Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
BeginnenG756 wij onszelvenG1438 wederomG3825 u aan te prijzenG4921? Of behoevenG5535 wij ook, gelijkG5613 sommigenG5100, brievenG1992 van voorschrijvingG4956 aanG4314 uG4771, of brieven van voorschrijvingG4956 van uG4771?
Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
Do we begin1
again2
to commend4
ourselves?3
or
need we,11
as12
some13
others, epistles15
of commendation14
to16
you,
or8
letters of commendation21
from19
you?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
GijliedenG4771 zijtG1510 onze briefG1992, geschrevenG1449 inG1722 onze hartenG2588, bekendG1097 enG2532 gelezenG314 vanG5259 alleG3956 mensenG444;
Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;
KJV
Ye
are
our
epistle2
written6
in7
our
hearts,9
known11
and12
read13
of14
all15
men:16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Als die openbaarG5319 zijt geworden, datG3754 gij een briefG1992 vanG5259 ChristusG5547 zijt, en door onzen dienstG1247 bereid, die geschrevenG1449 is nietG3756 met inktG3188, maarG235 door den GeestG4151 des levendenG2198 GodsG2316, nietG3756 inG1722 stenenG3035 tafelenG4109, maarG235 inG1722 vlezenG4560 tafelenG4109 des hartenG2588.
Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.
KJV
Forasmuch as ye are manifestly declared1
to2
be
the epistle4
of Christ5
ministered6
by7
us,
written9
not10
with ink,11
but12
with the Spirit13
of the living15
God;14
not16
in17
tables18
of stone,19
but20
in21
fleshy24
tables22
of the heart.23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG1161 zodanigG5108 een vertrouwenG4006 hebbenG2192 wij doorG1223 ChristusG5547 bijG4314 GodG2316.
En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.
KJV
And2
such3
trust1
have we4
through5
Christ7
to8
God-ward:10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
NietG3756 datG3754 wij vanG575 onszelvenG1438 bekwaamG2425 zijnG1510 ietsG5100 te denkenG3049, alsG5613 uitG1537 onszelvenG1438; maarG235 onze bekwaamheidG2426 is uitG1537 GodG2316;
Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
KJV
Not1
that2
we are
sufficient3
of5
ourselves6
to think7
any thing8
as9
of10
ourselves;11
but12
our
sufficiency14
is of16
God;18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DieG3739 ons ookG2532 bekwaamG2427 gemaakt heeft, om te zijn dienaarsG1249 des NieuwenG2537 TestamentsG1242, nietG3756 der letterG1121, maar des GeestesG4151; wantG1063 de letterG1121 doodtG615, maar de GeestG4151 maakt levendG2227.
Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
KJV
Who1
also2
hath made3
➔ us
able
ministers5
of the new6
testament;7
not8
of the letter,9
but10
of the spirit:11
for13
the letter14
killeth,15
but17
the spirit18
giveth life.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En indienG1487 de bedieningG1248 des doodsG2288 inG1722 letterenG1121 bestaande, en in stenenG3037 ingedruktG1795, in heerlijkheidG1391 is geweestG1096, alzo dat de kinderenG5207 IsraelsG2474 het aangezichtG1519 van MozesG3475 nietG3361 kondenG1410 sterk aanzienG816, omG1223 de heerlijkheidG1391 zijns aangezichtsG4383, die te niet gedaan zou worden,
En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,
KJV
But2
if1
the ministration4
of death,6
written7
and engraven9
in10
stones,11
was12
glorious,13
so15
that the children20
of Israel21
could17
not16
stedfastly behold18
the face22
of Moses25
for26
the glory14
of his31
countenance;24
which3
glory was to be done away:33
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
HoeG4459 zal niet veelG3123 meer de bedieningG1248 des GeestesG4151 inG1722 heerlijkheidG1391 zijnG1510?
Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?
KJV
How1
shall5
➔ not2
the ministration
of the spirit7
be
rather3
glorious?10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 indienG1487 de bedieningG1248 der verdoemenisG2633 heerlijkheidG1391 geweest is, veelG4183 meer is de bedieningG1248 der rechtvaardigheidG1343 overvloedigG4052 inG1722 heerlijkheidG1391.
Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
KJV
For2
if1
the ministration4
of condemnation6
be glory,7
much8
more9
doth the ministration12
of righteousness14
exceed10
in15
glory.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 ookG2532 het verheerlijkteG1392 is zelfsG3761 niet verheerlijktG1392 inG1722 dezenG5129 deleG3313, ten aanzienG1752 van dezeG3778 uitnemendeG5235 heerlijkheidG1391.
Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.
KJV
For2
even1
that which was made glorious4
had no3
glory6
in7
this
respect,10
by reason11
of the glory14
that excelleth.13
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 indienG1487 hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheidG1391 was, veelG4183 meer is hetgeen blijftG3306, inG1722 heerlijkheidG1391.
Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.
KJV
For2
if1
that which is done away4
was glorious,5
much7
more8
that which remaineth10
is glorious.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Dewijl wij dan zodanigeG5108 hoopG1680 hebbenG2192, zo gebruikenG5530 wij veleG4183 vrijmoedigheidG3954 in het spreken;
Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;
KJV
Seeing then2
that we have1
such3
hope,4
we use7
great5
plainness of speech:6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 doen nietG3756 gelijkerwijsG2509 MozesG3475, die een dekselG2571 op zijn aangezichtG4383 legdeG5087, opdat de kinderenG5207 IsraelsG2474 nietG3361 zouden sterk zienG816 op het eindeG5056 van hetgeen te niet gedaan wordt.
En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And1
not2
as3
Moses,4
which put5
a vail6
over7
his10
face,9
that11
the children16
of Israel17
could14
➔ not13
stedfastly look
to18
the end20
of that which is abolished:22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG235 hunG846 zinnenG3540 zijn verhardG4456 geworden; wantG1063 totG1909 op den dag van hedenG4594 blijftG3306 hetzelfde dekselG2571 in het lezenG320 des OudenG3820 TestamentsG1242, zonder ontdektG343 te worden, hetwelkG3739 doorG1722 ChristusG5547 te nietG3361 gedaan wordt.
Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.
KJV
But1
their5
minds4
were blinded:2
for7
until6
this day9
remaineth19
the same11
vail12
untaken20
away21
in13
the reading15
of the old17
testament;18
which
vail is done away26
in24
Christ.25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG235 tot den huidigenG4594 dag toe, wanneer MozesG3475 gelezenG314 wordt, ligtG2749 een dekselG2571 opG1909 hunG846 hartG2588.
Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
KJV
But1
even2
unto this day,3
when4
Moses6
is read,5
the vail7
is upon12
their11
heart.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DochG1161 zo wanneer het totG4314 den HeereG2962 zal bekeerdG1994 zijn, zo wordt het dekselG2571 weggenomenG4014.
Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
KJV
Nevertheless2
when1
it3
shall turn4
to5
the Lord,6
the vail9
shall be taken away.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De HeereG2962 nuG1161 is de GeestG4151; enG1161 waar de GeestG4151 des HeerenG2962 is, aldaar is vrijheidG1657.
De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.
KJV
Now2
the Lord3
is
that Spirit:5
and8
where7
the Spirit10
of the Lord11
is, there12
is liberty.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG1161 wij allenG3956, met ongedektenG343 aangezichteG4383 de heerlijkheidG1391 des HeerenG2962 als in een spiegel aanschouwendeG2734, worden naar hetzelfde beeldG1504 in gedaante veranderdG3339, vanG575 heerlijkheidG1391 totG1519 heerlijkheidG1391, als vanG575 des HeerenG2962 GeestG4151.
En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
KJV
But2
we
all,3
with open4
face5
beholding as in a glass9
the glory7
of the Lord,8
are changed13
into the same11
image12
from14
glory15
to16
glory,17
even as18
by19
the Spirit21
of the Lord.20
wij onszelven wederom
De apostel spreekt hier in het getal vna velen, omdat deze brief niet alleen in zijnen naam, maar ook in den naam van Timotheus is geschreven. Zie 2 Kor. 1:1 .
Hertaald:
wij onszelven wederom
De apostel spreekt hier in het meervoud, omdat deze brief niet alleen in zijn naam, maar ook in de naam van Timotheüs geschreven is. Zie 2 Kor. 1:1.
u aan te
Gr. aanbevelen.
Hertaald:
u aan te
Grieks: aanbevelen.
brieven van
Of, aanbevelingen, om ons en onzen dienst bij u en anderne aangenaam te maken.
Hertaald:
brieven van
Of: aanbevelingen, om ons en onze dienst bij u en bij anderen aangenaam te maken.
Gijlieden zijt onze
Dat is, uwe bekering en andere zonderlinge gaven, die door onzen dienst onder u zijn teweeg gebracht, zijn getuigen van de waardigheid van onzen dienst, zowel bij u als bij anderen; gelijk in vs.3 verklaard wordt.
Hertaald:
Gijlieden zijt onze
Dat is: uw bekering en de andere bijzondere gaven, die door onze dienst onder u tot stand gebracht zijn, getuigen van de waardigheid van onze dienst, zowel bij u als bij anderen, zoals in vers 3 verklaard wordt.
geschreven in onze
Dit zegt de apostel vanwege de liefde, die hij met Timotheus en Silvanus hun toedroeg, en de achting waarin zij bij hen waren.
Hertaald:
geschreven in onze
Dit zegt de apostel vanwege de liefde die hij samen met Timotheüs en Silvanus voor hen had, en de achting waarin zij bij hen stonden.
van alle mensen;
Namelijk die uwe bekering en gaven aanmerken en verstaan.
Hertaald:
van alle mensen;
Namelijk zij die uw bekering en gaven opmerken en begrijpen.
en door onzen dienst
Gr. door ons bediend geworden.
Hertaald:
en door onzen dienst
Grieks: door ons bediend.
met inkt,
Namelijk gelijk men andere brieven pleegt te schrijven.
Hertaald:
met inkt,
Namelijk zoals men andere brieven gewoonlijk schrijft.
des levenden Gods,
Dat is, die niet alleen zelf het leven heeft, maar ook hetzelve mededeelt degenen, in wie Hij door Zijnen Geest werkt en Zijne wetten inschrijft; Jer. 31:33 ; Hebr. 8:10 .
Hertaald:
des levenden Gods,
Dat is: Die niet alleen Zelf het leven heeft, maar het ook meedeelt aan hen in wie Hij door Zijn Geest werkt en Zijn wetten inschrijft; Jer. 31:33; Hebr. 8:10.
in stenen tafelen,
Paulus ziet hier op het schrijven der wet Gods in de twee tafelen des verbonds, Ex. 24:12 , welk uiterlijk inschrijven de harten der verdorven mensen niet kon bekeren. Zie Rom. 8:3 ; Gal. 3:21 .
Hertaald:
in stenen tafelen,
Paulus ziet hier op het schrijven van Gods wet op de twee tafelen van het verbond, Ex. 24:12. Dat uiterlijke inschrijven kon de harten van de verdorven mensen niet bekeren. Zie Rom. 8:3; Gal. 3:21.
in vlesen tafelen des harten
Hierdoor wordt niet verstaan hetgeen vlees of vleselijk, dat is, verdorven in Gods Woord menigmaal genaamd wordt, maar wordt hier genomen voor harten, die door Gods Geest zijn bekwaam gemaakt en vernieuwd om het woord des Evangelies met het geloof aan te nemen, gelijk Ezech. 36:26 , en gelijk de goede aarde, waarvan Christus spreekt Matt. 13:23 , waarom de apostel ook zegt in het Grieks sarkinais, niet sarkikais.
Hertaald:
in vlesen tafelen des harten
Hiermee wordt niet bedoeld wat in Gods Woord dikwijls vlees of vleselijk genoemd wordt, dat is: verdorven. Het woord staat hier voor harten die door Gods Geest geschikt gemaakt en vernieuwd zijn om het woord van het Evangelie met het geloof aan te nemen, zoals in Ezech. 36:26, en zoals de goede aarde waarover Christus spreekt in Matth. 13:23. Daarom zegt de apostel in het Grieks ook sarkinais en niet sarkikais.
zodanig een vertrouwen
Namelijk van de kracht en van de vruchten van onzen dienst onder u.
Hertaald:
zodanig een vertrouwen
Namelijk over de kracht en de vruchten van onze dienst onder u.
van onszelven bekwaam
Dat is, door onze eigen wijsheid of natuurlijke scherpzinnigheid.
Hertaald:
van onszelven bekwaam
Dat is: door onze eigen wijsheid of natuurlijke scherpzinnigheid.
te denken
Of, te bedenken; namelijk dat bekwaam zou zijn om de harten van de mensen te bekeren, of om ons en anderen tot zaligheid te brengen. Zie Joh. 15:4-5 ; Fil. 2:13 .
Hertaald:
te denken
Of: te bedenken; namelijk iets dat geschikt zou zijn om de harten van de mensen te bekeren, of om ons en anderen tot zaligheid te brengen. Zie Joh. 15:4-5; Filipp. 2:13.
nieuwen Testaments,
Of verbonds. Alzo wordt genaamd het verbond der genade, in hetwelk God Zijn volk belooft de vergeving der zonden en de rechtvaardigheid door het geloof in Christus, mitsgaders ook de vernieuwing door den Heiligen Geest, wiens kracht zich in de predikatie des Evangelies aan de harten der uitverkorenen openbaart, gelijk beloofd wordt Jer. 31:31 ; Ezech. 36:25 ; waarom ook het Evangelie een dienst des Geestes en des levens, vs.6, 8, en der rechtvaardigheid, vs.9, wordt genaamd.
Hertaald:
nieuwen Testaments,
Of: verbond. Zo wordt het verbond van de genade genoemd, waarin God Zijn volk de vergeving van de zonden belooft en de rechtvaardigheid door het geloof in Christus, en ook de vernieuwing door de Heilige Geest. Diens kracht openbaart zich in de prediking van het Evangelie aan de harten van de uitverkorenen, zoals beloofd wordt in Jer. 31:31; Ezech. 36:25. Daarom wordt het Evangelie ook een dienst van de Geest en van het leven genoemd, vers 6 en 8, en een dienst van de rechtvaardigheid, vers 9.
der letter, maar
Dat is, des verbonds van de wet, hetwelk letter genaamd wordt, omdat de wet alleen met letteren in stenen tafelen geschreven is; gelijk in vs.7 verklaard wordt.
Hertaald:
der letter, maar
Dat is: van het verbond van de wet. Dat wordt letter genoemd, omdat de wet alleen met letters op stenen tafelen geschreven is, zoals in vers 7 verklaard wordt.
des Geestes; want de
Dat is, van de leer en de predikatie van het Evangelie, waardoor de Heilige Geest het geloof in ons werkt. Zie Hand. 16:14 ; Gal. 3:2-3 , enz.
Hertaald:
des Geestes; want de
Dat is: van de leer en de prediking van het Evangelie, waardoor de Heilige Geest het geloof in ons werkt. Zie Hand. 16:14; Gal. 3:2-3, enzovoort.
doodt, maar de Geest
Namelijk omdat de wet, hoewel zij den weg tot het leven aanwijst, den verdorven mens de kracht niet toebrengt om die te onderhouden, noch gene beloften om den overtreder de zonden te vergeven, maar vervloekt een iegelijk, die niet blijft in al wat er geschreven is, Gal. 3:10 , en overtuigt ons van onze overtreding en dienvolgens dat wij den dood, die den overtreders wordt gedreigd, waardig en denzelven onderworpen zijn; Rom. 7:7 , enz. Waarom ook dezelve ene bediening der verdoemenis genaamd wordt, vs.9. Zie hiervan breder Rom. 8:2-4 , en Rom. 10:3-5 ; Gal. 3:5 , enz., en Gal. 4:21 , enz; Hebr. 8:6 , enz., waar de apostel het onderscheid van deze twee verbonden nader verklaart.
Hertaald:
doodt, maar de Geest
Namelijk omdat de wet wel de weg tot het leven aanwijst, maar de verdorven mens niet de kracht geeft om die weg te houden. Zij geeft ook geen beloften om de overtreder de zonden te vergeven, maar vervloekt ieder die niet blijft in alles wat er geschreven is, Gal. 3:10. Zij overtuigt ons van onze overtreding en daarmee ook ervan dat wij de dood, die de overtreders gedreigd wordt, waard zijn en eraan onderworpen zijn; Rom. 7:7, enzovoort. Daarom wordt zij ook een dienst van de verdoemenis genoemd, vers 9. Zie hierover uitvoeriger Rom. 8:2-4 en Rom. 10:3-5; Gal. 3:5, enzovoort, en Gal. 4:21, enzovoort; Hebr. 8:6, enzovoort, waar de apostel het verschil tussen deze twee verbonden nader verklaart.
maakt levend
Dat is, het Evangelie wijst niet alleen aan den weg tot het leven en de zaligheid, door het geloof in Jezus Christus, maar is ook vergezelschapt met de kracht des Heiligen Geestes, waardoor het geloof in de uitverkorenen gewrocht en bewaard wordt, en zij uit den dood der zonden opgewekt en levend gemaakt worden.
Hertaald:
maakt levend
Dat is: het Evangelie wijst niet alleen de weg tot het leven en de zaligheid aan, door het geloof in Jezus Christus, maar het gaat ook gepaard met de kracht van de Heilige Geest. Daardoor wordt het geloof in de uitverkorenen gewerkt en bewaard, en worden zij uit de dood van de zonden opgewekt en levend gemaakt.
om de heerlijkheid zijns
Namelijk heerlijkheid des aangezichts van Mozes, welke, gelijk zij teniet gedaan is, ook een voorbeeld is geweest dat de wet, door hem gegeven, ook zou afgedaan worden. Zie de geschiedenis hiervan Ex. 34:30 , en vervolgens, welke de apostel duidt als een voorbeeld op de leer van Mozes, in schaduwen en rechtvaardigmakingen der wet bestaande.
Hertaald:
om de heerlijkheid zijns
Namelijk de heerlijkheid van het aangezicht van Mozes. Zoals die verdween, zo was zij ook een voorbeeld ervan dat de wet, die door hem gegeven is, zou worden afgeschaft. Zie de geschiedenis hiervan in Ex. 34:30 en verder. De apostel legt die uit als een voorbeeld dat wijst op de leer van Mozes, die bestond in schaduwen en in inzettingen van de wet.
die teniet gedaan zou
Dit zegt de apostel van de wet van Mozes, niet alleen ten aanzien van de ceremoniën, die maar tot Christus' komst zouden duren, maar ook ten aanzien van de wet der tien geboden, aangaande den vloek, welken zij den overtreders dreigt, en de rechtvaardigmaking, die den daders der wet wordt beloofd; in welke beide leden zij door Christus' dood en gehoorzaamheid moest teniet gedaan worden. Zie vs.11.
Hertaald:
die teniet gedaan zou
Dit zegt de apostel over de wet van Mozes, niet alleen met het oog op de ceremoniën, die maar tot de komst van Christus zouden duren, maar ook met het oog op de wet van de tien geboden. Dat laatste betreft de vloek die zij de overtreders dreigt en de rechtvaardiging die zij aan de daders van de wet belooft. In die beide opzichten moest zij door de dood en de gehoorzaamheid van Christus tenietgedaan worden. Zie vers 11.
des Geestes in
Zie vs.6, 9.
Hertaald:
des Geestes in
Zie vers 6 en 9.
der rechtvaardigheid
Dat is, der rechtvaardigmaking, die alleszins gesteld wordt tegen verdoemenis. Zie Rom. 8:33-34 .
Hertaald:
der rechtvaardigheid
Dat is: van de rechtvaardiging, die in alle opzichten tegenover de verdoemenis staat. Zie Rom. 8:33-34.
het verheerlijkte is
Dat is, de wet, die, in zichzelve aangezien, een bijzondere heerlijkheid heeft en met heerlijkheid den volke Israels gegeven is.
Hertaald:
het verheerlijkte is
Dat is: de wet, die in zichzelf een bijzondere heerlijkheid heeft en met heerlijkheid aan het volk Israël gegeven is.
ten aanzien van deze
Dat is, vergeleken met de uitnemende heerlijkheid van het woord des Evangelies en zijne kracht in onze harten.
Hertaald:
ten aanzien van deze
Dat is: vergeleken met de uitnemende heerlijkheid van het woord van het Evangelie en met zijn kracht in onze harten.
hetgeen blijft
Namelijk het Evangelie dat blijven zal, zonder aan verandering onderworpen te zijn, totdat Christus zal komen om te oordelen; Matt. 28:19-20 ; 1 Kor. 11:26 ; Openb. 2:25 .
Hertaald:
hetgeen blijft
Namelijk het Evangelie, dat blijven zal zonder aan verandering onderworpen te zijn, totdat Christus zal komen om te oordelen; Matth. 28:19-20; 1 Kor. 11:26; Openb. 2:25.
vrijmoedigheid in het spreken
Namelijk gevoegd met klaarheid, gelijk dit ook genomen wordt Marc. 8:32 ; Joh. 10:24 , en Joh. 16:29 .
Hertaald:
vrijmoedigheid in het spreken
Namelijk samen met helderheid, zoals dit ook opgevat wordt in Mark. 8:32; Joh. 10:24 en Joh. 16:29.
opdat de kinderen Israëls
Met deze woorden wordt eigenlijk Mozes' mening in het dekken zijns aangezichts niet verklaard, waarvan te lezen is Ex. 34:33 , maar het oogmerk van Gods voorzienigheid, die dit tot zulk een einde heeft gericht, en hier laten verklaren.
Hertaald:
opdat de kinderen Israëls
Met deze woorden wordt niet zozeer verklaard wat Mozes bedoelde met het bedekken van zijn aangezicht, waarover te lezen is in Ex. 34:33, maar het doel van Gods voorzienigheid, Die dit op zulk een einde gericht heeft en het hier laat verklaren.
op het einde van hetgeen
Dat is, den binnensten grond, of het doel en oogmerk der wet en der ceremoniën, die op Christus en Zijne rechtvaardigheid haar oogmerk hadden. Want de gehele wet was een leidsman tot Christus, Gal. 3:24 . Hetwelk het merendeel der Joden niet verstonden, maar wilden buiten Christus in de gehoorzaamheid van de wet, zo der zeden als der ceremoniën, hunne rechtvaardigheid zoeken. En dit is het deksel, waar de apostel van spreekt.
Hertaald:
op het einde van hetgeen
Dat is: de diepste grond, of het doel en de bedoeling van de wet en van de ceremoniën, die gericht waren op Christus en Zijn rechtvaardigheid. Want de hele wet was een leidsman tot Christus, Gal. 3:24. Dat begrepen de meeste Joden niet; zij wilden buiten Christus hun rechtvaardigheid zoeken in de gehoorzaamheid aan de wet, zowel de zedelijke als de ceremoniële. En dat is het deksel waarover de apostel spreekt.
verhard geworden;
Namelijk door een rechtvaardig oordeel Gods in dit hun gevoelen van de wet van Mozes.
Hertaald:
verhard geworden;
Namelijk door een rechtvaardig oordeel van God in dit denken van hen over de wet van Mozes.
hetzelfde deksel
Dat is, hetzelfde verkeerde verstand, dat hun de wet gegeven was om door haar gerechtvaardigd en geheiligd te worden. Zie Rom. 10:3 .
Hertaald:
hetzelfde deksel
Dat is: hetzelfde verkeerde inzicht, alsof de wet hun gegeven was om door haar gerechtvaardigd en geheiligd te worden. Zie Rom. 10:3.
hetwelk door Christus
Namelijk deksel teniet gedaan wordt door de kennis en den Geest van Christus, wanneer zij tot Christus bekeerd zullen zijn, gelijk vs.16 verklaard wordt. Want alsdan worden zij, gelijk ook wij, tot het recht verstand der wet gebracht, en in hunne harten overtuigd, dat de wet tot dien einde niet is gegeven, maar dat zij de rechtvaardigheid buiten haar in Christus door het geloof moeten zoeken. Zie Rom. 10:4 ; Gal. 3:21 , enz.
Hertaald:
hetwelk door Christus
Namelijk dat het deksel tenietgedaan wordt door de kennis en de Geest van Christus, wanneer zij tot Christus bekeerd zullen zijn, zoals vers 16 verklaart. Want dan worden zij, zoals ook wij, tot het juiste inzicht in de wet gebracht en in hun harten ervan overtuigd dat de wet niet met dat doel gegeven is, maar dat zij de rechtvaardigheid buiten de wet moeten zoeken, in Christus en door het geloof. Zie Rom. 10:4; Gal. 3:21, enzovoort.
De Heere nu is
Dat is, Jezus Christus is de levendmakende Geest, die door de kracht zijns Heiligen Geestes en door de predikatie des heiligen Evangelies het deksel wegneemt, en de harten krachtig tot God bekeert. Of, de Heilige Geest is de Heere, door wien wij bekeerd en in vrijheid gesteld worden, alzo Hij door Zijn goddelijke kracht en door de leer des Evangelies, die ene bediening des Geestes is, vs.8, zulks in ons werkt, en daartoe van den Heere Christus gezonden wordt, waarom Hij ook de Geest des Heeren genaamd wordt, vs.17,18. Of, Christus is het geestelijk wezen, en gelijk als de ziel van de ceremoniën der wet; gelijk dit woord Geest ook genomen wordt Joh. 6:63 . Of, de Heere, die onze harten tot Christus bekeert en dit deksel wegneemt, is de Heilige Geest. Of, de leer des Evangelies van den Heere Christus, is de geest, die tegen de letter gesteld wordt, vs.6.
Hertaald:
De Heere nu is
Dat is: Jezus Christus is de levendmakende Geest, Die door de kracht van Zijn Heilige Geest en door de prediking van het heilige Evangelie het deksel wegneemt en de harten krachtig tot God bekeert. Of: de Heilige Geest is de Heere, door Wie wij bekeerd en in vrijheid gesteld worden. Hij werkt dit in ons door Zijn goddelijke kracht en door de leer van het Evangelie, die een dienst van de Geest is, vers 8, en Hij wordt daartoe door de Heere Christus gezonden; daarom wordt Hij ook de Geest van de Heere genoemd, vers 17 en 18. Of: Christus is het geestelijke wezen en als het ware de ziel van de ceremoniën van de wet, zoals dit woord Geest ook opgevat wordt in Joh. 6:63. Of: de Heere Die onze harten tot Christus bekeert en dit deksel wegneemt, is de Heilige Geest. Of: de leer van het Evangelie van de Heere Christus is de geest, die tegenover de letter gesteld wordt, vers 6.
aldaar is vrijheid
Namelijk van het deksel der onwetendheid, van het juk der wet en slavernij der zonde en des doods; Rom. 8:15-16 ; Gal. 4:7 .
Hertaald:
aldaar is vrijheid
Namelijk vrijheid van het deksel van de onwetendheid, van het juk van de wet en van de slavernij van de zonde en de dood; Rom. 8:15-16; Gal. 4:7.
wij allen,
Namelijk die dezen Geest des Heeren ontvangen hebben.
Hertaald:
wij allen,
Namelijk wij die deze Geest van de Heere ontvangen hebben.
met ongedekten aangezichte
Hier ziet de apostel wederom op het voorbeeld van Mozes, die het deksel van zijn aangezicht deed, als hij voor den Heere zelf verscheen, en door dit aanschouwen van God in Zijn aangezicht verheerlijkt werd; alzo ook, zegt hij, hebben wij een vrijmoedigen toegang tot God door het Evangelie, hetwelk is als een klare spiegel, waarin Gods heerlijk aanschijn van onszelven wordt gezien, en wij naar hetzelfde beeld Gods in ons gemoed meer en meer vernieuwd en verheerlijkt worden.
Hertaald:
met ongedekten aangezichte
Hier ziet de apostel opnieuw op het voorbeeld van Mozes, die het deksel van zijn aangezicht wegnam wanneer hij voor de Heere Zelf verscheen, en die door dit aanschouwen van God in Zijn aangezicht verheerlijkt werd. Zo hebben ook wij, zegt hij, een vrijmoedige toegang tot God door het Evangelie. Dat is als een heldere spiegel, waarin wij het heerlijke aangezicht van God zien, en waardoor wij naar hetzelfde beeld van God in ons gemoed meer en meer vernieuwd en verheerlijkt worden.
als van des Heeren Geest
Of, als van den Heere den Geest, dat is, van den Geest, die de Heere is, namelijk eenswezens met den Vader en met den Zoon.
Hertaald:
als van des Heeren Geest
Of: als van de Heere, de Geest, dat is: van de Geest Die de Heere is, namelijk één van wezen met de Vader en met de Zoon. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Paulus noemt zichzelf en zijn medearbeiders "bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend" (2 Kor. 3:6). Zelfs de bediening van Mozes, "in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt", droeg zo'n heerlijkheid dat Israël het verblindende aangezicht van Mozes niet kon aanzien (2 Kor. 3:7). Hoeveel te meer zal dan de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn (2 Kor. 3:8)? "De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor. 3:17), en de gelovige wordt, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren aanschouwend, "naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor. 3:18). Bijbelse betekenis: Dit is geen geringschatting van de wet zelf, want die was heerlijk in haar tijd. Het gaat om een bediening die alleen eist zonder de kracht te geven om te gehoorzamen: de letter velt het oordeel, maar de Geest werkt de vernieuwing die de wet eiste. Het Nieuwe Verbond is dus geen strengere of lossere wet, maar een andere bediening: niet buiten op steen, maar van binnenuit, door de inwonende Geest. Typologie: Dit vervult de belofte van Jer. 31:33: "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven", en van Ezech. 36:26: "Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u." 2 Kor. 3:6-8,17-18; Jer. 31:33; Ezech. 36:26 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus vergelijkt zijn dienst met die van Mozes, en hij grijpt daarvoor terug op een detail uit Exodus 34: toen Mozes van de berg kwam glansde zijn gezicht zo, dat hij een deksel voordeed omdat het volk het niet kon aanzien. Wat Mozes bedekte, wordt in Christus onbedekt gezien. En het deksel blijkt niet over de tekst te liggen maar over het hart van wie leest. De vergelijking begint eerlijk: als de dienst der verdoemenis in heerlijkheid was, hoeveel meer de dienst der rechtvaardigheid. De wet was niet gering; zij glansde. Maar Paulus voegt eraan toe wat die glans was — iets dat tenietgedaan zou worden. Dan volgt de wending die alles verklaart: hun zinnen zijn verhard, en tot op den dag van heden blijft datzelfde deksel liggen bij het lezen van het Oude Testament. Het deksel is dus verplaatst. In Exodus lag het op het gezicht van Mozes; hier ligt het op het hart van wie leest. De letters zijn niet het probleem. En dan de belofte, kort en zonder voorwaarde vooraf: doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. Er staat niet dat men beter moet leren lezen. Het slot van het hoofdstuk is een van de mooiste zinnen die Paulus geschreven heeft: en wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid. De kanttekening wijst aan waar dat beeld vandaan komt: hier ziet de apostel opnieuw op het voorbeeld van Mozes, die het deksel wegnam wanneer hij voor de Heere zelf verscheen, en die door dat aanschouwen verheerlijkt werd. Zo hebben ook wij, zegt zij, een vrijmoedige toegang tot God. De verandering die genoemd wordt gaat dus niet buiten het kijken om. Wie aanschouwt, verandert — en het gaat van heerlijkheid tot heerlijkheid, dus stap voor stap en niet in één keer. Bij het slotwoord geeft de kanttekening nog een lezing die het gewicht ervan laat zien: als van de Heere, de Geest, dat is van de Geest Die de Heere is, één van wezen met de Vader en met de Zoon. In het Nieuwe Testament: Exodus 34:29-35; Lukas 24:44-45; Romeinen 11:25-26; 1 Johannes 3:2
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wij allen… worden van gedaante veranderd… door de Geest van de Heere. 2 Korinthe 3:18 Heb je je ooit afgevraagd hoe het zou zijn om beroemd te zijn,… Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naarhetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid. 2… Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. GALATEN 6:1 Als we kinderen van God zijn, dan zijn… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Korinthe 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het deksel wordt weggenomen — 3:7-18
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een bekeerde man?
Een blik op Christus
Leven voorbij onszelf


2 Korinthe 3
2 Korinthe 3:17
KruisverwijzingenRomeinen 8:2→Galaten 4:6→Johannes 8:32→Galaten 5:13→Romeinen 8:15→2 Timotheüs 1:7→Jesaja 61:1→Psalmen 51:12→— De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.
“De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.” Burgerlijke en politieke vrijheden zijn grote en kostbare vrijheden. Maar de vrijheid waarvan deze tekst spreekt, is een oneindig grotere en betere. Er is een vrijheid die alleen christenen genieten: geestelijke vrijheid, daar waar de Geest van de Heere is. Wat houdt dit in? Ten eerste houdt het in dat er een tijd was waarin wij deze geestelijke vrijheid niet hadden, toen wij slaven waren. Wij allen die nu vrij zijn in Christus Jezus, waren slaven van de duivel; wij werden gevangen gehouden door zijn wil. Wij beroemden ons erop dat wij konden doen wat ons goeddunkte, maar het was slechts een ingebeelde vrijheid. Onze vrijheid is dus een vrijheid van de slavernij van de zonde; van alle slavernij in deze wereld is geen erger dan de slavernij aan de zonde.
Ten tweede is onze vrijheid ook een vrijheid van de straf op de zonde. De eeuwige dood, eindeloze pijniging, is de droevige straf op de zonde. Wij zijn niet alleen vergeven, maar wij kunnen ook nooit meer gestraft worden om onze zonden, hoe groot en gruwelijk zij ook geweest mogen zijn. Er is ook vrijheid van de schuld van de zonde: dit is het wonder der wonderen. Wordt een moordenaar gratie verleend, dan kan hij niet meer gestraft worden, maar hij blijft nog altijd schuldig. De christen echter is niet alleen verlost van slavernij en straf; hij is ook werkelijk vrijgesproken van schuld, zodra hij gelooft. Verder is de christen evenzeer bevrijd van de heerschappij van de zonde. De christen zondigt niet, omdat hij uit God geboren is (1 Johannes 3:9); hij leeft niet in onreinheid, omdat hij een erfgenaam van de onsterfelijkheid is. Hij is vrij van de macht van de zonde. Ook zijn wij bevrijd van de vrees voor de wet. En ten slotte zijn wij bevrijd van de vrees voor de dood en de hel. Van al zulke dingen zijn wij bevrijd.
Maar er is ook een andere kant aan deze zaak: er zijn heerlijke dingen waartoe wij vrij zijn. Ten eerste zijn wij vrij tot alles wat in de Bijbel staat. Hier is een onuitputtelijke schat, vol onbegrensde voorraden van goddelijke genade. Er is geen belofte, geen woord in de Bijbel, dat niet het onze is. In de diepten van verdrukking zal het ons troosten, te midden van golven van benauwdheid zal het ons verkwikken, en wanneer smarten ons omringen, zal het onze helper zijn. Vervolgens zijn wij vrij tot de troon der genade; wij hebben het recht te allen tijde tot Gods troon te gaan. Wij hebben het recht de hemelse stad binnen te gaan. Verder zijn wij vrij tot de tafel van de Heere. Ten slotte hebben wij de vrijheid tot de hemel.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1KruisverwijzingenHandelingen 18:27→2 Korinthe 5:12→2 Korinthe 12:11→2 Korinthe 10:12→1 Korinthe 16:3→1 Korinthe 10:33→2 Korinthe 2:17→2 Korinthe 10:8→
— Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
-Hoofdstuk 5:21. De vorige afdeling werd besloten met een eervol getuigenis, dat Paulus van zichzelf en van zijn mede-arbeiders gaf in tegenstelling met andere leraars, die zich bij de Korinthiërs hadden ingedrongen. Hij deed dit met opzet, om zich zo de weg te banen tot de rechtvaardiging van zijn handelwijze en zijn gedrag ook nog in een ander opzicht, waarin de tegenstanders hem probeerden te verlagen. Deze verweten hem namelijk, dat hij maar al te veel en meer dan betaamde, zichzelf beroemde en zich bij de Korinthiërs in een licht probeerde te plaatsen, dat anderen die wel meer ere waardig waren, bij hem moest in de schaduw plaatsen. De apostel maakt van deze gelegenheid gebruik, om zich tegen zo’n onbillijk verwijt te rechtvaardigen. Hij doet dit om de heerlijkheid van het Nieuw-Testamentische ambt tegenover die van het Oud-Testamentische, waarop zijn Judaïstische tegenstanders zich verhieven, nog eens van alle kanten in het licht te stellen en daaraan vervolgens in de volgende afdeling zeer ernstige vermaningen te voegen aan de gemeente, die door dergelijke dwaalleraars in gevaar was gebracht, wat de juiste staat van het Christelijk geloof aangaat.
a. Vs. 1KruisverwijzingenHandelingen 18:27→2 Korinthe 5:12→2 Korinthe 12:11→2 Korinthe 10:12→1 Korinthe 16:3→1 Korinthe 10:33→2 Korinthe 2:17→2 Korinthe 10:8→
— Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
-Hoofdstuk 4:6
Nadat de apostel heeft uiteengezet, dat hij volgens zijn verhouding tot de Korinthiërs noch een bijzondere aanbeveling aan hen nodig heeft, noch een zodanige door anderen, zoals zeker vreemde indringers aanbevelingsbrieven behoefden om zichzelf ingang te verschaffen, prijst hij het ambt van het Nieuwe Testament, dat hij volgens zijn roeping van God moest bedienen en waartoe God hem bekwaam heeft gemaakt. Hij verheft het in zijn veel grotere helderheid, die in vergelijking met de bediening van het Oude-Testament daaraan is verleend. Hij prijst verder hen, die zich door dat ambt hebben laten winnen, van de kant van de zaligheid hun ten deel geworden, in tegenstelling met hen, die nog aan Mozes en aan de wet hangen en wijst er nu op, op welke manier hij zijn ambt moet bedienen in onderscheiding van de valse leraars en zonder zich op het dwaalspoor te laten leiden door verkeerde toehoorders, die zichzelf ontoegankelijk maken voor de zegen van dit ambt.
Beginnen a) wij dan met hetgeen wij zo-even (Hoofdstuk 2: 17) zeiden, onszelf weer u aan te prijzen, zoals men ons om enkele uitdrukkingen in de vorige brief (1 Kor. 4: 1 vv., 15 vv., 9: 19 vv., 10: 33; 14: 18 beschuldigde? Of behoeven wij ook, zoals sommigen, die van buiten tot u komen, of van u naar buiten gaan, brieven van voorschrijving of aanbeveling aan u, of brieven van voorschrijving van u, om ons daar ingang en opname te verschaffen, waar wij willen optreden?
2 Kor. 5: 12; 10: 8.
Maar, omdat wij nu eenmaal over aanbevelingsbrieven moeten spreken, zeg ik u: Jullie zijn onze brief, geschreven in onze harten, zodat wij het vaste bewustzijn hebben, dat u de vrucht van onze arbeid bent (1 Kor. 9: 1), een brief overal als het schrift van onze hand bekend en wat zijn inhoud aangaat, namelijk uw staat van genade en zaligheid, gelezen door alle mensen (1 Kor. 9: 2. Rom. 1: 8).
Als die in hetgeen u, die tevoren heidenen was, geworden bent, openbaar bent geworden, dat u een brief van Christus bent, door Hem gemaakt en door Hem gedicteerd en door onze dienst, ons Nieuw-Testamentisch ambt bereid (vs. 6 vv.). U bent een brief, die door mij en Silvanus en Timotheüs (Hoofdstuk 1: 19) geschreven is, niet evenals een menselijke brief wat de schrijfmiddelen betreft, met pen en inkt, maar door de Geest van de levende God en niet zoals de Mozaïsche wet (vs. 7), wat het schrijfmaterieel aangaat, a) in stenen tafels, maar overeenkomstig de belofte, voor de tijd van het Nieuwe Testament gegeven, in vleselijke tafels van het hart (Jer. 31: 31 vv. Ezech. 11: 19 v. ; 36: 26 vv.).
Ex. 24: 12; 34: 1.
De apostel wist dat de tegenstanders hem beschuldigd hadden van zelfbehagen, daarom vraagt hij, of hij misschien nu weer zichzelf in zelfbehagen wilde aanbevelen, opdat daardoor dadelijk alle dergelijke uitingen zouden worden afgesneden. Tegelijk stelt hij door een tweede vraag: “of behoeven wij ook, zoals sommigen, brieven van voorschrijving aan u? ” de hoogmoedige tegenstanders in hun naaktheid voor. Deze hadden in het gevoel van het goddelijk gezag, dat hun ontbrak, zich door aanbevelingsbrieven aan de Korinthiërs en door deze aan andere gemeenten, proberen te helpen.
Hier is het eerste spoor van aanbevelingsbrieven, die in de oude kerk zo veelvuldig voorkwamen en tot waarschuwing voor bedrog door valse broeders zo noodzakelijk waren geworden (literae systaticae, formatae, communicatoriae). Deze werden aan reizende Christelijke broeders door hun bisschop aan de bisschoppen van de gemeenten, die zij bezochten, meegegeven en dienden tevens als band van broederlijke gemeenschap tussen de verschillende gemeenten en haar opzieners. De brief aan de Romeinen (Rom. 16: 1) is enigszins ook zelf zo’n aanbevelingsbrief voor Febe.
Het “zoals sommigen” is een zijdelingse beschuldiging tegen anti-Paulinische leraars, die aanbevelingsbrieven, was het ook van aanzienlijke leraars of van gemeenten, tot de Korinthiërs hadden meebracht en die weer van Korinthe bij hun verder reizen hadden medegenomen. Toch hadden zij, die ze hadden medegebracht en die er zich op beroemden om Paulus in een ongunstig licht te stellen, die wel niet van de eerste apostelen (Jakobus) en de Jeruzalemse gemeente, die onder diens leiding stond, als zodanig, maar wellicht van enige leden van de laatste (Gal. 2: 12) ontvangen.
Paulus zelf had het niet nodig aan haar, aan de gemeente, noch door haar met een brief te worden aanbevolen. Onze brief, zegt hij, bent u, een brief, die in onze harten staat geschreven, die ter kennis van alle mensen komt en door alle mensen wordt gelezen. Daarmee wijst hij op de aanbevelingsbrief, die hij en zijn ambtgenoten (Hoofdstuk 1: 19) aan de gemeente bezitten, aan de ene kant als op een zodanigen, die in zijn hart is geschreven, waar die hem het inwendige, persoonlijke vertrouwen geeft, dat hij in en buiten de gemeente iets zal vermogen en niet, zoals men anders een brief bij zich draagt, van welks voorspraak men hoopt, dat hij er toe zal dienen, dat men invloed verkrijgen zal. Aan de andere kant stelt hij die voor als zo een, die hij niet eerst van plaats tot plaats behoeft te vertonen, opdat die tot aanbeveling zou dienen, maar als een, die voor aller ogen ligt. Het eerste zegt hij in tegenstelling tot de aanbevelingsbrieven, die die anderen aan de gemeente moesten afgeven en het laatste tegenover de brieven van voorschrijving, die anderen voor de gemeente meenamen. In aansluiting van het laatste kan de apostel overgaan van hetgeen de gemeente voor hem is tot dat wat zij zelf is en wel door hem is geworden. Hij gaat hiertoe over als hij zegt, waardoor zij hem een aanbevelingsbrief voor de overigen is. Zij is het namelijk daardoor, dat duidelijk zichtbaar is wat zij is, een brief van Christus, welks vervaardiging door hem is geschied. Christus zelf heeft daardoor, dat Hij de gemeente stichtte, een brief opgesteld en de apostel heeft tot oprichting van de gemeente gedaan wat hij doet, die op papier brengt, wat een ander hem beveelt te schrijven en die nu van de gemeente hoort, die hoort ook dat zij door zijn dienst is tot stand gebracht. Daarop geeft de apostel eerst het middel aan van het tot stand brengen van deze brief, dat bestond in de goddelijke Geest, die inwendig kan werken en wel leven kan scheppen; en in de tweede plaats zegt hij waarin de brief is geschreven, namelijk in harten, dat is het meest inwendige van hen, die de gemeente uitmaken, die als een brief van Christus wordt voorgesteld.
Zij zijn een brief, die Jezus opgesteld en door de apostel heeft doen schrijven, niet met inkt en op papier, zoals de aanbevelingsbrieven van de gedachte dwaalleraars, maar die de Geest van God zelf geschreven heeft. Dit laatste woord nu geeft de Apostel aanleiding om aan beeld en denkbeeld nog een nieuwe wending te geven. Bovengemelde dwaalleraars roemden op de Mozaïsche wet en haar strenge vervulling. Paulus daarentegen stelt de Christelijke gemeente boven de Mozaïsche wet. Ook de wet was een brief van God aan de mensen, maar zij was door Gods vinger slechts in stenen tafels gegraveerd. De Christelijke gemeente daarentegen is een brief geschreven op de tafels van het hart, omdat God in het Nieuwe Verbond datgene, wat Hij beveelt, door Zijn Geest ook in de harten schrijft. Vgl. de drie hoofdbeloften Ez. 11: 19; 36: 26. Zo is dus de Korinthische gemeente een aanbevelingsbrief, die niet slechts meer betekent dan alle, die de dwaalleraars zich laten schrijven, maar die zelfs hoger staat dan de wet van God, die zij als hun hoogste aanbevelingsbrief steeds met zich omdroegen.
EPISTEL OP DE TWAALFDE ZONDAG NA TRINITATIS
In verband met het epistel van de vorige zondag (1 Kor. 15: 1 vv.) handelt deze over de heerlijkheid van het ambt van de evangelieprediking, in zoverre die de bediening van de Geest, die de gerechtigheid predikt, stelt tegenover de bediening van de letter, die de verdoemenis predikt en de bekwaamheid om het waar te nemen enkel en alleen van God afleidt. Zien wij nu in de doofstomme, van wie het Evangelie van de zondag (Mark. 7: 31 vv.) verhaalt, ons zelf, zoals wij van nature ook in geestelijke zin doof en stom zijn en onbekwaam om te horen en te spreken, totdat het wonderbare Effatha ons mond en oren opent, dan is het Evangelie een praktische tegenhanger van ons epistel.
De doofstomme, die niet hoorde noch sprak, is Paulus en zijn met hem allen, die de bediening van het Nieuwe Testament hebben. De Kerk ziet, met dit Evangelie als tekst te kiezen, op de bedienaren van het heilig ambt en in de doofstomme moeten allen, die het ambt bedienen, hun voorbeeld en de weg erkennen, waarop ook zij komen tot het kennen en het getuigen.
De heerlijkheid van de evangeliebediening: deze rust 1) op haar oorsprong, 2) op haar Geest, 3) op haar inhoud, 4) op haar duur.
De dienst van het nieuwe verbond: 1) haar verheven waarde, 2) haar heerlijk voorwerp, 3) haar blijvende bestemming.
Sinaï en Golgotha, of de heerlijkheid van het oude en de veel grotere heerlijkheid van het nieuwe verbond: 1) daar op Sinaï een machtig profeet, hier op Golgotha een bloedend Lam van God; 2) daar op Sinaï een stenen letter, hier op Golgotha de levendmakende Geest; 3) daar op Sinaï dood en verdoemenis, hier op Golgotha gerechtigheid en leven 4) daar op Sinaï een pelgrimsstation in de woestijn, hier op Golgotha een eeuwig thuis.
De bediening van het Nieuwe Testament: 1) hoe die wordt volbracht; 2) welke heerlijkheid die heeft.
Waarom de dienaren van de Heere Jezus Christus altijd een goed vertrouwen moeten hebben? 1) om de krachtige bijstand, waarop zij moeten rekenen: 2) om het heerlijk ambt, dat zij hebben te bedienen.
Wet en Evangelie: 1) daar een dodende letter, hier een levendmakende Geest; 2) daar een prediking van de verdoemenis, hier een prediking van de gerechtigheid; 3) daar een ambt, dat ophoudt. Hier een ambt, dat blijft.
Wet en Evangelie: 1) Wat groots en heerlijks bevat de wet? waarom is zij evenwel niet toereikende voor onze zaligheid? wat verkondigt het Evangelie, dat veel groter en zaliger is? en hoe zullen wij er een echt gebruik van maken? (EIG. ARB.).
En zodanig een vertrouwen, als ik vroeger vs. 2 noemde, dat U met uw Christelijk geloof voor ons een aanbevelingsbrief bent, hebben wij door Christus, die het teweegbrengt en zonder wie wij er nooit toe waren gekomen, bij God, op wie wij bij alles, wat wij doen en ons voornemen, ons oog vestigen, zodat ons vertrouwen in generlei opzicht vleselijk is.
Ik meen niet, toen ik (vs. 3) u een brief van Christus noemde, door onze prediking toebereid en door ons geschreven en als ik mijzelf grote genade toeken (Hoofdstuk 2: 14 vv.), dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken als uit onszelf, laat staan het ten uitvoer te brengen door eigen geest en kracht. Integendeel wij kunnen niets, maar a) onze bekwaamheid, van de juiste middelen en wegen tot een gezegend arbeiden te leren kennen en te volbrengen, is uit God (Jak. 1: 17).
Fil. 2: 1.
Paulus versmaadt aanbeveling en brieven van voorschrijving aan de Korinthiërs. Hij beroept zich op de heerlijke gevolgen te Korinthe, op de zegen door God hem geschonken, die hem en zijn apostolaat voldoende tot aanbeveling konden zijn. Dat kon schijnen een vertrouwen op eigen krachten en een roemen op eigen bekwaamheid te zijn. Zelfzucht, hoogmoed, ijdelheid waren dus de namen, die door de vijanden van Paulus aan hem en aan zijn woorden konden worden gegeven. Tegenover het roemen op eigen kracht zegt nu de apostel (vs. 4): “zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. ” Tegenover het verwijt van een roemen op eigen bekwaamheid zegt hij (vs. 5): “niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf, maar onze bekwaamheid is uit God. ” Als hij dus de gemeente te Korinthe zijn aanbevelingsbrief noemt, die door alle mensen kon worden ingezien en gelezen, die niet met inkt, ook niet op steen, maar met de Heilige Geest en in de harten was geschreven, dan doelt de heilige apostel niet op zichzelf, niet op zijn eigen krachten. Hij houdt integendeel de invloed te Korinthe voor groot genoeg, om die te beschouwen als een gevolg van de voorspraak en de voorbede van Christus; hij heeft het vertrouwen, het geloof door Christus op God, dat te Korinthe iets buitengewoons en goddelijks had plaats gehad een goddelijke daad te aanschouwen was. Onder dergelijke omstandigheden zodanige gevolgen verkregen te hebben, dat wekt vertrouwen op de voorbede van Christus en de werking van God. Dat heeft God gedaan en niet de mens en alle mensen moeten dat ook inzien tot lof en prijs van God. Is dit zo, dan is daarmee bovendien reeds gezegd, hoe weinig de apostel zichzelf natuurlijke bekwaamheid toeschrijft.
Uit zichzelf is niemand, die het predikambt bedient, voldoende bekwaam om ook maar iets, dat voor het tijdelijke leven dient te denken. Uit zichzelf kan niemand de juiste middelen en wegen tot een gezegend werken in die bediening noemen of berekenen. Natuurlijke scherpzinnigheid en verstand, menselijke geleerdheid en welsprekendheid zijn op geestelijk gebied onvoldoende. Er is een andere bekwaamheid nodig, namelijk die, die van God, de Gever van alle goede en volmaakte gaven afdaalt. God is het dan ook, die Paulus en diens helpers met de nodige ambtsgaven heeft toegerust en bekwaam heeft gemaakt tot een vruchtbare arbeid (vs. 6).
Paulus steekt en houwt om zich heen naar de valse apostelen en predikers; want hij is een dodelijk vijand van zulke niets betekenende mensen, die grote dingen voorgeven, die zij toch niet bezitten, die zich beroemen veel van de Geest te bezitten en zich verheffen op hetgeen de dromen van hun hoofd zijn. Dat doen wij niet, zegt hij; wij vertrouwen niet op onszelf, op onze wijsheid en bekwaamheid; wij prediken ook niet wat wij zelf hebben bedacht, maar hierop vertrouwen wij door Christus op God, dat wij in uw harten het woord van God hebben geschreven.
Die ons ook, opdat wij tevens de middelen en wegen, die wij hebben leren kennen, zouden gebruiken en bewandelen, bekwaam gemaakt heeft, om te zijn a) dienaars van het Nieuwe Testament. En dit is een ambt niet van de letter, zoals dat van het Oude Testament, maar van de Geest en daardoor heeft Hij ons tot een veel heerlijker ambt bekwaam gemaakt dan dat van het Oude Testament was; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
2 Kor. 5: 18. b) Hebr. 8: 6, 8.
Wat door het “ook” aan het begin van het vers wordt uitgedrukt, is het plaatsen van een tweede bekwaam maken naast het eerste in vs. 6; het eerste drukt slechts een bekwaam maken tot iets geheel bijzonders uit, namelijk tot het denken, maar het tweede tot het gehele ambt.
God heeft Paulus en zijn helpers bekwaam gemaakt tot dienaren van het nieuwe verbond. Dienaars zijn zij, want zij staan in de dienst van de Heer aller heren, terwijl hun levensdoel moet zijn diens rijk te bevorderen. Zij zijn dienaren van het nieuwe verbond, want hun arbeid is niet ten einde het oude verbond, dat door Mozes is gesticht en waarvan de wet de grondslag was, op te richten; maar het oprichten van het nieuwe verbond, waarin de genade van God in Christus Jezus in de plaats van het oude is getreden, waarin niet de vervulling van de wet, maar het geloof de voorwaarde is tot het bezitten van de zaligheid.
De uitdrukking “testament” in plaats van “verbond” is daardoor ontstaan, dat reeds in de Septuaginta het Hebreeuwse woord berit, waar van het verbond met God gesproken wordt, niet door synthéké, maar door diathéké wordt weergegeven, om uit te drukken, dat hier geen sprake is van een verdrag tussen twee, die gelijke rechten hebben, maar van een verbond, dat alleen door het initiatief van God is opgericht, waarbij dus van een stichting of beschikking van God gesproken wordt. Omdat nu het woord diathéké ook de laatste beschikking, het testament betekent, en daar het woord, in deze zin genomen, de mogelijkheid aanbood, om de noodzakelijkheid van de dood van Christus voor de oprichting van het nieuwe eeuwige verbond duidelijk te maken, is het reeds in Hebr. 9: 15 v. in deze betekenis en met dat doel gebruikt.
Het Griekse woord diathéké betekent zowel een verbond, dat tussen twee personen is gesloten (Hand. 3: 25. Rom. 9: 4), als ook de bepaling van een laaste wil van een mens, die bepaalt hoe na zijn dood met het zijne moet worden gehandeld, of een testament. De beide betekenissen van het een woord stemmen overeen met de gehele verhouding van de openbaring van God tot het menselijk geslacht; toch treedt de eerste betekenis meer in het Oude Testament op de voorgrond, waar van gestelde voorwaarden sprake was, terwijl in het Nieuwe Testament meer de andere betekenis tot haar recht komt, daar hier de dood van Christus de genade van God bewerkt en het begrip van erfenis op de voorgrond treedt. Juist genomen, zou men dus moeten zeggen: “het oude verbond – het Nieuwe Testament. ” De uitdrukking “verbond” wordt echter van de oud-testamentische oekonomie op de nieuw overgedragen en deze in onderscheiding van het oude verbond het nieuwe verbond genoemd (Jer. 31: 31 v.); aan de andere kant wordt eveneens het woord Testament van de nieuwe verhouding van God op de oude overgedragen (Gal. 3: 15), waarbij is op te merken dat, evenals de Hebreeuwse taal geen woord heeft voor “Testament”, zo ook de Latijnse vertaling (de vulgat a) zonder onderscheid in betekenis te maken het Griekse diathéké steeds door testamentum heeft vertaald. Evenals nu de hele inhoud van de openbaringen van God, die in de oude tijden als verbond, in de latere als testament de mens zijn gegeven, onder de gemeenschappelijke naam van het Oude en het Nieuwe Testament wordt samengevat, is ook reeds Paulus in vs. 14 van ons Hoofdstuk begonnen, met deze naam alle de Schriften te noemen, waarin de openbaring is neergelegd, die naam reeds in de 3de eeuw een geheel gewone was.
Zij die de bediening van het Nieuwe Testament moeten vervullen, hebben een ambt niet van de letter, maar van de Geest; want de aard en de heerlijkheid van het Nieuwe Testament is de Geest, die meedeelt, niet de voorgeschreven letter. Weg met de mishandeling van dit woord door oude en nieuwe dweepachtige geesten, die van een dubbele zin van het woord van de Heilige Schrift praten een letterlijke en een geestelijke, om hun eigen invallen in de Schrift te lezen, of zelfs misdadig met de verwerping van het uitwendige woord, dat zij letter noemen, de Geest van God, die Zich daarin uitspreekt, verwerpen, opdat zij profeten van hun eigen goddelijke geest worden. Paulus spreekt noch van een dubbel, deels letterlijk, deels geestelijk woord van God, noch van een Geest, die Zich naast het uitwendig schriftwoord ergens zou bevinden, maar helder en duidelijk van het ambt van het Oude Testament, dat een ambt van de letter is, omdat het niet meer kan dan de wet van God met de griffel van de woorden “u moet” en “u mag niet” voor de mens neer te schrijven en het tegendeel is van het ambt van het Nieuwe Testament, dat een ambt van de Geest is, omdat het meer kan dan alleen beschrijven wat rechtvaardig, wat levend is. Het is namelijk in staat om de evangelische genadegift (van de Geest, van de gerechtigheid en van het leven mee te delen.
De wet heet letter, omdat zij de mens het uitwendige, het voorschrift voor ogen stelt, zonder dat zij zijn hart verandert. Het Evangelie heet geest, omdat door de verzoening met God in Christus en de daardoor vernieuwde gemeenschap met Hem een levende en zaligmakende geest wordt meegedeeld. Maar de wet heet niet een dode, maar een dodende letter, omdat het gebod, dat zij de mensen voorhoudt, hun de verdoemenis predikt en hen daarom rampzalig maakt.
De tegenstelling tussen “letter” en “Geest” is reeds door vs. 3 voorbereid, in zoverre daar reeds werd gewezen op een schrift in stenen tafels gegraveerd, tot hetwelk datgene, wat Christus door middel van de Geest van de levenden van God in harten heeft geschreven, de tegenstelling uitmaakte als een schrift, dat alleen oneigenlijk zo kon worden genoemd. Dienovereenkomstig wordt hier van de dienst van de nieuwe ordening van God gezegd, dat die te doen heeft met de Geest, die in Zichzelf leven is en leven kan scheppen en niet met schrift, dat slechts bekendmaking is van hetgeen het inhoudt. Omdat hier slechts sprake is van het tegenover elkaar staande van de ene en de andere regeling van God, blijft buiten aanmerking of ook in de tijd van de Oud Testamentische bediening de Geest heeft gewerkt en ook in de tijd van de Nieuw Testamentische bediening wordt geschreven. Het was het onderscheidend eigenaardige van de eerste, dat het goddelijke zich slechts aan de mens als geschreven woord voor ogen stelde, in plaats van in zijn wezen als levende en werkzame Geest Zich te openbaren. Vandaar zegt Bengel: “Ook toen hij dit schreef, heeft Paulus niet gehandeld als een dienaar van de letter, maar van de Geest. Mozes daarentegen heeft als hij de bediening van de wet handhaafde, de letter gediend; ook als hij niet schreef. ” Omdat nu de natuurlijke richting van de wil van de mensen tegenover God staat, zo bestaat de voorstelling van het goddelijke in een eis, die slechts ongehoorzaamheid werkt en daardoor de dood overlevert; daarom wordt gezegd: “de letter doodt.”
De apostel heeft hier Judaïstische leraars op het oog, die zich met hun drijven van de wet boven hem, de verkondiger van de boodschap van de genade verhieven en de zielen door allerlei voorspiegelingen dreigden op het dwaalspoor te brengen, alsof hun werken heilzaam en zijn werk gevaarlijk en verderfelijk was. Hij betuigt, dat juist het tegendeel van hetgeen zij voorgaven, plaats vond; de letter, waaraan zij hun werkzaamheid wijdden, doodde, de Geest daarentegen, die hij diende, maakte levend.
In hoeverre de letter doodde, is te zien uit plaatsen als Rom. 7: 7 v. Gal. 3: 10. Rom. 4: 15 Zij doodt omdat zij de zonde prikkelt en tot uitbarsting brengt en de zondaars aan het oordeel van de dood onderwerpt, terwijl zij tot het overwinnen van de zonde geen kracht schenkt. Daarentegen maakt de Geest levend, omdat Hij Zich aan de geest van de mensen mededeelt en deze tot Zichzelf opheft; vgl. vs. 17 v. Rom. 8: 9 v.
Dienst van de letter met slaafse tucht is ook onder Christenen (pausdom, koude orthodoxie), waar de wil van God alleen uit de geschreven letter wordt gekend, zonder de getuigenis van de Geest, waar alleen bevolen, geëist, gedreigd wordt, waar men gelooft en gehoorzaamt, omdat het geschreven staat, zonder inwendige ervaring van het hart, uit dwang en vrees. Daartegenover staat de dienst van de Geest, waar de Geest in het hart Gods wil, Gods genade laat voelen, waar men de inwendige getuigenis bij het woord heeft, waar men gelooft en volgt, gedreven door de Geest, die lust en aandrang instort en kracht meedeelt.
En als de bediening van de dood, in letteren bestaande, de bediening, die in de tien woorden van de wet van God heiligheid moest bekend maken en die a) in stenen was ingedrukt (op de stenen tafels met de vinger van God warengeschreven (Ex. 24: 12), maar in de harten van hen tot welke zij kwam, geen vernieuwing teweeg kon brengen), in heerlijkheid is geweest, zoals de glans te kennen gaf, waarvan in Ex. 34: 29 vv. wordt gesproken, zodat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die teniet gedaan zou worden en dus voor verdwijnen bestemd was (vs. 11);
Ex. 34: 1. Deut. 10: 2.
Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest (Hebr. 6: 4 v. ; 10: 29. Gal. 3: 14. Hand. 10: 44) in heerlijkheid zijn?
Zonder twijfel is deze gehele vergelijking van de bediening van het Nieuwe Testament met de bediening van Mozes in vs. 7-11, alsook later van het deksel, dat in vs. 13 v. op het aangezicht van Mozes wordt gelegd, alsmede de uitweiding over de verharding van de Joden in vs. 14-18, niet zonder doel en wel in onmiddellijke polemiek tegen de Judaïsten (“Ac 15. 3, 5″en “Ac 18. 23 voorgesteld.
Het verhevene van het nieuwe verbond boven het oude heeft Paulus vroeger slechts op de voorgrond geplaatst om de waardigheid van het apostolisch ambt zeer hoog te plaatsen, hoger dan die van de dienaar van het oude verbond. Hij bedient zich hierbij van de gevolgtrekking a minori ad majus (van het kleinere tot het grotere) en wel driemaal (vs. 7 v., 9 en 11). Het woordje “en” of “echter, maar”, dat voor aan vs. 7 staat, leidt die gevolgtrekking in. De apostel geeft daar te kennen, dat de bediening van het oude verbond een bediening is, die door de letter doodt, d. i. een bediening van de dodende wet, waaronder men de bediening van Mozes moet verstaan.
Terwijl namelijk sprake is van de bediening, waardoor tot de mensen komt wat God gegeven heeft, opdat het tot hen kome, beperkt zich deze bediening van de kant van het Oude Testament tot Mozes, door wie de wet, de bijzondere gave van God van die orde van het heil, eens voor altijd tot Israël gekomen is. Van de kant van het Nieuwe Testament bestaat die echter in de bediening van hen, die ertoe geroepen zijn, dat de gave van de genade van God in Christus, de Geest, die eeuwig leven teweeg brengt, tot de mensen komt.
Mozes wordt hier niet beschouwd als middelaar, zodat Christus tegenover hem zou moeten staan, maar als dienaar, zodat hij als vertegenwoordiger van alle leraars van de wet tegenover de apostolische dienaars van het Evangelie of van het nieuwe verbond overstaat. In een stoute wending de dienst met het voorwerp, waaraan zij plaats heeft, tot een samenverbindende, stelt Paulus de bediening van de wet, die door de letter doodt en zo de dood en diens heerschappij in de hand werkt, voor als een bediening in stenen ingedrukt. De bediening van Mozes en van al zijn opvolgers bestond namelijk daarin, de wet met letters in steen ingedrukt voor te houden en in te scherpen, iets meer kon hij niet doen. Tevens wordt met de woorden “in stenen ingedrukt” het uiterlijke en harde van deze dienst sterk uitgesproken.
Deze Oud Testamentische bediening had echter toch ook haar heerlijkheid of duidelijkheid, dat uit het feit blijkt, dat de Israëlieten Mozes niet in het aangezicht konden zien, zo vaak hij in zijn heilige bediening had gearbeid. Die glans op zijn aangezicht toonde, hoe hij de door hem medegedeelde openbaring niet uit zichzelf, maar door verplaatsing in het gebied van het hemels licht, in de onmiddellijke nabijheid van God had ontvangen. Intussen was de lichtglans op het aangezicht van Mozes niet een, die bestendig bleef, maar een voorbijgaande. Die glans duurde slechts een poos en verdween dan gaandeweg weer. Had daarom zo’n verbond heerlijkheid, de openbaring daarvan toch slechts uitwendig en voorbijgaand, slechts veroordelend en dood aanbrengend voor de mens zich plaatst, hoe zou, zo besluit Paulus van het mindere tot het meerdere, de heerlijkheid van het nieuwe verbond niet groter zijn, omdat de openbaring ervan het inwendige van de mens aangrijpt, rechtvaardiging voor God teweeg brengt, nieuw leven en eeuwige zaligheid aanbrengt.
Maar waarop doelt Paulus als hij van de heerlijkheid spreekt van de bediening, die van de Geest is? Een uitwendige lichtglans, zoals op Mozes aangericht was, was op het aangezicht van Paulus of van Timotheüs of van andere dienaren van het Evangelie niet te zien. Ook de tekenen en wonderen, waarmee de Heere het apostolisch ambt in de wereld heeft ingeleid (Hoofdstuk 12: 12), zijn wel een zichtbare openbaring van de heerlijkheid, maar evenals zijn gave geestelijk is, zo is ook de heerlijkheid ervan geestelijk, erkend en geprezen door hen, die door het ambt zijn gezegend met allerlei geestelijke zegeningen in hemelse goederen door Christus. De grote heerlijkheid van de bediening van het Nieuwe Testament betoont zich daarin, dat het liefelijk licht van de Evangelieprediking niet alleen kan worden aangezien door de kinderen van het Nieuwe Testament, maar ze ook doorschijnt en tot spiegels van Christus maakt (vs. 18). De Korinthiërs moest deze lof van de bediening, die zij hadden laten verduisteren, in het hart laten gaan als een strafprediking, die toch zeer Evangelisch was; want de apostel trekt de wankelenden tot zich en houdt ze vast met aanprijzing van de allerdierbaarste schat, waarin zij rijk waren geworden door zijn prediking! (vgl. 1 Kor. 1: 4 vv.)
De bediening van het Nieuwe Testament staat in vergelijking met het grootste, dat wij in onze tegenwoordige en de vroegere wereld kunnen vinden, met het ambt van de overheid en het ambt van het Oude Testament, alleen; want het geeft wat geen ander geeft: geest, leven en gerechtigheid. De eenvoudige herder, die op de kansel en in de woning zijn ambt bedient, die, misschien omgeven door noden en door de verachting van de wereld, de mensen nutteloos voorkomt en zelfs waardig om met al zijn doen en zoeken verwijderd te worden uit de maatschappij, die heeft, hoe klein, hoe zwak hij schijnt en hoe veracht hij is, toch, omdat hij het ambt van het Nieuwe Testament bedient, een ambt, dat geest en leven en gerechtigheid geeft.
Wij kunnen de verwachting zo-even uitgesproken nog nader bevestigen door de ambten verder met elkaar te vergelijken. Deden wij het straks ten opzichte van hetgeen zij bewerken of aanbieden, wij willen het nu doen met het oog op hetgeenzij meedelen. Hierdoor moet de verwachting nog hoger stijgen: want als de bediening van de verdoemenis, de bediening die de overtreder van de wet Gods vloek of het oordeel van de verwerping voorhoudt (Deut. 27: 26. Gal. 3: 10) heerlijkheid geweest is volgens de zo-even in vs. 7 aangehaalde zaak, veelmeer is de bediening van de rechtvaardigheid, de boodschap vanwege Christus, dat allen, die geloven, vergeving van zonden uit genade ontvangen (Rom. 3: 22 vv. ; 10: 4), overvloedig in heerlijkheid.
Paulus kan zich nog niet losmaken van de grote hoofdgedachte van zijn apostolische leer over wet en Evangelie; hij gaat voort nader te spreken over de voorrang van de Nieuw Testamentische oekonomie en van de Nieuwe Testamentische diakonie boven die van het Oude Testament.
De bediening, die door de letter doodt, ontvangt nu een andere naam, daarmee overeenkomend, omdat het nu wordt genoemd een bediening, die de verdoemenis predikt. Zij is daardoor een bediening van de dood, dat zij door haar geboden de zonde opwekt en openbaar maakt en zo de zondaar meer leidt tot het oordeel van de dood. Zij is een bediening van de verdoemenis, omdat zij hem de vloek van God over de misdadiger doet gevoelen en tot uitvoering brengt. Evenals nu de bediening van het Oude Testament in ons vers genoemd wordt naar hetgeen zij ons aanbiedt, zo ook ook die van het Nieuwe Testament naar hetgeen zij in de naam van God geeft, namelijk de gerechtigheid. De oude bediening spreekt Gods oordeel over ons uit: u bent zondaars en verdoemd; de nieuwe verkondigt daarentegen: u bent gerechtvaardigd, want hier is Christus, die uw gerechtigheid is.
Want ook het verheerlijkte zelf, het Oude Testament, dat evenals die lichtglans van Mozes aangezicht aanduidde, heerlijk was, was dat niet in allen opzichte, zoals ook dat licht alleen op zijn aangezicht te zien was en niet aan zijn hele persoon. Het is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, in die zo hoge mate als de bediening van de genade, die ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid zoveel hoger is en zich tot het geheel uitstrekt (Matth. 7: 2).
Dit vers vormt een soort van aanhangsel aan het vorige, waartoe het woord “overvloedig in heerlijkheid” aanleiding gaf. De apostel wil nu de voorrang van de Nieuw Testamentische bediening in al zijn grootheid voorstellen, omdat hij die nader aanwijst en het voorstelt als zoveel groter, dat daarbij de heerlijkheid van de Oud-Testamentische bediening verdwijnt, evenals de glans van de maan voor die van de zon verbleekt. In de verklaring van de woorden wijken de uitleggers echter zeer van elkaar af, zonder dat wij bij de ander voldoende verklaring hebben kunnen vinden en wij onze eigen mening moesten volgen.
Want (zo kunnen wij verder uit hetgeen aan het slot van vs. 7 over diezelfde lichtglans op Mozes’ aangezicht werd gezegd een gevolgtrekking maken over de heerlijkheid van de beide ambten in vergelijking met elkaar, die parallel staat met die in vs. 9 en de bijzondere heerlijkheid van de Nieuw Testamentische bediening in het licht stelt) als hetgeen teniet gedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft in heerlijkheid.
In dit vers wordt de uitdrukking “uitnemende heerlijkheid” aan het einde van het vorige vers gerechtvaardigd door op de voorgrond te plaatsen een nieuw, reeds in vs. 7 aangeduid symbolisch moment van het blijvende, in tegenstelling tot hetgeen vergaat, dat ophoudt: ik zeg: “tegenover deze uitnemende heerlijkheid”; want als hetgeen teniet gaat heerlijk is, dan is zo veel te meer heerlijk hetgeen blijft. De hier bedoelde wederzijdse diakonie heeft natuurlijk de wederzijdse oekonomie zelf tot haar onderstelling als een, die ophoudt aan de ene en die blijft aan de andere kant. De Oud-Testamentische bediening is een, die met de wet zelf moet verdwijnen door het intreden van de Nieuw-Testamentische (Rom. 10: 4), die blijft tot aan de verschijning van de Heere, als zij in Zijn hemels rijk tot eeuwige verheerlijking komt.
De bediening van Mozes is een, die verdwijnt. Juist omdat het de bediening van het Oude Verbond is, die verder heenwijst naar een nieuw verbond en hiervoor dus, als het komt, moet plaats maken: de bediening van het Nieuwe Verbond wordt een genoemd, die blijft, omdat dit nieuwe verbond de absolute godsdienst is (Hebr. 1: 1 vv.).
“Door de heerlijkheid heen” (zo luidt het woordelijk naar de grondtekst) gaat de bediening, die ophoudt en waarvan de heerlijkheid in het einde wordt uitgeblust, waarin de wet haar doel bereikt en zich vervult ziet, namelijk in Christus en Zijn gelovigen. Maar in heerlijkheid staat de bediening, die zonder einde blijft, totdat de Heere komt, om de heerlijkheid daarvan, die voor de gehele wereld verborgen is (Dan. 12: 3) aan het licht te brengen.
Omdat wij dan volgens het te voren gezegde zodanige hoop hebben, dat namelijk onze bediening om het bestendige van die bedeling, in wier dienst zij is, in haar heerlijkheid zal blijven, zonder iets daarvan te verliezen, zo gebruikenwij bij het volbrengen van die bediening, vele vrijmoedigheid in het spreken, in openlijke mededeling van de Christelijke waarheid, zodat wij ook vrij uit voor de Joden spreken van de voorrang van het Nieuwe en het ophouden van het Oude Verbond (Hebr. 8: 6 vv.).
Met grote blijmoedigheid predikte hij het Evangelie. Jezus Christus de Zoon van God, de Heer en Rechter, Hij de gekruisigde, de kracht en de wijsheid van God. Hij het einde van de wet; geen rechtvaardigheid uit God voor haar werken; die rechtvaardigheid alleen door het geloof in Jezus Christus te verkrijgen voor allen, die geloven; want daar is geen onderscheid; want allen hebben gezondigd en worden om niet gerechtvaardigd uit Gods genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; vernieuwing van het gemoed en de wandel, liefde tot de broeders en tot allen, uit geloof aan de liefde van God en de genade van de Heere, dat was de hoofdinhoud van zijn prediking, al ergerde de Jood er zich aan, al hield de heiden het voor dwaasheid en al werd hij door beiden erom gesmaad, bespot, vervolgd en mishandeld. Zijn roeping, zijn plicht, het heil van zijn medemensen, de eer van God de Heer, vorderde van hem, dat hij dit Evangelie, dat hij ontvangen had en bij eigen ervaring, als waarheid, als een kracht van God tot zaligheid had leren kennen, zonder enige achterhouding, onbewimpeld aan de wereld verkondigde. De hoop, de vaste, blijde hoop, die hij had op de verheerlijking van de Evangeliebediening, vuurde er hem toe aan (vs. 12). En die hoop is niet beschaamd. Zijn werk heeft rijke vrucht voortgebracht. Duizenden hebben er hem voor gedankt. Ook wij danken er hem voor. En waar wij ertoe geroepen worden, laat ons daar zijn verbeeld navolgen in de vaste overtuiging, dat dit Evangelie alleen de zondaar ontdekt aan zichzelf, verootmoedigt, vertroost, heiligt, al zijn behoeften bevredigt, dat dit Evangelie alleen de zieke mensheid kan genezen en zaligen!
En daarom doen wij ook niet zoals Mozes, die, zoals in Ex. 34: 33 vv. bij het boven (vs. 7) herinnerde, verder wordt gemeld, een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien a) op het einde van hetgeen teniet gedaan wordt; evenals de glans, die langzamerhand verdwijnt, zou het toch ten slotte voor iets anders wijken (Deut. 18: 15 vv.). Zij zouden het ophouden van het laatste zijn gewaar geworden, als zij het eerste hadden opgemerkt, juist daarom moest dit worden bedekt.
Rom. 10: 4.
Op de rijke en grootse voorstelling van de heerlijkheid in de apostolische bediening laat Paulus nu volgen de toepassing op de bediening van zijn ambt in een eenvoudige getuigenis over zichzelf. De hoop, die hij erkent te bezitten als van een verzekerde bezitting, is verwant met, niet één met het vertrouwen in vs. 4. Dat vertrouwen steunde op hetgeen reeds aanwezig was, op de vrucht van het werk van zijn bediening; deze hoop ziet echter op iets toekomstigs, dat nog verborgen is, namelijk op het blijvend voortduren van de bediening van het Nieuwe Verbond en van zijnn zegen en op de latere openbaring en volmaking daarvan.
Hij spreekt van een hoop, die hij bezat, omdat hij van zijn ambt heeft gezegd, dat het een blijvende heerlijkheid had. In zoverre is zijn bewustzijn van de heerlijkheid van zijn ambt een hoop te noemen en hij noemt het zo, omdat hij wil te kennen geven dat geen gedachte aan een ophouden van de heerlijkheid van zijn ambt de volkomene openbaring in de weg staat, ten opzichte van hen, aan wie hij zijn ambt bedient. Vrijmoedig is het vaste vertrouwen, waarmee men inwendig en uitwendig tegenover een ander staat, of omdat men niets van hem heeft te vrezen, of omdat men geen reden heeft iets voor hem te bedekken. Mozes nu, had zo’n vertrouwen, om vrij en openlijk op te treden, niet, als hij na het mededelen van de ontvangene openbaring een deksel over Zijn aangezicht legde, opdat zij, die in de wonderbaren glans daarvan een getuigenis hadden gezien van de goddelijke oorsprong van hetgeen hij tot hen sprak, hun blik niet zouden laten rusten op het latere verdwijnen van deze glans; want de woorden, zoals die naar de grondtekst luiden, geven bepaald en ondubbelzinnig te kennen dat er een bedoeling ligt in de handelwijze van Mozes.
De bedoeling van de woorden is: “Mozes legde een deksel op zijn aangezicht, opdat de kinderen Israëls niet zouden zien, dat zij tot een bedeling behoorden, die zou ophouden, maar de indruk, die zij door het schitteren van zijn aangezicht omtrent de heerlijkheid van zijn bediening hadden verkregen, blijven zou. ” Hier ontstaat nu echter de vraag: “ligt dan zo’n bedoeling in de woorden Ex. 34: 33 vv. ? ” Het schijnt, dat het doel van de bedekking aldaar een geheel ander was dan om voor de Israëlieten het verdwijnen van de glans te verbergen. Zo zou men kunnen zeggen, de typische verklaring mag toch de geschiedenis ten behoeve van haar verklaringen niet veranderen, zij moet ze nemen, zoals zij is. Dit zullen wij nu zeker moeten vasthouden als grondstelling. Maar een zekere vrijheid is in het toepassen van de geschiedenis ook noodzakelijk met de typiek gegeven. Zij mag wat niet uitdrukkelijk wordt gezegd of als doel van een handeling wordt opgegeven, gemodificeerd opvatten. Dat nu het verbergen van Mozes aangezicht daarom geschiedde, omdat de Israëlieten de glans van zijn aangezicht niet konden verdragen, staat daar niet uitdrukkelijk, maar het blijkt uit de samenhang van de plaats, dat dit het eerste doel is geweest. Nadat Paulus hiermee in vs. 7 ten minste enigszins had gerekend, kon hij hier nog een ander aanwijzen, dat met het eerste daarin overeenkomst had, dat de gehele handeling betrekking had op de zwakheid van de Israëlieten. Zoals zij namelijk de glans niet uitwendig konden dragen, zo konden zij ook inwendig het inzien in de waarheid niet verdragen; voor beide soorten van zwakheid was het bedekken nodig.
Mozes kon het niet vrijuit zeggen, dat hij slechts een voorbijgaande bedeling diende, hoewel hij als profeet, die dieper in de goddelijke raad inzag, daarvan wist. En hoewel hij er ook niet duidelijk en bepaald van wist had hij toch een profetisch voorgevoel bij hetgeen hij deed en zo valt het bedekken van zijn aangezicht onder het begrip van een pedagogische maatregel.
Het verbergen van het aangezicht van Mozes diende als een middel tot profetische voorstelling van een hogere waarheid, die nu in het licht van het nieuwe verbond duidelijk is geworden, maar toen nog moest worden verborgen gehouden. Paulus handelt bij deze aanwijzing van de aangehaalde trek van de geschiedenis, op gelijke manier als hij in Gal. 4: 21 vv. de verhouding van het Oude en Nieuwe Testament aanwijst en duidelijk maakt in het voorbeeld van de beide zonen van Abraham.
En zo willen zij, nu het einde van Mozes reeds is gekomen, moedwillig daarvan niets weten. a) Maar hun zinnen zijn verhard geworden (Jes. 6: 9 v. Joh. 12: 37 vv. Hand. 28: 26 v. Rom. 11: 7 vv.); want tot op de dag van heden blijft voor hen, die heden nog Joden zijn, hetzelfde deksel, dat hun verhindert het einde te zien van hetgeen ophoudt, in het lezen van het Oude Testament (vgl. vs. 6), zo vaak dat in de Synagoge plaats heeft (Hand. 15: 21). Het blijft zonder ontdekt te worden, dat door Christus teniet gedaan wordt; zij blijven zonder te kunnen zien, wat van de wet in Christus vervulling heeft verkregen, hoewel het objectief reeds heeft opgehouden.
Ezech. 12: 2. Matth. 13: 11.
Maar tot op de huidige dag (liever “tot op dit uur toe, wanneer Mozes in zijn geschrift, de wet, gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart; het is dus subjectief voor hen, om hun ongelovig en verstokt hart nog even goed aanwezig als in Ex. 34: 33.
a) Maar wanneer het nu nog ongelovig hart tot de Heere bekeerd zal zijn, dat toch zeker nog eens zal plaats hebben (Rom. 11: 25 vv.), dan wordt op hetzelfde uur het deksel weggenomen, dat nu nog voor een tijd over hun hart hangt, evenals Mozes het deksel wegdeed, toen hij inging voor de Heere (Ex. 34: 34).
Matth. 13: 11. 1 Kor. 2: 10.
En wij allen, in tegenstelling tot de ongelovige Joden, die zich nog aan Mozes houden (vs. 14 v.), met ongedekt aangezicht (omdat de Heere voor ons zonder bedeksel, komt, zoals ook wij zonder dat tegenover Hemstaan) (vs. 15), de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwend, omdat het zien van de volle heerlijkheid van God voor het volgend leven bewaard blijft, zijn zoveel hoger begenadigd dan de Israëlieten. Bovendien worden wij naar hetzelfde beeld (2 Petr. 1: 9) in gedaante veranderd, want wij zien het beeld niet alleen in de spiegel, maar het drukt zich tegelijk af in ons hart en wel worden wij opgeleid van heerlijkheid tot heerlijkheid (Joh. 1: 16. Rom. 8: 29. Gal. 4: 19. 1 Joh. 3: 2), als de Geest van de Heere, die de Werkmeester is van elke eeuwige en hemelse zegen.
Wij hebben hier een treffende tegenstelling tussen de staat van de Joden en de staat van de Christenen. Evenals namelijk de apostel heeft aangewezen, dat op hart en ogen van de Joden een deksel ligt, zodat zij bij het lezen van het Oude Testament het einde van de wet niet opmerken, zo kent hij nu integendeel de Christenen het ware licht van de kennis toe, bij welks beschrijving hij terugwijst op het vroeger aangevoerde geschiedkundige beeld. Want evenals Mozes wel zijn aangezicht bedekte, als hij voor het volk kwam, maar, zodra hij inging in de tabernakel en zich tot de Heere wendde, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwde, zo, zegt Paulus, zijn wij Christenen niet verblind naar de manier van de Joden, maar zien in de heerlijkheid van de Heere, die ons uit de spiegel van het Evangelie tegenstraalt. En evenals Mozes in verborgen omgang kwam met God, zodat Zijn aangezicht van een nieuw licht glinsterde, zo worden wij, terwijl wij in de allerzuiverste spiegel van het Evangelie de heerlijkheid van de hemelse Vader in Zijn genadig aangezicht aanschouwen, ook zelf door lichtstralen verlicht en naar Zijn beeld vernieuwd, dat zich van de een heerlijkheid tot de andere, d. i. in voortdurend toenemen in ons openbaart.
Het beeld van de Heere, dat zich aan ons in een spiegel vertoont, blijft niet buiten ons, maar het is een levend beeld, dat zich krachtig afdrukt in onze inwendige mens (in tegenstelling tegen het beeld van de wet in stenen ingedrukt, vs. 7), zodat de trekken van de Heere, de schoonsten onder de mensenkinderen, kunnen worden aanschouwd in het beeld van al Zijn heiligen, die opgroeien tot de volkomen man, welke daar is in de mate van de volkomen ouderdom van Christus (Efeze. 4: 13). Deze kostelijke spreuk staat juist op de juiste plaats in de brief van Paulus, die het helderst van allen, het beeld van deze mens van God in Christus afspiegelt.
De zin van dit verheven maar duister vers zou men bij omschrijving dus kunnen bepalen: “wij allen, door de Geest van de Heere tot vrijheid geroepen, bezitten dezelfde voorrechten als Mozes, die de sluier van zijn gelaat aflegde toen hij tot God inging. Wanneer wij onze voorrechten indachtig, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwen in de spiegel, waaruit haar stralen worden teruggekaatst, dan worden wij naar het beeld, dat wij in die spiegel aanschouwen (naar Christus het beeld van God, Hoofdstuk 4: 4) heerlijk in gedaante veranderd; heerlijker nog dan Mozes, wiens aangezicht slechts glinsterde; want wij worden zelf dat beeld gelijkvormig, door de invloed van dat Evangelie, dat men in gelijke zin het Evangelie van de Heere of van de Geest noemen kan. Een andere verklaring van deze woorden kan juister zijn, maar een minder krachtige dulden de uitdrukkingen van de apostel niet. (V. D. PALM).
Ieder woelt hier om verandering; waarom is en blijft dan zo menigeen ongezind om tot één, de grootste en meest gezegende verandering, die van hart en leven te komen? Van haar gewaagt Paulus, naar aanleiding van hetgeen hij zo-even aangaande het eigenaardig voorrecht van Mozes na het afdalen van de berg van de wetgeving schreef. Toen blonk zijn gelaat zo sterk van de naglans van de hemelse heerlijkheid, die hem in Gods gemeenschap omschenen had, dat hij terwille van de kinderen Israëls een tijdlang een bekleedsel op zijn aangezicht leggen moest, zoals er in geestelijke zin nog voortdurend op het gelaat van de ongelovige Joden bleef rusten, zo vaak zij in Mozes lazen, zonder te verstaan, dat hij van Christus gesproken had. Hoe groot was tegenover deze blinden, het voorrecht van alle gelovigen! “Wij allen”, schrijft de apostel zonder de minste beperking “de heerlijkheid van de Heere”, dat is van de verhoogde Christus “met ongedekt aangezicht” onbelemmerd en vrij, “als in een spiegel aanschouwend”, kennelijk denkt hij aan de spiegel van het Evangelie, waarin hem het beeld van de Heiland in onbevlekte luister getoond werd, “worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd”, wij nemen er, ten gevolge van die aanschouwing van over; het beeld waarop wij staren, drukt ongevoelig in ons hart en leven zich af en die verandering gaat voort “van heerlijkheid tot heerlijkheid; ” zij bereikt gedurig hogere trap, “als van de Geest van de Heere”, dat is zoals zich niet anders verwachten laat van, zo staat er letterlijk: “de Heer van de Geest”, van die Heere, die zelf deze herschepping bewerkt en oppermachtig over de gaven van de Heilige Geest beschikt. Zinrijk woord en heerlijke zaak, die er door aangeduid wordt! Is er hoger voorrecht denkbaar, dan de apostel hier met kennelijke ingenomenheid roemt? Een heldere aanschouwing van het heerlijkste, dat wij ons voorstellen kunnen, de heerlijkheid van Christus, in de spiegel van een onthuld en vervuld Evangelie! Een zichtbare verandering van ons innerlijk en uiterlijk leven door Hemzelf bewerkt, op wiens beeld wij onophoudelijk staren een gehele herschepping, omdat Zijn Geest in ons uitstroomt en uit het graf van de oude een nieuwe mens doet verrijzen. Een toenemende verheerlijking, omdat wij vergeten wat achter is en zoeken wat boven is; en bovenal begeren wat eeuwig is. En dit alles, naar Paulus woord, reeds hier beneden aanvankelijk het deel, niet van enkelen slechts, maar van allen, die zeggen kunnen: “Jezus leeft in mij! ” O zeker, zo was het bij Paulus zelf en bij zo velen, die zijn voetstappen drukten; zo kan het nog zijn, waar het geloof een levende kracht een kracht ten leven geworden is, zo moest het wezen ook bij ons, die in diepe ootmoed ons discipelen noemen van de grote, de eeuwige Meester. En toch, wie voelt niet hoe oneindig ver Hij beneden die hoogte bleef staan, die hier de hand van de apostel hem aanwijst? Van naam-Christenen of dubbelhartigen spreken wij niet, maar ook zelfs dan, wanneer het goede werk in het hart is begonnen, hoe vaak moeten wij, als wij geheel oprecht willen zijn, van het tegendeel gewagen van wat hier wordt genoemd en geroemd: Geen waarachtige doortastende verandering nog, maar in zo menig opzicht de oude mens gebleven; geen voortgang in heiligmaking, maar stilstand veeleer, als maar niet volslagen teruggang; geen gelijkvormigheid aan de tweede Adam in één woord, maar oneindig veel, dat aan de eerste doet denken. En toch om het even, of het ons vrijspreekt of veroordeelt, het staat er, dit woord van de apostel en al stond het er niet, ons eigen hart zou het zeggen; een Christendom zonder hartsverandering; een bekering zonder openbaring van waarachtig leven naar buiten; een groei, waarbij de bloesems nooit tot vruchten worden, kan onmogelijk het waarachtig, het God welgevallig Christendom zijn. Vanwaar mag het dan komen, dat wij een woord als dit onmogelijk zonder schaamte en onrust over onszelf herlezen kunnen? Ach, aan de spiegel ligt het wel niet; nog altijd blinkt in het Evangelie de heerlijkheid van het Christusbeeld, voor elke verdichting te hoog. Maar het ligt te meer aan het oog, dat zo vaak door de sluier van ongeloof en aardsgezindheid bedekt wordt en ja nu en dan in de spiegel wel staart, maar met een vluchtige, onopmerkzame blik, zonder dat aan het beeld de tijd wordt gelaten om zich als af te drukken in de kleine wereld daar binnen. In een rusteloze zee kan de zon haar gelaat niet weerkaatsen, wel in de kalme, klare, effen beek; was het hart meer aan het laatste gelijk, ook het leven zou anders zijn en dat woord van heerlijkheid tot heerlijkheid niet als iets onbereikbaars ons tegenklinken, maar de uitdrukking worden van een zalige werkelijkheid, die zelf weer heenwijst naar hoger. Heere, laat de Geest van het leven, die U heeft beloofd en geschonken, elke dood in en rondom ons overwinnen!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel