zich Paulus’ mondeling onderricht had aangesloten, dat, nadat de tegenstander van het Oud Testamentische volk van God is weggestoten, zonder dat dat einde was gekomen, wWaarvan de voorspelling zich aan zijn persoon vastknoopte, de tegenstander van het Nieuw Testamentische volk van God een zal zijn, die uit de toestand van de dood is voortgekomen en omdat hij vóór zijn verschijnen in de toekomst reeds een aanwezige is, in de wereld geopenbaard zal worden, opdat het einde komt, dat in de openbaring van de Heere bestaat. In vs. 9 zegt dan ook de apostel over de toekomst van de antichrist twee zaken. Ten eerste is zijn verschijning zelf zo een, die door Satans werking wordt teweeg gebracht en ten tweede is het nu ook een, die door wonderen wordt begeleid. Of het eerste boven de werkzaamheid van de satan is, als de openbaring en toekomst van de mens van de zonde bestaat in het weer verschijnen van een, die zich in de toestand van de dood bevindt, hebben wij hier niet te onderzoeken. Wij kunnen ons daarmee vergenoegen, dat wij hen, die verzekeren dat God alleen kan levend maken wat dood is, op Openb. 13: 15 wijzen. Wat nu de wonderen aangaat, die zijn openbaar worden tengevolge heeft, zo noemt Paulus deze krachten en tekenen en wonderen niet daarom leugenachtig, omdat de leugen de voortbrengende kracht van deze zou zijn, maar omdat zij de aard van de leugen hebben, omdat in deze wat met het wezenlijke in strijd is zich het uiterlijk geeft van een zelfstandige macht. Komt nu hier het optreden van de ongerechtige voor als begeleid van werkingen van krachten van allerlei aard, die geschikt zijn om een indruk teweeg te brengen, alsof daarin een zelfstandige macht zou werkzaam zijn, terwijl het toch alleen het tegendeel van het werkelijke, de leugen, is, dat in deze tot uitwerking komt, dan komt het in vs. 10 “in alle verleiding van de onrechtvaardigheid” voor als vergezeld van alles, wat geschikt is, om aan het ongerechtige op bedrieglijke manier hulp te verlenen. Op wie zo’n bedrog doelt en wie er door misleid zal worden, zegt het bijgevoegde “in degenen, die verloren gaan. ” Hun overkomt namelijk hetzelfde tot loon daarvoor, dat zij aan de liefde tot de waarheid op de tijd, als die hun tot hun heil moest worden ingeplant, geen plaats gegeven hebben. Er staat niet: “zij hebben de waarheid niet aangenomen”, maar zij hebben de liefde van de waarheid niet aangenomen. Hierdoor moet worden uitgedrukt, welk een gezindheid in hen zou zijn gewerkt in plaats van het ongerechtige, dat nu door het bedrog, dat hun overkomt, in hen plaats krijgt.
Demonische wonderen zullen het optreden van de antichrist vergezellen, het zullen geen misleidingen van het bedrog zijn, maar werkelijke wonderen, hoewel hun oorsprong hebbend in de duisternis. Satan kan wel wonderen teweeg brengen, want hij is een bovenaardse macht, ja een majesteit. Zeker moet God hem toelating geven, als Hij zal kunnen werken, maar het is dan toch zijn door God hem ingeschapen macht, die hij uitoefent en die hij, zolang zijn tijd duurt, volgens Gods wil op allerlei manier niet alleen mag, maar ook zal uitoefenen en ten slotte op buitengewone manier zal uitoefenen. Want evenals de hel, toen Christus op aarde verscheen, zich met meer kracht in beweging stelde, dan van te voren, zo zal dat in verhoogde graad geschieden; want satan zal wel opmerken, dat het hier om de beslissing te doen is, of de wereld zijn eigendom zal worden, of dat van God. Zo zal hij dan het uiterste doen, dat hem mogelijk is en door Hem toegerust zal de antichrist wonderen en tekenen doen, om zich te legitimeren als degene, die komen zou, zoals de Heere Jezus wonderen en tekenen deed om te bewijzen, dat Hij de Heiland was. Dan zullen zeker wel geoefende zintuigen nodig zijn om leugen en waarheid te onderscheiden, opdat men niet geïmponeerd en verleid wordt.
En daarom, om zo’n vergelding te doen plaats hebben, zal hun God in de toekomst van de ongerechtige, of gedurende de hem toegewezen tijd van zijn openbaring, zenden een kracht van de dwaling, die zo verleidend en betoverend zal zijn (Matth. 24: 24), dat zij de leugen zoudengeloven, terwijl zij toch tegenover de overweldigende macht door eigen schuld zonder enige beschutting zullen zijn;
In overeenstemming met en zo ter wezenlijke bevestiging van de zienswijze van zijn tijdgenoten, die de barensweën van het Messiaanse tijdperk verwachtten, heeft de Heere op voortekenen van Zijn toekomst gewezen en ook de Apostolische schriften gewagen uitvoerig van wat in de laatste dagen de jongste dag moet voorafgaan. Het hier ontsloten uitzicht is wel geschikt om elke optimistisch-humanistische droom te beschamen, alsof het in deze beste van de werelden gedurig beter zou gaan, hoe meer de stroom van de tijd de zee van de eeuwigheid nadert. Integendeel, denken wij ons de dag van de Parousie, als de angst, het ligt dan in de aard van de zaak, dat niet alleen de tarwe, maar ook het onkruid tot die dag toe moet groeien en rijpen en dus ook gedurig meer zijn innerlijke aard openbaren. Een verblijdend voorteken is zeker de algemene verkondiging van het Evangelie van het koninkrijk aan alle volken; maar deze geschiedt “hun tot een getuigenis”, geenszins met de uitkomst, dat allen behouden worden. Integendeel, de vijandschap tegen de waarheid zal nooit hoger stijgen, dan juist, waar zij op het punt is voor altijd verbroken te worden. Klimmende verleiding en toenemende afval staan te wachten die zich openbaren in Pseudo-profetisme en stelselmatig Anti-christianisme. Het zal blijken, meer en meer, dat de wereld in de grond van haar hart de Redder niet wil, haar door God beschikt en die middelerwijl op weg is als haar Rechter weer te komen. Vandaar toenemende argeloosheid, hoe meer de tijd van de beslissing genaakt en hardnekkige onbekeerlijkheid, ook te midden van de ontzettendste oordelen. Zo’n grote zonde moet wel met nieuwe zonde en grotere ellende gestraft worden. Zo nadert een steeds droeviger tijd op het gebied van de wereld, van de kerk, van het huiselijke en persoonlijke levens, waarbij de getrouwen aan de Heer bij al zwaarder strijd op al minder rust mogen hopen. De wereldgeschiedenis zal niet eindigen, voordat het van de Godsgemeente op ontroerende manier gebleken zal zijn, wat er is van de hooggeroemde verdraagzaamheid van een van God afkerige wereldmacht tegenover hen, die weigeren zich voor haar goden te buigen. Waar orde en zedelijkheid alleen in het Christendom wortelt, daar kan de afval van en opstand tegen dit laatste niet anders, dan tot ondermijning van alle steunsels op staatkundig en maatschappelijk grondgebied leiden. Vandaar in klimmende mate de verhoging van het nu reeds zo welbekend gevoel van malaise, tot angst, verlegenheid, radeloosheid, door de Heer zo treffend getekend. Van lieverlede zullen de mensen beginnen zich over volstrekt niets meer te verwonderen en tegelijk voor alles te vrezen. Bij het onafscheidelijk verband tussen de natuurlijke en zedelijke wereld, dat zich in zo menig woord en feit van de Heilsopenbaring vertoont, kan het ons niet ongelofelijk klinken, dat ook de onbezielde natuur de natrilling van de schokken voelen zal, die het hart van de bezielde doen beven, al achten wij ons volkomen onbevoegd ter beslissing, wat in dit deel van de Eschatologische verkondiging eigenlijk, wat oneigenlijk moet opgevat worden. Het toppunt van de ellende van de laatste dagen wordt bereikt in de verschijning van de Antichrist, die ons het profetisch woord doet verwachten. Het aanwijzen van “het ontstaan en de ontwikkeling van deze verwachting moet door de Christelijke Dogmatiek aan de Bijbelse Theologie van het Oude en Nieuwe Verbond worden overgelaten. Hier kan slechts worden uitgesproken, dat voor wie de Schrift onbevangen verklaart en zijn gedachten onder de gehoorzaamheid van het woord gevangen laat leiden, er geen twijfel bestaan kan, of een Anti-christelijke persoonlijkheid zal optreden, nog vóór het einde van de wereldgeschiedenis. Het denkbeeld, dat door de naam van de Antichrist slechts een ideale persoonlijkheid aangeduid zal zijn (ongeveer op gelijke manier als het Engels karakter in de naam van John Bull, of het Duitse in die van Michel geconcentreerd placht te worden), schijnt ons met het concrete en individuele van de Apostolische tekening in lijnrechte wederspraak. Zien wij in de wereldgeschiedenis kolossale mannen in de dienst van de macht van de duisternis optreden en zweefde reeds bij menige naam op tal van lippen de vraag, of niet deze de Antichrist was, niets kan ons verhinderen in hun verschijning de wegbereiding van een toekomstige Centraal-persoonlijkheid te zien, in wie de geest van het kwaad zich als het ware belichamen en zijn volle kracht ten toon spreiden zal. Met het woord onmogelijk leert men althans in onze tijd reeds voorzichtiger worden. Wij verwachten de verpersoonlijking van het aan God vijandig beginsel, voorbereid door de verschijning van Atheïstische genieën, die titanisch en satanisch van alle zedelijk beginsel zich steeds meer emanciperen. In deze Antichrist bereikt de moederzonde, hoogmoed, haar toppunt, door grenzenloze zelfverheffing tegenover alle aardse en hemelse macht. Zij wordt gesteund door een bedrog, dat valse tekenen doet en werkelijk is het geheel in de orde, maar tegelijk de vreselijke ironie van een hogere Nemesis, dat het ongeloof aan het waarachtig wonder nog eens met bijgeloof aan valse tekenen gestraft worden zal. In hoever de manifestaties van de geestenwereld, waarbij thans reeds zo menigeen zekerheid zoekt, tot dit gebied te brengen zijn, kan hier slechts gevraagd worden. Genoeg, alleen tijdelijk wordt de volle openbaring van deze anti-christelijke macht nog gestuit, maar zij was reeds in Paulus dagen op het punt tevoorschijn te treden en kennelijk wordt zij door ieder ander Christelijk streven deels aangekondigd, deels voorbereid. Dit is dan ook de diepe zin van de Bijbelse voorstelling, dat het werkelijk in beginsel het laatste uur reeds is, die slechts door de lankmoedigheid van God wordt vertraagd. Feitelijk zijn al de factoren reeds daar, die tot het eindresultaat moeten meewerken; er heeft niets nieuws meer te komen, er hoeft slechts een dam te worden weggenomen, en de stroom stort over het veld. De gemeente weet inwendig deze dingen, al verstaat en bedenkt zij die veel te weinig en kan daarom niets anders dan in de kracht van de Heere redden, wat nog te redden is en voorts zich spenen van elke sanguinische hoop, alsof zij eindelijk in deze bedeling haar rechten erkend zou zien door haar onverzoenlijke tegenstander. De gelijkenis van de weduwe tegenover de onrechtvaardige Rechter geeft ons veeleer het profetisch beeld van haar voorlaatste toestand op aarde te zien. Maar juist als de nood en verlegenheid ten hoogsten top zijn gestegen, daagt de redding in de vorm van – het zoeken van de Zoon des mensen.
Opdat zij allen weer, om zo’n geloven van de leugen (Openb. 14: 9 v. ; 19: 20 v. Re 14. 9) veroordeeld worden, die de waarheid, die hun in Christus Jezus wordt aangeboden, niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid (Ezech. 20: 24 v. Spr. 1: 29 v. Rom. 1: 18 v.).
De verschijning van de ongerechtige komt niet voort uit de ontwikkeling van de menselijke zonde zelf, maar wordt door de satan teweeg gebracht (vs. 9) en nu is het God, die datgene zendt, wat met haar in de wereld treedt, namelijk de macht van de dwaling. Dwalen is altijd aanwezig; maar dan zal het in krachtige werking treden, waarmee bedoeld is, dat zij, die aan de liefde tot de waarheid geen plaats gegeven hebben, aan de leugen geloof schenken. God zendt dus een toestand van zondig dwalen, waarbij het te doen is, om hen, die tegenover de waarheid ongelovig zijn, aan het tegendeel daarvan gelovig te doen worden. Hieronder moet niet verstaan worden iets, dat tegenover de waarheid staat, maar het volstrekt tegenovergestelde hiervan, evenals de waarheid iets bepaald zuivers is. Het moet ten slotte daartoe komen, dat aan de volstrekte leugen dat geloof wordt geschonken, dat de gepredikte Christus toekomt; en God zelf geeft daartoe de aanleiding, opdat zij, die de waarheid niet geloofd hebben, maar zich aan de ongerechtigheid, waarvan zij zich, als zij hadden willen geloven, zouden hebben losgemaakt en de gerechtigheid zouden gekozen hebben, eindelijk geheel aan het oordeel worden overgegeven.
De waarheid heeft iets beminnenswaardigs, iets verblijdens, iets dat rust geeft, evenals het licht in de natuur; het is de mens bij niets zo wel als bij de waarheid. Zij komt echter bij ons met andere sterke neigingen in strijd; dit noemt de Schrift met één woord “ongerechtigheid”, waardoor de waarheid ten onder wordt gehouden. Waarheid en het geloof daaraan wordt zo door de boze begeerte van de mensen, door het genot, dat hij van de ongerechtigheid heeft, doordat hij geen bestraffing van het licht kan dulden, verhinderd. En waar de waarheid niet in de liefde van het hart wordt opgenomen, werkt zij ook niet tot zaligheid; in de liefde van het hart alleen kan de waarheid wortelen en vrucht dragen. Maar de waarheid dringt zich niet tegen alle willen bij haar verachters op. God weet bij de waarheid ook de eerbied aan Hem verschuldigd in het oog te houden en Zich terug te trekken. In het begin neemt de mens het met de waarheid en met de verleiding tot dwaling makkelijk op; hij speelt met beide, geeft aan de waarheid de liefde van zijn hart niet prijs, maar meent dat dwaling en verleiding hem ook niet zullen overmeesteren. Er staat echter achter de dwaling een macht, die voor ieder gevaarlijk is, die niet met liefde tot de waarheid gewapend is.
De mensen moeten iets geloven; zij kunnen niet leven zonder geloof: willen zij echter de heilige waarheid van God niet geloven, dan moeten zij de verleidende leugen van de duivel geloven.
Veelbetekenend en rechtvaardig is de aard van het gericht, dat die de waarheid niet willen geloven, de leugen moeten geloven. Hoevelen, die tegen het autoriteitsgeloof schreeuwen, als het de bijbel aangaat, zijn op schandelijke manier gebonden door autoriteitsgeloof ten opzichte van anonieme journalisten. Hoevelen, die tegenover Gods woord niets dan ongeloof hebben, worden een prooi van schandelijk bijgeloof van somnabulen, kaartenleggers, voortekenen, kloptafels, oproepen van geesten en ondervraging van de doden. Reeds Chrysostomus merkt op: “Die zeiden, omdat er maar één God is, konden wij niet aan de godheid van Christus geloven, aan deze ontneemt de antichrist alle voorwendsel. ” En in onze dagen: die niet geloven, dat een almachtig en wijs God het heelal heeft geschapen, die geloven, dat het toeval de atomen samengebracht heeft; die niet geloven, dat Jezus het water in wijn veranderd heeft, geloven, dat de bewusteloze natuurkracht de aap tot een mens heeft vervormd. Dit onbepaald geloof van het ongeloof is een oordeel; voor de gehele wereld moet het openbaar worden, dat de beweegreden van haar ongeloof niet het edel protest was tegen een afhankelijkheid de geest onwaardig, maar vreugde in de ongerechtigheid. Zij geloven toch ook, maar zij wilden niet geloven aan de heilige waarheid van God; daarom is hun straf deze, dat hun behoefte aan geloven zich wendt tot de ellendigste nietigheden.
Zo-even hebben wij gesproken over hen, die de waarheid niet geloven en tot straf daarvoor aan de macht van de leugen worden overgegeven. Maar hoe geheel anders is het met u! Wij zijn schuldig altijd God te danken over u (Hoofdstuk 1: 3), broeders, die door de Heere bemind bent (vgl. 1 Thess. 1: 4), dat u God van het begin (Efeze. 1: 4. 2 Tim. 1: 9), verkoren heeft tot zaligheid, die tot stand komt in heiligmaking van de Geest, het tegengestelde van de lust in de ongerechtigheid over hen, die verloren gaan (1 Petr. 1: 2) en in geloof van de waarheid, in tegenoverstelling tot het geloof van de leugen, waartoe zij veroordeeld zijn (vs. 11 v.).
Sommigen denken hier aan de eeuwige verkiezing, waar door God van eeuwigheid, naar Zijn vrijmachtig welbehagen, zekere en bepaalde personen uit het verdoemelijk mensdom tot de zaligheid verordend heeft. Maar de apostel vermeldt hier een verkiezing van het begin. Maar vanaf het begin kan zeker niet betekenen van eeuwigheid. Daarenboven, wanneer de Heilige Schrift spreekt van de eeuwige verkiezing, waardoor bepaalde personen tot de zaligheid verordend zijn, bedient zij zich van een geheel ander woord (vergel. Efeze. 1: 4 Jak. 2: 5 enz.). Het Griekse woord, dat hier voorkomt, betekent de voorkeur geven aan het ene boven het ander. Zo gebruikt de apostel het Fil. 1: 22, wanneer hij verklaart niet te weten waaraan hij de voorkeur geven zou, aan het leven dan aan het sterven; en Hebr. 11: 25 van Mozes, die aan de verdrukking van Christus de voorkeur gaf boven de genietingen van de zonde. Nu in deze zelfde zin had ook God de Christenen te Thessalonika vanaf het begin verkoren tot zaligheid, dat is, God had aan hen van die tijd af dat het Evangelie allerwegen onder de heidenen begon verkondigd te worden, de voorkeur en de voorrang gegeven boven vele andere volken, om hen deelgenoten te maken van de eeuwige zaligheid, die Christus verworven heeft. Ingevolge deze gunstige voorkeur, waren zij al zeer vroeg bij aanvang deelgenoten geworden van de zaligheid in de gewone weg van de door God verordende middelen in of door de heiligmaking van de Geest en het geloof van de waarheid, dat is, door een gelovige omhelzing van de waarheid van het Evangelie, welk geloof de Geest door Zijn hart veranderende en heiligende genade gewrocht had.
Waartoe, tot welk zalig worden in heiligmaking van de Geest en geloof van de waarheid Hij u geroepen heeft door ons Evangelie. En door deze roeping heeft Hij u geleid tot verkrijging van de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus, opdat u Zijn heerlijkheid deelachtig mag worden (1 Thess. 1: 5; 5: 9).
Na het eindigen van zijn profetische mededeling wendt de apostel zich tot de lezers en spreekt hij nog eens, evenals reeds vroeger, zijn verplichting uit om God te danken, dat Hij hen, de lezers, tot de zaligheid in Christus had verkoren, hen dus bewaard had voor het verloren gaan als van hen, die zich door de dwaling van de antichrist hadden laten verleiden.
Daar (Hoofdstuk 1: 3) dankte hij voor hun standvastig geloof onder de vervolgingen, die zij te lijden hadden; nu is zijn danken nog sterker geworden, want hij denkt ook aan de redding uit de ellende van de laatste tijd en hij dankt, hoewel hij aan de afval onder de Christenen moet herinneren.
Evenals de lieve Heiland de discipelen, die Hem uit Zijn tijdgenoten geschonken waren, als een gave van de hemelse Vaders erkende en ook verder dacht aan hen, die door hun woord in Hem zouden geloven (Joh. 17: 6 en 20), zo hebben ook de apostelen hen, die hun woord graag aannamen, ook als een heerlijk hun geschonken deel met dankbaarheid beschouwd.
De zaligheid, waartoe God heeft verkoren, stelt de apostel voor als een zodanige, die in zedelijke stemming en gedrag verwezenlijkt wordt, terwijl hij bij “zaligheid” nog voegt “in heiligmaking van de Geest en in geloof van de waarheid. ” Het eerste is, dat de Heilige Geest in de mens, die vlees is, werkzaam wordt, om hem aan de zondige wereld te ontrukken en het tweede is, dat de aldus en in die zin van Godswege geheiligde van de hem aangeboden waarheid verzekerd wordt. Deze weg gaat het gered of zalig worden van de kant van God, terwijl het werk van de mensen eerst geloof is en daarna heiliging van zichzelf. Met de uitdrukkingen “heiligmaking van de Geest en geloof van de waarheid” is aan de ene kant gezegd, wat aan ‘s mensen kant voorvalt; hij wordt namelijk heilig en wordt gelovig; aan de andere kant wat van Gods kant hiervoor is gegeven, namelijk de Geest, die heiligt en de waarheid, die van zichzelf zeker maakt.
De geschiedkundige verwezenlijking van de verkiezing is de roeping en deze geschiedt door de verkondiging van het Evangelie. De laatste heeft plaats gehad door de apostel en diens helpers, waarom Paulus schrijft: “door ons Evangelie”. Om nu de heerlijkheid van het lot, dat de Thessalonicenzen door hun roeping is toegedeeld, nog meer bepaald op de voorgrond te stellen en de vermaning, die in vs. 15 volgt, echt krachtig te maken, voegt hij er de woorden bij: “tot verkrijging van de heerlijkheid van Jezus Christus” (Rom. 5: 2; 8: 17, 29 Joh. 17: 24).
Zo dan, broeders, omdat zo’n doel u voorstaat, sta vast a) op de ware grond van het geloof en laat u door niets daarvan afdringen (vs. 2. 1 Thessalonicenzen. 3: 8, a) en houd de inzettingen (1 Kor. 11: 2), die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, toen wij nog bij u waren (vs. 5), hetzij door onze zendbrief, zoals wij vroeger aan u hebben geschreven (1 Thessalonicenzen. 5: 27).
2 Thessalonicenzen. 3: 5
Met de uitdrukking “of brief” is niet een bepaalde brief aangeduid, maar de een soort van leermiddelen tegenover de andere, dus niet alleen de eerste brief, hoewel het natuurlijk in de eerste plaats op deze past. Zij moeten echter ook houden wat zij uit deze tweede brief zullen leren en als hij een derden liet volgen, moesten zij ook deze ter harte nemen, in het algemeen ook de onderwijzing door brieven in acht nemen, alles vasthouden, wat werkelijk in woord of geschrift van hem komt. Dit vers is een van de woorden, waardoor men vanouds af het gelijke recht van de mondelinge traditie naast de Schrift wilde bewijzen. Ja, als ons de apostolische oorsprong en het apostolisch karakter ervan wordt bewezen, dan willen wij ook mondelinge traditie geloven, maar inderdaad is er geen geloofwaardige traditie naast de Bijbel en juist ons hoofdstuk wijst aan, hoe snel de mondelinge onderrichting vergeten werd en verkeerde opvattingen of zelfs vervalsingen onderging, zodat zij verbeterd en door schrift bevestigd moest worden. In ieder opzicht moet echter worden opgemerkt, hoe nadrukkelijk hier de apostel het gezag van zijn schriftelijk woord beweert. Het is geen dode letter, maar een zaadkorrel, die in ieder vatbaar hart levendig wordt; wij weten ook, dat in het algemeen het geschreven woord nog nauwkeuriger wordt overwogen dan het gesprokene.
En onze Heere Jezus Christus zelf en onze God en Vader (1 Thessalonicenzen. 3: 11), die ons heeft liefgehad en gegeven heeft een eeuwige vertroosting voor deze tijd (Rom. 8: 28, 31 v.), en goede hoop voor de toekomst (Tit. 2: 13. Kol. 1: 5) in (door) genade,
Vertroosting. Dit woord is muziek voor het hart, evenals David’s harp verdrijft het de boze geest van de neerslachtigheid. Het was een grote eer, die Barnabas te beurt viel, een zoon van de vertroosting genoemd te worden; ja, het behoort onder de heerlijke namen van een groter dan Barnabas: immers de Heere Jezus is de vertroosting van Israël. Eeuwige vertroosting, want dat de vertroosting voor eeuwig is, maakt juist haar kroon en heerlijkheid uit. Een mens legt er zich op toe om geld te winnen en na hard werken verkrijgt hij het; het is hem tot een troost, maar niet tot eeuwige vertroosting; immers hij kan geheel zijn schat doorbrengen of verliezen, of door de dood genoopt worden die achter te laten; op zijn best genomen kan het daarom niet meer dan een tijdelijke vertroosting zijn. Iemand werkt ijverig om kennis te vergaderen, hij verkrijgt haar en wordt bij uitnemendheid geleerd, zijn naam wordt beroemd, dit is hem een vertroosting voor al de arbeid, maar zij duurt niet lang, want wanneer hoofd en hart hem pijn doen, baten zijn getuigschriften hem niet en als zijn ziel een prooi van neerslachtigheid wordt, zou hij menig geheel boekdeel kunnen doorbladeren, zonder balsem te vinden voor zijn verslagen geest. Alle aardse vertroostingen zijn voorbijgaand en kort van duur, zij zijn even schitterend, maar ook even vluchtig als de kleuren van de zeepbel; maar de vertroostingen van Gods volk falen of verliezen haar frisheid nooit. Zij kunnen elke toets doorstaan, de schok van het lijden, de vlam van de vervolging, de loop van de jaren, ja, zelfs de dood. Waarin bestaat deze eeuwige vertroosting? Zij sluit in zich het bewustzijn van de vergeving van zonden. De Christen heeft in zijn hart de getuigenis van de Geest ontvangen, dat zijn overtredingen zijn uitgedelgd als een nevel en zijn zonden als een morgenwolk. Waar de zonde is vergeven, is daar geen eeuwige vertroosting? Voorts geeft de Heere aan Zijn volk een blijvend bewustzijn van hun aanneming in Christus. De Christen weet, dat God op hem neerziet als met Christus verenigd zijnde. En een liefelijke zaak is het te weten, dat God ons aanneemt. Verenigd met de verrezen Heiland is een vertroosting van de meest blijvende aard, zij is inderdaad eeuwig; worden wij op het ziekbed neergeworpen, treffen de pijlen van de dood ons hart, onze troost sterft niet. Voorwaar het bewustzijn van de aanneming in de Geliefde is een eeuwige vertroosting. Bovendien heeft de Christen het bewustzijn van zijn veiligheid. God heeft beloofd hen te verlossen, die op Christus hun vertrouwen stellen: de Christen vertrouwt op Christus en gelooft, dat God Zijn woord gestand zal doen en hem behouden. Hij weet daarom, dat, wat ook gebeuren moge onder Gods bestuur, die aanvallen er ook mogen zijn van inwendig bederf, of van uitwendige verzoeking, hij heilig is. Is deze bron van vertroosting niet verkwikkend en overvloeiend?
Vertroost (vgl. Kol. 4: 8 met Efeze. 6: 22) uw hart en versterkt u, zodat u mag vaststaan in alle goed woord en werk.
De vermaning in vs. 15 gaat in deze beide verzen over in een biddende wens, waarmee dit hoofddeel van de brief op deze manier sluit, als met het eerste deel in de eerste brief (1 Thessalonicenzen. 3: 11 vv.) het geval was. De apostel noemt ditmaal de Heere Jezus eerst, omdat hij daardoor aan de laatst voorafgegane benaming van de Heere (aan het slot van vs. 14) zich aansluit en omdat hij Hem, die onze God en Vader is, zoals Jezus, onze Heere, als degene wil voorstellen, die ons heeft liefgehad en, van Zijn liefde wat als betoning moet worden aangezien, ons een vertroosting gegeven heeft, die nooit verdwijnt en een goede hoop. Deze beide gaven noemt Paulus, zich aansluitend aan de wezenlijke inhoud van de brief, als welke betrekking heeft op de druk van de gemeente, die de openbaring van Christus voorafgaat. Wat de lezers wordt toegewenst komt dan aan de ene kant overeen met de eeuwige vertroosting, namelijk: “vertroost uw hart”, aan de andere kant met de goede hoop, in zoverre er een standvastig blijven in het goede werk en woord, waarvoor zij staan, nodig is, opdat zij de hun gegeven hoop niet verliezen. Zij staan echter in het goede werk door de kracht van de heiligmaking van de Geest (vs. 13) en in het goede woord door het geloof van de waarheid, want hun goeddoen bestaat daarin, dat zij de Geest, die hen geheiligd heeft, laten werken en het goede woord, dat zij bezitten, is het woord van de waarheid, dat zij gelovig hebben aangenomen.
Door vermaning worden wij in alle goede woord, door versterking van onze harten in alle goed werk bevestigd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel