Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En het geschieddeH1961daarnaH310, dat DavidH1732 den HEEREH3068vraagdeH7592, zeggendeH559: Zal ik optrekkenH5927 in eenH259 der stedenH5892 van JudaH3063? En de HEEREH3068zeideH559totH413 hem: TrekH5927 op. En DavidH1732zeideH559: Waarheen zal ik optrekkenH5927? En Hij zeideH559: Naar HebronH2275.En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
KJVAnd it came to pass after this,2that David5enquired4of the LORD,6saying,7Shall I go up8into any9of the cities10of Judah?11And the LORD13said12unto him, Go up.15And David17said,16Whither shall I go up?19And he said,20Unto Hebron.21
1וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2אַֽחֲרֵיH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with3כֵ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you4וַיִּשְׁאַל֩H7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish5דָּוִ֨דH1732David, DavidsDavid6בַּֽיהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7לֵאמֹר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8הַאֶעֱלֶ֗הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work9בְּאַחַת֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,10עָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town11יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah12וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14אֵלָ֖יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15עֲלֵ֑הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work16וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet17דָּוִ֛דH1732David, DavidsDavid18אָ֥נָהH575Hoe, waarhenen, lang[phrase] any (no) whither, now, where, whither(-soever)19אֶעֱלֶ֖הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work20וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet21חֶבְרֹֽנָהH2275HebronHebron
2Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Alzo toogH5927DavidH1732derwaartsH8033 op, als ookH1571 zijn tweeH8147vrouwenH802, AhinoamH293, de JizreelietischeH3159, en AbigailH26, de huisvrouwH802 van NabalH5037, den KarmelietH3761.Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
KJVSo David3went up1thither, and his two5wives6also, Ahinoam7the Jezreelitess,8and Abigail9Nabal's11wife10the Carmelite.12
1וַיַּ֤עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2שָׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid4וְגַ֖םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea5שְׁתֵּ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two6נָשָׁ֑יוH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English7אֲחִינֹ֨עַם֙H293AhinoamAhinoam8הַיִּזְרְעֵלִ֔יתH3159JizreelietischeJezreelitess9וַאֲבִיגַ֕יִלH26AbigailAbigal10אֵ֖שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English11נָבָ֥לH5037NabalNabal12הַֽכַּרְמְלִֽיH3761KarmelietCarmelite
3Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Ook deed DavidH1732 zijn mannenH582optrekkenH5927, dieH834bijH5973 hem waren, een iegelijkH376 met zijn huisgezinH1004; en zij woondenH3427 in de stedenH5892 van HebronH2275.Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
KJVAnd his menthat were with him did David5bring up,4every man1with his household:7and they dwelt8in the cities9of Hebron.10
1וַאֲנָשָׁ֧יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)2אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3עִמּ֛וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4הֶעֱלָ֥הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work5דָוִ֖דH1732David, DavidsDavid6אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7וּבֵית֑וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8וַיֵּשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9בְּעָרֵ֥יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town10חֶבְרֽוֹןH2275HebronHebron
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Daarna kwamenH935 de mannenH582 van JudaH3063, en zalfdenH4886aldaarH8033DavidH1732 tot een koningH4428overH5921 het huisH1004 van JudaH3063. Toen boodschaptenH5046 zij DavidH1732, zeggendeH559: Het zijn de mannenH582 van JabesH3003 in GileadH1568, dieH834SaulH7586begravenH6912 hebben.Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
KJVAnd the menof Judah3came,1and there they anointed4David7king8over the house10of Judah.11And they told12David,13saying,14That the menof Jabeshgilead16were they that buried19Saul.21
1וַיָּבֹ֨אוּ֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah4וַיִּמְשְׁחוּH4886gezalfd, zalven, zalfdeanoint, paint5שָׁ֧םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7דָּוִ֛דH1732David, DavidsDavid8לְמֶ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah12וַיַּגִּ֤דוּH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter13לְדָוִד֙H1732David, DavidsDavid14לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet15אַנְשֵׁי֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)16יָבֵ֣ישׁH3003JabesJobesh (-Gilead)17גִּלְעָ֔דH1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite18אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection19קָבְר֖וּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)20אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21שָׁאֽוּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
5Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Toen zondH7971DavidH1732bodenH4397totH413 de mannenH582 van JabesH3003 in GileadH1568, en hij zeideH559totH413 hen: GezegendH1288 zijt gijH859 den HEEREH3068, dat gij dezeH2088weldadigheidH2617gedaanH6213 hebt aan uw heerH113, aan SaulH7586, en hebt hem begravenH6912.Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
KJVAnd David2sent1messengers3unto the menof Jabeshgilead,6and said8unto them, Blessed10be ye of the LORD,12that ye have shewed14this kindness15unto your lord,18even unto Saul,20and have buried21him.
1וַיִּשְׁלַ֤חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3מַלְאָכִ֔יםH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5אַנְשֵׁ֖יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6יָבֵ֣ישׁH3003JabesJobesh (-Gilead)7גִּלְעָ֑דH1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite8וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10בְּרֻכִ֤יםH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank11אַתֶּם֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you12לַֽיהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עֲשִׂיתֶ֜םH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15הַחֶ֣סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing16הַזֶּ֗הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)17עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)18אֲדֹֽנֵיכֶם֙H113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'19עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)20שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul21וַֽתִּקְבְּר֖וּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)22אֹתֽוֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
6Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Zo doeH6213nuH6258 de HEEREH3068 aan u weldadigheidH2617 en trouwH571! En ik ookH1571, ik zal aan u dit goedeH2896 doen, dewijl gij deze zaakH1697 gedaan hebt.Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
KJVAnd now the LORD3shew2kindness5and truth6unto you: and I also will requite9you this kindness,11because ye have done14this thing.15
1וְעַתָּ֕הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2יַֽעַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4עִמָּכֶ֖םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)5חֶ֣סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing6וֶאֱמֶ֑תH571waarheid, trouw, waarachtigassured(-ly), establishment, faithful, right, sure, true (-ly, -th), verity7וְגַ֣םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea8אָנֹכִ֗יH595ik, mijI, me, [idiom] which9אֶעֱשֶׂ֤הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10אִתְּכֶם֙H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix11הַטּוֹבָ֣הH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)12הַזֹּ֔אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus13אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עֲשִׂיתֶ֖םH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15הַדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work16הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
7En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En nuH6258, laat uw handenH3027sterkH2388zijnH1961, en zijt dapperH1121, dewijlH3588 uw heerH113SaulH7586gestorvenH4191 is; en ookH1571 hebben mij die van het huisH1004 van JudaH3063 tot koningH4428overH5921 zich gezalfdH4886.En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
KJVTherefore now let your hands3be strengthened,2and be ye valiant:5for your master9Saul10is dead,8and also the house14of Judah15have anointed13me king16over them.
1וְעַתָּ֣הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2תֶּחֱזַ֣קְנָהH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand3יְדֵיכֶ֗םH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves4וִֽהְיוּ֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use5לִבְנֵיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6חַ֔יִלH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)7כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8מֵ֖תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise9אֲדֹנֵיכֶ֣םH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'10שָׁא֑וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul11וְגַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea12אֹתִ֗יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13מָשְׁח֧וּH4886gezalfd, zalven, zalfdeanoint, paint14בֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15יְהוּדָ֛הH3063JudaJudah16לְמֶ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal17עֲלֵיהֶֽםH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
8Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8AbnerH74 nu, de zoonH1121 van NerH5369, de krijgsoversteH8269, dienH834SaulH7586 gehad had, namH3947IsbosethH378, SaulsH7586zoonH1121, en voerdeH5674 hem over naar MahanaimH4266,Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
9En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En maakte hem ten koningH4427 over GileadH1568, en over de AschurietenH805, en over JizreelH3157, en overH5921EfraimH669, en overH5921BenjaminH1144, en overH5921gansH3605IsraelH3478.En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.
KJVAnd made him king1over Gilead,3and over the Ashurites,5and over Jezreel,7and over Ephraim,9and over Benjamin,11and over all Israel.13
1וַיַּמְלִכֵ֨הוּ֙H4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הַגִּלְעָ֔דH1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite4וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הָאֲשׁוּרִ֖יH805Aschurieten, AssurietenAsshurim, Ashurites6וְאֶֽלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7יִזְרְעֶ֑אלH3157Jizreel, JizreelaJezreel8וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9אֶפְרַ֨יִם֙H669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites10וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11בִּנְיָמִ֔ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin12וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14כֻּלֹּֽהH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)
10Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10VeertigH705jarenH8141 was IsbosethH378, SaulsH7586zoonH1121, oudH1121, als hij koningH4427 werd overH5921IsraelH3478; en hij regeerdeH4427 het tweedeH8147jaarH8141; alleenlijk die van het huisH1004 van JudaH3063volgdenH1961DavidH1732naH310.Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
KJVIshbosheth4Saul's7son1was forty2years3old6when he began to reign8over Israel,10and reigned13two11years.12But the house15of Judah16followed18David.19
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אַרְבָּעִ֨יםH705veertig, veertigste, Veertig-forty3שָׁנָ֜הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)4אִֽישׁH378Isboseth, IsbosethsIsh-bosheth5בֹּ֣שֶׁתH378Isboseth, IsbosethsIsh-bosheth6בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7שָׁא֗וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul8בְּמָלְכוֹ֙H4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael11וּשְׁתַּ֥יִםH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two12שָׁנִ֖יםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)13מָלָ֑ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely14אַ֚ךְH389doch, alleen; voorzekeralso, in any wise, at least, but, certainly, even, howbeit, nevertheless, notwithstanding, only, save, surely, of a surety, truly, verily, [phrase] wherefore, yet (but)15בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)16יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah17הָי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use18אַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with19דָוִֽדH1732David, DavidsDavid
11Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Het getalH4557 nu der dagenH3117, dieH834DavidH1732koningH4428 geweest is te HebronH2275, overH5921 het huisH1004 van JudaH3063, is zevenH7651jarenH8141 en zesH8337maandenH2320.Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
KJVAnd the time2that David6was king7in Hebron8over the house10of Judah11was seven12years13and six14months.15
1וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִסְפַּ֣רH4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time3הַיָּמִ֔יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הָיָ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use6דָוִ֥דH1732David, DavidsDavid7מֶ֛לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal8בְּחֶבְר֖וֹןH2275HebronHebron9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah12שֶׁ֥בַעH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)13שָׁנִ֖יםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)14וְשִׁשָּׁ֥הH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth15חֳדָשִֽׁיםH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon
12Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Toen toogH3318AbnerH74, de zoonH1121 van NerH5369, uit, met de knechtenH5650 van IsbosethH378, den zoonH1121 van SaulH7586, van MahanaimH4266 naar GibeonH1391.Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
13Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13JoabH3097, de zoonH1121 van ZerujaH6870, en de knechtenH5650 van DavidH1732, togenH3318 ook uit; en zij ontmoettenH6298 elkander bijH5921 den vijverH1295 van GibeonH1391; en zij blevenH3427, deze aan deze zijde des vijversH1295, en die aanH5921geneH2088 zijde des vijversH1295.Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
KJVAnd Joab1the son2of Zeruiah,3and the servants4of David,5went out,6and met7together11by the pool9of Gibeon:10and they sat down,12the one on the one side of the pool,15and the other on the other side of the pool.19
1וְיוֹאָ֨בH3097Joab, JoabsJoab2בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3צְרוּיָ֜הH6870ZerujaZeruiah4וְעַבְדֵ֤יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant5דָוִד֙H1732David, DavidsDavid6יָֽצְא֔וּH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter7וַֽיִּפְגְּשׁ֛וּםH6298ontmoeten, ontmoette, aantrofmeet (with, together)8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9בְּרֵכַ֥תH1295vijvers, vijver, watervijver(fish-) pool10גִּבְע֖וֹןH1391GibeonGibeon11יַחְדָּ֑וH3162samen, tezamenalike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal12וַיֵּ֨שְׁב֜וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry13אֵ֤לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15הַבְּרֵכָה֙H1295vijvers, vijver, watervijver(fish-) pool16מִזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)17וְאֵ֥לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)18עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19הַבְּרֵכָ֖הH1295vijvers, vijver, watervijver(fish-) pool20מִזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
14En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En AbnerH74zeideH559totH413JoabH3097: Laat zich nu de jongensH5288opmakenH6965, en voor ons aangezichtH6440spelenH7832. En JoabH3097zeideH559: Laat hen zich opmakenH6965.En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
KJVAnd Abner2said1to Joab,4Let the young men7now arise,5and play8before9us. And Joab11said,10Let them arise.12
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אַבְנֵר֙H74Abner, Abners, Abi-Abner3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹאָ֔בH3097Joab, JoabsJoab5יָק֤וּמוּH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)6נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh7הַנְּעָרִ֔יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)8וִֽישַׂחֲק֖וּH7832lachen, belacht, spelenderide, have in derision, laugh, make merry, mock(-er), play, rejoice, (laugh to) scorn, be in (make) sport9לְפָנֵ֑ינוּH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11יוֹאָ֖בH3097Joab, JoabsJoab12יָקֻֽמוּH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)
15Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Toen maaktenH6965 zich op, en gingenH5674 over in getalH4557, twaalfH8147 van BenjaminH1144, te weten voor IsbosethH378, SaulsH7586zoonH1121, en twaalfH8147 van DavidsH1732knechtenH5650.Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
KJVThen there arose1and went over2by number3twelve4of Benjamin,6which pertained to Ishbosheth7the son9of Saul,10and twelve11of the servants13of David.14
1וַיָּקֻ֖מוּH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2וַיַּעַבְר֣וּH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath3בְמִסְפָּ֑רH4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time4שְׁנֵ֧יםH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two5עָשָׂ֣רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)6לְבִנְיָמִ֗ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin7וּלְאִ֥ישׁH378Isboseth, IsbosethsIsh-bosheth8בֹּ֨שֶׁת֙H378Isboseth, IsbosethsIsh-bosheth9בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul11וּשְׁנֵ֥יםH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two12עָשָׂ֖רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)13מֵעַבְדֵ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant14דָוִֽדH1732David, DavidsDavid
16En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En de een greepH2388 den anderH7453 bij het hoofdH7218, en stiet zijn zwaardH2719 in de zijde des anderen, en zij vielenH5307 te zamenH3162; daarvan noemdeH7121 men dezelveH1931plaatsH4725Chelkath-HazurimH2521, die bij GibeonH1391 is.En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.
KJVAnd they caught1every one2his fellow4by the head,3and thrust his sword5in his fellow's7side;6so they fell down8together:9wherefore that place11was called10Helkathhazzurim,13which is in Gibeon.16
1וַֽיַּחֲזִ֜קוּH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand2אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3בְּרֹ֣אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top4רֵעֵ֗הוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other5וְחַרְבּוֹ֙H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool6בְּצַ֣דH6654zijden(be-) side7רֵעֵ֔הוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other8וַֽיִּפְּל֖וּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down9יַחְדָּ֑וH3162samen, tezamenalike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal10וַיִּקְרָא֙H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say11לַמָּק֣וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)12הַה֔וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who13חֶלְקַ֥תH2521Chelkath-hazurimHelkath-hazzurim14הַצֻּרִ֖יםH2521Chelkath-hazurimHelkath-hazzurim15אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16בְּגִבְעֽוֹןH1391GibeonGibeon
17En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En er was op dienzelfden dagH3117 een gansH5704zeerH3966hardeH7186strijdH4421. Doch AbnerH74 en de mannenH582 van IsraelH3478 werden voor hetH1931aangezichtH6440 der knechtenH5650 van DavidH1732geslagenH5062.En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
KJVAnd there was a very5sore3battle2that day;6and Abner9was beaten,8and the menof Israel,11before12the servants13of David.14
1וַתְּהִ֧יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הַמִּלְחָמָ֛הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)3קָשָׁ֥הH7186hard, harde, hardenchurlish, cruel, grievous, hard((-hearted), thing), heavy, [phrase] impudent, obstinate, prevailed, rough(-ly), sore, sorrowful, stiff(necked), stubborn, [phrase] in trouble4עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet5מְאֹ֖דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well6בַּיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger7הַה֑וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8וַיִּנָּ֤גֶףH5062geslagen, slaan, sloegbeat, dash, hurt, plague, slay, smite (down), strike, stumble, [idiom] surely, put to the worse9אַבְנֵר֙H74Abner, Abners, Abi-Abner10וְאַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12לִפְנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you13עַבְדֵ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant14דָוִֽדH1732David, DavidsDavid
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Nu warenH1961aldaarH8033drieH7969zonenH1121 van ZerujaH6870, JoabH3097, en AbisaiH52 en AsahelH6214; en AsahelH6214 was lichtH7031 op zijn voetenH7272, als eenH259 der reeenH6643, dieH834 in het veldH7704 zijn.Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.
KJVAnd there were three3sons4of Zeruiah5there, Joab,6and Abishai,7and Asahel:8and Asahel9was as light10of foot11as a12wild15roe.13
1וַיִּֽהְיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2שָׁ֗םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3שְׁלֹשָׁה֙H7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)4בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5צְרוּיָ֔הH6870ZerujaZeruiah6יוֹאָ֥בH3097Joab, JoabsJoab7וַאֲבִישַׁ֖יH52AbisaiAbishai8וַעֲשָׂהאֵ֑לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel9וַעֲשָׂהאֵל֙H6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel10קַ֣לH7031snelle, licht, lichtelijklight, swift(-ly)11בְּרַגְלָ֔יוH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time12כְּאַחַ֥דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,13הַצְּבָיִ֖םH6643ree, sieraad, reeenbeautiful(-ty), glorious (-ry), goodly, pleasant, roe(-buck)14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15בַּשָּׂדֶֽהH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild
19En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En AsahelH6214jaagdeH7291AbnerH74achternaH310; en hij weekH5186nietH3808, om van achterH310AbnerH74 ter rechterhandH3225 of ter linkerhandH8040 af te gaanH3212.En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.
KJVAnd Asahel2pursued1after3Abner;4and in going7he turned6not to the right hand9nor to the left11from following12Abner.13
1וַיִּרְדֹּ֥ףH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)2עֲשָׂהאֵ֖לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel3אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with4אַבְנֵ֑רH74Abner, Abners, Abi-Abner5וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6נָטָ֣הH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield7לָלֶ֗כֶתH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9הַיָּמִין֙H3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south10וְעַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11הַשְּׂמֹ֔אולH8040linkerhand, linkerzijde, linkerleft (hand, side)12מֵאַחֲרֵ֖יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with13אַבְנֵֽרH74Abner, Abners, Abi-Abner
20Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Toen zagH6437AbnerH74achterH310 zich om, en zeideH559: Zijt gijH859ditH2088, AsahelH6214? En hij zeideH559: IkH595 ben het.Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.
KJVThen Abner2looked1behind3him, and said,4Art thou Asahel?7And he answered,8I am.
1וַיִּ֤פֶןH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)2אַבְנֵר֙H74Abner, Abners, Abi-Abner3אַֽחֲרָ֔יוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with4וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הַאַתָּ֥הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6זֶ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)7עֲשָׂהאֵ֑לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel8וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9אָנֹֽכִיH595ik, mijI, me, [idiom] which
21En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En AbnerH74zeideH559 tot hem: WijkH5186 tot uw rechterhandH3225ofH176 tot uw linkerhandH8040, en grijpH270 u eenH259 van die jongensH5288, en neemH3947 voor u hun gewaadH2488; maar AsahelH6214wildeH14nietH3808afwijkenH5493 van achterH310 hem.En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
KJVAnd Abner3said1to him, Turn thee aside4to thy right hand7or to thy left,10and lay thee hold11on one13of the young men,14and take15thee his armour.18But Asahel21would20not turn aside22from following23of him.
1וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2ל֣וֹ3אַבְנֵ֗רH74Abner, Abners, Abi-Abner4נְטֵ֤הH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield5לְךָ֙6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7יְמִֽינְךָ֙H3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south8א֣וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10שְׂמֹאלֶ֔ךָH8040linkerhand, linkerzijde, linkerleft (hand, side)11וֶאֱחֹ֣זH270bevangen, vast, bezitters[phrase] be affrighted, bar, (catch, lay, take) hold (back), come upon, fasten, handle, portion, (get, have or take) possess(-ion)12לְךָ֗13אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,14מֵֽהַנְּעָרִ֔יםH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)15וְקַחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win16לְךָ֖17אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18חֲלִצָת֑וֹH2488gewaadarmour19וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without20אָבָ֣הH14wilde, willen, wildenconsent, rest content will, be willing21עֲשָׂהאֵ֔לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel22לָס֖וּרH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without23מֵאַחֲרָֽיוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with
22Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Toen voerH3254AbnerH74 wijders voortH3254, zeggendeH559totH413AsahelH6214: WijktH5493 af van achterH310 mij; waaromH4100 zal ik u ter aardeH776slaanH5221? HoeH349 zou ik dan mijn aangezichtH6440opheffenH5375 voor uw broederH251JoabH3097?Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?
KJVAnd Abner3said4again1to Asahel,6Turn thee aside7from following9me: wherefore should I smite11thee to the ground?12how then should I hold up14my face15to Joab17thy brother?18
1וַיֹּ֧סֶףH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield2ע֣וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)3אַבְנֵ֗רH74Abner, Abners, Abi-Abner4לֵאמֹר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6עֲשָׂהאֵ֔לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel7ס֥וּרH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without8לְךָ֖9מֵאַֽחֲרָ֑יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with10לָ֤מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why11אַכֶּ֨כָּה֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound12אַ֔רְצָהH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world13וְאֵיךְ֙H349hoehow, what14אֶשָּׂ֣אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield15פָנַ֔יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you16אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)17יוֹאָ֖בH3097Joab, JoabsJoab18אָחִֽיךָH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'
23Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Maar hij weigerdeH3985 af te wijkenH5493. Zo sloegH5221 hem AbnerH74 met het achtersteH310 van de spiesH2595aanH413 de vijfdeH2570 rib, dat de spiesH2595 van achterH310 hem uitgingH3318; en hij vielH5307aldaarH8033, en stierfH4191 op zijn plaats. En het geschiedde, dat allenH3605, die totH413 de plaats kwamenH935, alwaar AsahelH6214gevallenH5307 en gestorvenH4191 was, staan blevenH5975.Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
Ook in dit vers
plaatsH4725
plaatsH8478
KJVHowbeit he refused1to turn aside:2wherefore Abner4with the hinder end5of the spear6smote3him under7the fifth8rib, that the spear10came out9behind11him; and he fell down12there, and died14in the same place:15and it came to pass, that as many as came18to the place20where Asahel24fell down22and died25stood still.26
1וַיְמָאֵ֣ןH3985weigerde, weigert, geweigerdrefuse, [idiom] utterly2לָס֗וּרH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without3וַיַּכֵּ֣הוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound4אַבְנֵר֩H74Abner, Abners, Abi-Abner5בְּאַחֲרֵ֨יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with6הַחֲנִ֜יתH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8הַחֹ֗מֶשׁH2570vijfdefifth (rib)9וַתֵּצֵ֤אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter10הַֽחֲנִית֙H2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear11מֵאַחֲרָ֔יוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with12וַיִּפָּלH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down13שָׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither14וַיָּ֣מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15תַּחְתָּ֑יוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with16וַיְהִ֡יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use17כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18הַבָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way19אֶֽלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)20הַמָּקוֹם֩H4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)21אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection22נָ֨פַלH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down23שָׁ֧םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither24עֲשָׂהאֵ֛לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel25וַיָּמֹ֖תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise26וַֽיַּעֲמֹֽדוּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry
24Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Maar JoabH3097 en AbisaiH52jaagdenH7291AbnerH74achternaH310; en de zonH8121 ging onder, als zijH1992gekomenH935 waren totH5704 den heuvelH1389 van AmmaH522, dewelkeH834 is voorH6440GiachH1520, opH5921 den wegH1870 der woestijnH4057 van GibeonH1391.Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon.
KJVJoab2also and Abishai3pursued1after4Abner:5and the sun6went down7when they were come9to the hill11of Ammah,12that lieth before15Giah16by the way17of the wilderness18of Gibeon.19
1וַֽיִּרְדְּפ֛וּH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)2יוֹאָ֥בH3097Joab, JoabsJoab3וַאֲבִישַׁ֖יH52AbisaiAbishai4אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with5אַבְנֵ֑רH74Abner, Abners, Abi-Abner6וְהַשֶּׁ֣מֶשׁH8121zon, Zon, glasvensters[phrase] east side(-ward), sun (rising), [phrase] west(-ward), window. See also H1053 (בֵּית שֶׁמֶשׁ)7בָּ֔אָהH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8וְהֵ֗מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye9בָּ֚אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet11גִּבְעַ֣תH1389heuvelen, heuvel, heuvelshill, little hill12אַמָּ֔הH522AmmaAmmah13אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15פְּנֵיH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you16גִ֔יחַH1520GiachGiah17דֶּ֖רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)18מִדְבַּ֥רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness19גִּבְעֽוֹןH1391GibeonGibeon
25En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En de kinderenH1121 van BenjaminH1144verzameldenH6908 zich achterH310AbnerH74, en werdenH1961 tot een hoopH92; en zij stondenH5975opH5921 de spitsH7218 van eenH259heuvelH1389.En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.
KJVAnd the children2of Benjamin3gathered themselves together1after4Abner,5and became one8troop,7and stood9on the top11of an hill.12
1וַיִּֽתְקַבְּצ֤וּH6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up2בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3בִנְיָמִן֙H1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin4אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with5אַבְנֵ֔רH74Abner, Abners, Abi-Abner6וַיִּהְי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7לַאֲגֻדָּ֣הH92banden, benden, bundelkenbunch, burden, troop8אֶחָ֑תH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,9וַיַּ֣עַמְד֔וּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry10עַ֥לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11רֹאשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top12גִּבְעָ֖הH1389heuvelen, heuvel, heuvelshill, little hill13אֶחָֽתH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,
26Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Toen riepH7121AbnerH74totH413JoabH3097, en zeideH559: Zal dan het zwaardH2719eeuwiglijkH5331verterenH398? WeetH3045 gij nietH3808, datH3588 het in het laatsteH314bitterheidH4751 zal zijnH1961? En hoe langH5704 zult gij het volkH5971nietH3808zeggenH559, dat zij wederkerenH7725 van hun broederenH251 te vervolgenH310?Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?
KJVThen Abner2called1to Joab,4and said,5Shall the sword8devour7for ever?6knowest10thou not that it will be bitterness12in the latter end?14how long shall it be then, ere thou bid18the people19return20from following21their brethren?22
1וַיִּקְרָ֨אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2אַבְנֵ֜רH74Abner, Abners, Abi-Abner3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹאָ֗בH3097Joab, JoabsJoab5וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6הֲלָנֶ֨צַח֙H5331eeuwigheid, altoos, overwinningalway(-s), constantly, end, ([phrase] n-) ever(more), perpetual, strength, victory7תֹּ֣אכַלH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite8חֶ֔רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9הֲל֣וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10יָדַ֔עְתָּהH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot11כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12מָרָ֥הH4751bitter, bitterheid, bitterlijk[phrase] angry, bitter(-ly, -ness), chafed, discontented, [idiom] great, heavy13תִהְיֶ֖הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14בָּאַחֲרוֹנָ֑הH314laatste, achterste, navolgendeafter (-ward), to come, following, hind(-er, -ermost, -most), last, latter, rereward, ut(ter) most15וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet16מָתַי֙H4970langlong, when17לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without18תֹאמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet19לָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people20לָשׁ֖וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw21מֵאַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with22אֲחֵיהֶֽםH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'
27En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En JoabH3097zeideH559: Zo waarachtig als GodH430leeftH2416, ten wareH3884 dat gij gesprokenH1696 hadt, zekerlijkH3588 het volkH5971 zou al toen van den morgenH1242 af weggevoerdH5927 zijn geweest, een iegelijkH376 van zijn broederH251 te vervolgenH310!En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!
KJVAnd Joab2said,1As God4liveth,3unless6thou hadst spoken,7surely then in the morning10the people12had gone up11every one13from following14his brother.15
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יוֹאָ֔בH3097Joab, JoabsJoab3חַ֚יH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop4הָֽאֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6לוּלֵ֖אH3884wareexcept, had not, if (...not), unless, were it not that7דִּבַּ֑רְתָּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9אָ֤זH227toen, alsdanbeginning, for, from, hitherto, now, of old, once, since, then, at which time, yet10מֵֽהַבֹּ֨קֶר֙H1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow11נַעֲלָ֣הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work12הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14מֵאַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with15אָחִֽיוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'
28Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israel niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Toen bliesH8628JoabH3097 met de bazuinH7782; en alH3605 het volkH5971stond stilH5975, en zij jaagdenH7291IsraelH3478 niet meerH5750achternaH310, en voerenH3254 niet wijders voortH3254 te strijdenH3898.Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israel niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.
KJVSo Joab2blew1a trumpet,3and all the people6stood still,4and pursued8after10Israel11no more, neither fought15they any more.13
1וַיִּתְקַ֤עH8628blazen, blies, bliezenblow (a trumpet), cast, clap, fasten, pitch (tent), smite, sound, strike, [idiom] suretiship, thrust2יוֹאָב֙H3097Joab, JoabsJoab3בַּשּׁוֹפָ֔רH7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet4וַיַּֽעַמְדוּ֙H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry5כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8יִרְדְּפ֥וּH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)9ע֖וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)10אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with11יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without13יָסְפ֥וּH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield14ע֖וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)15לְהִלָּחֵֽםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)
29Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29AbnerH74 dan en zijn mannenH582 gingen dienzelfden gansenH3605nachtH3915 over hetH1931vlakke veldH6160; en zij gingen over de JordaanH3383 en wandeldenH3212 het ganse BithronH1338 door, en kwamenH935 tot MahanaimH4266.Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
Ook in dit vers
gingenH1980
gingenH5674
KJVAnd Abner1and his menwalked3all that night6through the plain,4and passed over8Jordan,10and went through11all Bithron,13and they came14to Mahanaim.15
1וְאַבְנֵ֣רH74Abner, Abners, Abi-Abner2וַֽאֲנָשָׁ֗יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3הָֽלְכוּ֙H1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl4בָּֽעֲרָבָ֔הH6160vlakke velden, vlakke veld, wildernisArabah, champaign, desert, evening, heaven, plain, wilderness. See also H1026 (בֵּית הָעֲרָבָה)5כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6הַלַּ֣יְלָהH3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)7הַה֑וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8וַיַּעַבְר֣וּH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַיַּרְדֵּ֗ןH3383JordaanJordan11וַיֵּֽלְכוּ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13הַבִּתְר֔וֹןH1338BithronBithron14וַיָּבֹ֖אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way15מַחֲנָֽיִםH4266MahanaimMahanaim
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
30Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30JoabH3097keerdeH7725 ook weder van achterH310AbnerH74, en verzameldeH6908 het ganseH3605volkH5971. En er werden van DavidsH1732knechtenH5650gemistH6485negentienH8672mannenH376, en AsahelH6214.Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.
KJVAnd Joab1returned2from following3Abner:4and when he had gathered5➔ all the people8together,there lacked9of David's11servants10nineteen12men14and Asahel.15
1וְיוֹאָ֗בH3097Joab, JoabsJoab2שָׁ֚בH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw3מֵאַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with4אַבְנֵ֔רH74Abner, Abners, Abi-Abner5וַיִּקְבֹּ֖ץH6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9וַיִּפָּ֨קְד֜וּH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want10מֵעַבְדֵ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant11דָוִ֛דH1732David, DavidsDavid12תִּשְׁעָֽהH8672negen, negenhonderd, negendennine ([phrase] -teen, [phrase] -teenth, -th)13עָשָׂ֥רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)14אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15וַעֲשָׂהH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel16אֵֽלH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'
31Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Maar DavidsH1732knechtenH5650 hadden van BenjaminH1144 en onder AbnersH74 mannen geslagenH5221: driehonderdH7969 en zestigH8346 mannen waren er doodH4191 gebleven.Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
Ook in dit vers
mannenH376
KJVBut the servants1of David2had smitten3of Benjamin,4and of Abner's6men,so that three7hundred8and threescore9men5died.11
1וְעַבְדֵ֣יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant2דָוִ֗דH1732David, DavidsDavid3הִכּוּ֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound4מִבִּנְיָמִ֔ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin5וּבְאַנְשֵׁ֖יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6אַבְנֵ֑רH74Abner, Abners, Abi-Abner7שְׁלֹשׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)8מֵא֧וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore9וְשִׁשִּׁ֛יםH8346zestigsixty, three score10אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11מֵֽתוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
32En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En zij namenH5375AsahelH6214 op, en begroevenH6912 hem in zijns vadersH1grafH6913, datH834 te BethlehemH1035 was. JoabH3097 nu en zijn mannenH582gingenH3212 den gansenH3605nachtH3915, dat hun het licht aanbrakH215 te HebronH2275.En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.
KJVAnd they took up1Asahel,3and buried4him in the sepulchre5of his father,6which was in Bethlehem.8And Joab13and his menwent10all night,12and they came to Hebron17at break of day.15
1וַיִּשְׂאוּ֙H5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3עֲשָׂהאֵ֔לH6214Asahel, Asa-el, AsaelAsahel4וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙H6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)5בְּקֶ֣בֶרH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre6אָבִ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'7אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8בֵּ֣יתH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem9לָ֑חֶםH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem10וַיֵּלְכ֣וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak11כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12הַלַּ֗יְלָהH3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)13יוֹאָב֙H3097Joab, JoabsJoab14וַֽאֲנָשָׁ֔יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15וַיֵּאֹ֥רH215lichten, verlicht, licht[idiom] break of day, glorious, kindle, (be, en-, give, show) light (-en, -ened), set on fire, shine16לָהֶ֖ם17בְּחֶבְרֽוֹןH2275HebronHebron
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Samuël 2:1— En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→1 Samuël 23:4→1 Samuël 23:9→Richteren 1:1→2 Samuël 2:11→1 Samuël 30:7→1 Koningen 2:11→
2 Samuël 2:2— Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.1 Samuël 25:42→1 Samuël 30:5→Lukas 22:28→
2 Samuël 2:3— Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.1 Samuël 30:1→1 Kronieken 12:1→1 Samuël 27:2→1 Samuël 22:2→1 Samuël 30:9→Jozua 21:11→
2 Samuël 2:4— Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.2 Samuël 5:5→1 Samuël 31:11→2 Samuël 5:3→1 Samuël 16:13→2 Samuël 19:11→2 Samuël 19:42→1 Kronieken 11:3→Genesis 49:8→
2 Samuël 2:5— Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.1 Samuël 23:21→Psalmen 115:15→Ruth 2:20→1 Samuël 24:19→1 Samuël 25:32→Ruth 1:8→Ruth 3:10→
2 Samuël 2:6— Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.Filemon 1:18→Mattheüs 10:16→Mattheüs 5:7→Psalmen 57:3→2 Samuël 10:2→2 Samuël 9:7→2 Samuël 9:3→Exodus 34:6→
2 Samuël 2:7— En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.Efeze 6:10→1 Samuël 31:7→Genesis 15:1→1 Korinthe 16:13→2 Samuël 10:12→1 Samuël 31:12→1 Samuël 4:9→
2 Samuël 2:8— Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,1 Samuël 14:50→Genesis 32:2→1 Samuël 26:14→1 Kronieken 9:39→1 Samuël 17:55→2 Samuël 4:5→1 Kronieken 8:33→2 Samuël 17:26→
2 Samuël 2:9— En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.Jozua 19:18→Numeri 32:1→Psalmen 108:8→Numeri 1:40→Genesis 30:13→Richteren 1:32→Jozua 13:8→
2 Samuël 2:11— Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.1 Koningen 2:11→1 Kronieken 3:4→2 Samuël 5:4→1 Kronieken 29:27→
2 Samuël 2:12— Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.Jozua 10:4→Jozua 9:3→Jozua 10:2→Jozua 18:25→Genesis 32:2→2 Samuël 17:14→Jozua 10:12→
2 Samuël 2:13— Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.2 Samuël 8:16→1 Kronieken 2:16→Jeremia 41:12→1 Kronieken 11:6→1 Koningen 2:28→1 Koningen 1:7→2 Samuël 20:23→2 Samuël 2:18→
2 Samuël 2:14— En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.2 Samuël 2:17→Spreuken 25:8→2 Samuël 2:26→Spreuken 17:14→Spreuken 20:18→Spreuken 26:18→Spreuken 10:23→
2 Samuël 2:17— En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.2 Samuël 3:1→
2 Samuël 2:18— Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.1 Kronieken 12:8→Habakuk 3:19→Hooglied 8:14→Hooglied 2:17→Psalmen 18:33→2 Samuël 1:23→Psalmen 147:10→1 Kronieken 11:26→
2 Samuël 2:19— En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.Jozua 23:6→2 Koningen 22:2→2 Samuël 2:21→Spreuken 4:27→Jozua 1:7→
2 Samuël 2:21— En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.Richteren 14:19→
2 Samuël 2:22— Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?2 Samuël 3:27→Spreuken 29:1→2 Koningen 14:10→Prediker 6:10→
2 Samuël 2:23— Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.2 Samuël 3:27→2 Samuël 4:6→2 Samuël 20:10→2 Samuël 5:6→2 Samuël 20:12→
2 Samuël 2:26— Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?Jeremia 46:14→Jeremia 46:10→Handelingen 7:26→Jeremia 12:12→Jeremia 4:21→Job 19:2→2 Samuël 11:25→2 Samuël 2:16→
2 Samuël 2:27— En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!Spreuken 17:14→2 Samuël 2:14→Job 27:2→Spreuken 25:8→1 Samuël 25:26→Spreuken 15:1→Jesaja 47:7→Lukas 14:31→
2 Samuël 2:29— Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.2 Samuël 2:8→Hooglied 2:17→
2 Samuël 2:31— Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.1 Koningen 20:11→2 Samuël 3:1→
2 Samuël 2:32— En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.Spreuken 22:29→1 Kronieken 2:13→2 Kronieken 16:14→1 Samuël 17:58→2 Kronieken 21:1→2 Samuël 5:1→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Samuël 2 vers 1— En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
Hebron
Gelegen in Juda, niet ver van het westerse gebergte, en Aärons kinderen toegeëigend. Zie Gen. 13:18; Joz. 21:10-13, waaruit afgenomen wordt dat wel David voor zijn persoon aldaar gewoond en hof gehouden heeft, maar zijn volk zich onthouden in de naastgelegen steden plaatsen, [gelijk onder, 2 Sam. 2:3 ] , om de priesters en Levieten, wien deze stad van den stam Juda gegeven was, in hun bezit niet te benauwen.
Hertaald:Hebron
Gelegen in Juda, niet ver van het westelijke gebergte, en toegewezen aan de kinderen van Aäron. Zie Gen. 13:18; Joz. 21:10-13, waaruit af te leiden is dat David wel persoonlijk daar gewoond en hof gehouden heeft, maar dat zijn volk verbleef in de nabijgelegen steden [zoals hieronder, 2 Sam. 2:3], om de priesters en Levieten, aan wie deze stad van de stam Juda gegeven was, niet in hun bezit te beperken.
2 Samuël 2 vers 2— Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
de huisvrouw van Nabal,
Versta, gewezene huisvrouw; alzo 1 Sam. 30:5. Zie 1 Sam. 25:39, enz., en vergelijk onder, 2 Sam. 12:15.
Hertaald:de huisvrouw van Nabal,
Versta: voormalige vrouw; zo ook 1 Sam. 30:5. Zie 1 Sam. 25:39, enzovoort, en vergelijk hieronder, 2 Sam. 12:15.
2 Samuël 2 vers 3— Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
bij hem waren,
Versta, de strijdbare mannen, die hem in zijn ballingschap gevolgd waren. Zie 1 Sam. 22:2.
Hertaald:bij hem waren,
Versta: de strijdbare mannen die hem in zijn ballingschap gevolgd waren. Zie 1 Sam. 22:2.
steden van Hebron
Dat is, die omtrent Hebron gelegen waren en daaronder behoorden.
Hertaald:steden van Hebron
Dat is: die rondom Hebron lagen en daaronder vielen.
2 Samuël 2 vers 4— Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
zalfden
David was eerst in het heimelijke door Gods bevel van Samuel gezalfd tot koning, 1 Sam. 16:13; hier wordt hij wederom van zijn stam Juda, wetende zonder twijfel des Heeren wil, gezalfd. Ten derden male werd hij van gans Israël gezalfd, onder, 2 Sam. 5:3, dienende dit alles tot versterking van David, en bevestiging zijns beroeps, mitsgaders tot voorbeelding van de zalving onzes Jezus Christus. Zie 1 Kon. 1:34.
Hertaald:zalfden
David was eerst in het geheim door Samuël, op Gods bevel, tot koning gezalfd, 1 Sam. 16:13; hier wordt hij opnieuw door zijn stam Juda gezalfd, die ongetwijfeld de wil van de HEERE kende. Voor de derde keer werd hij door heel Israël gezalfd, hieronder, 2 Sam. 5:3; dit alles diende ter versterking van David en ter bevestiging van zijn roeping, en tevens als voorafbeelding van de zalving van onze Jezus Christus. Zie 1 Kon. 1:34.
David,
Gevraagd hebbende, of onderzoekende, wat van Sauls dode lichaam mocht zijn, willende dat begraven, indien het niet ware geschied.
Hertaald:David,
Nadat hij gevraagd, of onderzocht had wat er van het lichaam van Saul geworden was, met de bedoeling het te laten begraven als dat nog niet gebeurd was.
begraven hebben
Zie 1 Sam. 31:11-13.
Hertaald:begraven hebben
Zie 1 Sam. 31:11-13.
2 Samuël 2 vers 5— Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
hij zeide tot hen
Dat is, liet zeggen.
Hertaald:hij zeide tot hen
Dat is: liet zeggen.
Gezegend zijt gij den HEERE,
Zie Gen. 24:31; Ruth 2:20, en Ruth 3:10.
Hertaald:Gezegend zijt gij den HEERE,
Zie Gen. 24:31; Ruth 2:20, en Ruth 3:10.
dat gij
Of, die.
Hertaald:dat gij
Of: die.
2 Samuël 2 vers 6— Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
doen,
Dat is, vergelden. Of in dezen zin: Gelijk de Heere zulks aan u vergelden zal, alzo zal ik het ook doen. Anders, [naar] dit goede
Hertaald:doen,
Dat is: vergelden. Of in deze zin: zoals de HEERE dat aan u zal vergelden, zo zal ik het ook doen. Anders: [naar] dit goede.
dewijl gij
Of, die gij, enz.
Hertaald:dewijl gij
Of: die u, enzovoort.
2 Samuël 2 vers 7— En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
dapper,
Hebreeuws, tot kinderen, of zonen der dapperheid, of kloekheid. Zie onder, 2 Sam. 3:34.
Hertaald:dapper,
Hebreeuws: tot kinderen, of zonen van de dapperheid, of kloekheid. Zie hieronder, 2 Sam. 3:34.
dewijl
Hij wil zeggen: Geeft den moed niet verloren, al is het dat uw heer en koning dood is.
Hertaald:dewijl
Hij wil zeggen: verlies de moed niet, ook al is uw heer en koning gestorven.
die van het huis van Juda
Hebreeuws, het huis van Juda hebben, enz.
Hertaald:die van het huis van Juda
Hebreeuws: het huis van Juda heeft, enzovoort.
koning over zich gezalfd
Zodat ik boven de gewilligheid de macht heb om u in voorvallende zwarigheid te hulp te komen. Alhoewel David van Gods raad verzekerd was, gebruikt hij niettemin deze geoorloofde middelen om met weldoen de harten der Israëlieten te gewinnen, en de uitkomst met vertrouwen en geduld te verwachten.
Hertaald:koning over zich gezalfd
Zodat ik, naast de bereidheid, ook de macht heb om u in voorkomende moeilijkheden te hulp te komen. Hoewel David van Gods besluit verzekerd was, gebruikt hij toch deze geoorloofde middelen om met weldoen de harten van de Israëlieten te winnen en de uitkomst met vertrouwen en geduld af te wachten.
2 Samuël 2 vers 8— Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
Abner nu,
Ook genaamd Abiner. Zie 1 Sam. 14:50-51.
Hertaald:Abner nu,
Ook Abiner genoemd. Zie 1 Sam. 14:50-51.
Isbóseth,
Hebreeuws, Isch-boscheth
Hertaald:Isbóseth,
Hebreeuws: Isch-Boscheth.
over naar Mahanáïm,
Over de Jordaan, waar Mahanaïm gelegen was, aan de beek Jabbok, niet ver van Jabes in Gilead. Zie Gen. 32:2. Dit schijnt Abner gedaan te hebben om de Gileadieten, tot welken David zijn boden gezonden had, tegen David vast te maken, en te breken de gunst, die hij daar mocht verkregen hebben.
Hertaald:over naar Mahanáïm,
Over de Jordaan, waar Mahanaïm lag, aan de beek Jabbok, niet ver van Jabes in Gilead. Zie Gen. 32:2. Het lijkt erop dat Abner dit gedaan heeft om de Gileadieten, naar wie David zijn boden gezonden had, aan zich te binden tegen David, en de gunst die David daar mogelijk gekregen had te breken.
2 Samuël 2 vers 9— En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.
koning
Niettegenstaande dat dezen Abner des Heeren wil niet onbekend was, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 3:9-10, 2 Sam. 3:18.
Hertaald:koning
Hoewel deze Abner de wil van de HEERE niet onbekend was, zoals af te leiden is uit 2 Sam. 3:9-10, 2 Sam. 3:18.
Gilead,
Zie van Gilead, Num 32.
Hertaald:Gilead,
Zie over Gilead, Num. 32.
Aschurieten,
Hierdoor wordt bij de meesten verstaan de stam van Aser, zijnde de uiterste in het noorden van Kanaän, aan de zee. Hebreeuws, de Aschuriet
Hertaald:Aschurieten,
Hiermee wordt door de meesten de stam van Aser bedoeld, gelegen uiterst in het noorden van Kanaän, aan de zee. Hebreeuws: de Aschuriet.
Jizreël,
De stad was gelegen tussen half Manasse en Issaschar, op de grenzen; het dal Jizreël lag in Issaschar, nagenoeg in het midden van Kanaän, waaronder de naast gelegen Zebulon, Nafthali en half Manasse mede verstaan worden; gelijk nevens Efraïm, Dan, en Simeon voor een deel in Juda gelegen.
Hertaald:Jizreël,
Deze stad lag tussen de halve stam Manasse en Issaschar, op de grens; het dal Jizreël lag in Issaschar, min of meer in het midden van Kanaän, waaronder ook de nabijgelegen Zebulon, Naftali en de halve stam Manasse begrepen worden, naast Efraïm, Dan en Simeon, dat voor een deel in Juda lag.
gans Israël
Uitgenomen Juda, gelijk volgt.
Hertaald:gans Israël
Behalve Juda, zoals volgt.
2 Samuël 2 vers 10— Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
koning werd over Israël;
Hebreeuws, regeerde; dat is, koning werd, of begon te regeren; en alzo dikwijls in deze historiën der koningen.
Hertaald:koning werd over Israël;
Hebreeuws: regeerde; dat is: koning werd, of begon te regeren; zo ook vaak in deze geschiedenissen van de koningen.
regeerde het tweede jaar;
Zie 1 Sam. 13:1. Of, had geregeerd; want de zin schijnt te wezen dat hij twee volle jaren geregeerd had, toen de strijd, vs.1, enz. verhaald, gebeurd is. Zie wijders onder, 2 Sam. 3:1; hoewel hieruit niet volgt dat zij David in deze twee voorgaande jaren ten enenmale in vrede hebben gelaten.
Hertaald:regeerde het tweede jaar;
Zie 1 Sam. 13:1. Of: had geregeerd; want de betekenis lijkt te zijn dat hij twee volle jaren geregeerd had toen de strijd, waarover in vers 1 en verder verteld wordt, plaatsvond. Zie verder hieronder, 2 Sam. 3:1; hoewel hieruit niet volgt dat zij David deze twee voorgaande jaren volledig met rust hebben gelaten.
volgden David na
Hebreeuws, waren achter David.
Hertaald:volgden David na
Hebreeuws: waren achter David.
2 Samuël 2 vers 12— Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
uit,
Om krijg te voeren tegen David en Juda.
Hertaald:uit,
Om oorlog te voeren tegen David en Juda.
Gibeon.
Gelegen in Benjamin, Joz. 18:25. Zie ook Jos 9, Jos 10. Deze stad lag niet ver van de grenzen van Juda, en was den kinderen Aärons gegeven, Joz. 21:17.
Hertaald:Gibeon.
Gelegen in Benjamin, Joz. 18:25. Zie ook Joz. 9, Joz. 10. Deze stad lag niet ver van de grenzen van Juda, en was aan de kinderen van Aäron gegeven, Joz. 21:17.
2 Samuël 2 vers 13— Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
Joab,
Deze was Davids krijgsoverste, gelijk Abner Isboseths. Zeruja was Davids zuster. Zie 1 Kron. 2:16.
Hertaald:Joab,
Dit was de legeraanvoerder van David, zoals Abner die van Isboseth was. Zeruja was de zuster van David. Zie 1 Kron. 2:16.
vijver van Gibeon;
Die buiten Gibeon was aan de zuidzijde van Gibeon.
Hertaald:vijver van Gibeon;
Die buiten Gibeon lag, aan de zuidkant van Gibeon.
2 Samuël 2 vers 14— En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
Hertaald:jongens opmaken,
Enkele flinke jonge strijders.
aangezicht
In onze tegenwoordigheid, voor onze ogen, tot een schouwspel en dat wij toeziende, ons stil houden, en laten hen begaan.
Hertaald:aangezicht
In onze aanwezigheid, voor onze ogen, als een schouwspel, terwijl wij toekijken, ons stilhouden en hen hun gang laten gaan.
spelen
Dat is, schermutselen, in de wapens elkander beproevende. Het schijnt dat Abner, naar de wijze der ruwe soldaten, den dood van enige jonge helden weinig heeft geacht, waarvan hij zijn straf in het einde van dezen strijd gevoeld heeft. Zie vs.17, 26,27.
Hertaald:spelen
Dat is: schermutselen, elkaar in de wapens beproeven. Het lijkt erop dat Abner, zoals ruwe soldaten dat doen, de dood van enkele jonge helden weinig belangrijk vond, waarvoor hij aan het einde van deze strijd zijn straf gevoeld heeft. Zie vers 17, 26, 27.
2 Samuël 2 vers 15— Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.
over
Of, voorbij; te weten, den vijver, waarvan vs.13.
Hertaald:over
Of: voorbij; namelijk: de vijver, waarover in vers 13.
in getal,
Dat is, in gelijk getal van beide zijden.
Hertaald:in getal,
Dat is: in gelijk aantal aan beide kanten.
2 Samuël 2 vers 16— En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.
ander bij het hoofd,
Hebreeuws, de man zijn naaste, of zijn metgezel; alzo in het volgende.
Hertaald:ander bij het hoofd,
Hebreeuws: de man zijn naaste, of zijn metgezel; zo ook in het vervolg.
vielen te zamen;
Dat is, zij bleven alle vier en twintig dood.
Hertaald:vielen te zamen;
Dat is: zij bleven alle vierentwintig dood.
Chelkath-hazurim,
Dat is, deel, stuk lands, of akker der rotsen; dat is, der helden, die als rotsen onbeweeglijk zijn geweest, en elk in zijn plaats gebleven, of der spitsen, scherpten, omdat zij door de scherpte des zwaards elkander hebben nedergeveld.
Hertaald:Chelkath-hazurim,
Dat is: deel, stuk land, of akker van de rotsen; dat is: van de helden, die als rotsen onbeweeglijk zijn geweest en elk op zijn plaats gebleven, of van de scherpten, omdat zij elkaar door het scherp van het zwaard geveld hebben.
2 Samuël 2 vers 18— Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.
licht op zijn voeten,
Dat is, zeer snel in het lopen. Vergelijk boven, 2 Sam. 1:23.
Hertaald:licht op zijn voeten,
Dat is: zeer snel te voet. Vergelijk hierboven, 2 Sam. 1:23.
2 Samuël 2 vers 21— En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
gewaad;
Dat is, hun kleding, of wapenen, of beide. Zie Richt. 14:19.
Hertaald:gewaad;
Dat is: hun kleding, of wapens, of beide. Zie Richt. 14:19.
2 Samuël 2 vers 22— Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?
waarom zal ik u ter aarde slaan?
Alsof hij zeide: Waarom wilt gij dat gevaar uitstaan? Gij zult mij dringen, dat ik u niet zal kunnen verschonen, dat ik uws broeders halve [die een dapper krijgsoverste is] anders gaarne zou doen.
Hertaald:waarom zal ik u ter aarde slaan?
Alsof hij zei: waarom wilt u dat gevaar lopen? U zult mij dwingen dat ik u niet zal kunnen sparen, wat ik terwille van uw broer [die een dappere legeraanvoerder is] anders graag zou doen.
2 Samuël 2 vers 23— Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
achterste van de spies
Dat is, hij stak hem met het scherp, dat aan het onderste, of achterste van de spies was.
Hertaald:achterste van de spies
Dat is: hij stak hem met het scherpe deel dat onder, of achter aan de speer zat.
aan de vijfde rib,
Of, bij, nevens, onder. Dit wordt van velen verstaan van de plaats der rechterzijde, waar de lever ligt aan het borstbeen, en waar de stam is van de leverader, alwaar ervaren en geleerde geneeskundigen betuigen, en den heidenen ook bekend is geweest, dat de wonde haastiger dan enige andere den mens doodt. Sommigen verstaan het van de linkerzijde, waar het hart ligt, of het week der zijden onder de korte ribben, die vijf in getal zijn. Hetwelk schijnt bevestigd te worden door de uitstorting van het ingewand door deze wond geschied, waarvan onder, 2 Sam. 20:10. Vergelijk onder, 2 Sam. 3:27, en 2 Sam. 4:6, en 2 Sam. 20:10.
Hertaald:aan de vijfde rib,
Of: bij, naast, onder. Dit wordt door velen begrepen als de plaats aan de rechterzijde waar de lever ligt tegen het borstbeen, en waar de stam van de leverader zit, waarvan ervaren en geleerde geneeskundigen getuigen — en ook de heidenen wisten — dat een wond daar de mens sneller doodt dan enige andere. Sommigen begrijpen het als de linkerzijde, waar het hart ligt, of het zachte deel onder de korte ribben, die vijf in getal zijn. Dit lijkt bevestigd te worden doordat door deze wond de ingewanden naar buiten kwamen, waarover hieronder, 2 Sam. 20:10. Vergelijk hieronder, 2 Sam. 3:27, en 2 Sam. 4:6, en 2 Sam. 20:10.
plaats
Dat is, hij bleef dood liggen op de plaats, waar hij gestaan had, of gestoken werd.
Hertaald:plaats
Dat is: hij bleef dood liggen op de plaats waar hij gestaan had, of gestoken werd.
2 Samuël 2 vers 25— En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.
hoop;
Of, dicht samengevoegden troep. Hebreeuws eigenlijk, bundeltje. Aldus schrikken zij zich in orde op de hoogte eens heuvels, om zich bekwamelijk te beschermen.
Hertaald:hoop;
Of: dicht samengevoegde groep. Hebreeuws eigenlijk: bundeltje. Zo schaarden zij zich in orde op de top van een heuvel, om zich goed te kunnen verdedigen.
2 Samuël 2 vers 26— Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?
eeuwiglijk verteren?
Dat is, zonder ophouden.
Hertaald:eeuwiglijk verteren?
Dat is: zonder ophouden.
het in het laatste
Dat is, dat het ten laatste een bittere of droevige uitkomst zal moeten geven?
Hertaald:het in het laatste
Dat is: dat het uiteindelijk een bittere of droevige afloop zal moeten hebben?
van hun broederen te vervolgen?
Hebreeuws, van achter hun broederen.
Hertaald:van hun broederen te vervolgen?
Hebreeuws: van achter hun broeders.
2 Samuël 2 vers 27— En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!
gesproken hadt,
Hij wil zeggen: Eerst tot vechten gepord en den strijd alzo veroorzaakt hadt. Zie boven, vs.14. Ik zou al heden vroeg het volk hebben doen aftrekken.
Hertaald:gesproken hadt,
Hij wil zeggen: als u niet eerst tot vechten had aangezet en zo de strijd veroorzaakt had. Zie hierboven, vers 14. Dan zou ik het volk vandaag al vroeg hebben laten vertrekken.
van zijn broeder te vervolgen
Hebreeuws, van achter zijn broeder.
Hertaald:van zijn broeder te vervolgen
Hebreeuws: van achter zijn broeder.
2 Samuël 2 vers 29— Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
Bithron door,
Of, de ganse landscheiding, het afgezonderd, afgesneden deel des lands, dat over de Jordaan lag, en daardoor van Kanaän was afgescheiden. Alzo worden Hoogl. 2:17 genoemd bergen van Bather, dat is, der afscheiding, omdat zij in Gilead gelegen en door de Jordaan van Kanaän afgezonderd waren.
Hertaald:Bithron door,
Of: het hele grensgebied, het afgezonderde, afgesneden deel van het land dat aan de overkant van de Jordaan lag en daardoor van Kanaän gescheiden was. Zo worden in Hoogl. 2:17 de bergen van Bether genoemd, dat is: van de scheiding, omdat zij in Gilead lagen en door de Jordaan van Kanaän gescheiden waren.
Mahanáim
Vanwaar zij uitgetogen waren, vs.12.
Hertaald:Mahanáim
Vanwaar zij uitgetrokken waren, vers 12.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Isboseth — man der schande
De overgebleven zoon van Saul, die door Abner tot koning over Israël werd uitgeroepen, terwijl David slechts over Juda regeerde te Hebron (2 Sam. 2:8-10). Twee jaar lang bestond er oorlog tussen zijn huis en dat van David; nadat Abner naar David overliep, werd hij door twee van zijn eigen hoofdlieden vermoord (2 Sam. 4).
Joab — de HEERE is vader
De zoon van Davids zuster Zeruja, broer van Abisaï en Asaël, en Davids voornaamste legeroverste. Hier voor het eerst als zodanig genoemd, streed hij bij Gibeon tegen Abner, waarbij zijn broer Asaël sneuvelde (2 Sam. 2:12-23). Hij zou later Abner uit wraak vermoorden (2 Sam. 3:27) en Davids trouwste, maar ook meest onbuigzame en gewelddadige, legeroverste blijven tot aan Davids dood.
Asaël — God heeft gemaakt
De jongste zoon van Zeruja, broer van Joab en Abisaï, 'licht van voeten, als een der reeën die in het veld zijn' (2 Sam. 2:18). Bij de achtervolging van Abner na de slag bij Gibeon weigerde hij van hem af te laten, waarop Abner hem met het achtereind van zijn speer doorstak en doodde (2 Sam. 2:19-23) — de aanleiding voor Joabs latere wraak op Abner.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Hebron — zie voor naam, ligging en de vroegere geschiedenis het artikel bij Genesis 13, waar de stad voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Genesis 13.
Geschiedenis: Hierheen trok David, na Sauls dood en op uitdrukkelijke navraag bij de HEERE, met zijn huisgezin en zijn mannen; hier werd hij door de mannen van Juda tot koning over het huis van Juda gezalfd — het begin van zijn koningschap, terwijl in het noorden Isboseth, Sauls zoon, als tegenkoning over de overige stammen regeerde (2 Sam. 2:1-4). David regeerde hier zevenenhalf jaar over Juda alleen, voordat hij te Hebron ook tot koning over geheel Israël gezalfd werd (2 Sam. 5:1-5). Hier werden ook zes van zijn zonen geboren (2 Sam. 3:2-5), en hier liet Joab, tegen Davids uitdrukkelijke wil in, de verzoeningsgezinde Abner in koelen bloede vermoorden uit wraak voor zijn broer Asaël (2 Sam. 3:22-39).
Bijbelse betekenis: De plaats van Davids eerste, nog beperkte koningschap — al voordat hij over heel Israël regeerde, oefende de HEERE hem zevenenhalf jaar lang in bestuur en geduld, terwijl het rijk nog verdeeld bleef. Hier bewees David ook, door zijn openlijke rouw over Abner en zijn weigering Joabs moord te wreken (ondanks dat hij de macht had), dat hij naar recht wilde regeren, ook tegenover zijn eigen legerbevelhebber.
Gen. 13; 2 Sam. 2:1-4:12; 5:1-5; 1 Kron. 11:1-3
Gibeon — zie voor naam, ligging en de vroegere geschiedenis het artikel bij Jozua 9, waar de stad voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Jozua 9.
Geschiedenis: Hier, bij de vijver van Gibeon, ontmoetten de legers van Joab (voor David) en Abner (voor Isboseth) elkaar; op Abners voorstel traden twaalf jonge mannen van elke zijde tegen elkaar aan in een tweegevecht, waarbij zij elkaar gelijktijdig doodden, zodat de plaats "Helkath-Hazzurim", "het veld der scherpe zwaarden", genoemd werd. Dit leidde tot een felle veldslag waarin Abners leger verslagen werd, en waarbij Abner, op de vlucht, door Joabs broer Asaël achtervolgd en tenslotte gedood werd (2 Sam. 2:12-32).
Bijbelse betekenis: Het eerste openlijke bloedvergieten in de lange, slepende strijd tussen het huis van Saul en het huis van David — een strijd die, hoewel David er zelf part noch deel aan had, toch een schaduw over het begin van zijn koningschap wierp, en die uiteindelijk pas eindigde met Abners eigen dood, kort na zijn verzoeningspoging met David.
2 Samuël 2:1.Kruisverwijzingen1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→1 Samuël 23:4→1 Samuël 23:9→Richteren 1:1→2 Samuël 2:11→1 Samuël 30:7→1 Koningen 2:11→ — En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron. Al wist David dat hij tot koning over Israël gezalfd was, toch wilde hij geen stap naar zijn rechtmatige plaats zetten zonder eerst leiding van God te vragen. En hij was niet tevreden met een algemene aanwijzing, maar wilde een bijzondere en bepaalde aanduiding hebben van waar hij heen moest gaan. Het was hem niet genoeg dat God tot hem zei: “Ga” — hij wil precies weten naar welke stad van Juda hij moet gaan.
En dit was geen uitzondering op Davids gewone gewoonte. Van zijn jeugd op was hij gewend geweest in alle moeilijke gevallen de leiding des Heeren te vragen. Toen hij voor Saul vluchtte en naar Nob ging tot de priester, vertelde Doëg aan Saul dat de priester de Heere voor David gevraagd had. Het was David niet genoeg dat hij het zwaard van Goliath had; hij moest ook leiding van God hebben.
Later, toen David koning over Israël geworden was te Hebron, vroeg hij, voordat hij tegen de Filistijnen streed, de Heere: “Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven?” (2 Sam. 5:19). Het antwoord des Heeren was gunstig, en David verkreeg een grote overwinning. Maar toen de Filistijnen weer optrokken, ging David niet uit om te strijden voordat hij nog eens de Heere gevraagd had; en toen was het dat God hem dat gedenkwaardige antwoord gaf: “als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de HEERE voor uw aangezicht uitgegaan” (5:24).
David was een man die altijd Gods vinger de rechte weg moest zien wijzen, Gods stem moest horen die zei: “Dit is de weg, wandelt in denzelven.” En hij scheen nooit tevreden tenzij hij het geluid van de voeten van zijn Meester dicht achter zich kon horen, of een duidelijke aanwijzing kon zien dat zijn Meester juist voor hem uit of aan zijn zijde wandelde.
I. Vs. 1-8.Kruisverwijzingen1 Samuël 25:42→2 Samuël 5:5→1 Samuël 31:11→1 Samuël 14:50→1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→2 Samuël 5:3→1 Samuël 23:21→ — En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron. Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron. Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven. Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt. En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd. Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, David ziet wel in, dat hij zijn verblijf onder de Filistijnen nu niet langer kan houden, en dus naar het vaderland terug moet keren. Maar omdat hij tevens vooruitziet, dat Sauls aanhangers er niet toe zullen komen om hem als koning te erkennen, zo wil hij niet door een willekeurige handeling het gevaar van een burgeroorlog teweegbrengen, maar vraagt vooraf de Heere, of hij in een van de steden van Juda, waar hij nog het eerst een gunstige ontvangst hoopt te vinden, trekken zal, zo ja, in welke stad? Hem wordt Hebron opgegeven; daarheen begeeft hij zich dan met zijn huis en met zijn aanhangers; hij wordt daar door de oudsten van Juda tot koning over deze stam gezalfd, en zendt boden naar de burgers van Jabes in Gilead, om hen te danken voor hetgeen zij met Sauls lijk gedaan hadden, en om hun zijn troonsbestijging te melden.
Kruisverwijzingen1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→1 Samuël 23:4→1 Samuël 23:9→Richteren 1:1→2 Samuël 2:11→1 Samuël 30:7→1 Koningen 2:11→— En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
En het geschiedde daarna, nadat Sauls en Jonathans dood aan de voorgewende moordenaar gewroken en in een allergevoeligst klaaglied betreurd was geworden, (zie het vorige hoofdstuk) dat David de HEERE vroeg 1) door de Uriem en Tummim, omdat hij de hogepriester Abjathar bij zich had (1 Samuel .22: 20vv.; 23: 6). Hij vroeg de Heere, zeggende: zal ik optrekken in een van de steden van mijn stam Juda, waar ik vele vrienden heb (1 Samuel .30: 26vv.)? Naar menselijke gedachten is dat in de huidige omstandigheden het meest aan te raden; maar ik wil niets naar eigen inzicht beginnen, wil Gij liever, o Heere, mij de juiste weg wijzen. En de HEERE zei tot hem door de mond van de hogepriester: Trek op; uw doel stemt geheel met Mijn gedachten en wegen overeen (Genesis21: 12). En David zei, liet voor de tweede keer voor zich raadvragen (1 Samuel .23: 9vv.), zeggende: Waarheen, in welke van Juda’s steden, zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. 2)
Dat hij na de dood van Saul zijn tijdelijke verhouding met de Filistijnen moest opgeven en naar zijn vaderland terugkeren, dat kon voor David niet twijfelachtig zijn. Maar omdat de Filistijnen door hun overwinning bij Gilboa het grootste deel van het Israëlitisch gebied hadden ingenomen en van de aanhangers van Saul, vooral van het leger, aan de spits waarvan Sauls neef, Abner, stond, te vrezen was, dat zij niet gemakkelijk David als koning zouden erkennen, waardoor een burgeroorlog kon uitbreken, zo wilde David niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de Heere naar het vaderland terugkeren.
Kruisverwijzingen1 Samuël 25:42→1 Samuël 30:5→Lukas 22:28→— Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.
Bij 1 Samuel .9: 5 (1 Samuel 9: 5) hebben wij de omstreken van Bethlehem, zuidelijk tot aan de Frankenberg en het dorp Khureitûn in het oosten en tot aan Salomo’s vijvers met het kasteel el Burak in het Westen bezocht. Van Khureitûn uit zou de weg naar het zuiden in bijna rechte richting eerst naar Thekoa, de geboorteplaats van de profeet Amos (Amos 1), voeren; zij ligt op een brede bergrug, waarvan men een buitengewoon mooi uitzicht heeft op de omstreken. Op deze weg naar Hebron treffen wij echter bijna geen in de Bijbelse geschiedenis belangrijke plaats aan, behalve het in Joz.15: 59 genoemde Beth-Anoth, een weinig zuidwestelijk van Halhul gelegen. Daarom begeven wij ons liever terug op de eigenlijke Hebronstraat, die ons dicht langs de westzijde van el Burak brengt. Na 1 1/2 uur reizen komen wij bij een put, bron, of regenbak, met een bidplaats Bir el hadsch romedan (Bron voor oogzieke pelgrims), op dat punt, dat oostelijk tegenover Bereikut of Berachah ligt, en dat volgens de mening van sommigen dat lofdal is, waarin Josafat over de Ammonieten en Moabieten zegevierde (2 Kronieken 20: 26). Twee uur van daar ligt vlak aan de weg, links, de bron Ain en Dirweh, en iets verder rechts het oude Beth Zur (Joz.15: 58); door deze plaats moet de weg gelopen hebben, die van Jeruzalem over Thekoa naar Gaza voert, die in Hand.8: 26 “de weg naar het zuiden, die woest is”, genoemd wordt; deze plaats dekte de toegang tot de hoofdstad, waarom hij door Rehabeam versterkt werd (2 Kronieken 11: 7) en ook tijdens de Makkabeeën een grote rol speelde (1 Makk.4: 29; 2 Makk.11: 5; 13: 9,22). Wij hebben daarom bij 1 Samuel .9: 5 niet geschroomd om ons voor de oudere overlevering te verklaren, volgens welke Ain en Dirweh de plaats is, waar Filippus de kamerling uit Morenland doopte. Willen wij ons van deze bron af iets zuidoostelijks begeven, zo zouden wij na omstreeks 20 minuten te Halhul (Joz.15: 59) komen. Weer 20 minuten daarachter, in rechte richting op Hebron aan, liggen de puinhopen van Rameh, die de Joodse overlevering voor Abrahams huis opgeeft, zonder daarbij te bedenken, dat Abraham geen vaste woning in Kanaän had, maar er slechts een tentenleven leidde; maar ook voor het Rama van Samuel, zoals Wolcott en Van de Velde willen, kunnen wij deze ruïne niet houden (zie bij 1 Samuel .9: 5). Wij hebben van hier af slechts weinige minuten nodig, om op de weg naar Hebron terug te komen, dat niet verder dan 3/4 uur van ons af ligt; maar eer wij deze weg opnieuw betreden, begeven wij ons in zuidwestelijke richting en komen na een goed half uur aan een reusachtige eik, Bulut es-Sebta geheten, die men voor een van de eiken van het bos Mamre (Genesis13: 18) houdt. Van de Velde, die hem heeft gezien, zegt, dat hij wel niet gelooft, dat er eiken van deze soort zijn (namelijk wier takken in dichte bundels afhangen en klein doornig blad hebben, die op zo’n hoge ouderdom kunnen bogen; maar dat deze mooie en prachtige boom een nakomeling is van de groep, waaronder Abraham de Heere aan de ingang van zijn tent ontving (Genesis18: 1vv.) is hem waarschijnlijk. Hieruit volgt, dat het eikenbos zich een half uur noordwestelijk van Hebron zal hebben bevonden. Wenden wij ons van hier zuiver oostelijk totdat wij weer op de weg komen, dan zijn wij in Ain Eskali, een kwartier van de stad; het water van deze bron wordt door de inwoners voor het beste op de gehele wereld gehouden, en het dal, waarin het stroomt, voor de beek Eskol, waar de 12 verspieders een wijngaardrank met een druiventros van buitengewone grootte afsneden (Num.13: 24vv.). Het is nu echter tijd, dat wij de lezer bekend maken met Hebron, de stad van de aartsvaders, welke stad een van de liefelijkste en mooiste gezichten biedt, die men in het heilige land aantreft. De stad bestaat uit zes kwartieren. De zuidelijke el Haram en el Musarika alleen hier zichtbaar, zijn van de beide noordelijke, het oostelijke of het Scheikskwartier, en het westelijke of het kloosterkwartier, door een strook land van acht minuten breedte gescheiden. Vooral valt op het grote, als vesting ingerichte gebouw aan de zuidhelling van de oostelijke heuvel Haram (d.i. ontoegankelijk) genoemd. Dit duidt, zoals reeds bij Genesis23: 20 opgemerkt is, de plaats aan, waar in de dubbele spelonk Machpela het gebeente van de aartsvaders en hun vrouwen weten, en is in de vorm van een langwerpige vierhoek gebouwd, waarvan de lengtezijden van het zuiden naar het noorden 200 voet lang zijn, terwijl de breedte slechts 115 voet en de hoogte van 50 tot 60 voet bedraagt; van de vier torens, waarmee de hoeken oorspronkelijk ter verdediging voorzien waren, staan thans slechts twee meer geheel recht op, en dienen met hun galerijen tot minaretten (daaronder verstaat men de koepeldaken op Islamitische bedehuizen); de derde is stomp en de vierde geheel vervallen. Over de grafplaats zelf is een Moskee gebouwd, die, zoals de ringmuren, een langwerpigen vierhoek vormt. “Al de graven van de patriarchen”, schrijft de Spanjaard Badia, die in het jaar 1807 onder de naam Ali Bey naar binnen wist te sluipen, maar wiens beschrijving toch geen duidelijk denkbeeld van de inwendige inrichting geeft “al de graven van de patriarchen zijn met kostbare tapijten van groene, prachtig met goud gestikte zijde bedekt; die van hun vrouwen zijn rood en op gelijke wijze gestikt; de sultans van Konstantinopel geven deze tapijten, die van tijd tot tijd vernieuwd worden. Ik telde op Abrahams graf negen tapijten over elkaar. Ook de ruimte, die door de graven wordt ingesloten, is met tapijten belegd.” Intussen zijn de zerken er ongetwijfeld alleen neergezet om de eigenlijke graven in een diepere groeve aan de opmerkzaamheid te onttrekken. Een weinig ten noorden van Haram ligt het kasteel el Kala, dat niet hoog is, maar sterke massieve muren bezit, die gedeeltelijk in puin liggen; dit is, naar het schijnt, de oude koningsburg, waarin David 7 jaar te Hebron woonde (5: 4vv.). In dit deel van de stad bevindt zich ook een vijver, die 85 voet lang, 55 voet breed en meer dan 18 ½ voet diep is en voor Sara’s badvijver gehouden wordt; een grotere vijver, de Davidsvijver geheten, misschien dezelfde, waarbij David de moordenaars van Isboseth liet ophangen (4:
Kruisverwijzingen1 Samuël 30:1→1 Kronieken 12:1→1 Samuël 27:2→1 Samuël 22:2→1 Samuël 30:9→Jozua 21:11→— Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
, ligt op het zuidelijk deel van de stad aan, daar waar de bodem sterker begint te dalen. Bovendien worden onder de merkwaardigheden in Hebron nog Abners en Isboseths graf (3: 31vv.; 4: 12) en dat van Isaï, David’s vader, getoond. De bevolking van de stad bestaat uit 6-7000 Moslims, die hier dweepzieker en vijandiger op de Christenen zijn dan ergens elders in het land, en uit 280 a 300 Joden, bij Robinsons bezoek was er slechts een enkele Christen, Elias van Damascus, woonachtig. Eer wij van Hebron en zijn omgeving scheiden, begeven wij ons van de noordzijde van de stad oostelijk naar het anderhalf uur van daar verwijderde Beninaïm, dat Robinson voor het oude, door Hieronymus vermelde Capharbarucha (zegendorp) houdt; en dus de plaats zou zijn, tot waar naar de overlevering Abraham de Heere begeleidde, en van waar hij de volgende dag de rook van Sodom’s brand zag opstijgen (Genesis18: 22vv.; 19: 27 vv.).
KruisverwijzingenFilemon 1:18→Mattheüs 10:16→Mattheüs 5:7→Psalmen 57:3→2 Samuël 10:2→2 Samuël 9:7→2 Samuël 9:3→Exodus 34:6→— Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
Zo doe nu de HEERE tot vergelding van dit werk van uw liefde en trouw aan u opnieuw weldadigheid en trouw! 1) en ik ook, als Sauls opvolger en schuldenaar van al het goede, dat hem nog in de dood bewezen is, ik zal aan u dit goede doen, omdat gij deze zaak gedaan hebt.
Weldadigheid en trouw. Hiermee wordt aangeduid, hoe de Heere Zijn genade aan het volk bewijst, d.w.z. als de Liefde en als de vervuller van Zijn beloften.
Kon David edeler, tederder, deelnemender handelen? en omdat de edelste daad tevens de wijste is, en het meest tot het doel voert kon hij wijzer handelen? Moest niet deze daad, waarmee hij begon, de beste indruk op het volk maken en hem hun liefde doen winnen? Kon hij zijn regering meer schitterend beginnen dan met deze daad? Waarlijk, hij is goed begonnen! Een regent, die de verdiensten van zijn voorganger dankbaar erkent en hem nog in het graf eert, is bekwaam en waard zijn opvolger te worden. En deze één trek, die wij van David’s troonsbestijging weten, strekt om ons opnieuw voor hem in te nemen; hij laat alle goeds, ja het beste voor de toekomst hopen. Maar het goede overal opzoeken, met warmte liefhebben, op onpartijdige wijze belonen, zelfs als zijn vijanden het doen, dàt kan alleen de man naar Gods hart. De natuurlijke mens heeft leedvermaak als het zijn vijand kwalijk gaat; al doet hijzelf hem geen kwaad, hij verheugt er zich toch in stilte over, indien het hem door anderen wordt aangedaan, en ergert zich indien hij geprezen en zijn eer gered wordt. Bovendien gaf David door deze handeling aan het volk de beslissende overtuiging, dat onder zijn bestuur ook de geringste daad, die lof verdiende, dankbaar opgemerkt, en erkend zou worden.
KruisverwijzingenEfeze 6:10→1 Samuël 31:7→Genesis 15:1→1 Korinthe 16:13→2 Samuël 10:12→1 Samuël 31:12→1 Samuël 4:9→— En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, betoont u verder moedige mannen te zijn, die hun koning trouw ter zijde staan; omdat uw vroegere heer Saul gestorven is, en ook hebben mij die oudsten van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd; 1) er zullen zich echter voor u bijzondere moeilijkheden opdoen om aan mijn zijde te blijven, omdat Sauls leger onder aanvoering van Abner zich naar uw landstreek teruggetrokken heeft, en er van daar uit wel een oorlog tegen mij zal beginnen (vs.8vv.).
Hiermee vordert David van hen, dat zij, nu Saul dood is, hem erkennen als hun wettige koning en heer. Het schijnt, dat toen nog niet bekend was, wat Abner in het schild voerde, om n.l. Isboseth tot koning over Israël te maken.
II. Vs. 8-32.Kruisverwijzingen1 Samuël 14:50→Genesis 32:2→2 Samuël 8:16→1 Kronieken 2:16→2 Samuël 3:1→1 Koningen 2:11→Jozua 10:4→Jozua 9:3→ — Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel. Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na. Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon. Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers. En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken. Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten. En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is. En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen. In de eerstvolgende vijf en een half jaar na Sauls dood onderwerpt Abner aan diens enig overgebleven zoon Isboseth, die hij na de ongelukkige slag op het gebergte te Gilboa in het aan de overzijde gelegen land naar Mahanaïm gebracht had, geheel Israël met uitzondering van de stam Juda, en maakt hem in zijn 40ste jaar koning. Thans heropent hij de strijd tegen Juda, om ook deze stam aan Isboseth te brengen, en David zendt zijn leger onder aanvoering van Joab naar Gibeon tegen dat van Abner. Terwijl beide partijen aldaar bij een vijver tegenover elkaar zich legeren, moet op Abners voorstel een tweegevecht van 12 jongelingen uit ieder leger de strijd beslissen; omdat hierop geen beslissing volgt, komt het tot een algemene zeer hevige slag, waarin Abner op de vlucht wordt geslagen, die echter onderweg de hem heftig vervolgende Asahel, Joabs broeder, doorsteekt. Met zijn manschappen op het felste benauwd door de hem nazettende vijand, beweegt hij aan de avond van die dag Joab tot de aftocht; terwijl hij daarop over de Jordaan naar Mahanaïm zich terugtrekt, begraven David’s krijgslieden Asahels van het slagveld meegenomen lijk, in zijn vaders graf te Bethlehem en bereiken Hebron bij het aanbreken van die dag.
Kruisverwijzingen1 Samuël 14:50→Genesis 32:2→1 Samuël 26:14→1 Kronieken 9:39→1 Samuël 17:55→2 Samuël 4:5→1 Kronieken 8:33→2 Samuël 17:26→— Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, die Saul gehad had (1 Samuel .14: 50), nam Isboseth (= Man van verwarring of schaamte) Sauls jongste zoon bij zijn vrouw Ahimaäz, 1) die of aan de slag (1 Samuel .31: 1vv.) in het geheel geen deel genomen, of zich bij Abner gehouden had, en zo de dood, die zijn drie broeders met de vader tegemoet snelden, ontkomen was, en voerde hem, nadat die slag verloren was, over naar het oostelijk deel van het land, naar Mahanaïm, aan de rivier de Jabbok (Genesis32: (2 Jozua 13: 26; 21: 38vv.), om in de eerste plaats hem en het overschot van het geslagen leger in veiligheid te brengen.
In 1 Kronieken 8: 33; 9: 39 wordt Isboseth met de naam Esbaäl d.i. vuur of verdelger van Baäl aangeduid, zo heet ook Jonathans zoon in 1 Kronieken 8: 34; 9: 40; Merbaäl d.i. Baäls-bestrijder. Evenals namelijk de naam van de god Baäl zelf in de naam Boschet (d.i. schande) omgezet werd (Jer.3: 24; 11: 13 Hos.9: 10 9.10) zo ook de daarmee samengestelde eigennamen, waarom wij in 11: 21 voor Jerub-baäl (Gideon: Richteren 6: 32) lezen: Jerrub-béschet. Vele geleerden vinden in deze omzetting van de namen van Sauls nakomelingen een zinspeling op de schande, waarin Sauls huis volgens de gebeden van David (Psalm 35: 26; 132: 18) ten onderging.
KruisverwijzingenJozua 19:18→Numeri 32:1→Psalmen 108:8→Numeri 1:40→Genesis 30:13→Richteren 1:32→Jozua 13:8→— En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.
En toen het Abner eindelijk door jarenlang voortgezette strijd tegen de in het westelijke deel van het land tot heerschappij gekomen Filistijnen gelukt was, deze weer van daar te verdrijven, omstreeks het jaar 1050 vóór Christus, maakte hij hem, (Isboseth) ten koning over Gilead, de drie oost-Jordaanse stammen, Ruben, Gad en oost-Manasse, en over de Aschurieten, 1) de stammen Aser, Zebulon en Nafthali; en over Jizreël, west-Manasse, en over Efraïm, en over Benjamin, en over geheel Israël, behalve Juda en Simeon, dus ook over de stammen Dan en Issaschar.
Aldus heeft de Chaldeeuwse uitlegging van het Oude Testament de vreemde uitdrukking opgevat. Anderen (b.v. ook de Vulgaat) willen daarvoor lezen: Gessuri, waaronder dan het noordelijke deel van het land van de berg Hermon tot aan het meer Gennesareth te verstaan zou zijn (Deuteronomium 3: 14 Joz.12: 5; 14: 13; 1 Kronieken 2: 23 dan moeten de stammen Aser, Zebulon en Naftali onder “geheel Israël” mee begrepen worden.
— Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
Veertig jaar was Isboseth, Sauls zoon, oud toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde, tot aan zijn in het jaar 1048 vóór Chr. gevolgde vermoording (4) het tweede jaar, 1) of twee jaar; alleen die van het huis van Juda volgden ook in deze tijd niet hem, maar David na.
Ook hier moet het woord vertaald worden door, en hij regeerde twee jaar. In vs.11 wordt gezegd, dat David te Hebron, over het huis van Juda, zeven en een half jaar heeft geregeerd. Wat blijkt hieruit? Dat niet terstond na Sauls dood Isboseth koning is geworden, maar dat hij pas 5 jaar daarna tot koning is verheven over de andere stammen en dat Abner in die tijd de Filistijnen uit het land heeft verdreven.
Kruisverwijzingen1 Koningen 2:11→1 Kronieken 3:4→2 Samuël 5:4→1 Kronieken 29:27→— Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
a) Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, door wiens oudsten hij spoedig na Sauls dood, dus reeds in het jaar 1055 vóór Christus, tot hun vorst gezalfd werd (vs.4), is zeven jaar en zes maanden.
1 Kronieken 2: 11 Na Isbóseths moord erkenden ook de overige stammen David als koning, en sinds die tijd verplaatste hij zijn residentie van Hebron naar Jeruzalem (5: 1-9).
KruisverwijzingenJozua 10:4→Jozua 9:3→Jozua 10:2→Jozua 18:25→Genesis 32:2→2 Samuël 17:14→Jozua 10:12→— Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.
Toen trok Abner, de zoon van Ner, nadat hij in het jaar 1050 het gehele overige rijk aan Isboseth onderdanig gemaakt had (vs.9), uit met de knechten, met de krijgslieden van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaïm
naar Gibeon, in de stam Benjamin, 2 à 3 uur noordwestelijk van Jeruzalem, om van daar uit de strijd tegen de stam van Juda te hervatten en ook David’s rijk aan Isboseth te brengen.
Sommigen vertalen dit vanuit het leger, omdat het Hebreeuwse woord Mahanaïm ook betekent: leger, legerplaats, of liever; dubbel leger (Genesis32: 2). Het is echter duidelijk, dat dit hier niet aldus kan worden vertaald, zoals Luther in navolging van de Vulgaat gedaan heeft, het moet met de Septuaginta als eigennaam opgevat worden.
Kruisverwijzingen2 Samuël 8:16→1 Kronieken 2:16→Jeremia 41:12→1 Kronieken 11:6→1 Koningen 2:28→1 Koningen 1:7→2 Samuël 20:23→2 Samuël 2:18→— Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.
Joab, de zoon van Zeruja (1 (Samuel 16: 10) een overste onder de helden van David, 1) en later zijn legerhoofd (1 (Kronieken 11: 6), en de knechten, de krijgslieden van David trokken van hun zijde ook uit om het voortdringen van het vijandelijk leger van het gebied van hun heer af te weren; en zij, de legers, ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon, 2) en zij bleven, legerden zich, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de andere zijde van de vijver.
Van Joabs broeder Abisaï is reeds in 1 Samuel .26: 6vv. gesproken; maar zonder twijfel behoorde Joab insgelijks tot de vrijbuiters van David, zolang deze door Saul vervolgd werd, en was hij vermoedelijk reeds toen de voornaamste na David, omdat hij een groot veldheerstalent bezat.
In Gibeon bevond zich, sinds Nob door Saul verbrand was (1 Samuel .22: 19) de tabernakel (1 Kronieken 16: 39vv. 21: 29; 2 Kronieken 1: 3 het tegenwoordige dorp el Dschib ligt op de top van een eenzame bergrug. Omstreeks 100 schreden van het dorp verwijderd, recht onder de top van de berg, op het noorden aan, is een mooie waterbron in een uitgeholde kelder; niet ver daaronder liggen de overblijfselen van een andere open watervergaarbak van circa 120 voet lang en 100 voet breed. Ook in Jerem.41: 12 wordt van een groot water bij Gibeon gesproken.
Gibeon lag in het gebied van Benjamin, de stam, waaruit Saul was voortgekomen. Daar had ongetwijfeld Saul nog vele vrienden, en Abner brengt juist daarheen de strijd over, opdat hij gesterkt zou worden door degenen, die nog van de overleden koning hielden. Hieruit blijkt, dat niet David, maar Abner zelf de strijd heeft aangevangen.
Kruisverwijzingen2 Samuël 2:17→Spreuken 25:8→2 Samuël 2:26→Spreuken 17:14→Spreuken 20:18→Spreuken 26:18→Spreuken 10:23→— En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.
En Abner zei tot Joab: Laat ons, opdat het niet tot een ernstige burgeroorlog komt, de zaak door een tweestrijd beslissen (1 (Samuel 17: 11); laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. 1) Stel gij van uw zijde een getal jeugdige krijgers, in wier hand gij de beslissing wilt leggen, en ik zal een gelijk aantal van mijn zijde stellen, die hier voor onze ogen de strijd met hen zullen voeren. En Joab zei: Laat hen zich opmaken. Hij nam het voorstel aan.
Dit betekent niet, dat Abner het als een soort van spel beschouwde, dat de mannen van weerszijden door een tweegevecht de strijd zouden beslissen dat lag niet in Abners karakter maar het spelen moet hier worden opgevat in de zin van krijgsspel, van het strijden in een tweegevecht.
— En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.
En de tweemaal twaalf jongelingen gingen met grote verbittering op elkaar in, en de een greep de ander, zijn tegenstander, bij het hoofd, en stootte zijn zwaard in de zijde van de ander, en zij vielen, ten gevolge van zo’n vol van verbittering gevoerde strijd, alle vierentwintig tezamen; 1) daarom noemde men deze plaats: Chelkath Hazurim, d.i. Akker van de sneden of van de scherpe zwaarden, die bij Gibeon is.
Hierdoor kwam het, dat dit tweegevecht de strijd niet besliste, maar gevolgd werd door een algemene strijd, waarin Abner geslagen werd.
Kruisverwijzingen2 Samuël 3:27→2 Samuël 4:6→2 Samuël 20:10→2 Samuël 5:6→2 Samuël 20:12→— Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
Maar hij, Asahel, weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste, het ondereinde van de spies, 1) aan de vijfde rib, het onderlijf, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar en stierf op zijn plaats, bleef op die plaats dood liggen. En het gebeurde, dat alle krijgslieden van David’s leger, die in het vervolgen van de vijand, op de plaats kwamen, waar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven, en de val van de jonge held betreurden (20: 12).
Het onder- of benedeneind van de spies was, naar het schijnt, scherp, om de spies in de aarde te steken, als men haar uit de hand legde (1 Samuel .26: 7); daaruit laat het zich ook verklaren, dat de spies door het gehele onderlijf van Asahel drong, en achter weer te voorschijn kwam.
Kruisverwijzingen1 Koningen 20:11→2 Samuël 3:1→— Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.
Maar David’s knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen; driehonderd en zestig mannen waren er doodgebleven, zodat Israël duidelijk genoeg kon zien, hoezeer God met David was en Isboseths koninkrijk niet van lange duur zou zijn. Dat de doden hier opzettelijk worden opgegeven, is om hen te onderscheiden van de gewonden. Het grote verschil tussen de gesneuvelden in beide legers is hieruit, in de middellijke weg, te verklaren, dat Joabs soldaten goedgeoefende strijders waren en Abner alleen kon strijden met het overblijfsel van het leger, dat op Gilboa verslagen was.
KruisverwijzingenSpreuken 22:29→1 Kronieken 2:13→2 Kronieken 16:14→1 Samuël 17:58→2 Kronieken 21:1→2 Samuël 5:1→— En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.
En zij namen Asahel op van de plaats waar hij gevallen was, en begroeven hem op de terugtocht in zijn vaders graf, dat te Bethlehem was. 1) Joab nu en zijn mannen gingen, na volbracht werk, de gehele nacht zuidwaarts, dat hun het licht aanbrak te Hebron, waar zij dus met het aanbreken van de dag aankwamen.
Dus wordt onderscheid gemaakt tussen het stof van de een en dat van de ander, maar bij de opstanding zal er geen onderscheid wezen, dan tussen rechtvaardigen en bozen, dat dan voor eeuwig zal standhouden.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Samuël 2
2 Samuël 2:1.Kruisverwijzingen1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→1 Samuël 23:4→1 Samuël 23:9→Richteren 1:1→2 Samuël 2:11→1 Samuël 30:7→1 Koningen 2:11→
— En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.
Al wist David dat hij tot koning over Israël gezalfd was, toch wilde hij geen stap naar zijn rechtmatige plaats zetten zonder eerst leiding van God te vragen. En hij was niet tevreden met een algemene aanwijzing, maar wilde een bijzondere en bepaalde aanduiding hebben van waar hij heen moest gaan. Het was hem niet genoeg dat God tot hem zei: “Ga” — hij wil precies weten naar welke stad van Juda hij moet gaan.
En dit was geen uitzondering op Davids gewone gewoonte. Van zijn jeugd op was hij gewend geweest in alle moeilijke gevallen de leiding des Heeren te vragen. Toen hij voor Saul vluchtte en naar Nob ging tot de priester, vertelde Doëg aan Saul dat de priester de Heere voor David gevraagd had. Het was David niet genoeg dat hij het zwaard van Goliath had; hij moest ook leiding van God hebben.
Later, toen David koning over Israël geworden was te Hebron, vroeg hij, voordat hij tegen de Filistijnen streed, de Heere: “Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven?” (2 Sam. 5:19). Het antwoord des Heeren was gunstig, en David verkreeg een grote overwinning. Maar toen de Filistijnen weer optrokken, ging David niet uit om te strijden voordat hij nog eens de Heere gevraagd had; en toen was het dat God hem dat gedenkwaardige antwoord gaf: “als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de HEERE voor uw aangezicht uitgegaan” (5:24).
David was een man die altijd Gods vinger de rechte weg moest zien wijzen, Gods stem moest horen die zei: “Dit is de weg, wandelt in denzelven.” En hij scheen nooit tevreden tenzij hij het geluid van de voeten van zijn Meester dicht achter zich kon horen, of een duidelijke aanwijzing kon zien dat zijn Meester juist voor hem uit of aan zijn zijde wandelde.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-8.Kruisverwijzingen1 Samuël 25:42→2 Samuël 5:5→1 Samuël 31:11→1 Samuël 14:50→1 Samuël 30:31→1 Samuël 23:2→2 Samuël 5:3→1 Samuël 23:21→
— En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron. Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron. Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven. Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt. En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd. Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
David ziet wel in, dat hij zijn verblijf onder de Filistijnen nu niet langer kan houden, en dus naar het vaderland terug moet keren. Maar omdat hij tevens vooruitziet, dat Sauls aanhangers er niet toe zullen komen om hem als koning te erkennen, zo wil hij niet door een willekeurige handeling het gevaar van een burgeroorlog teweegbrengen, maar vraagt vooraf de Heere, of hij in een van de steden van Juda, waar hij nog het eerst een gunstige ontvangst hoopt te vinden, trekken zal, zo ja, in welke stad? Hem wordt Hebron opgegeven; daarheen begeeft hij zich dan met zijn huis en met zijn aanhangers; hij wordt daar door de oudsten van Juda tot koning over deze stam gezalfd, en zendt boden naar de burgers van Jabes in Gilead, om hen te danken voor hetgeen zij met Sauls lijk gedaan hadden, en om hun zijn troonsbestijging te melden.
En het geschiedde daarna, nadat Sauls en Jonathans dood aan de voorgewende moordenaar gewroken en in een allergevoeligst klaaglied betreurd was geworden, (zie het vorige hoofdstuk) dat David de HEERE vroeg 1) door de Uriem en Tummim, omdat hij de hogepriester Abjathar bij zich had (1 Samuel .22: 20vv.; 23: 6). Hij vroeg de Heere, zeggende: zal ik optrekken in een van de steden van mijn stam Juda, waar ik vele vrienden heb (1 Samuel .30: 26vv.)? Naar menselijke gedachten is dat in de huidige omstandigheden het meest aan te raden; maar ik wil niets naar eigen inzicht beginnen, wil Gij liever, o Heere, mij de juiste weg wijzen. En de HEERE zei tot hem door de mond van de hogepriester: Trek op; uw doel stemt geheel met Mijn gedachten en wegen overeen (Genesis21: 12). En David zei, liet voor de tweede keer voor zich raadvragen (1 Samuel .23: 9vv.), zeggende: Waarheen, in welke van Juda’s steden, zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. 2)
Dat hij na de dood van Saul zijn tijdelijke verhouding met de Filistijnen moest opgeven en naar zijn vaderland terugkeren, dat kon voor David niet twijfelachtig zijn. Maar omdat de Filistijnen door hun overwinning bij Gilboa het grootste deel van het Israëlitisch gebied hadden ingenomen en van de aanhangers van Saul, vooral van het leger, aan de spits waarvan Sauls neef, Abner, stond, te vrezen was, dat zij niet gemakkelijk David als koning zouden erkennen, waardoor een burgeroorlog kon uitbreken, zo wilde David niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de Heere naar het vaderland terugkeren.
Bij 1 Samuel .9: 5 (1 Samuel 9: 5) hebben wij de omstreken van Bethlehem, zuidelijk tot aan de Frankenberg en het dorp Khureitûn in het oosten en tot aan Salomo’s vijvers met het kasteel el Burak in het Westen bezocht. Van Khureitûn uit zou de weg naar het zuiden in bijna rechte richting eerst naar Thekoa, de geboorteplaats van de profeet Amos (Amos 1), voeren; zij ligt op een brede bergrug, waarvan men een buitengewoon mooi uitzicht heeft op de omstreken. Op deze weg naar Hebron treffen wij echter bijna geen in de Bijbelse geschiedenis belangrijke plaats aan, behalve het in Joz.15: 59 genoemde Beth-Anoth, een weinig zuidwestelijk van Halhul gelegen. Daarom begeven wij ons liever terug op de eigenlijke Hebronstraat, die ons dicht langs de westzijde van el Burak brengt. Na 1 1/2 uur reizen komen wij bij een put, bron, of regenbak, met een bidplaats Bir el hadsch romedan (Bron voor oogzieke pelgrims), op dat punt, dat oostelijk tegenover Bereikut of Berachah ligt, en dat volgens de mening van sommigen dat lofdal is, waarin Josafat over de Ammonieten en Moabieten zegevierde (2 Kronieken 20: 26). Twee uur van daar ligt vlak aan de weg, links, de bron Ain en Dirweh, en iets verder rechts het oude Beth Zur (Joz.15: 58); door deze plaats moet de weg gelopen hebben, die van Jeruzalem over Thekoa naar Gaza voert, die in Hand.8: 26 “de weg naar het zuiden, die woest is”, genoemd wordt; deze plaats dekte de toegang tot de hoofdstad, waarom hij door Rehabeam versterkt werd (2 Kronieken 11: 7) en ook tijdens de Makkabeeën een grote rol speelde (1 Makk.4: 29; 2 Makk.11: 5; 13: 9,22). Wij hebben daarom bij 1 Samuel .9: 5 niet geschroomd om ons voor de oudere overlevering te verklaren, volgens welke Ain en Dirweh de plaats is, waar Filippus de kamerling uit Morenland doopte. Willen wij ons van deze bron af iets zuidoostelijks begeven, zo zouden wij na omstreeks 20 minuten te Halhul (Joz.15: 59) komen. Weer 20 minuten daarachter, in rechte richting op Hebron aan, liggen de puinhopen van Rameh, die de Joodse overlevering voor Abrahams huis opgeeft, zonder daarbij te bedenken, dat Abraham geen vaste woning in Kanaän had, maar er slechts een tentenleven leidde; maar ook voor het Rama van Samuel, zoals Wolcott en Van de Velde willen, kunnen wij deze ruïne niet houden (zie bij 1 Samuel .9: 5). Wij hebben van hier af slechts weinige minuten nodig, om op de weg naar Hebron terug te komen, dat niet verder dan 3/4 uur van ons af ligt; maar eer wij deze weg opnieuw betreden, begeven wij ons in zuidwestelijke richting en komen na een goed half uur aan een reusachtige eik, Bulut es-Sebta geheten, die men voor een van de eiken van het bos Mamre (Genesis13: 18) houdt. Van de Velde, die hem heeft gezien, zegt, dat hij wel niet gelooft, dat er eiken van deze soort zijn (namelijk wier takken in dichte bundels afhangen en klein doornig blad hebben, die op zo’n hoge ouderdom kunnen bogen; maar dat deze mooie en prachtige boom een nakomeling is van de groep, waaronder Abraham de Heere aan de ingang van zijn tent ontving (Genesis18: 1vv.) is hem waarschijnlijk. Hieruit volgt, dat het eikenbos zich een half uur noordwestelijk van Hebron zal hebben bevonden. Wenden wij ons van hier zuiver oostelijk totdat wij weer op de weg komen, dan zijn wij in Ain Eskali, een kwartier van de stad; het water van deze bron wordt door de inwoners voor het beste op de gehele wereld gehouden, en het dal, waarin het stroomt, voor de beek Eskol, waar de 12 verspieders een wijngaardrank met een druiventros van buitengewone grootte afsneden (Num.13: 24vv.). Het is nu echter tijd, dat wij de lezer bekend maken met Hebron, de stad van de aartsvaders, welke stad een van de liefelijkste en mooiste gezichten biedt, die men in het heilige land aantreft. De stad bestaat uit zes kwartieren. De zuidelijke el Haram en el Musarika alleen hier zichtbaar, zijn van de beide noordelijke, het oostelijke of het Scheikskwartier, en het westelijke of het kloosterkwartier, door een strook land van acht minuten breedte gescheiden. Vooral valt op het grote, als vesting ingerichte gebouw aan de zuidhelling van de oostelijke heuvel Haram (d.i. ontoegankelijk) genoemd. Dit duidt, zoals reeds bij Genesis23: 20 opgemerkt is, de plaats aan, waar in de dubbele spelonk Machpela het gebeente van de aartsvaders en hun vrouwen weten, en is in de vorm van een langwerpige vierhoek gebouwd, waarvan de lengtezijden van het zuiden naar het noorden 200 voet lang zijn, terwijl de breedte slechts 115 voet en de hoogte van 50 tot 60 voet bedraagt; van de vier torens, waarmee de hoeken oorspronkelijk ter verdediging voorzien waren, staan thans slechts twee meer geheel recht op, en dienen met hun galerijen tot minaretten (daaronder verstaat men de koepeldaken op Islamitische bedehuizen); de derde is stomp en de vierde geheel vervallen. Over de grafplaats zelf is een Moskee gebouwd, die, zoals de ringmuren, een langwerpigen vierhoek vormt. “Al de graven van de patriarchen”, schrijft de Spanjaard Badia, die in het jaar 1807 onder de naam Ali Bey naar binnen wist te sluipen, maar wiens beschrijving toch geen duidelijk denkbeeld van de inwendige inrichting geeft “al de graven van de patriarchen zijn met kostbare tapijten van groene, prachtig met goud gestikte zijde bedekt; die van hun vrouwen zijn rood en op gelijke wijze gestikt; de sultans van Konstantinopel geven deze tapijten, die van tijd tot tijd vernieuwd worden. Ik telde op Abrahams graf negen tapijten over elkaar. Ook de ruimte, die door de graven wordt ingesloten, is met tapijten belegd.” Intussen zijn de zerken er ongetwijfeld alleen neergezet om de eigenlijke graven in een diepere groeve aan de opmerkzaamheid te onttrekken. Een weinig ten noorden van Haram ligt het kasteel el Kala, dat niet hoog is, maar sterke massieve muren bezit, die gedeeltelijk in puin liggen; dit is, naar het schijnt, de oude koningsburg, waarin David 7 jaar te Hebron woonde (5: 4vv.). In dit deel van de stad bevindt zich ook een vijver, die 85 voet lang, 55 voet breed en meer dan 18 ½ voet diep is en voor Sara’s badvijver gehouden wordt; een grotere vijver, de Davidsvijver geheten, misschien dezelfde, waarbij David de moordenaars van Isboseth liet ophangen (4:
, ligt op het zuidelijk deel van de stad aan, daar waar de bodem sterker begint te dalen. Bovendien worden onder de merkwaardigheden in Hebron nog Abners en Isboseths graf (3: 31vv.; 4: 12) en dat van Isaï, David’s vader, getoond. De bevolking van de stad bestaat uit 6-7000 Moslims, die hier dweepzieker en vijandiger op de Christenen zijn dan ergens elders in het land, en uit 280 a 300 Joden, bij Robinsons bezoek was er slechts een enkele Christen, Elias van Damascus, woonachtig. Eer wij van Hebron en zijn omgeving scheiden, begeven wij ons van de noordzijde van de stad oostelijk naar het anderhalf uur van daar verwijderde Beninaïm, dat Robinson voor het oude, door Hieronymus vermelde Capharbarucha (zegendorp) houdt; en dus de plaats zou zijn, tot waar naar de overlevering Abraham de Heere begeleidde, en van waar hij de volgende dag de rook van Sodom’s brand zag opstijgen (Genesis18: 22vv.; 19: 27 vv.).
Zo doe nu de HEERE tot vergelding van dit werk van uw liefde en trouw aan u opnieuw weldadigheid en trouw! 1) en ik ook, als Sauls opvolger en schuldenaar van al het goede, dat hem nog in de dood bewezen is, ik zal aan u dit goede doen, omdat gij deze zaak gedaan hebt.
Weldadigheid en trouw. Hiermee wordt aangeduid, hoe de Heere Zijn genade aan het volk bewijst, d.w.z. als de Liefde en als de vervuller van Zijn beloften.
Kon David edeler, tederder, deelnemender handelen? en omdat de edelste daad tevens de wijste is, en het meest tot het doel voert kon hij wijzer handelen? Moest niet deze daad, waarmee hij begon, de beste indruk op het volk maken en hem hun liefde doen winnen? Kon hij zijn regering meer schitterend beginnen dan met deze daad? Waarlijk, hij is goed begonnen! Een regent, die de verdiensten van zijn voorganger dankbaar erkent en hem nog in het graf eert, is bekwaam en waard zijn opvolger te worden. En deze één trek, die wij van David’s troonsbestijging weten, strekt om ons opnieuw voor hem in te nemen; hij laat alle goeds, ja het beste voor de toekomst hopen. Maar het goede overal opzoeken, met warmte liefhebben, op onpartijdige wijze belonen, zelfs als zijn vijanden het doen, dàt kan alleen de man naar Gods hart. De natuurlijke mens heeft leedvermaak als het zijn vijand kwalijk gaat; al doet hijzelf hem geen kwaad, hij verheugt er zich toch in stilte over, indien het hem door anderen wordt aangedaan, en ergert zich indien hij geprezen en zijn eer gered wordt. Bovendien gaf David door deze handeling aan het volk de beslissende overtuiging, dat onder zijn bestuur ook de geringste daad, die lof verdiende, dankbaar opgemerkt, en erkend zou worden.
En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, betoont u verder moedige mannen te zijn, die hun koning trouw ter zijde staan; omdat uw vroegere heer Saul gestorven is, en ook hebben mij die oudsten van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd; 1) er zullen zich echter voor u bijzondere moeilijkheden opdoen om aan mijn zijde te blijven, omdat Sauls leger onder aanvoering van Abner zich naar uw landstreek teruggetrokken heeft, en er van daar uit wel een oorlog tegen mij zal beginnen (vs.8vv.).
Hiermee vordert David van hen, dat zij, nu Saul dood is, hem erkennen als hun wettige koning en heer. Het schijnt, dat toen nog niet bekend was, wat Abner in het schild voerde, om n.l. Isboseth tot koning over Israël te maken.
II. Vs. 8-32.Kruisverwijzingen1 Samuël 14:50→Genesis 32:2→2 Samuël 8:16→1 Kronieken 2:16→2 Samuël 3:1→1 Koningen 2:11→Jozua 10:4→Jozua 9:3→
— Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel. Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na. Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon. Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers. En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken. Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten. En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is. En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.
In de eerstvolgende vijf en een half jaar na Sauls dood onderwerpt Abner aan diens enig overgebleven zoon Isboseth, die hij na de ongelukkige slag op het gebergte te Gilboa in het aan de overzijde gelegen land naar Mahanaïm gebracht had, geheel Israël met uitzondering van de stam Juda, en maakt hem in zijn 40ste jaar koning. Thans heropent hij de strijd tegen Juda, om ook deze stam aan Isboseth te brengen, en David zendt zijn leger onder aanvoering van Joab naar Gibeon tegen dat van Abner. Terwijl beide partijen aldaar bij een vijver tegenover elkaar zich legeren, moet op Abners voorstel een tweegevecht van 12 jongelingen uit ieder leger de strijd beslissen; omdat hierop geen beslissing volgt, komt het tot een algemene zeer hevige slag, waarin Abner op de vlucht wordt geslagen, die echter onderweg de hem heftig vervolgende Asahel, Joabs broeder, doorsteekt. Met zijn manschappen op het felste benauwd door de hem nazettende vijand, beweegt hij aan de avond van die dag Joab tot de aftocht; terwijl hij daarop over de Jordaan naar Mahanaïm zich terugtrekt, begraven David’s krijgslieden Asahels van het slagveld meegenomen lijk, in zijn vaders graf te Bethlehem en bereiken Hebron bij het aanbreken van die dag.
Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, die Saul gehad had (1 Samuel .14: 50), nam Isboseth (= Man van verwarring of schaamte) Sauls jongste zoon bij zijn vrouw Ahimaäz, 1) die of aan de slag (1 Samuel .31: 1vv.) in het geheel geen deel genomen, of zich bij Abner gehouden had, en zo de dood, die zijn drie broeders met de vader tegemoet snelden, ontkomen was, en voerde hem, nadat die slag verloren was, over naar het oostelijk deel van het land, naar Mahanaïm, aan de rivier de Jabbok (Genesis32: (2 Jozua 13: 26; 21: 38vv.), om in de eerste plaats hem en het overschot van het geslagen leger in veiligheid te brengen.
In 1 Kronieken 8: 33; 9: 39 wordt Isboseth met de naam Esbaäl d.i. vuur of verdelger van Baäl aangeduid, zo heet ook Jonathans zoon in 1 Kronieken 8: 34; 9: 40; Merbaäl d.i. Baäls-bestrijder. Evenals namelijk de naam van de god Baäl zelf in de naam Boschet (d.i. schande) omgezet werd (Jer.3: 24; 11: 13 Hos.9: 10 9.10) zo ook de daarmee samengestelde eigennamen, waarom wij in 11: 21 voor Jerub-baäl (Gideon: Richteren 6: 32) lezen: Jerrub-béschet. Vele geleerden vinden in deze omzetting van de namen van Sauls nakomelingen een zinspeling op de schande, waarin Sauls huis volgens de gebeden van David (Psalm 35: 26; 132: 18) ten onderging.
En toen het Abner eindelijk door jarenlang voortgezette strijd tegen de in het westelijke deel van het land tot heerschappij gekomen Filistijnen gelukt was, deze weer van daar te verdrijven, omstreeks het jaar 1050 vóór Christus, maakte hij hem, (Isboseth) ten koning over Gilead, de drie oost-Jordaanse stammen, Ruben, Gad en oost-Manasse, en over de Aschurieten, 1) de stammen Aser, Zebulon en Nafthali; en over Jizreël, west-Manasse, en over Efraïm, en over Benjamin, en over geheel Israël, behalve Juda en Simeon, dus ook over de stammen Dan en Issaschar.
Aldus heeft de Chaldeeuwse uitlegging van het Oude Testament de vreemde uitdrukking opgevat. Anderen (b.v. ook de Vulgaat) willen daarvoor lezen: Gessuri, waaronder dan het noordelijke deel van het land van de berg Hermon tot aan het meer Gennesareth te verstaan zou zijn (Deuteronomium 3: 14 Joz.12: 5; 14: 13; 1 Kronieken 2: 23 dan moeten de stammen Aser, Zebulon en Naftali onder “geheel Israël” mee begrepen worden.
Veertig jaar was Isboseth, Sauls zoon, oud toen hij koning werd over Israël, en hij regeerde, tot aan zijn in het jaar 1048 vóór Chr. gevolgde vermoording (4) het tweede jaar, 1) of twee jaar; alleen die van het huis van Juda volgden ook in deze tijd niet hem, maar David na.
Ook hier moet het woord vertaald worden door, en hij regeerde twee jaar. In vs.11 wordt gezegd, dat David te Hebron, over het huis van Juda, zeven en een half jaar heeft geregeerd. Wat blijkt hieruit? Dat niet terstond na Sauls dood Isboseth koning is geworden, maar dat hij pas 5 jaar daarna tot koning is verheven over de andere stammen en dat Abner in die tijd de Filistijnen uit het land heeft verdreven.
a) Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, door wiens oudsten hij spoedig na Sauls dood, dus reeds in het jaar 1055 vóór Christus, tot hun vorst gezalfd werd (vs.4), is zeven jaar en zes maanden.
1 Kronieken 2: 11 Na Isbóseths moord erkenden ook de overige stammen David als koning, en sinds die tijd verplaatste hij zijn residentie van Hebron naar Jeruzalem (5: 1-9).
Toen trok Abner, de zoon van Ner, nadat hij in het jaar 1050 het gehele overige rijk aan Isboseth onderdanig gemaakt had (vs.9), uit met de knechten, met de krijgslieden van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaïm
naar Gibeon, in de stam Benjamin, 2 à 3 uur noordwestelijk van Jeruzalem, om van daar uit de strijd tegen de stam van Juda te hervatten en ook David’s rijk aan Isboseth te brengen.
Sommigen vertalen dit vanuit het leger, omdat het Hebreeuwse woord Mahanaïm ook betekent: leger, legerplaats, of liever; dubbel leger (Genesis32: 2). Het is echter duidelijk, dat dit hier niet aldus kan worden vertaald, zoals Luther in navolging van de Vulgaat gedaan heeft, het moet met de Septuaginta als eigennaam opgevat worden.
Joab, de zoon van Zeruja (1 (Samuel 16: 10) een overste onder de helden van David, 1) en later zijn legerhoofd (1 (Kronieken 11: 6), en de knechten, de krijgslieden van David trokken van hun zijde ook uit om het voortdringen van het vijandelijk leger van het gebied van hun heer af te weren; en zij, de legers, ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon, 2) en zij bleven, legerden zich, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de andere zijde van de vijver.
Van Joabs broeder Abisaï is reeds in 1 Samuel .26: 6vv. gesproken; maar zonder twijfel behoorde Joab insgelijks tot de vrijbuiters van David, zolang deze door Saul vervolgd werd, en was hij vermoedelijk reeds toen de voornaamste na David, omdat hij een groot veldheerstalent bezat.
In Gibeon bevond zich, sinds Nob door Saul verbrand was (1 Samuel .22: 19) de tabernakel (1 Kronieken 16: 39vv. 21: 29; 2 Kronieken 1: 3 het tegenwoordige dorp el Dschib ligt op de top van een eenzame bergrug. Omstreeks 100 schreden van het dorp verwijderd, recht onder de top van de berg, op het noorden aan, is een mooie waterbron in een uitgeholde kelder; niet ver daaronder liggen de overblijfselen van een andere open watervergaarbak van circa 120 voet lang en 100 voet breed. Ook in Jerem.41: 12 wordt van een groot water bij Gibeon gesproken.
Gibeon lag in het gebied van Benjamin, de stam, waaruit Saul was voortgekomen. Daar had ongetwijfeld Saul nog vele vrienden, en Abner brengt juist daarheen de strijd over, opdat hij gesterkt zou worden door degenen, die nog van de overleden koning hielden. Hieruit blijkt, dat niet David, maar Abner zelf de strijd heeft aangevangen.
En Abner zei tot Joab: Laat ons, opdat het niet tot een ernstige burgeroorlog komt, de zaak door een tweestrijd beslissen (1 (Samuel 17: 11); laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. 1) Stel gij van uw zijde een getal jeugdige krijgers, in wier hand gij de beslissing wilt leggen, en ik zal een gelijk aantal van mijn zijde stellen, die hier voor onze ogen de strijd met hen zullen voeren. En Joab zei: Laat hen zich opmaken. Hij nam het voorstel aan.
Dit betekent niet, dat Abner het als een soort van spel beschouwde, dat de mannen van weerszijden door een tweegevecht de strijd zouden beslissen dat lag niet in Abners karakter maar het spelen moet hier worden opgevat in de zin van krijgsspel, van het strijden in een tweegevecht.
En de tweemaal twaalf jongelingen gingen met grote verbittering op elkaar in, en de een greep de ander, zijn tegenstander, bij het hoofd, en stootte zijn zwaard in de zijde van de ander, en zij vielen, ten gevolge van zo’n vol van verbittering gevoerde strijd, alle vierentwintig tezamen; 1) daarom noemde men deze plaats: Chelkath Hazurim, d.i. Akker van de sneden of van de scherpe zwaarden, die bij Gibeon is.
Hierdoor kwam het, dat dit tweegevecht de strijd niet besliste, maar gevolgd werd door een algemene strijd, waarin Abner geslagen werd.
Maar hij, Asahel, weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste, het ondereinde van de spies, 1) aan de vijfde rib, het onderlijf, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar en stierf op zijn plaats, bleef op die plaats dood liggen. En het gebeurde, dat alle krijgslieden van David’s leger, die in het vervolgen van de vijand, op de plaats kwamen, waar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven, en de val van de jonge held betreurden (20: 12).
Het onder- of benedeneind van de spies was, naar het schijnt, scherp, om de spies in de aarde te steken, als men haar uit de hand legde (1 Samuel .26: 7); daaruit laat het zich ook verklaren, dat de spies door het gehele onderlijf van Asahel drong, en achter weer te voorschijn kwam.
Maar David’s knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen; driehonderd en zestig mannen waren er doodgebleven, zodat Israël duidelijk genoeg kon zien, hoezeer God met David was en Isboseths koninkrijk niet van lange duur zou zijn. Dat de doden hier opzettelijk worden opgegeven, is om hen te onderscheiden van de gewonden. Het grote verschil tussen de gesneuvelden in beide legers is hieruit, in de middellijke weg, te verklaren, dat Joabs soldaten goedgeoefende strijders waren en Abner alleen kon strijden met het overblijfsel van het leger, dat op Gilboa verslagen was.
En zij namen Asahel op van de plaats waar hij gevallen was, en begroeven hem op de terugtocht in zijn vaders graf, dat te Bethlehem was. 1) Joab nu en zijn mannen gingen, na volbracht werk, de gehele nacht zuidwaarts, dat hun het licht aanbrak te Hebron, waar zij dus met het aanbreken van de dag aankwamen.
Dus wordt onderscheid gemaakt tussen het stof van de een en dat van de ander, maar bij de opstanding zal er geen onderscheid wezen, dan tussen rechtvaardigen en bozen, dat dan voor eeuwig zal standhouden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel