Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En het geschieddeH1961 daarnaH310, dat DavidH1732 de FilistijnenH6430 sloegH5221, en bracht hen ten onder; en DavidH1732 namH3947 Meteg-AmmaH4965 uit der FilistijnenH6430 handH3027.
En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand.
Ook in dit vers
bracht hem ten onderH3665
KJV
And after2
this it came to pass, that David5
smote4
the Philistines,7
and subdued8
them: and David10
took9
Methegammah12
out of the hand14
of the Philistines.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ook sloegH5221 hij de MoabietenH4124, en matH4058 hen met een snoerH2256, doende hen ter aardeH776 nederliggenH7901; en hij matH4058 met tweeH8147 snoerenH2256 om te dodenH4191, en met een volH4393 snoerH2256 om in het levenH2421 te laten. Alzo werdenH1961 de MoabietenH4124 DavidH1732 tot knechtenH5650, brengendeH5375 geschenkenH4503.
Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Alzo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
KJV
And he smote1
Moab,3
and measured4
them with a line,5
casting them down6
to the ground;8
even with two10
lines11
measured9
he to put to death,12
and with one full13
line14
to keep alive.15
And so the Moabites17
became David's18
servants,19
and brought20
gifts.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DavidH1732 sloegH5221 ook Hadad-ezer, den zoonH1121 van RechobH7340, den koningH4428 van ZobaH6678, toen hij heentoog, om zijn handH3027 te wendenH7725 naar de rivierH5104 FrathH6578.
David sloeg ook Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
Ook in dit vers
toogH3212
KJV
David2
smote1
also Hadadezer,4
the son5
of Rehob,6
king7
of Zobah,8
as he went9
to recover10
his border11
at the river12
Euphrates.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En DavidH1732 namH3920 hem duizendH505 wagens afH4480, en zevenhonderdH7651 ruiterenH6571, en twintigH6242 duizendH505 manH376 te voetH7273; en DavidH1732 ontzenuwdeH6131 alleH3605 wagenpaardenH7393, en hieldH3498 daarvan honderdH3967 wagenenH7393 over.
En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.
KJV
And David2
took1
from him a thousand4
chariots, and seven5
hundred6
horsemen,7
and twenty8
thousand9
footmen:10
and David13
houghed12
all the chariot16
horses, but reserved17
of them for an hundred19
chariots.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En de SyriersH758 van DamaskusH1834 kwamenH935 om Hadad-ezer, den koningH4428 van ZobaH6678, te helpenH5826; maar DavidH1732 sloegH5221 van de SyriersH758 tweeH8147 en twintigH6242 duizendH505 manH376.
En de Syriers van Damaskus kwamen om Hadad-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriers twee en twintig duizend man.
Ook in dit vers
Hadad-H1909
KJV
And when the Syrians2
of Damascus3
came1
to succour4
Hadadezer5
king6
of Zobah,7
David9
slew8
of the Syrians10
two12
and twenty11
thousand13
men.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En DavidH1732 legde bezettingenH5333 in SyrieH758 van DamaskusH1834, en de SyriersH758 werdenH1961 DavidH1732 tot knechtenH5650, brengendeH5375 geschenkenH4503; en de HEEREH3068 behoeddeH3467 DavidH1732 overalH3605, waarH834 hij heentoogH1980.
En David legde bezettingen in Syrie van Damaskus, en de Syriers werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.
Ook in dit vers
leideH7760
KJV
Then David2
put1
garrisons3
in Syria4
of Damascus:5
and the Syrians7
became servants9
to David,8
and brought10
gifts.11
And the LORD13
preserved12
David15
whithersoever he went.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En DavidH1732 namH3947 de goudenH2091 schildenH7982 dieH834 bij Hadad-ezers knechtenH5650 geweest waren, en brachtH935 ze te JeruzalemH3389.
En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem.
KJV
And David2
took1
the shields4
of gold5
that were on the servants9
of Hadadezer,10
and brought11
them to Jerusalem.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Daartoe namH3947 de koningH4428 DavidH1732 zeerH3966 veelH7235 kopersH5178 uit BetachH984, en uit BerothaiH1268, stedenH5892 van Hadad-ezer.
Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer.
Ook in dit vers
Hadad-H1909
KJV
And from Betah,1
and from Berothai,2
cities3
of Hadadezer,4
king6
David7
took5
exceeding10
much9
brass.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Als nu ThoiH8583, de koningH4428 van HamathH2574, hoordeH8085, datH3588 DavidH1732 het ganseH3605 heirH2428 van Hadad-ezer geslagenH5221 had;
Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David het ganse heir van Hadad-ezer geslagen had;
Ook in dit vers
Hadad-H1909
KJV
When Toi2
king3
of Hamath4
heard1
that David7
had smitten6
all the host
of Hadadezer,11
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zo zondH7971 ThoiH8583 zijn zoonH1121 JoramH3141 totH413 den koningH4428 DavidH1732, om hem te vragenH7592 naar zijn welstandH7965, en om hem te zegenenH1288, vanwegeH5921 dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgdH3898 en hem geslagenH5221 had, (wantH3588 Hadad-ezer voerde steeds krijgH4421 tegen ThoiH8583); en in zijn handH3027 warenH1961 zilverenH3701 vatenH3627, en goudenH2091 vatenH3627, en koperenH5178 vatenH3627;
Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
Ook in dit vers
Hadad-H1909
KJV
Then Toi2
sent1
Joram4
his son5
unto king7
David,8
to salute9
him, and to bless12
him, because he had fought15
against Hadadezer,16
and smitten17
him: for Hadadezer23
had wars19
with Toi.21
And Joram brought with him24
vessels26
of silver,27
and vessels28
of gold,29
and vessels30
of brass:31
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Welke de koningH4428 DavidH1732 ookH1571 den HEEREH3068 heiligdeH6942, metH5973 het zilverH3701 en het goudH2091, datH834 hij geheiligdH6942 had van alleH3605 heidenenH1471, dieH834 hij zich onderworpenH3533 had;
Welke de koning David ook den HEERE heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had;
KJV
Which also king4
David5
did dedicate3
unto the LORD,6
with the silver8
and gold9
that he had dedicated11
of all nations13
which he subdued;15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Van SyrieH758, en van MoabH4124, en van de kinderenH1121 AmmonsH5983, en van de FilistijnenH6430, en van AmalekH6002, en van den roofH7998 van Hadad-ezer, den zoonH1121 van RechobH7340, den koningH4428 van ZobaH6678.
Van Syrie, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.
Ook in dit vers
Hadad-H1909
KJV
Of Syria,1
and of Moab,2
and of the children3
of Ammon,4
and of the Philistines,5
and of Amalek,6
and of the spoil7
of Hadadezer,8
son9
of Rehob,10
king11
of Zobah.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ook maakteH6213 zich DavidH1732 een naamH8034, als hij wederkwamH7725, nadatH4480 hij de SyriersH758 geslagenH5221 had, in het ZoutdalH1516, achttienH8083 duizendH505.
Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriers geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend.
KJV
And David2
gat1
him a name3
when he returned4
from smiting5
of the Syrians7
in the valley8
of salt,9
being eighteen10
thousand12
men.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En hij legde bezettingenH5333 in EdomH123; in gansH3605 EdomH123 legde hij bezettingenH5333; en alle EdomietenH123 werdenH1961 DavidH1732 tot knechtenH5650; en de HEEREH3068 behoeddeH3467 DavidH1732 overalH3605, waarH834 hij heentoogH1980.
En hij legde bezettingen in Edom; in gans Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.
Ook in dit vers
leideH7760
leideH7760
KJV
And he put1
garrisons3
in Edom;2
throughout all Edom5
put6
he garrisons,7
and all they of Edom10
became David's12
servants.11
And the LORD14
preserved13
David16
whithersoever he went.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Alzo regeerdeH4427 DavidH1732 overH5921 gansH3605 IsraelH3478, en DavidH1732 deedH6213 aan zijnH1961 ganse volkH5971 rechtH4941 en gerechtigheidH6666.
Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.
KJV
And David2
reigned1
over all Israel;5
and David7
executed8
judgment9
and justice10
unto all his people.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
JoabH3097 nu, de zoonH1121 van ZerujaH6870, was overH5921 het heirH6635; en JosafatH3092, zoonH1121 van AchiludH286, was kanselierH2142.
Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.
KJV
And Joab1
the son2
of Zeruiah3
was over the host;5
and Jehoshaphat6
the son7
of Ahilud8
was recorder;9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ZadokH6659, zoonH1121 van AhitubH285, en AchimelechH288, zoonH1121 van AbjatharH54, waren priestersH3548; en SerajaH8304 was schrijverH5608.
En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
KJV
And Zadok1
the son2
of Ahitub,3
and Ahimelech4
the son5
of Abiathar,6
were the priests;7
and Seraiah8
was the scribe;9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Er was ook BenajaH1141, zoonH1121 van JojadaH3077, met de KrethiH3774 en de PlethiH6432; maar DavidsH1732 zonenH1121 warenH1961 prinsenH3548.
Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
KJV
And Benaiah1
the son2
of Jehoiada3
was over both the Cherethites4
and the Pelethites;5
and David's7
sons6
were chief rulers.8
Meteg-amma
Dat is, den toom van Amma, of van den elleboog. Het schijnt ganselijk dat hierdoor verstaan wordt de koninklijke hoofdstad der Filistijnen, Gath, die uitdrukkelijk vermeld is 1 Kron. 18:1, en [gelijk sommigen menen] gelegen op een berg genoemd Amma, en hier geheten een toom, omdat zij door hare vastigheid en macht de omliggende plaatsen in bedwang hield, en der vijanden inval belette.
Hertaald:
Meteg-amma
Dat is: de teugel van Amma, of van de elleboog. Het lijkt er sterk op dat hiermee de koninklijke hoofdstad van de Filistijnen bedoeld wordt, Gath, die uitdrukkelijk vermeld wordt in 1 Kron. 18:1, en [zoals sommigen menen] gelegen was op een berg genaamd Amma, en hier een teugel genoemd wordt, omdat zij door haar sterkte en macht de omliggende plaatsen in bedwang hield en de vijand belette binnen te vallen.
mat hen met een snoer,
Dat is, hij deelde hun land bij meting, hetwelk men te dien tijde deed met snoeren of koorden, ombrengende bij loting de inwoners van twee delen, maar een volkomen deel latende in het leven. Of, hij deelde het volk in drie gelijke delen bij loting, zo gelijk, alsof zij met snoeren gemeten waren, enz. God had wel bevolen Ammon en Moab [als Loths nakomelingen] te verschonen, Deut. 2:9, Deut. 2:19, maar dewijl zij bittere vijandschap tegen Gods volk gepleegd hadden en met de vijanden aanspanden, zo heeft hen David, als zodanig, vijandelijk moeten behandelen. Zie Num. 22:2-4, enz., en Num. 24:17, en Num. 25:17-18, en Num. 31:2; Richt. 3:14, Richt. 3:21, Richt. 3:28, Richt. 3:30; 1 Sam. 14:47, en onder 2 Sam. 10:4, 2 Sam. 10:7, enz.
Hertaald:
mat hen met een snoer,
Dat is: hij verdeelde hun land door meting, wat men in die tijd deed met snoeren of koorden, waarbij hij door loting de inwoners van twee delen liet ombrengen, maar een volledig deel liet leven. Of: hij verdeelde het volk in drie gelijke delen door loting, zo gelijk alsof zij met snoeren gemeten waren, enzovoort. God had wel bevolen Ammon en Moab [als nakomelingen van Lot] te sparen, Deut. 2:9, Deut. 2:19, maar omdat zij bittere vijandschap tegen Gods volk gepleegd hadden en met de vijanden samenspanden, heeft David hen als zodanig als vijand moeten behandelen. Zie Num. 22:2-4, enzovoort, en Num. 24:17, en Num. 25:17-18, en Num. 31:2; Richt. 3:14, Richt. 3:21, Richt. 3:28, Richt. 3:30; 1 Sam. 14:47, en hieronder 2 Sam. 10:4, 2 Sam. 10:7, enzovoort.
doende hen ter aarde nederliggen;
Uit verachting hen ter aarde nederleggende. Of, hen alzo afmattende, dat zij als ter aarde nederbukten, mat en overwonnen zijnde.
Hertaald:
doende hen ter aarde nederliggen;
Uit verachting hen ter aarde neerleggend. Of: hen zo afmattend dat zij als het ware ter aarde neerbogen, moe en overwonnen.
geschenken
Tot een teken van onderdanigheid. Alzo onder, vs.6.
Hertaald:
geschenken
Tot een teken van onderdanigheid. Zo ook hieronder, vers 6.
Hadad-ézer,
Ook genoemd Hadarezer, 1 Kron. 18:3.
Hertaald:
Hadad-ézer,
Ook Hadarezer genoemd, 1 Kron. 18:3.
Zoba,
Zie 1 Sam. 14:47. Dit meent men geweest te zijn het gedeelte van Syrië, dat Sofene genoemd wordt; komende deze woorden Zoba, of Zova, en Sofene zeer na overeen. Zie ook onder, 2 Sam. 10:6.
Hertaald:
Zoba,
Zie 1 Sam. 14:47. Men neemt aan dat dit het deel van Syrië was dat Sofene genoemd wordt; deze woorden Zoba, of Zova, en Sofene lijken sterk op elkaar. Zie ook hieronder, 2 Sam. 10:6.
hij heentoog
David, of gelijk sommigen, Hadadezer.
Hertaald:
hij heentoog
David, of zoals sommigen menen, Hadadezer.
om zijn hand
Dat is, om zijn macht uit te strekken, enz. Anders, om zijn grenzen te stellen, of herstellen. [Hebreeuws, te doen wederkeren, of weder te brengen] aan de rivier Fraat; dat is Eufraat, welke landpale Israël van God beloofd was, en dienvolgens hem moest toegeëigend worden. Vergelijk 1 Kron. 18:3, en zie Gen. 15:18, enz.
Hertaald:
om zijn hand
Dat is: om zijn macht uit te breiden, enzovoort. Anders: om zijn grenzen vast te stellen, of te herstellen. [Hebreeuws: te doen terugkeren, of terug te brengen] tot aan de rivier Fraat; dat is: de Eufraat, welke grens door God aan Israël beloofd was, en daarom aan hem moest toekomen. Vergelijk 1 Kron. 18:3, en zie Gen. 15:18, enzovoort.
wagens af,
Dat is hier ingevoegd uit 1 Kron. 18:4, waar deze historie wordt wederhaald.
Hertaald:
wagens af,
Dit is hier ingevoegd uit 1 Kron. 18:4, waar deze geschiedenis herhaald wordt.
ruiteren,
Versta, [zoals enigen dit nemen] rotten van ruiters, elk rot bestaande uit tien, makende alzo tezamen zeven duizend ruiters, welk getal uitdrukkelijk staat 1 Kron. 18:4. Vergelijk 2 Sam. 10:18.
Hertaald:
ruiteren,
Versta: [zoals sommigen dit opvatten] groepen ruiters, elke groep bestaand uit tien, zodat er samen zevenduizend ruiters waren, welk aantal uitdrukkelijk staat in 1 Kron. 18:4. Vergelijk 2 Sam. 10:18.
alle
Uitgezonderd de honder, die hij behield, gelijk volgt.
Hertaald:
alle
Behalve de honderd die hij behield, zoals volgt.
wagenpaarden,
Of, wagens. Zie Joz. 11:6.
Hertaald:
wagenpaarden,
Of: wagens. Zie Joz. 11:6.
de Syriërs van Damaskus
Hebreeuws, Aram; dat is, Syrië. Zie Gen. 10:22, en Gen. 22:21, waardoor de Syriërs verstaan worden. Syrië van Damaskus was wel het voornaamste deel of koninkrijk onder al de gedeelten, landen, provinciën of koninkrijken, [waarvan enige verhaald worden, onder, 2 Sam. 10:6 ] , die onder Syrië begrepen waren; zijnde tot onderscheiding genoemd Syrië van Damaskus, van den naam der vermaarde hoofdstad van dit koninkrijk.
Hertaald:
de Syriërs van Damaskus
Hebreeuws: Aram; dat is: Syrië. Zie Gen. 10:22, en Gen. 22:21, waarmee de Syriërs bedoeld worden. Syrië van Damaskus was wel het voornaamste deel of koninkrijk onder alle gebieden, landen, provincies of koninkrijken, [waarvan enkele verteld worden hieronder, 2 Sam. 10:6], die onder Syrië begrepen waren; ter onderscheiding Syrië van Damaskus genoemd, naar de naam van de bekende hoofdstad van dit koninkrijk.
brengende geschenken;
Gelijk boven, vs.2.
Hertaald:
brengende geschenken;
Zoals hierboven, vers 2.
behoedde David overal,
Of, gaf David heil, of overwinning; waardoor het Hebreeuwse woord bekwamelijk kan worden genomen in krijgszaken. Alzo onder, vs.14, en 2 Sam. 22:51, en 2 Sam. 23:10, 2 Sam. 23:12; Ps. 20:6; Spr. 21:31, enz.
Hertaald:
behoedde David overal,
Of: gaf David heil, of overwinning; het Hebreeuwse woord kan in oorlogszaken goed zo opgevat worden. Zo ook hieronder, vers 14, en 2 Sam. 22:51, en 2 Sam. 23:10, 2 Sam. 23:12; Ps. 20:6; Spr. 21:31, enzovoort.
knechten geweest waren,
Dat is, officieren.
Hertaald:
knechten geweest waren,
Dat is: officieren.
Betach, en uit Beróthai,
Tibehat en Chun genoemd 1 Kron. 18:8.
Hertaald:
Betach, en uit Beróthai,
Tibehat en Chun genoemd in 1 Kron. 18:8.
Thoï,
Ook genoemd Thou, 1 Kron. 18:9.
Hertaald:
Thoï,
Ook Thou genoemd, 1 Kron. 18:9.
Hamath,
Zie Num. 13:21.
Hertaald:
Hamath,
Zie Num. 13:21.
Joram
Hadoram genoemd, 1 Kron. 18:10.
Hertaald:
Joram
Hadoram genoemd, 1 Kron. 18:10.
welstand,
Hebreeuws, naar vrede; dat is, om hem vriendelijk te begroeten. Zie Gen. 43:27.
Hertaald:
welstand,
Hebreeuws: naar vrede; dat is: om hem vriendelijk te begroeten. Zie Gen. 43:27.
zegenen,
Hem te begroeten en geluk te wensen vanwege de verkregen victorie, dat is [gelijk men zegt] te congratuleren.
Hertaald:
zegenen,
Hem te begroeten en geluk te wensen vanwege de behaalde overwinning, dat is [zoals men zegt] te feliciteren.
voerde steeds krijg tegen Thoï
Hebreeuws, was een man der krijgen van Thoï; dat is, hij deed hem steeds den oorlog aan, was zijn vijand en tegenstrijder, die hem niet ongekweld liet. Zie Gen. 9:20, en vergelijk Richt. 12:2; onder 2 Sam. 18:20, en 2 Kron. 35:21; Ps. 41:10.
Hertaald:
voerde steeds krijg tegen Thoï
Hebreeuws: was een man van de oorlogen van Thoï; dat is: hij voerde voortdurend oorlog tegen hem, was zijn vijand en tegenstander, die hem niet met rust liet. Zie Gen. 9:20, en vergelijk Richt. 12:2; hieronder 2 Sam. 18:20, en 2 Kron. 35:21; Ps. 41:10.
zijn hand
Dit is, Joram, de zoon van Thoï, had deze geschenken bij zich, onder zijn handen, gelijk men zegt. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 9:8; 2 Kon. 5:5, enz.
Hertaald:
zijn hand
Dit betekent dat Joram, de zoon van Thoï, deze geschenken bij zich had, onder zijn handen, zoals men zegt. Zie een soortgelijke manier van spreken 1 Sam. 9:8; 2 Kon. 5:5, enzovoort.
in het Zoutdal,
Te weten, maakte hij zich een naam, of, [staande] in het Zoutdal, enz. waarvan zie 2 Kon. 14:7. Dit dal lag aan het zuidelijke einde van de Zoutzee, aan het oostelijke einde van het gebergte der Edomieten of Seïr.
Hertaald:
in het Zoutdal,
Namelijk: hij maakte zich een naam, of [terwijl hij stond] in het Zoutdal, enzovoort, waarover zie 2 Kon. 14:7. Dit dal lag aan het zuidelijke einde van de Zoutzee, aan het oostelijke einde van het gebergte van de Edomieten of Seïr.
achttien duizend
Van de Edomieten, zie 1 Kron. 18:12, waarop vs.14 past. Vergelijk ook Ps. 60:2.
Hertaald:
achttien duizend
Van de Edomieten, zie 1 Kron. 18:12, wat past bij vers 14. Vergelijk ook Ps. 60:2.
David tot knechten;
En zijn nakomelingen, tot den tijd van Joram, Josafats zoon. Zie 2 Kon. 8:22.
Hertaald:
David tot knechten;
En zijn nakomelingen, tot de tijd van Joram, de zoon van Josafat. Zie 2 Kon. 8:22.
behoedde David overal,
Gelijk boven, vs.6.
Hertaald:
behoedde David overal,
Zoals hierboven, vers 6.
deed aan zijn ganse volk
Hebreeuws, was doende.
Hertaald:
deed aan zijn ganse volk
Hebreeuws: was doende.
recht en gerechtigheid
Zie Gen. 18:19.
Hertaald:
recht en gerechtigheid
Zie Gen. 18:19.
over het heir;
Dat is, generaal krijgsoverste.
Hertaald:
over het heir;
Dat is: opperbevelhebber van het leger.
kanselier
Zie 1 Kon. 4:3.
Hertaald:
kanselier
Zie 1 Kon. 4:3.
Zadok,
Van Aärons linie, door Eleazar, 1 Kron. 6:4, 1 Kron. 6:8, en 1 Kron. 24:3. Zie van dezen onder 2 Sam. 15:24, en 2 Sam. 20:25; 1 Kron. 16:39, en 1 Kron. 24:3, en 1 Kron. 29:22; idem 1 Kon. 1:8, 1 Kon. 1:32, 1 Kon. 1:38, en 1 Kon. 2:35.
Hertaald:
Zadok,
Uit de linie van Aäron, via Eleazar, 1 Kron. 6:4, 1 Kron. 6:8, en 1 Kron. 24:3. Zie hierover hieronder 2 Sam. 15:24, en 2 Sam. 20:25; 1 Kron. 16:39, en 1 Kron. 24:3, en 1 Kron. 29:22; ook 1 Kon. 1:8, 1 Kon. 1:32, 1 Kon. 1:38, en 1 Kon. 2:35.
Achimélech,
Van Aärons linie, door Ithamar en Eli, 1 Kron. 24:3.
Hertaald:
Achimélech,
Uit de linie van Aäron, via Ithamar en Eli, 1 Kron. 24:3.
priesters;
Van de ordeningen der priesteren zie Num. 3:32, en 2 Kon. 23:4.
Hertaald:
priesters;
Zie over de indeling van de priesters Num. 3:32, en 2 Kon. 23:4.
schrijver
Zie 1 Kon. 4:3.
Hertaald:
schrijver
Zie 1 Kon. 4:3.
Krethi en de Plethi;
Over welke Benaja overste was. Zie 2 Sam. 20:23; 1 Kron. 18:17. Van Krethi en Plethi, zie 1 Kon. 1:38.
Hertaald:
Krethi en de Plethi;
Over wie Benaja overste was. Zie 2 Sam. 20:23; 1 Kron. 18:17. Zie over de Krethi en de Plethi 1 Kon. 1:38.
prinsen
Of, hoofdofficieren. Van het Hebreeuwse woord [dat anders gemeenlijk priesters betekent], zie Gen. 41:45. Hier kan het geen priesters betekenen, omdat Davids zonen uit den stam van Juda waren, niet uit den stam van Levi. Dit woord wordt 1 Kron. 18:17 aldus verklaard: Davids zonen waren de eersten aan de hand des konings, of den koning ter hand, gelijk men zegt.
Hertaald:
prinsen
Of: hoofdofficieren. Zie over het Hebreeuwse woord [dat anders meestal priesters betekent] Gen. 41:45. Hier kan het geen priesters betekenen, omdat de zonen van David uit de stam van Juda waren, niet uit de stam van Levi. Dit woord wordt in 1 Kron. 18:17 zo verklaard: de zonen van David waren de eersten aan de hand van de koning, of de koning ter hand, zoals men zegt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Davids zuster Zeruja, broer van Abisaï en Asaël, en Davids voornaamste legeroverste. Hier voor het eerst als zodanig genoemd, streed hij bij Gibeon tegen Abner, waarbij zijn broer Asaël sneuvelde (2 Sam. 2:12-23). Hij zou later Abner uit wraak vermoorden (2 Sam. 3:27) en Davids trouwste, maar ook meest onbuigzame en gewelddadige, legeroverste blijven tot aan Davids dood. De koning van Zoba, die door David verslagen werd toen hij zijn macht aan de Eufraat wilde herstellen; David nam zijn hele leger, wagens en een grote buit aan koper (2 Sam. 8:3-8). Later huurde de koning van Ammon hem in tegen David, maar ook dan werd hij verslagen (2 Sam. 10). De zoon van de priester Jojada, uit Kabzeël, een van Davids dappere helden: hij versloeg twee 'leeuwachtige mannen' van Moab, doodde een leeuw in een kuil op een besneeuwde dag, en versloeg een reusachtige Egyptenaar met diens eigen speer (2 Sam. 23:20-22). David stelde hem aan over zijn lijfwacht van Krethi en Plethi (2 Sam. 8:18). Later zou hij trouw blijven aan Salomo bij diens troonsbestijging en hem als legeroverste dienen (1 Kon. 1-2). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Aram-Zoba lag ten noorden van Damaskus, in het gebied van de latere Bekavallei; Damaskus zelf, een van de oudste onafgebroken bewoonde steden ter wereld, aan de rand van de Syrische woestijn. Geschiedenis: David versloeg Hadadezer, de koning van Zoba, en nam een groot deel van zijn leger, wagens en ruiters gevangen; toen de Syriërs van Damaskus Hadadezer te hulp kwamen, versloeg David ook hen, doodde tweeëntwintigduizend man, en legde bezettingen in Damaskus, zodat de Syriërs David schatplichtig werden (2 Sam. 8:3-8). Koning Toï van Hamath, verheugd over Davids overwinning op zijn eigen vijand Hadadezer, zond zijn zoon met geschenken van goud, zilver en koper naar David (2 Sam. 8:9-12). Bijbelse betekenis: Onderdeel van de reeks overwinningen waarmee de HEERE Davids koninkrijk aanzienlijk uitbreidde, tot ver buiten de grenzen van het beloofde land zelf — een voorproefje van de vrede en welvaart die zijn zoon Salomo later zou genieten, en, in profetisch perspectief, een voorafschaduwing van de uiteindelijke, wereldomvattende heerschappij van de grotere Zoon van David. 2 Sam. 8:3-12; 10:6-19; 1 Kon. 11:23-25; Jes. 7:8; 17:1-3 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas David onderwerpt na elkaar de Filistijnen, de Moabieten, de Syriërs van Zoba en Damaskus, en later ook Edom (2 Sam. 8:1-6,13-14). Telkens wordt vermeld: "de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog" (2 Sam. 8:6,14). De buit — zilver, goud en koperen vaten, ook van koningen die David eerden in plaats van bestreden, zoals Thoï van Hamath — heiligt David "den HEERE", in plaats van het voor zichzelf te houden (2 Sam. 8:7-12). Het hoofdstuk sluit met een korte samenvatting van heel Davids regering: "David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid" (2 Sam. 8:15). Bijbelse betekenis: Deze verzen vatten in het kort samen wat de voorgaande hoofdstukken al lieten zien: een koningschap dat groeit, niet door Davids eigen kracht, maar doordat "de HEERE behoedde David", en dat zijn buit niet potten maar teruggeeft aan de HEERE Zelf. De slotzin — recht en gerechtigheid voor het hele volk — is de vrucht die van een koning naar Gods hart verwacht mag worden: niet alleen militaire overwinning, maar een regering die het volk zelf ten goede komt. Typologie: Dat een koning naar Gods hart de rechtvaardigheid liefheeft, wijst vooruit naar de Zoon, van Wie de Hebreeënbrief zegt: "Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat" (Hebr. 1:8-9). 2 Sam. 8:1-15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Samuël 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


2 Samuël 8
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-14.Kruisverwijzingen2 Samuël 8:14→Numeri 24:17→1 Kronieken 18:1→2 Samuël 10:19→2 Samuël 10:16→Jozua 11:6→Jozua 11:9→Psalmen 60:8→
— En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand. Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Alzo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. David sloeg ook Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over. En de Syriers van Damaskus kwamen om Hadad-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriers twee en twintig duizend man. En David legde bezettingen in Syrie van Damaskus, en de Syriers werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog. En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem. Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer. Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David het ganse heir van Hadad-ezer geslagen had; Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
Uit het tweede tiental jaren van David’s regering wordt ons thans een vluchtige optelling gegeven van een reeks van oorlogen, waardoor hij Israël’s heerschappij over al zijn vijanden van rondom grondvestte, en het heilige land, in de uitgebreidheid, die Gods beloften bepaald hadden, tot een eigendom van Abrahams nageslacht maakte. Van deze oorlogen tegen de Filistijnen (vs.1), Moabieten (vs.2), Syriërs (vs.8-11), Ammonieten, Amalekieten (vs.12) en Edomieten (vs.13,14), wordt die tegen de Amalekieten slechts ter loops aangehaald, maar die tegen de Ammonieten reeds nu in de opgave meegerekend, ofschoon hij pas later voorviel, tegen het einde van bovengemelde tijdruimte (10-12). Vergelijk 1 Kronieken 18: 1-3.
En het gebeurde daarna, in de volgende jaren, (van welk tijdstip af men moet rekenen, blijft onbepaald, zodat ons geschiedverhaal zeer goed vroeger kan worden geplaatst, dan het in 7 vertelde) dat David de Filistijnen, die hij reeds vroeger meermalen bestreden had (5: 17), geheel sloeg, en bracht hen ten onder, zodat zij verder steeds vergeefse pogingen deden om de oude strijd te vernieuwen (21: 15vv.), en David nam Meteg-Amma 1) uit de hand van de Filistijnen, zodat Israël eindelijk geheel vrij werd van de oppermacht van de Filistijnen.
De Hebreeuwse uitdrukking: metheg ha-ammah, die de Vulgaat met frenum tributi (Luther: Dienst-teugel) vertaald heeft, laat zich ook vertalen door toom, teugel, breidel van de moeder, waarbij dan moeder in de betekenis van hoofdstad kan genomen worden, zoals ook omgekeerd de steden, die van een hoofdstad afhankelijk zijn, dikwijls haar “dochters” heten (Num.21: 25,32 Joz.15: 45,47). Nu was de toenmalige hoofdstad in het Filistijnenland, die de toom of teugel over het gehele land in haar hand hield, dezelfde stad Gath, waarbij (Achis) koning David eenmaal een schuilplaats had gevonden (1 Samuel 21: 15); deze nam hij thans de Filistijnen af en kreeg daarmee ook de overige steden van de Filistijnen in zijn macht. Als wij de woorden zo verstaan, krijgen zij dezelfde betekenis, die in 1 Kronieken 18: 1 zonder beeldspraak wordt uitgedrukt: David nam Gath en haar onderhorige plaatsen uit de hand van de Filistijnen (Over Gath “Jos 13: 2” en “Jos 10: 29).
Ook sloeg hij de Moabieten, bij wie hij in de tijd van zijn vlucht voor Saul een even gastvrije ontvangst genoten had als bij de Filistijnen (1 Samuel .22: 3vv.), maar die later op dezelfde wijze als deze als vijanden van zijn rijk optraden, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde neerliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken, schatting. De krijgsgevangen Moabieten moesten op David’s bevel zich in rij en gelid op de grond neerleggen, waarop de rij werd afgemeten; twee derden ervan werden gedood, een derde gespaard. Dit decimeren had zeker daarin zijn reden, dat David naar de grondstelling van de wedervergelding, die de wet gebiedt (Ex 21: 15″ en “Ex 21: 24) zich gedwongen voelde om met de Moabieten te doen, zoals zij gewoon waren met hun vijanden te doen. Voor dergelijke gevallen van gruwelijke uitoefening van het krijgsrecht, zie Richteren 1: 6vv.; 2 Samuel .12: 31; 2 Kronieken 25: 12; 2 Koningen .15: 15. De Moabieten bleven aan Israël schatplichtig tot na Achabs dood (2 Koningen .3: 4,5); toen stonden zij op en werden nooit meer onderworpen.
David sloeg ook Hadad-ezer, = wiens helper Hadad de zonnegod van de Syriërs is, de zoon van Rechob, met welke laatste Saul eenmaal gestreden had (1 Samuel .14: 47), de koning van Zoba, een landschap noordoostelijk van Damascus; toen hij, Hadad-ezer, heenging naar die landstreek, om zijn hand te wenden 1) naar de rivier Frath.
Velen verstaan door hem, die heentrok, Hadad-ezer, en denken bij dit vers aan de geschiedenis: 10: 6-13 na de door Joab geleden nederlaag in de Ammonitisch-Syrische oorlog had Hadad-ezer zich naar de Eufraat teruggetrokken, om met nieuwe strijdkrachten zich uit te rusten, zodat niet een Syrisch-Edomitische oorlog in ons hoofdstuk en een Ammonitisch-Syrische in 10vv. onderscheiden zou moeten worden, maar er slechts van een enkele maar tegen drie vijanden tegelijk gerichte strijd sprake zijn kan, een Ammonitisch-Syrisch-Edomitische. Voor deze opvatting pleit veel; het bovengenoemde begunstigt echter de eerste opvatting, zodat men hier tot geen eindbeslissing kan komen.
In het Hebreeuws Lehaschib jado, d.i. om zijn hand te wenden, in de zin van, zijn macht terug te krijgen. Kennelijk is hier sprake van de koning van Zoba.
En David nam hem duizend wagens af en zevenhonderd ruiters, en twintigduizend man 1) te voet; en David ontzenuwde, in gehoorzaamheid aan het goddelijk gebod, (Deuteronomium 17: 16) alle wagenpaarden, zoals ook Jozua gedaan had (Joz.11: 9), 2) en hield daarvan slechts honderd wagens over als een gedenkteken van zijn zegepraal.
Het verschil van de opgaven in dit vers en de parallellen in 1 Kronieken 18 verklaart zich daaruit, dat in dit vers na het Hebreeuwse woord elef (duizend), het woord regev (wagens), uitgevallen is; want dat dit oorspronkelijk in de tekst gestaan heeft, bewijst de vermelding van de wagens in het vers zelf. Onze vertalers hebben het er dus zeer terecht ingevoegd. Wij krijgen dus als zuivere tekst: duizend wagens en zevenhonderd ruiters. Dit stemt nu wel nog niet met de Kronieken overeen, die ons zevenduizend ruiters opgeven, maar tot 20.000 man voetvolk staan 7.000 ruiters in de vlakten van Syrië zeker in een juistere verhouding dan 700, zodat wij aan de opgave van de Kronieken de voorrang moeten geven. In dit vers is waarschijnlijk na het uitvallen van het woord wagen het cijfer voor duizend met dat voor honderd verwisseld. Het aantal van de in gevangenschap geraakte krijgslieden laat zich verklaren uit de onderstelling, dat het gehele vijandelijke leger door David afgesneden en tot overgave genoodzaakt werd.
Ook: “Jos 11: 6” en “Jos 11: 9”.
En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs, zowel het gebied van Zoba, als dat van Damascus, werden David tot knechten, brengende geschenken, schatting, en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging (vs.15). De naam Syrië (in het Hebreeuws Aram, ter aanduiding van van Sem’s vijfde zoon (Genesis10: 21vv.) afstammende volkeren), omvat in zijn uitgestrektste betekenis het gehele gebied tussen het Taurus- en het Amanus-gebergte in het noorden, de Arabische woestijn en de grens van Egypte in het zuiden, de Middellandse Zee in het westen en de Eufraat in het oosten, zodat ook Phoenicië en Palestina daartoe gerekend worden (Luk.2: 2 Hand.21: 3 21.3); ja zelfs de vlakten tussen de Eufraat en de Tiger heten in de Hebreeuwse grondtekst niet zelden het vlakkeland, of de vlakte van Aram (Genesis25: 20 Hos.12: 13) en Aram van de beide stromen (Mesopotamië?) (Genesis24: 10 Psalm 60: 2). Wat echter gewoonlijk onder Syrië verstaan wordt, en waarvan wij hier alleen te spreken hebben, is het land aan de zijde van de Eufraat tot aan de Middellandse zee, zuidelijk tot aan de Libanon en Anti-Libanon reikende, van Phoenicië (2 Samuel 5: 11) door de Eleutherus gescheiden, en noordelijk tot aan de golf van Issus. Noordelijk van de Libanon rijst een noordwaarts zich uitstrekkende bergrug op, thans de zogenaamde Dschebel Nossairieh, die in het westen naar het kustland afdaalt, maar in het oosten in een grote vlakte op de Eufraat aan uitloopt en noordelijk door de Orontes wordt doorsneden; aan de overzijde van deze vloed begint een ander gebergte, namelijk het voorgebergte van de Taurus met takken in verschillende richting. Het binnenland wordt door de Orontes in het noordwesten besproeid; hij ontspringt op de Anti-Libanon, verenigt zich bij Baäl-bek of Heliopolis met kleinere stromen, neemt een noordwestelijke loop, terwijl hij reeds na weinig uren afstand van zijn oorsprong een grote hoeveelheid water vertoont, gaat tussen, met hoog gras en riet, rijk voorziene oevers voorbij de stad Riblath (2 Koningen .23: 33; 25: 6), en verder voorbij Emesa, dat misschien hetzelfde is als Helam (10:
, totdat hij zich bij Epipharia, het Bijbelse Hamath (Num.13: 22), zich noordwestelijk wendt, tussen de door Seleucus Nicator gestichte en naar zijn vader genoemde stad Antiochië en het daar tegenoverliggende Daphne doorstroomt, en niet ver van Seleucia insgelijks door Seleucus Nicator gebouwd (die daar ook begraven ligt), in zee valt. Oostelijk van Seleucia en Antiochië, op de Eufraat aan, ligt het oude Berrhoä, het tegenwoordig beroemde Haleb of Aleppo, in de streek waarvan een voortreffelijke, door de oud-Perzische koningen zeer hooggeschatte wijn groeide; dit is misschien de in Ezechiël.28: 18 vermelde plaats Helbon (wijn van Helbon, Luther “sterke wijn), maar Robinson heeft op zijn tweede reis haar teruggevonden in het dorp met dezelfde naam, ten noordwesten van Damascus, waar ook veel wijn gebouwd word. In het zuidoosten daarentegen wordt het land gedeeltelijk besproeid door de Chysorrhoas, die aan de oosterhelling van de Anti-Libanon ontspringend, aan een nauw op Damascus aan zich uitstrekkend dalgebied leven en wasdom geeft, terwijl het overige gedeelte van de oostelijke helling als volstrekt onbebouwd en onbewoond woestijngebied bij de inboorlingen de aan Afrika herinnerde naam van Sahara draagt. Deze stroom is zonder twijfel de in 2 Koningen .5: 12 genoemde Abana; haar water is schoon, helder en doorschijnend, daarentegen dat van de Jordaan (Jos 3: 1) troebel en van leemachtige kleur, waarom Naäman zeer natuurlijk de rivier uit zijn geboorteland voor beter kon houden, dan die in het land Israël. De Chrysorrhoas stroomt door Damascus heen en stroomt 4 of 5 uur oostelijk van de stad met twee armen in twee kleine meren. De op dezelfde plaats met haar opgenoemde Farpar is waarschijnlijk de andere rivier, die als zelfstandige stroom van enige betekenis is, de Awadsch, die uit de vereniging van enige beken ontstaat en zuidelijk van Damascus insgelijks in het meer uitstroomt. De weg van Damascus, in noordoostelijke richting naar de Eufraat, voert ons eerst naar Thadmor, of het bij Grieken en Romeinen genoemde Palmyra (1 Koningen .9: 18), een beroemde handelsstad, die in een oase ligt, die eenmaal buitengewoon vruchtbaar en rijkelijk met water voorzien was, en thans zeer verdord is. Van Thadmor loopt de weg naar de 3 à 4 dagreizen verwijderde Eufraat naar Tiphsah of Tahpsakus op het noordoostelijkste grenspunt van Salomo’s rijk (1 Koningen .4: 24), een landings- en losplaats voor de waren, die langs de Eufraat van Babylon komen of daarheen verzonden worden; maar de zuiver oostelijke weg brengt ons naar Hena (2 Koningen .18: 34), eertijds op een door de Eufraat gevormd eiland, thans aan beide oevers van de vloed gelegen. Gaan wij van Hena langs de oostelijke oever stroomopwaarts, zo komen wij eerst aan het landschap Ava of Iwa (2 Koningen .17: 24; 18: 34), verder, daar waar de Chaboras zich in de Eufraat ontlast, te Karchemisch of Circesium (Jer.46: 2). Van hier zou de rechte weg over Thadmor ons over Thelasser (2 Koningen .19: 12) voeren; maar wij volgen de stroom verder tot Thapsakus, steken hier de rivier over en komen op de naar Hamath leidende weg, na ongeveer een dagreis te Rezeph (2 Koningen .19: 12). Terwijl wij nu nog twee dagreizen de weg verlaten en in de richting op Emeza aan ons begeven, komen wij te Arphad (2 Koningen .18: 34; 19: 13), verder van daar, iets in het midden tussen Emeza en Thadmor, hebben wij ongetwijfeld het landschap Zoba te zoeken. Syrië is over het geheel een zeer vruchtbaar land, geschikt tot veefokkerij (vooral waren de Syrische schapen met vetstaarten beroemd) en van een zacht klimaat, dat dikwijls door aardbevingen en sprinkhanen-zwermen geteisterd wordt. De handel uit Oost-Azië naar de westelijke landen Arabië en Egypte nam zijn weg door Syrië, en Damascus was steeds een hoofdstapelplaats; aan die handel nam ook Israël soms deel door factorijen en bazaars, die het daar mocht oprichten (1 Koningen .20: 34). De naam “Syrië”, die het land bij de Griekse en Romeinse schrijvers voert en die in Luthers vertaling overal in de plaats van het Hebreeuws “Aram” staat, heeft het waarschijnlijk ontvangen van het land Kir (Jes.22: 6), van waar naar Amos 9: 7 de Arameeërs naar Syrië zijn getrokken, en waarheen (naar 2 Koningen .16: 9) koning Tiglat-Pilezer van Assyrië, de inwoners van Damascus voerde, waardoor de voorzegging in Amos 1: 3-5 vervuld werd. De geleerden zijn het met elkaar oneens, waar dit Kir ligt; sommigen verstaan daaronder een landstreek aan de rivier Cyrus, die in Armenië ontspringende, in haar benedenloop zich met de Araxes verenigt en in de Kaspische zee zich ontlast (Genesis2: 11); anderen denken aan het landschap Karina, ter plaatse waar Medië met Susiana (Elam) en Assyrië zich verenigt. Daar woonden de Semieten van Assyrische stam, die volgens de Medische keilinscripties (spijkerschrift) Ssur geheten waren, en van daar ging de naam Syrië over op het land tussen de Eufraat en de Middellandse Zee.
En David nam de gouden schilden, die bij Hadad-ezers knechten 1) geweest en door zijn vazallen en dienstknechten in de slag buitgemaakt waren, en bracht ze bij zijn zegevierende terugkeer te Jeruzalem.
Onder knechten hebben wij te verstaan zijn bevelhebbers en zijn vazallen, die met hem ten strijde waren opgetrokken.
Van Syrië (van Edom; (1 Kronieken 18: 11) en van Moab en van de kinderen van Ammon en van de Filistijnen en van Amalek en van de buit, van het buitgemaakte in de strijd met of van Haded-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 1)
Het was een goed voorteken van de vriendelijkheid jegens de heidenen in de volheid van de tijd, en van de openstelling van Gods huis tot een bedehuis voor alle volken, dat de tempel gebouwd werd van de buit en de geschenken van de heidense natiën. Zoals David de gouden afgoden van de heidenen verwoestte (2 Samuel .5: 21), maar hun gouden vaten de Heere heiligde, zo moet wanneer door de genade van de Zoon van David een ziel wordt overwonnen, al wat in strijd is met God worden weggedaan, iedere zondige lust gedood en gekruisigd worden; maar al wat Hem verheerlijken kan aan Hem toegewijd worden.
Ook maakte zich David een naam, toen hij terugkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had in het Zoutdal, aan het zuideinde van de Dode zee 1) (Genesis19: 29) terwijl hij thans door zijn beide veldheren Abisaï en Joabde Edomieten sloeg (1 Kronieken 18: 12; 1 Koningen .11:
achttienduizend, volgens een mindere schatting twaalfduizend (Psalm 60: 2). 2)
Deze vertaling is de alleen mogelijke, wanneer men de woorden neemt, zoals zij in de grondtekst luiden; uit de aangehaalde parallelplaatsen blijkt echter, dat de geschiedenis die vertaling weerspreekt, want niet de Syriërs maar de Edomieten heeft David door zijn veldheren geslagen in het Zoutdal. In ieder geval zijn in de tegenwoordige Hebreeuwse tekst, zoals de Masoreten die vastgesteld hebben, een peer woorden uitgevallen, zodat men vóór de woorden “in het Zoutdal” moet inlassen: “en hij sloeg de Edomieten”. De geschiedkundige toedracht is namelijk allerwaarschijnlijkst aldus: Terwijl David hoog boven in het noorden de Syriërs beoorloogde, maakten de Edomieten in hun vijandelijke gezindheid tegen Israël gebruik van het gunstige tijdstip om van het zuiden af in Palestina te vallen, richtten in het van troepen ontblote land een groot bloedblad aan, en waren reeds voornemens om ook op Jeruzalem aan te rukken en zo al de voordelen, die David tot dusver zich had weten te verwerven, hem te ontnemen. Op deze bijzonder benauwde toestand van Gods volk hebben Psalm 44 en Psalm 60 betrekking, de eerste een Psalm van de kinderen van Korach, door hen te midden van de ellende gezongen, terwijl de koning nog in Syrië en dus afwezig was, de laatste door David zelf vervaardigd, toen er aanvankelijk verlossing kwam. Allereerst toch werd Abisaï met een legerafdeling, uit Syrië, waar de toenmalige oorlog nog niet geheel ten einde gebracht was, tegen de Edomieten afgezonden, die hij dan ook tot over de zuidgrens van de Dode Zee terugdreef; maar daarop volgde het hoofdleger onder Joab. Deze liet de in de algemene verwarring onbegraven gebleven doden op ordelijke wijze ter aarde bestellen (1 Koningen .11: 15), verenigde zich met zijn broeder Abisaï in het Zoutdal, toen deze juist de Edomieten een grote nederlaag had toegebracht en bracht gedurende zijn verblijf van zes maanden in Edom alle strijdbare manschappen om, die hem daar in handen vielen.
Door vergelijking met de gelijkluidende teksten in de boeken der Kronieken blijkt, dat beide berichten elkaar aanvullen. Wordt hier niet vermeld de oorlog tegen de Edomieten, daar wordt geen gewag gemaakt van de strijd tegen de Syriërs. Dit bewijst niet, dat beide berichten met elkaar in strijd zijn, maar dat het ene op het ene en het andere op het andere feit opmerkzaam wil maken. In vs.12 wordt ook nog gewag gemaakt van de Amalekieten en Ammonieten van wie overigens in dit hoofdstuk niets wordt vermeld. Maar alle vijanden van Israël worden opgesomd, opdat daardoor zou worden bewezen, dat de Heere David straks rust had gegeven van al zijn tegenstanders. De Edomieten waren bondgenoten van de Syriërs, daarom wordt hier geen afzonderlijke vermelding van hen gemaakt.
Men ergere zich niet aan de verschillende berekeningen van het aantal vijanden, die in de slag vielen. Ook in de zevenjarige oorlog werden na de slag bij Lissa op de eerste dag slechts 8-12.000 man gevangenen geteld, maar bij de telling van de volgende dagen verkreeg men 22.000 man.
En hij, David legde bezettingen in Edom “(Nu 20: 17), in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden van toen af David tot knechten; 1) en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging,
vgl. de uitstorting van zijn dankbaar gemoed in 7: 18vv.
Pas nu werd Isaak’s zegen vervuld, waarbij Jakob tot heer van Ezau werd gemaakt (Genesis27: 37-40); en de Edomieten bleven aan de koningen van Juda, zoals de Moabieten aan die van Israël, schatplichtig, totdat zij in Jorams tijd opstonden (2 Kronieken 21: 8). Izaak voorzegt ook, dat Ezau in verloop van tijd het juk van zijn hals zou afrukken. Door deze overwinningen verzekerde David de vrede en verzamelde hij schatten voor zijn zoon, opdat die de tempel kon bouwen. God gebruikt sommigen van Zijn dienaars in de geestelijke strijd, anderen in de geestelijke bouw; de een werkt ter voorbereiding van andermans arbeid, maar van alles heeft God de eer.
David, door op zo’n wijze over zijn vijanden te zegepralen, bezorgde zijn zoon een gerust en vreedzaam koninkrijk, opdat hij tijd en gelegenheid mocht hebben, om een tempel te bouwen.
Hij beschikte tevens zijn zoon de schatten en de voorraad, die daartoe nodig waren. God gebruikt Zijn dienaren verscheiden: sommigen tot deze, anderen tot een andere dienst, sommigen tot geestelijke strijdvoering, anderen tot geestelijke stichting en opbouw. De een maakt gereedheid voor de ander, en allen hebben ze een en hetzelfde oogmerk, te weten, de verheerlijking van Gods Naam, en dat God door allen mogen gediend en geprezen worde. Alle overwinningen van David waren voorbeeld van de voorspoed van het Evangelie tegen het koninkrijk van de satan, en overeenkomstig hiermee rijdt David’s Zoon voorspoedig op het Woord van Waarheid als een groot overwinnaar.
II. Vs. 15-18.Kruisverwijzingen1 Koningen 4:3→1 Samuël 30:14→1 Kronieken 11:6→2 Samuël 15:18→2 Samuël 20:7→1 Kronieken 18:17→2 Samuël 19:13→1 Kronieken 6:8→
— Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid. Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier. En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
Zoals bij de passage 1 Samuel .14: 47-52 met de opgave van de krijgsondernemingen van Saul, waarmee hij de roeping van het Israëlitisch koningschap begon te vervullen, een korte voorstelling verbonden werd van zijn familiebetrekkingen en zijn militaire instellingen, zo volgt ook hier op de korte opgave van David’s oorlogen en zegepralen, waarmee hij aan de roeping, die Saul niet volbracht, voldeed, een naamsopgave van zijn rijksambtenaren, terwijl zijn familiezaken gedeeltelijk reeds bekend, gedeeltelijk in de verdere geschiedenis van zijn regering zo nauw zijn samengevlochten, dat de verdere mededelingen daarover beter daar haar plaats zullen vinden.
Zo regeerde David over geheel Israël, 1) en David deed, door zijn evenzeer in de juiste geest gevoerde als door den Heere gezegende regering, aan zijn gehele volk recht en gerechtigheid. 2)
In welke geest David zich voorgenomen had te regeren, spreekt hij uit in de 101ste Psalm, waarvan de lezing juist hier, nu wij in de volgende verzen van zijn beambten zullen horen, op zichzelf zeer belangrijk is. Enige uitleggers menen vanwege de weemoedige en een vurig verlangen uitdrukkende vraag in vs.2: Wanneer zult Gij tot mij komen (Luther voegt de woorden bij de voorafgaande zin en vertaalt: “bij hen, die mij toebehoren) dat deze Psalm gemaakt is in de tijd, dat David dacht te moeten afzien van het terugbrengen van de verbondskist van Kirjath-Jearim (6: 9vv.); maar in zijn gehele inhoud wijst de Psalm op dat tijdvak van David’s regering, waarin wij met de voor ons liggende passage ons bevinden. Want niet slechts wordt Jeruzalem in vs.8 kortaf “de stad van de Heere” genoemd, waaruit blijkt, dat de Ark zich reeds in Jeruzalem (6: 11vv.) bevond, en dit reeds stellig het godsdienstig middelpunt van het volk geworden was, maar de Psalm heeft ook de door Nathan aan David gedane belofte (7: 4vv.) en de zekerheid hem daardoor geschonken, dat hij, anders dan Saul, in zijn stam zou voortregeren, in het algemeen tot uitgangspunt en grondslag.
Hierin is David type van Christus, die Zijn volk recht en gerechtigheid doet, hen redt en zaligt, en regeert in de weg van recht en op de paden van gerechtigheden.
En Zadok (= rechtvaardig), zoon van Ahitub, uit de lijn van Eleazar (1 (Kronieken 6: 50-53), en Achimelech, zoon van Abjathar, 1) die alleen ontkwam aan de moord, die Saul op de priesters te Nob pleegde (1 Samuel .22: 20vv.), waren de een bij de tabernakel te Gibeon (1 Samuel 22: 19), de ander bij de ark op Sion (6: 17), priesters die de hogepriesterlijke werkzaamheden verrichtten (Nu 25: 13″ en “1 Samuel 2: 3); en Seraja of Seja (20: 25), ook Sausa (1 Kronieken 18: 16) of Sesa geheten (1 Koningen .4: 3) was schrijver, naar onze spreekmanier: Staatssecretaris.
Het valt in het oog, dat niet Abjathar zelf genoemd is, waarom vele uitleggers beide namen hebben willen verwisselen: Abjathar, de zoon van Achimelech. Intussen was niet alleen Abjathar’s vader maar ook zijn oudste zoon Achimelech geheten (1 Kronieken 24: 6); zijn jongste zoon was Jonathan (15: 27; 17: 17,20; 1 Koningen .1: 42vv. was in de tijd, waarvan deze passage spreekt, reeds bijna 50 jaar oud (1 Samuel 2: 32); hij kon dus zeer wel een zoon van 25 jaar hebben, en daar hij misschien ziekelijk was, trad deze zoon op in de hogepriesterlijke werkzaamheden, ofschoon hij zelf het ambt behield tot op zijn 80ste jaar, toen hij werd afgezet (1 Koningen .2: 26).
Er was ook Benaja (= zoon van de Heere), zoon van Jojada, een zeer dapper held van Kabzeël, een stad in zuidelijk Juda (23: 20) met de Krethi en de Plethi; dat is: de overste van de scherprechters en lopers, van de koninklijke lijfwacht (1 Samuel 22: 17)maar David’s zonen (3: 2vv.) waren prinsen (Luther: priesters 1) juister: geheimraden van de koning, die onmiddellijke toegang hadden tot zijn persoon, en anderen in die toegang bevorderlijk waren, naar 1 Kronieken 18: 17 de eersten aan de hand of zijde van de koning.
Het aan het Hebreeuws tot grondslag liggende werkwoord betekent: toegang hebben tot een persoon, die anders voor ieder ontoegankelijk is, en anderen in die toegang bevorderlijk zijn. In betrekking tot God geldt dit van de priester (Ex 28: 1), maar in betrekking tot de koning die, vooral in het Oosten, een gewoonlijk ontoegankelijk persoon is, geldt dit van zijn geheimraden of vertrouwden (Luther: vrienden), waarmee in 1 Koningen .4: 5 de titel Cohen wordt verklaard, in een tijd waarin die titel reeds begon te verouderen.
In het stamverwant Arabisch betekent Kahana (het Hebreeuws Kahan), iemands zaken behartigen en het zelfstandig naamwoord, daarvan afgeleid, bestuurder van iemands zaak. In 1 Koningen .4: 5 wordt dan ook dit woord verruild met, vriend van de koning. Zij waren daarom leden van zijn geheimraad.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel