Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Te roemenG2744 is mij waarlijkG1211 nietG3756 oorbaarG4851; wantG1063 ikG1473 zal komenG2064 totG1519 gezichtenG3701 enG2532 openbaringenG602 des HeerenG2962.
Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.
KJV
It is4
➔ not3
expedient
for me
doubtless2
to glory.1
I will come6
to8
visions9
and10
revelations11
of the Lord.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik kenG1492 een mensG444 inG1722 ChristusG5547, voor veertienG1180 jarenG2094 (of het geschied zij inG1722 het lichaamG4983, weet ik nietG3756, of buitenG1622 het lichaam, weet ik nietG3756, GodG2316 weet het), dat de zodanigeG5108 opgetrokkenG726 is geweest tot in den derdenG5154 hemelG3772;
Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;
KJV
I knew1
a man2
in3
Christ4
above5
➔ fourteen7
years6
ago,
(whether8
in9
the body,10
I cannot11
tell;12
or whether13
out14
of the body,16
I cannot17
tell:18
God20
knoweth;)21
such an one24
caught up22
to25
the third26
heaven.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 ik kenG1492 een zodanigG5108 mensG444 (of het inG1722 het lichaamG4983, of buitenG1622 het lichaamG4983 geschied zij, weet ik nietG3756, GodG2316 weet het),
En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het),
KJV
And1
I knew2
such4
a man,5
(whether6
in7
the body,8
or9
out10
of the body,12
I cannot13
tell:14
God16
knoweth;)17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
DatG3754 hij opgetrokkenG726 is geweest inG1519 het paradijsG3857, enG2532 gehoordG191 heeft onuitsprekelijkeG731 woordenG4487, dieG3739 het een mensG444 nietG3756 geoorloofdG1832 is te sprekenG2980.
Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.
KJV
How that1
he was caught up2
into3
paradise,5
and6
heard7
unspeakable8
words,9
which10
it is12
➔ not11
lawful
for a man13
to utter.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Van den zodanigeG5108 zal ik roemenG2744, dochG1161 van mijzelven zal ik niet roemenG2744, dan inG1722 mijn zwakhedenG769.
Van den zodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden.
KJV
Of1
such an one3
will I glory:4
yet6
of5
myself7
I will9
➔ not8
glory,
but
in12
mine
infirmities.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Want zoG1437 ik roemenG2744 wilG2309, ik zal niet onwijsG878 zijnG1510, wantG1063 ik zal de waarheidG225 zeggenG2046; maarG1161 ik houdeG5339 daarvan af, opdat niemandG5100 van mijG1473 denkeG3049 boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, ofG2228 dat hij uitG1537 mijG1473 hoortG191.
Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.
KJV
For2
though1
I would desire3
to glory,4
I shall
➔ not5
be
a fool;7
for9
I will say10
the truth:8
but12
now I forbear,11
lest13
any man14
should think17
of15
me
above18
that which19
he seeth20
me
to be, or22
that he heareth23
of24
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 opdat ik mij door de uitnemendheidG5236 der openbaringenG602 nietG3361 zou verheffenG5229, zo is mijG1473 gegevenG1325 een scherpe doornG4647 in het vleesG4561, namelijk een engelG32 des satansG4566, datG2443 hij mijG1473 met vuisten slaanG2852 zou, opdatG2443 ik mij nietG3361 zou verheffenG5229.
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.
KJV
And1
lest
I should be exalted above measure8
through the abundance3
of the revelations,5
there was given9
to me
a thorn11
in the flesh,13
the messenger14
of Satan15
to6
buffet18
me,
lest
I should be exalted above measure.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hierover heb ik den HeereG2962 driemaalG5151 gebedenG3870, opdatG2443 hij vanG575 mijG1473 zou wijkenG868.
Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.
KJV
For1
this thing
I besought6
the Lord5
thrice,3
that7
it might depart8
from9
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 Hij heeft totG1909 mijG1473 gezegdG2046: Mijn genadeG5485 is uG4771 genoegG714; wantG1063 Mijn krachtG1411 wordt inG1722 zwakheidG769 volbrachtG5048. Zo zal ikG1473 dan veelG3123 lieverG2236 roemenG2744 inG1722 mijn zwakhedenG769, opdatG2443 de krachtG1411 van ChristusG5547 in mijG1473 woneG1981.
En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.
KJV
And1
he said2
unto me,
My
grace7
is sufficient4
for thee:
for10
my
strength11
is made perfect15
in13
weakness.14
Most gladly16
therefore17
will I19
➔ rather18
glory
in20
my
infirmities,22
that24
the power29
of Christ31
may rest25
upon26
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daarom heb ik een welbehagenG2106 inG1722 zwakhedenG769, inG1722 smaadhedenG5196, inG1722 nodenG318, inG1722 vervolgingenG1375, inG1722 benauwdhedenG4730, om Christus'G5547 wilG1063; want als ik zwakG770 ben, dan ben ik machtigG1415.
Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
KJV
Therefore1
I take pleasure2
in3
infirmities,4
in5
reproaches,6
in7
necessities,8
in9
persecutions,10
in11
distresses12
for13
➔ Christ's14
sake:
for16
when15
I am weak,17
then18
am20
I strong.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ik ben roemendeG2744 onwijsG878 gewordenG1096; gijG4771 hebt mijG1473 genoodzaaktG315, wantG1063 ikG1473 behoordeG3784 vanG5259 uG4771 geprezenG4921 te zijn; wantG1063 ik ben in geen dingG3762 minderG5302 geweest dan de uitnemendsteG5228 apostelenG652, hoewelG1499 ik nietsG3762 benG1510.
Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.
KJV
I am become1
a fool2
in glorying;3
ye
have compelled6
me:
for8
I5
ought9
to have been commended12
of10
you:
for14
in nothing13
am I behind15
the very chiefest18
apostles,19
though
I be23
nothing.22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De merktekenenG4592 van een apostelG652 zijn onder uG4771 betoondG2716 inG1722 alleG3956 lijdzaamheidG5281, metG1722 tekenenG4592, enG2532 wonderenG5059, enG2532 krachtenG1411.
De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten.
KJV
Truly2
the signs3
of an apostle5
were wrought6
among7
you
in9
all10
patience,11
in12
signs,13
and14
wonders,15
and16
mighty deeds.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Want wat is er, waarin gij minderG2274 geweest zijt dan de andereG3062 GemeentenG1577, andersG1508, dan dat ikzelf uG4771 niet lastigG2655 ben geweest? VergeeftG5483 mijG1473 ditG3778 ongelijkG93.
Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ikzelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.
Ook in dit vers
zelfG846
KJV
For2
what1
is it
wherein4
ye were inferior5
to6
other8
churches,9
except
it be that12
I14
myself13
was16
➔ not15
burdensome
to you?
forgive18
me
this
wrong.21
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZietG3708, ik ben ten derdenG5154 male gereedG2093, om totG4314 u te komenG2064, enG2532 zal u nietG3756 lastigG2655 zijn; wantG1063 ik zoekG2212 nietG3756 het uwe, maarG235 uG4771; wantG1063 de kinderenG5043 moetenG3784 nietG3756 schatten vergaderenG2343 voor de oudersG1118, maarG235 de oudersG1118 voor de kinderenG5043.
Ziet, ik ben ten derden male gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.
KJV
Behold,
the third time2
I am4
ready3
to come5
to6
you;
and8
I will10
➔ not9
be burdensome
to you:
for13
I seek14
not12
yours,
but17
you:
for20
the children23
ought21
not19
to lay up26
for the parents,25
but27
the parents29
for the children.31
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En ikG1473 zal zeer gaarneG2236 de kostenG1159 doen, en voor uw zielenG5590 ten koste gegevenG1550 worden; hoewelG1499 ik, uG4771 overvloedigerG4056 beminnendeG25, weinigerG2276 bemindG25 worde.
En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, u overvloediger beminnende, weiniger bemind worde.
KJV
And2
I1
will very gladly3
spend4
and5
be spent6
for7
you;9
though
the more abundantly
I love15
you,
the less16
I be loved.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Doch het zij zo, ik heb u nietG3756 bezwaardG2599; maar alzo ik listigG3835 was, heb ik uG4771 met bedrogG1388 gevangenG2983.
Doch het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar alzo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen.
KJV
But2
be it so,
I3
did5
➔ not4
burden
you:
nevertheless,7
being8
crafty,9
I caught12
you
with guile.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Heb ik doorG1223 iemandG5100 dergenen, dieG3739 ik totG4314 u gezondenG649 heb, van u mijn voordeel gezochtG4122?
Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht?
KJV
Did I make a gain9
of you
by7
any2
of them8
whom3
I sent4
unto5
you?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ik heb TitusG5103 gebedenG3870, enG2532 den broederG80 medegezondenG4882; heeft ook TitusG5103 van uG4771 zijn voordeel gezochtG4122? Hebben wij niet in denzelfdenG846 geestG4151 gewandeldG4043? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappenG2487?
Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?
Ook in dit vers
[gewandeld]G846
KJV
I desired1
Titus,2
and3
with him I sent4
a brother.6
Did9
➔
Titus11
make a gain
of you?
walked we16
not12
in the same14
spirit?15
walked we not17
in the same19
steps?20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
MeentG1380 gijG4771 wederomG3825, datG3754 wij ons bij uG4771 verontschuldigenG626? Wij sprekenG2980 in de tegenwoordigheidG2714 van GodG2316 inG1722 ChristusG5547; enG1161 dit allesG3956, geliefdenG27, tot uw stichtingG3619.
Meent gij wederom, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting.
KJV
Again,1
think ye2
that3
we excuse ourselves5
unto you?
we speak11
before6
God8
in9
Christ:10
but13
we do all things,14
dearly beloved,15
for16
your
edifying.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WantG1063 ik vreesG5399, dat als ik gekomenG2064 zal zijn, ik u nietG3756 enigszinsG4458 zal vindenG2147 zodanigenG3634 als ik wilG2309, en dat ik van u zal gevondenG2147 worden zodanigG3634 als gij nietG3756 wiltG2309; dat er niet enigszinsG4458 zijn twistenG2054, nijdighedenG2205, toornG2372, gekijfG2052, achterklapG2636, oorblazingenG5587, opgeblazenhedenG5450, beroertenG181;
Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zodanig als gij niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten;
KJV
For2
I fear,1
lest,3
when I come,4
I shall8
➔ not5
find11
you
such as6
I would,7
and that I10
shall be found
unto you
such as13
ye would15
not:14
lest16
there be debates,17
envyings,18
wraths,19
strifes,20
backbitings,21
whisperings,22
swellings,23
tumults:24
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Opdat wederomG3825, als ik zal gekomenG2064 zijn, mijn GodG2316 mijG1473 nietG3361 vernedereG5013 bijG4314 uG4771, enG2532 ik rouwG3996 hebbe over velenG4183, die te voren gezondigd hebben, enG2532 die zich nietG3361 bekeerdG3340 zullen hebben van de onreinigheidG167, enG2532 hoererijG4202, enG2532 ontuchtigheidG766, dieG3739 zij gedaan hebben.
Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben.
Ook in dit vers
tevoren gezondigdG4258
KJV
And lest,1
when I come3
again,2
my
God7
will humble5
me
among9
you,
and11
that I shall bewail12
many13
which6
have sinned already,15
and16
have18
➔ not17
repented
of19
the uncleanness21
and22
fornication23
and24
lasciviousness25
which26
they have committed.27
niet oorbaar;
Of, voegt mij niet wel; namelijk omdat het roemen een schijn heeft van eigendunkendheid. Versta dan dit, tenware ik tot handhaving mijns apostelschaps daartoe gedwongen worde. Zie hier vs.11,12.
Hertaald:
niet oorbaar;
Of: past mij niet goed; namelijk omdat roemen de schijn van eigenwaan heeft. Begrijp het dus zo: tenzij ik daartoe gedwongen word om mijn apostelschap te handhaven. Zie hier vers 11 en 12.
des Heeren
Dat is, die mij de Heere gedaan of vertoond heeft.
Hertaald:
des Heeren
Dat is: die de Heere mij gegeven of laten zien heeft.
in Christus,
Dat is, die in Christus is, of een Christen. Alzo spreekt hij van zichzelven in den derden persoon, tot een teken van nederigheid, alsof het ene zaak ware, die buiten hem ware. Anderen nemen dit woord in Christus, voor bij Christus, voor een vorm van eed, gelijk Rom. 9:1 , en hierna vs.19.
Hertaald:
in Christus,
Dat is: die in Christus is, of een christen. Zo spreekt hij over zichzelf in de derde persoon, als teken van nederigheid, alsof het iets was dat buiten hem stond. Anderen vatten de woorden in Christus op als bij Christus, als een vorm van eed, zoals in Rom. 9:1 en hierna in vers 19.
of het geschied zij
Dat is, of het alleen door een vertrekking van zinnen mij is vertoond in mijn geest; of dat mijn geest voor een tijd uit mijn lichaam in den hemel is opgebracht, om zulks te zien en te horen, weet ik niet. Anderen nemen het alzo: Of ik met lichaam en ziel in den hemel ben opgeheven, of met de ziel alleen, dat weet ik niet.
Hertaald:
of het geschied zij
Dat is: ik weet niet of het mij alleen door een verrukking van zinnen in mijn geest is voorgehouden, of dat mijn geest voor een tijd uit mijn lichaam in de hemel is opgevoerd om dit te zien en te horen. Anderen vatten het zo op: of ik met lichaam en ziel in de hemel ben opgeheven, of alleen met de ziel, dat weet ik niet.
tot in den derden hemel;
Dat is, in de woonplaats der engelen en heiligen zielen, die hij vs.4 het paradijs noemt, bij gelijkenis genomen van het aardse paradijs. Zie Luc. 23:43 ; Openb. 2:7 . De oorzaak waarom dit de derde hemel genaamd wordt, is omdat de lucht de eerste hemel gerekend wordt, de zichtbare hemelen, waar de sterren in zijn, de tweede, en de hemel boven al de hemelen de derde. Zie 1 Kon. 8:27 .
Hertaald:
tot in den derden hemel;
Dat is: in de woonplaats van de engelen en van de heilige zielen, die hij in vers 4 het paradijs noemt, bij vergelijking met het aardse paradijs. Zie Luk. 23:43; Openb. 2:7. De reden waarom dit de derde hemel genoemd wordt, is dat de lucht als de eerste hemel gerekend wordt, de zichtbare hemelen met de sterren als de tweede, en de hemel boven alle hemelen als de derde. Zie 1 Kon. 8:27.
Paradijs, en gehoord heeft
Zie vs.2.
Hertaald:
Paradijs, en gehoord heeft
Zie vers 2.
niet is geoorloofd te spreken
Of, niet kan uitspreken; namelijk omdat zij het begrip des mensen in dit leven teboven gaan; of, omdat God zulks niet heeft gewild, alzo deze dingen Paulus alleen gediend hebben om hem te sterken tegen al de zwarigheden, die hem in zijn dienst bejegenden. Anders heeft Paulus den gansen raad Gods van de zaligheid der mensen aan de gemeenten geopenbaard. Zie Hand. 20:27 .
Hertaald:
niet is geoorloofd te spreken
Of: niet kan uitspreken; namelijk omdat zij het begrip van de mens in dit leven te boven gaan, of omdat God dat niet gewild heeft. Deze dingen hebben Paulus namelijk alleen gediend om hem te sterken tegen alle moeilijkheden die hij in zijn dienst tegenkwam. Voor het overige heeft Paulus de hele raad van God over de zaligheid van de mensen aan de gemeenten bekendgemaakt. Zie Hand. 20:27.
in mijn zwakheden
Dat is, in mijne zwarigheden en verdrukkingen, die over mij gekomen zijn, gelijk hiervoor, 2 Kor. 11:23 , enz. en hierna vs.9 verklaard wordt.
Hertaald:
in mijn zwakheden
Dat is: in mijn moeilijkheden en verdrukkingen die over mij gekomen zijn, zoals hiervoor, 2 Kor. 11:23, enzovoort, en hierna in vers 9 verklaard wordt.
een scherpe doorn in het vlees,
Gr. scolops; welk woord betekent een scherpen paal, of stekeligen splinter, of doornachtig hout, dat iemand in de benen, of in het vlees steekt, wanneer men door de boomgaarden of bosschajen gaat. Het betekent ook somtijds een voetangel, die den paarden of mensen in hun gang wordt voorgeworpen, om hen te verhinderen of te vertragen. Beide betekenissen passen wel op Paulus' rede. Zie Num. 33:55 ; Ezech. 28:24 .
Hertaald:
een scherpe doorn in het vlees,
Grieks: skolops. Dat woord betekent een scherpe pen, of een stekelige splinter of doornachtig hout dat iemand in de benen of in het vlees dringt wanneer men door boomgaarden of bossen gaat. Soms betekent het ook een voetangel, die paarden of mensen in hun gang wordt voorgeworpen om hen te hinderen of te vertragen. Beide betekenissen passen goed bij wat Paulus zegt. Zie Num. 33:55; Ezech. 28:24.
engel des satans
Of, een engelsatan, die namelijk een instrument is geweest, dat hem deze kwelling tot zijne vernedering aangedaan heeft, gelijk in het voorbeeld van Job te zien is.
Hertaald:
engel des satans
Of: een engel-satan, die namelijk een werktuig geweest is dat hem deze kwelling tot zijn vernedering aangedaan heeft, zoals in het voorbeeld van Job te zien is.
met vuisten slaan zou,
Of, kinnebakslagen geven zou, dat is versmaadheid en kwelling aandoen. Wat dit nu voor ene kwelling geweest is, drukt de apostel niet uit. Sommigen menen dat het de vervolgingen en verdrukkingen zelf zijn geweest; anderen enige pijnen en benauwdheden des lichaams, die hem somwijlen aankwamen; anderen dat het zijn geweest kwellingen en aanvechtingen der ziel. Doch alles is onzeker; dit blijkt alleen uit vs.9,10, dat het enige bijzondere zwakheden geweest zijn der ziel of des lichaams.
Hertaald:
met vuisten slaan zou,
Of: slagen in het gezicht zou geven, dat is: smaad en kwelling aandoen. Wat voor kwelling dit geweest is, drukt de apostel niet uit. Sommigen menen dat het de vervolgingen en verdrukkingen zelf geweest zijn; anderen denken aan bepaalde pijnen en benauwdheden van het lichaam die hem soms overkwamen; anderen aan kwellingen en aanvechtingen van de ziel. Maar alles is onzeker. Uit vers 9 en 10 blijkt alleen dat het bepaalde bijzondere zwakheden van de ziel of van het lichaam geweest zijn.
driemaal gebeden,
Dat is, meermalen.
Hertaald:
driemaal gebeden,
Dat is: meermalen.
Mijne genade is u
Namelijk waardoor ik u tegen deze zwakheden alzo sterk, dat gij die overwint. Zie 1 Kor. 10:13 .
Hertaald:
Mijne genade is u
Namelijk de genade waardoor Ik u tegen deze zwakheden zo sterk dat u ze overwint. Zie 1 Kor. 10:13.
volbracht
Dat is, ten einde gebracht, of bewezen volmaakt te zijn, gelijk Jak. 2:22 .
Hertaald:
volbracht
Dat is: tot haar doel gebracht, of volmaakt bewezen, zoals in Jak. 2:22.
wone
Of, over u wone. Het Griekse woord betekent iets bewonen, of overschaduwen als een loofhut of tabernakel.
Hertaald:
wone
Of: over u wone. Het Griekse woord betekent iets bewonen, of overschaduwen als een loofhut of tent.
als ik zwak ben
Namelijk in mijzelven door al zulke benauwdheden en kwellingen.
Hertaald:
als ik zwak ben
Namelijk in mijzelf, door al zulke benauwdheden en kwellingen.
machtig
Namelijk door God, die mij in het midden derzelve sterkt en troost.
Hertaald:
machtig
Namelijk door God, Die mij daarin sterkt en troost.
minder geweest
Namelijk door de genade Gods, die mij geleid en bijgestaan heeft; 1 Kor. 15:10 .
Hertaald:
minder geweest
Namelijk door de genade van God, Die mij geleid en bijgestaan heeft; 1 Kor. 15:10.
niets ben
Namelijk van mijzelven; 1 Kor. 3:7 .
Hertaald:
niets ben
Namelijk uit mijzelf; 1 Kor. 3:7.
merktekenen van een apostel
Namelijk waaraan een recht apostel van Christus wordt gekend.
Hertaald:
merktekenen van een apostel
Namelijk de kenmerken waaraan een echte apostel van Christus wordt herkend.
betoond in alle
Gr. uitgewrocht.
Hertaald:
betoond in alle
Grieks: uitgewerkt.
met tekenen, en
Gr. in.
Hertaald:
met tekenen, en
Grieks: in.
de andere gemeenten,
Namelijk die van andere apostelen zijn geplant en gesticht, met welken hij zichzelven hier vergelijkt.
Hertaald:
de andere gemeenten,
Namelijk de gemeenten die door andere apostelen geplant en gesticht zijn, waarmee hij zichzelf hier vergelijkt.
niet lastig ben
Namelijk van onderhoud van u te nemen voor mij en degenen, die met mij waren.
Hertaald:
niet lastig ben
Namelijk door van u onderhoud aan te nemen voor mij en voor hen die met mij waren.
Vergeeft mij dit ongelijk
Een scherpe berisping door een wijze van spreken, waarvan zie 2 Kor. 11:19 . Of, deze ongerechtigheid.
Hertaald:
Vergeeft mij dit ongelijk
Dit is een scherpe bestraffing, in een manier van spreken waarover men 2 Kor. 11:19 kan zien. Of: deze ongerechtigheid.
ten derden male
Zie hiervan 2 Kor. 13:1 .
Hertaald:
ten derden male
Zie hierover 2 Kor. 13:1.
niet het uwe, maar
Dat is, niet uwe goederen, maar uwe zaligheid.
Hertaald:
niet het uwe, maar
Dat is: niet uw goederen, maar uw zaligheid.
de kosten doen, en
Namelijk om mij en de mijnen onder u te onderhouden.
Hertaald:
de kosten doen, en
Namelijk om mij en de mijnen onder u te onderhouden.
voor uwe zielen
Dat is, voor de zaligheid uwer zielen ook mijn leven in gevaar geven.
Hertaald:
voor uwe zielen
Dat is: voor de zaligheid van uw zielen ook mijn leven in gevaar geven.
alzo ik listig was,
Dit is een lastering der valse apostelen, wier woorden hij verhaalt en daarna wederlegt.
Hertaald:
alzo ik listig was,
Dit is een laster van de valse apostelen, wier woorden hij weergeeft en daarna weerlegt.
gevangen
Of, ingenomen; dat is, alzo met een zoeten toon tot mij gebracht, om daarna mijn voordeel met u te doen.
Hertaald:
gevangen
Of: ingenomen; dat is: zo met een zoete toon voor mij gewonnen, om daarna mijn voordeel met u te doen.
van u mijn voordeel
Of, u iets afgedrongen, door gierigheid iets afgeperst, gelijk het Griekse woord medebrengt, alzo ook in vs.18.
Hertaald:
van u mijn voordeel
Of: u iets afgedwongen, uit hebzucht iets afgeperst, zoals het Griekse woord inhoudt; zo ook in vers 18.
in denzelfden Geest
Dat is, zijn wij niet door denzelfden Geest Gods in onzen handel en wandel onder u geleid geweest?
Hertaald:
in denzelfden Geest
Dat is: zijn wij niet door dezelfde Geest van God geleid in ons optreden en onze wandel onder u?
verontschuldigen?
Namelijk om onze zaken alleen bij u schoon te maken en niet veel meer om uwentwil, om u in de aangenomene waarheid te bevestigen.
Hertaald:
verontschuldigen?
Namelijk om onze eigen zaak bij u alleen goed te praten, en niet veel meer om uwentwil, om u te bevestigen in de waarheid die u aangenomen hebt.
in Christus; en dit
Zie hiervoor de aantekeningen vs.2.
Hertaald:
in Christus; en dit
Zie hiervoor de aantekeningen bij vers 2.
zodanigen als ik wil,
Dat is, velen onder u in dezelfde gebreken zorgeloos voortgaande, gelijk in het einde van dit vers vs.20 verklaard wordt.
Hertaald:
zodanigen als ik wil,
Dat is: dat velen onder u zorgeloos in dezelfde gebreken voortgaan, zoals aan het einde van dit vers verklaard wordt.
als gij niet wilt;
Dat is, scherper in het oefenen der kerkelijk straf, dan gij tot nog toe ervaren hebt.
Hertaald:
als gij niet wilt;
Dat is: strenger in het toepassen van de kerkelijke straf dan u tot nu toe ervaren hebt.
beroerten
Of, oproer, ontroeringen.
Hertaald:
beroerten
Of: oproer, onrust.
mij niet vernedere bij u,
Dit zegt de apostel, omdat er niets was, dat hem verhoogde en verblijdde, dan dat zijn arbeid zijn behoorlijke vruchten onder hen had; en dat hem niets meer vernederde en bedroefde, dan wanneer door zonden en ergernissen zijn arbeid afbreuk scheen te lijden. Zie 1 Thess. 2:19-20 .
Hertaald:
mij niet vernedere bij u,
Dit zegt de apostel omdat er niets was dat hem meer verhoogde en verblijdde dan dat zijn arbeid de behoorlijke vruchten onder hen had, en niets dat hem meer vernederde en bedroefde dan wanneer zijn arbeid door zonden en ergernissen schade leek te lijden. Zie 1 Thess. 2:19-20.
tevoren gezondigd
Namelijk waarvan hij in den voorgaanden brief had geschreven.
Hertaald:
tevoren gezondigd
Namelijk waarover hij in de vorige brief had geschreven.
ontuchtigheid, die
of, geilheid, dartelheid, wulpsheid.
Hertaald:
ontuchtigheid, die
Of: geilheid, uitgelatenheid, wulpsheid. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een niet-Joodse (Griekse) medewerker en 'broeder' van Paulus, die een belangrijke rol speelde bij het overbrengen van berichten tussen Paulus en de gemeente te Korinthe en bij het inzamelen van de gave voor de heiligen te Jeruzalem (2 Kor. 2:13; 7:6-16; 8:6, 16-23). Later kreeg hij zelf een brief van Paulus en werd hij op Kreta achtergelaten om de gemeente daar te ordenen (Titus 1:5). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Om te voorkomen dat Paulus zich zou verheffen op de uitnemendheid van zijn openbaringen, werd hem "een scherpe doorn in het vlees" gegeven, "namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen" (2 Kor. 12:7). Driemaal bad hij de Heere dat deze van hem zou wijken (2 Kor. 12:8), en kreeg het antwoord: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Kor. 12:9). Daarop volgt Paulus' beroemde omkering: "Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone" (2 Kor. 12:9), en het vers erna besluit: "als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Kor. 12:9-10). Bijbelse betekenis: De aard van de "doorn" wordt met opzet niet nader omschreven — de tekst laat zich niet vastpinnen op één lichamelijke kwaal, en dat is theologisch juist zo bedoeld: elke gelovige kan er zijn eigen, onopgeloste beproeving in herkennen. De kern is niet de doorn zelf, maar Gods antwoord erop: niet wegneming, maar genoegzame genade, en de paradox dat Gods kracht Zich juist in de erkende zwakheid van de gelovige, niet in diens eigen sterkte, volledig ontplooit. Typologie: Paulus zelf leert dezelfde les langs een andere weg in Fil. 4:11-13: "ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben" (Fil. 4:11), en twee verzen verder: "Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft." 2 Kor. 12:7-10; Fil. 4:11-13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus is gedwongen over zichzelf te spreken omdat anderen in Korinthe met hun eigen aanzien schermen. Hij vertelt van een man die opgetrokken werd tot in het paradijs — en houdt zich op afstand door in de derde persoon over zichzelf te schrijven. Op het gebed om verlossing van een kwelling komt geen wegneming maar een belofte: Mijn genade is u genoeg. Wat hij gezien heeft, vertelt hij niet: onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Van het hoogtepunt van zijn leven geeft hij geen verslag. En dan komt de tegenhanger, in dezelfde adem: opdat ik mij niet zou verheffen, is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou. Hij noemt niet wat het was. Wat hij wél noemt is dat hij er driemaal om gebeden heeft dat het van hem weggenomen zou worden. Het antwoord dat hij kreeg is niet wat hij vroeg: en Hij heeft tot mij gezegd, Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. De kanttekening legt beide helften uit. Bij die genade: de genade waardoor Ik u tegen deze zwakheden zo sterk maak dat u ze overwint. En bij volbracht: tot haar doel gebracht, of volmaakt bewezen. De kracht wordt dus niet ondanks de zwakheid bewezen maar erín. Dat is dezelfde beweging als aan het kruis. Daar werd de macht van God zichtbaar juist waar niets meer op macht leek. Het mooiste staat in het slot van dat vers, en de kanttekening haalt het naar boven. Paulus schrijft dat de kracht van Christus in hem wone — en het Griekse woord betekent iets bewonen, of overschaduwen als een loofhut of tent. Daar staat de tabernakel weer. Johannes gebruikt dezelfde beeldspraak wanneer hij zegt dat het Woord onder ons Zijn tent opsloeg. Paulus past haar toe op zijn eigen zwakheid: juist daar wil Christus wonen. Zijn gevolgtrekking is dan geen berusting maar iets vrolijkers: zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. In het Nieuwe Testament: 1 Korinthe 1:25-31; 2 Korinthe 13:4; Johannes 1:14; Filippenzen 4:13
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. 2 Korinthe 12:9 Een belangrijke eigenschap om God succesvol te dienen en Zijn werk goed te doen, is het besef hoe zwak… Mijn genade is voor u genoeg. 2 Korinthe 12:9 We zouden de troost van Gods genade nooit zo diep hebben leren kennen als geen van Zijn kinderen ooit… Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heere, wat is het dat Gij U aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Johannes 14:22 Verder lezen: 2 Korinthe… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. 2 Korinthe 12 vers 9 Als je God met vrucht wilt dienen en Zijn werk… Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus ’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. 2… Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. 2 KORINTIERS… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Mijn genade is voor u genoeg. 2 Korinthe 12 vers 9 Als geen enkel kind van God arm zou zijn, of… Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. 2 Korintiers 12:10 De uitdrukking is paradoxaal, en schijnt ook wat eigenaardig te zijn. Toch betrof het de ervaring van de… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Korinthe 12
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht — 12:1-10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Onze zwakheid erkennen
Overvloedige genade
Christus die Zichzelf aan Zijn volk openbaart
Als je zwak bent, ben je toch sterk
Zwak, maar machtig
De noodzaak van het leven
Mijn genade is u genoeg
Kracht in zwakheid


2 Korinthe 12
2 Korinthe 12:7-10
Kruisverwijzingen2 Korinthe 12:10→Filippenzen 4:13→Efeze 3:16→Jesaja 40:29→1 Korinthe 10:13→Jesaja 43:2→2 Korinthe 12:5→1 Petrus 4:13→— En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
“Zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees.” Onze tekst wijst ons eerst op een gevaar waaraan de apostel blootstond: “opdat ik mij niet zou verheffen.” Hier is een gevaar waaraan wij allen blootstaan. De opgeblazenheid van het ik is de fout van velen en het gevaar van allen. Maar de apostel Paulus was er in het bijzonder aan onderworpen, omdat hij was opgenomen tot in de derde hemel en verborgen dingen had gezien en gehoord.
Zo werd Paulus een voorbehoedmiddel gegeven: hem werd een scherpe doorn in het vlees gegeven. Paulus rekende zijn grote beproeving tot een gave. Hij zegt niet: mij werd een doorn in het vlees opgelegd, maar: mij is gegeven een doorn in het vlees. Aanvankelijk zag de apostel zijn doorn misschien niet als een gave, maar later kwam hij ertoe haar zo te zien. Een doorn is maar een kleine zaak, en wijst op een pijnlijke, maar niet dodelijke beproeving. Paulus zei dat het een doorn was “in het vlees.” Paulus werd niet verzocht in zijn geest; het was voornamelijk een beproeving van het lichaam. De apostel vertelt ons niet wat zijn bijzondere kwaal was, maar zij werd voor hem niet slechts een doorn in zijn vlees, maar “een engel des satans” — niet de satan zelf, maar een van satans boodschappers. Dat hij “met vuisten slaan” zou, laat zien dat het hem deed voelen dat hij een zwak mens was.
Het onmiddellijke gevolg van deze doorn voor Paulus was dat zij hem op zijn knieën dreef: “hierover heb ik den Heere driemaal gebeden.” Deze doorn dwong Paulus tot God te roepen, en toen hij eenmaal begonnen was te bidden, nam hij zijn toevlucht tot het gebed keer op keer. Hij bleef bidden totdat hij ten slotte als antwoord kreeg, niet de wegneming van de doorn, maar de verzekering: “Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Zo werd Paulus, ofschoon afgewezen, toch verhoord, want hij ontving iets beters dan de wegneming van de doorn in het vlees. Het gevolg was dat de gegeven genade hem in staat stelde de doorn te dragen, en hem er recht bovenuit tilde. Hij verblijdde zich zelfs en roemde erin dat hem was toegestaan zo te lijden: “zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” Hieruit maak ik op dat de zwaarste vorm van beproeving toch ons beste deel op dit ogenblik kan zijn.
Ten slotte geeft Paulus ons het blijvende gevolg. Voor het ogenblik behoedde de doorn hem ervoor zich te verheffen, doordat zij hem tot bidden bracht en hem meer genade deed ontvangen; maar blijvend hield het geneesmiddel hem nederig. Zijn manier om het verhaal te vertellen is bijzonder nederig van geest. Hij leidt ons weg van de gedachte hoe heerlijk God Zich aan hem geopenbaard heeft. Hij doet ons letten op de zwakheid van wie de openbaring ontving, in plaats van op de grote eer die door de openbaring zelf verleend werd.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
d. Vers 1-10Kruisverwijzingen2 Korinthe 12:10→Filippenzen 4:13→Efeze 3:16→Jesaja 40:29→1 Korinthe 10:13→Jesaja 43:2→2 Korinthe 12:5→1 Petrus 4:13→
— Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel; En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het), Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Van den zodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden. Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
De apostel heeft in de vorige afdeling voldoende aangewezen, hoe hij door ondervindingen van lijden, waarin de kracht van de Heere zich krachtig aan hem betoonde, bewezen was een echt en waar dienaar van Christus te zijn, terwijl de tegenstanders slechts weinig of in het geheel niets van die aard konden aanwijzen. In de ogen van ontwikkelde Christenen nu moet deze voorrang erkenning vinden; de Corinthiërs echter, door de dwaalleraars verblind, wilden liever wonderbare verschijningen of buitengewone openbaringen zien aangetoond, om daarin de apostel te zien en ook met deze kan Paulus hen dienen. Hij verhaalt dus, na zich vooraf te hebben verdedigd, dat hij het niet deed om zich te beroemen, op een manier, waarbij zijn “ik” hem tot een “hij” wordt en zo geheel bij de Goddelijke gave de mens, die ontvangt. Op de achtergrond treedt, dat hij voor zichzelf als een vreemde is (vgl. Joh. 21: 7, 24). Hij vertelt van een gebeurtenis van veertien jaar daarvóór, toen hij in het heiligdom van de hemel verheven en in het paradijs van de zaligen verplaatst werd. Snel brengt hij echter zijn rede over op het verootmoedigend tegenwicht tegenover die heerlijke openbaring, op het lijden door de satan bewerkt. Hij belijdt zijn smeken voor de Heere, om van zo’n aanvechting bevrijd te worden, maar ook het antwoord, dat hij daarop heeft ontvangen en komt er zo opnieuw weer toe, dat hij op geen zaak dan op zijn zwakheid roemen kan.
Te roemen is mij, zoals ik dat gevoel reeds in Hoofdstuk 11: 1, 17, 30 heb uitgedrukt, echt niet oorbaar en vooral niet op datgene, waarvan ik u nu wil meedelen. Ik mag dat wel herhalen, omdat juist daarin niet weinig aanleiding verborgen ligt en verzoeking tot zelfverheffing (vs. 7), want ik zal, omdat ik nu toch eenmaal tot dat roemen genoopt ben, komen tot gezichten en openbaringen van de Heere, waarnaar u vraagt, als er gehandeld wordt over de erkenning van iemand als apostel.
Paulus gaat niet zonder een enkel woord over tot datgene, waarover hij toch moet handelen, zal hij aan die valse apostelen te Corinthiërs niet een roem laten, waarop zij zich het meeste lieten voorstaan. Evenals men te Corinthiërs de gave van de talen boven alles achtte (1 Kor. 12-14, dat extatische prijzen van God, zo legde men daar ook een bijzondere nadruk op extatische openbaringen van God. De apostel ziet zich daar, evenals reeds te voren, in de onaangename toestand, dat hij roemen, zichzelf roemen moet en wat hij zo moet doen, is hem, zoals hij dat levendig voelt, niet oorbaar en het brengt hem geen nut of voordeel aan.
Vergeten wij niet welke bedoeling de apostel heeft, als hij van zichzelf predikt en schrijft. Hij moet valse leraars overwinnen, die bij de Corinthiërs daardoor ingang probeerden te verkrijgen, dat zij de apostel, die hen in Christus had geteeld, door lasteringen in het stof probeerden te werpen. Tegenover deze kan hij niets beters doen, dan uit zijn levensgeschiedenis datgene mededelen, wat deels bij de valse leraars zeker werd gevonden, deels het meest geschikt was, om zijn aanzien bij de Corinthiërs weer te herstellen. Met deze bedoeling schreef hij hen van zijn arbeid en zijn lijden (Hoofdstuk 11: 23 vv.), daarmee schrijft hij hun nu ook van zijn hemelse vreugde. Konden zijn vijanden geen lijden aanwijzen, zoals hij dat had, zij konden zeker evenmin of nog minder dergelijke vreugde en tekenen van gemeenschap met God verhalen zoals Paulus. De apostel schijnt van de zaak, die hij hoofdzakelijk wil mededelen, zelf niet vaak te hebben gesproken, die wellicht zelfs tot de tijd, waarin hij onze brief aan de Corinthiërs schreef, te hebben verzwegen, de manier ten minste, waarop hij verdraagt, draagt het stempel van het openbaren van een geheim. Wat hij gaat mededelen moet voor het doel van de apostel bijzonder dienstig zijn geweest. Zo was het toch te Corinthiërs nog niet met hem gesteld, dat men zijn woord niet zou hebben geloofd. Hij stond bekend als een waarachtig en getrouw getuige en kon hij van een verrukking tot in de derde hemel verhalen, zo vond hij geloof bij de gemeente. Juist daardoor moesten de vijanden van Paulus worden overwonnen, de gemeente moest met haar geestelijke vader opnieuw verenigd worden en het grote zielsgevaar worden weggenomen, waarin zij verkeerde.
Niet zonder bepaald protest tegen de slang, die zich onder lauwertakken verbergt, wil Paulus in het roemen voortgaan; want schrijft hij, ik wil komen, met opwaarts stijgende stappen, tot de gezichten en de openbaringen van de Heere. Hij voelde, hoe bij het komen hierop, het gevaar van zelfverheffing hem bijzonder nabij was en hij wapende zich daartegen met een “niet mij! ” Tot gezichten, waarin voor het inwendig oog en tot openbaringen, waarin voor het inwendig oor de geschiedenis van de uitwendig onzichtbare en onwaarneembare wereld worden te zien en te horen gegeven, heeft de Heere Zich van het begin (vgl. Hand. 22: 15, 26: 16) de man geopenbaard, aan wie Hij op buitengewone manier vermoedde dat hij geen oog en geen oorgetuige geweest was, opdat hij in gelijk gezag als de twaalf apostelen zou staan. “Heb ik niet Jezus Christus onze Heere gezien? ” mocht hij zijn tegenstanders vragen (1 Kor. 9: 1) en zich zo, hoewel in diep neerbuigen voor de allerwijste barmhartigheid onder de getuigen van de Gekruisigde en Opgestane, plaatsen (1 Kor. 15: 8 vv.). Hij wil hier echter met een reeks van ondervonden gezichten en openbaringen welke het evenwicht hield met de reeks van doorgestaan lijden en arbeid, ook niet een gezicht, waarvan hij het beeld verklaren een openbaring, waarvan hij de inhoud uitspreken kon, uit de schat van zijn ervaringen ophalen, maar hij spreekt van een enkele wondervolle ervaring, waarvan hij nog de hemelse vreugde in zijn hart voelde, waarvan het verhaal meer een sluier dan een venster was voor allen, die het niet beleefd hadden zoals hij. Wij mogen wellicht uit de manier, waarop hij van dat feit spreekt, dat tussen hem en de Heere verborgen was gebleven, besluiten dat hij niet veelvuldig, wellicht alleen ditmaal een voorsmaak heeft genoten van de hemelse vreugde, terwijl hij dagelijks veel lijden had. Zeker is het zedig verzwijgen, waarmee de – na 14 jaren -afgepaste rede van een slechts aan God en hem bekende zaak omgeven is, even stichtelijk en leerrijk als de rede zelf en men kan zich voorstellen, hoe de Corinthiërs, die door dwepers honderderlei dingen werden voorgepraat, in zoverre zij vatbaar waren voor de geest van de waarheid, moeten ontwaken en zeggen: Ja waarlijk, hier is de ware aard van Christus en van de dienaar van Christus.
Gezichten en openbaringen blijven op deze manier verschillen, dat de eerste inzonderheid voor van de mensen inwendige aanschouwing iets voorhouden, zonder dat het daarbij door een gehoord of ingegeven woord verklaard wordt. Openbaringen die echter ook vaak bij gezichten voorkomen, richten zich door het woord tot de geest. (V.).
a) Ik ken een mens in Christus en wat ik wil meedelen had plaats veertien jaar geleden, dus in het jaar 43 na Christus, nog in de tijd toen hij werd toegerust tot het beginnen van zijn apostolische loopbaan Ac 11: 26 (of het geschied zij in het lichaam, zodat dit heeft deelgenomen aan de hemelvaart van de ziel, om een voorsmaak te hebben van de verandering, die het eens zal ondergaan (Hoofdstuk 5: 2-4), weet ik niet, of dat het buiten het lichaam geweest is, zodat de ziel een poos buiten de donkere en moeilijke tent van het lichaam een voorsmaak heeft gehad van haar zijn hij de Heere (Hoofdstuk 5: 8), weet ik niet, zoals ik ook niet weet, of de Heere mij nog eenmaal de overkleding of de ontkleding zal laten ondervinden (2 Kor. 5: 9), (God weet het), dat deze opgetrokken is geweest (Hand. 8: 39. 1 Thessalonicenzen. 4: 17 tot in de derde hemel. Hij werd boven de wolken- en sterrenhemel in de onzichtbare wereld van de hemelse geesten geplaatst (Gen. 1: 1) en daar weer in het allerheiligste (Hebr. 9: 24. en “Lu 11: 4).
Hand. 9: 3; 23: 17. 1 Kor. 15: 8.
En ik ken zo iemand, (of het bij het ondervinden daarvan in het lichaam of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God alleen, die alle dingen weet (Sirach 42: 19, weet het):
Dat hij tot het ontvangen van openbaringen (vs. 1) opgetrokken is geweest in het paradijs (Luk. 23: 43, Openbaring 2: 7) en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens hier op aarde niet geoorloofd is te spreken, omdat mensentaal daarvoor onvoldoende is (1 Kor. 13: 1) en als hij het al kon, zou hij het toch niet mogen zeggen, omdat zij niet voor mededeling aan anderen geschikt zijn, maar een geheim moeten blijven.
Het was toen niet zoals bij latere verrukkingen en gezichten van Paulus, waarvan de Schrift verhaalt, waarin Christus zijn apostel naderde (Openbaring 1: 10 vv.), hier naderde de apostel hem, hij werd opgetrokken tot God.
Wat Paulus hier vertelt behoort zo geheel tot zijn bijzonder inwendig leven, dat wij volstrekt geen recht hebben daarvan een bericht in de Handelingen te verwachten, in alle uitvoerigheid, des te minder omdat Paulus de zaak als een geheim behandelt, waarvan hij zonder dringende aanleiding volstrekt geen gebruik maakt. Dit blijkt in het bijzonder uit zijn opgave van tijd, dat de gebeurtenis nog vóór het begin van zijn grootse apostolische werkzaamheid, in elk geval voor zijn eerste zendingsreis (Hand. 13) valt en te vergelijken is met een goddelijk onderpand of handgeld, waardoor hij tot onversaagd hoopvol dragen van al die smart wordt gesterkt, die op zijn toekomstige weg lag. Nog vóór de Heere hem laat voelen, hoeveel hij moet lijden omwille van Zijn naam, laat Hij hem vooraf de heerlijkheid aanschouwen, die hem aan het einde wacht, opdat hij iets mocht hebben dat hij zich tot zijn versterking ten allen tijde zou kunnen herinneren. Zo mochten ook de drie uitverkoren discipelen van Jezus hun Meester op de berg der verheerlijking zien (MATTHEUS. 17: 1 vv.), voor zij uit Zijn mond de aankondiging vernamen van Zijn lijden en dat snel op de ontzettendste manier moesten vervuld zien.
De apostel denkt aan het voorgevallene alsof hij sprak van hetgeen door een ander was ondervonden, zodat alleen uit de inhoud daarvan en uit de samenhang, waarin hij het zegt, duidelijk is dat hij het zelf moet zijn geweest, die dit is overkomen. Hij spreekt van een “mens in Christus”, dus van iemand, wiens mens zijn nader bepaald is door een besloten zijn in Christus en daarnaar is gevormd – een uitdrukking, die opzettelijk zo algemeen mogelijk genomen is en geheel doet afzien van de persoonlijke gesteldheid van hem, die zo’n genade ondervonden heeft. Vervolgens komt de opgave, hoe lang het geleden is, dat hem zulks geschiedde, een opgaaf, die de lezers niet kon dienen om ze te doen weten onder welke omstandigheden het geschiedde, maar op hen de indruk moest maken dat hij zelf zich dit voorval als iets bijzonders bepaald en nauwkeurig herinnert. Zo nauwkeurig als hij zich bewust is van de tijd en omstandigheden van de gebeurtenis, zo weinig weet hij van de manier, hoe hij het ervaren heeft en omdat hij het zonder getuigen heeft ondervonden, weet alleen God, of hij lichamelijk opgetrokken is, of dat hij aan zijn op aarde gebleven lichaam onttrokken en zo buiten het lichaam daar verplaatst is geworden, waar hij zich herinnert geweest te zijn.
Paulus verklaart zich buiten staat om te zeggen, of hij lichamelijk naar de later genoemde plaats is opgetrokken, of dat zijn geest, voor een tijd losgemaakt van de boeien van het lichaam, daarheen verplaatst is. In het eerste geval moet een voor de tijd van het gezicht teweeg gebrachte verandering van het lichaam in de toekomstige staat van verheerlijking (evenals bij Christus in MATTHEUS. 17: 2) worden aangenomen, waaruit Paulus in de natuurlijke toestand van sterfelijkheid en aardse beperktheid werd teruggeplaatst; in het tweede (naar het latere einde van Paulus leven meer waarschijnlijk) geval is er een scheiding geweest van lichaam en geest, die weer werd opgeheven, als het doel, waartoe zij geschiedde, was bereikt (op gelijke manier als bij die doden, die door Christus en de apostelen weer zijn opgewekt). Paulus zelf laat de vraag onbeslist. Alleen verbieden de woorden, die hij later gebruikt, aan een opgetrokken worden te denken op de manier, die vaker voorkomt (Hand. 22: 17; 10: 10. Openbaring 1: 10), waarbij lichaam en geest ongescheiden op aarde blijven, alleen de gewone natuurlijke werkzaamheid van de geest en van de zintuigen wordt afgebroken en een bekwaamheid in de mens wordt werkzaam gemaakt of hem geschonken wordt om te zien en te horen wat voor de natuurlijke waarneming verborgen blijft. Paulus werd integendeel omgetrokken, d. i. weggenomen vgl. Ezechiël. 8: 3.
De plaats, waartoe de apostel door die hogere macht, die zich van hem meester maakte (de Geest van God) werd opgetrokken, noemt de apostel de derde hemel. Er wordt in de Bijbel van meerdere hemelen gesproken (Deut. 10: 14. 1 Kon. 8: 27 Op deze wijst ook in het bijzonder de voorstelling van de hemelvaart van Christus in Hebr. 4: 14 het einde van dit doorgaan is volgens Hebr. 9: 24 het ingaan in de hemel zelf, d. i. in de woonstede van de goddelijke majesteit, waartoe de hemelen, door welke Hij is doorgegaan, in verhouding staan als het heilige en de tabernakel tot het Allerheilige.
Dat nu in vs. 3 v. geheel hetzelfde zou bedoeld zijn als in vs. 2 is daardoor uitgesloten, dat Paulus hier met dezelfde plechtige uitdrukking begint te verhalen, waarmee hij te kennen geeft, dat hij nu iets nieuws wil berichten, hoewel daarmee in verband staande en nu ook het nieuwe op tweevoudige manier door een andere gebruikte uitdrukking te kennen geeft: a) hij weet niet of hij in het lichaam of zonder het lichaam geweest is (dat op de staat van de afgestorvenen wijst) en b) hij werd opgetrokken in het Paradijs. Het feit, dat dus als optrekking, in de derde hemel de voorstelling van een verplaatsing uit de aardse wereld tot hoog in het bovenaardse, ja tot in het allerheilige ons geeft, komt nu meer voor als een optrekking daarheen, waar God bij de in Christus ontslapen mens is en zij met Hem in bovenaardse gemeenschap staan. In elk geval is hierbij die opvatting van de uitleggers vals, die deze tweede optrekking voor een nog hogere dan de eerste houden, evenals was Paulus door de derde hemel tot in het paradijs opgevaren; want zeker is hier niet het paradijs gedacht in tegenstelling tot de overige hemel, te vergelijken met de hof Eden in tegenstelling tot de overige wereld (Gen. 2: 8), maar de uitdrukking is een aanwijzing aan Edens hof ontleend, van een plaats, waar God bij de zalige mensen is. Terwijl nu Paulus in de derde hemel gezichten aanschouwde, hoorde hij in het paradijs openbaringen. Zo worden wij integendeel op de gedachte gebracht van dat onderscheid, dat hij daar bij God en Christus was, hier daarentegen bij de in Christus afgestorven zielen, die zich in zalig verkeer met God bevinden, om nadat hij daar de goddelijke zaken door eigen aanschouwen heeft leren kennen (Jes. 6: 1 vv.), nu de toestand te leren kennen van diegenen, van wie het word in Openbaring 14: 13 gezegd is en hun lofgezangen te vernemen. De apostel noemt wat hij daar vernam “onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken” en hij beschrijft het daarmee als iets, dat wat zijn aard aangaat voor uitdrukking in onze aards-menselijke taal te hoog, daarenboven wat de inhoud aangaat voor mededeling aan anderen niet geschikt, ook daartoe niet bestemd was, zodat het daartoe niet kan komen. Zelfs een Paulus had met alle mogelijke middelen het niet kunnen weergeven; zoals dan ook in onze aardse toestand ons kenvermogen verder reikt dan het vermogen om te spreken; maar als hij het ook had kunnen doen, zou hij het toch niet hebben gedaan, omdat de openbaarmaking een verraad zou zijn geweest tegen het heiligdom, een schending van het zalig geheim, dat hem was toevertrouwd. Rieger merkt hierbij juist op: “heden ten dage meent men vaak, dat men door bijzondere berichten uit het onzichtbare de mensen tot meerdere opmerkzaamheid zou brengen. Bij wie echter het woord van het kruis niet vooraf een waar geloof heeft opgewekt, bij die zouden ook woorden uit de derde hemel en uit het paradijs eerder het ongeloof voeden, dan tot geloof opwekken. Bovendien is het in goddelijke zaken raadzaam altijd meer in zijn schatkamer te hebben dan uit te geven.
Van dit, (liever “van zo iets van hetgeen deze mens in Christus, van wie ik in vs. 2 en 3 v. sprak, overkomen is, zal ik roemen, maar van mijzelf, over mijn eigen persoon zal ik, volgens de reeds vroeger voorgedragen grondstelling (Hoofdstuk 11: 30) niet roemen, dan in mijn zwakheden; want deze alleen behoren mij werkelijk toe, al het overige is Gods genade, waarvan de waarde door niets mag worden verlangd (vgl. Luk. 17: 10).
Paulus gaat voort zoals hij in vs. 2 begonnen is, zichzelf, in zoverre hem die wonderbare opwekking overkomen is, als een ander, een vreemd persoon te behandelen, deze met zo grote genade verwaardigde mens van zichzelf, van zijn eigen ik te onderscheiden. Hij doet dit, erkennend dat hij zelf aan die verhoging niet het minste werkzame aandeel had, dat dus ook alle eer of onderscheiding, die daardoor verleend was, niet zozeer zijn eigen ik aanging, als wel die uitverkorenen, die God had goed gevonden met zulke hoge dingen te verwaardigen. De bescheidenheid verbiedt hem ten aanzien van deze te zeggen: “zij zijn aan mij geschied”
Hij wil er zich in verheugen en tegenover anderen erop roemen, dat een mens zodanige genade heeft ondervonden, maar geheel afgezien daarvan, dat hij zelf die mens is. Wat zijn eigen persoon aangaat, hij wil slechts roemen in die dingen en ondervindingen, die getuigenissen zijn van zijn zwakheid.
Het roemen op zijn zwakheden, de velerlei toestanden en openbaringen, waarin zijn zwakheid aan het licht treedt, is een treffend Oxymoron (tegenspraak in schijn) en een heilig paradoxon (bevreemdende bewering), waarmee hij de eigen roem vernietigt, maar daarentegen de genade en voller en uitsluitender roemt, die zich bij die zwakheid te krachtiger en heerlijker in hem betoond heeft.
Want als ik op zulke eigenschappen of werken roemen wil, waarin het tegendeel van zwakheid zich openbaart, ik zal daarom niet onwijs zijn, omdat ik niet genoodzaakt zou zijn volgens de manier van die ijdele pronkers met snoeverijen en verdichte en overdreven zaken voor de dag te komen; want ik zal de waarheid zeggen, als ik van mijzelf roem. Maar ik houd daarvan, van al dat roemen op voorrechten en verdiensten, af, opdat niemand van mij denkt boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort, maar elk zijn oordeel over mij alleen vormt naar die indruk, die mijn openbare wandel en het woord van mijn prediking op hem maakt.
De apostel heeft bij dit woord zijn tegenstanders op het oog: elk roemen is dwaas, omdat alle roem alleen aan God toekomt; het is echter volstrekt dwaas, als die roem geen grond heeft, zoals dat bij de dwaalleraars het geval is, die op nietige dingen roemen. Paulus nu wil zich van alle roem onthouden, hoewel hij, als hij wilde, roemen kon, zonder dat hij ook maar in het minst zich aan de waarheid vergreep. Hij wil zich echter daarvan onthouden, opdat niemand hem hoger achte, dan hij in hem ziet of van hem hoort. Hij wil het oordeel van anderen over hem niet opschroeven door mededeling van datgene, wat men slechts op zijn woord moest geloven. Zijn ootmoed eist integendeel de mogelijke overwaardering van zijn persoon te verhoeden. Wat men in hem zag en wat men van hem hoorde, was zwakheid en aanvechting. In deze ootmoedige gedaante wil hij ook voortaan voor de mensen verschijnen, opdat alles, wat hij wenst, niet aan hem, maar aan de kracht van God wordt toegeschreven.
Wat is Paulus’ liefde voor de zielen toch rein en hoe beheerst die geheel zijn gedrag. Temidden van de hem afgeperste verantwoording van zijn persoon als Christen en apostel tegenover benijders en lasteraars vergeet hij niet het gevaar van mensenvergoding, waarin juist oprechte zielen konden raken, die zich ook tegen hem hadden bezondigd, als zij nu dat vernederend oordeel, waartoe zij waren verleid, weer goed wilden maken door overwaardering. Kon hij zelf de eenzame hoogte, waarop de Heere hem had verheven, nauwelijks en niet zonder de bittere artsenij van de diepste verootmoediging verdragen (vgl. vs. 7), hoeveel te min zouden zijn zwakke kinderen de verzoeking zijn ontgaan om een heilige in anti-evangelische zin van hem te maken, als hun tot iets zo gevaarlijks stof geleverd was. Daarom vergenoegde hij zich zijn dagelijkse openbare wandel, de wegen, die men hem zag gaan en de leer, die men uit zijn mond hoorde, met de bezegeling van de goddelijke roeping, die God aan zijn bediening bevestigd had (1 Kor. 9: 2), voor zich te laten spreken.
En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen, die toch zo wonderbaar heerlijk zijn, alle grenzen van het gewone te boven gaan en daarom zo licht hem, die ze ontvangt, in bedwelming brengen, niet zou verheffen, zo is mij als een tegenwicht van de Heere gegeven een scherpe doorn in het vlees, een scherpe doorn, die met gevoelige pijn in mijn vlees is ingedrongen en alle hoogmoed ten onderhoudt namelijk een engel van de satan (MATTHEUS. 25: 41), a) dat hij mij met vuisten slaan zou (MATTHEUS. 26: 67), opdat ik mij niet zou verheffen.
Job 2: 6
Opdat anderen hem niet verheffen, onthoudt Paulus zich van roemen, waartoe hij wel aanleiding en stof heeft (vs. 6); maar opdat hij nu ook zichzelf niet verheft, is hem de doorn in het vlees gegeven. Het vlees is die kant van de menselijke natuur, die aan zonde en zwakheid is onderworpen. Aan deze zwakke kant moet hij de kastijding ondervinden, die hem tegenover de optrekking, die hij ondervond, op het gevoeligst laat ervaren, dat hij nog in het lichaam thuis is bij de Heere, dat hij nog in deze tabernakel is, nog in het aardse vat de overgrote schat draagt (Hoofdstuk 5: 4 vv. 4: 7).
Als Paulus het hem overgekomen lijden in zijn vreselijke zwaarte beschrijven wil, worstelt hij met de taal en gaat hij van het ene beeld over tot het andere (van “doorn” tot “met vuisten slaan). ” Bij de grote ongelijkheid van de beelden plaatst hij ze ook niet in grammaticale symmetrie bijeen, maar vat bij het tweede beeld de eigenlijke uitdrukking en de daarin neergelegde bedoeling met het beeld samen (“engel van de satan” en “met vuisten slaan. In de ontzaglijke smart van zijn lijden komt hem de bovenzinnelijke oorzaak, het geestelijke werktuig van het lijden, voor de geest, dat op deze manier in zeer vrije en stoute verbintenis met zijn werking, de “doorn in het vlees”, optreedt. Wij zien, Paulus plaatst tegenover een zeer bepaalde heerlijke ervaring van genade een zeer bepaalde verootmoediging, die voor zijn persoon bleef, hoewel niet onafgebroken voortgaande. Wat de oorsprong aangaat is deze verootmoediging een satanische aanvechting en evenzo geheimzinnig. Zij was afkomstig uit de wereld van de duisternis, evenals die verheffing tot de wereld van de zalige engelen tot het gebied van het licht en het goede behoorden. Geheimzinnig als zijn oorsprong is dan ook bij menigeen dit lijden in die graad, dat zij niet wagen iets daarover te bepalen en werkelijk blijkt ook de grote moeilijkheid van nadere bepaling reeds uit het groot verschil van mening van de uitleggers.
Paulus’ lijden is goddelijke beschikking, maar ook tevens een vrijwillig, boos handelen van de satan. De engel van de satan is de apostel toegezonden krachtens goddelijk bestuur en hem is over Paulus binnen Gods bepaalde grenzen macht verleend, om het doel, dat daardoor moet worden bereikt, namelijk, dat de apostel zich niet verhef. De verhouding nauwkeurig te bepalen, in hoeverre de satans engel in Gods hand werktuig is en als op Gods bevel de apostel de doorn in het vlees drukt en in hoeverre het laatste eigen uiting is van de boze wil van de satan of van diens engel is ons onmogelijk.
Het is de vraag, van welke aard dit lijden geweest is, omdat aan eigenlijke vuistslagen (alsof God de satan had toegelaten, dat hij de apostel onverwacht mocht overvallen en mishandelen, zoals zich andere uitleggers de zaak voorstellen) wel niet kan worden gedacht. De aanname van inwendige satanische bestrijding, door godslasterlijke gedachten of gewetensangsten over zijn vroegere vervolging van de Christenen (vgl. bij Hand. 8: 1 en 2 en 28: 28, of voor begeerten tot ontucht (naar Roomse opvatting vooral tengevolge van zijn verbintenis met de schone Thekla) staat, afgezien van het laatstgenoemde, dat een geheel fantastisch en de Schrift geheel weersprekend (vgl. 1 Kor. 7: 7) product van monniken – ascetische exegese is, reeds tegenover het “in het vlees. ” Nog minder waarschijnlijk is de verklaring van uitwendige bestrijdingen door vijanden, de dienaars van de satans in Hoofdstuk 11: 15, onder welke vooral een zich moet hebben onderscheiden, de engel van de satan hier genoemd, of van moeilijkheden in de apostolische bediening in het algemeen; want het verband doet denken aan een bepaald, afzonderlijk lijden als tegenstelling tegenover verheven openbaringen en aan iets, om welks ophouden hij zo ernstig kon bidden, als hij volgens vs. 8 gedaan heeft, dat van zo’n ambtslijden niet kan worden gezegd. Het waarschijnlijkst is, dat hij een bijzonder zwaar en smartelijk lichamelijk lijden op het oog heeft gehad, dat hem toch niet verhinderde zulke inspanning en zulke arbeid te verdragen en zo grote bezwaren te torsen.
Dat de apostel niet de satan noemt, maar een engel van de satan, is niet anders, dan wanneer dezelfde daad de ene keer als een daad van God wordt voorgesteld en de andere keer als een daad van Zijn engel (vgl. bijv. Hand. 12: 23 en 13: 11 werking, die doelt op het verderven van het door God geschapene, kan aan hem worden toegeschreven, in wie die gehele tegen God gekante richting van de wil haar eerste oorsprong heeft, of aan een bijzondere van de geest, die geroepen is het door hem gewilde in een bijzonder geval te volbrengen. Evenals nu, zo zegt de apostel, een doorn in het vlees smartelijk wordt, als die er ingestoken wordt, of er zich inboort, zo doet de satansengel pijn aan zijn lichamelijke natuur, die om haar gevoeligheid voor tijdelijk kwaad met het woord “vlees” genoemd is. Nemen wij Gal. 4: 13 v. te baat Ac 16: 8, dan krijgen wij de voorstelling, dat de apostel door een bijzonder lichaamskwaad werd gepijnigd, dat hem zijn leven en zijn bediening op een manier bezwaarde, dat hij niet alleen zelf daaronder te lijden had, maar ook zij, wie hij de tijding van de zaligheid bracht, zich er aan ergeren konden en zich met vrees van hem terugtrekken, een voorstelling die ons zou doen denken aan vallende ziekte.
Ik heb er met de apostel Paulus over gedisputeerd en ik heb nog heden vreugde over die disputatie, wat toch wel zijn scolops, zijn doorn in het vlees zou zijn geweest, waarmee hij is gekruisigd en de vuistslagen, waarmee de duivel hem geslagen heeft; en ik ben soms zo hoogmoedig geweest, dat ik mij inbeeldde, dat ik met hem daarover kon disputeren, of dat ik dergelijke, even zware en veelvuldige verzoekingen had ondervonden, als hij zelf heeft doorstaan, maar – ik weet niet wat het geweest is.
Ook wij zullen het niet met zekerheid te weten komen, opdat ieder, die door de duivel geplaagd wordt, lichamelijk of geestelijk, des te meer recht heeft op de vertroosting van het voorbeeld van Paulus die vorst onder de door satan gekwelde heiligen.
Eerst stelt hij deze bezoeking meer verbloemd voor, onder de bewoording van een scherpe doorn in, of voor het vlees. – Verhaalt men het grondwoord met de onze, door een scherpe doorn, dan hebben wij te denken aan een eigenlijk gezegde doorn, die men in de voet treedt en, in het zinbeeldige aan zo’n bezoeking, die allersmartelijkst is, als een doorn, die men in de voet treedt de hoogste pijnen veroorzaakt. Dan het Griekse woord betekent ook, bij ongewijde schrijvers een spitse paal, waaraan de snoodste booswichten gestraft werden, wanneer deze onder in het lichaam gestoken werd, zodat zij de mond weer uitkwam. Volgens deze toespeling bedoelt de apostel een lijden, dat tegelijk allersmadelijkst en allersmartelijkst was. Door het vlees verstaat hij niet zijn lichaam, maar zoals zeer vaak, de inwonende zonde, zodat een scherpe doorn voor het vlees een allersmartelijkst kruis betekende, dat geschikt was om zijn inwonende zonde te bedwingen. Deze scherpe doorn voor zijn vlees beschrijft hij nader als een engel van de Satan, die hem met vuisten sloeg. De onzen hebben een engel van de satan, wij zouden het liever vertalen een engelsatan, dat is een engel, die de satan zelf is. Dit schijnt wel zo goed te stroken met de samenstelling van de oorspronkelijke woorden. Sommigen denken aan een boosaardig mens, die als een werktuig van de satan de apostel met vuisten sloeg of eigenlijk of oneigenlijk voor zover hij hem smaadde en lasterde, bijzonder de een of anderen van de valse leraren, waarvan Paulus gesproken had in 1 Kor. 11: 13, 14 Maar zou dit voor de apostel, zo’n ondraaglijk kruis geweest zijn, om daarvan zoveel ophef te maken, vs. 8, 9 De engel dan, die de satan zelf is, sloeg de apostel met vuisten. Er zijn er, die het eigenlijk nemen, zodat de satan hem, zodra zijn hoogmoed zich begon te verheffen, eigen gezegde vuistslagen toediende. Liever evenwel zouden wij de uitdrukking in een oneigenlijke zin nemen en denken aan zekere verborgen werkingen van de satan op het hart van de apostel, die wegens haar smartelijk gevoel wel bij vuistslagen vergeleken mochten worden.
De diep zondige doling van de “volmaaktbaarheid van Gods heiligen reeds hier op aarde” vloeit uit tweeërlei oppervlakkigheid voort: uit een oppervlakkige voorstelling van wat Gods heiligheid eist en uit een even oppervlakkige voorstelling van wat het verderf van de zonde werkt. Van beide heeft men een te geringe dunk. Men vormt zich van de heiligheid van God een veel te laag en van het verderf van de zonde een veel te licht denkbeeld en komt er zo ongemerkt toe, om zich in de zondaar, wiens kracht men overschat een heiligheid, van die zuiverheid men onderschat, in te beelden als metterdaad aanwezig. Kennis “van God en Zijn deugden” en dientengevolge kennis “van ons zelf en onze onheiligheid” (immers aller wege godgeleerdheid kern, vrucht en drijfkracht) is ook al wat men ten deze behoeft, om zich tegen de besmetting van deze ketterse ziekte te vrijwaren; mits deze tweevoudige kennis niet uit inbeelding en indruk opgemaakt, maar enig en zuiver getrokken wordt uit het Woord van God. Wie op indrukken afgaat en zijn inbeeldingen tot een fundament legt, is ook hier weg. Wat toch is het geval? De toestand, waarin de meesten van Gods kinderen nu hun leven op aarde doorbrengen, staat ongelooflijk laag. Er is nauwelijks enige verheffing van het geestelijke leven. Telkens stuit u op een zwakheid van wil, die u verontrust. Elk ogenblik heeft u te toornen tegen een gebondenheid in de strikken van de zonde, die u pijnlijk aandoet. De consciëntie werkt niet nauw. De polsslag van het bloed van de ziel klopt traag. Er is vernauwing in het geloven; machteloosheid tot verloochening; geen krachtige gemeenschapsoefening met de Heiland; geen ijveren voor de naam van de Heere, geen overvloeiing van de liefde; geen standhouden; geen volharding; geen levend gebed! En dat lage peil neemt u niet maar een enkel ogenblik, maar aldóór waar. In alle streken van uw eigen land is het zo en naar de berichten, die tot u komen, staat het in de meeste landen van de Christenheid even droef geschapen. Het is uw persoonlijke, diep smartelijke ervaring en elke broeder, die u weer zijn hart ontsloot, stort met u zijn ziel in dezelfde klacht uit. Ach, het schijnt de toestand, de blijvende, doorgaande toestand van de Gemeente zo geworden. Tot dat zeer lage peil van geestelijk leven is de kring, van de heiligen op aarde, tot smading voor de naam van de Heere maar al te bitterlijk gedaald. Maar nu, u heeft daar geen vrede mee; u worstelt tegen die algemene verachtering in genade, als u uw smeking voor uw God brengt; o, u dorst met heel uw ziel, of er aan het afmattende, het drukkende van die zwoele, lauwe dampkring geen ontkomen was. “Heilig ons, o God der heiligheden! ” wordt met klimmende aandrang het dagelijks roepen van de gebonden geest in u. Nu kan in zo’n toestand u één van deze vier overkomen: Of dat u een heiliger persoon ontmoet dan u zelf bent. Of dat u met een kring in aanraking komt, die geestelijk iets hoger dan de uwe staat. Of dat u op het historieblad terugleeft in een tijdperk toen de Gemeente minder diep zonk. Of ook dat u zelf de genade verleend wordt van een geestelijke verwakkering. En o, in elk van die vier gevallen begaat u dan zo makelijk dezelfde fout, die de arme begaat als hij met de rijkere in aanraking komt, van namelijk te wanen, dat die rijkere nooit zorg kent, nooit de bodem van zijn geldkist ziet en dat zijn schat onmetelijk is. Als men zelf zó ongelooflijk laag staat als de meesten van ons en er komt ons op onze levensweg dan soms een godzalig man tegen, die, omdat het God almachtig zo beliefde, op merkbare manier zich ontworstelen mocht aan die algemene, metterdaad epidemische lauwheid van de geest, o, dan dunkt ons de afstand tussen die bijzonderlijk begenadigde en ons eigen hart zo onafzienbaar, zo ver reikend en bijna onmetelijk, dat we ons haast gaan inbeelden met een hemels persoon in aanraking te zijn geweest en schier tot onszelf fluisteren: “o, kwam ik ooit waar die man stond, dan was ik er! ” een uiting van de ziel, die, naar u bespeurt, van de mening, dat in die man het volmaakte bereikt was, o, zo weinig verschilt. Hierin ligt dan ook de zielkundige verklaring, hoe Rome juist in de dagen van de diepste zedeloosheid tot haar verering van de heiligen gekomen is. Och, in het Zwitserse Alpenland, waar alles hoog en elke heuvel een berg is, gaat men soms een alp van zes, zeven duizend voet onopgemerkt voorbij, terwijl in deze lage landen reeds een aardheuvel van enige honderden voeten u van alle kanten als de berg wordt aangewezen. En zo nu ook gaat het, in het geestelijke toe. In het hoogland van de apostolische tijden en van de Hervorming stond reuzenalp naast reuzenalp, maar niemand vond daarin iets opmerkelijks, iets buitengewoons en ieder zag uitnemend goed, dat zelfs de reuzenalpen nog op verre na niet aan de hoge hemel reikten. Maar in de tijd, die daartussen lag, in de verzinking van de Kerk onder Rome, toen alles laag en zeer laag land geworden was, och, toen maakten de enkele edeler en beter figuren die hier en ginds hun kruis naar de wolken opstaken, zó’n imposante, zo wegslepende, zo betoverende indruk, dat men, de wolken voor de hemel aanziende, dacht dat er tussen hun kruin en de aanvang van de hemel redelijkerwijs geen afstand meer kon zijn. Aan hetzelfde gezichtsbedrog staan we natuurlijk bloot bij een vluchtig bezoek aan geestelijke kringen, die minder diep zonken dan onze omgeving. Stuit men bijvoorbeeld hier te lande telkens op “geldgierigheid”; alsmede een van de machten, waarin Gods volk gebonden ligt; en bespeurt men dat in Amerikaanse kringen die zondige band bijna gans verbroken en mild en overvloedig uitdelen gewoonte is, – dan begaat men, o zo makkelijk, de vergissing van nu de geestelijke toestand van zo’n voor ons vreemde omgeving verre te overschatten; te wanen dat met deze band op gelijke wijs ook alle andere strikken van de zonde in die kring van de uitlandse broeders zijn doorgesneden; en om de kleine afstand, die ze ons vooruit zijn, die anderen nog veel grotere afstand geheel voorbij te zien, die ook hen nog scheidt van de heiligheden van God. Op geschiedkundig terrein vaak dezelfde misleiding. Geen kwestie of èn in de dagen van de apostelen èn in de dagen van de Hervorming, waren de werkingen van de Heilige Geest krachtiger uitgaande en minder belemmerd en stond die ten gevolge de sneeuwlijn, als we ons zo mogen uitdrukken, of wil men het peil, het niveau van de heiligheid van de Gemeente, merkbaar hoger dan thans. Komen wij nu, temidden van onze beklagenswaardige matheid en dofheid, weer iets van die glinsteringen en schitteringen van het werk van de Heere op het historieblad te lezen, dan spreekt het immers vanzelf dat de ziel er ons bij opspringt in ons binnenste; dat er iets in ons watertandt, of zo’n toestand ook tot ons mocht inkeren; en dat we uit onze donkerheid in zoveel heerlijker lichtglans turende, o, zo snel denken gaan, dat er van die glans tot de glanzen van de hemel bijna geen afstand meer bestaat. En evenzo nu kon het ons tenslotte ook in onze eigen levenstoestand gebeuren, dat er, door een wondere inwerking van Gods vrijmachtige genade, bijna plotseling, zo onverhoeds, zo nauwelijks meer ingewacht toen we, toch geen gehoor vindend, reeds verstomd waren in onze gebeden; zo’n lossnijden van de banden van Satan, zo’n ontbinden van de strikken van de zonde, zo’n bewateren van de uitgedroogde hof, zo’n overgieten met verse olie, zo’n aangrijpen en wakker schudden van de ingezonken, versufte en dof geworden ziel in ons openbaar werd, dat het ons was of we opeens een salto vitale, een levenssprong uit de kuil zonder water naar de oevers van de Godsrivier hadden gedaan en ons niet anders konden inbeelden, of zaliger kon het nooit worden. Nóg verder, nóg hoger komen, nee, dat nooit! Gewoonlijk zelfs wordt men van dit viervoudig gezichtsbedrog op éénmaal het slachtoffer. Men komt in aanraking met een godzaliger dan wij zelf zijn; hoort door hem van kringen, die geestelijk hoger staan dan onze eigen omgeving; begroet daarin weer iets van die machtiger Geesteswerking uit de beste tijden van de kerk; en wordt onder en bij dat alles zelf zo sterk door de Geest bewerkt, dat het aan een opwaken uit de sluimering toekomt. Maar nu dreigt dan ook het gevaar. Het gevaar, dat men in die begenadigde wel voor zijn godzaligheid, maar niet voor zijn onzalige zonden; bij die kring wel voor haar licht, maar niet voor haar schaduwkant het ook opent; van dat glorietijdperk van de Gemeente in de Hervormingsdagen wel de glorie maar niet de schande ziet; en zo ook in zijn eigen geestelijk leven wel een verkwikking kent door nieuwe geestelijke gaven, maar tegen de nieuwe, juist daarmee gekomen verleiding niet waakt. Welnu, staat het zó, dan ligt ook hier naast de heiligste hoogtepunten de diepste afgrond en is Satan op zijn post om u nogmaals uw eigen arglistigheid als een strop om de ziel te slaan. Hij verleidt u dan, om die indrukken, die ontvangen gewaarwordingen, die ziels-ervaringen als fundament voor uw geestelijk huis te nemen, in stee van de vastigheden van Gods Woord. Hij beleest u, om nu toch toe te zien dat u niet weer terugzinkt en daarom o, zo snel vooruit, altijd voorwaarts te dringen, zo niet heden en ook morgen niet, dan toch eer van de maanden voortspoeden, van de heiligheid van God nabij! En wat nog het gevaarlijkst van alles is, hij brengt u dan de gewoonte bij, om èn voor wie anders denken, èn voor wie met u die weg op willen, telkens als u ze weer ziet, te roemen over weer groter zegen en nog machtiger genade en nog wonderbaarder overvloeiing van liefde, in zo altijd verrassender en steeds klimmende toeneming, dat de één menen zou aan de lof van de kracht van de Heere tekort te doen (en ook zelf wel wat in het oog van de broeders te dalen), als hij soms minder dan die andere roemde, dat wie eerst wel waarlijk door de Heer werd opgetrokken, nu gaandeweg zich zelf gaat opwinden en ongemerkt (dat de duivels jubelen en Gods engelen wenen) als een “heiliger dan de gemene gelovigen” hoog zweven gaat boven de schare, die verkwijnt. Hiermee nu is het ontstaan van de Volmaaktbaarheidsleer niet bij de Socinianen en Arminianen, maar bij de Geestdrijvers, in al hun wemelende schakeringen aangetoond. Pelagius schuilt bij deze ketterij altijd achter het scherm. Maar bij de Arminianen en Socinianen sluipt die doolgeest in het onbekeerde hart, of in het zichzelf voldoende denken; wordt een kwestie van koele berekening; en ontaardt, na slepend ziekteverloop, in openbare afval. Bij hen, die lust hebben aan het heilige daarentegen, nestelt dit kwaad zich in het vrome gemoedsleven; slaat over in zelfverheffing en ontaardt van meer af, eer men zich het bewust is, in gevaarlijke geestdrijverij. Gevaarlijk in tweeërlei opzicht. Ten eerste, omdat zij de vrome, onvaste, tedere zielen in haar garen lokt en ze door een vroegrijpe ontwikkeling een knak geeft aan haar geestelijke groei, die ze niet makkelijk weer te boven komen. Maar ook en zeker niet minder, doordien ze het gevoel van onvoldaanheid met de bestaande toestand, dat een ogenblik in de Gemeente geprikkeld werd, weer te kwader ure, eer het vrucht kan dragen, afstompen en onaandoenlijk maken. De gemeente weet wel dat het niet goed met haar is. Ze ziet het wel in, dat, ook afgescheiden van het meeslepen van de zondige natuur, dat ons omwille van de zonde tot onze dood toe is opgelegd, toch de levenstoon in de gemeente, de publieke opinie van de vroomheid, als u wilt, de gans ordinaire zielstoestand van Gods kinderen, een nauwere en edelere moest zijn. En soms is er dan ook in haar midden als een beroerd worden van doodsbeenderen, zich heerlijk openbarend in dieper schuld belijden, nauwer bij het Woord leven en afdoender verloochening van de wereld, van vleselijke genieting, van de geldschat en van het eigen ik. En, o, dat kon heerlijk doorwerken! Maar melden nu te kwader ure zich de “Geestdrijvers” aan en wordt “Volmaaktbaarheid” weer veler geestelijk speelgoed, och, dan sluit de gemeente weer ijlings het oog voor wat haar smaad is, trekt haar geestelijke voelhorens in en acht zich gerechtigd, om, onder rechtmatige toorn over dit onheilig “Perfectisme”, weer vrede met haar doodse staat te sluiten en elk “sta of uit de doden, o gemeente van de Heere! ” te verdenken als de onheilige deun van de vogelaar, die haar verstrikken wil. Het is nu eenmaal niet anders en het is goed dat het zo is: de gemeente wil van geen heiliger levenstoon horen, tenzij u haar “door de diepten de weg naar boven” kunt wijzen. Alle zelfverheffing van Gods heiligen keurt ze met een krachtig instinkt, dat uitnemend gezond is, als de heiligen schadelijk af. Niet daarom om die vrijbrief tot voortsluimeren in ongeestelijke dorheid te bezegelen, maar om juist aan wie inzonk, die vrijbrief uit de hand te slaan, moet dit drijven van de Volmaaktbaarheidsleer worden tegengestaan. Tegengestaan niet flauw, niet ten halve, maar energiek en geheel. Zo mogelijk tegengestaan van dit uit het onverwinbare standpunt, dat onze vaderen steeds innamen, te weten de belijdenis dat zelfs de beste daden van de allerheiligsten in dit leven onvolkomen zijn en met zonde bevlekt.
Hierover, over die slagen van de engel van de satan, heb ik de Heere Jezus Christus driemaal gebeden, opdat hij, die engel, die mij met vuisten sloeg, van mij zou wijken.
En Hij, de Heere, die mij bij mijn eerste en tweede bidden geen antwoord gaf, heeft bij de derde mijn bede geheel afgeslagen. Hij heeft tot mij gezegd en bij dat woord moeten wij het laten blijven: “Mijn genade is u genoeg; wantmijn kracht wordt in zwakheid volbracht, die betoont zich juist daar het krachtigst en het meest werkzaam, waar niets dan zwakheid aanwezig is (1 Kor. 2: 4 v. 2 Kor. 4: 7) ” Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, dan dat ik er mij over schamen zou, of erover klagen en om het grote lijden (vs. 7) nog verder om wegneming bidden zou. Ik zal ze gewillig dragen, opdat de kracht van Christus in mij woont, in mij neerdaalt om blijvend in mij te wonen.
De drie bijzondere tijden van de gebedsstrijd van de apostel komen zeker overeen met even zo vele tijden, dat zijn lijden ten toppunt steeg. Deze zijn gebedsstrijd doet denken aan het voorgevallene met de Heere zelf aan de Olijfberg. Daarin, dat hij ten slotte een antwoord van de Heere ontving, lag enigszins een verhoring van zijn bede en luidde het antwoord, wat het afgebedene zelf aangaat, afslaande, dat afslaan geschiedt toch in genade en wordt aan de andere kant weer toezegging. De bidder wordt het algenoegzame van de genade, dat toch het hoofdelement van zijn leer en van zijn leven was, dat echter door de satanische plaag zo in donkerheid was gebracht, ter vertroosting gegeven ook voor deze beproeving.
Houd het niet voor iets groots, verhoord te worden volgens uw begeerte, maar houd dat voor groot, als u verhoord wordt, zoals het u ten zegen is. Soms geeft God in toorn, wat u verlangt; weigert Hij het echter, dan geschiedt dat uit genade.
God schijnt soms hard, maar is dan inderdaad, het barmhartigst. De hulp bestaat niet daarin, dat wij van de zaak bevrijd zijn, maar in de bewaring.
Wie zou dit zonder openbaring hebben kunnen weten, dat men bij God in genade, ja in apostolische rijkdom van genade kon staan en daarbij door de duivel zou kunnen worden geplaagd! Wie zou uit zichzelf hebben kunnen verkrijgen, de zwakheid, de afmatting als een magneet van goddelijke kracht te beschouwen en God de almachtige in het verbond met een verwelkend neervallend gras van menselijke zwakheid te zien? Maar het is zo en daarmee is al de valse gewetensangst van demonisch bestredenen als een nevel vernietigd en er is troost genoeg voor allen, die de vurige pijlen en de afmattende aanvallen van de duivel ondergaan. Het is niet, dat zij in ongenade moeten zijn; zij kunnen integendeel grote genade genieten. Zij worden door de demonische plaag niet ongeschikt voor hun arbeid, maar God kan ze door Zijn almacht nog veel bekwamer daardoor maken. Ook is het volstrekt niet nodig, dat het gebed om bevrijding dadelijk of snel verhoord wordt; want God weet geen beter geneesmiddel voor de ziekte van moedwillige zelfverheffing dan demonisch vuur. Dat zijn lessen, die men voor zijn eigen hart en bij de zielenzorg voor anderen gebruiken kan.
Ontdekken wij hier uit de gulhartige belijdenis van de apostel, dat het genot van de uitnemende en geestelijke voorrechten zelfs het hart van de ware Christen tot hoogmoed zou kunnen leiden, omdat wij zo diep bedorven en zo hoog gevoelend voor onszelf zijn, maar ook tevens dat nederigheid het ware en echte sieraad van de Christen en in het bijzonder van de Christenleraar is. Niets ontsiert de mens meer, niets maakt hen verachtelijker bij God en mensen, niets is hem voor hemzelf schadelijker en verderfelijker dan hoogmoed en zelfverheffing. Zien wij maar steeds op al onze zwakheden en gebreken naar ziel en lichaam en wie wij waarlijk in onszelf zijn. Dan zullen wij daardoor tot ootmoed gestemd worden en van allen eigenwaan te enenmale worden afgebracht. Dat de Heere Zijn kinderen daartegen weet te wapenen en te behoeden, of hun de nodige genezing verleent, heeft ons de ervaring van Paulus ook doen zien. Bitter en grievend, moeilijk en pijnlijk zijn vaak de middelen, die Hij voor ons aanwendt, maar het is wijsheid, heiligheid en liefde, die ons deze beker mengen; geen enkele druppel wordt daarin gelegd dan met goddelijke wetenschap en doel. En al is het dan dat wij de Heere ernstig en aanhoudend smeken om opheffing van dat lijden en leed, zoals dit in de aard van de zaak ligt, al is het dat de Heere ons schijnbaar niet verhoort, dan is het toch volkomen zeker dat de beproeving beter voor ons is dan de ontheffing en dat Hij het ons niet zal laten ontbreken aan die genade, die wij tot onze vertroosting, heiliging en leiding nodig hebben; en dan moet elke vergewissing daarvan en iedere andere vinding van deze in ons die heerlijke vrucht veroorzaken, dat wij behagen scheppen in alles, wat de Heere geeft en oplegt, hoe bitter en moeilijk het dan ook zij, dat wij verblijd zijn over onze machteloosheid en tegenheden, omdat de genade van de Heere en Zijn kracht daarin verheerlijkt worden en dat wij, wanneer wij geroepen en gedrongen worden om over onszelf te spreken, of op onze voorrechten te roemen, alleen in de Heere roemen en Hem van alles geheel en alleen de eer geven.
Daarom, omdat ik ook werkelijk genoeg heb aan de genade van de Heere, zoals Hij mij bevolen heeft, heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, smadelijke bejegingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, die ik om Christus wil moet lijden (Hoofdstuk 4: 8 v. 6: 4 vv.): want als ik zwak ben, dan ben ik ten gevolge van de krachtige ondersteuning van God machtig (Fil. 4: 13. Joël 3: 15 Zach. 12: 8).
De hele somma van zijn lijden, waarvan hij het hevige de Corinthiërs niet heeft verzwegen, bindt de apostel hier in de bundel van zwakheden bij elkaar en hij neemt die op zich met goede moed, dat is met een blij welgevallen in Gods wegen en handelwijze. Het morren verstomt, de tegenzin zwijgt, de onrust wordt stil; in waarheid kan hij zeggen: “Zoals het God behaagt, zo behaagt het ook mij. ” Hij noemt een dubbel paar zwakheden, die hij in het vlees met voortdurende smart gevoelt, om in de geest daarover dagelijks te triomferen. Zowel in smaadheden als in noden, als hij smadelijk mishandeld en gehoond wordt, zelfs door de spottende satan en de nood van een arm leven met bitterheid smakend, alsook in vervolgingen en in benauwdheden, wanneer hij als een gejaagd hert in de wereld, ja als een vogel is, die de strik van de vogelaar beangstigt, is hij goedsmoeds in God, omdat hij in dat alles zijn ziel mag toespreken: “om Christus wil”. Wat men om Christus wil draagt, daardoor wordt men gedragen; de draagkracht van Christus ligt in het kruis, dat Hij oplegt.
God leidt het schepsel in zijn niets in, opdat er in Christus weer iets wordt tot lof van Zijn heerlijkheid. De mens heeft door zijn val God van Zijn roem beroofd. Zal deze weer worden hersteld, dan moet de mens ook eerst als zwak en nietig voor God verschijnen, opdat God alles in hem zou kunnen worden. Die in zijn eigen wil en kracht, naar eigen lust voort probeert te leven, die wordt niet onderdanig aan God en ontvangt dus geen kracht van Hem.
Onder de pijnlijke beproevingen, die vaak de discipel van de Heer kunnen drukken, behoort ongetwijfeld het gevoel van zwakheid, hetzij dan van geest of van lichaam. Wanneer men zich door hoger wijsheid in meer of min belangrijke werkkring geplaatst ziet en door Gods genade waarlijk lust heeft om in die kring getrouw Zijn wil te volbrengen, dan is het een eigenaardig kruis, als het vlees zo zwak, de geest zo dof, het hart zo neergebogen kan zijn, dat men het letterlijk onmogelijk acht, zich uit de diepte omhoog te heffen en met stille weemoed aan God en mensen moet zeggen: ik wilde zo graag, maar ach, u ziet het, ik kan niet. Voor dat verborgen lijden heeft de wereld geen troost, zoals over het geheel medelijden allerminst tot de deugden van haar vrienden behoort. Zij biedt haar rouwbeklag nog wel bij wat ons ontvalt, maar niet bij wat ons ontbreekt en al deed zij het, al peilde zij de diepte van de wonden, hoe zou zij de balsem bereiden. Het was voor het Christendom bewaard, om zelfs in de zwakheid van zijn belijders voor hen een stof van roem te doen vinden en hun dat grote woord op de lippen te leggen niet maar: niettegenstaande ik zwak ben, nee, juist dan als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Tegelijk machtig en zwak, ja machtig in en door zijn zwakheid, dat klinkt bij het eerste horen even wonderspreukig, alsof men gewaagde van een vierkante cirkel of een blinkende duisternis. Toch is voor de Christen juist deze verborgenheid van de godzaligheid op grond van het Evangelie, van de geschiedenis van de eeuwen en van eigen onvergetelijke levenservaring boven allen twijfel verheven, dat Gods kracht zich nergens zo treffend als juist in de diep gevoelde zwakheid van de Zijnen verheerlijkt. Staat daar niet geschreven: “Op dezen zal Ik zien, zegt de Heere, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft” (Jes. 66: 2) en weten wij niet, dat de goede Herder bij voorkeur de lammeren in Zijn armen vergadert en de zogenden zacht geleidt” (Jes. 40: 11). O, het is een onschatbare troost, dat het niet volstrekt nodig is, tot de sterken van kracht te behoren, om nog voor de dienst van de Heere bruikbaar, ja zelfs voor anderen tot uitnemende zegen te zijn. Niemand voelde deze doorn in het vlees wel dieper dan Paulus, die elders schreef: “wie is er zwak, dat ik niet zwak ben” (2 Kor. 11: 29) en toch de in eigen gevoel zo zwakke apostel kon zonder grootspraak verklaren, dat hij overvloediger had gearbeid dan allen. Hebben niet de beste vrienden van de Heere ten allen tijde ervaren, hoe juist dan, wanneer zij zich echt arm en ellendig gevoelden, Zijn genade hun nog meer dan anders genoeg was en Zijn kracht kinderen in helden herschiep? Ja, de Heiland zelf, wanneer is Hij machtiger geweest, dan toen hij klagen moest, het vlees is zwak en in welke gestalte trekt Hij nog heden ten dage ons en miljoenen krachtiger aan, dan juist in de kruisgestalte van zwakheid en smart? En zoals de Meester, niet anders de oprechte discipel; engelen kennen alleen het genot van de kracht, maar Christenen ook het geluk van de zwakheid. De ware kracht tot alles, waartoe wij geroepen worden, wortelt juist in onze zwakheid, wanneer die slechts klaar doorzien en ootmoedig beleden wordt. De genade van God helpt ons, niet slechts niettegenstaande onszelf maar helpt ons gedurig over onszelf met al onze ellenden weer heen en Zijn kracht viert dan haar zegepraal als ons vlees en hart bezwijkt. Het is niet ons drukkend besef van zwakheid maar juist ons overspannen gevoel van vaak denkbeeldige sterkte, wat scheiding maakt tussen de Heere en ons hart. Hij is dichter nabij, wanneer onze ziel zich neerbuigt in ons, dan wanneer onze nieren geprikkeld worden en ons weelderig vlees zich verheft. De zachte regen, die op de bergtop bevriest, laaft de veldbloem, die in het stille dal staat te bloeien. Juist in dat diep gevoel van bijna wanhopige zwakheid is een prikkel tot vuriger bidden, waaraan men nooit zonder zegen gehoor geeft. Juist, waar ons alles in onszelf ontzinkt, komt de Heere ons met Zijn woord tegemoet: “doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen” (Ps. 81: 12). Toen Mozes zich sterk genoeg waande tot de veel omvattende taak, was hij in Gods oog nog bepaald ongeschikt om Zijn volk te verlossen; toen hij zelf die taak als ver boven zijn krachten beschouwde, was voor hem Gods uur gekomen. Hoe zouden wij het aan alle sterken in eigen oog willen zeggen: wordt waarlijk zwakker voor God en weer aan alle zwakken: wordt waarlijk machtig en leert verstaan, dat u waarlijk alle dingen kan door Christus, die u kracht geeft. U ziet op tegen de taak, die u wacht? Vat slechts als op gebogen knieën haar aan; begin in de kracht van omhoog en de uitkomst zal de hoop overtreffen. Het is niet de grote vraag, wat u in uzelf kan, maar wat God in u en door u wil werken. Die dit verstaat, hij krijgt niet slechts vrede met zijn zwakheid, die moesten wij ten slotte wel hebben, maar hij kan er enkele malen als Paulus in roemen, omdat hij juist zo roemt, alleen en geheel in de Heere.
De reden van Paulus’ roem en vrede in deze dingen was, dat zij geschikte gelegenheden waren voor Christus om de macht en het genoegzame van Zijn genade, die op hem rustte, te openbaren, waardoor hij zoveel ervaring had van de grootheid van de genade van God, dat hij zeggen kon: als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Als wij zwak zijn in onszelf, dan zijn wij sterk in de genade van onze Heere Jezus Christus; als wij voelen, dat wij zwak zijn in onszelf, dan gaan wij van onszelf uit tot Christus, ontvangen sterkte van Hem en ervaren in de rijkste mate de betoning van de goddelijke kracht en genade. Wij zullen vaak bevinden, dat als wij het meest onze zwakheid voelen, wij het sterkst zijn in de Heere en als wij onszelf sterk beginnen te wanen, wij worden losgelaten, opdat onze eigen zwakheid ons duidelijk wordt en wellicht ten toon wordt gesteld. Dit stuk bevat een heerlijk voorbeeld van gebed tot Christus, vertrouwen op Christus en roemen van Hem als de bron van genade en macht.
e. Vers 11-18Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:8→2 Korinthe 8:6→2 Korinthe 11:5→Spreuken 19:14→Filippenzen 2:17→1 Korinthe 9:12→2 Korinthe 1:6→Kolossenzen 1:24→
— Ik ben roemende onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten. Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ikzelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. Ziet, ik ben ten derden male gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, u overvloediger beminnende, weiniger bemind worde. Doch het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar alzo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht? Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?
De beide middelste van de zes afdelingen, waarin dat deel, dat de strijd tegen de vijanden inhoudt van Hoofdstuk 10: 1-13: 10 verdeeld is, hoorden bij elkaar (vgl. Hoofdstuk 12: 1-10 met Hoofdstuk 11: 16-33). Deze vijfde afdeling sluit zich aan de tweede, (Hoofdstuk 11: 1-15), dadelijk van het begin af aan; hij gebruikt niet alleen weer uitdrukkingen, die daar voorkomen, maar behandelt ook weer zaken, daar reeds voorgebracht. Paulus gaat in deze afdeling van de verdediging af, nadat hij de slag met fijne tegenstanders zegerijk heeft geleverd. Hij gaat nu zijn apostolische waarde beslist bevestigen en kroont zijn overwinning door zeer ernstige herinneringen en beschamende vermaningen.
Ik ben, terwijl ik in het vorige zoveel ten mijn gunste gezegd heb, roemend onwijs geworden; u heeft mij genoodzaakt in dit opzicht onwijs te zijn; want ik behoorde, in plaats van in zo’n toestand gebracht te zijn, dat ik mijn apostolische eer moest handhaven, van u tegenover die indringers geprezen te zijn en u had daartoe redenen genoeg: a) want ik ben in geen ding minder geweest, dan de uitnemendste, de meer dan grote (Hoofdstuk 11: 5) apostelen, die zo sterk zich voor u beroemen, hoewel ik, wanneer van geen vergelijking met deze sprake is, maar alleen van onze waarde voor God, niets ben (1 Kor. 1: 28).
1 Kor. 15: 10.
Paulus staat hier stil en overziet hoeveel hij van Hoofdstuk 11 aan tot aanbeveling van zichzelf gezegd heeft. Dit terugzien dringt hem tot een erkentenis: “ik ben onwijs geworden” en dit is nu een voldongen feit!
Hij heeft het roemen nu achter zich en hij is blij het ten einde gebracht te hebben. Maar hij was het aan zichzelf of eigenlijk aan zijn apostolische leer verschuldigd tegenover die velen, die zich tegen hem hadden laten innemen. Hadden daarentegen deze hun plicht gedaan, dan zou hen een zaak, dab geheel tegen zijn gemoed, hem zijn bespaard gebleven. De plicht door hen verzuimd en de rechtvaardigheid van zijn aanspraak bevestigt hij vervolgens door zijn vergelijking met degenen, die zij zo verre boven hem hebben gesteld. Dat daarbij in de negatieve wending: “want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen” een litotes ligt (een spreekwijze, die minder zegt dan men eigenlijk wil zeggen), blijkt uit de diepe ootmoed, waarmee hij zich in het slot van het vers tot zijn niets terugtrekt en daarmee de hoogmoed van zijn tegenstanders op het gevoeligst bestraft.
Vrome Christenen moeten niet stilzwijgen, als men hun zielverzorgers ten onrechte waagt in verdenking te brengen; dat is ieder Christen aan de anderen schuldig, hoeveel te meer geestelijke kinderen aan hun vaders!
Ja, u had mij behoren te verdedigen, als een echte apostel; want a) de merktekenen van een apostel zijn, toen ik bij u was (Hand. 18: 4 vv.) onder u betoond in alle lijdzaamheid van arbeid en verdragen (Hoofdstuk 6: 4) met tekenen en wonderen (Hand. 15: 12. Rom. 15: 19) en krachten, goddelijke machtsbetoningen (Hebr. 2: 4).
1 Kor. 9: 2.
De merktekenen van een apostel hebben onder de Corinthiërs plaats gehad “in alle lijdzaamheid. ” Met dit woord komt het beeld van de apostel voor hun ogen, die onder de last van opeengehoopte wederwaardigheid en in persoonlijke zwakheid standvastig volhardde bij hen en elk lijden geduldig droeg, om hen te zegenen met de betoning van de kracht van Christus, die in hen woonde. “Tekenen, wonderen en krachten” drukken dezelfde zaken, namelijk de kentekenen, die een apostel aanwijzen, in drie opzichten uit; ten eerste naar hun doel, in zoverre het aanwijzende tekenen zijn, die de heilzame inhoud van de naam van Jezus aanwijzen; ten tweede wat de indruk aangaat, in zoverre het wonderen zijn, wier buitengewone openbaarwording de gemoederen tot opmerken dringt; ten derde wat de oorsprong aangaat, in zoverre het krachten zijn, waarin de levende God aan Zijn woord op krachtige manier getuigenis geeft.
Zijn ons geen wonderen van de apostel van zijn station te Corinthiërs meegedeeld, toch bewijst dit niets tegen deze zijn getuigenis over zichzelf. Niet alleen is het een vooronderstelling, op zichzelf waar, dat zo’n lang oponthoud van de apostel te Corinthiërs met zulke hogere bewijzen bevestigd zal zijn, maar ook de volheid van geestelijke gaven, die juist over deze door hem gestichte gemeente is uitgestort, en door zijn dienst aan haar was ten deel geworden, getuigt onweersprekelijk voor de waarheid van zijn getuigenis over zichzelf.
Dat de apostelen wonderen hebben verricht, hoeven wij dus niet alleen op de overlevering te geloven. Paulus spreekt het hier zelf uit en daarmee is de gehele mythische opvatting van de Nieuw Testamentische wonderverhalen weerlegd.
Want wat is er, waarin u minder met apostolische zegeningen en genadegiften bedeeld geweest bent dan de andere gemeenten, anders dan dat ik zelf wat mijn eigen persoon aangaat, waarvoor ik van het recht van een apostel afstand deed (1 Kor. 9: 4 vv.), u niet lastig ben geweest met de zorg voor mijn levensonderhoud (Hoofdstuk 11: 9)? Vergeef mij dit ongelijk, als het werkelijk een zonde is en niet een daad van bijzonder liefderijk letten op hetgeen u nodig was.
Er ligt een bijzondere ironie in dit vers; zij konden niets noemen, waarin zij iets minder hadden ontvangen, dan andere gemeenten (die zij ook wilden nemen en door wie ook gesticht), of dat zij in enige genade of gave verkort waren, of het moest dat een zijn, dat zij het om niet en zonder iets ervoor terug te schenken, dat zij wel hadden kunnen en mogen doen, verkregen hadden.
Dit onrecht nu, dat hij niet van hen, zoals van andere gemeenten persoonlijk onderhoud had genomen, haar dus in zoverre had achtergesteld, dat hij hen met zo’n onbaatzuchtige opoffering had gediend, als geen andere gemeente, vraagt hij dat zij hem vergeven. In deze bede ligt een scherpe berisping van hun ondankbaarheid en hun miskenning van zijn gedrag, terwijl zij zich door zijn lasterende en verdachtmakende vijanden tegen hem lieten innemen. Vgl. Joh. 10: 31 v.
Zie, ik ben volgens het plan in 1 Kor. 16: 5 vv. aangekondigd, ten derde maal gereed, om tot u te komen en zal dan ook u niet lastig zijn, evenmin als vroeger (Hoofdstuk 11: 10 vv.) a) want ik zoek niet het uw (Fil. 4: 17). Maar u, dat ik u voor de zaligheid in Christus moge winnen (1 Kor. 9: 19 MATTHEUS. 18: 15); want, dit is de grondstelling, welke mij daarbij ten richtsnoer is, de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen (1 Tim. 5: 8) en nu sta ik toch tot u in de betrekking van een geestelijke vader tot zijn geestelijke kinderen (1 Kor. 4: 15).
Hand. 20: 33.
De ouders moeten, als God hen door Zijn zegen iets heeft toegedeeld, zonder aan de liefde tot God en de naaste te kort te doen, zorgen dat hun kinderen na hun dood wat te genieten hebben. Zij moeten geen schatten vergaderen in gierigheid en wantrouwen jegens God, met ongerechtigheid, met terughouding van hetgeen men tot Gods eer en de hulp van de naaste of ook tot betere opvoeding van de kinderen moest aanwenden, waardoor velen veel leed ondervinden en zich en hun kinderen een eeuwige verdoemenis bereiden.
En ik zal, als een waar vader, die zich zelfs voor zijn kinderen opoffert, zeer graag de kosten doen, al wat ik heb en wat mijn persoon of mijn leven aangaat (Fil. 2: 17), voor uw zielen te koste gegeven worden; hoewel ik juist bij u de treurige ervaring moet opdoen, dat ik u a) overvloediger beminnend, nochtans van uw kant weiniger bemind worde; ja, dat uw liefde in diezelfde mate schijnt af te nemen, waarin de mijne zich steeds overvloediger jegens u betoont. Het is dus niet uw dankbare wederliefde, die die offervaardigheid in mij opwekt, maar een hogere kracht.
2 Kor. 6: 12.
Paulus is niet alleen besloten om zonder loon te dienen, maar ook lief te hebben, omdat de Heere zijn loon is en hij wil zich niet ontzien gloeiende kolen te vergaderen op het hoofd van onerkentelijke kinderen. De liefde is sterker van boven naar beneden, dan van beneden naar boven, zegt men terecht; en evenals het tussen ouders en kinderen is, zo wil Paulus het zich graag laten welgevallen ten opzichte van zijn meer geliefde dan wederminnende kinderen, al wenst hij ook hartelijk van hen, dat hun wederliefde meer overvloedig wordt.
Maar het zij zo, want dat geeft men mij bij u wel toe en het is nu eenmaal niet meer te veranderen. Ik heb u niet bezwaard; maar als ik listig was, zo oordeelt men met verdachtmakende ruggespraak, om mij toch te kunnen beschuldigen Jer 23: 11, heb ik u met bedrog gevangen, ik heb agenten tot u gezonden, door wie ik des te meer mijn voordeel bij u heb gezocht naarmate ik mij zelf minder van u heb laten geven.
Maar heb ik dan door iemand van degenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht? En wie moeten dan die agenten of afgezanten geweest zijn?
Ik heb Titus, toen ik hem van Kreta tot u afzond 2Co 1: 2, gebeden de zaak van de collecte ter harte te nemen (Hoofdstuk 8: 6) en de broeder Tychicus meegezonden (Hoofdstuk 8: 22). Heeft ook misschien Titus van u zijn voordeel gezocht, dat hij geld of iets anders voor zichzelf van u begeerd zou hebben? Hebben wij, Titus en ik, alsmede Timotheus, die met mij deze brief schrijft (Hoofdstuk 1: 1), niet in dezelfde geest van onbaatzuchtigheid (vs. 13) geleerd en gewandeld? Hebben wij beiden als ook Petrus met zijn metgezel niet gewandeld in dezelfde voetstappen, omdat toch deze, evenmin als wij beiden, u volstrekt niet bezwaard hebben met hun levensonderhoud?
Paulus beweert en verdedigt hier zijn onbaatzuchtigheid ook nog in een ander opzicht, namelijk tegen de kwaaddenkende vermoedens en lasteringen van de tegenstanders, dat hij zijn afgezanten gebruikte om te rijkere vergoeding te verkrijgen voor hetgeen, waarvan hij bij persoonlijke tegenwoordigheid afstand had gedaan. Het “doch het zij zo” is de taal van de tegenstanders in hun beschuldigingen, die hij met een getroffen gemoed en in de levendigheid van zijn dialectiek zonder een formule van aanhaling te gebruiken, vrij uit het verband gerukt, in de vorm van Mimese (navolging van woorden en gebaren van de tegenstanders) aanhaalt. Het “het zij zo”, dat dramatisch tussenbeide komt, is een concessie van hun kant, die zij met tegenin doen; het verwijt zelf wordt dan uitgesproken in de woorden: “maar als ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. ” Men kan het in het midden laten, of Paulus hier een slechts mogelijk of een werkelijk verwijt van zijn tegenstanders teruggeeft; in elk geval gaat hij daarvan uit, dat zij hem met de maatstaf van hun eigen laagheid meten, maar geeft de zekerheid, waarmee hij het verwijt voordraagt, wel te kennen, dat gedachten van die aard tot zijn oren zijn gekomen.
De snel op elkaar volgende boden van de apostel – wij weten wat Paulus door deze bij de Corinthiërs zocht – kwamen de loerende tegenstanders verdacht voor en dadelijk waren zij met de verklaring gereed, dat de edelmoedigheid van Paulus minder groot was dan zijn listigheid, waarmee hij het net van zijn voordeel door zijn handlangers wist te halen; maar, God lof, er was geen Gehasi (2 Kon. 5: 19 vv.) onder de helpers van de apostel en zoals hij zelf van geen arglistig bevoordelen van een van zijn gezanten wist, zo kon hij met vertrouwen de gemeente als getuige oproepen voor de zuivere en onbaatzuchtige trouw van deze mannen.
f. Vers 19KruisverwijzingenRomeinen 9:1→2 Korinthe 10:8→1 Korinthe 14:26→2 Korinthe 12:15→2 Korinthe 11:31→2 Korinthe 13:10→2 Korinthe 11:10→2 Korinthe 5:12→
— Meent gij wederom, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting.
-Hoofdstuk 13:10
Evenals de vorige afdeling onder e. zich aansloot aan die onder b. zo is nu bij deze afdeling onder f. de vastknoping aan die onder a. (Hoofdstuk 10: 1-18) niet te miskennen. Dit gehele onderdeel van de brief komt dus in het verloop van zijn afdelingen voor als een goed gevlochten krans, als een gelukkig uitgevoerde cirkellijn. De apostel verklaart zich ten eerste nader over de betekenis, die zijn verdediging, begonnen met Hoofdstuk 10, had, dat hij zich daarmee niet plaatste voor de rechterstoel van de Corinthiërs, maar zijn zaak in Christus voor God bepleitte, dat niet, als hij voor de derde maal naar Corinthiërs zou komen, de ontmoeting voor een van beide delen onaangenaam en vernederend mocht zijn, zoals dat moest zijn, als alles zo bleef, zoals het nu met de gemeente stond. Wij hebben gereed hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid vervuld zal zijn, had de apostel in Hoofdstuk 10: 6 geschreven; maar zijn verlangen en zijn gebed is, dat hij het reeds gewette zwaard weer in de schede mocht steken en zo beproeft hij hier nog alles om dat doel te bereiken door volkomen verbetering van de kant van de gemeente.
Meent u weer, dat wij door hetgeen wij van vs. 16-18 schreven, ons bij u verontschuldigen, zoals het u zeker van het begin van mijn verdediging sinds Hoofdstuk 10 is voorgekomen? Nee, wij verantwoorden ons niet voor u, alsof wij u als onze rechters zouden erkennen (1 Kor. 4: 3); wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus, onze enige Rechter (Hoofdstuk 2: 17) en dit alles, wat wij u voorleggen alsof wij ons voor u verantwoorden, geschiedt, geliefden, tot uw stichting, om u te genezen van de velerlei verkeerdheden en gebreken, die nog onder u zijn.
De apostel zegt hier: ons woord is niet om ons voor u te verontschuldigen, het is voor God gesproken. Die is de Rechter en voor Hem spreken wij wat ons onze plicht gebiedt en wel spreken wij “in Christus”, ons bewust zijnde van de gemeenschap met Hem. Omdat echter de reden, waarom de apostel juist zo voor God spreekt, als hij moet, toch bij de Corinthiërs ligt, zo wordt toch volgens hetgeen zij nodig hebben, de waarheid voorgelegd, maar dat alles geschiedde tot hun stichting.
Hij had voor zijn persoon niet nodig die lange verdediging te schrijven, van zijn genade en ere bij God had hij niets verloren, al hadden de Corinthiërs zich van hem laten aftrekken. Maar wel was de toestand van de gemeente zo, dat zij de verbeterende apostolische hulp dringend nodig had en tot die hulp heeft Paulus de weg bereid met zijn verantwoording.
Opdat aan de bediening geen schade zou worden aangedaan, moet men het aanvallen van deze proberen te voorkomen en overigens zorg dragen, dat men niet zonder noodzakelijkheid iets tot verdediging zegt, waardoor een zaak vaak slechts erger wordt gemaakt.
Want ik vrees, dat als ik gekomen ben (vs. 14), ik u niet enigszins zal vinden, zoals ik wil en dat ik door u gevonden zal worden, zoals u niet wilt. Ik vrees namelijk dat wat het eerste punt aangaat er niet (dit “niet” staat hier volgens de Griekse manier van uitdrukken terecht evenals in Hoofdstuk 11: 3; het had echter volgens ons spraakgebruik moeten wegblijven) enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf (Gal. 5: 20), achterklap (1 Petrus 2: 1), oorblazingen (Rom. 1: 29), opgeblazenheden (1 Kor. 4: 19), beroerten of wanordelijkheden (1 Kor. 14: 33) onder u.
En verder schrijf ik u, omdat ik er voor vrees, te voren, opdat weer, als ik gekomen zal zijn, zoals vroeger bij mijn tweede verblijf te Corinthiërs (Hoofdstuk 2: 1. en “Ac 19: 10” en “Ac 19: 20, mijn God mij niet vernedert bij u en ik rouw heb over velen die tevoren gezondigd hebben (1 Kor. 6: 12 vv.) en die zich niet bekeerd hebben van de onreinigheid en hoererij en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben (Hebr. 13: 17).
Nadat Paulus in vs. 20 eerst heeft gezegd, dat hij vreesde de Corinthiërs niet te vinden, zoals hij ze wenste en door hen zo gevonden te worden, als zij hem niet wensten (namelijk als berisper en bestraffer), geeft hij nu in de tweede helft van hetzelfde vers en in het volgende, het 21ste nadere verklaring van die eerste bezorgdheid daardoor, dat hij tweeërlei soort van zonden voorstelt, die hij vreesde bij hen te vinden, namelijk 1) verkeerdheden door partijschappen (1 Kor. 1: 10 vv.), 2) de zonden van wellust (1 Kor. 5: 1), die hem zouden neerbuigen en droefheid veroorzaken. De verdere verklaring, wat de tweede bezorgdheid aangaat, volgt dan eerst in Hoofdstuk 13: 1 vv.
Hoe de apostel vreest, het bij de Corinthiërs te zullen vinden, zet hij in twee zinnen uit elkaar. De zedelijke verkeerdheden in de eerste zin genoemd, zijn de zodanige, waardoor het leven van de gemeente als zodanig wordt gestoord. De optelling ervan begint met “twisten” of onenigheden, hij gaat voort met “nijdigheden” of die hartstochten, waarbij men geen andere mening verdraagt en met “toorn. ” d. i. de opwellingen van toorn, tegen diegenen, die anders denken. Hij gaat over tot “gekijf” of de uitingen en het streven van de lage zelfzucht, die middelen als “achterklap” en “oorblazingen” niet versmaadt en tot “opgeblazenheden”, d. i. zelfverheffingen van de hoogmoed, die meer wil zijn, dan men in waarheid is en hij besluit met “beroerten”, wanordelijkheden, zoals die uit al de verstoringen van de goede en vreedzame orde van het leven van de gemeente voortkomen. De tweede zin spreekt daarentegen over zedelijke verkeerdheden, die de afzonderlijke personen aangaan, met zonden van “onreinheid”, die het lichamelijk bestaan van de mensen bevlekken; de hoererij, die tegen de goddelijke orde van het geslachtsleven strijdt, de “ontuchtigheid”, die de zedelijke grenzen van het gebruik van de natuurlijke zaken te buiten gaan. Deze zonden heeft de apostel volgens 1 Kor. 5: 9 bij zijn vorig oponthoud te Corinthiërs gevonden, terwijl die verstoringen van het leven van de gemeente pas later waren gekomen. Daarom schrijft hij; ik vrees, dat als ik (voor de derde maal Hoofdstuk 13: 1) kom, mij mijn God zal vernederen in betrekking tot u”, waardoor hij wat hij vreest, voorstelt als een herhalen van hetgeen hem reeds eenmaal bij zijn komst overkomen was, namelijk dat hij met gebogen hoofd tegenover de gemeente moest staan. En wel vreest hij voor ditmaal inzonderheid, over velen van hen te moeten treuren, die vroeger hadden gezondigd, maar van hun zonden zich niet hadden bekeerd. Hij spreekt niet van de zodanige, die nog voortdurend in dezelfde zonden leven, waaraan zij zich hadden schuldig gemaakt, maar wel is hun zondigen, dat vroeger plaats had, nog onverzoend en daarom op dat ogenblik nog als aanwezig.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel