Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WantG1063 vanG4012 de bedieningG1248, die voor de heiligenG40 geschiedt, isG1510 mijG1473 onnodigG4053 aanG1519 uG4771 te schrijvenG1125.
Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.
KJV
For3
as2
touching1
the ministering5
to7
the saints,9
it is
superfluous10
for me
to write14
to you:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want ik weetG1492 de volvaardigheidG4288 uws gemoedsG4288, van welkeG3739 ik roemG2744 over uG4771 bij de MacedoniersG3110, dat AchajeG882 van over een jaarG4070 bereidG3903 is geweest; enG2532 de ijverG2205, vanG1537 uG4771 begonnen, heeft er velenG4119 verwektG2042.
Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniers, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.
KJV
For2
I know1
the forwardness of4
➔ your
mind,
for which6
I boast9
of7
you
to them of Macedonia,10
that11
Achaia12
was ready13
a year15
ago;14
and16
your
zeal20
hath provoked21
very many.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG1161 ik heb dezeG3778 broedersG80 gezondenG3992, opdatG2443 onze roemG2745, dien wij over uG4771 hebben, nietG3361 zou ijdelG2758 gemaakt worden inG1722 dezenG5129 deleG3313; opdatG2443 (gelijk ik gezegdG3004 heb) gij bereidG3903 moogtG5600 zijnG1510;
Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;
KJV
Yet2
have I sent1
the brethren,4
lest
our
boasting8
of11
you
should be in vain13
in14
this
behalf;16
that,5
as19
I said,20
ye may be
ready:21
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En dat niet mogelijkG4458, zoG1437 de MacedoniersG3110 met mijG1473 kwamenG2064, enG2532 uG4771 onbereidG532 vondenG2147, wij (opdatG2443 wij nietG3361 zeggenG3004: gijG4771) beschaamdG2617 worden inG1722 dezeG3778 vasten grondG5287 der roemingG2746.
En dat niet mogelijk, zo de Macedoniers met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in deze vasten grond der roeming.
KJV
Lest1
haply
if2
they of Macedonia6
come3
with4
me,
and7
find8
you
unprepared,10
we
(that
➔ we say15
not,
ye)
should be ashamed11
in17
this same
confident19
boasting.22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ik heb danG3767 nodigG316 geachtG2233 deze broedersG80 te vermanenG3870, dat zij eerstG4281 totG1519 uG4771 zouden komenG4281, enG2532 voorbereidenG4294 uw te voren aangedienden zegenG2129; opdatG2443 dieG3778 gereedG2092 zijG1510, alzoG3779 alsG5613 een zegenG2129, enG2532 nietG3361 als een vrekheidG4124.
Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid.
Ook in dit vers
tevoren aangediendenG4293
KJV
Therefore2
I thought3
it necessary1
to exhort4
the brethren,6
that7
they would go before8
unto9
you,
and11
make up beforehand12
your
bounty,15
whereof ye had notice before,14
that the same
might be
ready,18
as21
a matter of bounty,22
and23
not24
as25
of covetousness.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En dit zeg ik: Die spaarzamelijkG5340 zaaitG4687, zal ookG2532 spaarzamelijkG5340 maaienG2325; en die in zegeningenG2129 zaaitG4687, zal ookG2532 in zegeningenG2129 maaienG2325.
En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
KJV
But2
this
I say, He which soweth4
sparingly5
shall reap8
also7
sparingly;6
and9
he which soweth11
bountifully12
shall reap17
also16
bountifully.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Een iegelijkG1538 doe, gelijk hij in zijn hartG2588 voorneemtG4255; nietG3361 uitG1537 droefheidG3077, ofG2228 uitG1537 nooddwangG318; wantG1063 GodG2316 heeft een blijmoedigenG2431 geverG1395 liefG25.
Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.
KJV
Every man1
according as2
he purposeth3
in his heart,5
so let him give; not6
grudgingly,7
or9
of10
necessity:11
for13
God17
loveth15
a cheerful12
giver.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG1161 GodG2316 is machtigG1415 alle genadeG5485 te doen overvloedigG4052 zijn in uG4771; opdatG2443 gij in allesG3956 te allen tijdG3842, alle genoegzaamheidG841 hebbendeG2192, totG1519 alle goedG18 werkG2041 overvloedigG4052 moogt zijn.
En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.
KJV
And2
God4
is able1
to make7
➔ all5
grace6
abound17
toward8
you;
that10
ye, always13
having16
all12
sufficiency15
in11
all14
things, may abound
to18
every19
good21
work:20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Gelijk er geschrevenG1125 is: Hij heeft gestrooidG4650, hij heeft den armenG3993 gegevenG1325; Zijn gerechtigheidG1343 blijftG3306 inG1519 der eeuwigheidG165.
Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.
KJV
(As1
it is written,2
He hath dispersed abroad;3
he hath given4
to the poor:6
his9
righteousness8
remaineth10
for11
ever.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DochG1161 Die het zaadG4690 den zaaierG4687 verleentG2023, Die verleneG5524 ookG2532 broodG740 totG1519 spijzeG1035, en vermenigvuldigeG4129 uw gezaaiselG4703, en vermeerdereG837 de vruchtenG1081 uwer gerechtigheidG1343;
Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;
KJV
Now2
he that ministereth3
seed4
to the sower6
both7
minister11
bread8
for9
your food,10
and12
multiply13
your
seed sown,15
and17
increase18
the fruits20
of your
righteousness;)22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dat gij in allesG3956 rijkG4148 wordt totG1519 alle goeddadigheidG572, welke door ons werktG2716 dankzeggingG2169 tot GodG2316.
Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God.
KJV
Being enriched3
in1
every thing2
to4
all5
bountifulness,6
which7
causeth8
through9
us
thanksgiving11
to God.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG3754 de bedieningG1248 van dezenG5026 dienstG3009 vervultG2076 nietG3756 alleen het gebrekG5303 der heiligenG40, maarG235 isG1510 ookG2532 overvloedigG4052 doorG1223 veleG4183 dankzeggingenG2169 tot GodG2316;
Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;
KJV
For1
the administration3
of this
service5
not7
only8
supplieth10
the want12
of the saints,14
but15
is abundant17
also16
by18
many19
thanksgivings20
unto God;22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Dewijl zij doorG1223 de beproevingG1382 dezer bedieningG1248 GodG2316 verheerlijkenG1392 overG1909 de onderwerpingG5292 uwer belijdenisG3671 onder het EvangelieG2098 van ChristusG5547, enG2532 over de goeddadigheidG572 der mededelingG2842 aan henG846 enG2532 aan allenG3956;
Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;
KJV
Whiles by1
the experiment3
of this
ministration5
they glorify7
God9
for10
your
professed14
subjection12
unto16
the gospel18
of Christ,20
and21
for your liberal22
distribution24
unto25
them,26
and27
unto28
all29
men;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 door hunG846 gebedG1162 voor u, welke naar u verlangenG1971, omG1223 de uitnemendeG5235 genadeG5485 GodsG2316 overG1909 uG4771.
En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u.
KJV
And1
by their2
prayer3
for4
you,
which long after6
you
for8
the exceeding10
grace11
of God13
in14
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
DochG1161 GodeG2316 zijG846 dankG5485 voor Zijn onuitsprekelijkeG411 gaveG1431.
Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.
KJV
Thanks1
be unto God4
for5
his8
unspeakable7
gift.9
de bediening, die
Hierdoor kan verstaan worden, òf de handreiking zelve, òf de wijze van die in te zamelen en naar Jeruzalem af te zenden, die hij geheel aan hun goeddunken overgeeft, omdat hij wist dat zij daartoe al overlang volvaardig waren geweest en genoegzame voorzichtigheid hadden, om het wel en behoorlijk te doen.
Hertaald:
de bediening, die
Hieronder kan verstaan worden óf de hulp zelf, óf de manier om die in te zamelen en naar Jeruzalem te zenden. Dat laatste laat hij helemaal aan hun eigen inzicht over, omdat hij wist dat zij daartoe al lang bereid waren geweest en genoeg verstand hadden om het goed en behoorlijk te doen.
aan u te schrijven
Namelijk breder of verder.
Hertaald:
aan u te schrijven
Namelijk uitvoeriger of verder.
Acháje
Waarvan Corinthe de hoofdstad was. Zie Rom. 15:26 ; 1 Kor. 1:2 .
Hertaald:
Acháje
Waarvan Korinthe de hoofdstad was. Zie Rom. 15:26; 1 Kor. 1:2.
deze broeders gezonden
Namelijk Titus met de twee anderen, waarvan in 2Co 8 vermaand is.
Hertaald:
deze broeders gezonden
Namelijk Titus met de twee anderen, over wie in 2 Kor. 8 gesproken is.
bereid moogt zijn;
Namelijk tegen dat ik kom, gelijk vs.4 verklaart.
Hertaald:
bereid moogt zijn;
Namelijk tegen de tijd dat ik kom, zoals vers 4 verklaart.
de Macedóniërs
Dat is, de broeders, die van de gemeente van Macedonië verkoren waren tot het overbrengen van hunne collecte.
Hertaald:
de Macedóniërs
Dat is: de broeders die door de gemeente van Macedonië gekozen waren om hun collecte over te brengen.
in dezen vasten grond
Gr. in die zelfstandigheid des roems; dat is, in mijn vertrouwen en vrijmoedigen roem over u, namelijk dat het aan u niet zou ontbreken.
Hertaald:
in dezen vasten grond
Grieks: in die grond van de roem; dat is: in mijn vertrouwen en vrijmoedige roem over u, namelijk dat het bij u niet zou ontbreken.
tevoren aangedienden
Dat kan verstaan worden, òf van hetgeen Titus van hen Paulus had aangediend in zijn wederkeren van hen, gelijk af te nemen is uit 2 Kor. 7:13 ; òf van hetgeen Paulus aan hen daarvan tevoren had geschreven in den eersten brief aan het begin van het 16e hoofdst.
Hertaald:
tevoren aangedienden
Dat kan verstaan worden óf van wat Titus bij zijn terugkeer van hen aan Paulus verteld had, zoals op te maken is uit 2 Kor. 7:13, óf van wat Paulus hun daarover eerder had geschreven in de eerste brief, aan het begin van het zestiende hoofdstuk.
als een zegen
Dat is, als een vrijwillige en milde gave, gelijk een zegen, die eigenschap heeft dat hij uit een toegenegen en mild hart voortkomt; een Hebreeuwse wijze van spreken.
Hertaald:
als een zegen
Dat is: als een vrijwillige en milde gave, zoals een zegen, die als kenmerk heeft dat hij uit een toegewijd en mild hart voortkomt. Dit is een Hebreeuwse manier van spreken.
als ene vrekheid
Dat is, als ene gift van vrekkige lieden afgeperst. Het Griekse woord betekent eigenlijk gierigheid, of begeerte om meer te hebben; van hoedanige mensen men zeer kwalijk kan verkrijgen dat zij iets geven, of zo zij iets geven, het is onwillig en als van hen uitgeperst.
Hertaald:
als ene vrekheid
Dat is: als een gave die van hebzuchtige mensen afgeperst is. Het Griekse woord betekent eigenlijk hebzucht, of de begeerte om meer te hebben. Van zulke mensen kan men maar heel moeilijk verkrijgen dat zij iets geven, en als zij iets geven, is het onwillig en als het ware van hen afgeperst.
in zegeningen zaait,
Dat is, vrijwillig en mild, gelijk in vs.5. Versta altijd, naar dat iemand heeft, gelijk 2 Kor. 8:12 .
Hertaald:
in zegeningen zaait,
Dat is: vrijwillig en mild, zoals in vers 5. Denk daarbij altijd: naar de mate van wat iemand heeft, zoals in 2 Kor. 8:12.
maaien
Dat is, van God overvloedige vergelding ontvangen; Gal. 6:9 .
Hertaald:
maaien
Dat is: van God een overvloedige vergelding ontvangen; Gal. 6:9.
voorneemt;
Of, willekeurt, verkiest; namelijk uit vrijwilligheid.
Hertaald:
voorneemt;
Of: naar eigen keus bepaalt, kiest; namelijk uit vrijwilligheid.
nooddwang; want
Dat is, uit vrees van anderszins doende berispt te worden, of zijn aanzien bij de mensen te verliezen.
Hertaald:
nooddwang; want
Dat is: uit vrees dat men anders berispt zou worden of zijn aanzien bij de mensen zou verliezen.
alle genade te doen
Dat is, middel om weldadig te mogen zijn tegen een ieder.
Hertaald:
alle genade te doen
Dat is: middelen om tegenover ieder weldadig te kunnen zijn.
alle genoegzaamheid hebbende,
Namelijk niet alleen bij uzelven in uw gemoed, hetwelk een groot gewin is, 1 Tim. 6:6 , maar ook overvloed om anderen in allerlei nood te hulp te kunnen komen.
Hertaald:
alle genoegzaamheid hebbende,
Namelijk niet alleen bij uzelf in uw gemoed, wat een grote winst is, 1 Tim. 6:6, maar ook overvloed om anderen in allerlei nood te kunnen helpen.
geschreven is
Namelijk Ps. 112:9 , waar de profeet de eigenschappen van een godzalig man ook op deze wijze beschrijft.
Hertaald:
geschreven is
Namelijk in Ps. 112:9, waar de profeet de kenmerken van een godvrezend man ook op deze manier beschrijft.
zijn gerechtigheid
Dat is, zijne weldadigheid, of zijne werken der barmhartigheid, gelijk dit woord bij de Hebreën dikmaals alzo wordt genomen. Zie Ps. 112:9 .
Hertaald:
zijn gerechtigheid
Dat is: zijn weldadigheid, of zijn werken van barmhartigheid, zoals dit woord bij de Hebreeën dikwijls opgevat wordt. Zie Ps. 112:9.
blijft in eeuwigheid
Namelijk in de gedachtenis der mensen en ook van God, om in de eeuwigheid uit genade beloond te worden; Matt. 25:34 , enz; Luc. 12:33 , en Luc. 16:9 , enz.
Hertaald:
blijft in eeuwigheid
Namelijk in de gedachtenis van de mensen en ook van God, om in de eeuwigheid uit genade beloond te worden; Matth. 25:34, enzovoort; Luk. 12:33 en Luk. 16:9, enzovoort.
die verleent ook brood
Anderen onderscheiden dit alzo: En ook brood tot spijs, die verlene en vermenigvuldige, enz.
Hertaald:
die verleent ook brood
Anderen delen dit anders in: En ook brood tot voedsel, dat Hij het geve en vermenigvuldige, enzovoort.
gerechtigheid
Dat is, weldadigheid, gelijk vs.9.
Hertaald:
gerechtigheid
Dat is: weldadigheid, zoals in vers 9.
goeddadigheid, welke
Of, eenvoudigheid.
Hertaald:
goeddadigheid, welke
Of: eenvoudigheid.
werkt dankzegging
Namelijk bij de armen en gebreklijdenden, die verwekt worden om God te danken, wanneer zij zodanige weldaden van ons ontvangen, gelijk de volgende verzen nader verklaren.
Hertaald:
werkt dankzegging
Namelijk bij de armen en behoeftigen, die ertoe gebracht worden God te danken wanneer zij zulke weldaden van ons ontvangen, zoals de volgende verzen nader verklaren.
dienst vervult
Gr. Leitourgias; welk woord wel betekent allerlei openbaren dienst, gelijk Hand. 13:2 is aangetekend, maar wordt ook somwijlen genomen voor een dienst der offering, gelijk de aalmoezen ook geestelijke offeranden genaamd worden, Fil. 4:18 ; Hebr. 13:16 , welke betekenis daarom hier ook niet kwalijk past.
Hertaald:
dienst vervult
Grieks: leitourgias. Dat woord betekent wel allerlei openbare dienst, zoals bij Hand. 13:2 aangetekend is, maar het wordt soms ook gebruikt voor een offerdienst, zoals de aalmoezen ook geestelijke offers genoemd worden, Filipp. 4:18; Hebr. 13:16. Die betekenis past hier daarom ook niet slecht.
de beproeving dezer
Of, goedkenning, goedachting.
Hertaald:
de beproeving dezer
Of: goedkeuring, waardering.
onderwerping uwer
Dat is, dat gij hiermee openlijk belijdt of getuigt, dat gij u in alles het Evangelie van Christus onderwerpt, hetwelk ook de werken der liefde bijzonder aanprijst.
Hertaald:
onderwerping uwer
Dat is: dat u hiermee openlijk belijdt of betuigt dat u zich in alles onderwerpt aan het Evangelie van Christus, dat ook de werken van de liefde in het bijzonder aanbeveelt.
hun gebed voor u,
Namelijk hetwelk de gelovigen te Jeruzalem, door uwe weldadigheid verwekt zijnde, te ijveriger voor u doen zullen.
Hertaald:
hun gebed voor u,
Namelijk het gebed dat de gelovigen in Jeruzalem, door uw weldadigheid daartoe bewogen, des te vuriger voor u zullen doen.
naar u verlangen
Of, zeer begerig zijn naar u; namelijk om uwen welstand dagelijks te mogen horen. Het kan ook overgezet worden: Welke u grote genegenheid toedragen.
Hertaald:
naar u verlangen
Of: zeer naar u verlangen; namelijk om dagelijks over uw welstand te mogen horen. Het kan ook zo vertaald worden: die u grote toewijding toedragen.
om de uitnemende
Dat is, omdat zij door ons en anderen verstaan hebben, hoe grote genade en welke grote gaven de Heere uwe gemeente gegeven heeft; Hand. 21:18-19 .
Hertaald:
om de uitnemende
Dat is: omdat zij door ons en door anderen vernomen hebben hoe grote genade en welke grote gaven de Heere aan uw gemeente gegeven heeft; Hand. 21:18-19.
Doch Gode zij dank
Hiermede besluit de apostel dezen gehelen handel, om hen te vermanen dat de eer van al den voorverhaalden roem en gaven, waarvan hij gesproken en waarover hij hen geprezen had, niet eigenlijk hun, maar Gode alleen moest toegeschreven worden, tot hunne vernedering.
Hertaald:
Doch Gode zij dank
Hiermee besluit de apostel deze hele zaak. Hij wil hen erop wijzen dat de eer van alle genoemde roem en gaven, waarover hij gesproken en waarom hij hen geprezen had, niet eigenlijk aan hen, maar alleen aan God toegeschreven moest worden — tot hun verootmoediging. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Paulus roemt de gemeenten van Macedonië, die te midden van beproeving en diepe armoede "boven vermogen gewillig" waren om te geven (2 Kor. 8:2-3), en legt het uiteindelijke motief bloot: "gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden" (2 Kor. 8:9). Het gaat niet om de grootte van de gave maar om de gezindheid: "indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft" (2 Kor. 8:12). In hoofdstuk 9 volgt het landbouwbeeld: "die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien" (2 Kor. 9:6), en de regel: "een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief" (2 Kor. 9:7), met de toezegging dat God alle genade overvloedig zal doen zijn tot elk goed werk (2 Kor. 9:8). Bijbelse betekenis: Christelijk geven is geen wettische verplichting naar een vast percentage, maar een vrucht van het Evangelie zelf. Wie beseft wat de vrijwillige, zelfvernederende armoede van Christus hem gebracht heeft, geeft niet uit dwang maar uit dankbare blijdschap. Het is de gezindheid en niet het bedrag dat God aanziet. Typologie: Diezelfde blijdschap bij het vrijwillig geven kenmerkte Israël bij de gaven voor de tempel: "En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap" (1 Kron. 29:9). 2 Kor. 8:2-3,9,12; 2 Kor. 9:6-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief. 2 Korinthe 9:7 Het mooiste… God heeft een blijmoedige gever lief. 2 Korinthe 9:7 Ik heb een vraag voor je. Waar gingen de eerste paar verhalen over? Het eerste verhaal was getiteld "Geef… U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn dienaar die Ik verkozen heb.(Jesaja 43:10) Lees verder 1 Johannes 5:1—5. Toen meneer Hone, die het “Elke dag boek”… Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. 2 Korinthe 9:15 In het hoofdstuk waaruit mijn tekst genomen is, roept Paulus de christenen in Korinthe op, klaar te staan… Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief. 2 Korintiers 9-7 Kleine barmhartige daden… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Korinthe 9
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Een blijmoedige gever
Oude Vrekken!
Gods getuigen
Loflied op de hoogste gave
Aanbidding door geven


2 Korinthe 9
2 Korinthe 9:6-7
KruisverwijzingenSpreuken 22:9→Lukas 6:38→Spreuken 11:24→2 Korinthe 8:12→Exodus 25:2→Romeinen 12:8→1 Kronieken 29:17→Spreuken 11:18→— En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.
“En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.” Wat wordt bedoeld met een ‘blijmoedige gever’? De rest van het vers laat zien wat NIET bedoeld wordt, en helpt ons zo te zien wat wél bedoeld is: niet uit droefheid, of uit nooddwang. Dat betekent: niet geven alsof men er liever van af zou zien, en daarom zo weinig mogelijk geven. Niet de penningen tellend en ze rekenend alsof het bloeddruppels waren, maar gevend met gemak, spontaniteit, vrijheid, welbehagen — dat is een blijmoedige gever. Om zo’n blijmoedige gever te zijn, moeten wij geven naar de mate waarin de Heere ons voorspoedig heeft gemaakt.
Er is veel gezegd over het geven van een tiende van iemands inkomen aan de Heere. Ik denk dat dit een christelijke plicht is die niemand een ogenblik zou moeten betwisten. Was het al een plicht onder de Joodse wet, des te meer geldt dat nu, onder de christelijke bedeling. Maar het is een grote vergissing te denken dat de Joden slechts een tiende gaven; zij gaven veel meer dan dat. De tiende was de betaling die zij verplicht waren te doen, maar daarna kwamen nog alle vrijwillige offeranden, alle verschillende gaven op verschillende tijden van het jaar. Wij mogen niet berekenen wat wij geven op grond van wat fatsoenlijk lijkt of van wat andere mensen van ons verwachten. Wij behoren te geven zoals God ons voorspoedig gemaakt heeft.
Een gelovige die willig aan God geeft, is voorbij de slaafse, dienstknechtachtige geest. De slaaf brengt het schamele bedrag dat hij verplicht is te betalen, legt het neer aan de voeten van zijn opzichter, en gaat zijns weegs in ellende. De blijmoedige gever geeft ook van harte, en dat omvat ook de gave van tijd en dienst. Een blijmoedige gever wenst altijd dat hij tienmaal zoveel zou kunnen geven; een blijmoedige werker wil altijd meer capaciteit hebben om te doen. God heeft deze blijmoedigheid lief, deze hartelijkheid, deze volle overgave, deze vurigheid, dit vuur van de ziel.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
c. Vers 1-15KruisverwijzingenEfeze 3:20→Spreuken 22:9→Spreuken 10:22→2 Korinthe 8:7→Psalmen 112:9→2 Korinthe 8:10→Lukas 6:38→Spreuken 11:24→
— Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven. Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniers, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt. Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn; En dat niet mogelijk, zo de Macedoniers met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in deze vasten grond der roeming. Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid. En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief. En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;
Na de mededeling over de personen, die bestemd waren het geld over te brengen, komt de apostel terug tot de inzameling zelf. Hij zegt op juiste manier, dat hij daarover niet behoeft te schrijven, terwijl de Corinthiërs hun verplichting tot deze opbrengst al lang hadden gevoeld, omdat die collecte voor de broedergemeente te Jeruzalem bestemd was. Wel mocht hij er op aandringen, dat zij, in hetgeen reeds een jaar geleden was toegezegd en wat ertoe had gediend, om de gemeenten in Macedonië aan te vuren, niet beschaamd werden en daarom moesten zij nu de collecte doorzetten en er krachtig aan deelnemen, terwijl Titus met zijn metgezellen daartoe bij hen was. Paulus neemt deze gelegenheid waar om te spreken over de gezindheid, waarmee moest worden gegeven. Vervolgens wijst hij op de macht van God, om ten allen tijde de nodige middelen te verschaffen tot rijkelijk weldoen en herinnert hij aan de zegen, die verbonden is aan zo’n weldoen, vooral in dit geval. Hij eindigt met een woord van dankzegging voor de gave van God in Christus, die het krachtigst dringt tot geven voor anderen.
Ik sprak zo-even van een betoning van uw liefde en van onze roem over u (Hoofdstuk 1: 24), zonder nader te verklaren in welk opzicht u die betonen moest: want a) van de bediening, die voor de heiligen geschiedt en waartoe ik nu ook deze drie heb gezonden, is mij onnodig aan u te schrijven, vooral ook met het oog daarop, in hoeverre de Christenen uit de heidenen zich gedrongen moeten gevoelen hen, die uit Israël zijn, in hun nood bij te staan (Rom. 15: 27).
Hand. 11: 29. 1 Kor. 16: 2. 2 Kor. 8: 4.
Want ik ken de volvaardigheid van uw gemoed, ik ken uw genegenheid voor deze zaak, waarvan ik hier in het land, waar ik mij tegenwoordig ophoud (Hand. 20: 1), roem over u bij de Macedoniërs, zeggende als ik mijn mededelingen doe in de vergaderingen van de gemeente, dat Achaje 2Co 1: 1 van over een jaar bereid is geweest (Hoofdstuk 8: 10). En de ijver, door u begonnen, heeft er velen verwekt, zodat zij nu ook tot een inzameling besloten zijn, terwijl ik eigenlijk bij de Macedonische gemeenten, om de armoede en de nood, waarin zij zelf zijn, niet had willen aandringen (Hoofdstuk 8: 4 v.), waarom zij ook in 1 Kor. 16: 2 niet naast de Galatiërs genoemd zijn.
Hier volgt een aanvulling, misschien bij het overlezen van Hoofdstuk 8 noodzakelijk bevonden, van hetgeen daar de Corinthiërs op het hart is gedrukt. Die aanvulling geeft Paulus op een juiste, verschonende manier met de inleidende aanmerking, dat hij eigenlijk niet nodig had over de zaak van de collecte te schrijven, omdat hij hun bereidwilligheid kende. Het verband is het volgende: ontvang de broeders met liefde, dat druk ik u op het hart; want over de bediening voor de heiligen heb ik niet nodig u te schrijven en de offervaardigheid was, zoals het beginnen van de collecte reeds in het vorige jaar bewijst, bij de Corinthiërs werkelijk aanwezig en er was slechts een opwekking nodig, alleen tot besneling van de zaak.
Het is licht te denken, dat de inzameling van de bijdragen gedurende de treurige voorvallen in de gemeente was blijven steken; zelfs gedurende de dagen en weken, waarin de droefheid naar God in de gemeente de overhand kreeg en hen tot ijver opwekte, zal toch de zorg voor de nood van de heiligen te Jeruzalem in de harten op de achtergrond zijn geraakt. De kunst van Paulus om te winnen nu is, om door het goede voorbeeld van de ene de andere tot het goede te dringen. De Corinthiërs stelt hij de frisse en blijmoedige ijver van de Macedoniërs voor (Hoofdstuk 8: 1 vv.) en bij deze roemt hij weer de goede wil van de ander (2 Kor. 8: 19), zeggende: “Achaje is voor een jaar bereid geweest.”
Het gevaar van koudheid ondervindt ieder op de weg van zijn Christendom, daarom is het goed, dat God ons door anderen opwekt.
Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, die wij over u hebben, waarmee ik uw Christelijke staat heb geprezen, (Hoofdstuk 7: 4), niet zou ijdel gemaakt worden in deze dele, in hetgeen de collecte aangeeft, waarover ik u heb geprezen, opdat, zoals ik gezegd heb, u bereid mag zijn (vs. 2) en een teleurstelling dus werkelijk wordt verhoed.
En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs als leidslieden (Rom. 15: 24) met mij kwamen, als ik volgens het in 1 Kor. 16: 5 vv. voorgestelde reisplan vóór de winter bij u kwam en zij u onbereid vonden, wij, (opdat wij niet zeggen “u” hoewel u de schuld daarvan zou zijn) beschaamd worden in deze vaste grond van de roeming, die ik met zo vast vertrouwen heb gedaan.
Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen en voorbereiden, geheel gereed maken uw te voren, uw vroeger, toen u voor een jaar zo bereidvaardig aan het vergaderen ging (vs. 2), aangedienden zegen; opdat die van hun kant tot afzending en van onze kant tot bezorging naar Jeruzalem gereed zij zodat wat u samenbrengt werkelijk is, zoals ik het heb voorgesteld, als een zegen (Gen. 33: 11. Richt. 1: 15. 1 Sam. 25: 27; 30: 26 en niet als een vrekheid een gave, zoals de gierigaard die geeft, ongraag en zo karig mogelijk.
Prijzenswaardige zorg, dat alles, wat men zegt en toezegt gehouden wordt! Zonder deze is het grootspreken; en weg daarmee!
De apostel noemt de gave een zegen, die de Corinthiërs hadden beloofd aan de moedergemeente te geven, omdat zij toch hun beloften niet onvervuld zullen willen laten en omdat het begrip van zegenen elke gedachte aan zelfzuchtige karigheid uitsluit. Die tegenstelling spreekt de apostel nogmaals uit aan het einde van het vers, als hij van gierigheid spreekt. Als de gemeente haar bijdrage slechts op een manier gaf, dat zij daarmee van haar belofte afkwam, die zij toch niet meer kon terugtrekken, dan zou zij er geen gewetenszaak van maken de moedergemeente zoveel mogelijk te bekorten.
Het geschenk noemt Paulus een zegening, eigenlijk een dank, in zoverre het is voortgevloeid uit een hart, dat God lof en dank zegt. Daartegenover staat de gierigheid, de hebzucht, die zowel daar zich betoont, waar men wederrechtelijk goed verwerft, als waar men karig meedeelt.
Een gierig gever is als een zure druif, waaraan met moeite een karig sap wordt afgeperst; maar zegen vloeit uit de zoete druif bij een lichte drukking van de wijntreder.
EPISTEL OP de DAG VAN ST. LAURENTIUS: Vs. 6-10 Joh 12: 24.
En dit zeg ik, bedoel ik met het woord “als een zegen en niet als een vrekheid”, om u tot overvloedig geven op te wekken: a) Die spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien; en die in zegeningen zaait, dus in overvloed het zaad uitstrooit, die zal ook in zegeningen maaien, rijkelijk vruchten oogsten (Spr. 11: 25. 22: 9).
Gal. 6: 7.
Zaaiers en maaiers worden hier als leenspreukig gebruikt. En daar is enige gelijkheid tussen het werpen van zaad in de aarde en het doen van aalmoezen. Een zaaier werpt en strooit zijn zaad met een open hand; hield hij het besloten in zijn vuist en liet hij alleen hier en daar een zaadje vallen, hij zou een schrale oogst hebben; zo opent ook een milddadig gever zijn hand en vervult de noden van de behoeftigen op een ruime manier (En het is er zo mee), zaait hij, dat is, geeft hij niets hij zal ook niets maaien; zaait hij maar weinig, hij zal weinig maaien; zaait hij veel, hij zal rijkelijk maaien, ook dezelfde soort van dingen, die hij zaait; is hij milddadig in het tijdelijke, hij zal in dezelfde dingen voorspoedig zijn. Wij gierige mensen zich inbeelden, dat hetgeen zij op een liefdadige manier schenken, verloren is, verbetert de apostel die misvatting, met hun te verzekeren, dat het niet meer verloren is dan het zaad, dat een landman in de grond werpt, dat dertig, zestig of honderdvoudige vrucht voortbrengt.
Intussen komt hier niet alleen aan op het overvloedige geven, maar het moet ook een geven zijn met lust en liefde tot de zaak. Een ieder dan doe, zoals hij in zijn hart naar zijn eigen vrije beschikking voorneemt, niet uit droefheid daarover, dat hij moet missen wat hij geeft, of uit nooddwang, dat hij liever, zo hij kon, zich zou vrijmaken van de omstandigheden, die hem tot geven noodzaken; a) want God heeft een blijmoedige gever lief en niet zo een, die met tegenzin of uit dwang geeft (vgl. Deut. 15: 10. Sirach 14: 16).
Ex. 25: 2; 35: 5.
Deze spreuk hebben de Septuaginta of de 70 vertalers van het Oude Testament in het Grieks naast Spr. 22: 8 gesteld en Paulus geeft daaraan de eer van de aanhaling, omdat die iets schriftuurlijks (Ex. 25: 2; 35: 5. 1 Kron. 29: 5 bevat. Bij de nawerkingen van partijschappen te Corinthiërs, was de waarschuwing voor dwang en de aanmaning, om naar de drang van het hart te geven, vooral op zijn plaats; want niets vergiftigt de weldadigheid meer en maakt ze voor God verachtelijker dan een ijdel mededingen in weldoen en zichzelf op de voorgrond te stellen zonder hartelijke welwillendheid.
Met blijdschap geven, dat steelt het hart van God en rukt Hem genade uit Zijn handen, om degenen, die zo geven, daarmee te overladen.
En opdat u in staat mag zijn om niet karig maar in zegening te zaaien, weet dan: God is machtig alle genade in tijdelijke zegen overvloedig te doen zijn in u; opdat u in alles, ten allen tijde alle voldoendeheid hebbende, tot elk goed werk overvloedig mag zijn; God kan u overvloedig zegenen; opdat u ten allen tijde zult kunnen geven aan anderen en Hij zal dat doen, als in u weldadigheid leeft.
Zoals er in Ps. 112: 9 geschreven is van de vrome en rechtvaardige: “Hij heeft weldaden gestrooid, hij heeft rijkelijk de armen gegeven; zijn gerechtigheid en het geluk, dat met die gerechtigheid verbonden is (Spr. 10: 2) blijft in de eeuwigheid, zoals in vs. 3 van die psalm uitdrukkelijk wordt gezegd, dat rijkdom en overvloed in het huis van de vromen zal zijn.
Om rijkelijk te geven, waartoe de apostel in vs. 6 had aangemaand, moesten zij, tot, wie de vermaning gericht is, ook in staat zijn het te kunnen. Deze tegenspraak lag te zeer voor de hand, dan dat Paulus haar niet dadelijk door te wijzen op God, zou hebben kunnen beantwoorden, die Hem daarmee kon genade bewijzen, dat Hij ze tot alle goed werk in staat stelde. Omdat het daarom te doen is, dat God de Corinthiërs zou geven, wat het voor hen mogelijk maakte allerlei goed te doen, zo moeten wij bij het “alle genade” denken aan het geen uitwendig daartoe in staat stelt, maar niet aan hetgeen inwendig daartoe bekwaam maakt, zoals vele uitleggers het willen.
Toen A. H. Francke eens deze plaats in de bijbel las, werd hij er zeer bedroefd over. “Hoe kan God maken, dacht hij bij zichzelf, dat wij rijk zijn in goede werken? Ik zou zo graag menige arme iets goeds bewijzen, maar mij ontbreken de middelen; ik moet menigeen ledig en zonder hulp van mij laten heengaan. ” Temidden van zijn beschouwingen over dit apostolisch woord, ontving hij van een vriend te Maagdenburg een brief, waarin deze hem klaagde, dat hij met de zijnen in armoede moest omkomen: borgen kon en wilde hij niet, die hem iets omwille van God gaf, van die zou hij het dankbaar aannemen. “Vanwaar nu iets te krijgen? ” Francke dacht na en dacht weer en bad tot God, die toch kon maken, dat hij rijk werd in goede werken. Eindelijk kwam hem in de gedachte, dat hij zonder een ander lastig te vallen, die man uit zijn nood zou kunnen helpen. Het kwam hem in de gedachte een boek te schrijven en de opbrengst daarvan te besteden voor zijn hulpbehoevenden vriend. Hij ontzegde zich nu een tijdlang zijn avondeten en schreef in de avonduren, zijn “opmerkingen over de bijbel”, liet het geschrift op eigen kosten drukken en gaf de gehele opbrengst, die omstreeks 150 Thaler beliep, aan zijn lijdende vriend. “Toen leerde ik begrijpen”, zei hij: “hoe God kan maken, dat men rijk wordt in goede werken door eigen werkzaamheid en opoffering.
God kan niet alleen door meer vermogen te geven, maar ook door andere genadige beschikkingen: gezondheid, vrede, een vrouw echtgenoot, vrome kinderen, getrouwe dienstboden iemand veel voordeel aanbrengen. Een ander heeft geen lust om een arbeid van de liefde aan de naaste te verrichten en hij verliest door verspilzieke kinderen, ontrouwe dienstboden zoveel, dat hij daarvoor een aanzienlijk iets voor de armen zou hebben kunnen doen.
Maar die het zaad de zaaier verleent, die verleent ook brood tot voedsel en Hij zal dat zonder twijfel doen en vermenigvuldigt uw gezaaisel, zoals dat in Jes. 55: 10 wordt beloofd, zodat u rijkelijk genoeg zult kunnen uitstrooien (vs. 9) en vermeerdert ook de vruchten van uw gerechtigheid, tot een rijke opbrengst (vs. 6).
Dat u ten gevolge van zo’n groei in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, zoals ik daarover in Hoofdstuk 8: 1 vv. voor de gemeente in Macedonië mag roemen, die goeddadigheid, omdat zij het ook bij geringe uitwendige middelen niet aan weldoen laat ontbreken, door ons, die tot haar betoning aansporen, werkt dankzegging bij degenen, die ontvangen, tot God.
In vs. 10 spreekt de apostel uit als iets, dat verwacht kon worden, wat hij in vs. 8 had voorgesteld als iets, dat aan de kant van God mogelijk was; aldaar karakteriseert hij op grond van de profetie de Heere zo, dat daarin de grond ligt van de uitgesprokene verwachting. Wat God voortdurend doet op het gebied van de natuur doet het gelijksoortige verwachten in de bedeling van de genade, in de regering van Zijn gemeente. Ten eerste: zoals God de zondaar het middel geeft om uit te zaaien, zo zal Hij bij de tegenwoordige uitdeling, u geven en vermeerderen wat voor het uitzaaien, voor het weldoen wordt geëist. Ten tweede, zoals God bij het uitgestrooide zaad de groei geeft, zodat er een vrucht van voortkomt, opdat men brood te eten krijgt en in het genot daarvan het loon van de vlijt, in het uitzaaien betoond, verkrijgt, dan zal Hij het zaaien, uw weldoen, zegenen, het gewas van uw gerechtigheid laten groeien. Opmerkelijk heeft de oude kerk de afdeling vs. 6-10 ter voorlezing op de dag van de herinnering van Laurentius (10 augustus) gekozen, die diaken van paus Sixtus II, die zeer geëerd was om zijn milddadigheid en zijn onvermoeide zorg voor de armen.
In vs. 11 is een rijk worden bedoeld in volle goeddadigheid of overgave, dus een inwendige, die daartoe leidt, dat men overvloedig kan zaaien en dus ook rijke vruchten kan zien. Als het bij de Corinthiërs door verrijking van hun inwendig leven tot die eenvoudigheid van overgave komt, die de apostel in de gemeenten van Macedonië heeft kunnen roemen, dan zullen zij bij geringe middelen rijkelijker zaaien en rijkere vrucht mogen verwachten, dan anders bij overvloedige middelen. Zo’n overgave toch zal teweegbrengen, dat het komt tot hetgeen tevoren een vrucht van de gerechtigheid werd genoemd, namelijk tot dankzegging voor God.
De apostel belooft geen aardse zegen (in Hoofdstuk 8: 2 heeft hij de Macedoniërs verzekerd, dat hun diepe armoede overvloedig geweest is tot de rijkdom van hun goeddadigheid), maar dat belooft hij, dat zij door de kracht van de liefde rijk zullen zijn, alle reinheid van gezindheid, zoals nu door milddadigheid, zo ook in ieder voorkomend geval zullen tonen; tot betoning van hun reinheid door goeddadigheid zullen zij rijk zijn in alle delen, in ieder gegeven geval. Het einde van het vs. vormt de overgang tot de gedachten, die in de volgende verzen zijn uitgedrukt, dat hun milddadigheid niet maar lichamelijke hulp zou verlenen in de behoeften van de armen, maar ook de geestelijke vrucht van de dankzegging dragen als een voor de Heere welgevallige godsdienst.
Want, om nader op te helderen wat aan het einde van het vorige vers gezegd is, de bediening van deze dienst vervult niet alleen het gebrek van de heiligen te Jeruzalem, die in zo grote geldelijke nood zich bevinden onder de druk, die op het land rust (“Ac 19: 20, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God (Hand. 21: 20).
Omdat zij door de beproeving van deze bediening, waartoe wij ons eenmaal hebben verbonden (Gal. 2: 10), God verheerlijken over de onderwerping van uw belijdenis onder het Evangelie van Christus, omdat u de kennelijke blijken door uw liefdadigheid geeft, dat u het evangelie, dat niets anders dan liefde ademt, niet alleen met de mond, maar ook met het hart en de wandel belijdt. En bovendien zullen zij God danken over de goeddadigheid van de mededeling aan hen en aan allen, omdat datzelfde voor hen bevestigt, dat u in oprechtheid van liefde, zoals met hen, zo ook met alle andere lieden van de kerk gemeenschap houdt.
En tevens verheerlijken zij God door hun gebed voor u dat zij opzenden als de zodanige, die naar u verlangen om de uitnemende genade van God, die daar werkt over u, terwijl zij voor u bidden, dat God u naar Zijn genade, die zich aan u verheerlijkt, bewaren moge tot de tijd, dat de Heere Jezus alle kinderen van God zal samenbrengen (Joh. 11: 52).
Om het gewicht, dat Paulus op deze gehele zaak legt, af te meten, moeten wij ons herinneren, dat het de arme, zwaar beproefde heiligen te Jeruzalem waren, die door de dienst van de gemeenten uit de heidenen vergaderd, tot verheerlijking van God werden opgewekt. In het Joodse land neigde de dag van het Evangelie naar de nacht en de kleine schare van Christenen had een harde strijd, om haar vertrouwen niet te verliezen (Hebr. 10: 35). Toen werd hun de gave van deze inzameling uit de landen van de volken in de verte tot een teken, dat de Heere toch Zijn heilig volk vergaderde en Zijn heilige stad bouwde, terwijl het volk van het vleselijk Israël tot een Lo Ammi (niet volk), de aardse stad Jeruzalem tot een stad van onvrede en toorn werd (vgl. het meegedeelde in Aanh. II No. 1 over de tijd van de regering van Felix). Kurie eleison, maar toch ook een Halleluja zongen zij.
Niet alleen moesten de arme Christenen uit Palestina worden ondersteund, maar God moest door de liefde geprezen worden en voorts moesten de Christenen uit de Joden tot de overtuiging gebracht worden, dat ook de gelovige heidenen hun broeders in Christus waren, er een innige liefde tot hen en al de Joodse gemeenten verwekt werd. (V.).
Paulus wilde de Christenen uit de Joden te Jeruzalem, die steeds met wantrouwen tegen de Christenen uit de heidenen vervuld waren, een duidelijk bewijs geven van de vrucht van hun bekering, hen noodzaken de werkzaamheden van de Geest van God ook onder de Christenen uit de heidenen te erkennen en zo wilde hij zijn werkzaamheid in het Oosten op een waardige manier daarmee besluiten, dat hij een nauwere band van Christelijke gemeenschap tussen de gelovigen onder de Joden en onder de heidenen teweeg bracht.
Maar Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave in Christus Jezus, onze Heere (Joh. 4: 10. Rom. 5: 15. Hebr. 6: 4).
Met deze uitroep sluit de apostel de beide hoofdstukken over de collecte. Gods genade het begin (Hoofdstuk 8: 1), Gods gave het einde!
Nadat Paulus van de gaven van de gelovigen, die zij in de dienst van God hun en de broeders brengen, zo lang gesproken heeft, herinnert hij nu nog met een treffende, opmerkelijke kortheid hoe God ons met geven is voorgegaan door het geschenk van de zaligheid, die ons in Christus is geworden. Deze is de waarlijk onuitsprekelijke gave, waaruit al ons geven als uit de enige diepste wortel voortspruit. Hieraan moeten wij denken, wanneer en waar wij iets geven; hiermee wil de apostel tenslotte bij zijn lezers aandringen en hij vreest niet, dat deze herinnering vanwege haar kortheid niet zal worden verstaan.
De lezers worden hier herinnerd, dat de onuitsprekelijke gave, die zij van God hebben ontvangen, hen verplicht tot gewillige overgave van hetgeen in vergelijking daarmee zo bitter klein is en dat hij nu van hen verwacht.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel