Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En DavidH1732zeideH559: Is er nogH5750iemandH834 die overgeblevenH3498 is van het huisH1004 van SaulH7586, datH3588 ik weldadigheidH2617 aan hem doeH6213, om JonathansH3083wilH5668?En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
KJVAnd David2said,1Is there yet4any that is left7of the house8of Saul,9that I may shew10him kindness12for Jonathan's14sake?
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid3הֲכִ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest5ע֔וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)6אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7נוֹתַ֖רH3498overgebleven, overgelaten, overigeexcel, leave (a remnant), left behind, too much, make plenteous, preserve, (be, let) remain(-der, -ing, -nant), reserve, residue, rest8לְבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9שָׁא֑וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul10וְאֶעֱשֶׂ֤הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11עִמּוֹ֙H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)12חֶ֔סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing13בַּעֲב֖וּרH5668wil, harentwil, waarlijkbecause of, for (...'s sake), (intent) that, to14יְהוֹנָתָֽןH3083Jonathan, JonathansJonathan. Compare H3129 (יוֹנָתָן)
2Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Het huisH1004 van SaulH7586 nu had een knechtH5650, wiens naamH8034 was ZibaH6717; en zij riepenH7121 hem totH413DavidH1732. En de koningH4428zeideH559totH413 hem: Zijt gijH859ZibaH6717? En hij zeideH559: Uw knechtH5650.Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.
KJVAnd there was of the house1of Saul2a servant3whose name4was Ziba.5And when they had called6him unto David,9the king11said10unto him, Art thou Ziba?14And he said,15Thy servant16is he.
3En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En de koningH4428zeideH559: Is er nogH5750iemandH376 van het huisH1004 van SaulH7586, dat ik GodsH430weldadigheidH2617bijH5973 hem doeH6213? Toen zeideH559ZibaH6717totH413 den koningH4428: Er is nogH5750 een zoonH1121 van JonathanH3083, die geslagenH5223 is aan beide voetenH7272.En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
KJVAnd the king2said,1Is there not3yet any5of the house6of Saul,7that I may shew8the kindness10of God11unto him? And Ziba13said12unto the king,15Jonathan18hath yet a son,17which is lame19on his feet.20
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הַמֶּ֗לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3הַאֶ֨פֶסH657einden, niets, niemandankle, but (only), end, howbeit, less than nothing, nevertheless (where), no, none (beside), not (any, -withstanding), thing of nought, save(-ing), there, uttermost part, want, without (cause)4ע֥וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)5אִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6לְבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul8וְאֶעֱשֶׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9עִמּ֖וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)10חֶ֣סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing11אֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty12וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13צִיבָא֙H6717ZibaZiba14אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15הַמֶּ֔לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16ע֛וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)17בֵּ֥ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18לִיהוֹנָתָ֖ןH3083Jonathan, JonathansJonathan. Compare H3129 (יוֹנָתָן)19נְכֵ֥הH5223geslagen, verslagenecontrite, lame20רַגְלָֽיִםH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time
4En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En de koningH4428zeideH559 tot hem: Waar is hijH1931? En ZibaH6717zeideH559totH413 den koningH4428: ZieH2009, hij is in het huisH1004 van MachirH4353, den zoonH1121 van AmmielH5988, te LodebarH3810.En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.
KJVAnd the king3said1unto him, Where4is he? And Ziba7said6unto the king,9Behold, he is in the house12of Machir,13the son14of Ammiel,15in Lodebar.16
1וַיֹּֽאמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2ל֥וֹ3הַמֶּ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4אֵיפֹ֣הH375waarwhat manner, where5ה֑וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7צִיבָא֙H6717ZibaZiba8אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9הַמֶּ֔לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal10הִנֵּהH2009ziet, ziebehold, lo, see11ה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12בֵּ֛יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13מָכִ֥ירH4353MachirMachir14בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth15עַמִּיאֵ֖לH5988AmmielAmmiel16בְּל֥וֹH3810LodebarDebir, Lodebar17דְבָֽרH3810LodebarDebir, Lodebar
5Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Toen zondH7971 de koningH4428DavidH1732 heen, en hij namH3947 hem uit het huisH1004 van MachirH4353, den zoonH1121 van AmmielH5988, van LodebarH3810.Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.
KJVThen king2David3sent,1and fetched4him out of the house5of Machir,6the son7of Ammiel,8from Lodebar.9
1וַיִּשְׁלַ֖חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid4וַיִּקָּחֵ֗הוּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win5מִבֵּ֛יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6מָכִ֥ירH4353MachirMachir7בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8עַמִּיאֵ֖לH5988AmmielAmmiel9מִלּ֥וֹH3810LodebarDebir, Lodebar10דְבָֽרH3810LodebarDebir, Lodebar
6Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Als nu MefibosethH4648, de zoonH1121 van JonathanH3083, den zoonH1121 van SaulH7586, totH413DavidH1732inkwamH935, zo vielH5307 hij opH5921 zijn aangezichtH6440, en boog zich neder. En DavidH1732zeideH559: MefibosethH4648! En hij zeideH559: ZieH2009, hier is uw knechtH5650.Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.
Ook in dit vers
boog nederH7812
KJVNow when Mephibosheth,2the son3of Jonathan,4the son5of Saul,6was come1unto David,8he fell9on his face,11and did reverence.12And David14said,13Mephibosheth.15And he answered,16Behold thy servant!18
1וַ֠יָּבֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2מְפִיבֹ֨שֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יְהוֹנָתָ֤ןH3083Jonathan, JonathansJonathan. Compare H3129 (יוֹנָתָן)5בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6שָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid9וַיִּפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11פָּנָ֖יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12וַיִּשְׁתָּ֑חוּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship13וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid15מְפִיבֹ֔שֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth16וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet17הִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see18עַבְדֶּֽךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant
7En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En DavidH1732zeideH559 tot hem: VreesH3372nietH408, wantH3588 ik zal zekerlijkH6213weldadigheidH2617 bij u doen, om uws vadersH1JonathansH3083wilH5668; en ik zal u alleH3605akkersH7704 van uw vaderH1SaulH7586wedergevenH7725; en gijH859 zult geduriglijkH8548broodH3899etenH398aanH5921 mijn tafelH7979.En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
KJVAnd David3said1unto him, Fear5not: for I will surely7shew8thee kindness10for Jonathan12thy father's13sake, and will restore14thee all the land18of Saul19thy father;20and thou shalt eat22bread23at my table25continually.26
1וַיֹּאמֶר֩H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2ל֨וֹ3דָוִ֜דH1732David, DavidsDavid4אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than5תִּירָ֗אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)6כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7עָשֹׂה֩H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8אֶעֱשֶׂ֨הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9עִמְּךָ֥H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)10חֶ֨סֶד֙H2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing11בַּֽעֲבוּר֙H5668wil, harentwil, waarlijkbecause of, for (...'s sake), (intent) that, to12יְהוֹנָתָ֣ןH3083Jonathan, JonathansJonathan. Compare H3129 (יוֹנָתָן)13אָבִ֔יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'14וַהֲשִׁבֹתִ֣יH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw15לְךָ֔16אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18שְׂדֵ֖הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild19שָׁא֣וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul20אָבִ֑יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'21וְאַתָּ֗הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you22תֹּ֥אכַלH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite23לֶ֛חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals24עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with25שֻׁלְחָנִ֖יH7979tafel, tafelen, tafelstable26תָּמִֽידH8548geduriglijk, gedurig, gedurigealway(-s), continual (employment, -ly), daily, (n-)ever(-more), perpetual
8Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Toen boogH7812 hij zich, en zeideH559: Wat is uw knechtH5650, dat gij omgezienH6437 hebt naarH413 een dodenH4191hondH3611, alsH3588 ik ben?Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?
KJVAnd he bowed1himself, and said,2What is thy servant,4that thou shouldest look6upon such a dead9dog8as I am?
1וַיִּשְׁתַּ֕חוּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship2וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3מֶ֣הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4עַבְדֶּ֑ךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant5כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6פָנִ֔יתָH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8הַכֶּ֥לֶבH3611honden, hond, hondsdog9הַמֵּ֖תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise10אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11כָּמֽוֹנִיH3644gelijk, alsaccording to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth
9Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Toen riepH7121 de koningH4428ZibaH413, SaulsH7586jongenH5288, en zeideH559 tot hem: AlH3605watH834SaulH7586 gehad heeft, en zijnH1961ganseH3605huisH1004, heb ik den zoonH1121 uws herenH113gegevenH5414.Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.
KJVThen the king2called1to Ziba,4Saul's6servant,5and said7unto him, I have given15unto thy master's17son16all that pertained11to Saul12and to all his house.14
1וַיִּקְרָ֣אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2הַמֶּ֗לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4צִיבָ֛אH6717ZibaZiba5נַ֥עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)6שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul7וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֵלָ֑יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9כֹּל֩H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11הָיָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use12לְשָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul13וּלְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14בֵּית֔וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15נָתַ֖תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield16לְבֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17אֲדֹנֶֽיךָH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'
10Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Daarom zult gij voor hem het landH127bearbeidenH5647, gijH859, en uw zonenH1121, en uw knechtenH5650, en zult de vruchten inbrengenH935, opdat de zoonH1121 uws herenH113broodH3899hebbeH1961, dat hij eteH398; en MefibosethH4648, de zoonH1121 uws herenH113, zal geduriglijkH8548broodH3899etenH398aanH5921 mijn tafelH7979. ZibaH6717 nu had vijftienH2568zonenH1121 en twintigH6242knechtenH5650.Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
KJVThou therefore, and thy sons,6and thy servants,7shall till1the land4for him, and thou shalt bring8in the fruits, that thy master's11son10may have food12to eat:13but Mephibosheth14thy master's16son15shall eat17bread19alway18at my table.21Now Ziba22had fifteen23sons25and twenty26servants.27
1וְעָבַ֣דְתָּH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,2לּ֣וֹ3אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הָאֲדָמָ֡הH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land5אַתָּה֩H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6וּבָנֶ֨יךָH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7וַעֲבָדֶ֜יךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant8וְהֵבֵ֗אתָH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9וְהָיָ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10לְבֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11אֲדֹנֶ֤יךָH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'12לֶּ֨חֶם֙H3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals13וַאֲכָל֔וֹH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite14וּמְפִיבֹ֨שֶׁת֙H4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth15בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth16אֲדֹנֶ֔יךָH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'17יֹאכַ֥לH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite18תָּמִ֛ידH8548geduriglijk, gedurig, gedurigealway(-s), continual (employment, -ly), daily, (n-)ever(-more), perpetual19לֶ֖חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals20עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with21שֻׁלְחָנִ֑יH7979tafel, tafelen, tafelstable22וּלְצִיבָ֗אH6717ZibaZiba23חֲמִשָּׁ֥הH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)24עָשָׂ֛רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)25בָּנִ֖יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth26וְעֶשְׂרִ֥יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)27עֲבָדִֽיםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant
11En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En ZibaH6717zeideH559totH413 den koningH4428: Naar allesH3605, watH834 mijn heerH113 de koningH4428 zijn knechtH5650gebiedtH6680, alzoH3651 zal uw knechtH5650doenH6213. Ook zou MefibosethH4648, etendeH398 aan mijn tafelH7979, als eenH259 van des koningsH4428zonenH1121 zijn.En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.
KJVThen said1Ziba2unto the king,4According to all that my lord8the king9hath commanded7his servant,11so shall thy servant14do.13As for Mephibosheth,15said the king, he shall eat16at my table,18as one19of the king's21sons.20
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2צִיבָא֙H6717ZibaZiba3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַמֶּ֔לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal5כְּכֹל֩H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7יְצַוֶּ֜הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order8אֲדֹנִ֤יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'9הַמֶּ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עַבְדּ֔וֹH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant12כֵּ֖ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you13יַעֲשֶׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14עַבְדֶּ֑ךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant15וּמְפִיבֹ֗שֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth16אֹכֵל֙H398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18שֻׁלְחָנִ֔יH7979tafel, tafelen, tafelstable19כְּאַחַ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,20מִבְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth21הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
12Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12MefibosethH4648 nu had een kleinenH6996zoonH1121, wiens naamH8034 was Micha; en allenH3605, die in het huisH1004 van ZibaH6717woondenH4186, waren knechtenH5650 van MefibosethH4648.Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
KJVAnd Mephibosheth1had a young3son,2whose name4was Micha.5And all that dwelt7in the house8of Ziba9were servants10unto Mephibosheth.11
1וְלִמְפִיבֹ֥שֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth2בֵּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3קָטָ֖ןH6996kleinste, kleine, kleinleast, less(-er), little (one), small(-est, one, quantity, thing), young(-er, -est)4וּשְׁמ֣וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report5מִיכָ֑אH4316MichaMicha6וְכֹל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7מוֹשַׁ֣בH4186woningen, woning, zitplaatsassembly, dwell in, dwelling(-place), wherein (that) dwelt (in), inhabited place, seat, sitting, situation, sojourning8בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9צִיבָ֔אH6717ZibaZiba10עֲבָדִ֖יםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant11לִמְפִיבֹֽשֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth
13Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Alzo woondeH3427MefibosethH4648 te JeruzalemH3389, omdatH3588 hij geduriglijkH8548atH398aanH5921 des koningsH4428tafelH7979; en hijH1931 was kreupelH6455 aan beideH8147 zijn voetenH7272.Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
KJVSo Mephibosheth1dwelt2in Jerusalem:3for he did eat10continually8at the king's7table;6and was lame12on both13his feet.14
1וּמְפִיבֹ֗שֶׁתH4648Mefiboseth, MefibosethsMephibosheth2יֹשֵׁב֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry3בִּיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem4כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6שֻׁלְחַ֥ןH7979tafel, tafelen, tafelstable7הַמֶּ֛לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal8תָּמִ֖ידH8548geduriglijk, gedurig, gedurigealway(-s), continual (employment, -ly), daily, (n-)ever(-more), perpetual9ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10אֹכֵ֑לH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite11וְה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12פִסֵּ֖חַH6455kreupel, kreupele, kreupelenlame13שְׁתֵּ֥יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two14רַגְלָֽיוH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Samuël 9:1— En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?1 Samuël 20:42→1 Samuël 20:14→Johannes 19:26→Mattheüs 25:40→1 Koningen 2:7→1 Petrus 3:8→2 Samuël 1:26→1 Samuël 23:16→
2 Samuël 9:2— Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.2 Samuël 19:17→2 Samuël 16:1→Genesis 39:6→Genesis 24:2→Genesis 15:2→2 Samuël 19:27→
2 Samuël 9:3— En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.2 Samuël 4:4→2 Samuël 19:26→Deuteronomium 4:37→Mattheüs 5:44→Titus 3:3→Lukas 6:36→Deuteronomium 10:15→1 Samuël 20:14→
2 Samuël 9:4— En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.2 Samuël 17:27→
2 Samuël 9:6— Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.2 Samuël 16:4→1 Kronieken 9:40→1 Kronieken 8:34→2 Samuël 19:24→1 Samuël 25:23→Genesis 18:2→1 Samuël 20:41→Genesis 33:3→
2 Samuël 9:7— En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.2 Samuël 19:28→1 Koningen 2:7→2 Samuël 9:1→2 Samuël 9:3→2 Koningen 25:29→Genesis 43:18→Jesaja 35:3→Genesis 50:18→
2 Samuël 9:8— Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?2 Samuël 16:9→Mattheüs 15:26→1 Samuël 24:14→1 Samuël 26:20→2 Samuël 3:8→
2 Samuël 9:9— Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.2 Samuël 19:29→2 Samuël 16:4→1 Samuël 9:1→Jesaja 32:8→
2 Samuël 9:10— Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.2 Samuël 9:7→2 Samuël 19:28→Lukas 14:15→2 Samuël 9:11→2 Koningen 25:29→
2 Samuël 9:11— En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.2 Samuël 19:26→2 Samuël 16:1→2 Samuël 19:17→
2 Samuël 9:12— Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.1 Kronieken 8:8→1 Kronieken 9:40→1 Kronieken 8:34→Micha 7:5→
2 Samuël 9:13— Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.2 Samuël 9:7→2 Samuël 9:3→2 Samuël 9:10→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Samuël 9 vers 1— En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
2 Samuël 9 vers 2— Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.
knecht,
Een bezorger des huizes, als hofmeester, Gen. 15:2-3. Vergelijk onder, vs.10.
Hertaald:knecht,
Iemand die het huis beheerde, zoals een hofmeester, Gen. 15:2-3. Vergelijk hieronder, vers 10.
Ziba;
Hebreeuws, Tsiba
Hertaald:Ziba;
Hebreeuws: Tsiba.
Uw knecht
Dat is, ik ben Ziba, tot uw dienst.
Hertaald:Uw knecht
Dat is: ik ben Ziba, tot uw dienst.
2 Samuël 9 vers 3— En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
Gods weldadigheid bij hem doe?
Zie 1 Sam. 20:14-17.
Hertaald:Gods weldadigheid bij hem doe?
Zie 1 Sam. 20:14-17.
geslagen is aan beide voeten
Gelijk boven, 2 Sam. 4:4; dat is, kreupel, gelijk onder, vs.13.
Hertaald:geslagen is aan beide voeten
Zoals hierboven, 2 Sam. 4:4; dat is: kreupel, zoals hieronder, vers 13.
2 Samuël 9 vers 4— En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.
Lódebar
Gelegen over de Jordaan, in het land Gilead, niet ver van Mahanaïm. Zie onder, 2 Sam. 17:27.
Hertaald:Lódebar
Gelegen aan de overkant van de Jordaan, in het land Gilead, niet ver van Mahanaïm. Zie hieronder, 2 Sam. 17:27.
2 Samuël 9 vers 5— Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.
nam hem uit het huis van Machir,
Dit is, liet hem halen.
Hertaald:nam hem uit het huis van Machir,
Dat is: liet hem halen.
2 Samuël 9 vers 7— En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
zekerlijk weldadigheid bij u doen,
Hebreeuws, ik zal doende doen, enz.
Hertaald:zekerlijk weldadigheid bij u doen,
Hebreeuws: Ik zal doende doen, enzovoort.
u
En uwen zoon, onder, vs.9, 12.
Hertaald:u
En uw zoon, hieronder, vers 9, 12.
akkers van uw vader Saul
Of, al het veld, land
Hertaald:akkers van uw vader Saul
Of: heel het veld, land.
wedergeven;
Dewijl Isboseth en anderen van Sauls huis tegen David gekrijgd hadden, zo waren hun goederen aan den koning vervallen, die ze nu Mefiboseth wedergeeft.
Hertaald:wedergeven;
Omdat Isboseth en anderen van het huis van Saul tegen David gestreden hadden, waren hun bezittingen aan de koning vervallen, die ze nu aan Mefiboseth teruggeeft.
brood eten aan mijn tafel
Dat is, dagelijks bij mij eten en drinken, ter tafel bij mij gaan. Zie boven, 2 Sam. 3:35.
Hertaald:brood eten aan mijn tafel
Dat is: dagelijks bij mij eten en drinken, aan tafel bij mij komen. Zie hierboven, 2 Sam. 3:35.
2 Samuël 9 vers 8— Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?
doden hond,
Een spreekwoord bij de Joden, waarmede iemands nietigheid en verachtelijkheid wordt uitgedrukt. Zie 1 Sam. 24:15, en onder, 2 Sam. 16:9. Vergelijk boven, 2 Sam. 3:8.
Hertaald:doden hond,
Een spreekwoord bij de Joden, waarmee iemands nietigheid en verachtelijkheid uitgedrukt wordt. Zie 1 Sam. 24:15, en hieronder, 2 Sam. 16:9. Vergelijk hierboven, 2 Sam. 3:8.
2 Samuël 9 vers 9— Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.
jongen,
Dat is, die Sauls knecht geweest was.
Hertaald:jongen,
Dat is: die de knecht van Saul geweest was.
zoon uws heren gegeven
Te weten, Mefiboseth; of gelijk sommigen, Micha [ vs.12], als die daarvan zou leven; maar hiermede was de vader niet uitgesloten, gelijk vs.7.
Hertaald:zoon uws heren gegeven
Namelijk: Mefiboseth; of, zoals sommigen menen, Micha [vers 12], die daarvan zou leven; maar hiermee was de vader niet uitgesloten, zoals vers 7.
2 Samuël 9 vers 11— En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.
Ook zou Mefibóseth,
Hij wil zeggen dat hij ook Mefiboseth zelf [indien het den koning had beliefd] aan zijn tafel zo wel zou getrakteerd hebben, alsof hij aan het hof ware. Anderen nemen dit voor de woorden van den koning, aldus: Maar Mefiboseth [zeide de koning] zal eten aan mijn tafel, als een van des konings zonen.
Hertaald:Ook zou Mefibóseth,
Hij wil zeggen dat hij ook Mefiboseth zelf [als de koning dat gewild had] net zo goed aan zijn tafel zou onthalen alsof hij aan het hof was. Anderen vatten dit op als de woorden van de koning, aldus: maar Mefiboseth [zei de koning] zal eten aan mijn tafel, als een van de zonen van de koning.
2 Samuël 9 vers 12— Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
die in het huis van Ziba woonden,
Hebreeuws, alle, of, de ganse woning des huizes van Ziba.
Hertaald:die in het huis van Ziba woonden,
Hebreeuws: allen, of: heel de bewoning van het huis van Ziba.
2 Samuël 9 vers 13— Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
en hij was kreupel aan beide zijn voeten
Of, hoewel hij, enz.
Hertaald:en hij was kreupel aan beide zijn voeten
Of: hoewel hij, enzovoort.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Mefiboset — uit de mond van de schande
De zoon van Jonathan, kleinzoon van Saul, die als vijfjarige kreupel werd toen zijn voedster met hem vluchtte bij het bericht van Sauls en Jonathans dood (2 Sam. 4:4). Om de vriendschap met Jonathan liet David hem opsporen, gaf hem alle bezittingen van Saul terug, en liet hem voortaan als een van zijn eigen zonen aan zijn tafel eten (2 Sam. 9).
Ziba — standbeeld, of: plant
Een voormalige knecht van Sauls huis, die David over Mefibosets bezittingen aanstelde om die voor hem te bewerken (2 Sam. 9:2-12). Later, tijdens Absaloms opstand, beschuldigde hij Mefiboset vals van verraad en kreeg daarvoor diens bezit, totdat bij Davids terugkeer bleek dat Mefiboset trouw gebleven was (2 Sam. 16:1-4; 19:24-30).
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Weldadigheid om Jonathans wil (Mefiboseth) — David zoekt een overlevende van het huis van Saul op om hem weldadigheid te bewijzen, en vindt Mefiboseth, Jonathans kreupele zoon: "ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel" (2 Sam. 9:7)
David vraagt, nu stevig gevestigd als koning: "Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?" (2 Sam. 9:1). Via Ziba, een oude knecht van Saul, verneemt hij van Mefiboseth, Jonathans zoon, "die geslagen is aan beide voeten" (2 Sam. 9:2-4, reeds behandeld bij Isboseths moord, waar zijn ongeval als kind vermeld werd). David laat hem halen uit Lodebar, en Mefiboseth, doodsbang, valt op zijn aangezicht neder (2 Sam. 9:5-6). David stelt hem gerust, geeft hem Sauls hele erfdeel terug, en nodigt hem blijvend aan zijn eigen tafel: "gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel" (2 Sam. 9:7). Mefiboseth, verbaasd, noemt zichzelf "een doden hond" (2 Sam. 9:8). David stelt Ziba en zijn hele huishouden aan om het land voor Mefiboseth te bewerken, terwijl Mefiboseth zelf, als een van des konings zonen, in Jeruzalem aan de koninklijke tafel eet (2 Sam. 9:9-13).
Bijbelse betekenis: Deze weldadigheid is de rechtstreekse vervulling van Davids eed aan Jonathan, jaren eerder: "zult gij uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid" (1 Sam. 20:15, reeds behandeld bij Het vernieuwde verbond). David had die belofte kunnen vergeten nu hij stevig op de troon zat. Hij had ook kunnen vrezen dat een overlevende van Sauls huis een bedreiging voor zijn troon zou zijn — in plaats daarvan zoekt hij zelf naar een gelegenheid om die belofte te vervullen. Mefiboseths kreupelheid en zijn eigen woorden — "een doden hond" — onderstrepen dat deze weldadigheid niets met verdienste te maken heeft: hij ontvangt alles enkel en alleen om Jonathans wil, niet om zijn eigen recht.
Typologie: Diezelfde genade, bewezen aan wie haar niet verdiende, om de liefde tot een ander, beschrijft Paulus: "Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft" (Ef. 2:4). Diezelfde liefde heeft, zegt hij verder, "ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus" (Ef. 2:6).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het verbondniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindinguitwerking
Brood aan de tafel des konings — 9:1-13
David is koning geworden, de oorlogen zijn gestreden, en dan stelt hij een vraag die niemand verwacht: is er nog iemand overgebleven van het huis van Saul? In die tijd roeide een nieuwe koning het vorige huis uit.
De laatste erfgenaam van het verslagen huis wordt niet gedood maar aan de koningstafel gezet — om een belofte.
David vraagt niet of er nog iemand over is om hem te bedreigen. Hij vraagt: dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil.
Daar ligt de sleutel. Jaren eerder hadden David en Jonathan een verbond gesloten, en Jonathan had gevraagd de weldadigheid van de HEERE aan zijn huis niet af te snijden. Die belofte werkt nu door, lang nadat Jonathan gesneuveld is.
Mefibóseth wordt gehaald uit Lodebar. Hij is kreupel aan beide voeten, gevallen toen zijn voedster met hem vluchtte op de dag dat het bericht over Saul en Jonathan kwam. Hij komt binnen en valt op zijn aangezicht.
David stelt hem gerust: vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
Zijn antwoord laat zien hoe hij zichzelf ziet: wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond als ik ben?
Het hoofdstuk eindigt zoals het begon, maar dan andersom. Vier keer staat er dat hij aan de tafel des konings at. En dan, als laatste woorden: en hij was kreupel aan beide zijn voeten. Het gebrek gaat niet weg; het valt onder de tafel weg.
De Schrift trekt hier zelf geen lijn naar Christus. Maar de zaak keert in het Evangelie terug: iemand wordt aan tafel gezet, niet om wat hij is maar om een ander, en het is God Die het initiatief neemt. Christus vertelt van een maaltijd waarvoor de kreupelen en blinden van de straten worden binnengehaald.
1 Samuël 20:14-15 — Jonathan vraagt David de weldadigheid aan zijn huis niet af te snijden.
2 Samuël 9:1 — David zoekt iemand om weldadigheid aan te doen, om Jonathans wil.
2 Samuël 9:8 — Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond als ik ben?
2 Samuël 9:13 — Hij at geduriglijk aan de tafel des konings — en bleef kreupel.
Lukas 14:21 — Breng de armen en verminkten en kreupelen binnen tot de maaltijd.
Efeze 2:8 — Uit genade zijt gij zalig geworden, en dat niet uit u.
In het Nieuwe Testament: Lukas 14:15-24; Efeze 2:4-9; Romeinen 5:8; Openbaring 19:9
Hoever dit reikt: Niveau 3. Het Nieuwe Testament haalt deze geschiedenis niet aan, en David is hier geen type van Christus. De lijn loopt over de zaak: goedheid om een ander, aan iemand die er niets tegenover te stellen heeft.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
I. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen2 Samuël 16:9→1 Samuël 20:42→2 Samuël 19:17→2 Samuël 16:1→2 Samuël 4:4→2 Samuël 17:27→2 Samuël 19:28→2 Samuël 9:1→ — En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil? Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht. En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar. Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar. Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht. En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven. Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. Wanneer hij op het toppunt van zijn koninklijke macht en heerlijkheid geraakt is, gedenkt David zijn aan Jonathan en Saul eenmaal gegeven woord (1 Samuel .20: 13vv.; 24: 21vv.) en onderzoekt of er niet nog iemand van Sauls huis over zij, aan wie hij barmhartigheid kan bewijzen. Hem wordt Mefiboseth, Jonathans aan beide voeten kreupele zoon genoemd, die met zijn familie aan de overzijde van de Jordaan in het huis van een zekere Machir leeft. Hij laat hem dadelijk halen, en geeft hem Sauls vaste goederen terug, die diens voormalige rentmeester Ziba voor hem moet bewerken; maar hemzelf neemt hij aan zijn hof en laat hem aan de koninklijke tafel eten.
Kruisverwijzingen1 Samuël 20:42→1 Samuël 20:14→Johannes 19:26→Mattheüs 25:40→1 Koningen 2:7→1 Petrus 3:8→2 Samuël 1:26→1 Samuël 23:16→— En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?
En David1) zei tot zijn knechten of hofbeambten, toen hij zijn rijk naar buiten de in het vorige beschreven uitbreiding gegeven, en tevens van binnen alles had ingesteld, wat tot een ordelijk en gelukkig bestuur behoort: Is er nog iemand, die overgebleven is van het huis van Saul? Helpt mij hem dan toch vinden, dat ik weldadigheid aan hem doe, omwille van Jonathan, mijn vriend. 2)
Wanneer David dit gedaan heeft is niet met volkomen zekerheid te zeggen. Wij weten uit 4: 4, dat Mefiboseth 5 jaar oud was, toen Saul omkwam, en uit vs.12 van dit hoofdstuk, dat hij nu reeds een kleine zoon had. Daarom zal deze gebeurtenis hebben plaatsgehad, ongeveer in het midden van David’s regering.
Kruisverwijzingen2 Samuël 19:17→2 Samuël 16:1→Genesis 39:6→Genesis 24:2→Genesis 15:2→2 Samuël 19:27→— Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.
Dit leert ons, aan onze belofte getrouw te wezen. De weldadigheden, waartoe we ons verbonden hebben, moeten we gemoedelijk volbrengen, ofschoon deze niet van ons geëist moet worden. God is getrouw aan ons; laat ons dan de een jegens de ander niet ontrouw zijn. Vervolgens, aan onze vriendschapsbetrekkingen, hoe oud zij ook wezen mogen, te gedenken.
Uit de vraag van David en het onderzoek, dat men moest instellen, blijkt dat het huis van Saul geheel in verval was geraakt, zodat het schier onbekend was, of er nog nakomelingen van leefden. Zo wreekt de zonde zich ook op zijn nakomelingschap.
In onze voorspoed en in onze drukke zaken zijn wij zeer geneigd om onze beloften en verplichtingen jegens de mensen en jegens God te vergeten. Maar waarlijk godvruchtige mensen zullen geen rust hebben, vóór zij ze hebben vervuld.
Kruisverwijzingen2 Samuël 4:4→2 Samuël 19:26→Deuteronomium 4:37→Mattheüs 5:44→Titus 3:3→Lukas 6:36→Deuteronomium 10:15→1 Samuël 20:14→— En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
En de koning zei: Is er niet nog iemand over van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid 1) bij hem doe? d.i. barmhartigheid, om Gods wil. Want slechts met dit doel vraag ik u naar de overgebleven nakomelingen van uw vroegere heer, maar niet, omdat ik voornemens ben hen geheel uit te roeien. 2) Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, 3) die geslagen, die lam is, aan beide voeten (4: 4), en zelf weer vader van een kleine zoon (vs.12).
Gods weldadigheid. Zo noemt David de weldadigheid, die hij aan Jonathans geslacht wil bewijzen, omdat hij ze om Gods wil wil verlenen, maar ook, omdat zij rustte op het verbond met Jonathan dat als in de aanwezigheid van God en onder aanroepen van Zijn Naam was gesloten. De weldadigheid, die hij zou bewijzen, was een verplichting, die, krachtens deze eed, op hem rustte en moest bewezen worden in overeenstemming met Gods verordeningen.
In de Oosterse rijken heerste de gruwelijke gewoonte, dat de aanvangers van een nieuwe dynastie al de nakomelingen van hun voorgangers uitroeiden, opdat deze geen pogingen zou kunnen doen om de heerschappij weer aan zich te trekken (1 Samuel .24: 22). Daarom had ook Sauls kleinzoon, over wie deze geschiedende handelt, na de moord op Isboseth (4 4) tot heden in diepe verborgenheid geleefd; maar David, die van een andere geest was dan de gewone Oosterse vorsten, had in de eerste helft van zijn regering te veel met de buitenlandse vijanden te doen, dan dat hij er reeds vroeger aan had kunnen denken om zijn aan Jonathan gegeven woord gestand te doen. Pas nu, nu hij werkelijk Israël’s koning is in de volle zin van het woord, nu hij bij zichzelf het een en ander bedenkt, dat hij geroepen is te doen, nu komt hem ook zijn verplichting te binnen jegens het huis van zijn vriend, aan wie hij gezworen had om hem barmhartigheid te bewijzen ook nog in zijn nakomelingen.
Omdat hier slechts sprake is van het eigenlijke huis van Saul, d.i. van diens rechtmatige en volle zonen en kleinzonen, zo gaat Ziba Sauls beide zonen uit zijn bijvrouw Rizpa, van wie de ene ook Mefiboseth heette, evenzeer voorbij als de vijf zonen van Sauls oudste dochter Merab (vgl. 21: 8); aan deze wordt veeleer Gods gericht over Saul ook in zijn nakomelingen vervuld (21: 1-14).
— Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.
Toen zond de koning David dadelijk heen, en hij nam hem, de enig overgebleven zoon van Jonathan, uit het huis van Machir, 1) de zoon van Ammiël, van Lodebar, die daarop ten gevolge van zo’n goedheid een trouw aanhanger van David werd (17: 27).
Deze Machir werd, zoals blijkt uit 17: 27, een trouw vriend van David en verzag hem, op zijn vlucht voor Absalom, van voedsel. Wellicht dat de behandeling van Mefiboseth hem geheel en al voor David had ingenomen.
Kruisverwijzingen2 Samuël 16:4→1 Kronieken 9:40→1 Kronieken 8:34→2 Samuël 19:24→1 Samuël 25:23→Genesis 18:2→1 Samuël 20:41→Genesis 33:3→— Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.
Toen nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David kwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neer, waarmee hij de koning zijn hoog eerbewijs bracht en tevens zich zijn genade aanbeval, aangezien hij nog niet wist, wat hem overkomen zou, goed of kwaad. En David zei: Mefiboseth! en hij zei: Zie, hier is uw knecht. Mefiboseths handelwijze voor David is een aanschouwelijk beeld van de eerste ontmoeting van een uit zijn doodsslaap opgewekte zondaar met de Heere der heren, die hij tot dusver slechts van horen zeggen kende, maar nu onmiddellijk en werkelijk, als de wezenlijk levende Bestuurder van de wereld, de Heilige in Israël, en ook als zijn Gebieder en Rechter leert kennen. Maar hoort hij zich door de Heere bij zijn naam roepen, met een: “Hier ben ik, Uw knecht!” leert hij zich op genade en ongenade overgeven.
Kruisverwijzingen2 Samuël 19:28→1 Koningen 2:7→2 Samuël 9:1→2 Samuël 9:3→2 Koningen 25:29→Genesis 43:18→Jesaja 35:3→Genesis 50:18→— En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
Toen boog hij zich, tot dank voor zo’n gunst andermaal diep voor de koning ter aarde, en zei: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, een voor u zo nutteloos en verachtelijk mens, als ik ben? 1)
Ook in deze trek zal menig zondaar, die genade vond, een beeld van zijn eigen ervaring zien. Hij zal weten, dat de genade van God nog dieper neerbuigt, dan Zijn toorn. Dat zo’n grootheid hem ten deel valt, kan hij niet vatten. En al riep hij zich eerst hees aan het: “Zoon van David, ontferm u over mij!” thans, nu de Geest die afgesmeekte erbarmen innerlijk aan hem verzegelt, roept hij met Petrus: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!” Hoe stromen thans zijn tranen in overvloed aan de voeten van Emmanuel neer!. Heeft God ons verhoogd, en onze vrienden en hun familie vernederd, zo moeten wij de vroegere vriendschap niet vergeten, maar die des te meer proberen te bewijzen. Uit Mefiboseths gedrag leren wij, hoe wij andere goedheid jegens ons als gunst, niet als verschuldigde plicht moeten ontvangen.
Onder vernederende beschikkingen van God moet het hart nederig en ootmoedig zijn; wanneer men in een staat van vernedering door de Goddelijke genade, een nederige Geest daarbij heeft, dan kan men zich gemakkelijk daarnaar schikken, en zij, die zich dus vernederen, zullen verhoogd worden.
Kruisverwijzingen2 Samuël 9:7→2 Samuël 19:28→Lukas 14:15→2 Samuël 9:11→2 Koningen 25:29→— Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
Daarom zult gij voor hem het land bewerken, gij en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten brengen in de schuren, opdat de zoon van uw heer uit de opbrengst van deze goederen brood hebbe, dat hij ete, dat hij voldoende ontvangt tot levensonderhoud voor zijn gezin en zijn dienaars; en Mefiboseth 1) zelf, de zoon of liever kleinzoon van uw heer, zal wat zijn persoon betreft, gedurig brood eten aan mijn tafel, 2) en geheel als koninklijk prins behandeld worden. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten, daarom juist droeg de koning hem de verzorging van Sauls landerijen tot voordeel van Mefiboseth op, zonder dat de laatste zichzelf daarmee behoefde te bemoeien, maar geheel zorgeloos aan het koninklijke hof te Jeruzalem kon leven; er lag echter in deze omstandigheid een grote verzoeking voor Ziba, om ontrouw te plegen, zoals ook later geschiedde (16: 1-4; vgl. 19: 24-30).
Dit is niet in strijd met het voorgaande, opdat de zoon van uw heer brood hebbe, want Mefiboseth had niet alleen voor zichzelf te zorgen, maar ook voor zijn gezin en zijn dienaren. Daarom ontving hij de bezittingen van Saul terug en werd Ziba tot rentmeester over deze goederen gesteld, opdat Mefiboseth zelf er zich niet mee had te bemoeien.
Indien David een voorbeeld was van zijn Zoon en Heere, de Wortel van het Geslacht van David, de Messias, zo laat dan deze weldadigheid van hem aan Mefiboseth tot opheldering dienen van de weldadigheid en liefde van God, onze Zaligmaker, jegens gevallen mensen, van wie hij niet de minste verwachting had, zoals David had van Jonathan. De mens is overtuigd van zijn weerspannigheid tegen God, legt, zoals Sauls huis, onder een vonnis van verwerping en is door de val niet alleen tot geringheid en armoede gebracht, maar ook lam, mismaakt en gebrekkig geworden. Nochtans komt de Zoon van God vragen en zoeken naar zo’n ontrouw geslacht, hetgeen nooit naar hem gevraagd zou hebben. Hij komt om het te zoeken en zalig te maken. Dezen, die tot Hem komen, zich voor Hem vernederen en zich aan Hem overgeven, die geeft Hij de verloren erfenis terug, geeft hen recht tot een beter Paradijs, dan zij in Adam verloren hebben, neemt hen aan tot zijn Gemeenschap, doet hen met Zijn kinderen aan Zijn tafel zitten en voedt hen met de spijze van het heil.
David’s vriendelijkheid jegens Mefiboseth wijst op de liefde van Christus, David’s Zoon, jegens de gevallen mens, die opstandeling tegen God, en door de val machteloos, nochtans wordt opgezocht. Aan allen, die zich voor Hem neerbuigen en zich aan Hem overgeven, schenkt Hij de verbeurd verklaarde erfenis terug, geeft Hij recht op beter paradijs dan Adam verloor, brengt hen in Zijn gemeenschap, zet hen aan Zijn tafel en houdt het feestmaal met hen in de hemel! Heere, wat is de mens, dat Gij aldus verhoogt!.
Kruisverwijzingen2 Samuël 9:7→2 Samuël 9:3→2 Samuël 9:10→— Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
Zo woonde, zoals gezegd is, Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij gedurig at aan de tafel van de koning, en werd door David als een van de zonen van de koning behandeld, ofschoon hij kreupel was aan beide voeten, en zo geen sieraad van het hof was, noch de koning enige dienst kon bewijzen. Israël voert de oorlogen van de HEERE, Israël zingt roem en lof van de HEERE, Israël leeft onder de beschutting en bescherming van het aan allen even genegen recht, en de koningen van de heidenen belijden naam des HEREN en eren Zijn gezalfde; dat is het wat koning David niet door toeval, of door begunstiging van de omstandigheden, maar door Gods genade door de kracht van zijn karakter, door de werking van zijn hoedanigheden bereikt had. Is dat niet de Bijbelse verwezenlijking van het koningschap van de HEERE? Is daarmee niet degene metterdaad aangewezen, die de wil van de HEERE tot de zijnen gemaakt en het hoogste gezag op aarde tot volbrenging van de Goddelijke gedachten en raadsbesluiten over Israël en de volkeren gebruikt, en de koninklijke volkomen macht tot vervulling van de Goddelijke belofte voor de mensheid gebruikt heeft? Is nu niet het Goddelijk recht een menselijk geworden, en is nu niet de hemelse troon op de berg Sion neergedaald? Dit is voorzeker de diepste betekenis van ieder koningschap onder de volkeren; want overal, waar het koningschap enigszins natuurlijk ontstaat en bestaat, daar is het gegrond op het bewustzijn, dat het volk in zichzelf niet meer het bewustzijn bezit, om de eenheid van macht, nodig tot zijn voortbestaan, voort te brengen, en bij de telkens terugkerende behoefte te herstellen; in welk bewustzijn dus ligt opgesloten, dat slechts hij deze behoefte zal kunnen bevredigen, in wie de van zichzelf niet meer machtige volkseenheid op een oorspronkelijke, dus goddelijke wijze is overgebracht. Men bemerkt nu snel, dat deze voorstelling op het hoogste wijst, waartoe in het algemeen de menselijke persoonlijkheid in staat is. Wij zullen daarom bij de menselijke onvolmaaktheid erop voorbereid moeten zijn, om tevreden te wezen met menige gebrekkige verwezenlijking van dit hoogste idee; ja wij zullen er ons niet over moeten verwonderen, dat niets zozeer misbruikt en misvormd wordt, dan deze goddelijke natuur van het koningschap. Maar juist daarom is dit Bijbelse ideaal van het Davidse koningschap ons tot norma (richtsnoer) en tot correctief (verbeteringsvoorbeeld) voorgesteld. Toen in het Oosten te Babel, Ninevé, Suzan en Persepolis, toen later in het westen te Rome de hoogste regeringsmacht als incarnatie (vleeswording, belichaming) van de hoogste Godheid gedacht en vereerd werd, was dit het spotbeeld van dat idee; want het goddelijke attribuut (kenteken, eigenschap) van de heerschappij berust hier niet op heilige gezindheid, op eenheid van de menselijke wil met de goddelijke, maar op het bezit van de oppermacht. De goddelijke hoogheid werd niet ontvangen en bereikt door de diepste zelfverloochening en ontlediging in de zwaarste strijd van de Geest: maar als een door wordt zij genomen en vastgehouden met de arm van het vlees. Langs deze weg wordt op het toppunt van de wereldmacht de plaats bereid, waar de laatste boosheid van de wereldgeschiedenis zich volkomen moet en zal ontwikkelen (2 Thessalonicenzen.2). In dit licht van de geschiedenis van het wereldrijk wordt ons het Davidische koningschap pas volkomen verstaanbaar. De weg, waarop David’s heerschappij werd gegrond en bevestigd, is zo helder, dat niet alleen Israël, dat David op deze weg met zijn ogen leidde, maar ook alle navolgende tijden en volken de in ieders menselijk geweten gedrukte voetstappen van de reine en heilige wandele, de onvervalsbare en onbedriegelijke sporen van de gerechtigheid, waarheid, liefde en trouw, de echte en ware kentekenen van de naar Gods beeld geschapen mensheid herkennen kunnen. Wij zullen ons daarom, zodra wij deze heldere gang van de geschiedenis opmerkzaam volgen, gemakkelijk overtuigen, dat in dit Davidische koningschap de plaats voorbereid werd, waar de goddelijke genade en waarheid haar werk voor de mensheid wil uitvoeren. Het volk Israël heeft een bestemming voor alle volkeren en alle tijden; want uit de Joden komt de zaligheid en de redding (Joh.4:
; alleen door Israël kan de door de zonde verloren gegane zegen van God weer aan de mensheid geschonken worden. Maar Israël, in zichzelf verdeeld en verscheurd, kon zijn bestemming niet vervullen; het behoefde het orgaan (werktuig), nodig voor het koningschap als voor het herstel van zijn eenheid. Dit orgaan is thans gevonden en opgericht. Omdat nu Israël slechts door dit heilige orgaan van het koningschap tot eendrachtige werkzaamheid kan worden gebracht, moet ook het koningschap duren, zolang Israël’s bestemming nog niet vervuld is, het koningschap moet bestaan, zolang Israël bestaat; en indien Israël’s bestaan geen einde neemt, zo moet ook David’s koningschap even eeuwig zijn als Israël’s aanwezen.
En het zal geschieden 1) indien vanwege de grote onvoorzichtigheid, waaraan wij ons door zo’n dolle onderneming hebben schuldig gemaakt, de grimmigheid van de koning opkomt en hij tot u zegt: Waarom zijt gij zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist gij niet, dat zij, in de belegerde stad, ook van de muur zouden schieten, en hen, die onder de poort strijden te hulp zouden komen tegen de belegeraars, zodat deze nooit te ver moeten doordringen, indien zij zich niet aan het grootste gevaar willen blootstellen?
Hoe hebben wij dit te verstaan? Is het alleen een geveinsde boodschap, d.w.z. doet Joab het aan de bode geveinsd voorkomen, dat de koning vertoornd zal worden over dit bericht, of vreest Joab werkelijk de toorn van de koning, omdat niet Uria alleen, maar ook vele anderen zijn verslagen. Wij veronderstellen het laatste. De koning heeft aan Joab opgedragen, om alleen Uria te doen sterven, en Joab heeft nog vele anderen aan een gewisse dood overgegeven. Hoewel hij betrekkelijk David in zijn macht heeft, zo is het hem toch niet hetzelfde, hoe de koning over hem denkt, of de koning vertoornd op hem is of niet. Merkt dan de bode, dat de toorn van de koning ontvlamt, dan moet hij zeggen: “Uw knecht Uria, de Hethiet, is ook dood,” niet om daarmee de toorn van de koning te stillen, maar om deze voorstelling van de zaak te geven en dit ligt o.i. in deze mededeling dat Uria, als overste, zonder verlof van Joab, een aanval op de stad heeft gewaagd, en nu niet alleen zelf het leven heeft verloren, maar ook dat van zijn onderbevelhebbers en soldaten op het spel heeft gezet. Joab is dan tevens gezuiverd van de blaam, dat hij zoveel mensenlevens gewaagd heeft en onnodig bloed heeft doen vergieten. Dat toch David een welgevallen aan de dood van Uria zou hebben, mocht de bode niet weten. Dit moest een geheim blijven tussen Joab en David.
Wie bij voorbeeld, om slechts één geval uit de vroegere krijgsgeschiedenis, die u tot waarschuwing had kunnen dienen, hier aan te voeren, sloeg Abimelech, de zoon van Jerubbeseth, (= Jerubbaäl of Gideon (2: 8 Richteren 6: 32)? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem, die zich te ver op de toren aan gewaagd had, van de muur, dat hij te Thebez stierf (Richteren 9: 50vv.)? Waarom hebt gij dan geen voorzichtigheid gebruikt, maar zijt gij tot de muur genaderd, en hebt gij u daardoor aan het bloed van de verslagenen schuldig gemaakt? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood; Dat is de talisman (het toverwoord), waarmee de bode de toorn van de koning moet bezweren. Wanneer hij over de nodeloze opoffering van mannen, die hem ter harte gaan, in woede ontvlamt, zal het noemen van de man, die hem niet aan het hart ligt, hem bedaren, zal diens dood hem met de dood van al die anderen verzoenen. Mislukt dit bezweringsmiddel niet, zoals het nauwelijks mislukken kan, dan heeft hij, Joab zelfs daarin het onbedriegelijkste kenteken, hoe David’s bedrijf omtrent Uria het licht niet kan verdragen, en hoezeer hij door diens moord de koning aan zich verplicht en voor altijd tot zijn knecht gemaakt heeft! O, ziet daar hoe weinig men vertrouwen kan op vrienden van de wereld, al hebben zij ook met lichaam en ziel ons trouw gezworen, als zij in ontrouw aan God de rechten van Zijn gerechtigheid verwerpen. “De beste onder hen is een doorn, de redelijkste een haai,” voor de dwaas, die er druiven van verwacht, groeien er niets dan bessen aan, waaraan zijn ziel het verderf eet.
Toen, bij de spanning waarmee hij het haastige bericht aanhoorde, bijna geen oor hebbende voor het verlies aan manschappen en helden, maar bij het bericht: Uria, de Hethiet, is ook dood, zich merkelijk verlicht en boven alle bezwaar verheven voelende, zei David tot de bode: Zo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, bekommer u verder niet over het geleden verlies; want het zwaard verteert zowel dezen als genen: het gaat nu eenmaal in de strijd niet anders toe, dan dat nu eens deze dan gene het zwaard ten offer valt; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor, verwoest ze; versterk hem alzo. Op zo’n bijna lichtvaardige wijze kon de man, die eenmaal iedere gemeenschap aan de moord van Abner, zijn tegenstander, zo plechtig van zich afweerde (3: 28vv.), hier met een fatalistische troostspreuk (alsof een aanhanger van de leer van een blind onvermijdelijk noodlot haar hem in de mond gelegd had), aan deze moordenaar vrijspraak geven en met hem gemene zaak makende, een meer dan tienvoudige doodslag op zijn geweten nemen. Maar verwonderen wij ons hierover niet al te zeer, want David is sinds die rampzalige nacht op het dak van zijn koninklijke huis niet meer zichzelf, en dat de wereld hem ook in zijn gesprek zo geheel als van de hunnen moet erkennen, omdat hij Gods naam in het geheel niet in de mond neemt, maar zo echt heidens zich uitdrukt, dat is aan de ene zijde voor ons een lafenis in dit leed. Maar aan de andere zijde moet ons des te vreselijker de verandering voorkomen, die in weinige weken tijd met de man naar God harte is voorgevallen.
Toen nu de vrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zeker zonder te vermoeden in welk verschrikkelijk verband deze dood tot haar en David’s zonde stond, zo droeg zij leed over haar heer, zolang de gewone rouwtijd duurde, d.i. zeven dagen lang (Genesis50: 10; 1 Samuel .31: 13). Menig rouwkleed liegt als dat van Bathseba.
En toen de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem tot vrouw en baarde hem, als vrucht van die onkuise omgang (vs.4), een zoon. 1) Maar deze dubbele met zo vele andere zonden verbonden boze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen van de HEERE. 2) Want al de tijd, die er verliep, totdat (12: 1vv.) Nathan bij hem kwam en hij beleed: Ik heb gezondigd tegen de Heere! trachtte David zijn schuld teverbloemen en de beschuldigingen van zijn geweten tot zwijgen te brengen (Psalm 32: 3,4).
Evenals het karakter van Mozes en Samuel (Num.31: 12 en “Ge 13: 9), zo is ook dat van David door de wijzen en verstandigen van deze wereld op de snoodste wijze belasterd geworden; zij schreeuwen moord en brand over zijn brief aan Joab en slaan de handen samen, dat er onder de vromen zulke booswichten zijn, maar bedenken daarbij niet, dat David thans juist niet als een vrome maar eigenlijk als een van hun gelijken, als een van de kinderen van deze wereld handelt, en bedenken niet, dat zij van David’s misdaden volstrekt niets zouden weten, indien niet de Heilige Schrift zelf zo zonder terughouding ze berichtte, en daardoor de zekerste waarborg voor haar geloofwaardigheid en heiligheid in zich droeg. Merkwaardig! Dezelfde Voltaire (een beroemd Frans dichter en prozaschrijver, door koning Frederik de Grote van Pruisen met eer- en gunstbewijzen overladen, gest. 1776), die zich tot zederechter over de man naar Gods hart opwierp, kon toen hij eens de 51ste Psalm in een spotlied wilde omwerken en tot aan het 12de vers: “Schep in mij een rein hart, o God! enz.” gekomen was, niet verder gaan; de pen viel hem uit de handen; want dat is de wonderbaarste en heiligste van alle beden, die ooit over mensenlippen gekomen is. Aan die bede wordt de spot van de goddelozen te schande gemaakt: de Heilige uit de hemel roept hun zelf een “Terug!” toe, en laat hen met hun duivelse scherts in dit heiligdom niet binnentreden. Wij daarentegen, die uit oprechtheid van hart spreken: Heere, doe mij Uw Woord, die hoogste schat behouden; want ik acht het boven de grootste rijkdom” wij willen enerzijds God in het stof danken, dat Hij ons de echtbreuk en doodslag van Zijn geliefde knecht in zo’n naakte, schokkende waarheid heeft laten vertellen, opdat wij leren vrezen voor de listen van ons hart en voor de verblindende en verleidende macht van de zonde; maar anderzijds willen wij ons ook verheugen, dat op dat teerste blad uit David’s leven nog een tweede volgt, dat ons vertelt van zijn bekering tot God en de verandering van zijn hart. Hoe meer David’s val ons tot ootmoed stemt, des te verrassender en te leerrijker wordt ons de aanschouwing van zijn boete en bekering. Koninklijk heeft David gezondigd (de wellust in het hart van een koning is de gevaarlijkste brand, want niemand zegt tot de koning: wat doet gij? (Prediker 8: 4) en heeft hij de algemene zwakheid en bedorvenheid van de mens in een onvergetelijk voorbeeld voor alle tijden geopenbaard, maar even koninklijk is ook zijn boete, die hij tot een onvergankelijk gedenkteken in een algemeen voorbeeld voorgesteld heeft voor aanzienlijken en geringen, hoe zij van hun zonden moeten en kunnen vrij worden. Wanneer in David’s zondige ogenblikken al het goddelijk licht, dat zijn weg tot dusver zo wonderbaar bestraalt, uitgeblust schijnt te zijn, straalt in zijn bekering dit licht in een geheel nieuwe glans; en deze nieuwe straal blinkt des te milder en krachtiger als David’s zondeval ieder mens, die in het vlees woont, juist tot gelijkheid met deze koning van Israël probeert te brengen.
Bij David trad het beeld van zijn ten hemel roepende zonde al meer en meer op de achtergrond, en hij zou langzamerhand in de toestand van de rampzaligste gerustheid zijn vervallen, indien zijn ziel zich niet zo dikwijls hij het wagen wilde om op de vroegere wijze weer God, de Heere, te naderen, de toegang tot diens troon had versperd gevonden. Wanneer hij bidden wilde, voelde hij zich als afgewezen en teruggestoten. De hemel had zich voor David gesloten, en zijn hoop stond stom en met stof bedekt in de hoek. Wij sidderen voor hem. Maar over hem waakt Hij, die Mozes van de hemel als een God hoorde prijzen, die barmhartig en genadig en lankmoedig en van grote goedertierenheid en trouw is. Die nooit meer verlaat degenen, die eenmaal in oprechtheid Hem hart en hand gaven. Al dwaalden de Zijnen tot op de rand van de hel af, toch gaat Hij hen na, om hen uit satans strikken te verlossen. Beschouwen wij de gangen van deze God in David’s leven.
God ziet en haat de zonde in Zijn eigen volk. Ja, hoe nauwer iemand door belijdenis en genade betrekking op God heeft, des te hatelijker zijn zijn zonden, want zij zijn meer vergezeld van ondankbaarheid, trouweloosheid en schandelijkheid, dan die van anderen. Dat daarom niemand uit dit voorbeeld van David aanleiding neemt om zich in de zonde toe te geven, of zich daarin te stijven, want zij die met hem zondigen, zullen ook, zoals hij gedaan heeft, de ogen van Gods heiligheid verbitteren.
In de zonde van David zien wij de natuur van de zonde zo duidelijk mogelijk, maar wij zien tevens, dat de Heere Zijn volk niet in de zonde laat blijven, en daarom Zijn aangezicht voor hen verbergt, opdat er straks weer niet alleen een inzicht zal komen in de schuld, maar ook een vragen om erbarmen. Zal dit echter, dan moet de Heere niet alleen negatief, maar ook positief werken, d.w.z. ook weer komen met Zijn Woord en Geest, om de schuldige te ontdekken aan zijn zonde en hem te doen schreien om vergeving. Dit zal de Heere ook doen bij David, zoals het volgende hoofdstuk ons doet zien.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Samuël 9
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen2 Samuël 16:9→1 Samuël 20:42→2 Samuël 19:17→2 Samuël 16:1→2 Samuël 4:4→2 Samuël 17:27→2 Samuël 19:28→2 Samuël 9:1→
— En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil? Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht. En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar. Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar. Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht. En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven. Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
Wanneer hij op het toppunt van zijn koninklijke macht en heerlijkheid geraakt is, gedenkt David zijn aan Jonathan en Saul eenmaal gegeven woord (1 Samuel .20: 13vv.; 24: 21vv.) en onderzoekt of er niet nog iemand van Sauls huis over zij, aan wie hij barmhartigheid kan bewijzen. Hem wordt Mefiboseth, Jonathans aan beide voeten kreupele zoon genoemd, die met zijn familie aan de overzijde van de Jordaan in het huis van een zekere Machir leeft. Hij laat hem dadelijk halen, en geeft hem Sauls vaste goederen terug, die diens voormalige rentmeester Ziba voor hem moet bewerken; maar hemzelf neemt hij aan zijn hof en laat hem aan de koninklijke tafel eten.
En David1) zei tot zijn knechten of hofbeambten, toen hij zijn rijk naar buiten de in het vorige beschreven uitbreiding gegeven, en tevens van binnen alles had ingesteld, wat tot een ordelijk en gelukkig bestuur behoort: Is er nog iemand, die overgebleven is van het huis van Saul? Helpt mij hem dan toch vinden, dat ik weldadigheid aan hem doe, omwille van Jonathan, mijn vriend. 2)
Wanneer David dit gedaan heeft is niet met volkomen zekerheid te zeggen. Wij weten uit 4: 4, dat Mefiboseth 5 jaar oud was, toen Saul omkwam, en uit vs.12 van dit hoofdstuk, dat hij nu reeds een kleine zoon had. Daarom zal deze gebeurtenis hebben plaatsgehad, ongeveer in het midden van David’s regering.
Dit leert ons, aan onze belofte getrouw te wezen. De weldadigheden, waartoe we ons verbonden hebben, moeten we gemoedelijk volbrengen, ofschoon deze niet van ons geëist moet worden. God is getrouw aan ons; laat ons dan de een jegens de ander niet ontrouw zijn. Vervolgens, aan onze vriendschapsbetrekkingen, hoe oud zij ook wezen mogen, te gedenken.
Uit de vraag van David en het onderzoek, dat men moest instellen, blijkt dat het huis van Saul geheel in verval was geraakt, zodat het schier onbekend was, of er nog nakomelingen van leefden. Zo wreekt de zonde zich ook op zijn nakomelingschap.
In onze voorspoed en in onze drukke zaken zijn wij zeer geneigd om onze beloften en verplichtingen jegens de mensen en jegens God te vergeten. Maar waarlijk godvruchtige mensen zullen geen rust hebben, vóór zij ze hebben vervuld.
En de koning zei: Is er niet nog iemand over van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid 1) bij hem doe? d.i. barmhartigheid, om Gods wil. Want slechts met dit doel vraag ik u naar de overgebleven nakomelingen van uw vroegere heer, maar niet, omdat ik voornemens ben hen geheel uit te roeien. 2) Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, 3) die geslagen, die lam is, aan beide voeten (4: 4), en zelf weer vader van een kleine zoon (vs.12).
Gods weldadigheid. Zo noemt David de weldadigheid, die hij aan Jonathans geslacht wil bewijzen, omdat hij ze om Gods wil wil verlenen, maar ook, omdat zij rustte op het verbond met Jonathan dat als in de aanwezigheid van God en onder aanroepen van Zijn Naam was gesloten. De weldadigheid, die hij zou bewijzen, was een verplichting, die, krachtens deze eed, op hem rustte en moest bewezen worden in overeenstemming met Gods verordeningen.
In de Oosterse rijken heerste de gruwelijke gewoonte, dat de aanvangers van een nieuwe dynastie al de nakomelingen van hun voorgangers uitroeiden, opdat deze geen pogingen zou kunnen doen om de heerschappij weer aan zich te trekken (1 Samuel .24: 22). Daarom had ook Sauls kleinzoon, over wie deze geschiedende handelt, na de moord op Isboseth (4 4) tot heden in diepe verborgenheid geleefd; maar David, die van een andere geest was dan de gewone Oosterse vorsten, had in de eerste helft van zijn regering te veel met de buitenlandse vijanden te doen, dan dat hij er reeds vroeger aan had kunnen denken om zijn aan Jonathan gegeven woord gestand te doen. Pas nu, nu hij werkelijk Israël’s koning is in de volle zin van het woord, nu hij bij zichzelf het een en ander bedenkt, dat hij geroepen is te doen, nu komt hem ook zijn verplichting te binnen jegens het huis van zijn vriend, aan wie hij gezworen had om hem barmhartigheid te bewijzen ook nog in zijn nakomelingen.
Omdat hier slechts sprake is van het eigenlijke huis van Saul, d.i. van diens rechtmatige en volle zonen en kleinzonen, zo gaat Ziba Sauls beide zonen uit zijn bijvrouw Rizpa, van wie de ene ook Mefiboseth heette, evenzeer voorbij als de vijf zonen van Sauls oudste dochter Merab (vgl. 21: 8); aan deze wordt veeleer Gods gericht over Saul ook in zijn nakomelingen vervuld (21: 1-14).
Toen zond de koning David dadelijk heen, en hij nam hem, de enig overgebleven zoon van Jonathan, uit het huis van Machir, 1) de zoon van Ammiël, van Lodebar, die daarop ten gevolge van zo’n goedheid een trouw aanhanger van David werd (17: 27).
Deze Machir werd, zoals blijkt uit 17: 27, een trouw vriend van David en verzag hem, op zijn vlucht voor Absalom, van voedsel. Wellicht dat de behandeling van Mefiboseth hem geheel en al voor David had ingenomen.
Toen nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David kwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neer, waarmee hij de koning zijn hoog eerbewijs bracht en tevens zich zijn genade aanbeval, aangezien hij nog niet wist, wat hem overkomen zou, goed of kwaad. En David zei: Mefiboseth! en hij zei: Zie, hier is uw knecht. Mefiboseths handelwijze voor David is een aanschouwelijk beeld van de eerste ontmoeting van een uit zijn doodsslaap opgewekte zondaar met de Heere der heren, die hij tot dusver slechts van horen zeggen kende, maar nu onmiddellijk en werkelijk, als de wezenlijk levende Bestuurder van de wereld, de Heilige in Israël, en ook als zijn Gebieder en Rechter leert kennen. Maar hoort hij zich door de Heere bij zijn naam roepen, met een: “Hier ben ik, Uw knecht!” leert hij zich op genade en ongenade overgeven.
Toen boog hij zich, tot dank voor zo’n gunst andermaal diep voor de koning ter aarde, en zei: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, een voor u zo nutteloos en verachtelijk mens, als ik ben? 1)
Ook in deze trek zal menig zondaar, die genade vond, een beeld van zijn eigen ervaring zien. Hij zal weten, dat de genade van God nog dieper neerbuigt, dan Zijn toorn. Dat zo’n grootheid hem ten deel valt, kan hij niet vatten. En al riep hij zich eerst hees aan het: “Zoon van David, ontferm u over mij!” thans, nu de Geest die afgesmeekte erbarmen innerlijk aan hem verzegelt, roept hij met Petrus: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!” Hoe stromen thans zijn tranen in overvloed aan de voeten van Emmanuel neer!. Heeft God ons verhoogd, en onze vrienden en hun familie vernederd, zo moeten wij de vroegere vriendschap niet vergeten, maar die des te meer proberen te bewijzen. Uit Mefiboseths gedrag leren wij, hoe wij andere goedheid jegens ons als gunst, niet als verschuldigde plicht moeten ontvangen.
Onder vernederende beschikkingen van God moet het hart nederig en ootmoedig zijn; wanneer men in een staat van vernedering door de Goddelijke genade, een nederige Geest daarbij heeft, dan kan men zich gemakkelijk daarnaar schikken, en zij, die zich dus vernederen, zullen verhoogd worden.
Daarom zult gij voor hem het land bewerken, gij en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten brengen in de schuren, opdat de zoon van uw heer uit de opbrengst van deze goederen brood hebbe, dat hij ete, dat hij voldoende ontvangt tot levensonderhoud voor zijn gezin en zijn dienaars; en Mefiboseth 1) zelf, de zoon of liever kleinzoon van uw heer, zal wat zijn persoon betreft, gedurig brood eten aan mijn tafel, 2) en geheel als koninklijk prins behandeld worden. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten, daarom juist droeg de koning hem de verzorging van Sauls landerijen tot voordeel van Mefiboseth op, zonder dat de laatste zichzelf daarmee behoefde te bemoeien, maar geheel zorgeloos aan het koninklijke hof te Jeruzalem kon leven; er lag echter in deze omstandigheid een grote verzoeking voor Ziba, om ontrouw te plegen, zoals ook later geschiedde (16: 1-4; vgl. 19: 24-30).
Dit is niet in strijd met het voorgaande, opdat de zoon van uw heer brood hebbe, want Mefiboseth had niet alleen voor zichzelf te zorgen, maar ook voor zijn gezin en zijn dienaren. Daarom ontving hij de bezittingen van Saul terug en werd Ziba tot rentmeester over deze goederen gesteld, opdat Mefiboseth zelf er zich niet mee had te bemoeien.
Indien David een voorbeeld was van zijn Zoon en Heere, de Wortel van het Geslacht van David, de Messias, zo laat dan deze weldadigheid van hem aan Mefiboseth tot opheldering dienen van de weldadigheid en liefde van God, onze Zaligmaker, jegens gevallen mensen, van wie hij niet de minste verwachting had, zoals David had van Jonathan. De mens is overtuigd van zijn weerspannigheid tegen God, legt, zoals Sauls huis, onder een vonnis van verwerping en is door de val niet alleen tot geringheid en armoede gebracht, maar ook lam, mismaakt en gebrekkig geworden. Nochtans komt de Zoon van God vragen en zoeken naar zo’n ontrouw geslacht, hetgeen nooit naar hem gevraagd zou hebben. Hij komt om het te zoeken en zalig te maken. Dezen, die tot Hem komen, zich voor Hem vernederen en zich aan Hem overgeven, die geeft Hij de verloren erfenis terug, geeft hen recht tot een beter Paradijs, dan zij in Adam verloren hebben, neemt hen aan tot zijn Gemeenschap, doet hen met Zijn kinderen aan Zijn tafel zitten en voedt hen met de spijze van het heil.
David’s vriendelijkheid jegens Mefiboseth wijst op de liefde van Christus, David’s Zoon, jegens de gevallen mens, die opstandeling tegen God, en door de val machteloos, nochtans wordt opgezocht. Aan allen, die zich voor Hem neerbuigen en zich aan Hem overgeven, schenkt Hij de verbeurd verklaarde erfenis terug, geeft Hij recht op beter paradijs dan Adam verloor, brengt hen in Zijn gemeenschap, zet hen aan Zijn tafel en houdt het feestmaal met hen in de hemel! Heere, wat is de mens, dat Gij aldus verhoogt!.
Zo woonde, zoals gezegd is, Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij gedurig at aan de tafel van de koning, en werd door David als een van de zonen van de koning behandeld, ofschoon hij kreupel was aan beide voeten, en zo geen sieraad van het hof was, noch de koning enige dienst kon bewijzen. Israël voert de oorlogen van de HEERE, Israël zingt roem en lof van de HEERE, Israël leeft onder de beschutting en bescherming van het aan allen even genegen recht, en de koningen van de heidenen belijden naam des HEREN en eren Zijn gezalfde; dat is het wat koning David niet door toeval, of door begunstiging van de omstandigheden, maar door Gods genade door de kracht van zijn karakter, door de werking van zijn hoedanigheden bereikt had. Is dat niet de Bijbelse verwezenlijking van het koningschap van de HEERE? Is daarmee niet degene metterdaad aangewezen, die de wil van de HEERE tot de zijnen gemaakt en het hoogste gezag op aarde tot volbrenging van de Goddelijke gedachten en raadsbesluiten over Israël en de volkeren gebruikt, en de koninklijke volkomen macht tot vervulling van de Goddelijke belofte voor de mensheid gebruikt heeft? Is nu niet het Goddelijk recht een menselijk geworden, en is nu niet de hemelse troon op de berg Sion neergedaald? Dit is voorzeker de diepste betekenis van ieder koningschap onder de volkeren; want overal, waar het koningschap enigszins natuurlijk ontstaat en bestaat, daar is het gegrond op het bewustzijn, dat het volk in zichzelf niet meer het bewustzijn bezit, om de eenheid van macht, nodig tot zijn voortbestaan, voort te brengen, en bij de telkens terugkerende behoefte te herstellen; in welk bewustzijn dus ligt opgesloten, dat slechts hij deze behoefte zal kunnen bevredigen, in wie de van zichzelf niet meer machtige volkseenheid op een oorspronkelijke, dus goddelijke wijze is overgebracht. Men bemerkt nu snel, dat deze voorstelling op het hoogste wijst, waartoe in het algemeen de menselijke persoonlijkheid in staat is. Wij zullen daarom bij de menselijke onvolmaaktheid erop voorbereid moeten zijn, om tevreden te wezen met menige gebrekkige verwezenlijking van dit hoogste idee; ja wij zullen er ons niet over moeten verwonderen, dat niets zozeer misbruikt en misvormd wordt, dan deze goddelijke natuur van het koningschap. Maar juist daarom is dit Bijbelse ideaal van het Davidse koningschap ons tot norma (richtsnoer) en tot correctief (verbeteringsvoorbeeld) voorgesteld. Toen in het Oosten te Babel, Ninevé, Suzan en Persepolis, toen later in het westen te Rome de hoogste regeringsmacht als incarnatie (vleeswording, belichaming) van de hoogste Godheid gedacht en vereerd werd, was dit het spotbeeld van dat idee; want het goddelijke attribuut (kenteken, eigenschap) van de heerschappij berust hier niet op heilige gezindheid, op eenheid van de menselijke wil met de goddelijke, maar op het bezit van de oppermacht. De goddelijke hoogheid werd niet ontvangen en bereikt door de diepste zelfverloochening en ontlediging in de zwaarste strijd van de Geest: maar als een door wordt zij genomen en vastgehouden met de arm van het vlees. Langs deze weg wordt op het toppunt van de wereldmacht de plaats bereid, waar de laatste boosheid van de wereldgeschiedenis zich volkomen moet en zal ontwikkelen (2 Thessalonicenzen.2). In dit licht van de geschiedenis van het wereldrijk wordt ons het Davidische koningschap pas volkomen verstaanbaar. De weg, waarop David’s heerschappij werd gegrond en bevestigd, is zo helder, dat niet alleen Israël, dat David op deze weg met zijn ogen leidde, maar ook alle navolgende tijden en volken de in ieders menselijk geweten gedrukte voetstappen van de reine en heilige wandele, de onvervalsbare en onbedriegelijke sporen van de gerechtigheid, waarheid, liefde en trouw, de echte en ware kentekenen van de naar Gods beeld geschapen mensheid herkennen kunnen. Wij zullen ons daarom, zodra wij deze heldere gang van de geschiedenis opmerkzaam volgen, gemakkelijk overtuigen, dat in dit Davidische koningschap de plaats voorbereid werd, waar de goddelijke genade en waarheid haar werk voor de mensheid wil uitvoeren. Het volk Israël heeft een bestemming voor alle volkeren en alle tijden; want uit de Joden komt de zaligheid en de redding (Joh.4:
; alleen door Israël kan de door de zonde verloren gegane zegen van God weer aan de mensheid geschonken worden. Maar Israël, in zichzelf verdeeld en verscheurd, kon zijn bestemming niet vervullen; het behoefde het orgaan (werktuig), nodig voor het koningschap als voor het herstel van zijn eenheid. Dit orgaan is thans gevonden en opgericht. Omdat nu Israël slechts door dit heilige orgaan van het koningschap tot eendrachtige werkzaamheid kan worden gebracht, moet ook het koningschap duren, zolang Israël’s bestemming nog niet vervuld is, het koningschap moet bestaan, zolang Israël bestaat; en indien Israël’s bestaan geen einde neemt, zo moet ook David’s koningschap even eeuwig zijn als Israël’s aanwezen.
En het zal geschieden 1) indien vanwege de grote onvoorzichtigheid, waaraan wij ons door zo’n dolle onderneming hebben schuldig gemaakt, de grimmigheid van de koning opkomt en hij tot u zegt: Waarom zijt gij zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist gij niet, dat zij, in de belegerde stad, ook van de muur zouden schieten, en hen, die onder de poort strijden te hulp zouden komen tegen de belegeraars, zodat deze nooit te ver moeten doordringen, indien zij zich niet aan het grootste gevaar willen blootstellen?
Hoe hebben wij dit te verstaan? Is het alleen een geveinsde boodschap, d.w.z. doet Joab het aan de bode geveinsd voorkomen, dat de koning vertoornd zal worden over dit bericht, of vreest Joab werkelijk de toorn van de koning, omdat niet Uria alleen, maar ook vele anderen zijn verslagen. Wij veronderstellen het laatste. De koning heeft aan Joab opgedragen, om alleen Uria te doen sterven, en Joab heeft nog vele anderen aan een gewisse dood overgegeven. Hoewel hij betrekkelijk David in zijn macht heeft, zo is het hem toch niet hetzelfde, hoe de koning over hem denkt, of de koning vertoornd op hem is of niet. Merkt dan de bode, dat de toorn van de koning ontvlamt, dan moet hij zeggen: “Uw knecht Uria, de Hethiet, is ook dood,” niet om daarmee de toorn van de koning te stillen, maar om deze voorstelling van de zaak te geven en dit ligt o.i. in deze mededeling dat Uria, als overste, zonder verlof van Joab, een aanval op de stad heeft gewaagd, en nu niet alleen zelf het leven heeft verloren, maar ook dat van zijn onderbevelhebbers en soldaten op het spel heeft gezet. Joab is dan tevens gezuiverd van de blaam, dat hij zoveel mensenlevens gewaagd heeft en onnodig bloed heeft doen vergieten. Dat toch David een welgevallen aan de dood van Uria zou hebben, mocht de bode niet weten. Dit moest een geheim blijven tussen Joab en David.
Wie bij voorbeeld, om slechts één geval uit de vroegere krijgsgeschiedenis, die u tot waarschuwing had kunnen dienen, hier aan te voeren, sloeg Abimelech, de zoon van Jerubbeseth, (= Jerubbaäl of Gideon (2: 8 Richteren 6: 32)? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem, die zich te ver op de toren aan gewaagd had, van de muur, dat hij te Thebez stierf (Richteren 9: 50vv.)? Waarom hebt gij dan geen voorzichtigheid gebruikt, maar zijt gij tot de muur genaderd, en hebt gij u daardoor aan het bloed van de verslagenen schuldig gemaakt? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood; Dat is de talisman (het toverwoord), waarmee de bode de toorn van de koning moet bezweren. Wanneer hij over de nodeloze opoffering van mannen, die hem ter harte gaan, in woede ontvlamt, zal het noemen van de man, die hem niet aan het hart ligt, hem bedaren, zal diens dood hem met de dood van al die anderen verzoenen. Mislukt dit bezweringsmiddel niet, zoals het nauwelijks mislukken kan, dan heeft hij, Joab zelfs daarin het onbedriegelijkste kenteken, hoe David’s bedrijf omtrent Uria het licht niet kan verdragen, en hoezeer hij door diens moord de koning aan zich verplicht en voor altijd tot zijn knecht gemaakt heeft! O, ziet daar hoe weinig men vertrouwen kan op vrienden van de wereld, al hebben zij ook met lichaam en ziel ons trouw gezworen, als zij in ontrouw aan God de rechten van Zijn gerechtigheid verwerpen. “De beste onder hen is een doorn, de redelijkste een haai,” voor de dwaas, die er druiven van verwacht, groeien er niets dan bessen aan, waaraan zijn ziel het verderf eet.
Toen, bij de spanning waarmee hij het haastige bericht aanhoorde, bijna geen oor hebbende voor het verlies aan manschappen en helden, maar bij het bericht: Uria, de Hethiet, is ook dood, zich merkelijk verlicht en boven alle bezwaar verheven voelende, zei David tot de bode: Zo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, bekommer u verder niet over het geleden verlies; want het zwaard verteert zowel dezen als genen: het gaat nu eenmaal in de strijd niet anders toe, dan dat nu eens deze dan gene het zwaard ten offer valt; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor, verwoest ze; versterk hem alzo. Op zo’n bijna lichtvaardige wijze kon de man, die eenmaal iedere gemeenschap aan de moord van Abner, zijn tegenstander, zo plechtig van zich afweerde (3: 28vv.), hier met een fatalistische troostspreuk (alsof een aanhanger van de leer van een blind onvermijdelijk noodlot haar hem in de mond gelegd had), aan deze moordenaar vrijspraak geven en met hem gemene zaak makende, een meer dan tienvoudige doodslag op zijn geweten nemen. Maar verwonderen wij ons hierover niet al te zeer, want David is sinds die rampzalige nacht op het dak van zijn koninklijke huis niet meer zichzelf, en dat de wereld hem ook in zijn gesprek zo geheel als van de hunnen moet erkennen, omdat hij Gods naam in het geheel niet in de mond neemt, maar zo echt heidens zich uitdrukt, dat is aan de ene zijde voor ons een lafenis in dit leed. Maar aan de andere zijde moet ons des te vreselijker de verandering voorkomen, die in weinige weken tijd met de man naar God harte is voorgevallen.
Toen nu de vrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zeker zonder te vermoeden in welk verschrikkelijk verband deze dood tot haar en David’s zonde stond, zo droeg zij leed over haar heer, zolang de gewone rouwtijd duurde, d.i. zeven dagen lang (Genesis50: 10; 1 Samuel .31: 13). Menig rouwkleed liegt als dat van Bathseba.
En toen de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem tot vrouw en baarde hem, als vrucht van die onkuise omgang (vs.4), een zoon. 1) Maar deze dubbele met zo vele andere zonden verbonden boze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen van de HEERE. 2) Want al de tijd, die er verliep, totdat (12: 1vv.) Nathan bij hem kwam en hij beleed: Ik heb gezondigd tegen de Heere! trachtte David zijn schuld teverbloemen en de beschuldigingen van zijn geweten tot zwijgen te brengen (Psalm 32: 3,4).
Evenals het karakter van Mozes en Samuel (Num.31: 12 en “Ge 13: 9), zo is ook dat van David door de wijzen en verstandigen van deze wereld op de snoodste wijze belasterd geworden; zij schreeuwen moord en brand over zijn brief aan Joab en slaan de handen samen, dat er onder de vromen zulke booswichten zijn, maar bedenken daarbij niet, dat David thans juist niet als een vrome maar eigenlijk als een van hun gelijken, als een van de kinderen van deze wereld handelt, en bedenken niet, dat zij van David’s misdaden volstrekt niets zouden weten, indien niet de Heilige Schrift zelf zo zonder terughouding ze berichtte, en daardoor de zekerste waarborg voor haar geloofwaardigheid en heiligheid in zich droeg. Merkwaardig! Dezelfde Voltaire (een beroemd Frans dichter en prozaschrijver, door koning Frederik de Grote van Pruisen met eer- en gunstbewijzen overladen, gest. 1776), die zich tot zederechter over de man naar Gods hart opwierp, kon toen hij eens de 51ste Psalm in een spotlied wilde omwerken en tot aan het 12de vers: “Schep in mij een rein hart, o God! enz.” gekomen was, niet verder gaan; de pen viel hem uit de handen; want dat is de wonderbaarste en heiligste van alle beden, die ooit over mensenlippen gekomen is. Aan die bede wordt de spot van de goddelozen te schande gemaakt: de Heilige uit de hemel roept hun zelf een “Terug!” toe, en laat hen met hun duivelse scherts in dit heiligdom niet binnentreden. Wij daarentegen, die uit oprechtheid van hart spreken: Heere, doe mij Uw Woord, die hoogste schat behouden; want ik acht het boven de grootste rijkdom” wij willen enerzijds God in het stof danken, dat Hij ons de echtbreuk en doodslag van Zijn geliefde knecht in zo’n naakte, schokkende waarheid heeft laten vertellen, opdat wij leren vrezen voor de listen van ons hart en voor de verblindende en verleidende macht van de zonde; maar anderzijds willen wij ons ook verheugen, dat op dat teerste blad uit David’s leven nog een tweede volgt, dat ons vertelt van zijn bekering tot God en de verandering van zijn hart. Hoe meer David’s val ons tot ootmoed stemt, des te verrassender en te leerrijker wordt ons de aanschouwing van zijn boete en bekering. Koninklijk heeft David gezondigd (de wellust in het hart van een koning is de gevaarlijkste brand, want niemand zegt tot de koning: wat doet gij? (Prediker 8: 4) en heeft hij de algemene zwakheid en bedorvenheid van de mens in een onvergetelijk voorbeeld voor alle tijden geopenbaard, maar even koninklijk is ook zijn boete, die hij tot een onvergankelijk gedenkteken in een algemeen voorbeeld voorgesteld heeft voor aanzienlijken en geringen, hoe zij van hun zonden moeten en kunnen vrij worden. Wanneer in David’s zondige ogenblikken al het goddelijk licht, dat zijn weg tot dusver zo wonderbaar bestraalt, uitgeblust schijnt te zijn, straalt in zijn bekering dit licht in een geheel nieuwe glans; en deze nieuwe straal blinkt des te milder en krachtiger als David’s zondeval ieder mens, die in het vlees woont, juist tot gelijkheid met deze koning van Israël probeert te brengen.
Bij David trad het beeld van zijn ten hemel roepende zonde al meer en meer op de achtergrond, en hij zou langzamerhand in de toestand van de rampzaligste gerustheid zijn vervallen, indien zijn ziel zich niet zo dikwijls hij het wagen wilde om op de vroegere wijze weer God, de Heere, te naderen, de toegang tot diens troon had versperd gevonden. Wanneer hij bidden wilde, voelde hij zich als afgewezen en teruggestoten. De hemel had zich voor David gesloten, en zijn hoop stond stom en met stof bedekt in de hoek. Wij sidderen voor hem. Maar over hem waakt Hij, die Mozes van de hemel als een God hoorde prijzen, die barmhartig en genadig en lankmoedig en van grote goedertierenheid en trouw is. Die nooit meer verlaat degenen, die eenmaal in oprechtheid Hem hart en hand gaven. Al dwaalden de Zijnen tot op de rand van de hel af, toch gaat Hij hen na, om hen uit satans strikken te verlossen. Beschouwen wij de gangen van deze God in David’s leven.
God ziet en haat de zonde in Zijn eigen volk. Ja, hoe nauwer iemand door belijdenis en genade betrekking op God heeft, des te hatelijker zijn zijn zonden, want zij zijn meer vergezeld van ondankbaarheid, trouweloosheid en schandelijkheid, dan die van anderen. Dat daarom niemand uit dit voorbeeld van David aanleiding neemt om zich in de zonde toe te geven, of zich daarin te stijven, want zij die met hem zondigen, zullen ook, zoals hij gedaan heeft, de ogen van Gods heiligheid verbitteren.
In de zonde van David zien wij de natuur van de zonde zo duidelijk mogelijk, maar wij zien tevens, dat de Heere Zijn volk niet in de zonde laat blijven, en daarom Zijn aangezicht voor hen verbergt, opdat er straks weer niet alleen een inzicht zal komen in de schuld, maar ook een vragen om erbarmen. Zal dit echter, dan moet de Heere niet alleen negatief, maar ook positief werken, d.w.z. ook weer komen met Zijn Woord en Geest, om de schuldige te ontdekken aan zijn zonde en hem te doen schreien om vergeving. Dit zal de Heere ook doen bij David, zoals het volgende hoofdstuk ons doet zien.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel