Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1In het twaalfdeH8147jaarH8141 van AchazH271, den koning van JudaH3063, werd HoseaH1954, de zoonH1121 van ElaH425, koning overH5921IsraelH3478 te SamariaH8111, en regeerde negenH8672jarenH8141.In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.
2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; evenwel nietH3808, als de koningenH4428 van IsraelH3478, dieH834voorH6440 hem geweest waren.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD,4but not as the kings7of Israel8that were before11him.
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5רַ֗קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise6לֹ֚אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7כְּמַלְכֵ֣יH4428koning, konings, koningenking, royal8יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10הָי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11לְפָנָֽיוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
3Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Tegen hem toogH5927 op SalmaneserH8022, koningH4428 van AssyrieH804; en HoseaH1954 werd zijn knechtH5650, dat hij hem een geschenkH4503 gaf.Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
KJVAgainst him came up2Shalmaneser3king4of Assyria;5and Hoshea8became his servant,9and gave10him presents.12
1עָלָ֣יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2עָלָ֔הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work3שַׁלְמַנְאֶ֖סֶרH8022SalmaneserShalmaneser. Comp H8020 (שַׁלְמַן)4מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal5אַשּׁ֑וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)6וַֽיְהִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7ל֤וֹ8הוֹשֵׁ֨עַ֙H1954HoseaHosea, Hoshea, Oshea9עֶ֔בֶדH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant10וַיָּ֥שֶׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw11ל֖וֹ12מִנְחָֽהH4503spijsoffer, geschenk, geschenkengift, oblation, (meat) offering, present, sacrifice
4Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Maar de koningH4428 van AssyrieH804bevondH4672 een verbintenisH7195 in HoseaH1954, datH834 hij tot SoH5471, den koningH4428 van EgypteH4714, bodenH4397gezondenH7971 had, en het geschenkH4503 aan den koningH4428 van AssyrieH804nietH3808 als te voren van jaarH8141 tot jaarH8141opbrachtH5927; zo beslootH6113 hem de koningH4428 van AssyrieH804, en bondH631 hem in het gevangenhuisH1004.Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.
KJVAnd the king2of Assyria3found1conspiracy5in Hoshea:4for he had sent7messengers8to So10king11of Egypt,12and brought14no present15to the king16of Assyria,17as he had done year18by year:19therefore the king21of Assyria22shut him up,20and bound23him in prison.24
1וַיִּמְצָא֩H4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on2מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אַשּׁ֨וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)4בְּהוֹשֵׁ֜עַH1954HoseaHosea, Hoshea, Oshea5קֶ֗שֶׁרH7195verbintenis, Verraad, verraadconfederacy, conspiracy, treason6אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7שָׁלַ֤חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)8מַלְאָכִים֙H4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10ס֣וֹאH5471SoSo11מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal12מִצְרַ֔יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim13וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14הֶעֱלָ֥הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work15מִנְחָ֛הH4503spijsoffer, geschenk, geschenkengift, oblation, (meat) offering, present, sacrifice16לְמֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal17אַשּׁ֖וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)18כְּשָׁנָ֣הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)19בְשָׁנָ֑הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)20וַֽיַּעַצְרֵ֨הוּ֙H6113opgehouden, besloten, beslotene[idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self)21מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal22אַשּׁ֔וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)23וַיַּאַסְרֵ֖הוּH631gebonden, verbonden, bindenbind, fast, gird, harness, hold, keep, make ready, order, prepare, prison(-er), put in bonds, set in array, tie24בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)25כֶּֽלֶאH3608gevangenhuis, gevangenis, gevangenhuizenprison. Compare H3610 (כִּלְאַיִם), H3628 (כְּלִיא)
5Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Want de koningH4428 van AssyrieH804toogH5927 op in het ganseH3605landH776; ja, hij kwam op naar SamariaH8111, en hij belegerdeH6696 haar drieH7969jarenH8141.Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.
KJVThen the king2of Assyria3came up1throughout all the land,5and went up6to Samaria,7and besieged8it three10years.11
1וַיַּ֥עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אַשּׁ֖וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)4בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6וַיַּ֨עַל֙H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7שֹׁמְר֔וֹןH8111SamariaSamaria8וַיָּ֥צַרH6696belegeren, belegerde, belegerdenadversary, assault, beset, besiege, bind (up), cast, distress, fashion, fortify, inclose, lay siege, put up in bags9עָלֶ֖יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10שָׁלֹ֥שׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)11שָׁנִֽיםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)
6In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6In het negendeH8671jaarH8141 van HoseaH1954, namH3920 de koningH4428 van AssyrieH804SamariaH8111 in, en voerdeH1540IsraelH3478wegH1540 in AssyrieH804, en deed ze wonenH3427 in HalahH2477, en in HaborH2249, aan de rivierH5104GozanH1470, en in de stedenH5892 der MedenH4074.In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.
KJVIn the ninth2year1of Hoshea3the king5of Assyria6took4Samaria,8and carried9➔ Israel11awayinto Assyria,12and placed13them in Halah15and in Habor16by the river17of Gozan,18and in the cities19of the Medes.20
1בִּשְׁנַ֨תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2הַתְּשִׁיעִ֜יתH8671negende, negendenninth3לְהוֹשֵׁ֗עַH1954HoseaHosea, Hoshea, Oshea4לָכַ֤דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take5מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal6אַשּׁוּר֙H804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8שֹׁ֣מְר֔וֹןH8111SamariaSamaria9וַיֶּ֥גֶלH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12אַשּׁ֑וּרָהH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)13וַיֹּ֨שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry14אֹתָ֜םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15בַּחְלַ֧חH2477HalahHalah16וּבְחָב֛וֹרH2249HaborHabor17נְהַ֥רH5104rivier, rivieren, stromenflood, river18גּוֹזָ֖ןH1470GozanGozan19וְעָרֵ֥יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town20מָדָֽיH4074Meden, Medie, MadaiMadai, Medes, Media
7Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Want het was geschiedH1961, datH3588 de kinderenH1121IsraelsH3478gezondigdH2398 hadden tegen den HEEREH3068, hun GodH430, Die hen uit EgyptelandH776opgebrachtH5927 had, van onderH8478 de handH3027 van FaraoH6547, den koningH4428 van EgypteH4714; en hadden andere godenH430gevreesdH3372;Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;
KJVFor so it was, that the children4of Israel5had sinned3against the LORD6their God,7which had brought them up8out of the land10of Egypt,11from under the hand13of Pharaoh14king15of Egypt,16and had feared17other19gods,18
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3חָטְא֤וּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass4בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6לַיהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7אֱלֹהֵיהֶ֔םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty8הַמַּעֲלֶ֤הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work9אֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10מֵאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world11מִצְרַ֔יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim12מִתַּ֕חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with13יַ֖דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves14פַּרְעֹ֣הH6547FaraoPharaoh15מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16מִצְרָ֑יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim17וַיִּֽירְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)18אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty19אֲחֵרִֽיםH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange
8En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En hadden gewandeldH3212 in de inzettingenH2708 der heidenenH1471, die de HEEREH3068 voor het aangezichtH6440 der kinderenH1121IsraelsH3478verdrevenH3423 had, en der koningenH4428 van IsraelH3478, dieH834 ze gemaaktH6213 hadden.En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.
KJVAnd walked1in the statutes2of the heathen,3whom the LORD6cast out5from before7the children8of Israel,9and of the kings10of Israel,11which they had made.13
1וַיֵּֽלְכוּ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2בְּחֻקּ֣וֹתH2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute3הַגּוֹיִ֔םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people4אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הוֹרִ֣ישׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly6יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7מִפְּנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10וּמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal11יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13עָשֽׂוּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
9En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En de kinderenH1121IsraelsH3478 hadden de zakenH1697, dieH834nietH3808rechtH3651 zijn, tegenH5921 den HEEREH3068, hun GodH430, bemanteldH2644; en hadden zich hoogtenH1116gebouwdH1129 in alH3605 hun stedenH5892, van den wachttorenH4026 af tot de vasteH4013stedenH5892 toe.En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
KJVAnd the children2of Israel3did secretly1those things4that were not right against the LORD9their God,10and they built11them high places13in all their cities,15from the tower16of the watchmen17to the fenced20city.19
1וַיְחַפְּא֣וּH2644bemantelddo secretly2בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4דְּבָרִים֙H1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7כֵ֔ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)10אֱלֹהֵיהֶ֑םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty11וַיִּבְנ֨וּH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely12לָהֶ֤ם13בָּמוֹת֙H1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave14בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15עָ֣רֵיהֶ֔םH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town16מִמִּגְדַּ֥לH4026toren, torens, Bakoventorencastle, flower, tower. Compare the names following17נוֹצְרִ֖יםH5341bewaren, bewaart, behoedenbesieged, hidden thing, keep(-er, -ing), monument, observe, preserve(-r), subtil, watcher(-man)18עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet19עִ֥ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town20מִבְצָֽרH4013vaste, vastigheden, vesting(de-, most) fenced, fortress, (most) strong (hold)
10En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En zij hadden zich staande beeldenH4676opgerichtH5324 en bossenH842, opH5921allenH3605hogenH1364heuvelH1389 en onderH8478alleH3605groenH7488geboomteH6086.En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.
KJVAnd they set them up1images3and groves4in every high8hill,7and under every green12tree:11
1וַיַּצִּ֧בוּH5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state2לָהֶ֛ם3מַצֵּב֖וֹתH4676opgerichte beelden, opgericht teken, opgericht beeldgarrison, (standing) image, pillar4וַאֲשֵׁרִ֑יםH842bossen, bos, haaggrove. Compare H6253 (עַשְׁתֹּרֶת)5עַ֚לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7גִּבְעָ֣הH1389heuvelen, heuvel, heuvelshill, little hill8גְבֹהָ֔הH1364hogen, hoge, hooghaughty, height, high(-er), lofty, proud, [idiom] exceeding proudly9וְתַ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with10כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11עֵ֥ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood12רַעֲנָֽןH7488groenen, groen, groenegreen, flourishing
11En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En zij hadden daarH8033gerooktH6999 op alleH3605hoogtenH1116, gelijk de heidenenH1471, dieH834 de HEEREH3068 van hun aangezichtenH6440weggevoerdH1540 had; en zij hadden kwadeH7451 dingen gedaanH6213, om den HEEREH3068 tot toornH3707 te verwekken.En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.
KJVAnd there they burnt incense1in all the high places,4as did the heathen5whom the LORD8carried away7before9them; and wrought10wicked12things11to provoke the LORD15to anger:13
1וַיְקַטְּרוּH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)2שָׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4בָּמ֔וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave5כַּגּוֹיִ֕םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people6אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7הֶגְלָ֥הH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover8יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9מִפְּנֵיהֶ֑םH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10וַֽיַּעֲשׂוּ֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11דְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12רָעִ֔יםH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)13לְהַכְעִ֖יסH3707toorn verwekken, vertoornen, getergdbe angry, be grieved, take indignation, provoke (to anger, unto wrath), have sorrow, vex, be wroth14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
12En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En zij hadden de drekgodenH1544gediendH5647, waarvan de HEEREH3068 tot hen gezegdH559 had: Gij zult dezeH2088zaakH1697nietH3808doenH6213.En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.
KJVFor they served1idols,2whereof the LORD5had said4unto them, Ye shall not do8this thing.10
1וַיַּֽעַבְד֖וּH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,2הַגִּלֻּלִ֑יםH1544drekgodenidol3אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4אָמַ֤רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6לָהֶ֔ם7לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תַעֲשׂ֖וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work11הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
13Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Als nu de HEEREH3068 tegen IsraelH3478 en tegen JudaH3063, door den dienstH3027 van alleH3605profetenH5030, van alleH3605zienersH2374, betuigdH5749 had, zeggendeH559: BekeertH7725 u van uw bozeH7451wegenH1870 en houdtH8104 Mijn geboden, en Mijn inzettingenH2708, naar alH3605 de wetH8451, dieH834 Ik uw vaderenH1 geboden heb, en dieH834 Ik tot u door de handH3027 van Mijn knechtenH5650, de profetenH5030, gezondenH7971 heb;Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;
Ook in dit vers
gebodenH4687
gebodenH6680
KJVYet the LORD2testified1against Israel,3and against Judah,4by5all the prophets,7and by all the seers,9saying,10Turn11ye from your evil13ways,12and keep14my commandments15and my statutes,16according to all the law18which I commanded20your fathers,22and which I sent24to you by26my servants27the prophets.28
1וַיָּ֣עַדH5749betuigd, betuigen, getuigenadmonish, charge, earnestly, lift up, protest, call (take) to record, relieve, rob, solemnly, stand upright, testify, give warning, (bear, call to, give, take to) witness2יְהוָ֡הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3בְּיִשְׂרָאֵ֣לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4וּבִיהוּדָ֡הH3063JudaJudah5בְּיַד֩H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7נְבִיאֵ֨יH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet8כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9חֹזֶ֜הH2374ziener, zieners, zienagreement, prophet, see that, seer, (star-) gazer10לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11שֻׁ֝֠בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw12מִדַּרְכֵיכֶ֤םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)13הָֽרָעִים֙H7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)14וְשִׁמְרוּ֙H8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)15מִצְוֺתַ֣יH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept16חֻקּוֹתַ֔יH2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute17כְּכָ֨לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18הַתּוֹרָ֔הH8451wet, wetten, leerlaw19אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20צִוִּ֖יתִיH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order21אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22אֲבֹֽתֵיכֶ֑םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'23וַֽאֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection24שָׁלַ֣חְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)25אֲלֵיכֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)26בְּיַ֖דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves27עֲבָדַ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant28הַנְּבִיאִֽיםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet
14Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Zo hoordenH8085 zij nietH3808, maar zij verharddenH7185 hun nekH6203, gelijk de nekH6203 hunner vaderenH1 geweest was, dieH834 aan den HEEREH3068, hun GodH430, nietH3808geloofdH539 hadden.Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
KJVNotwithstanding they would not hear,2but hardened3their necks,5like to the neck6of their fathers,7that did not believe10in the LORD11their God.12
1וְלֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2שָׁמֵ֑עוּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3וַיַּקְשׁ֤וּH7185hard, verhard, verharddebe cruel, be fiercer, make grievous, be ((ask a), be in, have, seem, would) hard(-en, (labour), -ly, thing), be sore, (be, make) stiff(-en, (-necked))4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5עָרְפָּם֙H6203nek, hardnekkig, nek toekerenback ((stiff-) neck((-ed)6כְּעֹ֣רֶףH6203nek, hardnekkig, nek toekerenback ((stiff-) neck((-ed)7אֲבוֹתָ֔םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10הֶאֱמִ֔ינוּH539getrouw, geloven, geloofdhence, assurance, believe, bring up, establish, [phrase] fail, be faithful (of long continuance, stedfast, sure, surely, trusty, verified), nurse, (-ing father), (put), trust, turn to the right11בַּֽיהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12אֱלֹהֵיהֶֽםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
15Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Daartoe verwierpenH3988 zij Zijn inzettingenH2706, en Zijn verbondH1285, datH834 Hij metH854 hun vaderenH1 gemaakt had, en Zijn getuigenissenH5715, dieH834 Hij tegen hen betuigdH5749 had, en wandeldenH3212 de ijdelheidH1892 na, dat zij ijdelH1891 werden, en achterH310 de heidenenH1471, dieH834rondomH5439 hen waren, van dewelkeH834 de HEEREH3068 hun gebodenH6680 had, dat zij nietH1115 zouden doenH6213 gelijk die.Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
KJVAnd they rejected1his statutes,3and his covenant5that he made7with their fathers,9and his testimonies11which he testified13against them; and they followed15vanity,17and became vain,18and went after16the heathen20that were round about22them, concerning whom the LORD25had charged24them, that they should not do28like them.
1וַיִּמְאֲס֣וּH3988verworpen, verwerpen, versmaadabhor, cast away (off), contemn, despise, disdain, (become) loathe(some), melt away, refuse, reject, reprobate, [idiom] utterly, vile person2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3חֻקָּ֗יוH2706inzettingen, inzetting, bescheidenappointed, bound, commandment, convenient, custom, decree(-d), due, law, measure, [idiom] necessary, ordinance(-nary), portion, set time, statute, task4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5בְּרִיתוֹ֙H1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league6אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7כָּרַ֣תH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want8אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix9אֲבוֹתָ֔םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'10וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עֵֽדְוֺתָ֔יוH5715getuigenis, getuigenissentestimony, witness12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13הֵעִ֖ידH5749betuigd, betuigen, getuigenadmonish, charge, earnestly, lift up, protest, call (take) to record, relieve, rob, solemnly, stand upright, testify, give warning, (bear, call to, give, take to) witness14בָּ֑ם15וַיֵּ֨לְכ֜וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak16אַחֲרֵ֤יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with17הַהֶ֨בֶל֙H1892ijdelheid, ijdelheden, Ijdelheid[idiom] altogether, vain, vanity18וַיֶּהְבָּ֔לוּH1891ijdel, verijdeldbe (become, make) vain19וְאַחֲרֵ֤יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with20הַגּוֹיִם֙H1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people21אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection22סְבִֽיבֹתָ֔םH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side23אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection24צִוָּ֤הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order25יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)26אֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)27לְבִלְתִּ֖יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without28עֲשׂ֥וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use29כָּהֶֽם
16Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Ja, zij verlietenH5800alH3605 de gebodenH4687 des HEERENH3068, huns GodsH430, en maaktenH6213 zich gegoten beeldenH4541, tweeH8147kalverenH5695; en maaktenH6213bossenH842, en bogenH7812 zich voor alleH3605heirH6635 des hemelsH8064, en diendenH5647BaalH1168.Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.
KJVAnd they left1all the commandments4of the LORD5their God,6and made7them molten images,9even two10calves,11and made12a grove,13and worshipped14all the host16of heaven,17and served18Baal.20
1וַיַּעַזְב֗וּH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4מִצְוֺת֙H4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept5יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6אֱלֹהֵיהֶ֔םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7וַיַּעֲשׂ֥וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8לָהֶ֛ם9מַסֵּכָ֖הH4541beeld, beelden, gegotencovering, molten (image), vail10שְׁנֵ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two11עֲגָלִ֑יםH5695kalf, kalveren, kalfsbullock, calf12וַיַּעֲשׂ֣וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use13אֲשֵׁירָ֗הH842bossen, bos, haaggrove. Compare H6253 (עַשְׁתֹּרֶת)14וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֙H7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship15לְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16צְבָ֣אH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)17הַשָּׁמַ֔יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)18וַיַּעַבְד֖וּH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הַבָּֽעַלH1168Baal, BaalsBaal, (plural) Baalim
17Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Ook deden zij hun zonenH1121 en hun dochterenH1323 door het vuurH784 gaan, en gebruiktenH7080waarzeggerijenH7081, en gaven op vogelgeschrei achtH5172, en verkochtenH4376 zich, om te doenH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068, om Hem tot toornH3707 te verwekken.Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
KJVAnd they caused their sons3and their daughters5to pass1through the fire,6and used7divination8and enchantments,9and sold10themselves to do11evil12in the sight13of the LORD,14to provoke him to anger.15
1וַֽ֠יַּעֲבִירוּH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3בְּנֵיהֶ֤םH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5בְּנֽוֹתֵיהֶם֙H1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village6בָּאֵ֔שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot7וַיִּקְסְמ֥וּH7080waarzeggers, gebruiken, voorzeggendivine(-r, -ation), prudent, soothsayer, use (divination)8קְסָמִ֖יםH7081waarzegging, waarzeggerijen, Waarzegging(reward of) divination, divine sentence, witchcraft9וַיְנַחֵ֑שׁוּH5172vogelgeschrei acht, waarnemen, zekerlijk[idiom] certainly, divine, enchanter, (use) [idiom] enchantment, learn by experience, [idiom] indeed, diligently observe10וַיִּֽתְמַכְּר֗וּH4376verkocht, verkopen, verkochten[idiom] at all, sell (away, -er, self)11לַעֲשׂ֥וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12הָרַ֛עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)13בְּעֵינֵ֥יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)14יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)15לְהַכְעִיסֽוֹH3707toorn verwekken, vertoornen, getergdbe angry, be grieved, take indignation, provoke (to anger, unto wrath), have sorrow, vex, be wroth
18Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Daarom vertoorndeH599 zich de HEEREH3068zeerH3966 over IsraelH3478, dat Hij hen wegdeedH5493 van Zijn aangezichtH6440; er bleefH7604nietsH3808 over, behalve de stamH7626 van JudaH3063 alleen.Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
KJVTherefore the LORD2was very3angry1with Israel,4and removed5them out of his sight:7there was none left9but the tribe11of Judah12only.
1וַיִּתְאַנַּ֨ףH599vertoornde, toornen, toornigbe angry (displeased)2יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3מְאֹד֙H3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well4בְּיִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5וַיְסִרֵ֖םH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without6מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7פָּנָ֑יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9נִשְׁאַ֔רH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest10רַ֛קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise11שֵׁ֥בֶטH7626stammen, stam, roede[idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe12יְהוּדָ֖הH3063JudaJudah13לְבַדּֽוֹH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength
19Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israel, die zij gemaakt hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19ZelfsH1571hieldH8104JudaH3063 de gebodenH4687 des HEERENH3068, huns GodsH430, nietH3808; maar zij wandeldenH3212 in de inzettingenH2708 van IsraelH3478, dieH834 zij gemaaktH6213 hadden.Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israel, die zij gemaakt hadden.
KJVAlso Judah2kept4not the commandments6of the LORD7their God,8but walked9in the statutes10of Israel11which they made.13
1גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea2יְהוּדָ֕הH3063JudaJudah3לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4שָׁמַ֔רH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6מִצְוֺ֖תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept7יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8אֱלֹהֵיהֶ֑םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9וַיֵּ֣לְכ֔וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak10בְּחֻקּ֥וֹתH2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute11יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13עָשֽׂוּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
20Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israel, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Zo verwierpH3988 de HEEREH3068 het ganseH3605zaadH2233 van IsraelH3478, en bedrukteH6031 hen, en gafH5414 ze in de handH3027 der roversH8154, totdatH5704 Hij hen van Zijn aangezichtH6440weggeworpenH7993 had.Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israel, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.
KJVAnd the LORD2rejected1all the seed4of Israel,5and afflicted6them, and delivered7them into the hand8of spoilers,9until he had cast12them out of his sight.13
1וַיִּמְאַ֨סH3988verworpen, verwerpen, versmaadabhor, cast away (off), contemn, despise, disdain, (become) loathe(some), melt away, refuse, reject, reprobate, [idiom] utterly, vile person2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4זֶ֤רַעH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time5יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6וַיְעַנֵּ֔םH6031verootmoedigen, verdrukt, verkrachtabase self, afflict(-ion, self), answer (by mistake for H6030 (עָנָה)), chasten self, deal hardly with, defile, exercise, force, gentleness, humble (self), hurt, ravish, sing (by mistake for H6030 (עָנָה)), speak (by mistake for H6030 (עָנָה)), submit self, weaken, [idiom] in any wise7וַֽיִּתְּנֵ֖םH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8בְּיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9שֹׁסִ֑יםH8154beroven, rovers, beroofdedestroyer, rob, spoil(-er)10עַ֛דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet11אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12הִשְׁלִיכָ֖םH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw13מִפָּנָֽיוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
21Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21WantH3588 Hij scheurdeH7167IsraelH3478 van het huisH1004 van DavidH1732 af, en zij maaktenH4427JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, koningH4427; en JerobeamH3379dreefH5080IsraelH3478 af van achterH310 den HEEREH3068, en hij deed ze een groteH1419zondeH2401zondigenH2398.Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
KJVFor he rent2Israel3from the house5of David;6and they made Jeroboam9the son10of Nebat11king:7and Jeroboam13drave12Israel15from following16the LORD,17and made them sin18a great20sin.19
1כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2קָרַ֣עH7167scheurde, gescheurd, scheurdencut out, rend, [idiom] surely, tear3יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4מֵעַל֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid7וַיַּמְלִ֖יכוּH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11נְבָ֑טH5028NebatNebat12וַיַּדַּ֨חH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw13יָרָבְעָ֤םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16מֵאַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with17יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)18וְהֶחֱטֵיאָ֖םH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass19חֲטָאָ֥הH2401zonde, zondoffersin (offering)20גְדוֹלָֽהH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very
22Alzo wandelden de kinderen Israels in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Alzo wandeldenH3212 de kinderenH1121IsraelsH3478 in alleH3605zondenH2403 van JerobeamH3379dieH834 hij gedaanH6213 had; zij wekenH5493 daarvan nietH3808 af;Alzo wandelden de kinderen Israels in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;
KJVFor the children2of Israel3walked1in all the sins5of Jeroboam6which he did;8they departed10not from them;
1וַיֵּֽלְכוּ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5חַטֹּ֥אותH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)6יָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam7אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10סָ֖רוּH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without11מִמֶּֽנָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with
23Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23TotdatH5704 de HEEREH3068IsraelH3478 van Zijn aangezichtH6440wegdeedH5493, gelijk als Hij gesprokenH1696 had door den dienstH3027 van alH3605 Zijn knechtenH5650, de profetenH5030; alzo werd IsraelH3478weggevoerdH1540 uit zijn landH127 naar AssyrieH804, totH5704opH5921dezenH2088dagH3117.Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag.
KJVUntil the LORD4removed3Israel6out of his sight,8as he had said10by11all his servants13the prophets.14So was Israel16carried away15out of their own land18to Assyria19unto this day.21
1עַ֠דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet2אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3הֵסִ֨ירH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without4יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8פָּנָ֔יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you9כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10דִּבֶּ֔רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work11בְּיַ֖דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13עֲבָדָ֣יוH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant14הַנְּבִיאִ֑יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet15וַיִּ֨גֶלH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover16יִשְׂרָאֵ֜לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael17מֵעַ֤לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18אַדְמָתוֹ֙H127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land19אַשּׁ֔וּרָהH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)20עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet21הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger22הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
24De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24De koningH4428 nu van AssyrieH804brachtH935 volk van BabelH894, en van ChutaH3575, en van AvvaH5755, en van HamathH2574, en SefarvaimH5617, en deed hen wonenH3427 in de stedenH5892 van SamariaH8111, in de plaatsH8478 der kinderenH1121IsraelsH3478; en zij namenH3423SamariaH8111erfelijkH3423 in, en woondenH3427 in haar stedenH5892.De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
KJVAnd the king2of Assyria3brought1men from Babylon,4and from Cuthah,5and from Ava,6and from Hamath,7and from Sepharvaim,8and placed9them in the cities10of Samaria11instead of the children13of Israel:14and they possessed15Samaria,17and dwelt18in the cities19thereof.
1וַיָּבֵ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אַשּׁ֡וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)4מִבָּבֶ֡לH894Babel, Babels, BabylonieBabel, Babylon5וּ֠מִכּוּ֠תָהH3575Chut, ChutaCuth6וּמֵעַוָּ֤אH5755Ivva, AvvaAva, Ivah7וּמֵֽחֲמָת֙H2574Hamath, HammathHamath, Hemath8וּסְפַרְוַ֔יִםH5617Sefarvaim9וַיֹּ֨שֶׁב֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10בְּעָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town11שֹֽׁמְר֔וֹןH8111SamariaSamaria12תַּ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with13בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael15וַיִּֽרְשׁוּ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17שֹׁ֣מְר֔וֹןH8111SamariaSamaria18וַיֵּֽשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry19בְּעָרֶֽיהָH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town
25En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En het geschiedde in het beginH8462 hunner woningH3427aldaarH8033, dat zij den HEEREH3068nietH3808vreesdenH3372; zo zondH7971 de HEEREH3068leeuwenH738 onder hen, die enigen van hen dooddenH1961.En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.
KJVAnd so it was at the beginning2of their dwelling3there, that they feared6not the LORD:8therefore the LORD10sent9lions13among them, which slew15some of them.
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2בִּתְחִלַּת֙H8462begin, eerst, vooreerstbegin(-ning), first (time)3שִׁבְתָּ֣םH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4שָׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither5לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6יָרְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9וַיְשַׁלַּ֨חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)10יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11בָּהֶם֙12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13הָ֣אֲרָי֔וֹתH738leeuw, leeuwen, leeuws(young) lion, [phrase] pierce (from the margin)14וַיִּֽהְי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15הֹרְגִ֖יםH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely16בָּהֶֽם
26Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Daarom sprakenH559 zij tot den koningH4428 van AssyrieH804, zeggendeH559: De volkenH1471, dieH834 gij vervoerdH1540 hebt, en hebt doen wonenH3427 in de stedenH5892 van SamariaH8111, wetenH3045 de wijzeH4941 des GodsH430 van het landH776 niet; daarom heeft Hij leeuwenH738 onder hen gezondenH7971, en zietH2009, zij dodenH4191 hen, dewijl zij niet wetenH3045 de wijzeH4941 des GodsH430 van het landH776.Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.
KJVWherefore they spake1to the king2of Assyria,3saying,4The nations5which thou hast removed,7and placed8in the cities9of Samaria,10know12not the manner14of the God15of the land:16therefore he hath sent17lions20among them, and, behold, they slay22them, because they know26not the manner28of the God29of the land.30
1וַיֹּאמְר֗וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לְמֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אַשּׁוּר֮H804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)4לֵאמֹר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הַגּוֹיִ֗םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people6אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7הִגְלִ֨יתָ֙H1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover8וַתּ֨וֹשֶׁב֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9בְּעָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town10שֹׁמְר֔וֹןH8111SamariaSamaria11לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12יָֽדְע֔וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14מִשְׁפַּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong15אֱלֹהֵ֣יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty16הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17וַיְשַׁלַּחH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)18בָּ֣ם19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הָאֲרָי֗וֹתH738leeuw, leeuwen, leeuws(young) lion, [phrase] pierce (from the margin)21וְהִנָּם֙H2009ziet, ziebehold, lo, see22מְמִיתִ֣יםH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise23אוֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24כַּאֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection25אֵינָ֣םH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)26יֹדְעִ֔יםH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot27אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)28מִשְׁפַּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong29אֱלֹהֵ֥יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty30הָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
27Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27Toen geboodH6680 de koningH4428 van AssyrieH804, zeggendeH559: BrengtH3212eenH259 der priesterenH3548daarheenH8033, dieH834 gijlieden van daar weggevoerdH1540 hebt, dat zij henentrekkenH3212, en wonenH3427 aldaar; en dat hij hun lereH3384 de wijzeH4941 des GodsH430 van het landH776.Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.
KJVThen the king2of Assyria3commanded,1saying,4Carry5thither one7of the priests8whom ye brought10from thence; and let them go12and dwell13there, and let him teach15them the manner17of the God18of the land.19
1וַיְצַ֨וH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order2מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אַשּׁ֜וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)4לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הֹלִ֤יכוּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6שָׁ֨מָּה֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither7אֶחָ֤דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,8מֵהַכֹּֽהֲנִים֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer9אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10הִגְלִיתֶ֣םH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover11מִשָּׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither12וְיֵלְכ֖וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak13וְיֵ֣שְׁבוּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry14שָׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither15וְיֹרֵ֕םH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17מִשְׁפַּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong18אֱלֹהֵ֥יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty19הָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
28Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Zo kwamH935eenH259 uit de priesterenH3548, dieH834 zij van SamariaH8111weggevoerdH1540 hadden, en woondeH3427 te Beth-ElH1008; en hij leerdeH1961 hun, hoeH349 zij den HEEREH3068vrezenH3372 zouden.Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.
KJVThen one2of the priests3whom they had carried away5from Samaria6came1and dwelt7in Bethel,8and taught11them how they should fear14the LORD.16
1וַיָּבֹ֞אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֶחָ֣דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,3מֵהַכֹּהֲנִ֗יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer4אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הִגְלוּ֙H1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover6מִשֹּׁ֣מְר֔וֹןH8111SamariaSamaria7וַיֵּ֖שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry8בְּבֵֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el9אֵ֑לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el10וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11מוֹרֶ֣הH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through12אֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אֵ֖יךְH349hoehow, what14יִֽירְא֥וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
29Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Maar elk volkH1471maakteH6213zijnH1961godenH430; en zij steldenH3240 ze in de huizenH1004 der hoogtenH1116, die de SamaritanenH8118gemaaktH6213 hadden, elk volkH1471 in hunH1992stedenH5892, waarin zij woonachtigH3427 waren.Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.
KJVHowbeit every nation3made2gods5of their own, and put6them in the houses7of the high places8which the Samaritans11had made,10every nation4in their cities14wherein they dwelt.17
1וַיִּהְי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2עֹשִׂ֔יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3גּ֥וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people4גּ֖וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people5אֱלֹהָ֑יוH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6וַיַּנִּ֣יחוּH3240laten, leide, lietbestow, cast down, lay (down, up), leave (off), let alone (remain), pacify, place, put, set (down), suffer, withdraw, withhold. (The Hiphil forms with the dagesh are here referred to, in accordance with the older grammarians; but if any distinction of the kind is to be made, these should rather be referred to H5117 (נוּחַ), and the others here.)7בְּבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8הַבָּמ֗וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave9אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10עָשׂוּ֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11הַשֹּׁ֣מְרֹנִ֔יםH8118SamaritanenSamaritans12גּ֥וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people13גּוֹי֙H1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people14בְּעָ֣רֵיהֶ֔םH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town15אֲשֶׁ֛רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16הֵ֥םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye17יֹשְׁבִ֖יםH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry18שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
30Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30Want de liedenH582 van BabelH894maaktenH6213Sukkoth BenothH5524, en de liedenH582 van ChutH3575maaktenH6213NergalH5370, en de liedenH582 van HamathH2574maaktenH6213AsimaH807,Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima,
KJVAnd the menof Babylon2made3Succothbenoth,5and the menof Cuth8made9Nergal,11and the menof Hamath13made14Ashima,16
1וְאַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)2בָבֶ֗לH894Babel, Babels, BabylonieBabel, Babylon3עָשׂוּ֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5סֻכּ֣וֹתH5524Sukkoth BenothSuccothbenoth6בְּנ֔וֹתH5524Sukkoth BenothSuccothbenoth7וְאַנְשֵׁיH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8כ֔וּתH3575Chut, ChutaCuth9עָשׂ֖וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11נֵֽרְגַ֑לH5370NergalNergal12וְאַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)13חֲמָ֖תH2574Hamath, HammathHamath, Hemath14עָשׂ֥וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16אֲשִׁימָֽאH807AsimaAshima
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
31En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31En de AvietenH5757maaktenH6213NibhazH5026 en TartakH8662, en de SefarvietenH5616verbranddenH8313 hun zonenH1121 voor AdramelechH152 en AnamelechH6048, de godenH430 van SefarvaimH5617, met vuurH784.En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
KJVAnd the Avites1made2Nibhaz3and Tartak,5and the Sepharvites6burnt7their children9in fire10to Adrammelech11and Anammelech,12the gods13of Sepharvaim.14
1וְהָעַוִּ֛יםH5757AvietenAvims, Avites2עָשׂ֥וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3נִבְחַ֖זH5026NibhazNibhaz4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5תַּרְתָּ֑קH8662TartakTartak6וְהַסְפַרְוִ֗יםH5616SefarvietenSepharvite7שֹׂרְפִ֤יםH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9בְּנֵיהֶם֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10בָּאֵ֔שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot11לְאַדְרַמֶּ֥לֶךְH152AdramelechAdrammelech12וַֽעֲנַמֶּ֖לֶךְH6048AnamelechAnammelech13אֱלֹהֵ֥יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty14סְפַרְוָֽיִםH5617Sefarvaim
32Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32Ook vreesdenH1961 zij den HEEREH3068, en maaktenH6213 zich van hun geringstenH7098priesterenH3548 der hoogtenH1116, dewelke voor hen dienstH1961 deden in de huizenH1004 der hoogtenH1116.Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.
KJVSo they fearedthe LORD,4and made5unto themselves of the lowest7of them priests8of the high places,9which sacrificed11for them in the houses13of the high places.14
1וַיִּהְי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2יְרֵאִ֖יםH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5וַיַּעֲשׂ֨וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6לָהֶ֤ם7מִקְצוֹתָם֙H7098einden, einde, geringstencoast, corner, (selv-) edge, lowest, (uttermost) participle8כֹּהֲנֵ֣יH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer9בָמ֔וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave10וַיִּהְי֛וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11עֹשִׂ֥יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12לָהֶ֖ם13בְּבֵ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)14הַבָּמֽוֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave
33Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33Zij vreesdenH1961 den HEEREH3068, en diendenH1961 ook hun godenH430, naar de wijzeH4941 der volkenH1471, van dewelkeH834 zij die weggevoerdH1540 hadden.Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.
KJVThey fearedthe LORD,2and served8their own gods,6after the manner9of the nations10whom they carried away12from thence.
1אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3הָי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use4יְרֵאִ֑יםH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6אֱלֹֽהֵיהֶם֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7הָי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8עֹֽבְדִ֔יםH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,9כְּמִשְׁפַּט֙H4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong10הַגּוֹיִ֔םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people11אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12הִגְל֥וּH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover13אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14מִשָּֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
34Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34Tot op dezenH2088dagH3117toeH5704 doen die naar de eersteH7223wijzenH4941; zij vrezenH3373 den HEEREH3068 niet, en zij doenH6213 niet naar hun inzettingenH2708, en naar hun rechtenH4941, en naar de wetH8451, en naar het gebodH4687, dat de HEEREH3068gebodenH6680 heeft aan de kinderenH1121 van JakobH3290, dien Hij den naamH8034IsraelH3478 gaf.Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf.
KJVUnto this day2they do5after the former7manners:6they fearnot the LORD,11neither do13they after their statutes,14or after their ordinances,15or after the law16and commandment17which the LORD20commanded19the children22of Jacob,23whom he named25Israel;27
1עַ֣דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet2הַיּ֤וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)4הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye5עֹשִׂ֔יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6כַּמִּשְׁפָּטִ֖יםH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong7הָרִֽאשֹׁנִ֑יםH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past8אֵינָ֤םH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)9יְרֵאִים֙H3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12וְאֵינָ֣םH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13עֹשִׂ֗יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14כְּחֻקֹּתָם֙H2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute15וּכְמִשְׁפָּטָ֔םH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong16וְכַתּוֹרָ֣הH8451wet, wetten, leerlaw17וְכַמִּצְוָ֗הH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept18אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection19צִוָּ֤הH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order20יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)21אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth23יַעֲקֹ֔בH3290Jakob, JakobsJacob24אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection25שָׂ֥םH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work26שְׁמ֖וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report27יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
35Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35Nochtans had de HEEREH3068 een verbondH1285metH854 hen gemaakt, en had hun gebodenH6680, zeggendeH559: Gij zult geenH3808 andere godenH430vrezenH3372, noch u voor hen nederbuigenH7812, nochH3808 hen dienenH5647, nochH3808 hun offerandeH2076 doen.Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.
KJVWith whom the LORD2had made1a covenant,4and charged5them, saying,6Ye shall not fear8other10gods,9nor bow12yourselves to them, nor serve15them, nor sacrifice17to them:
1וַיִּכְרֹ֨תH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want2יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אִתָּם֙H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4בְּרִ֔יתH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league5וַיְצַוֵּ֣םH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order6לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תִֽירְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)9אֱלֹהִ֣יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty10אֲחֵרִ֑יםH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange11וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12תִשְׁתַּחֲו֣וּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship13לָהֶ֔ם14וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15תַעַבְד֔וּםH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,16וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17תִזְבְּח֖וּH2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay18לָהֶֽם
36Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36MaarH3588 den HEEREH3068, Die u uit EgyptelandH776 met groteH1419krachtH3581 en met een uitgestrektenH5186armH2220opgevoerdH5927 heeft, Dien zult gij vrezenH3372, en voor Hem zult gij u buigenH7812, en Hem zult gij offerandeH2076 doen;Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen;
KJVBut the LORD,4who brought you up6out of the land8of Egypt9with great11power10and a stretched out13arm,12him shall ye fear,15and him shall ye worship,17and to him shall ye do sacrifice.19
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2אִֽםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6הֶעֱלָ֨הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7אֶתְכֶ֜םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8מֵאֶ֧רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world9מִצְרַ֛יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim10בְּכֹ֧חַH3581kracht, macht, vermogenability, able, chameleon, force, fruits, might, power(-ful), strength, substance, wealth11גָּד֛וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very12וּבִזְר֥וֹעַH2220arm, armen, armsarm, [phrase] help, mighty, power, shoulder, strength13נְטוּיָ֖הH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield14אֹת֣וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15תִירָ֑אוּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)16וְל֥וֹ17תִֽשְׁתַּחֲו֖וּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship18וְל֥וֹ19תִזְבָּֽחוּH2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay
37En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37En de inzettingenH2706, en de rechtenH4941, en de wetH8451, en het gebodH4687, dieH834 Hij u geschrevenH3789 heeft, zult gij waarnemenH8104 te doenH6213 te allenH3605dagH3117; en gij zult andere godenH430nietH3808vrezenH3372.En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen.
KJVAnd the statutes,2and the ordinances,4and the law,5and the commandment,6which he wrote8for you, ye shall observe10to do11for evermore;13and ye shall not fear15other17gods.16
1וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2הַחֻקִּ֨יםH2706inzettingen, inzetting, bescheidenappointed, bound, commandment, convenient, custom, decree(-d), due, law, measure, [idiom] necessary, ordinance(-nary), portion, set time, statute, task3וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַמִּשְׁפָּטִ֜יםH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong5וְהַתּוֹרָ֤הH8451wet, wetten, leerlaw6וְהַמִּצְוָה֙H4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept7אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8כָּתַ֣בH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9לָכֶ֔ם10תִּשְׁמְר֥וּןH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)11לַעֲשׂ֖וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13הַיָּמִ֑יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15תִֽירְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)16אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty17אֲחֵרִֽיםH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange
38En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38En het verbondH1285, datH834 Ik metH854 u gemaakt heb, zult gij nietH3808vergetenH7911; en gij zult andere godenH430nietH3808vrezenH3372.En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.
KJVAnd the covenant1that I have made3with you ye shall not forget;6neither shall ye fear8other10gods.9
1וְהַבְּרִ֛יתH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league2אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3כָּרַ֥תִּיH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want4אִתְּכֶ֖םH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix5לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6תִשְׁכָּ֑חוּH7911vergeten, vergeet, vergaten[idiom] at all, (cause to) forget7וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תִֽירְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)9אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty10אֲחֵרִֽיםH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange
39Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39MaarH3588 den HEEREH3068, uw GodH430, zult gij vrezenH3372; en HijH1931 zal u reddenH5337 uit de handH3027 van alH3605 uw vijandenH341.Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden.
KJVBut the LORD4your God5ye shall fear;6and he shall deliver8you out of the hand10of all your enemies.12
1כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2אִֽםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֱלֹהֵיכֶ֖םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6תִּירָ֑אוּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7וְהוּא֙H1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8יַצִּ֣ילH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)9אֶתְכֶ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10מִיַּ֖דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12אֹיְבֵיכֶֽםH341vijanden, vijand, vijandsenemy, foe
40Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40Doch zij hoordenH8085nietH3808, maarH3588 zij dedenH6213 naar hunH1992eersteH7223wijzeH4941.Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.
KJVHowbeit they did not hearken,2but they did8after their former6manner.5
1וְלֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2שָׁמֵ֑עוּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4אִֽםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet5כְּמִשְׁפָּטָ֥םH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong6הָֽרִאשׁ֖וֹןH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past7הֵ֥םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye8עֹשִֽׂיםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
41Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41Maar deze volkenH1471vreesdenH1961 den HEEREH3068, en diendenH1961 hun gesneden beeldenH6456; ookH1571doenH6213 hun kinderenH1121 en hun kindskinderenH1121, gelijk als hunH1992vadersH1gedaanH6213 hebben, totH5704 op dezen dagH3117.Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
KJVSo these nations2fearedthe LORD,6and served10their graven images,8both their children,12and their children's13children:14as did16their fathers,17so do19they unto this day.21
1וַיִּהְי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הַגּוֹיִ֣םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people3הָאֵ֗לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)4יְרֵאִים֙H3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8פְּסִֽילֵיהֶ֖םH6456gesneden beelden, gesneden, gesnedene beeldencarved (graven) image, quarry9הָי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10עֹֽבְדִ֑יםH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,11גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea12בְּנֵיהֶ֣םH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13וּבְנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14בְנֵיהֶ֗םH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth15כַּאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16עָשׂ֤וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use17אֲבֹתָם֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'18הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye19עֹשִׂ֔יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use20עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet21הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger22הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Koningen 17:1— In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.2 Koningen 15:30→
2 Koningen 17:2— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.2 Koningen 15:18→2 Kronieken 30:5→2 Koningen 15:24→2 Koningen 10:31→2 Koningen 13:11→2 Koningen 15:9→2 Koningen 3:2→2 Koningen 13:2→
2 Koningen 17:3— Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.Hosea 10:14→2 Koningen 15:29→2 Koningen 19:36→Jesaja 10:5→Jesaja 7:7→2 Koningen 18:9→2 Koningen 15:19→Jesaja 10:11→
2 Koningen 17:4— Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.2 Koningen 24:20→2 Koningen 25:7→Jesaja 31:1→2 Koningen 24:1→Psalmen 149:7→2 Koningen 18:21→Ezechiël 17:13→Jesaja 30:1→
2 Koningen 17:5— Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.Hosea 13:16→2 Koningen 18:9→2 Koningen 25:1→Jeremia 52:4→
2 Koningen 17:6— In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.Deuteronomium 28:64→Hosea 13:16→1 Kronieken 5:26→2 Koningen 18:10→Jesaja 21:2→Deuteronomium 29:27→Leviticus 26:32→Deuteronomium 28:36→
2 Koningen 17:7— Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;Jozua 23:16→Exodus 20:2→Nehemia 9:26→Ezechiël 23:2→Hosea 8:5→Exodus 14:15→Deuteronomium 32:15→2 Kronieken 36:14→
2 Koningen 17:8— En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.Leviticus 18:3→Deuteronomium 18:9→2 Koningen 16:3→2 Koningen 17:19→2 Koningen 21:2→Leviticus 18:27→Jeremia 10:2→1 Koningen 12:28→
2 Koningen 17:9— En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.2 Koningen 18:8→Deuteronomium 13:6→Deuteronomium 27:15→Ezechiël 8:12→Hosea 12:11→Job 31:27→
2 Koningen 17:10— En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.1 Koningen 14:23→Exodus 34:13→2 Koningen 16:4→Micha 5:14→Deuteronomium 16:21→Jesaja 57:5→Leviticus 26:1→Deuteronomium 12:2→
2 Koningen 17:11— En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.2 Kronieken 28:25→Psalmen 78:56→1 Koningen 13:1→2 Koningen 21:6→Jeremia 44:17→
2 Koningen 17:12— En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.Deuteronomium 12:4→Deuteronomium 4:15→Leviticus 26:1→Deuteronomium 4:23→Exodus 20:3→Exodus 34:14→Deuteronomium 5:7→
2 Koningen 17:13— Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;Jeremia 18:11→1 Samuël 9:9→Jeremia 35:15→Nehemia 9:29→Ezechiël 18:31→Jeremia 7:3→Jeremia 42:19→Hosea 4:15→
2 Koningen 17:14— Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.Deuteronomium 31:27→Handelingen 7:51→2 Kronieken 36:13→Hebreeën 3:12→Psalmen 78:32→Romeinen 2:4→Spreuken 29:1→Psalmen 106:24→
2 Koningen 17:15— Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.Deuteronomium 12:30→Deuteronomium 32:21→Jeremia 2:5→Romeinen 1:21→1 Koningen 16:13→Jeremia 8:9→Exodus 24:6→Deuteronomium 6:17→
2 Koningen 17:16— Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.1 Koningen 14:15→1 Koningen 16:31→1 Koningen 14:23→1 Koningen 12:28→Deuteronomium 4:19→1 Koningen 16:33→1 Koningen 22:53→2 Koningen 21:3→
2 Koningen 17:17— Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.2 Koningen 21:6→2 Koningen 16:3→1 Koningen 21:20→Deuteronomium 18:10→Ezechiël 23:37→Leviticus 19:26→Leviticus 18:21→Micha 5:12→
2 Koningen 17:18— Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.1 Koningen 11:32→1 Koningen 11:13→Deuteronomium 32:21→1 Koningen 11:36→Hosea 11:12→1 Koningen 12:20→Hosea 9:3→Jozua 23:13→
2 Koningen 17:19— Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israel, die zij gemaakt hadden.2 Koningen 16:3→1 Koningen 14:22→Jeremia 3:8→2 Kronieken 21:13→2 Kronieken 21:11→Ezechiël 16:51→Jeremia 2:28→2 Koningen 8:18→
2 Koningen 17:20— Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israel, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.2 Koningen 15:29→Jeremia 6:30→2 Koningen 13:3→1 Samuël 15:26→2 Koningen 18:9→Nehemia 9:2→1 Samuël 16:1→Nehemia 9:27→
2 Koningen 17:21— Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.1 Koningen 11:11→1 Koningen 11:31→1 Koningen 14:16→1 Koningen 12:28→Genesis 20:9→Johannes 19:11→1 Samuël 2:24→2 Kronieken 10:15→
2 Koningen 17:22— Alzo wandelden de kinderen Israels in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;2 Koningen 10:31→2 Koningen 13:11→2 Koningen 13:2→2 Koningen 15:9→2 Koningen 3:3→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:6→
2 Koningen 17:23— Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag.2 Koningen 17:6→2 Koningen 17:13→2 Koningen 17:18→2 Koningen 18:11→2 Koningen 17:20→Amos 5:27→1 Koningen 14:16→1 Koningen 13:2→
2 Koningen 17:24— De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.2 Koningen 18:34→2 Koningen 17:30→2 Koningen 19:13→Jesaja 36:19→2 Koningen 17:6→1 Koningen 8:65→Ezra 4:2→Jesaja 10:9→
2 Koningen 17:25— En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.2 Koningen 17:34→2 Koningen 17:41→2 Koningen 17:32→2 Koningen 17:28→2 Koningen 2:24→Jeremia 15:3→Daniël 6:26→1 Koningen 20:36→
2 Koningen 17:26— Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.Amos 8:14→1 Samuël 10:25→2 Koningen 17:27→1 Samuël 8:9→
2 Koningen 17:27— Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.1 Koningen 13:2→2 Kronieken 11:15→Richteren 17:13→1 Koningen 12:31→
2 Koningen 17:28— Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.1 Koningen 12:29→Jesaja 29:13→Mattheüs 15:14→
2 Koningen 17:29— Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.Micha 4:5→1 Koningen 12:31→Romeinen 1:23→Jeremia 10:3→Psalmen 115:4→Jesaja 44:9→1 Koningen 13:32→Psalmen 135:15→
2 Koningen 17:30— Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima,2 Koningen 17:24→
2 Koningen 17:31— En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.2 Koningen 17:24→2 Koningen 17:17→2 Koningen 19:37→Deuteronomium 12:28→Leviticus 18:21→Deuteronomium 12:31→Ezra 4:9→
2 Koningen 17:32— Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.1 Koningen 12:31→2 Koningen 17:29→Sefanja 1:5→2 Koningen 23:19→1 Koningen 13:31→1 Koningen 13:33→
2 Koningen 17:33— Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.1 Koningen 18:21→Mattheüs 6:24→Lukas 16:13→2 Koningen 17:41→Sefanja 1:5→Hosea 10:2→
2 Koningen 17:34— Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf.Genesis 32:28→Genesis 35:10→Jesaja 48:1→Genesis 33:20→2 Koningen 17:25→1 Koningen 11:31→1 Koningen 18:31→2 Koningen 17:33→
2 Koningen 17:35— Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.Richteren 6:10→Jozua 23:7→Exodus 34:12→Exodus 20:4→Deuteronomium 4:23→Jozua 23:16→Hebreeën 8:6→Jeremia 31:31→
2 Koningen 17:36— Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen;Exodus 6:6→Deuteronomium 6:13→Exodus 9:15→Leviticus 19:32→Openbaring 15:4→Handelingen 4:30→Mattheüs 10:28→Deuteronomium 12:5→
2 Koningen 17:37— En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen.Deuteronomium 31:11→Leviticus 19:37→Nehemia 9:13→Deuteronomium 5:31→Psalmen 105:44→Deuteronomium 4:44→1 Kronieken 29:19→Deuteronomium 31:9→
2 Koningen 17:38— En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.Deuteronomium 4:23→Deuteronomium 6:12→Deuteronomium 8:14→
2 Koningen 17:39— Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden.2 Koningen 17:36→Mattheüs 10:28→Lukas 1:50→Jeremia 10:7→1 Samuël 12:24→Nehemia 9:27→Jesaja 8:12→Lukas 1:71→
2 Koningen 17:40— Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.Deuteronomium 4:28→2 Koningen 17:12→2 Koningen 17:8→2 Koningen 17:34→Jeremia 13:23→
2 Koningen 17:41— Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.Sefanja 1:5→Mattheüs 6:24→1 Koningen 18:21→2 Koningen 17:32→Openbaring 3:15→Ezra 4:1→Jozua 24:14→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Koningen 17 vers 1— In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.
twaalfde jaar
Hij had het koninkrijk Israëls in het vierde jaar van Achaz, dat is acht jaren tevoren, wel ingenomen, boven, 2 Kon. 15:30, maar alzo het land vol twisten en beroerten om de kroon was, schijnt noch hij, noch iemand de acht jaren een bevestigd koning geweest te zijn; of, indien hij nog voor koning gehouden is geweest, zo was hij onder het tribuut des konings van Assyrië, ja ook [alzo enigen menen] als zijn gevangene; zulks dat de voorgemelde acht jaren hier niet komen in rekening van zijn koninkrijk; anders heeft hij zeventien jaren geregeerd. Vergelijk boven, 2 Kon. 15:30; onder, 2 Kon. 18:9. Anderen menen dat hij de eerste acht jaren onafhankelijk als souverein heeft geregeerd, en de andere negen als schatplichtige, en dat de Heilige Schriftuur van deze laatste alleen hier gewag maakt.
Hertaald:twaalfde jaar
Hij had het koninkrijk Israël wel al in het vierde jaar van Achaz ingenomen, dat is acht jaar eerder, hierboven 2 Kon. 15:30; maar omdat het land vol twisten en onrust over de kroon was, lijkt noch hij noch iemand anders in die acht jaar een bevestigd koning geweest te zijn. En als hij toch al voor koning gehouden werd, dan stond hij onder de schatplicht van de koning van Assyrië, ja zelfs [zoals sommigen menen] als diens gevangene. Zo tellen de genoemde acht jaar hier niet mee bij zijn regering; anders heeft hij zeventien jaar geregeerd. Vergelijk hierboven 2 Kon. 15:30 en hieronder 2 Kon. 18:9. Anderen menen dat hij de eerste acht jaar onafhankelijk als soeverein geregeerd heeft en de andere negen als schatplichtige, en dat de Heilige Schrift hier alleen van die laatste melding maakt.
en regeerde
Van deze ingevoegde woorden zie 1 Kon. 15:33.
Hertaald:en regeerde
Zie over deze ingevoegde woorden 1 Kon. 15:33.
2 Koningen 17 vers 2— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
niet,
Dat is, niet met zulke grote afgoderij; want de vorigen hadden meest niet alleen de gouden kalven, maar ook Baäl en andere gruwelen der heidenen gediend. Sommigen verstaan ook dat hij zijn volk heeft laten gaan naar Jeruzalem om daar te offeren, hetwelk tevoren verboden was; 1 Kon. 12:27.
Hertaald:niet,
Dat is: niet met zulke grove afgoderij; want zijn voorgangers hadden meestal niet alleen de gouden kalveren, maar ook Baäl en andere gruwelen van de heidenen gediend. Sommigen vatten het ook zo op dat hij zijn volk naar Jeruzalem heeft laten gaan om daar te offeren, wat eerder verboden was; 1 Kon. 12:27.
2 Koningen 17 vers 3— Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
Salmanéser,
Anders ook genaamd in sommige historiën Nabonassar. Hoewel anderen menen dat zij onderscheiden zijn.
Hertaald:Salmanéser,
In sommige geschiedwerken ook Nabonassar genoemd, hoewel anderen menen dat dit twee verschillende personen zijn.
een geschenk gaf
Dat is, jaarlijks tribuut of schatting.
Hertaald:een geschenk gaf
Dat is: jaarlijkse schatting of belasting.
2 Koningen 17 vers 4— Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.
bevond
Namelijk, omtrent het vijfde of zesde jaar dezer regering van Hosea. Vergelijk onder, 2 Kon. 18:9.
Hertaald:bevond
Namelijk: omstreeks het vijfde of zesde jaar van deze regering van Hosea. Vergelijk hieronder 2 Kon. 18:9.
So,
Anders in de historiën genoemd Sabachos, die zijn voorganger Asychis verdreven hebbende, vele jaren over Egypte geregeerd heeft. Diens hulp heeft Hosea verzocht tegen de Assyriërs.
Hertaald:So,
In de geschiedschrijving Sabachos genoemd, die zijn voorganger Asychis verdreef en vele jaren over Egypte geregeerd heeft. Zijn hulp heeft Hosea ingeroepen tegen de Assyriërs.
gevangenhuis
Hebreeuws, het huis der besluiting, of, des bedwangs. Dit is geschied in het negende jaar der regering van den koning Hosea, vermeld in vs.1.
Hertaald:gevangenhuis
Hebreeuws: het huis van de opsluiting, of: van de dwang. Dit gebeurde in het negende jaar van de regering van koning Hosea, genoemd in vers 1.
2 Koningen 17 vers 6— In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.
Halah,
Eenigen houden het voor Calacine van Assyrië, gelegen boven Adiabene. Zie hiervan ook onder, 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26.
Hertaald:Halah,
Sommigen houden dit voor Calacine in Assyrië, ten noorden van Adiabene. Zie hierover ook hieronder 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26.
Habor,
Hetwelk men meent te zijn een bergachtig land van Assyrië, palende aan Medië. Zie onder, 2 Kon. 18:11.
Hertaald:Habor,
Waarvan men aanneemt dat het een bergachtig gebied in Assyrië is, grenzend aan Medië. Zie hieronder 2 Kon. 18:11.
rivier
Een rivier in Mesopotamië, onder, 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26. Andres, Nehar-Gozan, een landschap [naar sommiger gevoelen] in Medië.
Hertaald:rivier
Een rivier in Mesopotamië, hieronder 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26. Anders: Nehar-Gozan, volgens sommigen een landstreek in Medië.
Meden
Zie Gen. 10:2.
Hertaald:Meden
Zie Gen. 10:2.
2 Koningen 17 vers 7— Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;
andere goden
Zie Gen. 35:2.
Hertaald:andere goden
Zie Gen. 35:2.
2 Koningen 17 vers 8— En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.
die ze gemaakt hadden
Versta, de inzettingen, die de koningen Israëls gemaakt hadden. Alzo onder, vs.19; of der koningen Israëls, die zij, te weten de kinderen Israëls, opgeworpen hadden.
Hertaald:die ze gemaakt hadden
Versta hieronder de inzettingen die de koningen van Israël gemaakt hadden. Zo ook hieronder vers 19; of: van de koningen van Israël, die zij, namelijk de kinderen van Israël, hadden aangesteld.
2 Koningen 17 vers 9— En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
tegen den HEERE,
Anders, met den HEERE; dat is, met den naam of dekmantel van den dienst des Heeren.
Hertaald:tegen den HEERE,
Anders: met de HEERE; dat is: onder de naam of het mom van de dienst van de HEERE.
bemanteld;
Hebreeuws eigenlijk, bedekt; dat is, zij hebben hun afgoderij verschoond en bekleed met den naam en schijn van godsdienstigheid, heiligheid en goede mening, willende God dienen, niet naar zijn woord, maar naar hun goeddunken tegen het uitgedrukte bevel Gods; Num. 15:39.
Hertaald:bemanteld;
Hebreeuws letterlijk: bedekt; dat is: zij hebben hun afgoderij vergoelijkt en bekleed met de naam en de schijn van godsdienstigheid, heiligheid en goede bedoeling, terwijl zij God wilden dienen, niet naar Zijn woord, maar naar eigen goeddunken, tegen het uitdrukkelijke bevel van God in; Num. 15:39.
van den wachttoren af
Dat is, overal, door het gehele land, zowel in kleine en onbewoonde plaatsen en in het veld, als in grote en volkrijke plaatsen en in steden. De wachttorens waren hier en daar in het land, om het volk voor de vijanden te waarschuwen, of om het vee en de vruchten te bewaren.
Hertaald:van den wachttoren af
Dat is: overal, door het hele land, zowel op kleine en onbewoonde plaatsen en in het veld als in grote en volkrijke plaatsen en in steden. De wachttorens stonden hier en daar in het land om het volk voor vijanden te waarschuwen of om het vee en de gewassen te bewaken.
2 Koningen 17 vers 10— En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.
staande beelden
Zie Lev. 26:1.
Hertaald:staande beelden
Zie Lev. 26:1.
bossen,
Zie Ex. 34:13, en Deut. 7:5, met de aantekeningen. Anders, bosgoden, bosbeelden.
Hertaald:bossen,
Zie Ex. 34:13 en Deut. 7:5, met de aantekeningen daar. Anders: bosgoden, bosbeelden.
op allen hogen heuvel
Zie Deut. 12:2.
Hertaald:op allen hogen heuvel
Zie Deut. 12:2.
2 Koningen 17 vers 12— En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.
drekgoden
Zie Lev. 26:30.
Hertaald:drekgoden
Zie Lev. 26:30.
2 Koningen 17 vers 13— Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;
dienst
Hebreeuws, door de hand.
Hertaald:dienst
Hebreeuws: door de hand.
zieners,
Te weten, dien God zijn wil verklaard had op allerlei manieren, die God in die tijden gebruikte om de mensen te onderwijzen, als door aanspraken, gezichten, of dromen. Zie Num. 12:6.
Hertaald:zieners,
Namelijk: aan wie God Zijn wil bekendgemaakt had op alle manieren die God in die tijd gebruikte om mensen te onderwijzen: door aanspraken, gezichten of dromen. Zie Num. 12:6.
2 Koningen 17 vers 14— Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
verhardden
Dat is, zij waren ten uiterste toe ongehoorzaam en wederspannig, niet willende zich naar de vermaningen des Heeren neigen. Zie Ex. 32:9.
Hertaald:verhardden
Dat is: zij waren tot het uiterste ongehoorzaam en weerspannig en wilden zich niet naar de vermaningen van de HEERE voegen. Zie Ex. 32:9.
aan den HEERE,
Dat is, zijn dreigementen niet geloofd hadden.
Hertaald:aan den HEERE,
Dat is: Zijn dreigementen niet geloofd hadden.
2 Koningen 17 vers 15— Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
ijdelheid na,
De afgoderij werd ijdelheid genaamd, zowel omdat de afgoden een nietig ding zijn, als omdat het vertrouwen, daarop gesteld, tevergeefs is, ja ook omdat de afgodendienaars van het rechte verstand en oordeel beroofd zijn.
Hertaald:ijdelheid na,
De afgoderij wordt ijdelheid genoemd, zowel omdat de afgoden niets voorstellen, als omdat het vertrouwen dat men daarop stelt vergeefs is, ja ook omdat de afgodendienaars van juist inzicht en oordeel beroofd zijn.
2 Koningen 17 vers 16— Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.
alle heir des hemels,
Zie Deut. 4:19.
Hertaald:alle heir des hemels,
Zie Deut. 4:19.
Baäl
Zie Richt. 2:11.
Hertaald:Baäl
Zie Richt. 2:11.
2 Koningen 17 vers 17— Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.
verkochten zich,
Zie den zin dezer manier van spreken 1 Kon. 21:20.
Hertaald:verkochten zich,
Zie de betekenis van deze manier van spreken in 1 Kon. 21:20.
2 Koningen 17 vers 18— Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
Zijn aangezicht;
Dat is, uit het land Kanaän, hetwelk Hij hem tot een woning geheiligd had, hebbende daarin zijn kerk, in welker midden Hij woonde, en in deze de uiterlijke tekenen zijner tegenwoordigheid vertoonde. Alzo onder, vs.20, 23, en 2 Kon. 23:27, en 2 Kon. 24:3.
Hertaald:Zijn aangezicht;
Dat is: uit het land Kanaän, dat Hij voor Zichzelf tot woonplaats geheiligd had, waar Zijn kerk was, in het midden waarvan Hij woonde en waarin Hij de zichtbare tekenen van Zijn tegenwoordigheid gaf. Zo ook hieronder vers 20 en 23, en 2 Kon. 23:27, en 2 Kon. 24:3.
de stam van Juda
Zijnde hieronder begrepen de Levieten, die in den stam van Juda woonden, en de Simeonieten, die daaronder gemengd waren, met een deel van Benjamin. Zie 1 Kon. 11:32.
Hertaald:de stam van Juda
Daaronder zijn de Levieten begrepen die in de stam Juda woonden, en de Simeonieten die daaronder vermengd waren, met een deel van Benjamin. Zie 1 Kon. 11:32.
2 Koningen 17 vers 19— Zelfs hield Juda de geboden des HEEREN, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israel, die zij gemaakt hadden.
Juda
Dit heeft de zonde der Israëlieten vermeerderd, dat zij door hun kwaad exempel ook die van Juda deden zondigen en tot afgoderij verwekten. Zie Hos. 4:15.
Hertaald:Juda
Dit heeft de zonde van de Israëlieten nog groter gemaakt: dat zij door hun slechte voorbeeld ook de mensen van Juda deden zondigen en tot afgoderij aanzetten. Zie Hos. 4:15.
die zij gemaakt hadden
Te weten, de Israëlieten.
Hertaald:die zij gemaakt hadden
Namelijk: de Israëlieten.
2 Koningen 17 vers 20— Zo verwierp de HEERE het ganse zaad van Israel, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.
ganse zaad
Te weten, de tien stammen, die Israël genaamd worden tot een onderscheid van Juda, gelijk af te nemen is uit vs.21.
Hertaald:ganse zaad
Namelijk: de tien stammen, die Israël genoemd worden ter onderscheiding van Juda, zoals uit vers 21 op te maken is.
2 Koningen 17 vers 21— Want Hij scheurde Israel van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israel af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
Hij scheurde
Namelijk, de Heere, 1 Kon. 12:24. Of, Israël scheurde zich van het huis Davids af.
Hertaald:Hij scheurde
Namelijk: de HEERE, 1 Kon. 12:24. Of: Israël scheurde zich los van het huis van David.
een grote zonde
Zie 1 Kon. 12:30.
Hertaald:een grote zonde
Zie 1 Kon. 12:30.
2 Koningen 17 vers 22— Alzo wandelden de kinderen Israels in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;
die hij gedaan had;
Zie 1 Kon. 14:16.
Hertaald:die hij gedaan had;
Zie 1 Kon. 14:16.
2 Koningen 17 vers 23— Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag.
den dienst
Hebreeuws, door de hand.
Hertaald:den dienst
Hebreeuws: door de hand.
tot op dezen dag
Dat is, welke vervoering maakt dat zij tot heden, als dit geschreven is, uitlandig zijn en in ballingschap blijven.
Hertaald:tot op dezen dag
Dat is: die wegvoering maakt dat zij tot op heden, toen dit geschreven werd, buitenslands zijn en in ballingschap blijven.
2 Koningen 17 vers 24— De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
Chuta,
Een landschap [zo men meent] van woest Arabië, bewoond van de Citaniërs, die aan Syrië grenzen; of van Perzië, hebbende den naam van de rivier Cuta.
Hertaald:Chuta,
Een landstreek [naar men meent] in het woeste Arabië, bewoond door de Citaniërs, die aan Syrië grenzen; of in Perzië, met de naam ontleend aan de rivier Cuta.
Avva,
Zie Deut. 2:23, ook Ivva genoemd, onder, 18:34.
Sefarváïm,
Het land der stad Sefora, gelegen in Mesopotamië aan den Eufraat.
Hertaald:Sefarváïm,
Het gebied van de stad Sefora, gelegen in Mesopotamië aan de Eufraat.
2 Koningen 17 vers 25— En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden.
niet vreesden;
Dat is, zij dienden hem niet naar de wettelijke wijze door Mozes voorgeschreven.
Hertaald:niet vreesden;
Dat is: zij dienden Hem niet op de wettige wijze die door Mozes was voorgeschreven.
2 Koningen 17 vers 26— Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land.
spraken zij
Namelijk, de nieuwe inwoners door gezanten, die zij tot den koning afvaardigden om hem deze zwarigheid bekend te maken.
Hertaald:spraken zij
Namelijk: de nieuwe inwoners, door gezanten die zij naar de koning stuurden om hem deze moeilijkheid bekend te maken.
2 Koningen 17 vers 27— Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.
der priesteren
Dewelke waren, niet de Levietische priesters, maar die de koningen Israëls uit de geringsten des volks gemaakt hadden, 1 Kon. 12:31.
Hertaald:der priesteren
Dat waren niet de Levitische priesters, maar degenen die de koningen van Israël uit de geringsten van het volk hadden aangesteld, 1 Kon. 12:31.
dat zij henentrekken,
Namelijk, de priester met zijn gevolg, dienaars en huisgezin; of met degenen, die hem geleidden.
Hertaald:dat zij henentrekken,
Namelijk: de priester met zijn gevolg, dienaren en huisgezin; of met degenen die hem begeleidden.
2 Koningen 17 vers 28— Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.
vrezen zouden
Dat is, dienen; hoewel zonder twijfel meer in de afgodische wijze der voorgaande koningen Israëls dan naar de wet Gods, door Mozes gegeven. Alzo onder, vs.32-33, 41.
Hertaald:vrezen zouden
Dat is: dienen; al zal dat ongetwijfeld meer op de afgodische wijze van de vorige koningen van Israël geweest zijn dan naar de wet van God die door Mozes gegeven is. Zo ook hieronder vers 32-33 en 41.
2 Koningen 17 vers 29— Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.
elk volk
Hebreeuws, volk, volk; alzo in het volgende van vs.29. Zie Gen. 7:2.
Hertaald:elk volk
Hebreeuws: volk, volk; zo ook in het vervolg van vers 29. Zie Gen. 7:2.
2 Koningen 17 vers 30— Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima,
Sukkôth Benôth,
Deze naam, met de volgende in vs.30,31, worden meestendeel gehouden voor namen van afgoden, die de Samaritanen dienden; doch hiervan is verscheiden gevoelen onder de geleerden.
Hertaald:Sukkôth Benôth,
Deze naam en de volgende in vers 30 en 31 worden meestal beschouwd als namen van afgoden die de Samaritanen dienden; maar daarover lopen de meningen van de geleerden uiteen.
2 Koningen 17 vers 31— En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
Nibhaz en Tartak,
Anders, Nibhan.
Hertaald:Nibhaz en Tartak,
Anders: Nibhan.
verbrandden
Zie Lev. 18:21.
Hertaald:verbrandden
Zie Lev. 18:21.
2 Koningen 17 vers 32— Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.
van hun geringsten
Hebreeuws, van hun einden, of van hun uiterste delen. Zie 1 Kon. 12:31.
Hertaald:van hun geringsten
Hebreeuws: van hun einden, of: van hun uiterste delen. Zie 1 Kon. 12:31.
2 Koningen 17 vers 33— Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.
dienden
Te weten, elk zijn afgod, naar de wijze zijns lands, waaruit ieder aldaar van de Assyriërs gebracht was.
Hertaald:dienden
Namelijk: ieder zijn eigen afgod, naar de gewoonte van het land waaruit hij door de Assyriërs daarheen gebracht was.
van dewelke zij
Hebreeuws, van waar.
Hertaald:van dewelke zij
Hebreeuws: vanwaar.
2 Koningen 17 vers 34— Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf.
die naar de eerste wijzen;
Versta, de Israëlieten, van welken zie, boven, vs.23; want hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen de hardnekkigheid der Israëlieten, die in Assyrië weggevoerd waren, omdat zij hun oude afgoderij niet wilden verlaten; en de veranderlijkheid der Assyriërs om den Heere naar de afgodische manier der Israëlieten te dienen, hoewel zij zulks nooit tevoren gedaan hadden.
Hertaald:die naar de eerste wijzen;
Versta hieronder de Israëlieten, over wie hierboven vers 23 te raadplegen is; want hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen de hardnekkigheid van de Israëlieten die naar Assyrië weggevoerd waren, omdat zij hun oude afgoderij niet wilden opgeven, en de wispelturigheid van de Assyriërs, die de HEERE gingen dienen op de afgodische manier van de Israëlieten, hoewel zij dat nooit eerder gedaan hadden.
dien Hij
Dit wordt hierbij gevoegd om de Israëlieten te verwijten dat zij vergeten hadden de zeer grote weldaden, die God hunnen vader Jakob en meteen hun bewezen had, omtrent dien tijd, als Hij hem den naam Israël gegeven had, hetwelk hen behoorde bewogen te hebben om dien God alleen zuiverlijk te dienen en trouwelijk aan te hangen.
Hertaald:dien Hij
Dit wordt eraan toegevoegd om de Israëlieten te verwijten dat zij de zeer grote weldaden vergeten waren die God aan hun vader Jakob en daarmee aan henzelf bewezen had, omstreeks de tijd dat Hij hem de naam Israël gaf. Dat had hen ertoe moeten brengen die God alleen zuiver te dienen en trouw aan te hangen.
2 Koningen 17 vers 35— Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen.
een verbond
Zie Gen. 17:7; Ex. 19:5, enz., en Ex. 24:7, enz.
Hertaald:een verbond
Zie Gen. 17:7; Ex. 19:5, enzovoort, en Ex. 24:7, enzovoort.
2 Koningen 17 vers 36— Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen;
een uitgestrekten arm
Zie Ex. 6:5.
Hertaald:een uitgestrekten arm
Zie Ex. 6:5.
2 Koningen 17 vers 37— En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen.
inzettingen,
Versta door deze vier woorden:<i>I.</i> de wet der ceremonie;<i>II.</i> de burgerlijke rechten;<i>III.</i> de ware leer;<i>IV.</i> de wet der zeden. Zie Gen. 26:5.
Hertaald:inzettingen,
Versta onder deze vier woorden: I. de ceremoniële wet; II. de burgerlijke rechten; III. de ware leer; IV. de zedenwet. Zie Gen. 26:5.
2 Koningen 17 vers 40— Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze.
eerste wijze
Die van Jerobeam en andere afgodische koningen ingesteld was.
Hertaald:eerste wijze
De wijze die door Jerobeam en andere afgodische koningen was ingesteld.
2 Koningen 17 vers 41— Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
deze volken
Namelijk, de heidenen, die uit Assyrië in Samaria en der Israëlieten land waren komen wonen.
Hertaald:deze volken
Namelijk: de heidenen die uit Assyrië in Samaria en in het land van de Israëlieten waren komen wonen.
vreesden den HEERE,
Te weten, naar de afgodische wijze der Israëlieten. Zie boven, vs.28.
Hertaald:vreesden den HEERE,
Namelijk: op de afgodische wijze van de Israëlieten. Zie hierboven vers 28.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Jerobeam (zoon van Joas) — het volk vermeerdert zich
Zoon van Joas, koning van Israël, eenenveertig jaren regerend; ook bekend als Jerobeam II. Hij herstelde de grenzen van Israël, naar het woord dat de HEERE door de profeet Jona had gesproken, en bracht het rijk tot grote welvaart, al bleef hij in de zonden van Jerobeam I wandelen (2 Kon. 14:23-29). Niet te verwarren met Jerobeam, de zoon van Nebat, de eerste koning van Israël.
Hosea (zoon van Ela) — heil, redding
Zoon van Ela; hij maakte een samenzwering tegen Pekah, doodde hem en werd de laatste koning van Israël (2 Kon. 15:30); zijn regering en de val van Samaria worden verder beschreven in 2 Kon. 17.
Achaz — hij heeft gegrepen
Zoon van Jotham en koning van Juda, die zestien jaren regeerde en, in tegenstelling tot zijn vader David, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij liet zelfs zijn zoon door het vuur gaan. Belegerd door Rezin van Syrië en Pekah van Israël, riep hij de hulp in van Tiglath-Pilezer van Assyrië, aan wie hij zich schatplichtig maakte, en liet naar Assyrisch voorbeeld een nieuw altaar in de tempel bouwen (2 Kon. 16).
Salmaneser — (Assyrische koningsnaam, vernoemd naar de god Salman)
Koning van Assyrië, die tegen Hosea van Israël optrok, hem tot schatplichtige maakte en, na diens opstand, Samaria drie jaren belegerde en innam, waarna Israël in ballingschap werd weggevoerd (2 Kon. 17:3-6; 18:9-11).
So — betekenis onzeker (Egyptische naam)
Koning van Egypte, tot wie Hosea van Israël boden zond in een poging zich van het Assyrische juk te bevrijden; dit verbond werd door Assyrië ontdekt en leidde tot Hosea's gevangenneming (2 Kon. 17:4).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Halah, Habor/Gozan en de steden der Meden — een verzamelartikel voor de plaatsen waarheen het tienstammenrijk na de val van Samaria werd weggevoerd
Ligging: Halah: een gebied in Noord-Mesopotamië; Habor: een zijrivier van de Eufraat, met de streek Gozan eromheen, eveneens in Noord-Mesopotamië; de steden der Meden: in het gebied van het latere Perzië, ten oosten van Mesopotamië.
Geschiedenis: Nadat koning Salmaneser (voltooid door Sargon) van Assyrië, na een driejarig beleg, Samaria in het negende jaar van Hosea (722 v.C.) had ingenomen, voerde hij de Israëlieten van het tienstammenrijk naar deze verre gebieden weg — het definitieve einde van het noordelijke koninkrijk als zelfstandige staat (2 Kon. 17:6; 18:11). Op hun plaats liet de koning van Assyrië mensen uit Babel, Cutha, Avva, Hamath (al bestaand sinds 2 Sam. 8) en Sefarvaim in de steden van Samaria wonen, die er hun eigen afgoden invoerden en vermengden met een gebrekkige verering van de HEERE, nadat leeuwen onder hen huisgehouden hadden — de oorsprong van het latere, door de Joden veracht gemengde volk der Samaritanen (2 Kon. 17:24-41).
Bijbelse betekenis: De definitieve, aangrijpende vervulling van de vele waarschuwingen die de HEERE door Zijn profeten (met name Amos en Hosea) aan het tienstammenrijk had gegeven — 2 Kon. 17:7-23 geeft, direct aansluitend, een uitvoerige, eerlijke theologische verklaring van deze ballingschap: niet Assyrische overmacht, maar Israëls eigen, aanhoudende afgoderij en verwerping van Gods geboden was de diepste oorzaak. Een ernstige les over de gevolgen van blijvende ontrouw aan het verbond, die van blijvend gewicht bleef voor het zuidelijke rijk Juda, dat nog anderhalve eeuw respijt kreeg.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Waarom Israël werd weggevoerd — na de val van Samaria houdt de verteller de lezer staande en geeft, in een lange terugblik, de reden: "Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had" (2 Kon. 17:7)
Salmaneser belegert Samaria drie jaar en neemt de stad in; Israël wordt weggevoerd naar Assyrië en in vreemde steden gevestigd (2 Kon. 17:5-6). Dan onderbreekt de verteller zijn verhaal voor de langste verklaring in de koningsboeken. Israël had andere goden gevreesd en gewandeld in de inzettingen der heidenen (2 Kon. 17:7-8). Zij hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de vaste steden toe, en beelden opgericht op elke hoge heuvel en onder alle groen geboomte (2 Kon. 17:9-11). De HEERE had door al Zijn profeten betuigd: bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden (2 Kon. 17:13). Maar zij hoorden niet en verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was (2 Kon. 17:14). Zij verwierpen Zijn inzettingen en Zijn verbond, wandelden de ijdelheid na en werden ijdel (2 Kon. 17:15). Zij maakten twee gegoten kalveren, dienden Baäl en het heir des hemels, deden hun kinderen door het vuur gaan en gebruikten waarzeggerijen (2 Kon. 17:16-17). Daarom deed de HEERE hen weg van Zijn aangezicht, en bleef alleen Juda over — waarvan de verteller er meteen bij zegt dat ook Juda de geboden niet hield (2 Kon. 17:18-19,22-23).
Bijbelse betekenis: De wegvoering wordt hier niet als politiek verklaard maar als oordeel, en dat oordeel valt pas na eeuwen van waarschuwing. Assyrië is het werktuig, niet de oorzaak. Twee zinnen dragen het geheel. De eerste is dat de HEERE door al Zijn profeten betuigd had: Israël viel niet bij gebrek aan licht maar ondanks het licht. De tweede is dat zij de ijdelheid nawandelden en zelf ijdel werden — men wordt wat men aanbidt, en wie het niets navolgt, houdt niets over. Opmerkelijk is ten slotte dat de verteller Juda niet spaart in hetzelfde adem. Wie de ondergang van een ander leest als bevestiging van zijn eigen gelijk, heeft het hoofdstuk niet begrepen.
Typologie: De brief aan de Hebreeën waarschuwt de gemeente met dezelfde woorden waarmee dit hoofdstuk Israël typeert: "Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet", en roept op elkaar dagelijks te vermanen, opdat niemand verhard worde door de verleiding der zonde (Hebr. 3:13,15). De verharde nek van Samaria is daar een spiegel geworden voor wie meent vast te staan.
2 Kon. 17:5-23; Hebr. 3:13,15
Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden — de volken die Assyrië in Samaria vestigt, laten zich de wijze van de God des lands leren en houden tegelijk hun eigen goden aan: "Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken" (2 Kon. 17:33)
De koning van Assyrië brengt volk uit Babel, Chuta, Avva, Hamath en Sefarvaïm in de steden van Samaria (2 Kon. 17:24). In het begin vreesden zij de HEERE niet, en er kwamen leeuwen onder hen (2 Kon. 17:25). Hun verklaring is veelzeggend: zij kennen de wijze van de God van het land niet (2 Kon. 17:26). Daarop laat de koning een van de weggevoerde priesters terugkomen, die te Beth-El gaat wonen en hun leert hoe zij de HEERE vrezen zouden (2 Kon. 17:27-28). Maar elk volk maakt daarnaast zijn eigen goden en zet die in de huizen der hoogten (2 Kon. 17:29-31). Zij stellen priesters aan uit hun geringsten en vrezen de HEERE, en dienen ook hun goden (2 Kon. 17:32-33). De verteller besluit dat zij tot op deze dag doen naar de eerste wijzen, terwijl de HEERE juist geboden had geen andere goden te vrezen (2 Kon. 17:34-38).
Bijbelse betekenis: Zo ontstaat een godsdienst die alles omvat en niets uitsluit. De HEERE wordt erbij genomen, als de plaatselijke macht met wie men rekening moet houden, terwijl de meegebrachte goden gewoon blijven staan. De verteller noemt dat geen halve vroomheid maar geen vroomheid; hij schrijft even verderop ronduit dat zij de HEERE niet vrezen. Dat is scherper dan het klinkt: God erbij dienen is Hem niet dienen. Het is dezelfde zonde die Elia op de Karmel aanwees, toen hij vroeg hoe lang het volk op twee gedachten hinken zou (zie het commentaar bij 1 Kon. 18:21). Hier is zij een blijvend stelsel geworden. Hier ligt bovendien de wortel van de latere breuk tussen Joden en Samaritanen.
Typologie: Aan de put te Sichar raakt Christus deze geschiedenis aan met één zin tegen een Samaritaanse vrouw: "Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden" (Joh. 4:22). Hij wijst haar niet af, maar noemt wel het gebrek bij zijn naam, en biedt haar daarna de aanbidding in geest en waarheid aan (reeds behandeld bij Aanbidding in geest en waarheid, Joh. 4:23-24).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het verbondniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindinguitwerking
Zij hoorden niet, maar zij verhardden hun nek — 17:7-18
Samaria valt na drie jaar beleg, en de tien stammen worden weggevoerd naar Assyrië. Op dat punt onderbreekt de schrijver zijn verhaal en houdt een lange uiteenzetting over de vraag waarom dit gebeurd is. Het is het langste stuk uitleg in heel het boek Koningen.
Bij de val van het tienstammenrijk legt de Schrift zelf uit waaraan het gelegen heeft — en zij begint niet bij de politiek maar bij het verbond.
De verklaring begint niet bij Assyrië en niet bij de zwakte van de laatste koningen: “Want het was geschied, dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had.” Let op dat aanhangsel achter de naam van God. Het is niet zomaar tegen God gezondigd; het is gezondigd tegen de God Die hen eruit gehaald heeft. Ondank is hier de kern van de aanklacht.
Wat volgt is een lange opsomming van wat zij deden — hoogten bouwen, opgerichte beelden en bossen maken, roken op alle hoogten, de heidenen navolgen die God voor hun aangezicht verdreven had. Maar het scharnier staat in het dertiende vers, en dat gaat niet over hen maar over God: door de dienst van alle profeten en alle zieners heeft Hij betuigd, gezegd: bekeert u van uw boze wegen.
Er is dus eeuwenlang gesproken. Elia, Elisa, Amos, Hosea — het hele boek dat wij nu lezen staat er vol van. God heeft niet zwijgend toegezien en aan het eind de rekening opgemaakt. En het antwoord op al dat spreken wordt in één zin samengevat: “Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.” Dat beeld komt van het trekvee: een dier dat de nek stijf houdt en zich niet laat wenden.
En dan komt de zin die het diepst gaat, want zij zegt wat afgoderij met een mens doet: zij wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden. Wie het niets achterna loopt, wordt zelf niets. Men wordt wat men aanbidt.
Zo eindigt het koninkrijk dat bij de zee begon en bij Jericho een land kreeg. God had een volk gewonnen, hun Zijn wet gegeven en een land geschonken — en het is niet vastgehouden. Wie de Bijbel op deze plaats leest, ziet dat de geschiedenis van het verbond aan de kant van de mens onherroepelijk mislukt.
Het is precies dat wat Jeremia laat zeggen dat er een ander verbond moet komen: “Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben.” Ditmaal wordt de wet niet op stenen geschreven maar in het hart, en de zonde niet aangerekend maar niet meer gedacht. De Hebreeënbrief haalt die hele belofte woordelijk aan en zegt dat Christus daarvan de Middelaar is.
De val van Samaria is dus niet alleen een oordeel. Het is ook de reden waarom het Evangelie er zo uitziet als het eruitziet: een verbond dat niet meer afhangt van het horen van een volk dat zijn nek stijf houdt.
2 Koningen 17:7 — De aanklacht: gezondigd tegen de God Die hen uit Egypte opgebracht had.
2 Koningen 17:13 — God heeft eeuwenlang gesproken, door alle profeten en alle zieners.
2 Koningen 17:14 — Zij hoorden niet, maar verhardden hun nek.
2 Koningen 17:15 — Zij wandelden de ijdelheid na, en werden zelf ijdel.
Jeremia 31:31-33 — Daarom een nieuw verbond, met de wet in het hart geschreven.
Hebreeën 8:6-13 — Christus is de Middelaar van dat betere verbond.
In het Nieuwe Testament: Jeremia 31:31-34; Hebreeën 8:6-13; Handelingen 7:51; Romeinen 1:21-23; Ezechiël 36:26-27
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt 2 Koningen 17 niet aan. Wat hier gelegd wordt is de lijn van het verbond zoals de Schrift die zelf trekt. Dit hoofdstuk legt uit dat het oude verbond aan de kant van het volk gebroken is. Jeremia 31 kondigt daarom een nieuw verbond aan, en de Hebreeënbrief haalt dat woordelijk aan en betrekt het op Christus. De verbinding loopt dus over Jeremia, niet rechtstreeks van dit hoofdstuk naar het Evangelie. Stefanus gebruikt in Handelingen 7 wel hetzelfde beeld van de harde nek.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
2 Koningen 17:23-24.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:6→2 Koningen 17:13→2 Koningen 18:34→2 Koningen 17:18→2 Koningen 18:11→2 Koningen 17:20→Amos 5:27→1 Koningen 14:16→ — Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag. De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. Het was een deel van de krijgskunde van het Assyrische rijk om volken van hun oorspronkelijke woonplaats weg te voeren en hen elders te vestigen — hen naar een ander land over te brengen; zodat, terwijl de Israëlieten naar Babel gevoerd werden, aantallen van hen die rondom Babel gewoond hadden in de Samaritaanse landstreek gebracht werden, opdat de volksverbanden zo verbroken zouden worden en de vaderlandsliefde zou uitsterven, waardoor het voor de Assyrische tiran gemakkelijker werd het land te regeren.
2 Koningen 17:25-27.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:34→2 Koningen 17:41→2 Koningen 17:32→2 Koningen 17:28→2 Koningen 2:24→Jeremia 15:3→Daniël 6:26→1 Koningen 20:36→ — En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden. Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land. Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land. Hij gaf er zelf geen enkele penning om welke godsdienst zij hadden; maar hadden zij geen godsdienst die bij het land paste: “Wel, zend dan een van de priesters die daar plachten te wonen, die hun kan leren wat het is.” Naar zijn begrippen konden zij die aannemen juist wanneer het hun beliefde.
2 Koningen 17:28-31.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:17→1 Koningen 12:29→Micha 4:5→1 Koningen 12:31→2 Koningen 19:37→Romeinen 1:23→Jeremia 10:3→Psalmen 115:4→ — Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden. Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima, En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. Het zou geen praktisch doel dienen als ik de betekenis van de namen van deze verschillende goden zou verklaren. Sommige van hen hadden dierlijke gestalten. Hun eredienst ging doorgaans met de meest ontuchtige plechtigheden gepaard, en in het bijzonder de dienst van Moloch, die hier onder twee verschillende vormen genoemd wordt. Hij was een god wiens eredienst voltrokken werd met de meest afschuwelijke wreedheden, want kinderen werden ter zijner eer door het vuur gedreven en verbrand.
2 Koningen 17:32-38.KruisverwijzingenRichteren 6:10→1 Koningen 12:31→Genesis 32:28→Genesis 35:10→Exodus 6:6→Deuteronomium 6:13→Deuteronomium 6:12→2 Koningen 17:29→ — Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten. Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf. Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen; En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen. En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen. Hoe komt deze waarschuwing telkens en telkens en telkens weer! “Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE.” De dienst van iets anders onder welk voorwendsel ook, buiten de ene altijd gezegende drie-eenheid in eenheid, is ons voor altijd verboden.
2 Koningen 17:33.Kruisverwijzingen1 Koningen 18:21→Mattheüs 6:24→Lukas 16:13→2 Koningen 17:41→Sefanja 1:5→Hosea 10:2→ — Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. De satan kan de bekering met wroeging namaken. Hij kan het geloof evenaren met lichtgelovigheid. Hij kan de verzekerdheid nabootsen met vermetelheid. Hij kan ons de genoegens van deze wereld geven in plaats van de vreugde des Heeren; en in plaats van een eenvoudig vertrouwen op Christus kan hij ons iets aanbieden dat er merkwaardig op lijkt en toch vertrouwen op onszelf is.
Vandaar dat een van de eerste dingen die wij moeten doen, als wij ten laatste recht willen zijn, is: onze eigen harten te onderzoeken, om te toetsen of het het werk van God is of enkel een lage nabootsing daarvan.
De bekering, die volstrekt noodzakelijk is tot de zaligheid — de bekering waardoor iemand zich van de zonde tot de gerechtigheid keert, van zichzelf tot Christus, van de wereld tot de hemel, van opstand tot gehoorzaamheid — ook de bekering is op vele wijzen nagebootst. Hier is één wijze waarop het valse voor het ware gesteld is, opdat wij door het licht van dit voorbeeld, als door een baken, van deze gevaarlijke rots weggewaarschuwd zouden worden. De schipbreuk van een ander behoort ons altijd een baken te zijn.
Wat volgt op “zij vreesden den HEERE” is afzichtelijk en toont dat het een schijnbekering was. Zij bracht enkel een uitwendige verandering mee. Zij werd geheel veroorzaakt door verschrikking. De tanden en de klauwen en de vurige ogen van leeuwen en de donderslagen van hun gebrul bekeerden hen. Wij behoren altijd enigszins onzeker te zijn over onze eigen bekering als wij die uitsluitend tot beweegredenen van verschrikking kunnen terugvoeren.
Hun bekering werd ook geschonden door onkunde. In plaats van God te willen kénnen, wilden zij weten hoe zij zich moesten gedragen. Hun gedachte was geheel op het uitwendige. Godsdienst te willen houden en toch onze zonden te willen houden, is niet God te vrezen maar Hem te beledigen. Moeten wij zondigen, laten wij dan niet bij onze zonden deze nodeloze en onnodige voegen: van een huichelachtig voorwenden dat wij de levende God vrezen.
2 Koningen 17:39-41.KruisverwijzingenSefanja 1:5→Mattheüs 6:24→2 Koningen 17:36→1 Koningen 18:21→2 Koningen 17:32→Mattheüs 10:28→Lukas 1:50→Jeremia 10:7→ — Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden. Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze. Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag. Trachtend, zoveel zij ooit konden, de oude afgoderijen te verbinden met de dienst van de ware God — wat het meest weerzinwekkende is in de ogen van de Allerhoogste.
Vs. 1-23. De laatste koning in het rijk van Israël Hosea, ofschoon door samenzwering en koningsmoord in het bezit van de troon gekomen, onderscheidt zich toch voordelig van al zijn voorgangers door een meer theocratische regering. Intussen was dit nog volstrekt geen besliste bekering tot de Heere, en kon de tijd van het gericht, dat voor de 10 stammen nu eenmaal was aangebroken, niet ophouden. Hosea werd eerst aan Salmanasser, koning van Assyrië, schatplichtig; later, wanneer hij in vertrouwen op Egypte de betaling van de schatting staakt, wordt hij daarom drie jaar lang in zijn hoofdstad belegerd en eindelijk gevangen genomen; maar zijn volk wordt naar het noordelijk Assyrië en naar Medië in de zogenaamde Assyrische ballingschap gevoerd, een gebeurtenis waarin de straf van de Heere over Israël’s hardnekkige afval van Hem wordt vervuld.
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:30→— In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.
In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, 1) de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaar (van 730-722 v. Chr., “(2Ki 15: 30).
Uit de Assyrische gedenktekenen blijkt, dat Hosea door Tiglath-Pilezer werd gesteund, of liever, door hem in het koninkrijk gesteld. Deze vermelden toch het volgende: “Het land van het huis van Omri, het afgelegene en zijn meest aanzienlijke inwoners met hun have, voerde ik naar Assyrië. Po-ka-ha (Pekah) hun koning sloegen wij. Anzi (Hosea) stelde ik in het koninkrijk over hen. Tien talenten goud, duizend talenten zilver nam ik van hen in ontvangst.”.
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:18→2 Kronieken 30:5→2 Koningen 15:24→2 Koningen 10:31→2 Koningen 13:11→2 Koningen 15:9→2 Koningen 3:2→2 Koningen 13:2→— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.
En hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, doordat ook hij de kalverdienst liet voortduren; evenwel niet op zo’n erge wijze, als de koningen van Israël, die voor hem geweest waren. 1)
Toen de in het jaar 727 v. Chr. aan de regering gekomen koning Hizkia van Juda een algemene Paasfeestviering verordende en daartoe ook de Israëlieten uit Efraïm en Manasse en Zebulon uitnodigde, belette hij hun, die aan deze uitnodiging gevolg wilden geven, het optrekken naar Jeruzalem niet (2 Kronieken 30: 1vv.).
Anderen zijn van mening dat deze uitnodiging van Hizkia tot de bovengenoemde stammen pas plaatshad na de verwoesting van het rijk van de Tien stammen. In elk geval wordt hier niet gezegd, waarin dat minder zondigen van Hosea bestond en is daarom ook niet met zekerheid aan te geven.
KruisverwijzingenHosea 10:14→2 Koningen 15:29→2 Koningen 19:36→Jesaja 10:5→Jesaja 7:7→2 Koningen 18:9→2 Koningen 15:19→Jesaja 10:11→— Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
Tegen hem, 1)zeker reeds in de eerste jaren van zijn regering, trok op Salmanasser, koning van Assyrië, 2) met het doel de veroveringen van zijn voorganger Tiglath-Pilezer voort te zetten ( 15: 29); en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf, zich tot een jaarlijkse schatting aan hem verbond.
Dit staat met een zekere nadruk vooraan; juist ten tijde van de betrekkelijk nog het meest theocratisch gezinde koning word het rijk van Israël door Gods gerichten getroffen.
God is gewend de straf die de voorvaderen verdiend hebben, naar Zijn lankmoedigheid uit te stellen, of er ook enigszins bij de nakomelingen ernstig berouw mocht komen; gebeurt dit niet, zo ontlast zich eindelijk Gods toorn, al zijn de nakomelingen ook minder boos.
Behalve in dit vers worden berichten over Salmanasser aangetroffen in de fragmenten van Mers Phoenicische geschiedenis (2 Samuel 5: 11); volgens hem heeft hij omstreeks deze tijd ook oorlog met Phoenicië gevoerd en 5 jaar lang Tyrus belegerd. In Khorsebad nu heeft Botta (2Ki 15: 20) een buitengewoon merkwaardig beeldhouwwerk gevonden, dat waarschijnlijk op deze oorlog betrekking heeft; maar Salmanassers naam zelf kan uit de inscripties tot op heden nog niet ontcijferd worden. Daarentegen is de naam van Sargon, die wij boven als de opvolger van Salmanasser hebben aangeduid, ontdekt en wel als de stichter van het aan monumenten zo rijke paleis te Khorsabad.
Of deze Sargon en Salmanasser, één en dezelfde persoon zij, die de eerste naam als eigenlijke, de tweede als bijnaam droeg, dan of zij, zoals o.a. Rawlinson die kennen van de Syrische inscripties wil, van elkaar, onderscheiden moeten worden (Jes. 20: 1 Hos. 10: 14), zal verder onderzoek moeten beslissen; maar is Sargon een afzonderlijk koning, dan kan zijn regering van slechts korte duur zijn geweest, omdat ook in Tob. 1: 1vv. aan hem niet gedacht wordt (omstreeks 721-716 v. Chr.).
Kruisverwijzingen2 Koningen 24:20→2 Koningen 25:7→Jesaja 31:1→2 Koningen 24:1→Psalmen 149:7→2 Koningen 18:21→Ezechiël 17:13→Jesaja 30:1→— Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.
Maar de koning van Assyrië bevond in de loop van de volgende jaren, van 726 of 725 v. Chr. aan, om verbintenis in Hosea, dat hij, om zich van de Assyrische heerschappij vrij te maken, tot So, de koning van Egypte, 1) de eerste of tweede vorst uit de 25ste, de Ethiopische, dynastie
(1Ki 3: 1), boden gezonden had, en het geschenk de belasting aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht: zo besloot, belegerde hem de koning van Assyrië, en nadat hij zijn hoofdstad Samaria veroverd had, bond hij hem in (vs. 6) het gevangenhuis.
In de onvermijdelijke worsteling tussen het machtige Egypte en de opkomende heerschappij van Assur, later van Babel, was de verzoeking voor de kleine staten, die de grenzen van beide wereldrijken dekten, niet gering, om door een voordelig bondgenootschap met een van beiden, zijn trotse bondgenoot van dienst te zijn; maar langs die weg zijn eigen bestaan te verzekeren, of althans enig voordeel te behalen. Evenmin als Juda later, ontging Efraïm de strik: “Zij verachtten de wateren van Siloa: (Jes. 8: 6vv.) en vielen door het ongeloof, “dat vlees tot zijn arm stelde.”.
Volgens M. Duncker regeerde Sabako van 726-714 voor Chr.: maar de Egyptische chronologie laat zich slechts met zekerheid bepalen van Psammetichus’ troonsbestijging in het begin van het jaar 664.
KruisverwijzingenHosea 13:16→2 Koningen 18:9→2 Koningen 25:1→Jeremia 52:4→— Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.
In vs. 4 wordt met enkele trekken de gehele afloop meegedeeld, de belegering van Samaria en de gevangenneming van Hosea, hetgeen in de volgende verzen nader uiteengezet wordt. Vs. 5 begint dan ook met het redegevende “Want”.
KruisverwijzingenDeuteronomium 28:64→Hosea 13:16→1 Kronieken 5:26→2 Koningen 18:10→Jesaja 21:2→Deuteronomium 29:27→Leviticus 26:32→Deuteronomium 28:36→— In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.
In het negende jaar van Hosea (722 tot 721 v. Chr.) nam de koning van Assyrië 1) Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen, wees hun woonplaatsen aan in Halah, in de provincie Calachene, op de grenzen van Armenië, noordelijk van Ninevé, en in Habor, in de landstreek aan de rivier Chabor, die, van de noordoostelijke bergen afkomende, zich in de Tiger ontlast 2) aan de rivier Gozan, de tegenwoordige Kisil Ozan, die de Grieken Amardos noemden, in de Kaspische Zee uitloopt en de noordelijke grenzen van Medië vormde, en in de steden van de Meden, zuidelijk van de Kaspische Zee.
Hier wordt geen naam genoemd, waarom het wel mogelijk is, dat wij hier niet aan Salmanasser maar aan Sargon te denken hebben. Rawlinson houdt dit voor zeker. Hij zegt: “in 17: 6 wordt gezegd, dat “de koning van Assyrië innam” en in 18: 9 dat Salmanasser opkwam tegen Samaria en haar belegerde”, maar nergens wordt ons vermeld, dat de koning, die de belegering begon dezelfde persoon was als de koning, die haar innam. Integendeel wanneer de schrijver der Koningen in 18: 10 de inname van de stad gaat vermelden, verandert hij zorgvuldig de vorm van zijn werkwoord en in plaats van te zeggen: “hij (Salmanasser) nam haar in” zegt hij “zij (de Assyriërs) namen haar in” een verandering, die met opzet gekozen schijnt te zijn om te kennen te geven, of dat de vorst niet dezelfde, of althans dat de schrijver huivert te zeggen, dat hij dit wel was. De zaak schijnt zich aldus te hebben toegedragen: Salmanasser is gekomen en heeft de belegering begonnen; maar bevindende, dat de stad slechts door blokkade genomen kon worden keerde hij naar Ninevé terug, terwijl hij zijn generaals de verdere belegering opdroeg; voordat de stad ingenomen werd stierf hij. Sargon nam in het eerste jaar van zijn regering de stad in.”. In Jes. 20: 1 komt Sargon voor als opvolger van Salmanasser. Op de reeds genoemde gedenkteken van Assyrië komt deze voor als de overwinnaar van Hosea, terwijl in zijn jaarboeken de mededeling voorkomt, dat hij inwoners van Babel zond naar het land van de Chatti, dat is het noordelijk gedeelte van Palestina. Voor de veronderstelling, dat Sargon de verwoesting heeft voltooid, is zeer veel te zeggen. In elk geval blijkt voldoende, dat Salmanasser en Sargon twee verschillende koningen zijn geweest.
In 1 Kronieken 5: 26 staat ook nog “Hara”, opgegeven; daarmee is waarschijnlijk het Medische bergland bedoeld, dat hier en in 18: 11 als “steden van de Meden” is aangeduid. Tot de laatste behoorde ook Rages, dat in Tob. 1: 16 voorkomt.
KruisverwijzingenJozua 23:16→Exodus 20:2→Nehemia 9:26→Ezechiël 23:2→Hosea 8:5→Exodus 14:15→Deuteronomium 32:15→2 Kronieken 36:14→— Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;
Want het was gebeurd, dat de kinderen van Israël gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God, die hen uit Egypte gebracht had, van onder de hand van farao, de koning van Egypte, en hadden, tegen Zijn uitdrukkelijk verbod in (Exodus 20: 2vv. Deuteronomium 5: 6vv.), andere goden gevreesd. Het nazindeel hierbij volgt pas in vs. 18: “Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël enz.; ” maar in de volgende verzen 8-17 wordt Israël’s zonde eerst nog uitvoeriger voorgesteld en de afval van het volk nader gekenmerkt, enerzijds als een wandel in de instellingen van de volken, die de Heere voor Israël had uitgeroeid, in plaats van in Zijn instellingen, en anderzijds als een wandel in de instellingen, die de koningen van Israël gemaakt hadden, dus deels als eigenlijke heidense afgodendienst en deels als afgodische dienst van de HEERE.
Bij de schildering van den eigenlijke afgodendienst heeft de heilige schrijver niet slechts op de 10 stammen, maar ook op het rijk van Juda het oog. De lange beschouwing, die de schrijver op de ondergang van het rijk van Israël laat volgen, is bijna de enige plaats in de geschiedenis, waar de oude geschiedschrijver afwijkt van zijn gewoonte, om niets andere te doen dan te vertellen zonder inmenging van eigen beschouwing. Men ziet er dus uit, dat het hem om nog iets anders dan om slechts te vertellen te doen geweest is. Hier waar het rijk van Israël ophoudt en voor immer uit de geschiedenis verdwijnt, was het de plaats om terug te zien op zijn gehele ontwikkelingsgang, en zijn geschiedenis in het kort samen te vatten. Dit doet hij dan ook van het specifiek oudtestamentisch standpunt, volgens welk God het volk van Israël uit alle volkeren van de aarde tot Zijn eigendom verkiest, een verbond ermee gemaakt en het, tot heil van alle volken, onder Zijn bijzondere leiding genomen heeft. Daarom is hem de verbondsbreuk van de zijde van het rijk van de tien stammen de eerste eigenlijke, ja enige oorzaak van zijn uiteindelijke ondergang, en deze zelf het onvermijdelijk strafgericht van de heilige en rechtvaardige God. Terwijl hij dit met grote uitvoerigheid voorstelt, geeft hij op de meest bepaalde wijze te kennen, dat de gehele geschiedenis van de Koningen van geen ander standpunt kan of mag beschouwd worden; zijn beschouwingswijze staat dus in besliste tegenspraak met die van de moderne historische kritiek, die juist dit standpunt meent te moeten verlaten, en de geschiedenis van Gods volk volgens dezelfde maatstaf meent te moeten beoordelen als die van ieder ander oud volk.
KruisverwijzingenLeviticus 18:3→Deuteronomium 18:9→2 Koningen 16:3→2 Koningen 17:19→2 Koningen 21:2→Leviticus 18:27→Jeremia 10:2→1 Koningen 12:28→— En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.
En de kinderen van Israël hadden gewandeld in de instellingen van de heidenen die de HEERE voor het aangezicht van de kinderen van Israël verdreven had, en daarna in die van de koningen van Israël, die ze gemaakt, eigenaardigingesteld hadden, 1) namelijk in de kalverdienst (1 (Koningen 12: 26vv.).
De afval openbaarde zich dus op twee manieren: in het wandelen in de instellingen van de heidense volken (vs. 7 en 8a) en in het wandelen in de instellingen van de koningen van Israël (vs. 8b), d.i. in afgoderij en in kalverdienst.
Kruisverwijzingen2 Koningen 18:8→Deuteronomium 13:6→Deuteronomium 27:15→Ezechiël 8:12→Hosea 12:11→Job 31:27→— En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
En de kinderen van Israël hadden, met alle schijnbare gronden en verontschuldigingen, de zaken, die niet recht zijn, tegen de HEERE, hun God, bedekt; 1) en hadden namelijk, lijnrecht tegen Gods Woord in, zich hoogten gebouwd in al hun steden, 2) van de wachttoren, 3) de eenzame slechts weinige inwoners tellende plaatsen af, tot de vaste steden van grote omvang toe.
Letterlijk staat er: dekten woorden, die niet recht waren over de Heere, hun God. In Jes. 4: 5 komt ook de uitdrukking, “dekten op” voor op dezelfde wijze als hier. De betekenis is deze, dat zij door verandering van het Wezen van God het ware Wezen van God in een verkeerd licht plaatsten. Dit was juist de grote zonde van Israël, dat zij het Wezen van God verduisterden en zich een geheel andere voorstelling van het Heilig Wezen van de Heere maakten en het volk verkondigden, alsof met de openbaring van God overeen kwam.
Hier wordt aangegeven, welke vorm dat dekken van het Wezen van de Heere had aangenomen, nl. dat zij op alle hoogten de Heere hadden geofferd en Hem daarom niet heilig gehouden, maar met de afgoden gelijkgesteld.
Wachttoren. Eigenlijk is hier onder te verstaan, een alleenstaande toren, die aan de schaapherders in de woestijn tot beschutting en bescherming diende. In tegenstelling tot de vaste steden betekent het woord, het geringste dorpje.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 28:25→Psalmen 78:56→1 Koningen 13:1→2 Koningen 21:6→Jeremia 44:17→— En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.
En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, zoals de heidenen gedaan hadden, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; 1) en zij hadden kwade dingen gedaan, om de HEERE tot toorn te verwekken, omdat zij zelfs de zoonzedelijke godsdienst van de heidenen in werken van ontucht enz. navolgden.
Weggevoerd in de zin van, in ballingschap gezonden. Opzettelijk is dit woord gebruikt met het oog op de ballingschap van Israël, opdat Israël en Juda zouden erkennen, dat de Heere rechtvaardig is in Zijn richten.
KruisverwijzingenJeremia 18:11→1 Samuël 9:9→Jeremia 35:15→Nehemia 9:29→Ezechiël 18:31→Jeremia 7:3→Jeremia 42:19→Hosea 4:15→— Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;
Toen nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda 1) want ook Juda maakte zich aan dezelfde zonden als Israël schuldig, en dikwijls zelfs op nog erger wijze (1Ki 12: 30), door de dienst van alle profeten, van alle zieners, die Hij menigmaal en op menigerlei wijze (Hebr. 1: 1) tot hen zond, betuigd had, zeggende: a) Bekeert u van uw boze wegen, en houdt Mijn geboden, en Mijn instellingen, naar heel de wet, die Ik uw vaderen door Mozes geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb, en nog bijzonder in mondelinge openbaring heb bevestigd en ingescherpt;
Jer. 18: 11; 25: 5; 35: 15
Juda wordt er hier tot waarschuwing bij genoemd, omdat ook dit Rijk hetzelfde lot stond te wachten, omdat het zich aan dezelfde zonde schuldig maakte.
KruisverwijzingenDeuteronomium 31:27→Handelingen 7:51→2 Kronieken 36:13→Hebreeën 3:12→Psalmen 78:32→Romeinen 2:4→Spreuken 29:1→Psalmen 106:24→— Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
Zo hoorden zij niet, maar zij a) verhardden hun nek, zodat die even hard was als de nek van hun vaderen geweest was, 1) in Mozes’ tijd (Deuteronomium 9: 6, 13; 10: 16), die aan de HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
Deuteronomium 31: 27 Mal. 3: 7
Wat hun zonde verzwaarde en hen des te onverantwoordelijker stelde, was dit: God had door de dienst van alle profeten en alle zieners tegen hen betuigd, hun hun zonden en de gevolgen ervan voorgehouden en hen geroepen tot bekering, want ofschoon zij Gods huis en Zijn dienst hadden verlaten, God had nochtans onder hen in wezen gehouden een opvolging van profeten, die hen vermaanden van hun plicht, de ware Godsdienst onder hen trachtten te bevestigen en hen tot deze poogde terug te brengen, wanneer zij afgevallen waren; maar alles was tevergeefs. Ongeloof was de eerste zonde van de mensen, tenminste zij vertoonde zich zeer vroeg. Het is de moederzonde, en brengt de mens tot alle zonde. Het besmet het geweten, het verhardt het hart en het maakt het Woord onnut, ja, het is een verwerping van het eeuwige en opperste Middel tot de verlossing en het herstel van de zondaren, en dit voorbeeld schijnt hier bijgebracht te worden om aan te tonen, dat juist hetzelfde, dat de Israëlieten belet had in Kanaän in te gaan (Hebr. 3: 17), ook de oorzaak was, waarom de nazaten hieruit werden uitgeworpen, n.l. hun ongeloof.
KruisverwijzingenDeuteronomium 12:30→Deuteronomium 32:21→Jeremia 2:5→Romeinen 1:21→1 Koningen 16:13→Jeremia 8:9→Exodus 24:6→Deuteronomium 6:17→— Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
Daartoe verwierpen zij Zijn instellingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had door de profeten, omdat zij zich evenmin naar die geboden uit het verleden, als naar de getuigenissen van het tegenwoordige zich wendden; en wandelden de ijdelheid, een zelfgekozen en nietige godsdienst na, dat zij ijdel werden, 1) in hun gehele leven en streven (Rom. 1: 21), en ook wandelden zij achter de heidenen, die rondom hen woonachtig waren (Jer. 2: 5), van wie de HEERE hun geboden had (Leviticus 18: 2vv.; 20: 22vv.),dat zij niet doen zouden zoals zij.
Deze uitdrukking komt nog eenmaal voor (Jer. 2: 5) en is een van de krachtigste gezegden of uitspraken, om aan te duiden, dat al, wat buiten God omgaat, ijdel is, van geen ware betekenis, en daarom dat alleen het leven in de dienst van God, naar de wil van God, het ware leven is. Zij werden ijdel, ijdel is hier in de zin van nietig, nietswaardig. Sterker kan het wel niet worden uitgedrukt, om te verkondigen, hoe de mens ziel en lichaam verderft, voor tijd en eeuwigheid zich ongelukkig maakt, die God verlaat en God niet dient.
Kruisverwijzingen1 Koningen 14:15→1 Koningen 16:31→1 Koningen 14:23→1 Koningen 12:28→Deuteronomium 4:19→1 Koningen 16:33→1 Koningen 22:53→2 Koningen 21:3→— Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.
Ja zij achtten zulke geboden en waarschuwingen niet, maar verlieten, in de loop van de tijd op steeds erger wijze, al de geboden van de HEERE, hun God, en maakten, de afval op het hoogste drijvend, zich onder Jerobeam I, gegoten beelden, twee kalveren (1 Koningen 12:
Kruisverwijzingen1 Koningen 12:29→Jesaja 29:13→Mattheüs 15:14→— Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden.
; en maakten, later, onder Achab, ook bossen, Ascheren, of gedenkzuilen van Astarte (1 (Koningen 16: 32vv.), en bogen zich, in deze dienst van de Phoenicische goden, die toch naar haar gehele wezen slechts een sterredienst was (De 16: 21), voor alle leger van de hemel, waarmee zij gruwelijke verachting toonden voor het gebod (Deuteronomium 4: 19 en 17: 3), en dienden nietalleen Astarte, maar ook Baäl. 1)
KruisverwijzingenMicha 4:5→1 Koningen 12:31→Romeinen 1:23→Jeremia 10:3→Psalmen 115:4→Jesaja 44:9→1 Koningen 13:32→Psalmen 135:15→— Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.
Het noemen van het leger van de hemel tussen de Aschera en Baäl in toont, dat de schrijver daarmee de gehele Baäl- en Astartedienst heeft bedoeld en de uitdrukking ontleend heeft aan Deuteronomium 4: 19 en 17: 3 om het karakter van deze dienst te beschrijven, omdat Baäl en Astarte afgoden waren, die met het leger van de hemel in verband stonden.
Ook deden zij, tenminste in het rijk van Juda onder de koningen Achaz, Manasse en Amon ( 16: 3; 21: 3), terwijl ook de 10 stammen gedeeltelijk dergelijke gruwelen bedreven, hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, niettegenstaande het verbod (Deuteronomium 18: 10), en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht ( 1: 2vv.), en verkochten zich om te doen dat kwaad was in de ogen van de HEERE (1 Koningen 21: 10), om Hem tot toorn te verwekken. Het volk van de tien stammen verwierp, toen het rijk van Israël gesticht werd, het geloof aan de God, die het uit Egypte geleid had niet (1 Koningen 12: 28), maar het maakte zich tegen het geopenbaarde Woord en gebod van deze God een beeld van Hem, en dit was het begin van zijn einde, de kiem van zijn ondergang, die alle boze vruchten droeg en van de ene dwaling tot de andere leidde. Met het beeld van de HEERE begonnen zij, met het afgrijselijke Molochs offer eindigden zij. Wie zich eenmaal van het middelpunt van de geopenbaarde waarheid heeft losgemaakt, zinkt onvermijdelijk steeds dieper of in het ongeloof of in het bijgeloof, zodat hij eindelijk de duisternis voor licht en de dwaasheid voor wijsheid houdt. Zo ging het in Israël, zo gaat het nog heden in de Christenheid. Wie zich van het Middelpunt van alle Christendom, van Christus, de Zoon van God, losscheurt, die is op weg om God zelf te verliezen, want wie de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet (1 Joh. 2: 23). Een volk, dat het Woord van God niet meer acht, en zichzelf een godsdienst naar eigen menselijk goeddunken maakt, gaat vroeger of later zijn ondergang tegemoet.
Zij lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan; door hoeveel gevaarlijker vuur van de wereldse begeerlijkheden laat men niet de kinderen onder ons gaan. Ook worden de meesten onder ons zo verwaarloosd en door boze voorbeelden en ergernis in gevaar gebracht, zodat eindelijk ouders en kinderen met elkaar in het eeuwige vuur moeten gaan.
1) Zelfs hield Juda de geboden van de HEERE, hun God niet; maar a) zij wandelden in de instellingen van Israël, die zij gemaakt hadden, want niet slechts onder Joram, Ahazia en Achaz dienden zij eveneens de Baäl, maar ook onder de betere koningen konden zij de dienst van de hoogten niet laten varen.
Leviticus 18: 3
Vs. 19 is tussenzin, in vs. 20 loopt de zin door, niet in vs. 19. In laatstgenoemd vers wordt gewezen op de schuld van Juda, op het feit, dat Juda het niet beter maakte dan haar zuster Israël. Dit doet ons denken aan de uitspraken van de profeet, waarin tot Juda het verwijt komt, dat zij het nog erger maakte dan Israël.
Zo, vanwege deze hardnekkige en steeds toenemende afval van Hem, verwierp de HEERE het gehele nageslacht van Israël, 1) Juda zowel als Israël, en bedrukte hen eerst door allerlei tuchtigingen, en gaf ze, om ze zo mogelijk nog tot terugkeer te dwingen, over in de hand van de rovers, plunderaars, van de Syriërs en Assyriërs, totdat Hij hen, Israël eerst, en later ook Juda, van Zijn aangezicht weggeworpen had.
Het gehele nageslacht van Israël. Hieronder hebben wij niet alleen Israël, maar ook Juda te verstaan. Van Juda is in het vorige vers gesproken en van Juda’s zonde. Daaraan knoopt zich vs. 20 vast. Het verwerpen door de Heere is een gevolg van Juda’s wandelen in de instellingen van Israël. Het lot, dat Israël trof, zou ook Juda treffen.
Want 1) Hij scheurde of had gescheurd Israël, van wiens verwerping hier gehandeld wordt, van het huis van David af, waarin van zelf reeds een goddelijk gericht (1 Koningen 11:
Kruisverwijzingen2 Koningen 17:24→2 Koningen 17:17→2 Koningen 19:37→Deuteronomium 12:28→Leviticus 18:21→Deuteronomium 12:31→Ezra 4:9→— En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
, maar ook tevens de kiem van het verderf lag, odmat de tien stammen daardoor uit het theocratisch verbond vielen; en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam, de kiem van het verderf aanstonds tot ontwikkeling brengende, dreef Israël, door zijn verleidende staatkunde (1 Koningen 12: 28vv.) af van achter de HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
Kruisverwijzingen1 Koningen 12:31→2 Koningen 17:29→Sefanja 1:5→2 Koningen 23:19→1 Koningen 13:31→1 Koningen 13:33→— Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten.
Want is ophelderend en redengevend. De Heere had het Rijk van de Tien stammen overgegeven in de handen van rovers, want Israël was niet meer met Juda verbonden, maar van Juda afgescheiden. Dit was de grondslag geworden van hun verbastering van de ware dienst van God en de oorzaak van hun ondergang. Het is opmerkelijk, dat het scheuren aan de Heere wordt toegeschreven, maar het maken van Jerobeam tot koning aan het volk zelf. En dat, om aan te geven, dat de laatste daad, ja, wel had plaatsgehad naar Gods Raad, vanwege Salomo’s zonde, maar toch ook weer vrijwillig door het volk. Zonder de Heere om raad te vragen, hadden zij zich Jerobeam tot koning gekozen. Deze daad werd hun tot een valstrik, omdat de zelfgekozen koning hen vervreemdde van de dienst van de Heere.
Totdat1) eindelijk in het jaar 722-721 v. Chr. de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten (vgl. Jes. 28: 1vv. (Hos. 1: 5; 9: 16vv. (Amos 3: 11vv.; 5: 27); zo werd Israël weggevoerd uit zijn land, naar Assyrië, tot op deze dag, 1) waarin deze boeken der Koningen geschreven werden.
Wij moeten ons hieraan spiegelen en niet het einde, de ondergang en het verderf veroorzaken en bevorderen door zonde en onboetvaardigheid; want wat het koninkrijk van Israël hier is weervaren, ja nog iets erger kan ook ons overkomen (Rom. 11: 21). Dadelijk in de eerste tijd van deze ballingschap vindt plaats, wat ons het Apocriefe boek van Tobit meedeelt.
De Tien stammen nu zijn in het Assyrische rijk merendeels gebleven. Weliswaar, toen de twee stammen Juda en Benjamin terugkeerden naar het land van Israël, hebben velen uit de tien stammen zich bij hen gevoegd; maar veel meer van hen zijn terug gebleven, die echter gedeeltelijk met de andere Joden op hun hoge feesten enige gemeenschap onderhielden, zoals enigen uit Medea zich op het eerste Pinksterfeest van het Nieuwe Testament te Jeruzalem bevonden. Anderen zijn met de Oosterse heidenen vermengd geraakt, zodat hedendaags die stammen, stamsgewijze of op zichzelf wonende, nergens te vinden zijn, ofschoon de Joden zich dit verbeelden. De mening van Witzius, alsmede die van, Michaëlis en Robinson, dat de tien stammen gedeeltelijk met de twee zijn teruggekeerd en voor het overige zijn opgegaan in de heidenen, is het meest waarschijnlijke, en is veel beter te verdedigen, dan die van anderen (Ritter, Grant enz.), dat zij teruggevonden zijn in Arabië, Afghanistan of Amerika. Dat velen teruggekeerd zijn, is reeds aangeduid door de Rabbijnen in het bekende boek Seder Olam. Zij rekenen toch uit, dat de som van de in Ezra 2 genoemde personen en geslachten niet meer is geweest dan 30.360 personen, terwijl het gezamenlijk getal van de teruggekeerden geweest is, volgens Ezra 2: 64 42.360, behalve nog 7337 knechten en maagden. Daarom stellen zij vast, en niet zonder grond, dat ongeveer 12000 uit de overige stammen, die naar Assyrië zijn weggevoerd, mede naar Jeruzalem zijn teruggekeerd.
Vs. 24-41. Enige tientallen van jaren na de wegvoering van de tien stammen in de Assyrische gevangenschap, brengt een latere koning van Assyrië heidense volksplanters uit Syrië en Babylonië in het ontvolkte land, die hun afgodendienst mede daarheen brengen. Maar omdat de Heere leeuwen onder hen zendt, die hun leven in gevaar brengen, en zij terecht dit als oorzaak erkennen, dat de God van het nieuwe land wegens de Hem tot dusver onthouden dienst vertoornd is, krijgen zij op hun verzoek van de Assyrische koning een van de in de gevangenschap zich bevindende priesters, die de wijze van de HEERE de God van Israël, hun leren moet. Hij vestigt zich te Beth-el en voert de vroeger in het rijk van Israël gewone kalverdienst weer in; omdat echter die heidense volksplanters daarnaast ook hun vele goden dienen, en dus een wezenlijke sterre- en dierendienst uitoefenen, zo ontstaat daaruit een uit heidendom en bedorven dienst van de HEERE vermengde landsgodsdienst, die dan ook lange tijd de godsdienst gebleven is van dit in het land Samaria woonachtige gemengde volk, de Samaritanen.
De koning nu van Assyrië, niet Salmanasser of diens opvolger Sargon (vs. 3), maar veeleer Sanheribs opvolger Esar-Haddon (Ezra 4: 2), bracht, omstreeks 46 jaar na de wegvoering van de 10 stammen, d.i. 679 v. Chr. (Jes. 7: 8), heidens volk van Babel, de stad met die naam, en van Chuta, boven de stad Babel, ook in Babylonië gelegen, en van Avva (2 Samuel 8: 6), en van Hamath, Epifanië aan de Orontes, in Syrië, en Sefarvaim Sippara, de zuidelijkste stad van Mesopotamië, en deed hen wonen in de steden van het land van Samaria, in de plaats van de daaruit weggevoerde kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden, in de steden van dat land.
En het geschiedde in het begin van hun woning daar, dat zij de HEERE niet vreesden maar de goden dienden, die in hun vaderland vereerd werden (vs. 26vv.); zo zond de HEERE, om hen te doen opmerken, dat het Zijn land was en niet een heidens land, leeuwen onder hen, die enige, van hen doodden; 1) Hij liet de in het land reeds aanwezige leeuwen, die gedurende de tijd van de ontvolking zeer de overhand genomen hadden, onder hen komen en enigen van hen doden, zodat zij hun leven nergens zeker waren (Leviticus 26: 22 (Ezechiël. 14: 15).
Deze plaag moest de vreemde volken leren, dat waar Israël om zijn afgoderij en beeldendienst uit het land verdreven was, de Heere ook hen niet kon dulden, indien zij Hem niet leerden dienen; maar ook om hen te doen verstaan dat Hij het hoogste recht had op dit land, dat het Zijn land, in bijzondere zin, was.
Daarom spraken zij, die als de beambten van de koning voor de nieuwe kolonie moesten zorgen, tot de koning van Assyrië, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze van de God van het land niet, 1) de wijze waarop Hij vereerd wil worden en hebben Hem tot dusver niet gediend; daarom heeft Hij, als straf voor het nalaten van Zijn dienst, leeuwen onder hen gezonden en ziet, zij doden hen, omdat zij niet weten de wijze van de God van het land. 2)
Hieruit blijkt weer voldoende, dat de heidenen de goden verbonden aan het land. Zij hebben nu van de God van Israël dezelfde gedachte als van hun eigen afgoden. Daarom komen zij met deze klacht tot de koning van Assyrië.
Hierin beschaamden deze blinde heidenen de Israëlieten, die zich nooit zo gereed hadden betoond, om in de onheilen, die hen troffen, de stem en de hand van God, die de God van de vaderen en hun grote Verlosser en Weldoener was, te erkennen, en om Hem, die zij wisten, niet slechts een plaatselijk God, of alleen de God van hun land, maar ook de God van hemel en aarde te wezen, te dienen en te gehoorzamen, ofschoon Hij hen aangaande de wijze van Zijn aanbidding volkomen bericht had gegeven. Dus snakten de Assyriërs slechts naar de kruimels van de geestelijke spijze, waarmee de Israëlieten, zelfs tot versmading en verachting van deze toe, waren bedeeld (Vergelijk MATTHEUS. 15: 28).
Zo kwam een uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, een uit de klasse van de hogepriesters, die Jerobeam tot de dienst van de beide kalverbeelden in Beth-el en Dan in plaats van de Levitische priesters aangesteld had (1 Koningen 12: 31vv. 12.31), en woonde te Beth-el; en hij leerde hun, op een zeer vrije, met de goddelijke wet zeer weinig overeenkomende wijze, hoe zij de HEERE vrezen zouden; maar de naam van de God van Israël werd, hoe weinig ook, dan toch enigermate bekend onder deze naar Palestina overgebrachte heidenen, en de plaag van de leeuwen hield op. Om van de plaag van de leeuwen bevrijd te worden, meenden de heidenen, dat het nodig was, dat zij bepaalde godsdienstige gebruiken moesten waarnemen. Deze waan bestaat tot heden nog zeer onder de Christenheid. Door de waarneming van zekere godsdienstige handelingen meent men van allerlei onheilen bevrijd te kunnen worden, terwijl alle godsdienstige handelingen slechts dan God welgevallig zijn en waarde hebben, als zij de onwillekeurige, onmiddellijke uitdrukking van het levende geloof en de overgave van hart aan God zijn.
Maar om hier weer op de eerste tijd van de nieuwe kolonie, waarvan in vs. 24 sprake was, terug te komen, elk volk van de uit Babylonië en Syrië in het land gezonden kolonisten, maakte zijn goden, die zij in hun vaderland gediend hadden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten (1Ki 3: 2), die de Samaritanen,
de vroegere bewoners van het land van Samaria gemaakt hadden (1 Koningen 12: 31vv.), elk volk in hun steden waarin zij woonachtig waren.
Samaritanen. Zo werden later genoemd de nakomelingen van de volksplantingen van de Assyriërs, die zich vermengd hadden met de achtergebleven Israëlieten. Deze hier zijn de achtergebleven Israëlieten zelf, die zo genoemd worden naar de hoofdstad van het verwoeste rijk, Samaria. De naam van Israël of Efraïm is weg. De naam van Samaritanen komt hier reeds op.
Want de mensen van Babel maakten Sukkôth Benôth, 1) en de lieden van Chut, of Cutha (vs. 24), maakten Nergal, hetzij de planeet Mars of een haan tot hun God; en de mensen van Hamath in Syrië maakten Asima, volgens de Rabbijnen in de gestalte van een kale bok, volgens anderen in die van een stier, ram of aap.
Onder Sukkôt-Benôth verstaan velen niet hetzelfde. Menen sommigen, dat het tenten waren waarin de “gewijden” aan Astarte zich overgaven aan ontucht, deze mening is geheel te verwerpen, omdat hier duidelijk op “afgoden” wordt gedoeld. Anderen zijn dan ook van mening, dat hieronder verstaan moeten worden, kleine tempeltjes, die in de afgodshuizen werden gebruikt en waaraan afgodische eer werd bewezen, terwijl o.a. Rawlinson (in zijn hist. of the five great monarch. I. 134) vaststelt, dat dit woord een verbastering is van de naam van de Assyrisch-Babylonische godin, Zir-banit, de godin, die nakomelingen gaf. Wij voor ons verenigen ons met het laatste. Sukkôth-Benôth is dus de op Hebreeuwse wijze weergegeven naam van die godin. Ook de anderen, hier genoemd, zijn afgoden of afgodische voorstellingen van natuurkrachten.
En de Avvieten maakten Nibha in de gedaante van een hond, en Tartak, in de vorm van een ezel, en de Sefarvieten waren Molochdienaars en verbrandden hun zonenvoor Adramelech, vuurkoning of zinnegod, en Anamelech, 1) koning van de kudden, waaronder of de maan als koningin van de hemelse koning, of het sterrenbeeld Kepheus verstaan moet worden, dat in het oosten “de Herder en het vee” heet, de goden van Sefarvaim, welke stad ook zelf de zonnegod gewijd was, met vuur.
Deze beide afgoden worden tot die geteld, die het boze brachten onder de mensen. Afgoden van het kwaad. Vooral de eerste.
KruisverwijzingenGenesis 32:28→Genesis 35:10→Jesaja 48:1→Genesis 33:20→2 Koningen 17:25→1 Koningen 11:31→1 Koningen 18:31→2 Koningen 17:33→— Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf.
Tot op deze dag toe, dat dit geschreven wordt, doen die naar de zo-even beschreven afgodendienst en de HEERE-kalverdienst met elkaar vermengende, eerste wijzen zij vrezen de HEERE niet, zonder beeld en gelijkenis, zoals het eigenlijk behoorde, en zij doen niet naar hun instellingen, en naar hun instellingen, en naar hun rechten, de instellingen en rechten van de vroeger in het land wonende tien stammen, wier overblijfsel wel met de heidense kolonisten versmolten, maar altijd nog talrijk genoeg was om de Heere alleen, zij het ook helaas onder het afbeeldsel van een gouden kalf, en niet tevens ook de heidense afgoden te dienen, en dus naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die a) Hij de naam van Israël gaf. 1)
Genesis 32: 28; 35: 10; 1 Koningen 18: 31
Hiermee wil de schrijver zeggen, dat de godsdienst van dit volk een mengelmoes was van valse en ware godsdienst. Zij dienden de Heere niet alleen onder de gedaante van een kalf, of zoals Hij hen had voorgeschreven, maar zij hielden er zeer veel afgoden op na en stelden de HEERE gelijk aan de afgoden van Assyrië. Het is daarom dan ook, dat in vs. 35-40 de gewijde schrijver wijst op het Verbond, om aan te duiden, dat, wat dit geslacht deed, volkomen Verbondsbreuk en algehele afval was.
KruisverwijzingenSefanja 1:5→Mattheüs 6:24→1 Koningen 18:21→2 Koningen 17:32→Openbaring 3:15→Ezra 4:1→Jozua 24:14→— Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
Maar deze volken vreesden de HEERE, en dienden ook hun gesneden beelden; 1) ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, zoals hun vaders gedaan hebben, tot op deze dag, 2) afgodendienst en kalverdienst tot een nieuwe godsdienst vermengende.
Zij vreesden de Heere en dienden hun gesneden beelden. Is dat niet de werkelijke toestand ook onder ons? Men wil meer dan een heer dienen. Men heeft zo’n godsvrucht uitgedacht, waarbij wereld en geld, eer en begeerlijkheid en inzonderheid de grote godin Eigenliefde, tegelijk bestaan.
Verdeeldheid in godsdienstige zaken, gebrek aan eenheid van overtuiging in de hoogste en heiligste aangelegenheden laat een volk nooit groot en sterk worden, maar is een teken van zijn inwendig verval. Gelijk geloof en gelijke eredienst heeft een grote samenhoudende kracht en is de voorwaarde van ware volkseenheid. Verkeerd is het deze eenheid door uiterlijke middelen of door dwang teweeg te brengen; zij brengt slechts de zegen aan, wanneer zij de vrucht is van vrije overtuiging.
De juiste toepassing van deze stof is, dat men ook bij de Christelijke godsdienst zich onthoude van alle vermenging met hetgeen daarmee niet bestaan kan, als daar zijn alle dwalingen, verkeerde geboden van mensen en de dienst van wereld en zonde, die helaas de meesten ook in de Evangelische Kerk met het ware Christendom proberen te verenigen. Zeker, God en de zonde te dienen is zo’n grote afwijking van de ware godsdienst, als het Samaritanisme ooit geweest is.
Tot op deze dag, d.w.z. tot op de dag, dat dit geschreven werd. Wij weten, dat de Samaritanen, na de terugkeer van de Joden uit de Ballingschap, de vreemde goden hebben weggedaan en zich tot de dienst van de ene God hebben verbonden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
De schipbreuk van een ander behoort ons altijd een baken te zijn.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Koningen 17
2 Koningen 17:23-24.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:6→2 Koningen 17:13→2 Koningen 18:34→2 Koningen 17:18→2 Koningen 18:11→2 Koningen 17:20→Amos 5:27→1 Koningen 14:16→
— Totdat de HEERE Israel van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag. De koning nu van Assyrie bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israels; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
Het was een deel van de krijgskunde van het Assyrische rijk om volken van hun oorspronkelijke woonplaats weg te voeren en hen elders te vestigen — hen naar een ander land over te brengen; zodat, terwijl de Israëlieten naar Babel gevoerd werden, aantallen van hen die rondom Babel gewoond hadden in de Samaritaanse landstreek gebracht werden, opdat de volksverbanden zo verbroken zouden worden en de vaderlandsliefde zou uitsterven, waardoor het voor de Assyrische tiran gemakkelijker werd het land te regeren.
2 Koningen 17:25-27.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:34→2 Koningen 17:41→2 Koningen 17:32→2 Koningen 17:28→2 Koningen 2:24→Jeremia 15:3→Daniël 6:26→1 Koningen 20:36→
— En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den HEERE niet vreesden; zo zond de HEERE leeuwen onder hen, die enigen van hen doodden. Daarom spraken zij tot den koning van Assyrie, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land. Toen gebood de koning van Assyrie, zeggende: Brengt een der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun lere de wijze des Gods van het land.
Hij gaf er zelf geen enkele penning om welke godsdienst zij hadden; maar hadden zij geen godsdienst die bij het land paste: “Wel, zend dan een van de priesters die daar plachten te wonen, die hun kan leren wat het is.” Naar zijn begrippen konden zij die aannemen juist wanneer het hun beliefde.
2 Koningen 17:28-31.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:17→1 Koningen 12:29→Micha 4:5→1 Koningen 12:31→2 Koningen 19:37→Romeinen 1:23→Jeremia 10:3→Psalmen 115:4→
— Zo kwam een uit de priesteren, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den HEERE vrezen zouden. Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. Want de lieden van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Asima, En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
Het zou geen praktisch doel dienen als ik de betekenis van de namen van deze verschillende goden zou verklaren. Sommige van hen hadden dierlijke gestalten. Hun eredienst ging doorgaans met de meest ontuchtige plechtigheden gepaard, en in het bijzonder de dienst van Moloch, die hier onder twee verschillende vormen genoemd wordt. Hij was een god wiens eredienst voltrokken werd met de meest afschuwelijke wreedheden, want kinderen werden ter zijner eer door het vuur gedreven en verbrand.
2 Koningen 17:32-38.KruisverwijzingenRichteren 6:10→1 Koningen 12:31→Genesis 32:28→Genesis 35:10→Exodus 6:6→Deuteronomium 6:13→Deuteronomium 6:12→2 Koningen 17:29→
— Ook vreesden zij den HEERE, en maakten zich van hun geringsten priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten. Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen den HEERE niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, dien Hij den naam Israel gaf. Nochtans had de HEERE een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. Maar den HEERE, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekten arm opgevoerd heeft, Dien zult gij vrezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen; En de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dag; en gij zult andere goden niet vrezen. En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vrezen.
Hoe komt deze waarschuwing telkens en telkens en telkens weer! “Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE.” De dienst van iets anders onder welk voorwendsel ook, buiten de ene altijd gezegende drie-eenheid in eenheid, is ons voor altijd verboden.
2 Koningen 17:33.Kruisverwijzingen1 Koningen 18:21→Mattheüs 6:24→Lukas 16:13→2 Koningen 17:41→Sefanja 1:5→Hosea 10:2→
— Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.
De satan kan de bekering met wroeging namaken. Hij kan het geloof evenaren met lichtgelovigheid. Hij kan de verzekerdheid nabootsen met vermetelheid. Hij kan ons de genoegens van deze wereld geven in plaats van de vreugde des Heeren; en in plaats van een eenvoudig vertrouwen op Christus kan hij ons iets aanbieden dat er merkwaardig op lijkt en toch vertrouwen op onszelf is.
Vandaar dat een van de eerste dingen die wij moeten doen, als wij ten laatste recht willen zijn, is: onze eigen harten te onderzoeken, om te toetsen of het het werk van God is of enkel een lage nabootsing daarvan.
De bekering, die volstrekt noodzakelijk is tot de zaligheid — de bekering waardoor iemand zich van de zonde tot de gerechtigheid keert, van zichzelf tot Christus, van de wereld tot de hemel, van opstand tot gehoorzaamheid — ook de bekering is op vele wijzen nagebootst. Hier is één wijze waarop het valse voor het ware gesteld is, opdat wij door het licht van dit voorbeeld, als door een baken, van deze gevaarlijke rots weggewaarschuwd zouden worden. De schipbreuk van een ander behoort ons altijd een baken te zijn.
Wat volgt op “zij vreesden den HEERE” is afzichtelijk en toont dat het een schijnbekering was. Zij bracht enkel een uitwendige verandering mee. Zij werd geheel veroorzaakt door verschrikking. De tanden en de klauwen en de vurige ogen van leeuwen en de donderslagen van hun gebrul bekeerden hen. Wij behoren altijd enigszins onzeker te zijn over onze eigen bekering als wij die uitsluitend tot beweegredenen van verschrikking kunnen terugvoeren.
Hun bekering werd ook geschonden door onkunde. In plaats van God te willen kénnen, wilden zij weten hoe zij zich moesten gedragen. Hun gedachte was geheel op het uitwendige. Godsdienst te willen houden en toch onze zonden te willen houden, is niet God te vrezen maar Hem te beledigen. Moeten wij zondigen, laten wij dan niet bij onze zonden deze nodeloze en onnodige voegen: van een huichelachtig voorwenden dat wij de levende God vrezen.
2 Koningen 17:39-41.KruisverwijzingenSefanja 1:5→Mattheüs 6:24→2 Koningen 17:36→1 Koningen 18:21→2 Koningen 17:32→Mattheüs 10:28→Lukas 1:50→Jeremia 10:7→
— Maar den HEERE, uw God, zult gij vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden. Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze. Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.
Trachtend, zoveel zij ooit konden, de oude afgoderijen te verbinden met de dienst van de ware God — wat het meest weerzinwekkende is in de ogen van de Allerhoogste.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Vs. 1-23. De laatste koning in het rijk van Israël Hosea, ofschoon door samenzwering en koningsmoord in het bezit van de troon gekomen, onderscheidt zich toch voordelig van al zijn voorgangers door een meer theocratische regering. Intussen was dit nog volstrekt geen besliste bekering tot de Heere, en kon de tijd van het gericht, dat voor de 10 stammen nu eenmaal was aangebroken, niet ophouden. Hosea werd eerst aan Salmanasser, koning van Assyrië, schatplichtig; later, wanneer hij in vertrouwen op Egypte de betaling van de schatting staakt, wordt hij daarom drie jaar lang in zijn hoofdstad belegerd en eindelijk gevangen genomen; maar zijn volk wordt naar het noordelijk Assyrië en naar Medië in de zogenaamde Assyrische ballingschap gevoerd, een gebeurtenis waarin de straf van de Heere over Israël’s hardnekkige afval van Hem wordt vervuld.
In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, 1) de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaar (van 730-722 v. Chr., “(2Ki 15: 30).
Uit de Assyrische gedenktekenen blijkt, dat Hosea door Tiglath-Pilezer werd gesteund, of liever, door hem in het koninkrijk gesteld. Deze vermelden toch het volgende: “Het land van het huis van Omri, het afgelegene en zijn meest aanzienlijke inwoners met hun have, voerde ik naar Assyrië. Po-ka-ha (Pekah) hun koning sloegen wij. Anzi (Hosea) stelde ik in het koninkrijk over hen. Tien talenten goud, duizend talenten zilver nam ik van hen in ontvangst.”.
En hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, doordat ook hij de kalverdienst liet voortduren; evenwel niet op zo’n erge wijze, als de koningen van Israël, die voor hem geweest waren. 1)
Toen de in het jaar 727 v. Chr. aan de regering gekomen koning Hizkia van Juda een algemene Paasfeestviering verordende en daartoe ook de Israëlieten uit Efraïm en Manasse en Zebulon uitnodigde, belette hij hun, die aan deze uitnodiging gevolg wilden geven, het optrekken naar Jeruzalem niet (2 Kronieken 30: 1vv.).
Anderen zijn van mening dat deze uitnodiging van Hizkia tot de bovengenoemde stammen pas plaatshad na de verwoesting van het rijk van de Tien stammen. In elk geval wordt hier niet gezegd, waarin dat minder zondigen van Hosea bestond en is daarom ook niet met zekerheid aan te geven.
Tegen hem, 1)zeker reeds in de eerste jaren van zijn regering, trok op Salmanasser, koning van Assyrië, 2) met het doel de veroveringen van zijn voorganger Tiglath-Pilezer voort te zetten ( 15: 29); en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf, zich tot een jaarlijkse schatting aan hem verbond.
Dit staat met een zekere nadruk vooraan; juist ten tijde van de betrekkelijk nog het meest theocratisch gezinde koning word het rijk van Israël door Gods gerichten getroffen.
God is gewend de straf die de voorvaderen verdiend hebben, naar Zijn lankmoedigheid uit te stellen, of er ook enigszins bij de nakomelingen ernstig berouw mocht komen; gebeurt dit niet, zo ontlast zich eindelijk Gods toorn, al zijn de nakomelingen ook minder boos.
Behalve in dit vers worden berichten over Salmanasser aangetroffen in de fragmenten van Mers Phoenicische geschiedenis (2 Samuel 5: 11); volgens hem heeft hij omstreeks deze tijd ook oorlog met Phoenicië gevoerd en 5 jaar lang Tyrus belegerd. In Khorsebad nu heeft Botta (2Ki 15: 20) een buitengewoon merkwaardig beeldhouwwerk gevonden, dat waarschijnlijk op deze oorlog betrekking heeft; maar Salmanassers naam zelf kan uit de inscripties tot op heden nog niet ontcijferd worden. Daarentegen is de naam van Sargon, die wij boven als de opvolger van Salmanasser hebben aangeduid, ontdekt en wel als de stichter van het aan monumenten zo rijke paleis te Khorsabad.
Of deze Sargon en Salmanasser, één en dezelfde persoon zij, die de eerste naam als eigenlijke, de tweede als bijnaam droeg, dan of zij, zoals o.a. Rawlinson die kennen van de Syrische inscripties wil, van elkaar, onderscheiden moeten worden (Jes. 20: 1 Hos. 10: 14), zal verder onderzoek moeten beslissen; maar is Sargon een afzonderlijk koning, dan kan zijn regering van slechts korte duur zijn geweest, omdat ook in Tob. 1: 1vv. aan hem niet gedacht wordt (omstreeks 721-716 v. Chr.).
Maar de koning van Assyrië bevond in de loop van de volgende jaren, van 726 of 725 v. Chr. aan, om verbintenis in Hosea, dat hij, om zich van de Assyrische heerschappij vrij te maken, tot So, de koning van Egypte, 1) de eerste of tweede vorst uit de 25ste, de Ethiopische, dynastie
(1Ki 3: 1), boden gezonden had, en het geschenk de belasting aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht: zo besloot, belegerde hem de koning van Assyrië, en nadat hij zijn hoofdstad Samaria veroverd had, bond hij hem in (vs. 6) het gevangenhuis.
In de onvermijdelijke worsteling tussen het machtige Egypte en de opkomende heerschappij van Assur, later van Babel, was de verzoeking voor de kleine staten, die de grenzen van beide wereldrijken dekten, niet gering, om door een voordelig bondgenootschap met een van beiden, zijn trotse bondgenoot van dienst te zijn; maar langs die weg zijn eigen bestaan te verzekeren, of althans enig voordeel te behalen. Evenmin als Juda later, ontging Efraïm de strik: “Zij verachtten de wateren van Siloa: (Jes. 8: 6vv.) en vielen door het ongeloof, “dat vlees tot zijn arm stelde.”.
Volgens M. Duncker regeerde Sabako van 726-714 voor Chr.: maar de Egyptische chronologie laat zich slechts met zekerheid bepalen van Psammetichus’ troonsbestijging in het begin van het jaar 664.
In vs. 4 wordt met enkele trekken de gehele afloop meegedeeld, de belegering van Samaria en de gevangenneming van Hosea, hetgeen in de volgende verzen nader uiteengezet wordt. Vs. 5 begint dan ook met het redegevende “Want”.
In het negende jaar van Hosea (722 tot 721 v. Chr.) nam de koning van Assyrië 1) Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen, wees hun woonplaatsen aan in Halah, in de provincie Calachene, op de grenzen van Armenië, noordelijk van Ninevé, en in Habor, in de landstreek aan de rivier Chabor, die, van de noordoostelijke bergen afkomende, zich in de Tiger ontlast 2) aan de rivier Gozan, de tegenwoordige Kisil Ozan, die de Grieken Amardos noemden, in de Kaspische Zee uitloopt en de noordelijke grenzen van Medië vormde, en in de steden van de Meden, zuidelijk van de Kaspische Zee.
Hier wordt geen naam genoemd, waarom het wel mogelijk is, dat wij hier niet aan Salmanasser maar aan Sargon te denken hebben. Rawlinson houdt dit voor zeker. Hij zegt: “in 17: 6 wordt gezegd, dat “de koning van Assyrië innam” en in 18: 9 dat Salmanasser opkwam tegen Samaria en haar belegerde”, maar nergens wordt ons vermeld, dat de koning, die de belegering begon dezelfde persoon was als de koning, die haar innam. Integendeel wanneer de schrijver der Koningen in 18: 10 de inname van de stad gaat vermelden, verandert hij zorgvuldig de vorm van zijn werkwoord en in plaats van te zeggen: “hij (Salmanasser) nam haar in” zegt hij “zij (de Assyriërs) namen haar in” een verandering, die met opzet gekozen schijnt te zijn om te kennen te geven, of dat de vorst niet dezelfde, of althans dat de schrijver huivert te zeggen, dat hij dit wel was. De zaak schijnt zich aldus te hebben toegedragen: Salmanasser is gekomen en heeft de belegering begonnen; maar bevindende, dat de stad slechts door blokkade genomen kon worden keerde hij naar Ninevé terug, terwijl hij zijn generaals de verdere belegering opdroeg; voordat de stad ingenomen werd stierf hij. Sargon nam in het eerste jaar van zijn regering de stad in.”. In Jes. 20: 1 komt Sargon voor als opvolger van Salmanasser. Op de reeds genoemde gedenkteken van Assyrië komt deze voor als de overwinnaar van Hosea, terwijl in zijn jaarboeken de mededeling voorkomt, dat hij inwoners van Babel zond naar het land van de Chatti, dat is het noordelijk gedeelte van Palestina. Voor de veronderstelling, dat Sargon de verwoesting heeft voltooid, is zeer veel te zeggen. In elk geval blijkt voldoende, dat Salmanasser en Sargon twee verschillende koningen zijn geweest.
In 1 Kronieken 5: 26 staat ook nog “Hara”, opgegeven; daarmee is waarschijnlijk het Medische bergland bedoeld, dat hier en in 18: 11 als “steden van de Meden” is aangeduid. Tot de laatste behoorde ook Rages, dat in Tob. 1: 16 voorkomt.
Want het was gebeurd, dat de kinderen van Israël gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God, die hen uit Egypte gebracht had, van onder de hand van farao, de koning van Egypte, en hadden, tegen Zijn uitdrukkelijk verbod in (Exodus 20: 2vv. Deuteronomium 5: 6vv.), andere goden gevreesd. Het nazindeel hierbij volgt pas in vs. 18: “Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël enz.; ” maar in de volgende verzen 8-17 wordt Israël’s zonde eerst nog uitvoeriger voorgesteld en de afval van het volk nader gekenmerkt, enerzijds als een wandel in de instellingen van de volken, die de Heere voor Israël had uitgeroeid, in plaats van in Zijn instellingen, en anderzijds als een wandel in de instellingen, die de koningen van Israël gemaakt hadden, dus deels als eigenlijke heidense afgodendienst en deels als afgodische dienst van de HEERE.
Bij de schildering van den eigenlijke afgodendienst heeft de heilige schrijver niet slechts op de 10 stammen, maar ook op het rijk van Juda het oog. De lange beschouwing, die de schrijver op de ondergang van het rijk van Israël laat volgen, is bijna de enige plaats in de geschiedenis, waar de oude geschiedschrijver afwijkt van zijn gewoonte, om niets andere te doen dan te vertellen zonder inmenging van eigen beschouwing. Men ziet er dus uit, dat het hem om nog iets anders dan om slechts te vertellen te doen geweest is. Hier waar het rijk van Israël ophoudt en voor immer uit de geschiedenis verdwijnt, was het de plaats om terug te zien op zijn gehele ontwikkelingsgang, en zijn geschiedenis in het kort samen te vatten. Dit doet hij dan ook van het specifiek oudtestamentisch standpunt, volgens welk God het volk van Israël uit alle volkeren van de aarde tot Zijn eigendom verkiest, een verbond ermee gemaakt en het, tot heil van alle volken, onder Zijn bijzondere leiding genomen heeft. Daarom is hem de verbondsbreuk van de zijde van het rijk van de tien stammen de eerste eigenlijke, ja enige oorzaak van zijn uiteindelijke ondergang, en deze zelf het onvermijdelijk strafgericht van de heilige en rechtvaardige God. Terwijl hij dit met grote uitvoerigheid voorstelt, geeft hij op de meest bepaalde wijze te kennen, dat de gehele geschiedenis van de Koningen van geen ander standpunt kan of mag beschouwd worden; zijn beschouwingswijze staat dus in besliste tegenspraak met die van de moderne historische kritiek, die juist dit standpunt meent te moeten verlaten, en de geschiedenis van Gods volk volgens dezelfde maatstaf meent te moeten beoordelen als die van ieder ander oud volk.
En de kinderen van Israël hadden gewandeld in de instellingen van de heidenen die de HEERE voor het aangezicht van de kinderen van Israël verdreven had, en daarna in die van de koningen van Israël, die ze gemaakt, eigenaardigingesteld hadden, 1) namelijk in de kalverdienst (1 (Koningen 12: 26vv.).
De afval openbaarde zich dus op twee manieren: in het wandelen in de instellingen van de heidense volken (vs. 7 en 8a) en in het wandelen in de instellingen van de koningen van Israël (vs. 8b), d.i. in afgoderij en in kalverdienst.
En de kinderen van Israël hadden, met alle schijnbare gronden en verontschuldigingen, de zaken, die niet recht zijn, tegen de HEERE, hun God, bedekt; 1) en hadden namelijk, lijnrecht tegen Gods Woord in, zich hoogten gebouwd in al hun steden, 2) van de wachttoren, 3) de eenzame slechts weinige inwoners tellende plaatsen af, tot de vaste steden van grote omvang toe.
Letterlijk staat er: dekten woorden, die niet recht waren over de Heere, hun God. In Jes. 4: 5 komt ook de uitdrukking, “dekten op” voor op dezelfde wijze als hier. De betekenis is deze, dat zij door verandering van het Wezen van God het ware Wezen van God in een verkeerd licht plaatsten. Dit was juist de grote zonde van Israël, dat zij het Wezen van God verduisterden en zich een geheel andere voorstelling van het Heilig Wezen van de Heere maakten en het volk verkondigden, alsof met de openbaring van God overeen kwam.
Hier wordt aangegeven, welke vorm dat dekken van het Wezen van de Heere had aangenomen, nl. dat zij op alle hoogten de Heere hadden geofferd en Hem daarom niet heilig gehouden, maar met de afgoden gelijkgesteld.
Wachttoren. Eigenlijk is hier onder te verstaan, een alleenstaande toren, die aan de schaapherders in de woestijn tot beschutting en bescherming diende. In tegenstelling tot de vaste steden betekent het woord, het geringste dorpje.
En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, zoals de heidenen gedaan hadden, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; 1) en zij hadden kwade dingen gedaan, om de HEERE tot toorn te verwekken, omdat zij zelfs de zoonzedelijke godsdienst van de heidenen in werken van ontucht enz. navolgden.
Weggevoerd in de zin van, in ballingschap gezonden. Opzettelijk is dit woord gebruikt met het oog op de ballingschap van Israël, opdat Israël en Juda zouden erkennen, dat de Heere rechtvaardig is in Zijn richten.
Toen nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda 1) want ook Juda maakte zich aan dezelfde zonden als Israël schuldig, en dikwijls zelfs op nog erger wijze (1Ki 12: 30), door de dienst van alle profeten, van alle zieners, die Hij menigmaal en op menigerlei wijze (Hebr. 1: 1) tot hen zond, betuigd had, zeggende: a) Bekeert u van uw boze wegen, en houdt Mijn geboden, en Mijn instellingen, naar heel de wet, die Ik uw vaderen door Mozes geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb, en nog bijzonder in mondelinge openbaring heb bevestigd en ingescherpt;
Jer. 18: 11; 25: 5; 35: 15
Juda wordt er hier tot waarschuwing bij genoemd, omdat ook dit Rijk hetzelfde lot stond te wachten, omdat het zich aan dezelfde zonde schuldig maakte.
Zo hoorden zij niet, maar zij a) verhardden hun nek, zodat die even hard was als de nek van hun vaderen geweest was, 1) in Mozes’ tijd (Deuteronomium 9: 6, 13; 10: 16), die aan de HEERE, hun God, niet geloofd hadden.
Deuteronomium 31: 27 Mal. 3: 7
Wat hun zonde verzwaarde en hen des te onverantwoordelijker stelde, was dit: God had door de dienst van alle profeten en alle zieners tegen hen betuigd, hun hun zonden en de gevolgen ervan voorgehouden en hen geroepen tot bekering, want ofschoon zij Gods huis en Zijn dienst hadden verlaten, God had nochtans onder hen in wezen gehouden een opvolging van profeten, die hen vermaanden van hun plicht, de ware Godsdienst onder hen trachtten te bevestigen en hen tot deze poogde terug te brengen, wanneer zij afgevallen waren; maar alles was tevergeefs. Ongeloof was de eerste zonde van de mensen, tenminste zij vertoonde zich zeer vroeg. Het is de moederzonde, en brengt de mens tot alle zonde. Het besmet het geweten, het verhardt het hart en het maakt het Woord onnut, ja, het is een verwerping van het eeuwige en opperste Middel tot de verlossing en het herstel van de zondaren, en dit voorbeeld schijnt hier bijgebracht te worden om aan te tonen, dat juist hetzelfde, dat de Israëlieten belet had in Kanaän in te gaan (Hebr. 3: 17), ook de oorzaak was, waarom de nazaten hieruit werden uitgeworpen, n.l. hun ongeloof.
Daartoe verwierpen zij Zijn instellingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had door de profeten, omdat zij zich evenmin naar die geboden uit het verleden, als naar de getuigenissen van het tegenwoordige zich wendden; en wandelden de ijdelheid, een zelfgekozen en nietige godsdienst na, dat zij ijdel werden, 1) in hun gehele leven en streven (Rom. 1: 21), en ook wandelden zij achter de heidenen, die rondom hen woonachtig waren (Jer. 2: 5), van wie de HEERE hun geboden had (Leviticus 18: 2vv.; 20: 22vv.),dat zij niet doen zouden zoals zij.
Deze uitdrukking komt nog eenmaal voor (Jer. 2: 5) en is een van de krachtigste gezegden of uitspraken, om aan te duiden, dat al, wat buiten God omgaat, ijdel is, van geen ware betekenis, en daarom dat alleen het leven in de dienst van God, naar de wil van God, het ware leven is. Zij werden ijdel, ijdel is hier in de zin van nietig, nietswaardig. Sterker kan het wel niet worden uitgedrukt, om te verkondigen, hoe de mens ziel en lichaam verderft, voor tijd en eeuwigheid zich ongelukkig maakt, die God verlaat en God niet dient.
Ja zij achtten zulke geboden en waarschuwingen niet, maar verlieten, in de loop van de tijd op steeds erger wijze, al de geboden van de HEERE, hun God, en maakten, de afval op het hoogste drijvend, zich onder Jerobeam I, gegoten beelden, twee kalveren (1 Koningen 12:
; en maakten, later, onder Achab, ook bossen, Ascheren, of gedenkzuilen van Astarte (1 (Koningen 16: 32vv.), en bogen zich, in deze dienst van de Phoenicische goden, die toch naar haar gehele wezen slechts een sterredienst was (De 16: 21), voor alle leger van de hemel, waarmee zij gruwelijke verachting toonden voor het gebod (Deuteronomium 4: 19 en 17: 3), en dienden nietalleen Astarte, maar ook Baäl. 1)
Het noemen van het leger van de hemel tussen de Aschera en Baäl in toont, dat de schrijver daarmee de gehele Baäl- en Astartedienst heeft bedoeld en de uitdrukking ontleend heeft aan Deuteronomium 4: 19 en 17: 3 om het karakter van deze dienst te beschrijven, omdat Baäl en Astarte afgoden waren, die met het leger van de hemel in verband stonden.
Ook deden zij, tenminste in het rijk van Juda onder de koningen Achaz, Manasse en Amon ( 16: 3; 21: 3), terwijl ook de 10 stammen gedeeltelijk dergelijke gruwelen bedreven, hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, niettegenstaande het verbod (Deuteronomium 18: 10), en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht ( 1: 2vv.), en verkochten zich om te doen dat kwaad was in de ogen van de HEERE (1 Koningen 21: 10), om Hem tot toorn te verwekken. Het volk van de tien stammen verwierp, toen het rijk van Israël gesticht werd, het geloof aan de God, die het uit Egypte geleid had niet (1 Koningen 12: 28), maar het maakte zich tegen het geopenbaarde Woord en gebod van deze God een beeld van Hem, en dit was het begin van zijn einde, de kiem van zijn ondergang, die alle boze vruchten droeg en van de ene dwaling tot de andere leidde. Met het beeld van de HEERE begonnen zij, met het afgrijselijke Molochs offer eindigden zij. Wie zich eenmaal van het middelpunt van de geopenbaarde waarheid heeft losgemaakt, zinkt onvermijdelijk steeds dieper of in het ongeloof of in het bijgeloof, zodat hij eindelijk de duisternis voor licht en de dwaasheid voor wijsheid houdt. Zo ging het in Israël, zo gaat het nog heden in de Christenheid. Wie zich van het Middelpunt van alle Christendom, van Christus, de Zoon van God, losscheurt, die is op weg om God zelf te verliezen, want wie de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet (1 Joh. 2: 23). Een volk, dat het Woord van God niet meer acht, en zichzelf een godsdienst naar eigen menselijk goeddunken maakt, gaat vroeger of later zijn ondergang tegemoet.
Zij lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan; door hoeveel gevaarlijker vuur van de wereldse begeerlijkheden laat men niet de kinderen onder ons gaan. Ook worden de meesten onder ons zo verwaarloosd en door boze voorbeelden en ergernis in gevaar gebracht, zodat eindelijk ouders en kinderen met elkaar in het eeuwige vuur moeten gaan.
1) Zelfs hield Juda de geboden van de HEERE, hun God niet; maar a) zij wandelden in de instellingen van Israël, die zij gemaakt hadden, want niet slechts onder Joram, Ahazia en Achaz dienden zij eveneens de Baäl, maar ook onder de betere koningen konden zij de dienst van de hoogten niet laten varen.
Leviticus 18: 3
Vs. 19 is tussenzin, in vs. 20 loopt de zin door, niet in vs. 19. In laatstgenoemd vers wordt gewezen op de schuld van Juda, op het feit, dat Juda het niet beter maakte dan haar zuster Israël. Dit doet ons denken aan de uitspraken van de profeet, waarin tot Juda het verwijt komt, dat zij het nog erger maakte dan Israël.
Zo, vanwege deze hardnekkige en steeds toenemende afval van Hem, verwierp de HEERE het gehele nageslacht van Israël, 1) Juda zowel als Israël, en bedrukte hen eerst door allerlei tuchtigingen, en gaf ze, om ze zo mogelijk nog tot terugkeer te dwingen, over in de hand van de rovers, plunderaars, van de Syriërs en Assyriërs, totdat Hij hen, Israël eerst, en later ook Juda, van Zijn aangezicht weggeworpen had.
Het gehele nageslacht van Israël. Hieronder hebben wij niet alleen Israël, maar ook Juda te verstaan. Van Juda is in het vorige vers gesproken en van Juda’s zonde. Daaraan knoopt zich vs. 20 vast. Het verwerpen door de Heere is een gevolg van Juda’s wandelen in de instellingen van Israël. Het lot, dat Israël trof, zou ook Juda treffen.
Want 1) Hij scheurde of had gescheurd Israël, van wiens verwerping hier gehandeld wordt, van het huis van David af, waarin van zelf reeds een goddelijk gericht (1 Koningen 11:
, maar ook tevens de kiem van het verderf lag, odmat de tien stammen daardoor uit het theocratisch verbond vielen; en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam, de kiem van het verderf aanstonds tot ontwikkeling brengende, dreef Israël, door zijn verleidende staatkunde (1 Koningen 12: 28vv.) af van achter de HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
Want is ophelderend en redengevend. De Heere had het Rijk van de Tien stammen overgegeven in de handen van rovers, want Israël was niet meer met Juda verbonden, maar van Juda afgescheiden. Dit was de grondslag geworden van hun verbastering van de ware dienst van God en de oorzaak van hun ondergang. Het is opmerkelijk, dat het scheuren aan de Heere wordt toegeschreven, maar het maken van Jerobeam tot koning aan het volk zelf. En dat, om aan te geven, dat de laatste daad, ja, wel had plaatsgehad naar Gods Raad, vanwege Salomo’s zonde, maar toch ook weer vrijwillig door het volk. Zonder de Heere om raad te vragen, hadden zij zich Jerobeam tot koning gekozen. Deze daad werd hun tot een valstrik, omdat de zelfgekozen koning hen vervreemdde van de dienst van de Heere.
Totdat1) eindelijk in het jaar 722-721 v. Chr. de HEERE Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten (vgl. Jes. 28: 1vv. (Hos. 1: 5; 9: 16vv. (Amos 3: 11vv.; 5: 27); zo werd Israël weggevoerd uit zijn land, naar Assyrië, tot op deze dag, 1) waarin deze boeken der Koningen geschreven werden.
Wij moeten ons hieraan spiegelen en niet het einde, de ondergang en het verderf veroorzaken en bevorderen door zonde en onboetvaardigheid; want wat het koninkrijk van Israël hier is weervaren, ja nog iets erger kan ook ons overkomen (Rom. 11: 21). Dadelijk in de eerste tijd van deze ballingschap vindt plaats, wat ons het Apocriefe boek van Tobit meedeelt.
De Tien stammen nu zijn in het Assyrische rijk merendeels gebleven. Weliswaar, toen de twee stammen Juda en Benjamin terugkeerden naar het land van Israël, hebben velen uit de tien stammen zich bij hen gevoegd; maar veel meer van hen zijn terug gebleven, die echter gedeeltelijk met de andere Joden op hun hoge feesten enige gemeenschap onderhielden, zoals enigen uit Medea zich op het eerste Pinksterfeest van het Nieuwe Testament te Jeruzalem bevonden. Anderen zijn met de Oosterse heidenen vermengd geraakt, zodat hedendaags die stammen, stamsgewijze of op zichzelf wonende, nergens te vinden zijn, ofschoon de Joden zich dit verbeelden. De mening van Witzius, alsmede die van, Michaëlis en Robinson, dat de tien stammen gedeeltelijk met de twee zijn teruggekeerd en voor het overige zijn opgegaan in de heidenen, is het meest waarschijnlijke, en is veel beter te verdedigen, dan die van anderen (Ritter, Grant enz.), dat zij teruggevonden zijn in Arabië, Afghanistan of Amerika. Dat velen teruggekeerd zijn, is reeds aangeduid door de Rabbijnen in het bekende boek Seder Olam. Zij rekenen toch uit, dat de som van de in Ezra 2 genoemde personen en geslachten niet meer is geweest dan 30.360 personen, terwijl het gezamenlijk getal van de teruggekeerden geweest is, volgens Ezra 2: 64 42.360, behalve nog 7337 knechten en maagden. Daarom stellen zij vast, en niet zonder grond, dat ongeveer 12000 uit de overige stammen, die naar Assyrië zijn weggevoerd, mede naar Jeruzalem zijn teruggekeerd.
Vs. 24-41. Enige tientallen van jaren na de wegvoering van de tien stammen in de Assyrische gevangenschap, brengt een latere koning van Assyrië heidense volksplanters uit Syrië en Babylonië in het ontvolkte land, die hun afgodendienst mede daarheen brengen. Maar omdat de Heere leeuwen onder hen zendt, die hun leven in gevaar brengen, en zij terecht dit als oorzaak erkennen, dat de God van het nieuwe land wegens de Hem tot dusver onthouden dienst vertoornd is, krijgen zij op hun verzoek van de Assyrische koning een van de in de gevangenschap zich bevindende priesters, die de wijze van de HEERE de God van Israël, hun leren moet. Hij vestigt zich te Beth-el en voert de vroeger in het rijk van Israël gewone kalverdienst weer in; omdat echter die heidense volksplanters daarnaast ook hun vele goden dienen, en dus een wezenlijke sterre- en dierendienst uitoefenen, zo ontstaat daaruit een uit heidendom en bedorven dienst van de HEERE vermengde landsgodsdienst, die dan ook lange tijd de godsdienst gebleven is van dit in het land Samaria woonachtige gemengde volk, de Samaritanen.
De koning nu van Assyrië, niet Salmanasser of diens opvolger Sargon (vs. 3), maar veeleer Sanheribs opvolger Esar-Haddon (Ezra 4: 2), bracht, omstreeks 46 jaar na de wegvoering van de 10 stammen, d.i. 679 v. Chr. (Jes. 7: 8), heidens volk van Babel, de stad met die naam, en van Chuta, boven de stad Babel, ook in Babylonië gelegen, en van Avva (2 Samuel 8: 6), en van Hamath, Epifanië aan de Orontes, in Syrië, en Sefarvaim Sippara, de zuidelijkste stad van Mesopotamië, en deed hen wonen in de steden van het land van Samaria, in de plaats van de daaruit weggevoerde kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden, in de steden van dat land.
En het geschiedde in het begin van hun woning daar, dat zij de HEERE niet vreesden maar de goden dienden, die in hun vaderland vereerd werden (vs. 26vv.); zo zond de HEERE, om hen te doen opmerken, dat het Zijn land was en niet een heidens land, leeuwen onder hen, die enige, van hen doodden; 1) Hij liet de in het land reeds aanwezige leeuwen, die gedurende de tijd van de ontvolking zeer de overhand genomen hadden, onder hen komen en enigen van hen doden, zodat zij hun leven nergens zeker waren (Leviticus 26: 22 (Ezechiël. 14: 15).
Deze plaag moest de vreemde volken leren, dat waar Israël om zijn afgoderij en beeldendienst uit het land verdreven was, de Heere ook hen niet kon dulden, indien zij Hem niet leerden dienen; maar ook om hen te doen verstaan dat Hij het hoogste recht had op dit land, dat het Zijn land, in bijzondere zin, was.
Daarom spraken zij, die als de beambten van de koning voor de nieuwe kolonie moesten zorgen, tot de koning van Assyrië, zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze van de God van het land niet, 1) de wijze waarop Hij vereerd wil worden en hebben Hem tot dusver niet gediend; daarom heeft Hij, als straf voor het nalaten van Zijn dienst, leeuwen onder hen gezonden en ziet, zij doden hen, omdat zij niet weten de wijze van de God van het land. 2)
Hieruit blijkt weer voldoende, dat de heidenen de goden verbonden aan het land. Zij hebben nu van de God van Israël dezelfde gedachte als van hun eigen afgoden. Daarom komen zij met deze klacht tot de koning van Assyrië.
Hierin beschaamden deze blinde heidenen de Israëlieten, die zich nooit zo gereed hadden betoond, om in de onheilen, die hen troffen, de stem en de hand van God, die de God van de vaderen en hun grote Verlosser en Weldoener was, te erkennen, en om Hem, die zij wisten, niet slechts een plaatselijk God, of alleen de God van hun land, maar ook de God van hemel en aarde te wezen, te dienen en te gehoorzamen, ofschoon Hij hen aangaande de wijze van Zijn aanbidding volkomen bericht had gegeven. Dus snakten de Assyriërs slechts naar de kruimels van de geestelijke spijze, waarmee de Israëlieten, zelfs tot versmading en verachting van deze toe, waren bedeeld (Vergelijk MATTHEUS. 15: 28).
Zo kwam een uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, een uit de klasse van de hogepriesters, die Jerobeam tot de dienst van de beide kalverbeelden in Beth-el en Dan in plaats van de Levitische priesters aangesteld had (1 Koningen 12: 31vv. 12.31), en woonde te Beth-el; en hij leerde hun, op een zeer vrije, met de goddelijke wet zeer weinig overeenkomende wijze, hoe zij de HEERE vrezen zouden; maar de naam van de God van Israël werd, hoe weinig ook, dan toch enigermate bekend onder deze naar Palestina overgebrachte heidenen, en de plaag van de leeuwen hield op. Om van de plaag van de leeuwen bevrijd te worden, meenden de heidenen, dat het nodig was, dat zij bepaalde godsdienstige gebruiken moesten waarnemen. Deze waan bestaat tot heden nog zeer onder de Christenheid. Door de waarneming van zekere godsdienstige handelingen meent men van allerlei onheilen bevrijd te kunnen worden, terwijl alle godsdienstige handelingen slechts dan God welgevallig zijn en waarde hebben, als zij de onwillekeurige, onmiddellijke uitdrukking van het levende geloof en de overgave van hart aan God zijn.
Maar om hier weer op de eerste tijd van de nieuwe kolonie, waarvan in vs. 24 sprake was, terug te komen, elk volk van de uit Babylonië en Syrië in het land gezonden kolonisten, maakte zijn goden, die zij in hun vaderland gediend hadden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten (1Ki 3: 2), die de Samaritanen,
de vroegere bewoners van het land van Samaria gemaakt hadden (1 Koningen 12: 31vv.), elk volk in hun steden waarin zij woonachtig waren.
Samaritanen. Zo werden later genoemd de nakomelingen van de volksplantingen van de Assyriërs, die zich vermengd hadden met de achtergebleven Israëlieten. Deze hier zijn de achtergebleven Israëlieten zelf, die zo genoemd worden naar de hoofdstad van het verwoeste rijk, Samaria. De naam van Israël of Efraïm is weg. De naam van Samaritanen komt hier reeds op.
Want de mensen van Babel maakten Sukkôth Benôth, 1) en de lieden van Chut, of Cutha (vs. 24), maakten Nergal, hetzij de planeet Mars of een haan tot hun God; en de mensen van Hamath in Syrië maakten Asima, volgens de Rabbijnen in de gestalte van een kale bok, volgens anderen in die van een stier, ram of aap.
Onder Sukkôt-Benôth verstaan velen niet hetzelfde. Menen sommigen, dat het tenten waren waarin de “gewijden” aan Astarte zich overgaven aan ontucht, deze mening is geheel te verwerpen, omdat hier duidelijk op “afgoden” wordt gedoeld. Anderen zijn dan ook van mening, dat hieronder verstaan moeten worden, kleine tempeltjes, die in de afgodshuizen werden gebruikt en waaraan afgodische eer werd bewezen, terwijl o.a. Rawlinson (in zijn hist. of the five great monarch. I. 134) vaststelt, dat dit woord een verbastering is van de naam van de Assyrisch-Babylonische godin, Zir-banit, de godin, die nakomelingen gaf. Wij voor ons verenigen ons met het laatste. Sukkôth-Benôth is dus de op Hebreeuwse wijze weergegeven naam van die godin. Ook de anderen, hier genoemd, zijn afgoden of afgodische voorstellingen van natuurkrachten.
En de Avvieten maakten Nibha in de gedaante van een hond, en Tartak, in de vorm van een ezel, en de Sefarvieten waren Molochdienaars en verbrandden hun zonenvoor Adramelech, vuurkoning of zinnegod, en Anamelech, 1) koning van de kudden, waaronder of de maan als koningin van de hemelse koning, of het sterrenbeeld Kepheus verstaan moet worden, dat in het oosten “de Herder en het vee” heet, de goden van Sefarvaim, welke stad ook zelf de zonnegod gewijd was, met vuur.
Deze beide afgoden worden tot die geteld, die het boze brachten onder de mensen. Afgoden van het kwaad. Vooral de eerste.
Tot op deze dag toe, dat dit geschreven wordt, doen die naar de zo-even beschreven afgodendienst en de HEERE-kalverdienst met elkaar vermengende, eerste wijzen zij vrezen de HEERE niet, zonder beeld en gelijkenis, zoals het eigenlijk behoorde, en zij doen niet naar hun instellingen, en naar hun instellingen, en naar hun rechten, de instellingen en rechten van de vroeger in het land wonende tien stammen, wier overblijfsel wel met de heidense kolonisten versmolten, maar altijd nog talrijk genoeg was om de Heere alleen, zij het ook helaas onder het afbeeldsel van een gouden kalf, en niet tevens ook de heidense afgoden te dienen, en dus naar de wet, en naar het gebod, dat de HEERE geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die a) Hij de naam van Israël gaf. 1)
Genesis 32: 28; 35: 10; 1 Koningen 18: 31
Hiermee wil de schrijver zeggen, dat de godsdienst van dit volk een mengelmoes was van valse en ware godsdienst. Zij dienden de Heere niet alleen onder de gedaante van een kalf, of zoals Hij hen had voorgeschreven, maar zij hielden er zeer veel afgoden op na en stelden de HEERE gelijk aan de afgoden van Assyrië. Het is daarom dan ook, dat in vs. 35-40 de gewijde schrijver wijst op het Verbond, om aan te duiden, dat, wat dit geslacht deed, volkomen Verbondsbreuk en algehele afval was.
Maar deze volken vreesden de HEERE, en dienden ook hun gesneden beelden; 1) ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, zoals hun vaders gedaan hebben, tot op deze dag, 2) afgodendienst en kalverdienst tot een nieuwe godsdienst vermengende.
Zij vreesden de Heere en dienden hun gesneden beelden. Is dat niet de werkelijke toestand ook onder ons? Men wil meer dan een heer dienen. Men heeft zo’n godsvrucht uitgedacht, waarbij wereld en geld, eer en begeerlijkheid en inzonderheid de grote godin Eigenliefde, tegelijk bestaan.
Verdeeldheid in godsdienstige zaken, gebrek aan eenheid van overtuiging in de hoogste en heiligste aangelegenheden laat een volk nooit groot en sterk worden, maar is een teken van zijn inwendig verval. Gelijk geloof en gelijke eredienst heeft een grote samenhoudende kracht en is de voorwaarde van ware volkseenheid. Verkeerd is het deze eenheid door uiterlijke middelen of door dwang teweeg te brengen; zij brengt slechts de zegen aan, wanneer zij de vrucht is van vrije overtuiging.
De juiste toepassing van deze stof is, dat men ook bij de Christelijke godsdienst zich onthoude van alle vermenging met hetgeen daarmee niet bestaan kan, als daar zijn alle dwalingen, verkeerde geboden van mensen en de dienst van wereld en zonde, die helaas de meesten ook in de Evangelische Kerk met het ware Christendom proberen te verenigen. Zeker, God en de zonde te dienen is zo’n grote afwijking van de ware godsdienst, als het Samaritanisme ooit geweest is.
Tot op deze dag, d.w.z. tot op de dag, dat dit geschreven werd. Wij weten, dat de Samaritanen, na de terugkeer van de Joden uit de Ballingschap, de vreemde goden hebben weggedaan en zich tot de dienst van de ene God hebben verbonden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel