Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Daarna hieldH6213JosiaH2977 het paschaH6453 den HEEREH3068 te JeruzalemH3389; en zij slachttenH7819 het paschaH6453 op den veertiendenH702 der eersteH7223maandH2320.Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
KJVMoreover Josiah2kept1a passover4unto the LORD5in Jerusalem:3and they killed6the passover7on the fourteenth8day of the first11month.10
1וַיַּ֨עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2יֹאשִׁיָּ֧הוּH2977JosiaJosiah3בִֽירוּשָׁלִַ֛םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem4פֶּ֖סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)5לַיהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וַיִּשְׁחֲט֣וּH7819slachten, slachtte, slachttenkill, offer, shoot out, slay, slaughter7הַפֶּ֔סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)8בְּאַרְבָּעָ֥הH702vier, vierhonderd, veertienfour9עָשָׂ֖רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)10לַחֹ֥דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon11הָרִאשֽׁוֹןH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past
2En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En hij steldeH5975 de priesterenH3548opH5921 hun wachtenH4931; en hij sterkteH2388 hen tot den dienstH5656 van het huisH1004 des HEERENH3068.En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
KJVAnd he set1the priests2in their charges,4and encouraged5them to the service6of the house7of the LORD,8
1וַיַּעֲמֵ֥דH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2הַכֹּהֲנִ֖יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4מִשְׁמְרוֹתָ֑םH4931wacht, wachten, bewaringcharge, keep, or to be kept, office, ordinace, safeguard, ward, watch5וַֽיְחַזְּקֵ֔םH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand6לַעֲבוֹדַ֖תH5656dienst, dienstwerk, dienstbaarheidact, bondage, [phrase] bondservant, effect, labour, ministering(-try), office, service(-ile, -itude), tillage, use, work, [idiom] wrought7בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
3En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En hij zeideH559 tot de LevietenH3881, die gansH3605IsraelH3478onderwezenH995, die den HEEREH3068heiligH6918 waren: ZetH5414 de heiligeH6944arkH727 in het huisH1004, hetwelkH834SalomoH8010, de zoonH1121 van DavidH1732, de koningH4428 van IsraelH3478, gebouwdH1129 heeft; gij hebt geenH369lastH4853 op de schouderenH3802; dientH5647nuH6258 den HEEREH3068, uw GodH430, en Zijn volkH5971IsraelH3478;En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
KJVAnd said1unto the Levites2that taught3all Israel,5which were holy6unto the LORD,7Put8the holy11ark10in the house12which Solomon15the son16of David17king18of Israel19did build;14it shall not be a burden22upon your shoulders:23serve25now the LORD27your God,28and his people30Israel,31
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לַ֠לְוִיִּםH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite3הַמְּבִינִ֨יםH995verstaan, verstandig, verstaatattend, consider, be cunning, diligently, direct, discern, eloquent, feel, inform, instruct, have intelligence, know, look well to, mark, perceive, be prudent, regard, (can) skill(-full), teach, think, (cause, make to, get, give, have) understand(-ing), view, (deal) wise(-ly, man)4לְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5יִשְׂרָאֵ֜לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6הַקְּדוֹשִׁ֣יםH6918heilig, Heilige, heiligeholy (One), saint7לַיהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8תְּנ֤וּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10אֲרוֹןH727ark, kistark, chest, coffin11הַקֹּ֨דֶשׁ֙H6944heilige, heiligheid, heiligdomsconsecrated (thing), dedicated (thing), hallowed (thing), holiness, ([idiom] most) holy ([idiom] day, portion, thing), saint, sanctuary12בַּ֠בַּיִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14בָּנָ֜הH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely15שְׁלֹמֹ֤הH8010SalomoSolomon16בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17דָּוִיד֙H1732David, DavidsDavid18מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal19יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael20אֵיןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)21לָכֶ֥ם22מַשָּׂ֖אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute23בַּכָּתֵ֑ףH3802schouder, schouderbanden, schouderenarm, corner, shoulder(-piece), side, undersetter24עַתָּ֗הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas25עִבְדוּ֙H5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,26אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)27יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)28אֱלֹֽהֵיכֶ֔םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty29וְאֵ֖תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)30עַמּ֥וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people31יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
4En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En bereidtH3559 u naar de huizenH1004 uwer vaderenH1, naar uw verdelingenH4256, naar het voorschriftH3791 van DavidH1732, den koningH4428 van IsraelH3478, en naar de beschrijvingH4385 van zijn zoonH1121SalomoH8010;En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
KJVAnd prepare1yourselves by the houses2of your fathers,3after your courses,4according to the writing5of David6king7of Israel,8and according to the writing9of Solomon10his son.11
1וְהָכִ֥ונוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed2לְבֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)3אֲבוֹתֵיכֶ֖םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'4כְּמַחְלְקוֹתֵיכֶ֑םH4256verdelingen, verdeling, afdelingencompany, course, division, portion. See also H5555 (סֶלַע הַמַּחְלְקוֹת)5בִּכְתָ֗בH3791schrift, geschrift, voorschriftregister, scripture, writing6דָּוִיד֙H1732David, DavidsDavid7מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal8יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9וּבְמִכְתַּ֖בH4385geschrift, schrift, beschrijvingwriting10שְׁלֹמֹ֥הH8010SalomoSolomon11בְנֽוֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth
5En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En staatH5975 in het heiligdomH6944, naar de onderscheidingH6391 der vaderlijkeH1huizenH1004, voor uw broederenH251, het volkH1121, en naar de afdelingH2515 van de vaderlijkeH1huizenH1004 der LevietenH3881;En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
KJVAnd stand in1the holy2place according to the divisions3of the families4of the fathers5of your brethren6the people,7and after the division9of the families11of the Levites.12
1וְעִמְד֣וּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2בַקֹּ֗דֶשׁH6944heilige, heiligheid, heiligdomsconsecrated (thing), dedicated (thing), hallowed (thing), holiness, ([idiom] most) holy ([idiom] day, portion, thing), saint, sanctuary3לִפְלֻגּוֹת֙H6391onderscheidingdivision4בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5הָֽאָב֔וֹתH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'6לַאֲחֵיכֶ֖םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'7בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9וַחֲלֻקַּ֥תH2515afdelingdivision10בֵּֽיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11אָ֖בH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'12לַלְוִיִּֽםH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite
6En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En slachtH7819 het paschaH6453, en heiligtH6942 u, en bereidtH3559 dat voor uw broederenH251, doende naar het woordH1697 des HEERENH3068, door de handH3027 van MozesH4872.En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
KJVSo kill1the passover,2and sanctify3yourselves, and prepare4your brethren,5that they may do6according to the word7of the LORD8by the hand9of Moses.10
7En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En JosiaH2977 gaf voor het volkH1121, van klein veeH6629, lammerenH3532 en jongeH1121geitenbokkenH5795, die alleH3605 tot paasofferenH6453, naar alH3605 hetgeen er gevondenH4672 werd, in getalH4557dertigH7970duizendH505; maar van runderenH1241drieH7969duizendH505; ditH428 was van des koningsH4428haveH7399.En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
KJVAnd Josiah2gave1to the people,3of the flock,5lambs6and kids,7all for the passover offerings,10for all that were present,12to the number13of thirty14thousand,15and three17thousand18bullocks:16these were of the king's21substance.20
1וַיָּ֣רֶםH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms2יֹאשִׁיָּ֣הוּH2977JosiaJosiah3לִבְנֵ֪יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4הָעָ֟םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5צֹ֞אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)6כְּבָשִׂ֣יםH3532lammeren, lam, schapenlamb, sheep7וּבְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8עִזִּים֮H5795geiten, geit, geitenbok(she) goat, kid9הַכֹּ֣לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10לַפְּסָחִים֒H6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)11לְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12הַנִּמְצָ֗אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on13לְמִסְפַּר֙H4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time14שְׁלֹשִׁ֣יםH7970dertig, dertigste, Dertigthirty, thirtieth. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)15אֶ֔לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand16וּבָקָ֖רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox17שְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)18אֲלָפִ֑יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand19אֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)20מֵרְכ֥וּשׁH7399have, goed, goederengood, riches, substance21הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
8Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Ook gaven zijn vorstenH8269 tot een vrijwillig offerH5071 voor het volkH5971, voor de priesterenH3548, en voor de LevietenH3881; HilkiaH2518, en ZachariaH2148, en JehielH3171, de overstenH5057 van het huisH1004GodsH430, gaven den priesterenH3548 tot paasofferenH6453, twee duizendH505 en zeshonderdH8337 klein vee, en driehonderdH7969runderenH1241.Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
Ook in dit vers
gavenH5414
gavenH7311
KJVAnd his princes1gave6willingly2unto the people,3to the priests,4and to the Levites:5Hilkiah7and Zechariah8and Jehiel,9rulers10of the house11of God,12gave14unto the priests13for the passover offerings15two thousand16and six17hundred18small cattle, and three20hundred21oxen.19
9Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Daartoe ChonanjaH3562, en SemajaH8098, en NethaneelH5417, zijn broedersH251, mitsgaders HasabjaH2811, en JeielH3273, en JozabadH3107, de overstenH8269 der LevietenH3881, gavenH7311 den LevietenH3881 tot paasofferenH6453, vijfH2568duizendH505 klein vee en vijfhonderdH2568runderenH1241.Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
KJVConaniah1also, and Shemaiah2and Nethaneel,3his brethren,4and Hashabiah5and Jeiel6and Jozabad,7chief8of the Levites,9gave10unto the Levites11for passover offerings12five13thousand14small cattle, and five16hundred17oxen.15
1וְ֠כָֽנַנְיָהוּH3562ChonanjaConaniah, Cononiah. Compare H3663 (כְּנַנְיָה)2וּשְׁמַֽעְיָ֨הוּH8098SemajaShemaiah3וּנְתַנְאֵ֜לH5417Nethaneel, NathaneelNethaneel4אֶחָ֗יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'5וַחֲשַׁבְיָ֧הוּH2811HasabjaHashabiah6וִיעִיאֵ֛לH3273Jeiel, JehielJeiel, Jehiel. Compare H3262 (יְעוּאֵל)7וְיוֹזָבָ֖דH3107JozabadJosabad, Jozabad8שָׂרֵ֣יH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward9הַלְוִיִּ֑םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite10הֵרִ֨ימוּH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms11לַלְוִיִּ֤םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite12לַפְּסָחִים֙H6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)13חֲמֵ֣שֶׁתH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)14אֲלָפִ֔יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand15וּבָקָ֖רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox16חֲמֵ֥שׁH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)17מֵאֽוֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore
10Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Alzo werd de dienstH5656toebereidH3559; en de priesterenH3548stondenH5975 in hun standplaatsH5977, en de LevietenH3881 in hun verdelingenH4256, naar het gebodH4687 des koningsH4428.Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.
KJVSo the service2was prepared,1and the priests4stood3in their place,6and the Levites7in their courses,9according to the king's11commandment.10
1וַתִּכּ֖וֹןH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed2הָעֲבוֹדָ֑הH5656dienst, dienstwerk, dienstbaarheidact, bondage, [phrase] bondservant, effect, labour, ministering(-try), office, service(-ile, -itude), tillage, use, work, [idiom] wrought3וַיַּֽעַמְד֨וּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry4הַכֹּהֲנִ֧יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6עָמְדָ֛םH5977standplaats, stand, stondplace, ([phrase] where) stood, upright7וְהַלְוִיִּ֥םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9מַחְלְקוֹתָ֖םH4256verdelingen, verdeling, afdelingencompany, course, division, portion. See also H5555 (סֶלַע הַמַּחְלְקוֹת)10כְּמִצְוַ֥תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept11הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
11Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Daarna slachtteH7819 men het paschaH6453, en de priestersH3548sprengdenH2236 het bloed uit hun handenH3027, en de LevietenH3881trokkenH6584 de huiden af.Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
KJVAnd they killed1the passover,2and the priests4sprinkled3the blood from their hands,5and the Levites6flayed7them.
12En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En zij namenH5493 het brandofferH5930 daar af, opdat zij die naar de verdelingenH4653 der vaderlijkeH1huizenH1004, aan het volkH1121 geven mochtenH5414, om den HEEREH3068 te offerenH7126, gelijk geschrevenH3789 is in het boekH5612 van MozesH4872; en alzoH3651 met de runderenH1241.En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
KJVAnd they removed1the burnt offerings,2that they might give3according to the divisions4of the families6of the people,7to offer9unto the LORD,10as it is written11in the book12of Moses.13And so did they with the oxen.15
1וַיָּסִ֨ירוּH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without2הָעֹלָ֜הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)3לְ֠תִתָּםH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield4לְמִפְלַגּ֤וֹתH4653verdelingendivision5לְבֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6אָבוֹת֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'7לִבְנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9לְהַקְרִיב֙H7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take10לַיהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11כַּכָּת֖וּבH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)12בְּסֵ֣פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll13מֹשֶׁ֑הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses14וְכֵ֖ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you15לַבָּקָֽרH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox
13En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En zij kooktenH1310 het paschaH6453 bij het vuurH784, naar het rechtH4941; maar de andere heiligeH6944 dingen kooktenH1310 zij in pottenH5518, en in ketelsH1731, en in pannenH6745; en zij deelden het haastelijkH7323 onder alH3605 het volkH1121.En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.
KJVAnd they roasted1the passover2with fire3according to the ordinance:4but the other holy5offerings sod6they in pots,7and in caldrons,8and in pans,9and divided them speedily10among all the people.12
14Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14DaarnaH310bereiddenH3559 zij ook voor zichzelven en voor de priesterenH3548; wantH3588 de priestersH3548, de zonenH1121 van AaronH175, waren tot aan den nachtH3915 in het offerenH5927 der brandofferenH5930 en des vetsH2459; daarom bereiddenH3559 de LevietenH3881 voor zichzelven, en voor de priesterenH3548, de zonenH1121 van AaronH175.Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.
KJVAnd afterward1they made ready2for themselves, and for the priests:4because the priests6the sons7of Aaron8were busied in offering9of burnt offerings10and the fat11until night;13therefore the Levites14prepared15for themselves, and for the priests17the sons18of Aaron.19
1וְאַחַ֗רH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with2הֵכִ֤ינוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed3לָהֶם֙4וְלַכֹּ֣הֲנִ֔יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer5כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6הַכֹּהֲנִים֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer7בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8אַהֲרֹ֔ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron9בְּהַֽעֲל֛וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work10הָעוֹלָ֥הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)11וְהַחֲלָבִ֖יםH2459vet, vette, smeer[idiom] best, fat(-ness), [idiom] finest, grease, marrow12עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet13לָ֑יְלָהH3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)14וְהַלְוִיִּם֙H3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite15הֵכִ֣ינוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed16לָהֶ֔ם17וְלַכֹּהֲנִ֖יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer18בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth19אַהֲרֹֽןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron
15En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En de zangersH7891, de zonenH1121 van AsafH623, waren in hun standplaatsH4612, naar het gebodH4687 van DavidH1732, en AsafH623, en HemanH1968, en JeduthunH3038, den zienerH2374 des koningsH4428, mitsgaders de poortiersH7778aanH5921 elke poortH8179; zij behoefdenH369 niet te wijkenH5493 van hun dienstH5656, overmitsH3588 hun broedersH251, de LevietenH3881, voor hen bereiddenH3559.En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
KJVAnd the singers1the sons2of Asaph3were in their place,5according to the commandment6of David,7and Asaph,8and Heman,9and Jeduthun10the king's12seer;11and the porters13waited at every gate;14they might not depart18from their service;20for their brethren22the Levites23prepared24for them.
1וְהַמְשֹֽׁרֲרִ֨יםH7891zangers, zingen, Zingtbehold (by mistake for H7789 (שׁוּר)), sing(-er, -ing man, -ing woman)2בְּנֵיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָסָ֜ףH623Asaf, AsafsAsaph4עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5מַעֲמָדָ֗םH4612staan, standplaats, standattendance, office, place, state6כְּמִצְוַ֤תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept7דָּוִיד֙H1732David, DavidsDavid8וְאָסָ֞ףH623Asaf, AsafsAsaph9וְהֵימָ֤ןH1968HemanHeman10וִֽידֻתוּן֙H3038JeduthunJeduthun11חוֹזֵ֣הH2374ziener, zieners, zienagreement, prophet, see that, seer, (star-) gazer12הַמֶּ֔לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13וְהַשֹּׁעֲרִ֖יםH7778poortiers, poortierdoorkeeper, porter14לְשַׁ֣עַרH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)15וָשָׁ֑עַרH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)16אֵ֣יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)17לָהֶ֗ם18לָסוּר֙H5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without19מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20עֲבֹֽדָתָ֔םH5656dienst, dienstwerk, dienstbaarheidact, bondage, [phrase] bondservant, effect, labour, ministering(-try), office, service(-ile, -itude), tillage, use, work, [idiom] wrought21כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet22אֲחֵיהֶ֥םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'23הַלְוִיִּ֖םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite24הֵכִ֥ינוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed25לָהֶֽם
16Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Alzo werd de ganseH3605dienstH5656 des HEERENH3068 op denzelfdenH1931dagH3117beschiktH3559, om paschaH6453 te houdenH6213, en brandofferenH5930opH5921 het altaarH4196 des HEERENH3068 te offerenH5927, naar het gebodH4687 van den koningH4428JosiaH2977.Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.
KJVSo all the service3of the LORD4was prepared1the same day,5to keep7the passover,8and to offer9burnt offerings10upon the altar12of the LORD,13according to the commandment14of king15Josiah.16
1וַ֠תִּכּוֹןH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3עֲבוֹדַ֨תH5656dienst, dienstwerk, dienstbaarheidact, bondage, [phrase] bondservant, effect, labour, ministering(-try), office, service(-ile, -itude), tillage, use, work, [idiom] wrought4יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5בַּיּ֤וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger6הַהוּא֙H1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7לַעֲשׂ֣וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8הַפֶּ֔סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)9וְהַעֲל֣וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work10עֹל֔וֹתH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)11עַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12מִזְבַּ֣חH4196altaar, altaren, altaarsaltar13יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14כְּמִצְוַ֖תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept15הַמֶּ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16יֹאשִׁיָּֽהוּH2977JosiaJosiah
17En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En de kinderenH1121IsraelsH3478, die er gevondenH4672 werden, hieldenH6213 het paschaH6453 ter zelfderH1931tijdH6256, en het feestH2282 der ongezuurdeH4682 broden, zevenH7651dagenH3117.En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.
KJVAnd the children2of Israel3that were present4kept1the passover6at that time,7and the feast10of unleavened bread11seven12days.13
1וַיַּעֲשׂ֨וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יִשְׂרָאֵ֧לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4הַֽנִּמְצְאִ֛יםH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הַפֶּ֖סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)7בָּעֵ֣תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when8הַהִ֑יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10חַ֥גH2282feest, feesten, feestdag(solemn) feast (day), sacrifice, solemnity11הַמַּצּ֖וֹתH4682ongezuurde, ongezuurde broden, ongezuurdunleaved (bread, cake), without leaven12שִׁבְעַ֥תH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)13יָמִֽיםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
18Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Daar was ook geen paschaH6453 als dat in IsraelH3478 gehouden, van de dagenH3117 van SamuelH8050, den profeetH5030, af; en geenH3808koningenH4428 van IsraelH3478 hadden zulk een paschaH6453 gehouden, gelijk datH834JosiaH2977hieldH6213 met de priestersH3548 en de LevietenH3881, en gansH3605JudaH3063 en IsraelH3478, dat er gevondenH4672 werd, en de inwonersH3427 van JeruzalemH3389.Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
KJVAnd there was no passover3like4to that kept2in Israel5from the days6of Samuel7the prophet;8neither did13all the kings10of Israel11keep16such a passover14as Josiah17kept,and the priests,18and the Levites,19and all Judah21and Israel22that were present,23and the inhabitants24of Jerusalem.25
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2נַעֲשָׂ֨הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3פֶ֤סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)4כָּמֹ֨הוּ֙H3644gelijk, alsaccording to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth5בְּיִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6מִימֵ֖יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger7שְׁמוּאֵ֣לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel8הַנָּבִ֑יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet9וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10מַלְכֵ֣יH4428koning, konings, koningenking, royal11יִשְׂרָאֵ֣לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without13עָשׂ֡וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14כַּפֶּ֣סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)15אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16עָשָׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use17יֹֽ֠אשִׁיָּהוּH2977JosiaJosiah18וְהַכֹּהֲנִ֨יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer19וְהַלְוִיִּ֤םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite20וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)21יְהוּדָה֙H3063JudaJudah22וְיִשְׂרָאֵ֣לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael23הַנִּמְצָ֔אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on24וְיוֹשְׁבֵ֖יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry25יְרוּשָׁלִָֽםH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem
19In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19In het achttiendeH8083jaarH8141 van het koninkrijkH4438 van JosiaH2977, werd ditH2088paschaH6453 gehouden.In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.
KJVIn the eighteenth1year3of the reign4of Josiah5was this passover7kept.6
1בִּשְׁמוֹנֶ֤הH8083acht, achttien, achthonderdeight(-een, -eenth), eighth2עֶשְׂרֵה֙H6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)3שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)4לְמַלְכ֖וּתH4438koninkrijk, koninkrijks, koninklijkeempire, kingdom, realm, reign, royal5יֹאשִׁיָּ֑הוּH2977JosiaJosiah6נַעֲשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7הַפֶּ֥סַחH6453pascha, paasofferen, paaslammerenpassover (offering)8הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
20Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20NaH310ditH2063allesH3605, toen JosiaH2977 het huisH1004toebereidH3559 had, toog NechoH5224, de koningH4428 van EgypteH4714, op, om te krijgenH3898 tegen KarchemisH3751, aanH5921 den FrathH6578; en JosiaH2977 toog uit hem tegemoetH7125.Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
21Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Toen zondH7971 hij bodenH4397totH413 hem, zeggendeH559: Wat heb ik met u te doen, gij, koningH4428 van JudaH3063? Wat u aangaat, ik ben hedenH3117 tegen u niet, maarH3588 tegen een huisH1004, dat oorlogH4421 voert tegen mij; en GodH430 heeft gezegdH559, dat ik mij haastenH926 zou; houdH2308 u af van GodH430, DieH834metH5973 mij is, opdat Hij u niet verderveH7843.Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
KJVBut he sent1ambassadors3to him, saying,4What have I to do with thee, thou king8of Judah?9I come not against thee this day,13but against the house16wherewith I have war:17for God18commanded19me to make haste:20forbear21thee from meddling with God,23who is with me, that he destroy27thee not.
1וַיִּשְׁלַ֣חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2אֵלָ֣יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3מַלְאָכִ֣יםH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger4לֵאמֹר֩H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why6לִּ֨י7וָלָ֜ךְ8מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal9יְהוּדָ֗הH3063JudaJudah10לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11עָלֶ֨יךָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12אַתָּ֤הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you13הַיּוֹם֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)17מִלְחַמְתִּ֔יH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)18וֵאלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty19אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet20לְבַֽהֲלֵ֑נִיH926verschrikt, beroerd, verbaasdbe (make) affrighted (afraid, amazed, dismayed, rash), (be, get, make) haste(-n, -y, -ily), (give) speedy(-ily), thrust out, trouble, vex21חֲדַלH2308ophouden, hielden, nalatencease, end, fall, forbear, forsake, leave (off), let alone, rest, be unoccupied, want22לְךָ֛23מֵאֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty24אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection25עִמִּ֖יH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)26וְאַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than27יַשְׁחִיתֶֽךָH7843verderven, verdorven, verdierfbatter, cast off, corrupt(-er, thing), destroy(-er, -uction), lose, mar, perish, spill, spoiler, [idiom] utterly, waste(-r)
22Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Doch JosiaH2977keerdeH5437 zijn aangezichtH6440nietH3808vanH4480 hem; maarH3588 hij versteldeH2664 zich, om tegen hem te strijdenH3898, en hoordeH8085nietH3808naarH413 de woordenH1697 van NechoH5224 uit den mondH6310 van GodH430; maar hij kwamH935 om te strijdenH3898 in het dalH1237MegiddoH4023.Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
KJVNevertheless Josiah3would not turn2his face4from him, but disguised9himself, that he might fight7with him, and hearkened11not unto the words13of Necho14from the mouth15of God,16and came17to fight18in the valley19of Megiddo.20
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2הֵסֵב֩H5437rondom, keerde, omgewendbring, cast, fetch, lead, make, walk, [idiom] whirl, [idiom] round about, be about on every side, apply, avoid, beset (about), besiege, bring again, carry (about), change, cause to come about, [idiom] circuit, (fetch a) compass (about, round), drive, environ, [idiom] on every side, beset (close, come, compass, go, stand) round about, inclose, remove, return, set, sit down, turn (self) (about, aside, away, back)3יֹאשִׁיָּ֨הוּH2977JosiaJosiah4פָנָ֜יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you5מִמֶּ֗נּוּH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with6כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7לְהִלָּחֵֽםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)8בּוֹ֙9הִתְחַפֵּ֔שׂH2664verstelde, doorzoeken, doorzochtchange, (make) diligent (search), disquise self, hide, search (for, out)10וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11שָׁמַ֛עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness12אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)13דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work14נְכ֖וֹH5224NechoNecho. Compare H6549 (פַּרְעֹה נְכֹה)15מִפִּ֣יH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word16אֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty17וַיָּבֹ֕אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way18לְהִלָּחֵ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)19בְּבִקְעַ֥תH1237vallei, dal, dalenplain, valley20מְגִדּֽוֹH4023Megiddo, MegiddonMegiddo, Megiddon
23En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23En de schuttersH3384schotenH3384 den koningH4428JosiaH2977. Toen zeideH559 de koningH4428 tot zijn knechtenH5650: Voert mij wegH5674, wantH3588 ik ben zeerH3966gewondH2470.En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
KJVAnd the archers1shot2at king3Josiah;4and the king6said5to his servants,7Have me away;8for I am sore11wounded.10
1וַיֹּרוּ֙H3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through2הַיֹּרִ֔יםH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through3לַמֶּ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4יֹאשִׁיָּ֑הוּH2977JosiaJosiah5וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6הַמֶּ֤לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal7לַעֲבָדָיו֙H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant8הַעֲבִיר֔וּנִיH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath9כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10הָחֳלֵ֖יתִיH2470krank, smeken, ziekbeseech, (be) diseased, (put to) grief, be grieved, (be) grievous, infirmity, intreat, lay to, put to pain, [idiom] pray, make prayer, be (fall, make) sick, sore, be sorry, make suit ([idiom] supplication), woman in travail, be (become) weak, be wounded11מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
24En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En zijn knechtenH5650 namen hem wegH5674vanH4480 den wagen, en voerdenH7392 hem opH5921 den tweedenH4932 wagen, dienH834 hij had, en brachtenH3212 hem te JeruzalemH3389; en hij stierfH4191, en werd begravenH6912 in de gravenH6913 zijner vaderenH1; en gansH3605JudaH3063 en JeruzalemH3389bedreven rouwH56overH5921JosiaH2977.En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
Ook in dit vers
wagenH4818
wagenH7393
KJVHis servants2therefore took1him out of that chariot,4and put5him in the second8chariot7that he had; and they brought11him to Jerusalem,12and he died,13and was buried14in one of the sepulchres15of his fathers.16And all Judah18and Jerusalem19mourned20for Josiah.22
1וַיַּֽעֲבִירֻ֨הוּH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath2עֲבָדָ֜יוH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant3מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with4הַמֶּרְכָּבָ֗הH4818wagen, wagenen, wagenschariot. See also H1024 (בֵּית הַמַּרְכָּבוֹת)5וַֽיַּרְכִּיבֻהוּ֮H7392rijden, rijdende, reedbring (on (horse-) back), carry, get (oneself) up, on (horse-) back, put, (cause to, make to) ride (in a chariot, on, -r), set6עַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7רֶ֣כֶבH7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon8הַמִּשְׁנֶה֮H4932tweede, dubbel, tweedencollege, copy, double, fatlings, next, second (order), twice as much9אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10לוֹ֒11וַיּוֹלִיכֻ֨הוּ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak12יְר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem13וַיָּ֕מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise14וַיִּקָּבֵ֖רH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)15בְּקִבְר֣וֹתH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre16אֲבֹתָ֑יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'17וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18יְהוּדָה֙H3063JudaJudah19וִיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem20מִֽתְאַבְּלִ֖יםH56rouw, treuren, treurtlament, mourn21עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22יֹאשִׁיָּֽהוּH2977JosiaJosiah
25En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En JeremiaH3414 maakte een klaaglied overH5921JosiaH2977; desgelijks alleH3605zangersH7891 en zangeressenH7891sprakenH559 in hun klaagliederenH7015 van JosiaH2977, totH5704opH5921 dezen dagH3117; want zij gavenH5414 ze tot een inzettingH2706 in IsraelH3478; en zietH2005, zij zijn geschrevenH3789 in de klaagliederen.En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
KJVAnd Jeremiah2lamented1for Josiah:4and all the singing men7and the singing women8spake5of Josiah11in their lamentations9to this day,13and made14them an ordinance15in Israel:17and, behold, they are written19in the lamentations.21
1וַיְקוֹנֵ֣ןH6969klagelijk zingen, klaagde, klaagliedlament, mourning woman2יִרְמְיָהוּ֮H3414Jeremia, Jirmeja, JormejaJeremiah3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4יֹאשִׁיָּהוּ֒H2977JosiaJosiah5וַיֹּאמְר֣וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6כָֽלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7הַשָּׁרִ֣יםH7891zangers, zingen, Zingtbehold (by mistake for H7789 (שׁוּר)), sing(-er, -ing man, -ing woman)8וְ֠הַשָּׁרוֹתH7891zangers, zingen, Zingtbehold (by mistake for H7789 (שׁוּר)), sing(-er, -ing man, -ing woman)9בְּקִינ֨וֹתֵיהֶ֤םH7015klaaglied, klaagliederen, weeklagelamentation10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙H2977JosiaJosiah12עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet13הַיּ֔וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14וַיִּתְּנ֥וּםH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15לְחֹ֖קH2706inzettingen, inzetting, bescheidenappointed, bound, commandment, convenient, custom, decree(-d), due, law, measure, [idiom] necessary, ordinance(-nary), portion, set time, statute, task16עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael18וְהִנָּ֥םH2005ziet, ziebehold, if, lo, though19כְּתוּבִ֖יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)20עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with21הַקִּינֽוֹתH7015klaaglied, klaagliederen, weeklagelamentation
26Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van JosiaH2977, en zijn goeddadighedenH2617, naar dat geschrevenH3789 is in de wetH8451 des HEERENH3068;Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
KJVNow the rest1of the acts2of Josiah,3and his goodness,4according to that which was written5in the law6of the LORD,7
27Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27Zijn geschiedenissenH1697 dan, de eersteH7223 en de laatsteH314, zietH2005, die zijn geschrevenH3789 in het boekH5612 der koningenH4428 van IsraelH3478 en van JudaH3063.Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.
KJVAnd his deeds,1first2and last,3behold, they are written5in the book7of the kings8of Israel9and Judah.10
1וּדְבָרָ֕יוH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work2הָרִאשֹׁנִ֖יםH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past3וְהָאַחֲרֹנִ֑יםH314laatste, achterste, navolgendeafter (-ward), to come, following, hind(-er, -ermost, -most), last, latter, rereward, ut(ter) most4הִנָּ֣םH2005ziet, ziebehold, if, lo, though5כְּתוּבִ֔יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7סֵ֥פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll8מַלְכֵֽיH4428koning, konings, koningenking, royal9יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10וִיהוּדָֽהH3063JudaJudah
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Kronieken 35:1— Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.Exodus 12:6→Numeri 9:3→2 Koningen 23:21→Ezra 6:19→2 Kronieken 30:1→Ezechiël 45:21→Deuteronomium 16:1→
2 Kronieken 35:2— En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.2 Kronieken 31:2→1 Kronieken 22:19→2 Kronieken 29:5→2 Kronieken 23:8→1 Kronieken 24:1→Numeri 18:5→Ezra 6:18→2 Kronieken 23:18→
2 Kronieken 35:3— En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;Deuteronomium 33:10→1 Kronieken 23:26→2 Kronieken 30:22→2 Kronieken 5:7→Maleachi 2:7→2 Kronieken 17:8→Numeri 4:15→2 Korinthe 4:5→
2 Kronieken 35:4— En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;2 Kronieken 8:14→1 Kronieken 23:1→1 Kronieken 9:10→1 Kronieken 24:1→Nehemia 11:10→
2 Kronieken 35:5— En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;Psalmen 134:1→Psalmen 135:2→Ezra 6:18→
2 Kronieken 35:6— En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.2 Kronieken 29:5→2 Kronieken 29:15→2 Kronieken 29:34→2 Kronieken 30:15→2 Kronieken 30:3→Numeri 19:11→Exodus 19:10→Job 1:5→
2 Kronieken 35:7— En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.1 Koningen 8:63→2 Kronieken 30:24→Ezechiël 45:17→1 Kronieken 29:3→Jesaja 32:8→2 Kronieken 7:8→2 Kronieken 31:3→
2 Kronieken 35:8— Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.2 Kronieken 29:31→Ezra 7:16→Handelingen 4:34→Ezra 1:6→Psalmen 45:12→1 Kronieken 29:17→2 Korinthe 8:12→Jeremia 29:25→
2 Kronieken 35:9— Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.Jesaja 1:10→Jeremia 7:21→2 Kronieken 31:12→Micha 6:6→Jeremia 3:10→
2 Kronieken 35:10— Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.Ezra 6:18→2 Kronieken 30:16→2 Kronieken 35:4→
2 Kronieken 35:11— Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.2 Kronieken 29:34→Numeri 18:7→2 Kronieken 30:16→Hebreeën 9:21→Leviticus 1:5→2 Kronieken 29:22→Numeri 18:3→
2 Kronieken 35:12— En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.Leviticus 3:9→Leviticus 3:3→Leviticus 3:14→Leviticus 3:5→
2 Kronieken 35:13— En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.Exodus 12:8→1 Samuël 2:13→Deuteronomium 16:7→Leviticus 6:28→Psalmen 22:14→Romeinen 12:11→Klaagliederen 1:12→Numeri 6:19→
2 Kronieken 35:14— Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.Handelingen 6:2→
2 Kronieken 35:15— En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.1 Kronieken 9:17→1 Kronieken 26:12→1 Kronieken 25:1→Psalmen 77:1→Psalmen 78:1→1 Kronieken 16:41→Psalmen 79:1→2 Kronieken 29:25→
2 Kronieken 35:17— En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.Exodus 12:15→Exodus 34:18→Numeri 28:16→2 Kronieken 30:21→Deuteronomium 16:3→Exodus 13:6→Exodus 23:15→Leviticus 23:5→
2 Kronieken 35:18— Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.2 Koningen 23:21→2 Kronieken 30:5→2 Kronieken 30:26→
2 Kronieken 35:20— Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.2 Koningen 23:29→Jesaja 10:9→Jeremia 46:2→
2 Kronieken 35:21— Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.2 Kronieken 25:19→2 Koningen 18:25→Jesaja 36:10→2 Samuël 16:10→Mattheüs 8:29→Johannes 2:4→
2 Kronieken 35:22— Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.Richteren 5:19→2 Kronieken 18:29→1 Koningen 22:30→2 Kronieken 35:21→Zacharia 12:11→Openbaring 16:16→2 Koningen 9:27→2 Koningen 23:30→
2 Kronieken 35:23— En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.1 Koningen 22:34→2 Koningen 8:29→Klaagliederen 3:13→Genesis 49:23→2 Koningen 9:24→2 Kronieken 18:33→
2 Kronieken 35:24— En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.Zacharia 12:11→Prediker 8:14→2 Kronieken 34:28→Psalmen 36:6→Genesis 41:43→Prediker 9:1→2 Koningen 23:30→
2 Kronieken 35:25— En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.Jeremia 22:10→Mattheüs 9:23→Klaagliederen 4:20→Jeremia 22:20→Prediker 12:5→Job 3:8→Jeremia 9:17→
2 Kronieken 35:26— Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;2 Kronieken 31:20→2 Kronieken 32:32→
2 Kronieken 35:27— Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.2 Kronieken 32:32→2 Koningen 20:20→2 Koningen 10:34→2 Kronieken 33:19→2 Kronieken 26:22→2 Kronieken 20:34→2 Koningen 16:19→2 Koningen 21:25→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Kronieken 35 vers 1— Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
het pascha
Zie van dit feest Ex. 12:3 , en Ex. 34:18 ; Lev. 23:5 ; Num. 9:2 , en Num. 28:16 .
Hertaald:het pascha
Zie over dit feest Ex. 12:3, en Ex. 34:18; Lev. 23:5; Num. 9:2, en Num. 28:16.
pascha
Dat is, het lam, dat op het feest moest geslacht worden. Zie Num. 9:11 .
Hertaald:pascha
Dat is: het lam dat op het feest geslacht moest worden. Zie Num. 9:11.
op den veertienden
Naar de ordinantie der wet; Ex. 12:6 .
Hertaald:op den veertienden
Naar het voorschrift van de wet; Ex. 12:6.
eerste maand
Te weten, van het heilige of kerkelijke jaar, welke maand was genaamd Nisan, of Abib. Zie Ex. 12:2 , en Num. 9:1 .
Hertaald:eerste maand
Namelijk: van het heilige of kerkelijke jaar, deze maand werd Nisan, of Abib, genoemd. Zie Ex. 12:2, en Num. 9:1.
2 Kronieken 35 vers 2— En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
sterkte
Dat is, vermaande hen tot hun schuldigen plicht en gaf hun goeden moed.
Hertaald:sterkte
Dat is: vermaande hen tot hun schuldige plicht en gaf hun goede moed.
2 Kronieken 35 vers 3— En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
heilig
Zie boven, 2 Kron. 23:6 .
Hertaald:heilig
Zie hierboven 2 Kron. 23:6.
Zet de
Hieruit is af te nemen dat de ark op dezen tijd in den tempel niet is geweest, of tenminste niet in het heilige der heiligen, waar zij behoorde; zijnde daaruit door enigen afgodischen koning tevoren weggenomen.
Hertaald:Zet de
Hieruit is op te maken dat de ark in deze tijd niet in de tempel was, of tenminste niet in het heilige der heiligen waar zij hoorde, en dat zij eerder door een afgodische koning daaruit weggenomen was.
heilige ark
Hebreeuws, de ark der heiligheid. Zie Lev. 16:4 .
Hertaald:heilige ark
Hebreeuws: de ark van de heiligheid. Zie Lev. 16:4.
geen last
Te weten, om die ark gewoonlijk te dragen, gelijk hun voorouders tevoren in de woestijn en zolang als de tabernakel stond, gedaan hadden, Num. 7:9 . De zin is: Dewijl zij van dien eersten doorgaanden last en het toebehoren daarvan ontslagen waren, zo moesten zij op de andere delen van hun ambt te meer achtgeven. Zie 1 Kron. 23:27-28 , enz.
Hertaald:geen last
Namelijk: om die ark gewoonlijk te dragen, zoals hun voorouders eerder in de woestijn en zolang de tabernakel stond gedaan hadden, Num. 7:9. De betekenis is: omdat zij van deze eerste, voortdurende taak en het bijbehorende toebehoren ontheven waren, moesten zij des te meer letten op de andere delen van hun ambt. Zie 1 Kron. 23:27-28, enzovoort.
2 Kronieken 35 vers 5— En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
in het heiligdom,
Anders, in de heilige plaats; dat is, bij den tempel aan het voorhof der priesters, om aldaar de paaslammeren dergenen, die niet zijn van den stam van Levi, te ontvangen en die te slachten, dewijl de priesters anders genoeg te doen hadden met de offeranden en besprenging des bloeds, enz. Zie van deze plaats Lev. 6:16 , en Num. 28:7 , waar zij ook het heiligdom genaamd wordt.
Hertaald:in het heiligdom,
Anders: in de heilige plaats; dat is: bij de tempel, in het voorhof van de priesters, om daar de paaslammeren te ontvangen van hen die niet van de stam Levi waren en die te slachten, omdat de priesters anders al genoeg te doen hadden met de offers en de besprenkeling van het bloed, enzovoort. Zie over deze plaats Lev. 6:16, en Num. 28:7, waar zij ook het heiligdom genoemd wordt.
het volk,
Hebreeuws, de zonen, of kinderen des volks; dat is, het volk. Versta, die van den stam van Levi niet waren, maar behoorden tot de andere stammen en tot het werk van den godsdienst niet geheiligd waren.
Hertaald:het volk,
Hebreeuws: de zonen, of kinderen van het volk; dat is: het volk. Versta hieronder degenen die niet van de stam Levi waren, maar tot de andere stammen behoorden en niet gewijd waren voor het werk van de eredienst.
2 Kronieken 35 vers 6— En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
het pascha,
Dat is, de paaslammeren. Zie van deze manier van spreken Num. 9:11 , alzo onder, vs.11.
Hertaald:het pascha,
Dat is: de paaslammeren. Zie over deze manier van spreken Num. 9:11, zo ook hieronder vers 11.
2 Kronieken 35 vers 7— En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
gaf voor het volk,
Of, hief, of gaf een heffing; dat is, een offer of geschenk. Het woord heffen wordt voor offeren of schenken genomen, gelijk boven, 2 Kron. 30:24 ; zie de aantekening; gelijk het woord heffing voor offer. Zie Num. 5:9 , en boven, 2 Kron. 30:24 , met de aantekening, idem hier in het volgende.
Hertaald:gaf voor het volk,
Of: hief, of gaf een heffing; dat is: een offer of geschenk. Het woord heffen wordt gebruikt voor offeren of schenken, zoals hierboven 2 Kron. 30:24; zie de aantekening; net zoals het woord heffing voor offer. Zie Num. 5:9, en hierboven 2 Kron. 30:24, met de aantekening, ook hier in het vervolg.
jonge geitenbokken,
Hebreeuws, zonen der geiten. Zie Lev. 1:14 .
Hertaald:jonge geitenbokken,
Hebreeuws: zonen van de geiten. Zie Lev. 1:14.
naar al hetgeen
Dat is, tegenwoordig, of voorhanden was onder het klein vee des konings, dat geschikt was om op dit feest geslacht te worden, naar de wet, Ex. 12:5 . Anders, naar al degenen, die daar gevonden werden; dat is, naar dat genoeg was voor het volk, dat te Jeruzalem tot het paasfeest gekomen was.
Hertaald:naar al hetgeen
Dat is: wat op dat moment aanwezig, of voorhanden, was onder het kleinvee van de koning, dat geschikt was om op dit feest geslacht te worden, naar de wet, Ex. 12:5. Anders: naar allen die daar aanwezig waren; dat is: naar wat voldoende was voor het volk dat in Jeruzalem voor het paasfeest samengekomen was.
runderen
Deze dienden tot brandoffers en dankoffers, die men op dit feest ook offeren moest. Zie Num. 28:19 .
Hertaald:runderen
Deze dienden als brandoffers en dankoffers, die men op dit feest ook moest offeren. Zie Num. 28:19.
2 Kronieken 35 vers 8— Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
vorsten
Vergelijk boven, 2 Kron. 30:24 , waar te zien is wat zij gegeven hebben.
Hertaald:vorsten
Vergelijk hierboven 2 Kron. 30:24, waar te zien is wat zij gegeven hebben.
vrijwillig
Zie Lev. 7:16 .
Hertaald:vrijwillig
Zie Lev. 7:16.
Hilkia,
Dat is, de overpriester en de twee priesters der tweede ordening, die des overpriesters medehelpers waren, doch onder hem stonden. Zie Num. 3:32 , en 2 Kon. 23:4 .
Hertaald:Hilkia,
Dat is: de hogepriester en de twee priesters van de tweede rang, die de hogepriester behulpzaam waren, maar onder hem stonden. Zie Num. 3:32, en 2 Kon. 23:4.
klein vee,
Met dit invoegsel wordt hier de zin aangevuld uit vs.6.; hetzelfde wordt gedaan in vs.9.
Hertaald:klein vee,
Met deze toevoeging wordt hier de zin aangevuld op grond van vers 6; hetzelfde gebeurt in vers 9.
2 Kronieken 35 vers 11— Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
sprengden
Te weten, op het altaar. Zie boven, 2 Kron. 29:22 .
Hertaald:sprengden
Namelijk: op het altaar. Zie hierboven 2 Kron. 29:22.
uit hunne handen,
Dat is, dat zij uit de hand der slachters namen; want het woord sprengen bevat hier in zich ook de betekenis van het woord nemen. Zie Gen. 12:15 , en boven, 2 Kron. 30:16 .
Hertaald:uit hunne handen,
Dat is: wat zij uit de hand van de slachters namen; want het woord sprenkelen omvat hier ook de betekenis van het woord nemen. Zie Gen. 12:15, en hierboven 2 Kron. 30:16.
2 Kronieken 35 vers 12— En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
zij namen
Te weten, van de lammeren of geitenbokken, die zij geslacht en de huis afgetrokken hadden.
Hertaald:zij namen
Namelijk: van de lammeren of geitenbokken die zij geslacht en gevild hadden.
brandoffer
Dat is, het deel, hetwelk ten brandoffer den Heere geofferd moest worden; als het vette, [zie vs.14] de staart, de nieren, het net, welke alle met vuur verbrand moesten worden; Lev. 3:9-11 . Sommigen verstaan dat zij enige lammeren hebben afgezonderd, om die het volk te geven, naar de vaderlijke huizen, om die te laten offeren.
Hertaald:brandoffer
Dat is: het deel dat als brandoffer aan de HEERE geofferd moest worden; zoals het vet [zie vers 14], de staart, de nieren, het net, die allemaal met vuur verbrand moesten worden; Lev. 3:9-11. Sommigen menen dat zij enkele lammeren apart hielden om die aan het volk te geven, verdeeld naar de vaderlijke huizen, om te laten offeren.
die
Te weten, paasoffers, lammeren of geiten.
Hertaald:die
Namelijk: paasoffers, lammeren of geiten.
het volk
Hebreeuws, den zonen, of kinderen des volks, gelijk boven, vs.5, 7, en onder, vs.13.
Hertaald:het volk
Hebreeuws: aan de zonen, of kinderen van het volk, zoals hierboven vers 5, 7, en hieronder vers 13.
alzo met de runderen
Te weten, deden zij.
Hertaald:alzo met de runderen
Namelijk: deden zij.
2 Kronieken 35 vers 13— En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.
kookten
Dat is, zij brandden het aan het vuur, gelijk blijkt uit de tegenstelling, die straks daarbij gevoegd werd, van hetgeen dat in potten, enz. gekookt werd. Want God had geboden dat men het paaslam braden zou, Ex. 12:8-9 . Het Hebreeuwse woord wordt ook voor braden genomen Deut. 16:7 .
Hertaald:kookten
Dat is: zij roosterden het aan het vuur, zoals blijkt uit de tegenstelling die er meteen aan wordt toegevoegd, namelijk wat in potten, enzovoort, gekookt werd. Want God had geboden dat men het paaslam moest braden, Ex. 12:8-9. Het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt voor braden in Deut. 16:7.
de andere
Versta, de stukken en delen der dankoffers, welke dengenen, die dezelve geofferd hadden, toekwamen.
Hertaald:de andere
Versta hieronder de stukken en delen van de dankoffers die toekwamen aan degenen die ze geofferd hadden.
kookten
Dat is, zoden.
Hertaald:kookten
Dat is: kookten.
deelden
Hebreeuws, zij deden het lopen tot al de kinderen des volks; dat is, zij deelden een ieder onder het volk, met zonderlinge haast en vaardigheid, zijn deel der offerande uit.
Hertaald:deelden
Hebreeuws: zij lieten het lopen tot alle kinderen van het volk; dat is: zij verdeelden met bijzondere haast en vaardigheid ieders deel van het offer onder het volk.
2 Kronieken 35 vers 14— Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.
bereidden
Te weten, de paaslammeren, die hun en de priesters toekwamen.
Hertaald:bereidden
Namelijk: de paaslammeren die aan hen en de priesters toekwamen.
waren tot
Te weten, bezig.
Hertaald:waren tot
Namelijk: bezig.
daarom
De zin is, dewijl de priesters met de brandoffers, van welke boven, vs.12 gesproken is, zoveel te doen hadden, dat zij de paaslammeren, die hun toekwamen, niet voor zich ter spijs konden bereiden, dat de Levieten zulks voor hen gedaan hebben.
Hertaald:daarom
De betekenis is dat, omdat de priesters met de brandoffers, waarover hierboven vers 12 gesproken is, zoveel te doen hadden dat zij de paaslammeren die hun toekwamen niet zelf konden klaarmaken om te eten, de Levieten dit voor hen gedaan hebben.
2 Kronieken 35 vers 15— En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
naar het gebod
Zie van deze orde, die David naar het bevel Gods ingesteld had, maar die de mannen in den tekst nagenoemd, vernieuwd en hunnen zonen ingescherpt hadden, 1Ch 25 , en 1Ch 26 .
Hertaald:naar het gebod
Zie over deze indeling, die David naar het bevel van God had ingesteld, maar die de in de tekst genoemde mannen vernieuwd en aan hun zonen ingeprent hadden, 1 Kron. 25, en 1 Kron. 26.
den ziener
Dat is, van den profeet. Zie 1 Sam. 9:9 , en de aantekening.
Hertaald:den ziener
Dat is: van de profeet. Zie 1 Sam. 9:9, en de aantekening.
aan elke poort;
Hebreeuws, aan poort en poort.
Hertaald:aan elke poort;
Hebreeuws: aan poort en poort.
2 Kronieken 35 vers 16— Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.
brandofferen
Zie boven, vs.12.
Hertaald:brandofferen
Zie hierboven vers 12.
2 Kronieken 35 vers 18— Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
Daar was ook
Zie de verklaring hiervan 2 Kon. 23:22 .
Hertaald:Daar was ook
Zie de verklaring hiervan in 2 Kon. 23:22.
2 Kronieken 35 vers 20— Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
het huis toebereid had,
Te weten, Gods; dat is, de tempel, en vervolgens den gansen godsdienst.
Hertaald:het huis toebereid had,
Namelijk: van God; dat is: de tempel, en vervolgens de hele eredienst.
Necho,
Zie hiervan en van Karchemis 2 Kon. 23:29 .
Hertaald:Necho,
Zie hierover en over Karkemis 2 Kon. 23:29.
2 Kronieken 35 vers 21— Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
hij
Te weten, Necho, de koning van Egypte.
Hertaald:hij
Namelijk: Necho, de koning van Egypte.
Wat heb ik
Hebreeuws, wat is mij, en u? VergelijK 2 Sam. 16:10 , en de aantekening.
Hertaald:Wat heb ik
Hebreeuws: wat is mij, en u? Vergelijk 2 Sam. 16:10, en de aantekening.
een huis,
Hebreeuws, een huis van mijn oorlog, of krijg; dat is, dat mij den oorlog aandoet, en waar ik oorlog tegen heb; hij verstaat de Assyriërs, die Karchemis ingenomen hadden, waarover hun koning zich beroemt; Jes. 10:9 . Zie 2 Kon. 23:29 . Vergelijk ook 2 Sam. 8:10 , de 23e aantekening.
Hertaald:een huis,
Hebreeuws: een huis van mijn oorlog, of strijd; dat is: dat mij de oorlog aandoet, en waar ik oorlog tegen voer; hij bedoelt de Assyriërs, die Karkemis ingenomen hadden, waarop hun koning zich beroemt; Jes. 10:9. Zie 2 Kon. 23:29. Vergelijk ook 2 Sam. 8:10, de 23e aantekening.
van God,
Dat is, van tegen hem te komen en zijn voornemen, dat Hij door mij begeert uit te voeren, te willen verhinderen.
Hertaald:van God,
Dat is: om tegen hem op te trekken en zijn voornemen, dat Hij door mij wil uitvoeren, te willen verhinderen.
2 Kronieken 35 vers 22— Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
hij verstelde zich
Dat is, hij verkleedde zich opdat men hem niet kennen zou, gelijk Achab eertijds gedaan had; 1 Kon. 22:30 .
Hertaald:hij verstelde zich
Dat is: hij vermomde zich zodat men hem niet zou herkennen, zoals Achab eertijds gedaan had; 1 Kon. 22:30.
2 Kronieken 35 vers 23— En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
gewond
Hebreeuws, krank geworden; dat is, zo verwond dat ik daarvan gans krank en flauw geworden ben. Zie dezelfde manier van spreken 1 Kon. 22:34 .
Hertaald:gewond
Hebreeuws: ziek geworden; dat is: zo gewond dat ik daardoor helemaal ziek en zwak geworden ben. Zie dezelfde manier van spreken in 1 Kon. 22:34.
2 Kronieken 35 vers 24— En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
graven zijner vaderen;
Dat is, in een derzelve. Zie Gen. 19:29 . Of, onder de graven zijner vaderen.
Hertaald:graven zijner vaderen;
Dat is: in een daarvan. Zie Gen. 19:29. Of: onder de graven van zijn vaderen.
bedreven
Vergelijk Gen. 23:2 , en de aantekening.
Hertaald:bedreven
Vergelijk Gen. 23:2, en de aantekening.
2 Kronieken 35 vers 25— En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
klaaglied
Dit beschreven is geweest; opdat de mensen, dat lezende, zich gewennen zouden den ellendigen en zeer droevigen staat van dat koninkrijk te overleggen en de oorzaak daarvan te beklagen, zich te beteren en God om genade te bidden.
Hertaald:klaaglied
Dit is opgeschreven opdat mensen, dit lezend, zich zouden aanwennen na te denken over de ellendige en zeer droevige toestand van dat koninkrijk en de oorzaak daarvan te betreuren, zich te beteren en God om genade te bidden.
tot op dezen dag;
Dat is, welke duren tot op dezen dag, in welken dit geschreven is.
Hertaald:tot op dezen dag;
Dat is: die voortduren tot op de dag waarop dit geschreven is.
tot een inzetting
Te weten, opdat zij jaarlijks zouden gezongen worden.
Hertaald:tot een inzetting
Namelijk: opdat zij elk jaar gezongen zouden worden.
in de klaagliederen
Zie van dit klagen ook Zach. 12:11 .
Hertaald:in de klaagliederen
Zie over dit klagen ook Zach. 12:11.
klaagliederen
Sommigen verstaan dit van de Klaagliederen van Jeremia, in welke niet alleen de finale verwoesting van Jeruzalem wordt beklaagd, maar ook al het verdriet en de ellendigheden, die over de stad en over het land gekomen zijn; waarvan het begin was de dood van dezen godvruchtigen koning.
Hertaald:klaagliederen
Sommigen betrekken dit op de Klaagliederen van Jeremia, waarin niet alleen de definitieve verwoesting van Jeruzalem beklaagd wordt, maar ook al het verdriet en de ellende die over de stad en over het land gekomen zijn, waarvan de dood van deze godvrezende koning het begin was.
2 Kronieken 35 vers 26— Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
goeddadigheden,
Versta, de werken zijner godvruchtigheid in het uitroeien van alle afgoderij en reformeren van den godsdienst en het onderhouden van Gods ordinantiën. Het Hebreeuwse woord is ook genomen boven, 2 Kron. 32:32 ; Neh. 13:14 .
Hertaald:goeddadigheden,
Versta hieronder de daden van zijn godsvrucht bij het uitroeien van alle afgoderij en het hervormen van de eredienst en het naleven van Gods verordeningen. Het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt hierboven in 2 Kron. 32:32; Neh. 13:14.
naar dat geschreven is
Dat is, welke overeenkomen met hetgeen in de wet des Heeren geschreven is.
Hertaald:naar dat geschreven is
Dat is: die overeenkomen met wat in de wet van de HEERE geschreven is.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Jeïel (de schrijver) — God grijpt weg
De legerschrijver van koning Uzzia, die met de ambtman Mahaseja, onder toezicht van Hananja, het krijgsvolk indeelde (2 Kron. 26:11).
Chonanja (de Leviet) — de HEERE heeft gegrondvest
Een Leviet, die onder koning Hizkia, met zijn broer Simei als tweede, de leiding had over de heffingen, tienden en geheiligde gaven die voor het huis des HEEREN werden binnengebracht (2 Kron. 31:12-13); niet noodzakelijk dezelfde Chenanja die onder David de zangleiding had (1 Kron. 15:22).
Jeremia (de profeet) — de HEERE verheft (of: de HEERE werpt neder)
De grote profeet, die een klaaglied over de gesneuvelde koning Josia maakte, dat door zangers en zangeressen bewaard bleef (2 Kron. 35:25); zijn profetieën over de zeventigjarige ballingschap werden vervuld toen Kores van Perzië het bevel gaf de tempel te herbouwen (2 Kron. 36:12, 21-22).
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Gij hebt geen last op de schouderen — bij het grootste pascha sinds Samuël krijgen de Levieten een nieuwe opdracht in plaats van hun oude: "Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God" (2 Kron. 35:3)
In zijn achttiende jaar houdt Josia het pascha te Jeruzalem, op de veertiende dag van de eerste maand (2 Kron. 35:1). Hij stelt de priesters op hun wachten en sterkt hen tot de dienst (2 Kron. 35:2). Tot de Levieten, die heel Israël onderwezen, zegt hij dat de ark in het huis gezet moet worden. Zij dragen haar niet langer op de schouders, en hun dienst is nu een andere (2 Kron. 35:3; vergelijk het commentaar bij 1 Kron. 23:26). Zij moeten zich opstellen naar de verdelingen van David en de beschrijving van Salomo, zich heiligen, en het pascha bereiden voor hun broeders naar het woord des HEEREN door de hand van Mozes (2 Kron. 35:4-6). Josia geeft uit zijn eigen bezit dertigduizend stuks klein vee en drieduizend runderen, en zijn vorsten en de oversten der Levieten geven eveneens rijkelijk (2 Kron. 35:7-9). De dienst wordt toebereid, de priesters sprengen het bloed, de Levieten trekken de huiden af en bereiden ook voor de priesters, omdat die tot in de nacht met het offeren bezig zijn (2 Kron. 35:10-14). De zangers en de poortiers hoeven hun post niet te verlaten, want hun broeders bereiden voor hen (2 Kron. 35:15). Van de dagen van Samuël af was er in Israël geen pascha gehouden zoals dit (2 Kron. 35:18).
Bijbelse betekenis: Het woord over de schouders is meer dan een praktische mededeling. Eeuwenlang was het dragen van de ark de hoogste eer van de Levieten geweest, en nu die dienst vervalt, krijgen zij een andere: onderwijzen en de dienst des HEEREN waarnemen. Een taak die ophoudt is dus geen ontslag; God vult de vrijgekomen handen. Even leerzaam is de onderlinge orde van dit feest. De Levieten bereiden voor de priesters, opdat die kunnen doorgaan met offeren, en zij bereiden voor de zangers en poortiers, opdat die hun plaats niet hoeven te verlaten. Niemand dient zichzelf; ieder maakt het werk van de ander mogelijk. En de koning geeft het eerst en het meest uit zijn eigen have. Wat er zo ontstond, wordt door de kroniekschrijver hoger geprezen dan alle pascha's sinds Samuël, en dat is geen kleinigheid in een boek dat Salomo's tempelinwijding beschreven heeft.
Typologie: Dat het dragen ophoudt omdat de rust gekomen is, wijst vooruit naar het onderscheid dat de Hebreeënbrief maakt: "En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods" (Hebr. 10:11-12). Waar het werk volbracht is, verandert de dienst van gestalte zonder op te houden.
2 Kron. 35:1-18; 1 Kron. 23:26; Hebr. 10:11-12
Hij hoorde niet naar de woorden van Necho — de beste koning sinds David komt om in een oorlog die hem niet aanging: "Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God" (2 Kron. 35:22)
Nadat Josia het huis toebereid had, trok Necho van Egypte op om te strijden tegen Karchemis aan de Eufraat, en Josia trok hem tegemoet (2 Kron. 35:20). Necho zendt boden met de vraag wat zij met elkaar te maken hebben. Hij komt niet tegen Juda maar tegen een ander huis, en God heeft hem geboden zich te haasten. Daarom moet Josia zich afhouden van God Die met hem is, opdat Hij hem niet verderve (2 Kron. 35:21). Josia keert zijn aangezicht niet van hem af, maar vermomt zich om tegen hem te strijden, en hij hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God (2 Kron. 35:22). In het dal van Megiddo treffen de schutters hem, en hij laat zich wegvoeren omdat hij zwaar gewond is (2 Kron. 35:23). Men brengt hem naar Jeruzalem, waar hij sterft en in de graven van zijn vaderen begraven wordt; heel Juda en Jeruzalem bedreven rouw (2 Kron. 35:24). Jeremia maakte een klaaglied over Josia, en alle zangers en zangeressen spraken van hem in hun klaagliederen, wat een vaste inzetting in Israël werd (2 Kron. 35:25).
Bijbelse betekenis: Dit is een van de moeilijkste berichten in het boek. Een godvrezende koning krijgt een waarschuwing uit de mond van een heidense vorst en slaat haar in de wind, en het kost hem het leven. De kroniekschrijver aarzelt niet: hij zegt dat de woorden van Necho uit de mond van God kwamen. God kan Zijn woord dus laten brengen door iemand van wie men het niet verwacht, en de vraag is niet wie het zegt maar of het waar is. Tegelijk moet hier voorzichtig geoordeeld worden, want een boodschap uit heidense mond mag niet zomaar voor Gods stem gehouden worden; Josia had de zaak kunnen onderzoeken, en juist dát nalaten wordt hem aangerekend. Dat hij zich vermomde, herinnert bovendien aan Achab, die op dezelfde wijze aan een aangezegd oordeel meende te ontkomen (reeds behandeld bij De boog in eenvoudigheid gespannen, 1 Kon. 22:29-38). En het slot is aangrijpend: over de koning die het meest voor de dienst van God gedaan had, werd het langst gerouwd, en dat om een dood die vermijdbaar was.
Typologie: De spreuk noemt wat Josia hier naliet: "Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken" (Spr. 3:5-6). Dezelfde les werd eerder aan een profeet zelf geleerd, die een woord van elders geloofde zonder het te toetsen (reeds behandeld bij De ongehoorzame man Gods, 1 Kon. 13:11-32). Daar en hier gaat het om dezelfde zaak vanuit twee kanten. Een woord moet getoetst worden, en een getoetst woord moet gehoorzaamd worden.
III. Vs. 1-19.KruisverwijzingenExodus 12:6→2 Kronieken 8:14→Numeri 9:3→2 Kronieken 31:2→Deuteronomium 33:10→1 Kronieken 23:26→1 Koningen 8:63→2 Kronieken 30:16→ — Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand. En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN. En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel; En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo; En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten; En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes. En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have. Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen. Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen. Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings. Na de viering van het Paasfeest vermeld te hebben, dat in het 18de regeringsjaar van Josia, na de zuivering van het land van alle afgoderij, na de herstelling van de tempel en de vernieuwing van het verbond met de Heere, op last van de koning algemeen en overeenkomstig de voorschriften van de wet nauwkeurig gehouden werd, spreekt de Schrijver, die naar de aard van dit werk het Paasfeest uitvoerig beschrijft, met bijzondere belangstelling over de diensten, die de Priesters en Levieten, naar hun ambt, daarbij moesten verrichten. Zijn beschrijving is des te gewichtiger, omdat zij in vele punten ons een vollediger voorstelling geeft van hetgeen op het Paasfeest voorviel, dan de meer onbepaalde opgaven uit de Boeken van Mozes en de daarop betrekking hebbende voorschriften en mededelingen (Vergelijk 2 Koningen .23: 21-23).
KruisverwijzingenExodus 12:6→Numeri 9:3→2 Koningen 23:21→Ezra 6:19→2 Kronieken 30:1→Ezechiël 45:21→Deuteronomium 16:1→— Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
Daarna, nadat hij van de steden van het voormalige Rijk van de Tien stammen, waarin hij de afgoderij afgeschaft had, naar Jeruzalem teruggekeerd was (2 Koningen .23: 21), hield Josia, nog in hetzelfde 18de jaar van zijn regering d.i. 624 voor Christus het Pascha van de Heere te Jeruzalem; en zij slachtten het Pascha, naar het voorschrift van de wet (Exod.11: 1 vv.), op de veertiende dag van de eerste maand.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 31:2→1 Kronieken 22:19→2 Kronieken 29:5→2 Kronieken 23:8→1 Kronieken 24:1→Numeri 18:5→Ezra 6:18→2 Kronieken 23:18→— En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.
En hij stelde de priesters op hun wachten, verdeelde hen in de verschillende ordeningen, zoals zij door David vastgesteld waren (1 Kronieken 24); en hij sterkte hen, moedigde hen op grond van de Goddelijke wet aan tot de dienst van het huis van de Heere (Hoofdstuk 29: 5 vv.).
KruisverwijzingenDeuteronomium 33:10→1 Kronieken 23:26→2 Kronieken 30:22→2 Kronieken 5:7→Maleachi 2:7→2 Kronieken 17:8→Numeri 4:15→2 Korinthe 4:5→— En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;
En hij zei tot de Levieten, die gans Israël onderwezen (Hoofdstuk 17: 8 vv. (Nehemia 8: 9 en 7),die de Heere heilig waren: Zet de heilige ark in het huis 1), dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u heeft nu voortaan geen last meer op de schouders, maar kunt ze eens voor altijd op de voor haar bestemde plaats laten staan, en daarentegen het overige van uw ambt des te ijveriger waarnemen; dien nu de Heere, uw God, en Zijn volk Israël;
Niet weinige uitleggers zijn van gevoelen, dat de Ark onder afgodische koningen van haar plaats was genomen en dat nu Josia hier het bevel geeft, om haar weer in het Heilige der heiligen in te brengen. Anderen, dat de Levieten van mening waren, dat zij bij het Pascha de Ark moesten ronddragen, zoals dat vroeger bij bijzondere gelegenheden geschiedde, vóór Salomo’s tempelbouw, en dat nu de koning hen dit wil verhinderen. Men vergeet dan echter, wat het eerste geval betreft, dat dit bevel dan niet tot de Levieten, maar tot de Priesters had moeten geschieden, omdat de Priesters geroepen waren, de Ark in het Allerheiligste in te brengen. Voor het tweede is geen enkel bewijs. Naar ons gevoelen, wil Josia hier aan de Levieten zeggen, om de Ark over te laten aan het Heiligdom, (in Joël 4: 3 hebben wij in de grondtekst dezelfde constructie van het werkwoord met het voorzetsel b) en zich nu, omdat zij niet meer verplicht waren, de Ark, zoals geschreven was in het Wetboek, dat onlangs was teruggevonden, te dragen, van hun ambt te kwijten, door het volk te onderwijzen in de rechten en wetten van de Heere. Daarom wordt ook in het eerste gedeelte van ons vs. er op gewezen, dat de Levieten het volk onderwezen, en aan het slot tot hen het woord gesproken: “Dien nu de Heere, uw God, en Zijn volk Israël.” Want wèl moesten de Priesters de Ark inbrengen, maar in de woestijn waren de Levieten geroepen, om op hun tocht de Ark te dragen. De koning wijst hen er daarom op, dat zij nu veel vrije tijd hadden gekregen, die zij nu moesten besteden in het dienen van de Heere en Zijn volk, niet alleen, door bij de offeranden te helpen, en bij dit Paasfeest de behulpzame hand te bieden, maar ook door als leraren van het volk op te treden.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 8:14→1 Kronieken 23:1→1 Kronieken 9:10→1 Kronieken 24:1→Nehemia 11:10→— En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
En bereid schik u naar de huizen van uw vaderen, naar uwe verdelingen, naar het voorschrift van David, de koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
KruisverwijzingenPsalmen 134:1→Psalmen 135:2→Ezra 6:18→— En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;
En sta, ook nu, nu het de viering van het Paasfeest betreft, in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broeders, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten, dus op zo’n wijze, dat op ieder vaderlijk huis van het volk of de gewone Israëlieten slechts een deel van een vaderlijk huis van de Levieten komt;
Kruisverwijzingen2 Kronieken 29:5→2 Kronieken 29:15→2 Kronieken 29:34→2 Kronieken 30:15→2 Kronieken 30:3→Numeri 19:11→Exodus 19:10→Job 1:5→— En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.
En slacht het Pascha, de Paaslammeren, (Hoofdstuk 30: 16 vv.), en heilig u, en bereid dat voor uw broeders, doende naar het woord van de Heere, door de hand van Mozes, zoals verder met deze lammeren geschieden moet.
Kruisverwijzingen1 Koningen 8:63→2 Kronieken 30:24→Ezechiël 45:17→1 Kronieken 29:3→Jesaja 32:8→2 Kronieken 7:8→2 Kronieken 31:3→— En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
En Josia gaf voor het volk, dat zelf zich geen lam kon aanschaffen, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die allen tot Paaschofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertigduizend; maar van runderen drie duizend: dit, die ganse menigte van 30.000 lammeren en 3.000 runderen was, werd gegeven van de have van de koning 1).
Men merke hier op, hoe betamelijk het is, dat zij, die zich met ernst op de godsdienst toeleggen en er anderen toe willen aanzetten, volgens hun plicht, die zo gemakkelijk moet maken als mogelijk is, en met zo weinige moeite die vergezeld moet gaan, als wezen kan, dat God in dit opzicht mild onder hen gezaaid mocht hebben, verwacht Hij ook een volle oogst. Hier zou Israël misschien verre te kort geschoten zijn in de plechtigen dienst en het werk van de Heere ongedaan gelaten hebben, was de koning niet geneigd en in staat geweest, om uit zijn eigen voorraad het algemeen gebrek te vervullen.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 29:31→Ezra 7:16→Handelingen 4:34→Ezra 1:6→Psalmen 45:12→1 Kronieken 29:17→2 Korinthe 8:12→Jeremia 29:25→— Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
Ook gaven zijn vorsten de Rijksvorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters en voor de Levieten, een aantal van lammeren en runderen, die hier niet nader opgegeven worden (vgl. Hoofdstuk 30: 24). Maar ook de priestervorsten brachten een offergave, namelijk: Hilkia en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot Paaschofferen, tweeduizend en zeshonderd klein vee (lammeren en geiten vs. 7), en driehonderd runderen.
KruisverwijzingenJesaja 1:10→Jeremia 7:21→2 Kronieken 31:12→Micha 6:6→Jeremia 3:10→— Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn namelijk Chonanja’s geestelijke broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeïel en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot Paaschofferen, vijfduizend klein vee en vijfhonderd runderen.
KruisverwijzingenEzra 6:18→2 Kronieken 30:16→2 Kronieken 35:4→— Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.
Zo werd de dienst toebereid, en de priester stonden in hun standplaats op hun post, en de Levieten in of, naar hun verdelingen, naar het gebod van de koning.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 29:34→Numeri 18:7→2 Kronieken 30:16→Hebreeën 9:21→Leviticus 1:5→2 Kronieken 29:22→Numeri 18:3→— Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
Daarna slachtte men het Pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de lammeren de huiden af (Hoofdstuk 30: 16 vv.).
KruisverwijzingenLeviticus 3:9→Leviticus 3:3→Leviticus 3:14→Leviticus 3:5→— En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.
En zij namen het brandoffer daar af, zonderden daarna van de zo geslachte en gevilde lammeren die delen af, die op het altaar verbrand moesten worden, opdat zij die, naar de verschillende verdelingen van de vaderlijke huizen, waarin de gewone Israëlieten gescheiden waren, aan het volk geven mochten, en deze in plechtigen optocht het brandofferaltaar naderend, het aan de priesters brachten, om de Heere te offeren, zoals geschreven is in het boek van Mozes (Lev.3: 6-17); en zo deden zij ook met de runderen, waarvan insgelijks alleen de bepaalde delen ter verbranding werden afgezonderd, terwijl het overige vlees gebraden en gegeten werd (vs. 13).
KruisverwijzingenExodus 12:8→1 Samuël 2:13→Deuteronomium 16:7→Leviticus 6:28→Psalmen 22:14→Romeinen 12:11→Klaagliederen 1:12→Numeri 6:19→— En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.
En zij kookten 1) het Pascha, het vlees van de Paaslammeren, nadat de vetdelen op het brandofferaltaar waren verbrand, bij het vuur, naar het recht, zoals het behoort, d.i. zij braadden het (Exod.12: 7-9); maar de andere geheiligde dingen, het vlees van de runderen, kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen, zoals men met het vlees van de dankoffers gewoon was te doen; en zij deelden het haastig onder al het volk.
Beter: braadden, omdat dit in de Wet van Mozes was voorgeschreven. Tegenover de mening van sommigen, dat het braden van de Paaslammeren en het koken van het dankoffervlees gelijktijdig plaats vond aan de avond van de 14de Nisan, de dag van het eigenlijke Paasfeest, merkt Keil volkomen waar aan: “Dit ligt noch in het “alzo deden zij met de runderen” (vs. 12), noch in het bericht (vs. 14), dat de Priesters tot in de nacht met het brandoffer en het vet bezig waren. Volgens vs. 17 hielden de Israëlieten in die tijde niet slechts het eigenlijke Pascha, maar ook het feest van de ongezuurde broden zeven dagen. De beschrijving van het brengen en van de toebereiding van het offer, deels voor het altaar, deels voor de maaltijd in vs. 13-15 meegedeeld, heeft betrekking niet slechts op het Pascha in engere zin, maar tegelijk op het feest van zeven dagen van de ongezuurde broden, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt aangegeven, wijl deels uit de Wet, deels uit de gewoonte genoeg bekend was, dat tot de Paasmaaltijd slechts lammeren of bokken gebraden en gegeten werden, op de daarop volgende zeven dagen van de ongezuurde broden echter, behalve de dagelijkse brandoffers (Num.28: 16-25), ook nog dankoffers gebracht en offermaaltijden gehouden werden. Een verbinding, of veel meer een vermenging van de maaltijden, bereid uit het gebraden lam met het eten van het gekookte rundvlees, zou zo’n grote overtreding tegen de wettige voorschriften over het Paasmaal geweest zijn, dat men deze nooit van de koning Josia en de Priesters zou mogen verwachten.”
KruisverwijzingenHandelingen 6:2→— Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.
Daarna bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandoffers en het vet 1), zodat zij geen tijd hadden om het Pascha zelf voor zich te bereiden; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf en tevens voor de priesters, de zonen van Aäron.
Dit vet geldt niet van de dankoffers, maar van het brandoffer. Wat hier gezegd wordt van de eerste dag, geldt ook voor de volgende dagen. Men kan zich voorstellen, dat de Priesters het buitengewoon volhandig hadden, omdat in die dagen niet alleen 37.600 lammeren en bokken, maar ook 3.800 runderen werden geofferd. Dat hier het vet van het brandoffer wordt bedoeld, wordt bevestigd door vs. 16, waar alleen van brandoffers sprake is.
Kruisverwijzingen1 Kronieken 9:17→1 Kronieken 26:12→1 Kronieken 25:1→Psalmen 77:1→Psalmen 78:1→1 Kronieken 16:41→Psalmen 79:1→2 Kronieken 29:25→— En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.
En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats op hun post, waar zij de godsdienstige zangen moesten uitvoeren, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning (1 Kronieken 26), mitsgaders de portiers aan elke poort; zij hoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broeders, de Levieten, voor hen het Paaslam bereidden, opdat zij hun ambt ongestoord zouden kunnen uitoefenen.
— Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.
Zo werd de ganse dienst van de Heere op die dag beschikt, om Pascha te houden en van de vetstukken van de Paaslammeren en de brandoffers, brandoffers op het altaar van de Heere te offeren, naar het gebod van de koning Josia.
KruisverwijzingenExodus 12:15→Exodus 34:18→Numeri 28:16→2 Kronieken 30:21→Deuteronomium 16:3→Exodus 13:6→Exodus 23:15→Leviticus 23:5→— En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.
En de kinderen van Israël, behalve de burgers van Jeruzalem en Juda, ook de onderhorigen van het vroegere rijk van de Tien stammen, die er gevonden werden, hielden het Pascha op die tijd, en het feest van de ongezuurde broden zeven dagen.
Kruisverwijzingen2 Koningen 23:21→2 Kronieken 30:5→2 Kronieken 30:26→— Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
Daar was ook geen Pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuel, de profeet af; en geen koning van Israël hadden zo’n Pascha gehouden, zoals Josia dat hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israël, dat er gevonden werd in het gehele land, en de inwoners van Jeruzalem 1) vgl. 2 Koningen .23: 22).
Deze mededeling heeft betrekking op de uitgebreidheid van het feest en hierop, dat het nu geheel volgens de Wet werd gehouden. Wel was ook onder Hizkia het Pascha op treffelijk wijze gevierd, maar niet op de veertiende van de eerste maand, zoals nu, en zoals het eigenlijk behoorde, maar op die van de tweede maand.
— In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.
In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia werd dit Pascha gehouden.
IV. Vs. 20-27.KruisverwijzingenRichteren 5:19→2 Koningen 23:29→Jesaja 10:9→2 Kronieken 18:29→1 Koningen 22:34→Jeremia 22:10→2 Kronieken 25:19→2 Koningen 18:25→ — Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN; Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda. Hierop wordt Josia’s laatste tijd verhaald. Als Farao Necho van Egypte naar Circesium trekt, om in de strijd tussen Assyrië en Babylonië het voordeel van zijn land waar te nemen, en zijn weg door het Israëlietisch gebied neemt, stelt Josia met een goede bedoeling, maar uit verkeerde staatkunde, zich tegen hem, wordt in de strijd hij Megiddo zwaar verwond en bezwijkt aan zijn wonden, nog voordat de wagen, die hem wegvoert, Jeruzalem bereikt. Hier wordt zijn lijk onder bijzonder diepe rouw van het volk, en een rouwklacht van de profeet Jeremia, op de berg Zion begraven, en het wordt een gewoonte in Israël, om over bijzonder geliefde doden rouw te betonen als over Josia (Vergelijk 2 Koningen .23: 24-30).
Kruisverwijzingen2 Koningen 23:29→Jesaja 10:9→Jeremia 46:2→— Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
Na dit alles, toen Josia het huis toebereid, de tempel weer tot geregelde godsdienst ingericht had, toog, in het jaar 610 voor Christus, Necho, de IIde van deze naam, de koning van Egypte, uit de 26ste dynastie (1Ki 3: 1) op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Frath, om in de juist heden uitbrekende oorlog tussen Assyrië aan de een en Medië en Babylonië aan de andere zijde (2Ki 20: 12″ en “2Ki 20.22) bij Circesium aan de Eufraat een vaste stelling aan te nemen, en Josia toog uit hem tegemoet, om zijn voortdringen naar de Eufraat te verhinderen.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 25:19→2 Koningen 18:25→Jesaja 36:10→2 Samuël 16:10→Mattheüs 8:29→Johannes 2:4→— Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.
Toen zond hij, Necho, boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij, tegen mijn erfvijand, de koning van Assyrië; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, weerstreef niet langer de wil van God, die met mij is, opdat Hij u niet verderft. Farao Necho II, die 15-16 jaren regeerde (omstreeks 614-598 voor Christus) was een zoon van Psammetichus I; Het was hem, zoals zijn vader, te doen om de herstelling van de Egyptische oppermacht. Met telkens toenemende ijver en moed werkte hij op dit doel aan, maar zeer luttel waren de vruchten, die hij inoogstte. Had zijn vader de havens van de Nijl-Delta voor de buitenlanders opengesteld, Necho trachtte de zeehandel van de Middellandse zee met het verkeer op de Rode zee in onmiddellijke samenhang te brengen en tot dat doel beide zeeën door een kanaal van de Pelusische Nijlarm, tot aan de Arabische zeeboezem, met elkaar te verbinden. Maar nadat 120.000 mensen bij de arbeid omgekomen waren, zonder die te voleinden, verklaarde een orakel aan de koning, dat hij slechts tot voordeel van de buitenlanders werkte, waarop hij het werk liet liggen. Op zijn bevel ondernamen later Fenicische mannen, van de Rode zee, uit de omzeiling van Afrika tot aan de zullen van HERCULES, hetgeen zij in 3 jaren volbrachten. Maar Necho dacht niet enkel aan de werken van de vrede, hij wilde aan zijn land ook grote uitbreiding buiten zijn natuurlijke grenzen bezorgen, opdat het als wereldrijk kon optreden. Daartoe werd een oorlogsvloot gebouwd om Fenicië en Syrië onder de Egyptische heerschappij te brengen, en de steeds toenemende macht van de Babylonische koning Nabopolasser (2Ki 20: 12) te verbreken; met deze vloot landde hij ook met een groot leger noordelijk van de Karmel in de baai van Akko en zond aan Josia, die hem de weg door het Israëlitische gebied wilde beletten, de boven vermelde boodschap af. Als Necho zich daarin op een goddelijke opdracht beroept, die hem gebiedt zich met het bedoelde werk te haasten, en hem de doortocht door Palestina uitdrukkelijk vergunde, is daarbij zeker aan niets anders dan aan een heidens orakel te denken, dat hem in zijn onderneming gesterkt heeft; maar anderzijds kon Josia door de uitspraken van de profeten van zijn tijd ook in deze waarschuwing van een heidense koning een stem van God erkennen, die hem naar de juiste staatkunde wilde heen leiden (2Ki 23: 29). Intussen hoorde hij naar deze stem niet, hield aan zijn eigen wegen vast en bereidde zich daardoor zijn ondergang, zoals de volgende verzen verhalen. Hoe echter ook Necho in het jaar 606 de slag bij Karchemis tegen Nebukadnezar verloor, en uit geheel Azië verdreven werd, hebben wij in “2Ki 23: 37” verhaald. Op hem volgde gedurende 8 jaren Psammetichus II en later Apriës, in de Bijbel Hofra genoemd (2Ki 24: 20), die de koning Zedekia tot afval van Nebukadnezar verleidde, maar hem daarna toch in niets helpen kon, en die zijn troon aan de opstandeling Amasis II verloor. Deze verhief door verschillende weldadige inrichtingen het land tot een hoge trap van welvaart, stelde zich echter ook in een vijandige verhouding tot het te zijner tijd opkomende Perzische rijk, en bewerkte daardoor de tocht van Kambyses tegen Egypte zonder echter de inval van de laatstgenoemde in zijn land nog te beleven (Het verdere zie bij Ezra 1: 4).
Wat Dächsel hier zegt, dat we hier aan een heidens orakel hebben te denken, is het gevoelen ook van andere uitleggers. Maar ons inziens ten onrechte. Er is hier sprake van de ware God en niet van een heidens orakel. Uit vs. 22 blijkt dit volkomen duidelijk. De koning van Egypte zegt hier, dat de levende God hem dit gezegd heeft, en dat Josia daarom hem niet moet tegenstaan. Sommige uitleggers nemen dan ook aan, dat hij een droom heeft gehad, of dat een profeet tot hem gezonden is, maar hiervoor is geen bewijs. Wat Necho wilde en van voornemen was te doen, erkende hij als de wil van God. Dit spreekt hij hier uit. In elk geval was de waarschuwing van Necho voor Josia een stem van God (vs. 22), een waarschuwing van Gods zijde.
KruisverwijzingenRichteren 5:19→2 Kronieken 18:29→1 Koningen 22:30→2 Kronieken 35:21→Zacharia 12:11→Openbaring 16:16→2 Koningen 9:27→2 Koningen 23:30→— Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.
Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar hij verstelde zich 1), om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho, uit de mond van God, maar hij kwam om te strijden in het dal Jizreël bij Megiddo.
Verstelde zich. Hier wordt van Josia hetzelfde gezegd, als wat van Achab wordt meegedeeld. Hij trok andere kleren aan, opdat hij niet herkend zou worden. Anderen vatten het op in geestelijke zin, en dan in deze, dat, terwijl hij vroeger altijd naar Gods wil had geluisterd, hij in dit geval zich anders gedroeg. Dit komt ons echter zeer gezocht voor, omdat het veel meer voor de hand ligt, dat Josia de koning van Egypte niet vertrouwd heeft, en zijn woorden niet als een openbaring van de Goddelijke wil heeft beschouwd. “2Ki 23: 29”
Kruisverwijzingen1 Koningen 22:34→2 Koningen 8:29→Klaagliederen 3:13→Genesis 49:23→2 Koningen 9:24→2 Kronieken 18:33→— En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.
En de schutters schoten, toen het nu werkelijk bij Megiddo tot een treffen kwam, de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voer mij weg, breng mij meteen van de krijgswagen af, want ik ben zeer gewond.
KruisverwijzingenZacharia 12:11→Prediker 8:14→2 Kronieken 34:28→Psalmen 36:6→Genesis 41:43→Prediker 9:1→2 Koningen 23:30→— En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
En zijn knechten namen hem weg van de krijgswagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, zijn gewone reiswagen, die grotere gemakken aanbood, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf nog onderweg bij Hadad Rimmon, niet ver ten zuiden van Megiddo, en werd begraven in de graven van zijn vaderen, in een kamer bij die graven (1Ki 2: 10); en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
KruisverwijzingenJeremia 22:10→Mattheüs 9:23→Klaagliederen 4:20→Jeremia 22:20→Prediker 12:5→Job 3:8→Jeremia 9:17→— En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
En Jeremia, die diep voelde, hoeveel het volk in deze laatste vrome koning verloor, en die door de Geest vooruit zag, dat het nu met alle heerlijkheid van Israël gedaan en het gericht over Juda en Jeruzalem nabij was, maakte een ons niet nader bekend klaaglied over Josia, zoals alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël, zodat als men over iemand, die een langer leven waardig geweest was, rouw bedrijven wilde, men gewoon was te zeggen: “Hij is te betreuren als Josia.” En zie zij zijn geschreven in de klaagliederen 1).
Niet te verwarren met de Klaagliederen van Jeremia, die ons zijn overgeleverd.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 31:20→2 Kronieken 32:32→— Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;
Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden aan zijn volk, naar dat geschreven is in de wet van de Heere;
Kruisverwijzingen2 Kronieken 32:32→2 Koningen 20:20→2 Koningen 10:34→2 Kronieken 33:19→2 Kronieken 26:22→2 Kronieken 20:34→2 Koningen 16:19→2 Koningen 21:25→— Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.
Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, zie die zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda (1Ch 29: 30).
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Kronieken 35
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-19.KruisverwijzingenExodus 12:6→2 Kronieken 8:14→Numeri 9:3→2 Kronieken 31:2→Deuteronomium 33:10→1 Kronieken 23:26→1 Koningen 8:63→2 Kronieken 30:16→
— Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand. En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN. En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel; En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo; En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten; En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes. En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have. Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen. Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen. Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.
Na de viering van het Paasfeest vermeld te hebben, dat in het 18de regeringsjaar van Josia, na de zuivering van het land van alle afgoderij, na de herstelling van de tempel en de vernieuwing van het verbond met de Heere, op last van de koning algemeen en overeenkomstig de voorschriften van de wet nauwkeurig gehouden werd, spreekt de Schrijver, die naar de aard van dit werk het Paasfeest uitvoerig beschrijft, met bijzondere belangstelling over de diensten, die de Priesters en Levieten, naar hun ambt, daarbij moesten verrichten. Zijn beschrijving is des te gewichtiger, omdat zij in vele punten ons een vollediger voorstelling geeft van hetgeen op het Paasfeest voorviel, dan de meer onbepaalde opgaven uit de Boeken van Mozes en de daarop betrekking hebbende voorschriften en mededelingen (Vergelijk 2 Koningen .23: 21-23).
Daarna, nadat hij van de steden van het voormalige Rijk van de Tien stammen, waarin hij de afgoderij afgeschaft had, naar Jeruzalem teruggekeerd was (2 Koningen .23: 21), hield Josia, nog in hetzelfde 18de jaar van zijn regering d.i. 624 voor Christus het Pascha van de Heere te Jeruzalem; en zij slachtten het Pascha, naar het voorschrift van de wet (Exod.11: 1 vv.), op de veertiende dag van de eerste maand.
En hij stelde de priesters op hun wachten, verdeelde hen in de verschillende ordeningen, zoals zij door David vastgesteld waren (1 Kronieken 24); en hij sterkte hen, moedigde hen op grond van de Goddelijke wet aan tot de dienst van het huis van de Heere (Hoofdstuk 29: 5 vv.).
En hij zei tot de Levieten, die gans Israël onderwezen (Hoofdstuk 17: 8 vv. (Nehemia 8: 9 en 7),die de Heere heilig waren: Zet de heilige ark in het huis 1), dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u heeft nu voortaan geen last meer op de schouders, maar kunt ze eens voor altijd op de voor haar bestemde plaats laten staan, en daarentegen het overige van uw ambt des te ijveriger waarnemen; dien nu de Heere, uw God, en Zijn volk Israël;
Niet weinige uitleggers zijn van gevoelen, dat de Ark onder afgodische koningen van haar plaats was genomen en dat nu Josia hier het bevel geeft, om haar weer in het Heilige der heiligen in te brengen. Anderen, dat de Levieten van mening waren, dat zij bij het Pascha de Ark moesten ronddragen, zoals dat vroeger bij bijzondere gelegenheden geschiedde, vóór Salomo’s tempelbouw, en dat nu de koning hen dit wil verhinderen. Men vergeet dan echter, wat het eerste geval betreft, dat dit bevel dan niet tot de Levieten, maar tot de Priesters had moeten geschieden, omdat de Priesters geroepen waren, de Ark in het Allerheiligste in te brengen. Voor het tweede is geen enkel bewijs. Naar ons gevoelen, wil Josia hier aan de Levieten zeggen, om de Ark over te laten aan het Heiligdom, (in Joël 4: 3 hebben wij in de grondtekst dezelfde constructie van het werkwoord met het voorzetsel b) en zich nu, omdat zij niet meer verplicht waren, de Ark, zoals geschreven was in het Wetboek, dat onlangs was teruggevonden, te dragen, van hun ambt te kwijten, door het volk te onderwijzen in de rechten en wetten van de Heere. Daarom wordt ook in het eerste gedeelte van ons vs. er op gewezen, dat de Levieten het volk onderwezen, en aan het slot tot hen het woord gesproken: “Dien nu de Heere, uw God, en Zijn volk Israël.” Want wèl moesten de Priesters de Ark inbrengen, maar in de woestijn waren de Levieten geroepen, om op hun tocht de Ark te dragen. De koning wijst hen er daarom op, dat zij nu veel vrije tijd hadden gekregen, die zij nu moesten besteden in het dienen van de Heere en Zijn volk, niet alleen, door bij de offeranden te helpen, en bij dit Paasfeest de behulpzame hand te bieden, maar ook door als leraren van het volk op te treden.
En bereid schik u naar de huizen van uw vaderen, naar uwe verdelingen, naar het voorschrift van David, de koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;
En sta, ook nu, nu het de viering van het Paasfeest betreft, in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broeders, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten, dus op zo’n wijze, dat op ieder vaderlijk huis van het volk of de gewone Israëlieten slechts een deel van een vaderlijk huis van de Levieten komt;
En slacht het Pascha, de Paaslammeren, (Hoofdstuk 30: 16 vv.), en heilig u, en bereid dat voor uw broeders, doende naar het woord van de Heere, door de hand van Mozes, zoals verder met deze lammeren geschieden moet.
En Josia gaf voor het volk, dat zelf zich geen lam kon aanschaffen, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die allen tot Paaschofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertigduizend; maar van runderen drie duizend: dit, die ganse menigte van 30.000 lammeren en 3.000 runderen was, werd gegeven van de have van de koning 1).
Men merke hier op, hoe betamelijk het is, dat zij, die zich met ernst op de godsdienst toeleggen en er anderen toe willen aanzetten, volgens hun plicht, die zo gemakkelijk moet maken als mogelijk is, en met zo weinige moeite die vergezeld moet gaan, als wezen kan, dat God in dit opzicht mild onder hen gezaaid mocht hebben, verwacht Hij ook een volle oogst. Hier zou Israël misschien verre te kort geschoten zijn in de plechtigen dienst en het werk van de Heere ongedaan gelaten hebben, was de koning niet geneigd en in staat geweest, om uit zijn eigen voorraad het algemeen gebrek te vervullen.
Ook gaven zijn vorsten de Rijksvorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters en voor de Levieten, een aantal van lammeren en runderen, die hier niet nader opgegeven worden (vgl. Hoofdstuk 30: 24). Maar ook de priestervorsten brachten een offergave, namelijk: Hilkia en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot Paaschofferen, tweeduizend en zeshonderd klein vee (lammeren en geiten vs. 7), en driehonderd runderen.
Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn namelijk Chonanja’s geestelijke broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeïel en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot Paaschofferen, vijfduizend klein vee en vijfhonderd runderen.
Zo werd de dienst toebereid, en de priester stonden in hun standplaats op hun post, en de Levieten in of, naar hun verdelingen, naar het gebod van de koning.
Daarna slachtte men het Pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de lammeren de huiden af (Hoofdstuk 30: 16 vv.).
En zij namen het brandoffer daar af, zonderden daarna van de zo geslachte en gevilde lammeren die delen af, die op het altaar verbrand moesten worden, opdat zij die, naar de verschillende verdelingen van de vaderlijke huizen, waarin de gewone Israëlieten gescheiden waren, aan het volk geven mochten, en deze in plechtigen optocht het brandofferaltaar naderend, het aan de priesters brachten, om de Heere te offeren, zoals geschreven is in het boek van Mozes (Lev.3: 6-17); en zo deden zij ook met de runderen, waarvan insgelijks alleen de bepaalde delen ter verbranding werden afgezonderd, terwijl het overige vlees gebraden en gegeten werd (vs. 13).
En zij kookten 1) het Pascha, het vlees van de Paaslammeren, nadat de vetdelen op het brandofferaltaar waren verbrand, bij het vuur, naar het recht, zoals het behoort, d.i. zij braadden het (Exod.12: 7-9); maar de andere geheiligde dingen, het vlees van de runderen, kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen, zoals men met het vlees van de dankoffers gewoon was te doen; en zij deelden het haastig onder al het volk.
Beter: braadden, omdat dit in de Wet van Mozes was voorgeschreven. Tegenover de mening van sommigen, dat het braden van de Paaslammeren en het koken van het dankoffervlees gelijktijdig plaats vond aan de avond van de 14de Nisan, de dag van het eigenlijke Paasfeest, merkt Keil volkomen waar aan: “Dit ligt noch in het “alzo deden zij met de runderen” (vs. 12), noch in het bericht (vs. 14), dat de Priesters tot in de nacht met het brandoffer en het vet bezig waren. Volgens vs. 17 hielden de Israëlieten in die tijde niet slechts het eigenlijke Pascha, maar ook het feest van de ongezuurde broden zeven dagen. De beschrijving van het brengen en van de toebereiding van het offer, deels voor het altaar, deels voor de maaltijd in vs. 13-15 meegedeeld, heeft betrekking niet slechts op het Pascha in engere zin, maar tegelijk op het feest van zeven dagen van de ongezuurde broden, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt aangegeven, wijl deels uit de Wet, deels uit de gewoonte genoeg bekend was, dat tot de Paasmaaltijd slechts lammeren of bokken gebraden en gegeten werden, op de daarop volgende zeven dagen van de ongezuurde broden echter, behalve de dagelijkse brandoffers (Num.28: 16-25), ook nog dankoffers gebracht en offermaaltijden gehouden werden. Een verbinding, of veel meer een vermenging van de maaltijden, bereid uit het gebraden lam met het eten van het gekookte rundvlees, zou zo’n grote overtreding tegen de wettige voorschriften over het Paasmaal geweest zijn, dat men deze nooit van de koning Josia en de Priesters zou mogen verwachten.”
Daarna bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandoffers en het vet 1), zodat zij geen tijd hadden om het Pascha zelf voor zich te bereiden; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf en tevens voor de priesters, de zonen van Aäron.
Dit vet geldt niet van de dankoffers, maar van het brandoffer. Wat hier gezegd wordt van de eerste dag, geldt ook voor de volgende dagen. Men kan zich voorstellen, dat de Priesters het buitengewoon volhandig hadden, omdat in die dagen niet alleen 37.600 lammeren en bokken, maar ook 3.800 runderen werden geofferd. Dat hier het vet van het brandoffer wordt bedoeld, wordt bevestigd door vs. 16, waar alleen van brandoffers sprake is.
En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats op hun post, waar zij de godsdienstige zangen moesten uitvoeren, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning (1 Kronieken 26), mitsgaders de portiers aan elke poort; zij hoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broeders, de Levieten, voor hen het Paaslam bereidden, opdat zij hun ambt ongestoord zouden kunnen uitoefenen.
Zo werd de ganse dienst van de Heere op die dag beschikt, om Pascha te houden en van de vetstukken van de Paaslammeren en de brandoffers, brandoffers op het altaar van de Heere te offeren, naar het gebod van de koning Josia.
En de kinderen van Israël, behalve de burgers van Jeruzalem en Juda, ook de onderhorigen van het vroegere rijk van de Tien stammen, die er gevonden werden, hielden het Pascha op die tijd, en het feest van de ongezuurde broden zeven dagen.
Daar was ook geen Pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuel, de profeet af; en geen koning van Israël hadden zo’n Pascha gehouden, zoals Josia dat hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israël, dat er gevonden werd in het gehele land, en de inwoners van Jeruzalem 1) vgl. 2 Koningen .23: 22).
Deze mededeling heeft betrekking op de uitgebreidheid van het feest en hierop, dat het nu geheel volgens de Wet werd gehouden. Wel was ook onder Hizkia het Pascha op treffelijk wijze gevierd, maar niet op de veertiende van de eerste maand, zoals nu, en zoals het eigenlijk behoorde, maar op die van de tweede maand.
In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia werd dit Pascha gehouden.
IV. Vs. 20-27.KruisverwijzingenRichteren 5:19→2 Koningen 23:29→Jesaja 10:9→2 Kronieken 18:29→1 Koningen 22:34→Jeremia 22:10→2 Kronieken 25:19→2 Koningen 18:25→
— Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN; Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.
Hierop wordt Josia’s laatste tijd verhaald. Als Farao Necho van Egypte naar Circesium trekt, om in de strijd tussen Assyrië en Babylonië het voordeel van zijn land waar te nemen, en zijn weg door het Israëlietisch gebied neemt, stelt Josia met een goede bedoeling, maar uit verkeerde staatkunde, zich tegen hem, wordt in de strijd hij Megiddo zwaar verwond en bezwijkt aan zijn wonden, nog voordat de wagen, die hem wegvoert, Jeruzalem bereikt. Hier wordt zijn lijk onder bijzonder diepe rouw van het volk, en een rouwklacht van de profeet Jeremia, op de berg Zion begraven, en het wordt een gewoonte in Israël, om over bijzonder geliefde doden rouw te betonen als over Josia (Vergelijk 2 Koningen .23: 24-30).
Na dit alles, toen Josia het huis toebereid, de tempel weer tot geregelde godsdienst ingericht had, toog, in het jaar 610 voor Christus, Necho, de IIde van deze naam, de koning van Egypte, uit de 26ste dynastie (1Ki 3: 1) op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Frath, om in de juist heden uitbrekende oorlog tussen Assyrië aan de een en Medië en Babylonië aan de andere zijde (2Ki 20: 12″ en “2Ki 20.22) bij Circesium aan de Eufraat een vaste stelling aan te nemen, en Josia toog uit hem tegemoet, om zijn voortdringen naar de Eufraat te verhinderen.
Toen zond hij, Necho, boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij, tegen mijn erfvijand, de koning van Assyrië; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, weerstreef niet langer de wil van God, die met mij is, opdat Hij u niet verderft. Farao Necho II, die 15-16 jaren regeerde (omstreeks 614-598 voor Christus) was een zoon van Psammetichus I; Het was hem, zoals zijn vader, te doen om de herstelling van de Egyptische oppermacht. Met telkens toenemende ijver en moed werkte hij op dit doel aan, maar zeer luttel waren de vruchten, die hij inoogstte. Had zijn vader de havens van de Nijl-Delta voor de buitenlanders opengesteld, Necho trachtte de zeehandel van de Middellandse zee met het verkeer op de Rode zee in onmiddellijke samenhang te brengen en tot dat doel beide zeeën door een kanaal van de Pelusische Nijlarm, tot aan de Arabische zeeboezem, met elkaar te verbinden. Maar nadat 120.000 mensen bij de arbeid omgekomen waren, zonder die te voleinden, verklaarde een orakel aan de koning, dat hij slechts tot voordeel van de buitenlanders werkte, waarop hij het werk liet liggen. Op zijn bevel ondernamen later Fenicische mannen, van de Rode zee, uit de omzeiling van Afrika tot aan de zullen van HERCULES, hetgeen zij in 3 jaren volbrachten. Maar Necho dacht niet enkel aan de werken van de vrede, hij wilde aan zijn land ook grote uitbreiding buiten zijn natuurlijke grenzen bezorgen, opdat het als wereldrijk kon optreden. Daartoe werd een oorlogsvloot gebouwd om Fenicië en Syrië onder de Egyptische heerschappij te brengen, en de steeds toenemende macht van de Babylonische koning Nabopolasser (2Ki 20: 12) te verbreken; met deze vloot landde hij ook met een groot leger noordelijk van de Karmel in de baai van Akko en zond aan Josia, die hem de weg door het Israëlitische gebied wilde beletten, de boven vermelde boodschap af. Als Necho zich daarin op een goddelijke opdracht beroept, die hem gebiedt zich met het bedoelde werk te haasten, en hem de doortocht door Palestina uitdrukkelijk vergunde, is daarbij zeker aan niets anders dan aan een heidens orakel te denken, dat hem in zijn onderneming gesterkt heeft; maar anderzijds kon Josia door de uitspraken van de profeten van zijn tijd ook in deze waarschuwing van een heidense koning een stem van God erkennen, die hem naar de juiste staatkunde wilde heen leiden (2Ki 23: 29). Intussen hoorde hij naar deze stem niet, hield aan zijn eigen wegen vast en bereidde zich daardoor zijn ondergang, zoals de volgende verzen verhalen. Hoe echter ook Necho in het jaar 606 de slag bij Karchemis tegen Nebukadnezar verloor, en uit geheel Azië verdreven werd, hebben wij in “2Ki 23: 37” verhaald. Op hem volgde gedurende 8 jaren Psammetichus II en later Apriës, in de Bijbel Hofra genoemd (2Ki 24: 20), die de koning Zedekia tot afval van Nebukadnezar verleidde, maar hem daarna toch in niets helpen kon, en die zijn troon aan de opstandeling Amasis II verloor. Deze verhief door verschillende weldadige inrichtingen het land tot een hoge trap van welvaart, stelde zich echter ook in een vijandige verhouding tot het te zijner tijd opkomende Perzische rijk, en bewerkte daardoor de tocht van Kambyses tegen Egypte zonder echter de inval van de laatstgenoemde in zijn land nog te beleven (Het verdere zie bij Ezra 1: 4).
Wat Dächsel hier zegt, dat we hier aan een heidens orakel hebben te denken, is het gevoelen ook van andere uitleggers. Maar ons inziens ten onrechte. Er is hier sprake van de ware God en niet van een heidens orakel. Uit vs. 22 blijkt dit volkomen duidelijk. De koning van Egypte zegt hier, dat de levende God hem dit gezegd heeft, en dat Josia daarom hem niet moet tegenstaan. Sommige uitleggers nemen dan ook aan, dat hij een droom heeft gehad, of dat een profeet tot hem gezonden is, maar hiervoor is geen bewijs. Wat Necho wilde en van voornemen was te doen, erkende hij als de wil van God. Dit spreekt hij hier uit. In elk geval was de waarschuwing van Necho voor Josia een stem van God (vs. 22), een waarschuwing van Gods zijde.
Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar hij verstelde zich 1), om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho, uit de mond van God, maar hij kwam om te strijden in het dal Jizreël bij Megiddo.
Verstelde zich. Hier wordt van Josia hetzelfde gezegd, als wat van Achab wordt meegedeeld. Hij trok andere kleren aan, opdat hij niet herkend zou worden. Anderen vatten het op in geestelijke zin, en dan in deze, dat, terwijl hij vroeger altijd naar Gods wil had geluisterd, hij in dit geval zich anders gedroeg. Dit komt ons echter zeer gezocht voor, omdat het veel meer voor de hand ligt, dat Josia de koning van Egypte niet vertrouwd heeft, en zijn woorden niet als een openbaring van de Goddelijke wil heeft beschouwd. “2Ki 23: 29”
En de schutters schoten, toen het nu werkelijk bij Megiddo tot een treffen kwam, de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voer mij weg, breng mij meteen van de krijgswagen af, want ik ben zeer gewond.
En zijn knechten namen hem weg van de krijgswagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, zijn gewone reiswagen, die grotere gemakken aanbood, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf nog onderweg bij Hadad Rimmon, niet ver ten zuiden van Megiddo, en werd begraven in de graven van zijn vaderen, in een kamer bij die graven (1Ki 2: 10); en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
En Jeremia, die diep voelde, hoeveel het volk in deze laatste vrome koning verloor, en die door de Geest vooruit zag, dat het nu met alle heerlijkheid van Israël gedaan en het gericht over Juda en Jeruzalem nabij was, maakte een ons niet nader bekend klaaglied over Josia, zoals alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël, zodat als men over iemand, die een langer leven waardig geweest was, rouw bedrijven wilde, men gewoon was te zeggen: “Hij is te betreuren als Josia.” En zie zij zijn geschreven in de klaagliederen 1).
Niet te verwarren met de Klaagliederen van Jeremia, die ons zijn overgeleverd.
Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden aan zijn volk, naar dat geschreven is in de wet van de Heere;
Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, zie die zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda (1Ch 29: 30).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel