Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1In het zevenH7651 en twintigsteH6424jaarH8141 van JerobeamH3379, den koning van IsraelH3478, werd koning AzariaH5838, de zoonH1121 van AmaziaH558, den koning van JudaH3063.In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
koningH4428
KJVIn the twenty2and seventh3year1of Jeroboam5king6of Israel7began Azariah9son10of Amaziah11king12of Judah13to reign.8
1בִּשְׁנַ֨תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2עֶשְׂרִ֤יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)3וָשֶׁ֨בַע֙H7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)4שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5לְיָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam6מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal7יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8מָלַ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely9עֲזַרְיָ֥הH5838Azaria, Azarja, AzarjahuAzariah10בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11אֲמַצְיָ֖הH558AmaziaAmaziah12מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13יְהוּדָֽהH3063JudaJudah
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
2Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Hij was zestienH8337jarenH8141oudH1121, toen hij koningH4427 werd, en hij regeerdeH4427tweeH8147 en vijftigH2572jarenH8141 te JeruzalemH3389; en de naamH8034 zijner moederH517 was JecholiaH3203, van JeruzalemH3389.Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
KJVSixteen2years4old1was he when he began to reign,6and he reigned10two8and fifty7years9in Jerusalem.11And his mother's13name12was Jecholiah14of Jerusalem.15
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2שֵׁ֨שׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth3עֶשְׂרֵ֤הH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)4שָׁנָה֙H8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5הָיָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use6בְמָלְכ֔וֹH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely7וַחֲמִשִּׁ֤יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty8וּשְׁתַּ֨יִם֙H8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two9שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)10מָלַ֖ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely11בִּירוּשָׁלִָ֑םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem12וְשֵׁ֣םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report13אִמּ֔וֹH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting14יְכָלְיָ֖הוּH3203JecholiaJecholiah, Jecoliah15מִירוּשָׁלִָֽםH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem
3En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En hij deedH6213 dat rechtH3477 was in de ogenH5869 des HEERENH3068, naar alH3605watH834 zijn vaderH1AmaziaH558gedaanH6213 had.En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.
KJVAnd he did1that which was right2in the sight3of the LORD,4according to all that his father9Amaziah8had done;7
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הַיָּשָׁ֖רH3477recht, oprechten, oprechteconvenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5כְּכֹ֥לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8אֲמַצְיָ֥הוּH558AmaziaAmaziah9אָבִֽיוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'
4Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Alleenlijk werden de hoogtenH1116nietH3808weggenomenH5493; het volkH5971offerdeH2076 en rookteH6999nogH5750 op de hoogtenH1116.Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
KJVSave that the high places2were not removed:4the people6sacrificed7and burnt incense8still on the high places.9
1רַ֥קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise2הַבָּמ֖וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave3לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4סָ֑רוּH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without5ע֥וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)6הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7מְזַבְּחִ֥יםH2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay8וּֽמְקַטְּרִ֖יםH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)9בַּבָּמֽוֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave
5En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En de HEEREH3068plaagdeH5060 den koningH4428, dat hij melaatsH6879werdH1961totH5704 den dagH3117 zijns doodsH4194; en hij woondeH3427 in een afgezonderdH2669huisH1004; doch JothamH3147, de zoonH1121 des koningsH4428, was overH5921 het huisH1004, richtendeH8199 het volkH5971 des landsH776.En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
KJVAnd the LORD2smote1the king,4so that he was a leper6unto the day8of his death,9and dwelt10in a several12house.11And Jotham13the king's15son14was over the house,17judging18the people20of the land.21
1וַיְנַגַּ֨עH5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַמֶּ֗לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal5וַיְהִ֤יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use6מְצֹרָע֙H6879melaats, melaatsen, melaatseleper, leprous7עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet8י֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9מֹת֔וֹH4194dood, doods, stierf(be) dead(-ly), death, die(-d)10וַיֵּ֖שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry11בְּבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12הַחָפְשִׁ֑יתH2669afgezonderdseveral13וְיוֹתָ֤םH3147JothamJotham14בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth15הַמֶּ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal16עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17הַבַּ֔יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)18שֹׁפֵ֖טH8199richten, richtte, rechters[phrase] avenge, [idiom] that condemn, contend, defend, execute (judgment), (be a) judge(-ment), [idiom] needs, plead, reason, rule19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20עַ֥םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people21הָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
6Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van AzariaH5838, en alH3605watH834 hij gedaanH6213 heeft, zijn die nietH3808geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van JudaH3063?Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
KJVAnd the rest1of the acts2of Azariah,3and all that he did,6are they not written9in the book11of the chronicles12of the kings14of Judah?15
1וְיֶ֛תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3עֲזַרְיָ֖הוּH5838Azaria, Azarja, AzarjahuAzariah4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7הֲלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye9כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll12דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal15יְהוּדָֽהH3063JudaJudah
7En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En AzariaH5838ontsliepH7901metH5973 zijn vaderenH1, en zij begroevenH6912 hem bijH5973 zijn vaderenH1, in de stadH5892DavidsH1732; en zijn zoonH1121JothamH3147 werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
KJVSo Azariah2slept1with his fathers;4and they buried5him with his fathers8in the city9of David:10and Jotham12his son13reigned11in his stead.
1וַיִּשְׁכַּ֤בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay2עֲזַרְיָה֙H5838Azaria, Azarja, AzarjahuAzariah3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אֲבֹתָ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וַיִּקְבְּר֥וּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)6אֹת֛וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)8אֲבֹתָ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'9בְּעִ֣ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town10דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid11וַיִּמְלֹ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely12יוֹתָ֥םH3147JothamJotham13בְּנ֖וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
8In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8In het achtH8083 en dertigsteH7970jaarH8141 van AzariaH5838, den koningH4428 van JudaH3063, regeerdeH4427ZachariaH2148, de zoonH1121 van JerobeamH3379, overH5921IsraelH3478 te SamariaH8111, zesH8337maandenH2320.In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.
9En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068, gelijk als zijn vaderenH1gedaanH6213 hadden; hij weekH5493nietH3808 af van de zondenH2403 van JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD,4as his fathers7had done:6he departed9not from the sins10of Jeroboam11the son12of Nebat,13who made Israel17to sin.15
1וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַע֙H7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשׂ֖וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7אֲבֹתָ֑יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9סָ֗רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without10מֵֽחַטֹּאות֙H2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)11יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam12בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13נְבָ֔טH5028NebatNebat14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15הֶחֱטִ֖יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
10En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En SallumH7967, de zoonH1121 van JabesH3003, maakte een verbintenisH7194tegenH5921 hem, en sloegH5221 hem voor het volkH5971, en dooddeH4191 hem; en hij werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
KJVAnd Shallum3the son4of Jabesh5conspired1against him, and smote6him before7the people,8and slew9him, and reigned10in his stead.
1וַיִּקְשֹׁ֤רH7194verbintenis, binden, maaktenbind (up), (make a) conspire(-acy, -ator), join together, knit, stronger, work (treason)2עָלָיו֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3שַׁלֻּ֣םH7967SallumShallum4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יָבֵ֔שׁH3003JabesJobesh (-Gilead)6וַיַּכֵּ֥הוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7קָֽבָלְH6905before8עָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9וַיְמִיתֵ֑הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise10וַיִּמְלֹ֖ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely11תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
11Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van ZachariaH2148, zietH2009, dat is geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478.Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
KJVAnd the rest1of the acts2of Zachariah,3behold, they are written5in the book7of the chronicles8of the kings10of Israel.11
1וְיֶ֖תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֣יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3זְכַרְיָ֑הH2148Zacharia, Zecharja, ZacharjaZachariah, Zechariah4הִנָּ֣םH2009ziet, ziebehold, lo, see5כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll8דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work9הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger10לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal11יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
12Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Dit was hetH1931woordH1697 des HEERENH3068, dat Hij gesprokenH1696 had totH413JehuH3058, zeggendeH559: U zullen zonenH1121 van het vierdeH7243gelidH5921 op den troonH3678 van IsraelH3478zittenH3427; en het is alzoH3651geschiedH1961.Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.
KJVThis was the word2of the LORD3which he spake5unto Jehu,7saying,8Thy sons9shall sit11on the throne14of Israel15unto the fourth10generation. And so it came to pass.
1ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who2דְבַרH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5דִּבֶּ֤רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7יֵהוּא֙H3058JehuJehu8לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10רְבִיעִ֔יםH7243vierde, vierendeel, vierdenfoursquare, fourth (part)11יֵשְׁב֥וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry12לְךָ֖13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14כִּסֵּ֣אH3678troon, stoel, troonsseat, stool, throne15יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16וַֽיְהִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use17כֵֽןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you
13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13SallumH7967, de zoonH1121 van JabesH3003, werd koning, in het negenH8672 en dertigsteH7970jaarH8141 van UzziaH5818, den koning van JudaH3063; en hij regeerdeH4427 een volleH3117maandH3391 te SamariaH8111.Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
KJVShallum1the son2of Jabesh3began to reign4in the nine7and thirtieth6year5of Uzziah9king10of Judah;11and he reigned12a full14month13in Samaria.15
1שַׁלּ֤וּםH7967SallumShallum2בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יָבֵישׁ֙H3003JabesJobesh (-Gilead)4מָלַ֔ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely5בִּשְׁנַ֨תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)6שְׁלֹשִׁ֤יםH7970dertig, dertigste, Dertigthirty, thirtieth. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)7וָתֵ֨שַׁע֙H8672negen, negenhonderd, negendennine ([phrase] -teen, [phrase] -teenth, -th)8שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)9לְעֻזִיָּ֖הH5818Uzzia, UziaUzziah10מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal11יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah12וַיִּמְלֹ֥ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely13יֶֽרַחH3391maand, maanden, maanmonth, moon14יָמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger15בְּשֹׁמְרֽוֹןH8111SamariaSamaria
14Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Want MenahemH4505, de zoonH1121 van GadiH1424, toogH5927 op van ThirzaH8656, en kwamH935 te SamariaH8111, en sloegH5221SallumH7967, den zoonH1121 van JabesH3003, te SamariaH8111, en dooddeH4191 hem, en werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
KJVFor Menahem2the son3of Gadi4went up1from Tirzah,5and came6to Samaria,7and smote8Shallum10the son11of Jabesh12in Samaria,13and slew14him, and reigned15in his stead.
1וַיַּעַל֩H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2מְנַחֵ֨םH4505MenahemMenahem3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4גָּדִ֜יH1424GadiGadi5מִתִּרְצָ֗הH8656Thirza, TirzaTirzah6וַיָּבֹא֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7שֹׁמְר֔וֹןH8111SamariaSamaria8וַיַּ֛ךְH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10שַׁלּ֥וּםH7967SallumShallum11בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12יָבֵ֖ישׁH3003JabesJobesh (-Gilead)13בְּשֹׁמְר֑וֹןH8111SamariaSamaria14וַיְמִיתֵ֖הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15וַיִּמְלֹ֥ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely16תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
15Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van SallumH7967, en zijn verbintenisH7195, dieH834 hij maakte, zietH2009, die zijn geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478.Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
KJVAnd the rest1of the acts2of Shallum,3and his conspiracy4which he made,6behold, they are written8in the book10of the chronicles11of the kings13of Israel.14
1וְיֶ֨תֶר֙H3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֣יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3שַׁלּ֔וּםH7967SallumShallum4וְקִשְׁר֖וֹH7195verbintenis, Verraad, verraadconfederacy, conspiracy, treason5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6קָשָׁ֑רH7194verbintenis, binden, maaktenbind (up), (make a) conspire(-acy, -ator), join together, knit, stronger, work (treason)7הִנָּ֣םH2009ziet, ziebehold, lo, see8כְּתֻבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll11דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal14יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
16Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Toen sloegH5221MenahemH4505TifsahH8607, met allenH3605, dieH834 daarin waren, ook haar landpalenH1366 van ThirzaH8656 af; omdatH3588 men nietH3808 voor hem had opengedaanH6605, zo sloegH5221 hij hen; alH3605 haar bevruchte vrouwenH2030hieuwH1234 hij in stukken.Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
KJVThen Menahem3smote2Tiphsah,5and all that were therein, and the coasts11thereof from Tirzah:12because they opened15not to him, therefore he smote16it; and all the women therein that were with child19he ripped up.20
1אָ֣זH227toen, alsdanbeginning, for, from, hitherto, now, of old, once, since, then, at which time, yet2יַכֶּֽהH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound3מְ֠נַחֵםH4505MenahemMenahem4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5תִּפְסַ֨חH8607Thifsah, TifsahTipsah6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9בָּ֤הּ10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11גְּבוּלֶ֨יהָ֙H1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space12מִתִּרְצָ֔הH8656Thirza, TirzaTirzah13כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15פָתַ֖חH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent16וַיַּ֑ךְH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound17אֵ֛תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)19הֶהָ֥רוֹתֶ֖יהָH2030zwanger, zwangere, bevrucht(be, woman) with child, conceive, [idiom] great20בִּקֵּֽעַH1234gekloofd, kliefde, brakenmake a breach, break forth (into, out, in pieces, through, up), be ready to burst, cleave (asunder), cut out, divide, hatch, rend (asunder), rip up, tear, win
17In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17In het negenH8672 en dertigsteH7970 jaar van AzariaH5838, den koning van JudaH3063, werd MenahemH4505, den zoonH1121 van GadiH1424, koning overH5921IsraelH3478, en regeerde tienH6235jarenH8141 te SamariaH8111.In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
18En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; hij weekH5493alH3605 zijn dagenH3117nietH3808 af van de zondenH2403 van JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD:4he departed6not all his days17from the sins8of Jeroboam9the son10of Nebat,11who made Israel15to sin.13
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6סָ֠רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without7מֵעַ֨לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8חַטֹּ֜אותH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)9יָרָבְעָ֧םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11נְבָ֛טH5028NebatNebat12אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13הֶחֱטִ֥יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)17יָמָֽיוH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
19Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Toen kwamH935PulH6322, de koningH4428 van AssyrieH804, tegenH5921 het landH776; en MenahemH4505gafH5414 aan PulH6322duizendH505talentenH3603zilversH3701, opdat zijnH1961handH3027metH854 hem zoude zijn, om het koninkrijkH4467 in zijn handH3027 te sterkenH2388.Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
KJVAnd Pul2the king3of Assyria4came1against the land:6and Menahem8gave7Pul9a thousand10talents11of silver,12that his hand14might be with him to confirm16the kingdom17in his hand.18
1בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2פ֤וּלH6322PulPul3מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4אַשּׁוּר֙H804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7וַיִּתֵּ֤ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8מְנַחֵם֙H4505MenahemMenahem9לְפ֔וּלH6322PulPul10אֶ֖לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand11כִּכַּרH3603talenten, talent, vlakteloaf, morsel, piece, plain, talent12כָּ֑סֶףH3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)13לִהְי֤וֹתH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14יָדָיו֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15אִתּ֔וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix16לְהַחֲזִ֥יקH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand17הַמַּמְלָכָ֖הH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal18בְּיָדֽוֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
20Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20MenahemH4505 nu brachtH3318 dit geldH3701opH5921 van IsraelH3478, van alleH3605geweldigenH1368 van vermogenH2428, om den koningH4428 van AssyrieH804 te gevenH5414, voor elk manH376vijftigH2572zilverenH3701sikkelsH8255; alzo keerdeH7725 de koningH4428 van AssyrieH804 weder, en bleefH5975daarH8033nietH3808 in het landH776.Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
KJVAnd Menahem2exacted1the money4of Israel,6even of all the mighty men9of wealth,10of each18man17fifty14shekels15of silver,16to give11to the king12of Assyria.13So the king20of Assyria21turned back,19and stayed23not there in the land.25
1וַיֹּצֵא֩H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2מְנַחֵ֨םH4505MenahemMenahem3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַכֶּ֜סֶףH3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7עַ֚לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9גִּבּוֹרֵ֣יH1368helden, held, geweldigchampion, chief, [idiom] excel, giant, man, mighty (man, one), strong (man), valiant man10הַחַ֔יִלH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)11לָתֵת֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield12לְמֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13אַשּׁ֔וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)14חֲמִשִּׁ֧יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty15שְׁקָלִ֛יםH8255sikkelen, sikkel, sikkelsshekel16כֶּ֖סֶףH3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)17לְאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)18אֶחָ֑דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,19וַיָּ֨שָׁב֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw20מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal21אַשּׁ֔וּרH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)22וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without23עָ֥מַדH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry24שָׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither25בָּאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
21Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van MenahemH4505, en alH3605watH834 hij gedaanH6213 heeft, is dat nietH3808geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478?Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
KJVAnd the rest1of the acts2of Menahem,3and all that he did,6are they not written9in the book11of the chronicles12of the kings14of Israel?15
1וְיֶ֛תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3מְנַחֵ֖םH4505MenahemMenahem4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7הֲלוֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye9כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll12דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal15יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
22Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Daarna ontsliepH7901MenahemH4505metH5973 zijn vaderenH1; en zijn zoonH1121PekahiaH6494 werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
KJVAnd Menahem2slept1with his fathers;4and Pekahiah6his son7reigned5in his stead.
1וַיִּשְׁכַּ֥בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay2מְנַחֵ֖םH4505MenahemMenahem3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אֲבֹתָ֑יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וַיִּמְלֹ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely6פְּקַחְיָ֥הH6494PekahiaPekahiah7בְנ֖וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
23In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23In het vijftigsteH2572jaarH8141 van AzariaH5838, den koning van JudaH3063, werd PekahiaH6494, de zoonH1121 van MenahemH4505, koning overH5921IsraelH3478, en regeerde twee jarenH8141 te SamariaH8111.In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
KJVIn the fiftieth2year1of Azariah4king5of Judah6Pekahiah8the son9of Menahem10began to reign7over Israel12in Samaria,13and reigned two years.3
1בִּשְׁנַת֙H8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2חֲמִשִּׁ֣יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty3שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)4לַעֲזַרְיָ֖הH5838Azaria, Azarja, AzarjahuAzariah5מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal6יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah7מָ֠לַךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely8פְּקַֽחְיָ֨הH6494PekahiaPekahiah9בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10מְנַחֵ֧םH4505MenahemMenahem11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12יִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13בְּשֹׁמְר֖וֹןH8111SamariaSamaria14שְׁנָתָֽיִםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)
24En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; hij weekH5493nietH3808 af van de zondenH2403 van JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD:4he departed6not from the sins7of Jeroboam8the son9of Nebat,10who made Israel14to sin.12
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6סָ֗רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without7מֵֽחַטֹּאות֙H2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)8יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam9בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10נְבָ֔טH5028NebatNebat11אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12הֶחֱטִ֖יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En PekahH6492, de zoonH1121 van RemaliaH7425, zijn hoofdmanH7991, maakte een verbintenisH7194 tegen hem, en sloegH5221 hem te SamariaH8111, in het paleisH759 van het huisH1004 des koningsH4428, met ArgobH709 en met ArjeH745, en met hem vijftigH2572mannenH376 van de kinderenH1121 der GileadietenH1569; alzo dooddeH4191 hij hem, en werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
KJVBut Pekah3the son4of Remaliah,5a captain6of his, conspired1against him, and smote7him in Samaria,8in the palace9of the king's11house,10with Argob13and Arieh,15and with him fifty17men18of the Gileadites:19and he killed21him, and reigned22in his room.
1וַיִּקְשֹׁ֣רH7194verbintenis, binden, maaktenbind (up), (make a) conspire(-acy, -ator), join together, knit, stronger, work (treason)2עָלָיו֩H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3פֶּ֨קַחH6492PekahPekah4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5רְמַלְיָ֜הוּH7425RemaliaRemaliah6שָׁלִישׁ֗וֹH7991hoofdman, hoofdlieden, hoofdmannencaptain, instrument of musick, (great) lord, (great) measure, prince, three (from the margin)7וַיַּכֵּ֨הוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound8בְשֹׁמְר֜וֹןH8111SamariaSamaria9בְּאַרְמ֤וֹןH759paleizen, paleiscastle, palace. Compare H2038 (הַרְמוֹן)10בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11הַמֶּ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal12אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix13אַרְגֹּ֣בH709ArgobArgob14וְאֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix15הָאַרְיֵ֔הH745ArjeArieh16וְעִמּ֛וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)17חֲמִשִּׁ֥יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty18אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)19מִבְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth20גִלְעָדִ֑יםH1569Gileadiet, GileadietenGileadite21וַיְמִיתֵ֖הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise22וַיִּמְלֹ֥ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely23תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
26Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van PekahiaH6494, en alH3605 wat hij gedaanH6213 heeft, zietH2009, dat is geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478.Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
KJVAnd the rest1of the acts2of Pekahiah,3and all that he did,6behold, they are written8in the book10of the chronicles11of the kings13of Israel.14
1וְיֶ֛תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3פְקַחְיָ֖הH6494PekahiaPekahiah4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7הִנָּ֣םH2009ziet, ziebehold, lo, see8כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll11דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal14יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
27In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27In het tweeH8147 en vijftigsteH2572jaarH8141 van AzariaH5838, den koning van JudaH3063, werd PekahH6492, de zoonH1121 van RemaliaH7425, koning overH5921IsraelH3478, en regeerde twintigH6242jarenH8141 te SamariaH8111.In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
KJVIn the two3and fiftieth2year1of Azariah5king6of Judah7Pekah9the son10of Remaliah11began to reign8over Israel13in Samaria,14and reigned twenty15years.4
1בִּשְׁנַ֨תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2חֲמִשִּׁ֤יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty3וּשְׁתַּ֨יִם֙H8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two4שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5לַעֲזַרְיָ֖הH5838Azaria, Azarja, AzarjahuAzariah6מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal7יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah8מָ֠לַךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely9פֶּ֣קַחH6492PekahPekah10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11רְמַלְיָ֧הוּH7425RemaliaRemaliah12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13יִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14בְּשֹׁמְר֖וֹןH8111SamariaSamaria15עֶשְׂרִ֥יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)16שָׁנָֽהH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)
28En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; hij weekH5493nietH3808 af van de zondenH2403 van JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD:4he departed6not from the sins8of Jeroboam9the son10of Nebat,11who made Israel15to sin.13
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6סָ֗רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without7מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with8חַטֹּאות֙H2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)9יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11נְבָ֔טH5028NebatNebat12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13הֶחֱטִ֖יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
29In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29In de dagenH3117PekahH6492, den koningH4428 van IsraelH3478, kwamH935Tiglath-PilezerH8407, de koningH4428 van AssyrieH804, en namH3947IjonH5859 in, en Abel-Beth-maachaH62, en JanoahH3239, en KedesH6943, en HazorH2674, en GileadH1568, en GalileaH1551, het ganseH3605landH776 van NafthaliH5321; en hij voerdeH1540 hen weg naar AssyrieH804.In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
KJVIn the days1of Pekah2king3of Israel4came5Tiglathpileser6king8of Assyria,9and took10Ijon,12and Abelbethmaachah,14and Janoah,18and Kedesh,20and Hazor,22and Gilead,24and Galilee,26all the land28of Naphtali,29and carried them captive30to Assyria.31
1בִּימֵ֞יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2פֶּ֣קַחH6492PekahPekah3מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5בָּא֮H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6תִּגְלַ֣תH8407Tiglath-pilezer, Tiglath-pilneserTiglath-pileser, Tilgath-pilneser7פִּלְאֶסֶר֮H8407Tiglath-pilezer, Tiglath-pilneserTiglath-pileser, Tilgath-pilneser8מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal9אַשּׁוּר֒H804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)10וַיִּקַּ֣חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12עִיּ֡וֹןH5859IjonIjon13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14אָבֵ֣לH62Abel Beth-maacha, Abel-beth-maachaAbel-beth-maachah, Abel of Beth-maachah,15בֵּֽיתH62Abel Beth-maacha, Abel-beth-maachaAbel-beth-maachah, Abel of Beth-maachah,16מַעֲכָ֡הH62Abel Beth-maacha, Abel-beth-maachaAbel-beth-maachah, Abel of Beth-maachah,17וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18יָ֠נוֹחַH3239JanoahJanoah, Janohah19וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20קֶ֨דֶשׁH6943Kedes, Kedes-nafthaliKedesh21וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22חָצ֤וֹרH2674Hazor, Hazor-hadatthaHazor23וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24הַגִּלְעָד֙H1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite25וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)26הַגָּלִ֔ילָהH1551GalileaGalilee27כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)28אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world29נַפְתָּלִ֑יH5321NafthaliNaphtali30וַיַּגְלֵ֖םH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover31אַשּֽׁוּרָהH804Assyrie, Assur, AssyriersAsshur, Assur, Assyria, Assyrians. See H838 (אָשֻׁר)
30En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En HoseaH1954, de zoonH1121 van ElaH425, maakte een verbintenisH7195tegenH5921PekahH6492, den zoonH1121 van RemaliaH7425, en sloegH5221 hem, en dooddeH4191 hem, en werd koningH4427 in zijn plaatsH8478; in het twintigsteH6242jaarH8141 van JothamH3147, den zoonH1121 van UzziaH5818.En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
KJVAnd Hoshea3the son4of Elah5made1a conspiracy2against Pekah7the son8of Remaliah,9and smote10him, and slew11him, and reigned12in his stead, in the twentieth15year14of Jotham16the son17of Uzziah.18
1וַיִּקְשָׁרH7194verbintenis, binden, maaktenbind (up), (make a) conspire(-acy, -ator), join together, knit, stronger, work (treason)2קֶ֜שֶׁרH7195verbintenis, Verraad, verraadconfederacy, conspiracy, treason3הוֹשֵׁ֣עַH1954HoseaHosea, Hoshea, Oshea4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5אֵלָ֗הH425ElaElah6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7פֶּ֨קַח֙H6492PekahPekah8בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9רְמַלְיָ֔הוּH7425RemaliaRemaliah10וַיַּכֵּ֨הוּ֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound11וַיְמִיתֵ֔הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise12וַיִּמְלֹ֖ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely13תַּחְתָּ֑יוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with14בִּשְׁנַ֣תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)15עֶשְׂרִ֔יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)16לְיוֹתָ֖םH3147JothamJotham17בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18עֻזִיָּֽהH5818Uzzia, UziaUzziah
31Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van PekahH6492, en alH3605 wat hij gedaanH6213 heeft, zietH2009, dat is geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478.Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
KJVAnd the rest1of the acts2of Pekah,3and all that he did,6behold, they are written8in the book10of the chronicles11of the kings13of Israel.14
1וְיֶ֥תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵיH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3פֶ֖קַחH6492PekahPekah4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7הִנָּ֣םH2009ziet, ziebehold, lo, see8כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll11דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal14יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
32In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32In het tweedeH8147jaarH8141 van PekahH6492, den zoonH1121 van RemaliaH7425, den koning van IsraelH3478, werd JothamH3147 koning, de zoonH1121 van UzziaH5818, den koning van JudaH3063.In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
koningH4428
33Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33VijfH2568 en twintigH6242jarenH8141 was hij oudH1121, als hij koningH4427 werd, en regeerdeH4427zestienH8337jarenH8141 te JeruzalemH3389; en de naamH8034 zijner moederH517 was JerusaH3388, de dochterH1323 van ZadokH6659.Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
KJVFive3and twenty2years4old1was he when he began to reign,6and he reigned10sixteen7years9in Jerusalem.11And his mother's13name12was Jerusha,14the daughter15of Zadok.16
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2עֶשְׂרִ֨יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)3וְחָמֵ֤שׁH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)4שָׁנָה֙H8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5הָיָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use6בְמָלְכ֔וֹH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely7וְשֵׁשׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth8עֶשְׂרֵ֣הH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)9שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)10מָלַ֖ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely11בִּירוּשָׁלִָ֑םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem12וְשֵׁ֣םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report13אִמּ֔וֹH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting14יְרוּשָׁ֖אH3388JerusaJerusha, Jerushah15בַּתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village16צָדֽוֹקH6659Zadok, ZadoksZadok
34En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En hij deedH6213 dat rechtH3477 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; naar allesH3605, watH834 zijn vaderH1UzziaH5818 gedaan had, deed hij.En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
KJVAnd he did1that which was right2in the sight3of the LORD:4he did7according to all that his father9Uzziah8had done.10
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הַיָּשָׁ֖רH3477recht, oprechten, oprechteconvenient, equity, Jasher, just, meet(-est), [phrase] pleased well right(-eous), straight, (most) upright(-ly, -ness)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5כְּכֹ֧לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7עָשָׂ֛הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8עֻזִיָּ֥הוּH5818Uzzia, UziaUzziah9אָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'10עָשָֽׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
35Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35Alleenlijk werden de hoogtenH1116nietH3808weggenomenH5493; het volkH5971offerdeH2076 en rookteH6999nogH5750 op de hoogtenH1116; dezelveH1931bouwdeH1129 de hogeH5945poortH8179 aan het huisH1004 des HEERENH3068.Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
KJVHowbeit the high places2were not removed:4the people6sacrificed7and burned incense8still in the high places.9He built11the higher16gate13of the house14of the LORD.15
1רַ֤קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise2הַבָּמוֹת֙H1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave3לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4סָ֔רוּH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without5ע֗וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)6הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7מְזַבְּחִ֥יםH2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay8וּֽמְקַטְּרִ֖יםH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)9בַּבָּמ֑וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave10ה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11בָּנָ֛הH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13שַׁ֥עַרH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)14בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)16הָעֶלְיֽוֹןH5945Allerhoogste, Allerhoogsten, hoge(Most, on) high(-er, -est), upper(-most)
36Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van JothamH3147, en al watH834 hij gedaanH6213 heeft, is dat nietH3808geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van JudaH3063?Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
KJVNow the rest1of the acts2of Jotham,3and all that he did,5are they not written8in the book10of the chronicles11of the kings13of Judah?14
1וְיֶ֛תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3יוֹתָ֖םH3147JothamJotham4אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6הֲלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye8כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll11דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal14יְהוּדָֽהH3063JudaJudah
37In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37In dieH1992dagenH3117begonH2490 de HEEREH3068 in JudaH3063 te zendenH7971RezinH7526, den koningH4428 van SyrieH758, en PekahH6492, den zoonH1121 van RemaliaH7425.In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.
38En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38En JothamH3147ontsliepH7901metH5973 zijn vaderenH1, en werd begravenH6912bijH5973 zijn vaderenH1 in de stadH5892 van zijn vaderH1DavidH1732; en zijn zoonH1121AchazH271 werd koningH4427 in zijn plaatsH8478.En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
KJVAnd Jotham2slept1with his fathers,4and was buried5with his fathers7in the city8of David9his father:10and Ahaz12his son13reigned11in his stead.
1וַיִּשְׁכַּ֤בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay2יוֹתָם֙H3147JothamJotham3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אֲבֹתָ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וַיִּקָּבֵר֙H6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)6עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)7אֲבֹתָ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8בְּעִ֖ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town9דָּוִ֣דH1732David, DavidsDavid10אָבִ֑יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'11וַיִּמְלֹ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely12אָחָ֥זH271Achaz, Achaz'Ahaz13בְּנ֖וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Koningen 15:1— In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.2 Kronieken 26:3→2 Koningen 14:21→2 Kronieken 26:1→2 Koningen 15:13→2 Koningen 14:16→2 Koningen 15:30→2 Koningen 15:8→
2 Koningen 15:2— Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.2 Kronieken 26:3→
2 Koningen 15:3— En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.2 Koningen 14:3→2 Kronieken 26:4→2 Koningen 12:2→
2 Koningen 15:4— Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.1 Koningen 22:43→2 Koningen 14:4→2 Koningen 18:4→2 Kronieken 32:12→2 Koningen 12:3→2 Koningen 15:35→2 Kronieken 34:3→2 Kronieken 17:6→
2 Koningen 15:5— En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.Leviticus 13:46→Numeri 12:14→1 Koningen 3:28→Deuteronomium 24:8→Numeri 12:10→2 Koningen 7:3→2 Samuël 3:29→Job 34:19→
2 Koningen 15:6— Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?2 Kronieken 26:5→2 Koningen 14:18→
2 Koningen 15:7— En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.2 Kronieken 26:23→Jesaja 6:1→
2 Koningen 15:8— In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.2 Koningen 14:21→2 Koningen 14:16→2 Koningen 14:29→
2 Koningen 15:9— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.2 Koningen 10:31→2 Koningen 13:11→2 Koningen 13:2→2 Koningen 14:24→2 Koningen 10:29→
2 Koningen 15:10— En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.1 Koningen 16:9→2 Koningen 15:14→Amos 7:9→2 Koningen 9:31→Hosea 1:4→2 Koningen 15:30→2 Koningen 15:25→1 Koningen 15:28→
2 Koningen 15:11— Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.2 Koningen 14:28→
2 Koningen 15:12— Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.2 Koningen 10:30→2 Koningen 14:29→Zacharia 1:6→Johannes 10:35→2 Koningen 13:10→2 Koningen 9:36→Numeri 23:19→Handelingen 1:16→
2 Koningen 15:13— Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.2 Koningen 15:1→2 Koningen 15:8→1 Koningen 16:15→Job 20:15→Psalmen 55:23→Mattheüs 1:8→Spreuken 28:2→1 Koningen 16:24→
2 Koningen 15:14— Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.1 Koningen 14:17→1 Koningen 15:21→1 Koningen 16:8→1 Koningen 16:17→1 Koningen 16:15→1 Koningen 15:33→
2 Koningen 15:15— Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.1 Koningen 14:29→1 Koningen 22:39→1 Koningen 14:19→2 Koningen 15:11→
2 Koningen 15:16— Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.2 Koningen 8:12→Hosea 13:16→1 Koningen 4:24→Amos 1:13→
2 Koningen 15:19— Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.2 Koningen 14:5→1 Kronieken 5:25→Jeremia 17:5→2 Koningen 12:18→2 Koningen 18:16→2 Koningen 17:3→Jesaja 9:1→Hosea 8:9→
2 Koningen 15:20— Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.2 Koningen 17:3→2 Koningen 15:29→2 Koningen 18:14→Ruth 2:1→2 Samuël 19:32→Job 1:3→2 Koningen 23:35→
2 Koningen 15:23— In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.2 Koningen 21:19→Job 20:5→1 Koningen 22:51→1 Koningen 16:8→1 Koningen 15:25→
2 Koningen 15:24— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.2 Koningen 15:9→2 Koningen 15:18→
2 Koningen 15:25— En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.2 Kronieken 28:6→2 Koningen 9:14→1 Koningen 16:9→2 Koningen 9:5→2 Koningen 15:10→2 Koningen 15:27→
2 Koningen 15:27— In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.Jesaja 7:1→Jesaja 7:4→2 Koningen 15:23→2 Koningen 15:25→2 Koningen 15:13→2 Koningen 15:37→2 Kronieken 28:6→Jesaja 7:9→
2 Koningen 15:28— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.2 Koningen 13:6→2 Koningen 15:9→2 Koningen 13:2→2 Koningen 21:2→2 Koningen 15:18→
2 Koningen 15:29— In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.1 Kronieken 5:26→Jozua 20:7→2 Koningen 17:6→2 Koningen 16:7→1 Koningen 15:20→1 Kronieken 5:6→2 Kronieken 16:4→Jozua 19:37→
2 Koningen 15:30— En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.2 Koningen 17:1→2 Koningen 15:32→2 Kronieken 28:4→2 Koningen 16:1→Hosea 10:15→Hosea 10:3→2 Koningen 15:25→2 Kronieken 28:16→
2 Koningen 15:32— In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.2 Koningen 15:7→1 Kronieken 3:12→Mattheüs 1:9→2 Koningen 14:21→2 Koningen 15:23→2 Koningen 15:17→2 Koningen 15:1→2 Koningen 15:13→
2 Koningen 15:33— Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.2 Kronieken 27:1→
2 Koningen 15:34— En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.2 Kronieken 26:4→2 Koningen 15:3→2 Kronieken 27:2→
2 Koningen 15:35— Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.2 Koningen 12:3→2 Kronieken 23:20→2 Kronieken 27:3→2 Koningen 15:4→2 Koningen 18:4→2 Kronieken 32:12→
2 Koningen 15:36— Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?2 Koningen 15:6→2 Kronieken 27:4→
2 Koningen 15:37— In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.Jesaja 7:1→2 Koningen 16:5→Lukas 21:28→2 Kronieken 28:6→1 Samuël 3:12→2 Koningen 10:32→Deuteronomium 28:48→Jesaja 10:5→
2 Koningen 15:38— En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.2 Kronieken 28:1→1 Koningen 14:20→2 Koningen 16:1→1 Kronieken 3:13→Mattheüs 1:9→1 Koningen 14:31→2 Samuël 7:12→1 Koningen 1:2→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Koningen 15 vers 1— In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.
Jeróbeam,
Namelijk, des tweeden van dien naam, den zoon van Joas, boven, 2 Kon. 14:23.
Hertaald:Jeróbeam,
Namelijk: de tweede van die naam, de zoon van Joas, hierboven 2 Kon. 14:23.
werd koning
Te weten, om met volle macht als koning alleen te regeren. Anders was hij ook tevoren ettelijke jaren in enige regering geweest, of tenminste als koning gehouden. Zie boven, 2 Kon. 14:21.
Hertaald:werd koning
Namelijk: om met volledige macht als koning alleen te regeren. Want anders had hij ook al enkele jaren daarvoor deel aan het bestuur gehad, of werd hij op zijn minst als koning beschouwd. Zie hierboven 2 Kon. 14:21.
Azária,
Anders genaamd Uzzia, onder, vs.13, 30; 2 Kron. 26:1.
Hertaald:Azária,
Elders Uzzia genoemd, hieronder vers 13 en 30; 2 Kron. 26:1.
2 Koningen 15 vers 3— En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.
hij deed
Te weten, zolang als de profeet Zacharia leefde; 2 Kron. 26:5.
2 Koningen 15 vers 5— En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
plaagde den koning,
De oorzaak hiervan was, omdat hij door grote vermetelheid zich aantrok het ambt der priesters, gaande in den tempel om te roken, 2 Kron. 26:16.
Hertaald:plaagde den koning,
De oorzaak hiervan was dat hij zich in grote vermetelheid het priesterambt aanmatigde en de tempel binnenging om te reukofferen, 2 Kron. 26:16.
afgezonderd huis;
Hebreeuws, een huis der vrijheid; dat is, in een huis dat vrij, of afgezonderd was van andere huizen en alleen stond, naar het voorschrift der wet, die God van de melaatsen gegeven had; Lev. 13:46.
Hertaald:afgezonderd huis;
Hebreeuws: een huis van de vrijheid; dat is: in een huis dat vrij of afgezonderd was van andere huizen en op zichzelf stond, overeenkomstig het voorschrift van de wet die God over de melaatsen gegeven had; Lev. 13:46.
het huis,
Te weten, des konings; dat is, hij was als hofmeester, en had het opperste bevel over het gehele huis en hof des konings.
Hertaald:het huis,
Namelijk: van de koning; dat is: hij was als hofmeester en had het hoogste gezag over het hele huis en hof van de koning.
richtende
Dat is, regerende het gehele land, en opzicht hebbende over de bediening van het recht en de onderhouding van alle goede wetten. Vergelijk 2 Kron. 26:21.
Hertaald:richtende
Dat is: hij bestuurde het hele land en hield toezicht op de rechtspraak en op de naleving van alle goede wetten. Vergelijk 2 Kron. 26:21.
2 Koningen 15 vers 7— En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
bij zijn vaderen,
Dat is, wel in den akker, of het stuk velds, verordend tot der koningen begraving, maar wat bezijden af van hunne graven, om zijner melaatsheid wil, 2 Kron. 26:23.
Hertaald:bij zijn vaderen,
Dat is: wel op de akker of het stuk land dat voor de begrafenis van de koningen bestemd was, maar iets terzijde van hun graven, vanwege zijn melaatsheid, 2 Kron. 26:23.
2 Koningen 15 vers 10— En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
Sallum,
Een der oversten.
Hertaald:Sallum,
Een van de bevelhebbers.
voor het volk,
Dat is, in het openbaar; waaruit schijnt dat de daad van Sallum het volk niet mishaagde en dat Zacharia in den haat der gemeente was.
Hertaald:voor het volk,
Dat is: in het openbaar. Daaruit lijkt te blijken dat de daad van Sallum het volk niet mishaagde en dat Zacharia bij de gemeenschap gehaat was.
2 Koningen 15 vers 12— Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.
U zullen zonen
Zie boven, 2 Kon. 10:30, en de aantekening daarop.
Hertaald:U zullen zonen
Zie hierboven 2 Kon. 10:30 en de aantekening daar.
2 Koningen 15 vers 13— Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
Uzzia,
Matt. 1:9, genaamd Ozias. Anders, boven, 2 Kon. 14:21, en in vs.1, 6,7,8, Azaria.
Hertaald:Uzzia,
In Matth. 1:9 Ozias genoemd. Elders, hierboven 2 Kon. 14:21 en in vers 1, 6, 7 en 8, Azaria.
een volle maand
Hebreeuws, een maand der dagen; dat is, ene maand tijds, een volle en gehele maand, hebbende al haar dagen. Alzo Gen. 29:14. Zie de aantekening.
Hertaald:een volle maand
Hebreeuws: een maand van dagen; dat is: een maand tijds, een volle en hele maand met al haar dagen. Zo ook Gen. 29:14. Zie de aantekening daar.
2 Koningen 15 vers 14— Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
Thirza,
Zie 1 Kon. 14:17.
Hertaald:Thirza,
Zie 1 Kon. 14:17.
2 Koningen 15 vers 16— Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
Tifsah,
Zie van deze stad 1 Kon. 4:24.
Hertaald:Tifsah,
Zie over deze stad 1 Kon. 4:24.
had opengedaan,
Te weten, de poorten der stad, als hij op de reis was om Sallum te overvallen.
Hertaald:had opengedaan,
Namelijk: de poorten van de stad, toen hij onderweg was om Sallum te overvallen.
2 Koningen 15 vers 17— In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
en regeerde
Van dit ingevoegde, zie boven, 2 Kon. 13:1. Alzo onder, vs.23, 27.
Hertaald:en regeerde
Zie over deze ingevoegde woorden hierboven 2 Kon. 13:1. Zo ook hieronder vers 23 en 27.
2 Koningen 15 vers 19— Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
Pul,
Genoemd in de historiën, naar sommiger mening, Phulbelochus.
Hertaald:Pul,
In de geschiedschrijving volgens sommigen Phulbelochus genoemd.
duizend talenten
Zie van het gewicht eens talents Ex. 25:39.
Hertaald:duizend talenten
Zie over het gewicht van een talent Ex. 25:39.
opdat zijn hand
Dat is, om met deze som den vrede van de Assyriërs te kopen en zich in zijn koninkrijk te verzekeren.
Hertaald:opdat zijn hand
Dat is: om met deze som de vrede van de Assyriërs te kopen en zich in zijn koninkrijk te verzekeren.
2 Koningen 15 vers 20— Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
voor elk man
Dat is, om aanelken Assyrischen soldaat [zo enigen menen] zoveel te tellen. Zie van het gewicht des zilveren sikkels, Gen. 23:15. Anderen vertalen, van elk man; verstaande dit niet van de Assyriërs, die het geld ontvingen, maar van de geweldigen der Israëlieten, die het betalen moesten.
Hertaald:voor elk man
Dat is: om aan elke Assyrische soldaat [zoals sommigen menen] zoveel uit te betalen. Zie over het gewicht van de zilveren sikkel Gen. 23:15. Anderen vertalen: van elke man, waarbij zij dit niet betrekken op de Assyriërs die het geld ontvingen, maar op de vermogenden onder de Israëlieten die het moesten betalen.
2 Koningen 15 vers 25— En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
Argob
Die hem vergezelschapten, om zijn verraad te helpen uitvoeren; daartoe dienden ook de Gileadieten hier vermeld.
Hertaald:Argob
Die hem vergezelden om zijn verraad te helpen uitvoeren; daartoe dienden ook de hier genoemde Gileadieten.
Arje,
Het Hebreeuwse woord betekent die leeuw, gelijk het ook van sommigen zo overgezet wordt, menende dat een zeker persoon alzo is toegenaamd geweest.
Hertaald:Arje,
Het Hebreeuwse woord betekent: die leeuw, zoals sommigen het ook vertalen, in de veronderstelling dat een bepaalde persoon zo bijgenaamd was.
2 Koningen 15 vers 29— In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.
Tiglath-pilézer,
Ook genaamd Tillgat-Pilneser, 2 Kron. 28:20, in de wereldse historiën Phulaser, de zoon van Phulbelochus; van denwelken, zie boven, vs.19.
Hertaald:Tiglath-pilézer,
Ook Tilgath-Pilneser genoemd, 2 Kron. 28:20; in de wereldlijke geschiedschrijving Phulaser, de zoon van Phulbelochus, over wie hierboven vers 19 te raadplegen is.
Ijon in,
Zie van deze stad en de naastvolgende 1 Kon. 15:20.
Hertaald:Ijon in,
Zie over deze stad en de daarna genoemde 1 Kon. 15:20.
Janóah,
Een stad, gelegen in de oostpale van den stam van Efraïm bij de Jordaan. Zie van deze Joz. 16:6.
Hertaald:Janóah,
Een stad aan de oostgrens van de stam Efraïm, bij de Jordaan. Zie hierover Joz. 16:6.
Kedes,
Zie van deze stad Richt. 4:6.
Hertaald:Kedes,
Zie over deze stad Richt. 4:6.
Hazor,
Eertijds een vermaarde koninklijke hoofdstad, Joz. 11:10, daarna den stam van Nafthali ten erfdeel gevallen, Joz. 19:36.
Hertaald:Hazor,
Vroeger een vermaarde koninklijke hoofdstad, Joz. 11:10, die later als erfdeel aan de stam Naftali toeviel, Joz. 19:36.
Gilead,
Zie Gen. 31:21.
Hertaald:Gilead,
Zie Gen. 31:21.
Galiléa,
Zie 1 Kon. 9:11.
Hertaald:Galiléa,
Zie 1 Kon. 9:11.
voerde hen
Namelijk, de inwoners der voorgenoemde landen en steden.
Hertaald:voerde hen
Namelijk: de inwoners van de zojuist genoemde landen en steden.
2 Koningen 15 vers 30— En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
in het twintigste jaar
Dat is, na twintig jaren van het begin der regering van Jotham; hetwelk is geweest het vierde jaar der regering van Achaz, overmits Jotham maar zestien jaren regeerde, onder, vs.33. Anderen menen dat Jotham enige jaren tevoren met zijn vader, uit oorzaak van zijn melaatsheid, gemeen zijn geweest, die hem hier bij de zestien jaren zijner regering zouden toegevoegd zijn.
Hertaald:in het twintigste jaar
Dat is: twintig jaar na het begin van de regering van Jotham; dat was het vierde jaar van de regering van Achaz, aangezien Jotham maar zestien jaar regeerde, hieronder vers 33. Anderen menen dat Jotham enkele jaren daarvoor samen met zijn vader geregeerd heeft vanwege diens melaatsheid, en dat die jaren hier bij de zestien jaar van zijn regering opgeteld zijn.
2 Koningen 15 vers 33— Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
Vijf en twintig jaren
Hebreeuws, een zoon van vijf en twintig jaar.
Hertaald:Vijf en twintig jaren
Hebreeuws: een zoon van vijfentwintig jaar.
2 Koningen 15 vers 35— Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
Alleenlijk
Vergelijk 2 Kron. 27:2, en de aantekening.
Hertaald:Alleenlijk
Vergelijk 2 Kron. 27:2 en de aantekening daar.
hoge poort
Anders genaamd de poort Sur, en de poort des fondaments. Zie boven, 2 Kon. 11:6, en 2 Kron. 23:5, en de aantekening daarop.
Hertaald:hoge poort
Elders de poort Sur genoemd, en de poort van het fundament. Zie hierboven 2 Kon. 11:6, en 2 Kron. 23:5 en de aantekening daar.
2 Koningen 15 vers 37— In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.
In die dagen
Omtrent het einde van de regering van Jotham.
Hertaald:In die dagen
Tegen het einde van de regering van Jotham.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Amazia — de HEERE is sterkte
Zoon van Joas en Joaddan, en diens opvolger als koning van Juda. Hij versloeg de Edomieten in het Zoutdal, maar daagde daarna, tegen goede raad in, Joas van Israël uit tot een oorlog, waarin hij verslagen en gevangengenomen werd; Jeruzalems muur werd toen deels afgebroken. Na Joas' dood leefde hij nog vijftien jaren, totdat een samenzwering hem deed vluchten naar Lachis, waar hij gedood werd (2 Kon. 12:21; 14:1-20).
Jerobeam (zoon van Joas) — het volk vermeerdert zich
Zoon van Joas, koning van Israël, eenenveertig jaren regerend; ook bekend als Jerobeam II. Hij herstelde de grenzen van Israël, naar het woord dat de HEERE door de profeet Jona had gesproken, en bracht het rijk tot grote welvaart, al bleef hij in de zonden van Jerobeam I wandelen (2 Kon. 14:23-29). Niet te verwarren met Jerobeam, de zoon van Nebat, de eerste koning van Israël.
Azaria (Uzzia) — de HEERE helpt
Zoon van Amazia en Jecholia; koning van Juda, die tweeënvijftig jaren regeerde en deed wat recht was in de ogen des HEEREN; elders Uzzia genoemd. Wegens melaatsheid, waarmee de HEERE hem plaagde, woonde hij afgezonderd, terwijl zijn zoon Jotham het bestuur waarnam (2 Kon. 15:1-7).
Jecholia — de HEERE vermag
Van Jeruzalem; moeder van koning Azaria (Uzzia) van Juda (2 Kon. 15:2).
Zacharia (zoon van Jerobeam) — de HEERE gedenkt
Zoon van Jerobeam II en diens opvolger als koning van Israël; hij regeerde slechts zes maanden en werd door Sallum vermoord, waarmee het woord vervuld werd dat de HEERE tot Jehu gesproken had over vier generaties op zijn troon (2 Kon. 15:8-12).
Sallum — vergolden
Zoon van Jabes; hij vermoordde koning Zacharia en regeerde zelf slechts een volle maand te Samaria, voordat hij op zijn beurt door Menahem gedood werd (2 Kon. 15:10-15).
Menahem — trooster
Zoon van Gadi; hij doodde Sallum en werd koning van Israël, tien jaren regerend. Hij handelde met wrede hardheid tegen Tifsah en betaalde de koning van Assyrië, Pul, een grote schatting om zijn koningschap te bevestigen (2 Kon. 15:14-22).
Pul — betekenis onzeker
Koning van Assyrië, aan wie Menahem duizend talenten zilvers betaalde om zijn steun voor het koningschap te verkrijgen (2 Kon. 15:19); waarschijnlijk dezelfde vorst als Tiglath-Pilezer.
Pekahia — de HEERE heeft geopend
Zoon van Menahem en diens opvolger als koning van Israël; hij regeerde twee jaren en werd door zijn hoofdman Pekah in het paleis vermoord (2 Kon. 15:23-26).
Pekah — geopend
Zoon van Remalia, hoofdman van koning Pekahia, dien hij vermoordde om zelf koning van Israël te worden; hij regeerde twintig jaren. Onder zijn bewind veroverde Tiglath-Pilezer van Assyrië grote delen van Israël en voerde de bevolking weg; Pekah werd uiteindelijk door Hosea vermoord (2 Kon. 15:27-31).
Koning van Assyrië, die in de dagen van Pekah delen van Israël (Gilead, Galilea, Nafthali) veroverde en de bevolking in ballingschap voerde (2 Kon. 15:29); waarschijnlijk dezelfde vorst die elders Pul genoemd wordt.
Hosea (zoon van Ela) — heil, redding
Zoon van Ela; hij maakte een samenzwering tegen Pekah, doodde hem en werd de laatste koning van Israël (2 Kon. 15:30); zijn regering en de val van Samaria worden verder beschreven in 2 Kon. 17.
Jotham — de HEERE is volkomen
Zoon van Azaria (Uzzia) en Jerusa; hij nam als regent het bestuur waar tijdens de melaatsheid van zijn vader, en werd na diens dood zelf koning van Juda, zestien jaren regerend. Hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN en bouwde de hoge poort van de tempel (2 Kon. 15:5, 32-36).
Jerusa — bezeten, in bezit genomen (onzeker)
Dochter van Zadok; moeder van koning Jotham van Juda (2 Kon. 15:33).
Rezin — vorst, heerser
Koning van Syrië, die samen met Pekah van Israël tegen Juda optrok in de dagen van Jotham en Achaz (2 Kon. 15:37); niet te verwarren met Rezon, de tegenstander van Salomo.
Jehu — de HEERE is Hij
Zoon van Josafat, zoon van Nimsi, legerhoofdman van Israël. Op last van Elisa werd hij door een profetenzoon tot koning over Israël gezalfd, met de opdracht het huis van Achab uit te roeien. Hij doodde koning Joram op het stuk land van Naboth, liet Izebel uit het venster werpen, roeide het gehele huis van Achab uit en vernietigde de dienst van Baäl in Israël, al week hij niet af van de gouden kalveren van Jerobeam (2 Kon. 9-10). Niet te verwarren met de profeet Jehu, de zoon van Hanani.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De koning in een afgezonderd huis (Uzzia) — over de langst regerende koning van Juda staat een kort en zwaar woord: "En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis" (2 Kon. 15:5)
Azaria, ook Uzzia genoemd, wordt op zijn zestiende koning en regeert tweeënvijftig jaar te Jeruzalem (2 Kon. 15:1-2). Hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, met dezelfde beperking als zijn vaderen: de hoogten werden niet weggenomen (2 Kon. 15:3-4). Dan volgt in één vers de omslag. De HEERE sloeg hem met melaatsheid tot aan zijn dood, zodat hij in een afgezonderd huis woonde, terwijl zijn zoon Jotham over het huis was en het volk richtte (2 Kon. 15:5). De koningsboeken noemen de aanleiding niet; de kroniekschrijver wel. Toen Uzzia sterk geworden was, verhief zich zijn hart, en hij ging de tempel binnen om op het reukaltaar te roken, wat alleen de priesters toekwam; daar sloeg de melaatsheid uit op zijn voorhoofd (2 Kron. 26:16,19,21).
Bijbelse betekenis: Een leven van tweeënvijftig jaar wordt hier in twee regels beoordeeld, en de val komt niet in de zwakke maar in de sterke tijd. Juist toen hij sterk geworden was, meende hij ook het priesterambt te kunnen naderen. Het onderscheid tussen koning en priester was niet bijkomstig maar door God gesteld, en het overschrijden ervan bleek geen vormfout maar aanmatiging. Melaatsheid zonderde hem daarna af van precies het huis dat hij binnengedrongen was (melaatsheid reeds behandeld bij Melaatsheid, Lev. 13). Het pijnlijkste staat er terloops: hij bleef koning, maar regeerde de rest van zijn leven vanuit een afgezonderd huis, en zijn zoon deed het werk.
Typologie: In het sterfjaar van deze koning kreeg Jesaja zijn roepingsvisioen: "In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon" (Jes. 6:1). De aardse troon liep uit op een afgezonderd huis; de hemelse troon bleef bezet. En in Christus komen koning en priester wél in één Persoon samen, niet door aanmatiging maar door Gods eigen aanstelling.
X. Vs. 1-7.KruisverwijzingenLeviticus 13:46→2 Kronieken 26:3→2 Koningen 14:21→2 Kronieken 26:1→2 Koningen 15:13→Numeri 12:14→2 Kronieken 26:23→2 Koningen 14:16→ — In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda. Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem. En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had. Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands. Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. Evenals het rijk van Israël onder zijn 13de koning Jerobeam II een tijd van uiterlijke heerlijkheid geniet van een hoogte en een duur, als nooit te voren, om daarna een des te dieper val, ja de gehele ondergang tegemoet te gaan ( 14: 23vv.), zo verheft zich ook het rijk van Juda onder de in Jerobeams 15de regeringsjaar tot de troon gestegen tiende heerser Azaria of, zoals hij elders genoemd wordt, Uzzia van zijn zware nederlaag die het onder Amazia geleden had, tot grote macht en welvaart; want Azaria doet wat de Heere welgevallig is, en zo lang hij de Heere zoekt, laat de Heere hem alles gelukken. Maar ons bericht houdt zich bij deze uiterlijke bloei niet lang op, en vertelt in het algemeen zo goed als niets van Uzzia’s roemrijke werken, het haast zich om mee te delen, hoe hij, tot straf voor zijn hoogmoed in de latere tijd van zijn bestuur, melaats en voor de regering onbekwaam wordt. Daaruit zien wij, dat de uitwendige glans van zijn rijk, niet minder de kiem van het verderf in zich droeg, als die van het rijk van Israël, maar in Juda volgde op Uzzia nogmaals een goed koning, en de bloeitijd hield langer stand dan die van het rijk van de Tien stammen (Vergelijk 2 Kronieken 26: 3-23).
Kruisverwijzingen2 Kronieken 26:3→2 Koningen 14:21→2 Kronieken 26:1→2 Koningen 15:13→2 Koningen 14:16→2 Koningen 15:30→2 Koningen 15:8→— In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.
In het zevenentwintigste (lees: in het vijftiende) 1) jaar van Jerobeam, de koning van Israël ( 14: 23vv.), werd koning, Azaria of Uzzia 2) de zoon van Amazia, de koning van Juda.
De opgave van de grondtekst berust duidelijk op een schrijffout omdat toch, volgens 14: 17 Amazia de Israëlitische koning Joas ongeveer 15 jaar overleefd heeft, en dus reeds in het 15de jaar van Jerobeam II is gedood.
Amazia overleefde Joas van Israël nog 15 jaar, daarom stierf hij in het 15de jaar van Jerobeam II. Indien Uzzia dus in het zevenentwintigste jaar van Jerobeam koning was geworden, zou er een regeringloosheid van twaalf jaar zijn geweest. Dit komt echter niet uit en wordt ook door niets bevestigd, terwijl integendeel in 14: 21 wordt gezegd, dat terstond na Amazia’s dood, Uzzia koning werd. Wij hebben dan ook hier aan een fout bij de afschrijver te denken, door verwisseling van de tekens wij (15) met (27), wat natuurlijk gemakkelijk kon.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 26:3→— Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
In de boeken der Kronieken (behalve in 1 Kronieken 3: 12), zowel als bij de profeten Amos, Hosea en Jesaja, wordt hij bestendig Uzzia genoemd. Men heeft gemeend, dat hij deze naam bij zijn troonsbestijging heeft aangenomen, terwijl hij als koninklijk prins Azaria heette, evenals Joahaz, de zoon van Joram, de vijfde koning van Juda, later Ahazia heette (2 Kronieken 21: 17; 22: 1 2 Koningen 8: 24vv.). Beide namen, waarvan de eerste betekent: “wie de Heere tot hulp is,” de andere: “wiens sterkte de Heere is,” worden echter ook bij andere personen afwisselend gebruikt, zoals b.v. bij een nakomeling van Kahath (1 Kronieken 6: 24, 36) en iets dergelijks bij een nakomeling van Haman (1 Kronieken 25: 4 en 18) Uzziël en Azareël; daarom is de bijna gelijke betekenis zeker de oorzaak van de dubbele naamaanduiding en kan moeilijk in verband staan tot de troonsbestijging of enige andere gebeurtenis in de regeringsgeschiedenis van de koning.
Kruisverwijzingen2 Koningen 14:3→2 Kronieken 26:4→2 Koningen 12:2→— En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.
En hij, Azaria, deed wat recht was in de ogen van de HEERE, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had. Ook hij werd, na een aanvankelijk goed en theocratisch bestuur, 1) later de Heere ontrouw, en liet zich door een gelukkige uitslag, waarmee zijn ondernemingen gekroond werden, tot overmoed verleiden.
Naar 2 Kronieken 26: 5 zocht Uzzia God, zo lang Zacharia leefde, een profeet die wel te onderscheiden is van de elfde onder de kleine profeten, in de verborgenheden van de Heere was ingewijd, en misschien de grootvader of overgrootvader van koning Hizkia van moederskant was (2 Koningen 18: 2; 2 Kronieken 29: 1). Zo lang hij nu de Heere zocht, liet God ook zijn ondernemingen slagen; niet slechts bracht hij, zoals reeds in 14: 22 gezegd is, Edom al dadelijk onder zijn macht, en versterkte hij Elath opnieuw, maar hij was ook gelukkig in zijn oorlogen tegen de Ammonieten, Filistijnen, Arabieren en andere volken, voorzag Jeruzalem van nieuwe muren en bolwerken, bouwde burchten en wachttorens in de woestijn, zorgde voor een deugdelijk leger en bouwde in de hoofdstad grote werpmachines, om daaruit pijlen en stenen op belegerende legers te kunnen afschieten. Bovendien bevorderde hij in de vredestijd akker- en wijnbouw en veeteelt, zodat het onder Amazia uitgeputte land onder zijn regering weer bloeide en zich in grote welvaart verheugde, welk uiterlijk geluk echter, volgens de schilderingen van de destijds levende profeten ook een bron van verderf werd, omdat het volk tot aardse, vleselijke zin en hoogmoed verviel. Ja, Uzzia zelf verviel tot hoogmoed en trachtte de hogepriesterlijke waardigheid met de koninklijke te verbinden; als straf daarvoor sloeg de Heere hem, zoals wij in het volgende vers horen, met melaatsheid. Evenals over Jerobeam II, is ook over Azaria of Uzzia het bericht in de Boeken der Koningen boven verwachting kort, en beperkt het zich tot een algemene karakterschets van zijn regering; het is dus noodzakelijk, dat de lezer zich een nauwkeuriger beeld daarvan vorme uit de uitvoerige mededelingen der Kronieken en uit de profetische schriften. Uit dit laatste blijkt, dat de welvaart van het volk tot weelde ontaardde en de nog plaatshebbende dienst van de HEERE tot huichelarij maakte; dat is ongetwijfeld de oorzaak, waarom de schrijver van het Boek der Koningen zo snel over al de uiterlijke glans van Uzzia’s regering is heengelopen.
KruisverwijzingenLeviticus 13:46→Numeri 12:14→1 Koningen 3:28→Deuteronomium 24:8→Numeri 12:10→2 Koningen 7:3→2 Samuël 3:29→Job 34:19→— En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
En de HEERE plaagde, 1) sloeg de koning toen hij, het ambt van priester zich aanmatigende, in de tempel ging, om op het altaar te roken (2 Kronieken 26), dat hij melaats
werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde gedurende deze laatste jaren van zijn regering in een afgezonderd huis, buiten de eigenlijke stad, zoals voormelaatsen in de wet was bevolen (Leviticus 13: 46); maar Jotham, de zoon van de koning, en diens latere troonopvolger (vs. 32vv.) was over het huis, bestuurde in plaats van zijn vader het koninklijke huis, richtende het volk van het land.
Een ieder blijve in de roeping, waarin hij geroepen is, en houde zich binnen de perken, die God aan zijn stand heeft gezet. Gods instellingen laten zich niet ongestraft verachten. God tuchtigt ook de groten in deze wereld met zwaar lijden, om hen hun nietigheid te herinneren en hen te verootmoedigen. Wanneer dit plaatsvond is niet nader aan te geven. De mening van sommigen, dat hij 25 jaar lang is ziek geweest is echter te verwerpen, omdat Jotham zijn plaatsvervanger en deze laatste 25 jaar oud was, toen hij koning werd. Om daarom het ambt van plaatsvervanger te verrichten, moest hij minstens 15 à 20 jaar oud zijn. In dit geval zou Uzzia 5 à 10 jaar melaats zijn geweest.
Ofschoon wij mogen denken, dat hij berouw had en God hem zijn zonden vergeven heeft, nochtans werd hij tot waarschuwing voor anderen, gedurende zijn gehele leeftijd onder dat teken van Gods misnoegen gehouden, hetgeen misschien ook goed en nuttig was voor zijn eigen ziel.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 26:23→Jesaja 6:1→— En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
En Azaria1) ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; maar omdat hij aan de melaatsheid gestorven was, niet in de koninklijke erf-begraafplaats (1Ki 2: 10), maar, om deze niet te verontreinigen, in de aarde naast deze (2 (Kronieken 26: 23); en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats, nadat hij tot dusver reeds het ambt van plaatsvervangend regent van het rijk had bekleed.
In het doodsjaar van Uzzia (758 v. Chr.), werd Jesaja (eigenlijk Jeschajahoe, d.i. Heil van de HEERE), zoon van een zekere Amos, die de overlevering voor een broeder van koning Amazia ( 14: 1vv.) verklaart, tot het profetenambt geroepen (Jes. 6: 1vv.). Even onbewezen als de sage is, dat hij een nakomeling uit het koninklijk huis van David geweest is, is de andere, die hem tot opvoeder van de jonge prins Hizkia maakt en hem onder diens regering het ambt van Rijksgeschiedschrijver (2 Kronieken 26: 22; 32: 32) laat bekleden. Wel maken zijn wezen en zijn verschijning een volstrekt koninklijke indruk, zodat hij met het volste recht de koning van de profeten genoemd wordt; met koningen spreekt hij als een koning, met majesteit treedt hij de groten van zijn volk tegemoet en steeds bewijst hij zich meester van zijn onderwerp en van de taal. Maar dat koninklijk karakter komt uit iets anders dan uit koninklijk bloed voort, en slechts zoveel laat zich met zekerheid van hem zeggen, dat hij een geboren Jeruzalemmer was. In het midden van de 1500 jaren, dat het verbond van de wet duurde, tussen Mozes en Christus in, werkt Jesaja in het zo gewichtig keerpunt in de geschiedenis van Gods volk, toen dit, in de strijd van het oostelijke wereldrijk Assyrië met het westelijke of Egypte om het bezit van de wereldheerschappij, medegewikkeld, zijn vernietiging tegemoet ging. Toen had de profetie het dubbele doel, om in de aanstaande schijnbare zegepraal van de heidense goden een openbaring aan te wijzen van de straffende gerechtigheid van de HEERE tegen Zijn volk, en om het het herstel van de theocratie uit de puinhopen van het verwoeste rijk tot troost van de gelovigen aan te kondigen. Overeenkomstig dit dubbele doel valt bij Jesaja nog meer dan bij andere profeten de afwisseling in het oog, dat hij onder de beste regeringen de ernstigste dreigingen, en in de tijd van de allerslechtste koning, van Achaz, daarentegen de vertroostendste beloften vermeldt. Nadat het 15de jaar van Hizkia (712 v. Chr.) om was, heeft de profeet, naar het schijnt, zich niet meer met de openbare zaken beziggehouden, maar hij leefde, naar ene geloofwaardige overlevering, nog tot aan het begin van Manasse’s regering (698 tot 643 v. Chr.), toen hij als slachtoffer van het heidendom, dat toen weer heersende godsdienst geworden was, gevallen zou zijn. Wat de Talmud vertelt omtrent de wijze, waarop hij de dood vond, klinkt zeker fabelachtig. Toen Manasse de woorden van de bestraffende rede van Jesaja vernomen had-zo luidt een aantekening bij 21: 16 -werd hij met toorn tegen hem vervuld, zijn gerechtsdienaars liepen de profeet na om hem te grijpen, en hij ontvluchtte hen. Toen vertoonde zich een Johannes-broodboom, waarin hij zich verborg; maar er kwamen timmerlieden, die de boom doorzaagden, zodat Jesaja’s bloed eruit vloeide. Omdat intussen doorzagen een de Israëlieten niet onbekende wreedheid was (2 Samuel 12: 31; 1 Kronieken 20: 3 20.3) en in Hebr. 11: 37 ook van zulke bloedgetuigen sprake is, die in stukken gezaagd zijn, lijdt het wel geen twijfel, dat Manasse werkelijk Jesaja liet doorzagen. Daaruit volgt, dat hij de leeftijd van minstens 85 jaar bereikt moet hebben, en nog heden wijst men ten zuiden van de vijver van Siloa (2 Samuel 17: 17″ en “1Ki 7: 26) een moerbeiboom aan op de plaats, waar de wrede daad gebeurd zou zijn. Overigens wordt geen profeet zo dikwijls in het Nieuwe Testament aangehaald.
Lees dus zijn profetieën met de bede van de vrome Abt Aelredus van Rieval (gestorven 1166 na Chr.): “Gij die de heilige Jesaja hebt ingegeven te schrijven, geef, ik bid het U, geef mij te verstaan, wat hij geschreven heeft, nadat Gij mij reeds gegeven hebt te geloven; want wanneer wij niet vooraf het geloof hebben, zullen wij het ook niet verstaan.”. *XIV. Vs. 8-12. Wat de Heere niet slechts aan Jehu toegezegd, maar ook later onder Jerobeam II door de profeet Hosea ( 1: 4) bevestigd had, dat wordt in Zacharia vervuld, die 11 jaar na zijn vaders dood hem in de heerschappij over het rijk van Israël opvolgt; want reeds na 6 maanden wordt hij door Sallum voor aller oog gedood. Maar met hem wordt ook het andere woord in dezelfde profetische uitspraak vervuld, dat aan het koninkrijk van het huis van Israël een einde gemaakt zal worden; want zijn opvolgers zijn niet zozeer koningen als wel rovers en tirannen, die de naam van koningen onwaardig zijn, die de door misdaad verkregen en door misdaad gehandhaafde heerschappij ook door misdaad weer verliezen.
Kruisverwijzingen2 Koningen 14:21→2 Koningen 14:16→2 Koningen 14:29→— In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.
In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, d.i. in het jaar 772 voor Chr., nadat sinds de dood van de vorige koning een tijdruimte van 11 jaar in anarchie of regeringloosheid was vervlogen, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam ( 14: 23-29) over Israël te Samaria, maar niet langer dan zes maanden. 1)
God had het volk van Israël beproefd, beide door oordelen en door weldaden, en de roepende stem, die daarin moest opgemerkt worden, verklaard en aangedrongen door Zijn knechten, de Profeten. Maar zij bleven desalniettemin hardnekkig en onverbeterlijk en daarom bracht God rechtvaardiglijk deze vloek over hen, dat er telken reize mededingers naar de oppermacht waren, en dat de vorsten doorgaans welhaast weggerukt en anderen uit andere geslachten in hun plaats kwamen; welke veranderingen doorgaans verstrekken tot verergering en verzwakking van een staat, en dikwijls vergezeld geen met burgerlijke beroerten, met verwisseling en omkering van de wetten, met zware schatting en lasten, met de ondergang van vele geslachten en met vele andere onheilen. Immers, nu werd het de tijd van Israël’s ellende, en oordeel volgde op oordeel, totdat zij verdelgd waren.
Kruisverwijzingen1 Koningen 16:9→2 Koningen 15:14→Amos 7:9→2 Koningen 9:31→Hosea 1:4→2 Koningen 15:30→2 Koningen 15:25→1 Koningen 15:28→— En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
En Sallum (d.i. de Vergoldene-wie vergolden wordt (Jer. 22: 11), de zoon van zekere Jabes, maakte, toen Zacharia nog slechts een half jaar geregeerd had, een verbintenis tegen hem en sloeg hem, heel onbeschaamd voor het aangezicht van al het volk, en doodde hem 1) dus openlijk, terwijl vroegere samenzweringen op z’n minst in een meer beperkter kring van vertrouwelingen tot uitvoering waren gekomen (1 (Koningen 15: 27; 16: 9); en hij werd koning in zijn plaats.2)
Door de profeet Hosea ( 1: 4) wordt gezegd: Ik zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden. Terecht heeft daarom Witsius gezegd, dat met Zacharia in de grond van de zaak het koningschap in Israël heeft opgehouden. “Want,” zegt hij, “de opvolgers van Zacharia waren niet zozeer koningen als wel dieven, straatrovers en moordenaars, de doorluchtige naam van koning onwaardig.”.
Het is een teken van algemeen zedelijk verval, wanneer onder een volk, of in een stad, of in een dorp zonden en ongerechtigheden, die anders het duister van de nacht en het verborgen zoeken, openlijk, zonder afschuw, ontzetting en tegenstand op te wekken, gepleegd worden.
De jaren, die nu volgen, zijn allen jaren van ellende voor Israël geweest, jaren, die voorspelden, dat de ondergang van het rijk van de Tien stammen vast besloten was. Innerlijk geteisterd door opstand en beroering, uiterlijk bedreigd en verdrukt door de macht van Assyrië ging het Rijk van Israël met snelle schreden zijn ondergang tegemoet. De koningen, die Israël nu regeren, zijn geen rechtmatige koningen meer, maar langs de weg van ruw geweld en moord op de troon gekomen. Israël had niet willen wandelen in de rechten en instellingen van de Heere God, en nu, God heeft veel geduld, omdat Hij eeuwig is, maar eindelijk komt ook aan Zijn lankmoedigheid een einde. En met de dood van Zacharia was feitelijk het begin van het einde gekomen.
Kruisverwijzingen2 Koningen 10:30→2 Koningen 14:29→Zacharia 1:6→Johannes 10:35→2 Koningen 13:10→2 Koningen 9:36→Numeri 23:19→Handelingen 1:16→— Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.
Dit, dat reeds deze vierde nakomeling van Jehu vroegtijdig zo’n gewelddadige dood moest vinden, was vervulling van het woord van de HEERE, dat Hij vroeger ( 10: 30) gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde lid op de troon van Israël zitten; 1)en het is alzo juist gebeurd, als voorzegd was, zodat Jehu’s dynastie op de bepaalde tijd eindigde, terwijl het toch zo makkelijk anders had kunnen uitkomen, indien niet juist Gods raadsbesluit een vroeger einde verhinderd, en een later onmogelijk gemaakt had.
Dit was tevens een feitelijke bevestiging van de verklaring van de HEERE, dat Hij de zonden van de vaderen zou bezoeken aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht (Exodus 20: 5; 34: 7 Deuteronomium 5: 9), d.i. dat Hij de zonden tegen het eerste en hoogste gebod: “Gij zult geen goden voor Mijn aangezicht hebben, en gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, tegen dit fundament van het verbond en het middelpunt van het Israëlitische (hetgeen voornamelijk ook “de Jerobeamszonde” was) bij geen stamhuis langer dan tot aan het derde of vierde lid dulden, en wanneer ook dan nog geen verandering kwam, het verdelgen zou. Geen koninklijk huis in Israël, dat aan de zonde van Jerobeam of de afgoderij was overgegeven, bestond langer dan tot aan het derde of vierde lid. Het huis van Jerobeam ging, zoals dat van Baësa en Menahem, met het eerste lid onder, het huis van Omri met het derde, en het huis van Jehu met het vierde, Zimri, Sallum, Pekah en Hosea stierven zonder opvolgers, terwijl het huis van David, waarin de afval, al werd ook een koning ontrouw, toch nooit op een verder lid overging, onafgebroken op de troon bleef.
XV. Vs. 13-16.Kruisverwijzingen2 Koningen 8:12→1 Koningen 14:17→2 Koningen 15:1→Hosea 13:16→1 Koningen 4:24→2 Koningen 15:8→1 Koningen 16:15→Job 20:15→ — Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel. Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken. Slechts één maand lang kan Sallum zich op de troon handhaven; toen trekt zijn veldoverste Menahem, die in Thirza met het leger is gelegerd, van daar weer op en slaat hem te Samaria, om daarna de ontworpen veldtocht tegen Thapsakus uit te voeren. Hij neemt de stad in, en behandelt de inwoners op gruwelijke wijze, omdat hij alle zwangere vrouwen het lichaam laat opensnijden.
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:1→2 Koningen 15:8→1 Koningen 16:15→Job 20:15→Psalmen 55:23→Mattheüs 1:8→Spreuken 28:2→1 Koningen 16:24→— Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda (771 voor Chr.); en hij regeerde niet langer dan een volle maand te Samaria.
Kruisverwijzingen1 Koningen 14:17→1 Koningen 15:21→1 Koningen 16:8→1 Koningen 16:17→1 Koningen 16:15→1 Koningen 15:33→— Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
Want Zacharia’s krijgsoverste Menahem, de zoon van Gadi, trok, toen hij van de troonsverwisseling (vs. 19) gehoord had, met een deel van zijn troepen op van Thirza, de voormalige residentie van de Israëlitische koningen (1 (Koningen 12: 25), waarin hij juist met het gehele leger legerde, om tegen de van Israël afgevallen stad Tiphsa of Thapsakus, aan de westelijke oever van de Eufraat (2 Samuel 8: 6) op te trekken, en hij kwam te Samaria om de troon voor zichzelf te verkrijgen, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 1)
Een troon, die met zonden gebouwd is, houdt geen storm uit. Sallum, de koning van één maand, was door niets merkwaardig dan dat hij vermoordde en vermoord werd. Hieruit blijkt genoeg in welke toestand land en volk zich bevonden.
Kruisverwijzingen2 Koningen 8:12→Hosea 13:16→1 Koningen 4:24→Amos 1:13→— Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
Toen, 1)nadat hij de koninklijke waardigheid aan zich gebracht had, sloeg Menahem, thans weer tot de geschorste veldtocht (vs. 14) terugkerend, Tifsah, 2) met allen, die daarin waren, ook haar gebied, de stad met al haar inwoners en haar gehele gebied, van Thirza af, zijn voormalige standplaats, waar hij het voornaamste deel van het leger had achtergelaten; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken; tot vergelding voor de hardnekkige tegenstand, die de goed versterkte stad hem bood, sneed hij na de inneming haar het lijf open (2 (Koningen 8: 12 (Hos. 14: 1 Amos 1: 13).
Toen Jerobeam II de grenzen van het rijk in het noordoosten herstelde, zoals het onder Salomo geweest was ( 14: 25), was ook Thapsakus, dat waarschijnlijk in de nabijheid van het tegenwoordige Rakka bij de ondiepte El Hamman gezocht moet worden, weer aan Israël gekomen (1 Koningen 4: 24); maar gedurende de Anarchie, door Jerobeams dood (2Ki 14:
, had die stad zich losgescheurd, totdat Zacharia aan de regering kwam en zijn krijgsoverste Menahem opdroeg om haar voor haar afval te tuchtigen en onder zijn macht terug te brengen. Op de tocht daarheen, toen hij in Thirza het leger had samengebracht, hoort Menahem van Zacharia’s moord door Sallum, werpt deze met een legerafdeling van de troon, maakt zichzelf koning en voltooit nu pas de begonnen onderneming. Dit eerste werk van zijn regering wordt hier bij de geschiedenis van Sallum verteld, juist zoals hiervoor in 14: 22 de versterking van Elath door Azaria of Uzzia nog bij de geschiedenis van zijn vader Amazia is vermeld.
Tifsah lag aan de westelijke oever van de Eufraat en volgens Movers aan de grote handelsweg van Egypte, Phoenicië en Syrië naar Mesopotamië en de Midden-Aziatische rijken. Deze vesting, die zeer sterk was, was dus van grote betekenis voor het rijk van Israël.
*XVI. Vs. 17-22. Mehahem is nog niet tot rust gekomen na zijn door koningsmoord en wreedheid verkregen heerschappij, als reeds Pul, de koning van Assyrië, in het land valt, en de tegenpartij van de eerste in hem een hulp meent te vinden om zich van hem te ontdoen. Maar Menahem is slim genoeg, om door een schatting van duizend talenten zilver, die hij aan Pul belooft en van zijn volk afperst, de Assyrische koning voor zich te winnen, en niet alleen hem tot de aftocht te bewegen, maar zich ook zodanig op de troon te bevestigen, dat na een regering van 10 jaar zijn zoon hem kan opvolgen, ofschoon niet zonder tegenstand.
— In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.
In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, d.i. in het jaar 771 v. Chr. (zie vs. 13), werd Mehahem, de zoon van Gadi, koning over Israël en regeerde tien jaar, tot 760 v. Chr., te Samaria.
— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land, misschien door Mehahems veldtocht tegen Thapsakus (vs. 16) daartoe gedwongen; en Mehahem, ziende dat de tegenpartij, die hem van de troon probeerde te stoten, van de komst der Assyriërs gebruik maakte om dit uit te voeren; gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat zijn hand met hem zou zijn, een het koninkrijk in zijn hand te sterken. 1)
In plaats van de God van Israël te vertrouwen, die Zijn volk reeds zo dikwijls uit grote nood gered had, en tot Hem te zeggen: Mijn toevlucht en mijn burg! Mijn God, op wie ik vertrouw! (Psalm 91: 1, 2) zoekt Mehahem steun en bescherming bij Israël’s vijanden, en koopt die met het van zijn onderdanen afgeperste geld. Maar het bleek dat met vreemd geld gekochte vriendschap niet van lange duur is, en dat de man vervloekt is, die op een mens vertrouwt (Jes. 17: 5). Mehahem was, zoals duidelijk uit vs. 16 blijkt, waar gemeld wordt, dat hij zelfs de ongeboren vrucht niet spaarde, een bij uitstek wreed man. Moord had hem op de troon gebracht, moord en geweld moest hem op de troon houden. Daardoor kon hij zich geheel niet bemind maken bij zijn onderdanen. Integendeel moesten zij zich van hem vervreemden. Daarom, naar onze mening, durfde hij zich tot tegenweer niet gereed maken tegen de koning van Assyrië, vrezende dat zijn eigen volk hem zou afvallen, of hem zou uitleveren aan de vijanden. Maar daarom kocht hij ook de oorlog af door een grote som geld, die zijn uitgemergelde onderdanen weer moesten opbrengen. Met Pul, de koning van Assyrië, treedt voor het eerst deze grote wereldmacht in de Heilige Schrift op. Uit de laatste woorden van dit vers blijkt voldoende, dat Mehahem zich niet vast op de troon voelde.
Kruisverwijzingen2 Koningen 17:3→2 Koningen 15:29→2 Koningen 18:14→Ruth 2:1→2 Samuël 19:32→Job 1:3→2 Koningen 23:35→— Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.
Mehahem nu bracht dit geld, deze belasting op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, van de rijksten, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; Zo keerde de koning van Assyrië terug, nadat hij Mehahem in het koninkrijk bevestigd had, en bleef daar niet in het land (Hos. 5: 13; 7: 11; 8: 9 De Assyriërs, tot de stam van de Semieten behorende, hadden oorspronkelijk hun zetel in Sinear (Mesopotamië of Babylonië), maar waren voor de inbrekende macht van Nimrod aan de boven-Tigris en Eufraat geweken en hadden daar, waarschijnlijk met nog andere stammen vermengd, een nieuw rijk gesticht, dat in het westen en noordwesten aan Mesopotamië, in het oosten aan Medië en in het zuidoosten aan Suziana grensde, dus het tegenwoordige Kurdistan bevatte (Genesis 10: 11vv. 22). Ofschoon bergland, door een tak van de Taurus, de Sogrus, doorsneden, was het land wegens zijn vele, tot het stroomgebied van de Tigris behorende stromen, en zijn veelvuldige dalen toch zeer geschikt voor de graanbouw; tegen de heuvels en voorgebergten van het bergland werd een heerlijke wijn gewonnen; de lage dalen waren door granaat-, vijgen-, olijven- en notenbomen belommerd, de berghellingen van de middelste bergstreek met mooie eiken-, platanen- en pijnbomen-wouden bezet, en op de vruchtbare weiden van de hogere bergstreken graasden runderen, paarden, schapen en geiten. Ook hadden de Assyriërs een belangrijke bijenteelt ( 18: 32). Omdat zij daar met nog andere volksstammen vermengd woonden, bevatte ook hun godsdienst en hun taal verschillende bestanddelen; zij hadden onder hun afgoden een god van de duisternis, overeenkomende met de Medo-Perzische Ahriman, en een op Babylonisch-Egyptische oorsprong wijzende Adramelech of Vuurkoning, terwijl hun planeten-godheid Anahid dezelfde is, als de Mylitta (Derkéto) bij de Babyloniërs en de Astarte bij de Phoeniciërs. Door veroveringen werd Assyrië in de loop van de tijd één groot rijk, waarvan Ninus en Semiramis als grondleggers worden opgegeven. Ninus, die voor een zoon van de zonnegod Bel gehouden werd, bevocht, volgens de mededelingen van de oude geschiedschrijvers, de koning van de Babyloniërs, vervolgens de Armeniërs en Meden, en onderwierp in een zevenjarige oorlog ook de volken van Klein-Azië aan zich. Toen hij daarna ook tegen Bactrië, het tegenwoordige Balkh met een deel van Bucharije, streed, en een goed versterkte burcht te Baktra zijn zegevierende loop dreigde te stremmen, lukte het hem met behulp van de listige en moedige Semiramis, de vrouw van een voorname Assyriërs, om in het bezit van de burcht te raken; als dank daarvoor verhief hij haar tot zijn gemalin, maar haar vroegere echtgenoot Menon bracht zich uit wanhoop daarover om het leven. Na de dood van Ninus, die van de op zijn krijgstochten gemaakte buit de stad Ninevé aan de oostelijke oever van de Tigris, tegenover het tegenwoordige Mosul, tot zijn residentie bouwde, nam Semiramis voor haar nog onmondige zoon Ninus de regering in handen, verfraaide Babylon, Ecbatana en andere steden, bracht door het aanleggen van kunstwegen, kanalen, dammen, enz., vele goede zaken tot stand en zette ook de veroveringen voort; maar haar laatste krijgstocht tegen Indië mislukte, en kort daarop vond zij haar dood. Volgens de overlevering werd zij tot de goden weggevoerd; omdat zij voor een dochter van Derketo gehouden werd, noemt men haar geslacht de Derketaden. De met Ninus beginnende heerschappij van despoten telt 30 op elkaar volgende koningen, meest verwijfde in de werkeloosheid van het paleisleven zich voortplantende vorsten, van wie de laatste Tonoskonkoleros, met de bijnaam Sardanapalus I, in een opstand bezweek. De Medische stadhouder Arbaces, zo’n verwijfde gebieder moe en door de Babylonische priester Belesis opgestookt, bracht de Meden en Babyloniërs tot een opstand; driemaal teruggeslagen door de zich verwerende Sardanapalus, wilde hij reeds de onderneming opgeven, maar liet zich door Belesis tot een vierde poging overhalen; en deze lukte. De stad Ninevé werd ingenomen; Sardanapalus verbrandde zich met zijn vrouwen en kinderen op een brandstapel om de smaad van de gevangenschap te ontgaan, en het Oud-Assyrische rijk nam, zoals men gewoonlijk aanneemt, in het jaar 888 v. Chr. een einde, nadat het volgens de opgaven van Herodotus 520 jaar bestaan had. De wereldse geschiedschrijvers sluiten daarmee Assyrië’s geschiedenis, en beginnen met Arbaces, de overwinnaar van Sardanapalus, een nieuwe, de Medische dynastie, die tot op Astyages, de grootvader van Cyrus, wordt voortgezet. Om nu de Bijbelse berichten daarmee overeen te brengen, heeft men een tweede, het Nieuwe Assyrische rijk aangenomen, voor wiens stichter men de in deze tekst vermelde Pul (omstreeks 770 voor Chr.) houdt. Tot zijn opvolger had hij Tiglath-Pilezer ( 16: 8vv.); op deze volgde Salmanasser, die het rijk van Israël verwoestte ( 17: 3vv.), het rijk van Juda aan zich schatplichtig maakte ( 18: 7), Medië en Perzië onder zijn heerschappij had ( 18: 11) en volgens Josefus belangrijke vorderingen in Syrië maakte. Of de in Jes. 20: 1 genoemde Sargon een en dezelfde persoon met hem of zijn veldheer is, die na zijn dood zich tot koning maakte, en na veeljarige strijd met de rechtmatige erfgenaam van de troon zich in de heerschappij versterkte, moet in deze zin beslist worden, dat hij zijn opvolger is geworden; in dit geval zou Salmanasser bij deze driejarige belegering van Samaria gestorven zijn, en Sargon is het dan wezenlijk geweest, die het volk van de tien stammen in de Assyrische ballingschap heeft gevoerd. Daarna wordt Sanherib vermeld ( 18: 13vv. 18.13), een tijdgenoot van de Egyptische koning Sethos (in de Bijbel Tirhaka genoemd); hij verscheen ten tijde van koning Hizkia voor Jeruzalem, maar gaf ten gevolge van een plotseling sterven in zijn leger de belegering op en trok met de rest van zijn ontzaglijk leger onverrichter zake in zijn land terug, waar hij later door zijn oudste zonen vermoord werd ( 19: 36). Thans kwam op de troon zijn jongere zoon Assar-Haddon, die naar de ontvolkte streken van het voormalige rijk van de tien stammen kolonisten uit Perzië en Babylonië overbracht ( 17: 24 Ezra 4: 2); hij was het ook, die door zijn veldheren koning Manasse gevangen van Jeruzalem naar Babel bracht, waar deze zich bekeerde. Later mocht hij in zijn rijk terugkeren (2 Kronieken 33: 11vv.). Van nu af bevat de Heilige Schrift geen verdere aanduidingen over de geschiedenis van het Assyrische rijk; maar wel worden ons nog enige meerdere berichten gegeven in uittreksels uit de geschiedenis van Babylon door Berosus, een priester van Belus in Babylonië, die omstreeks 268 v. Chr. schreef, en de jaarboeken van de Belustempel tot zijn doel wist te gebruiken. Op Sanherib, die, wanneer men Sargon ongeveer in den tijd van 722 tot 716 voor Chr. plaatst, sinds laatstgenoemd jaar regeerde, en Assar-Haddon, wiens tijd ongeveer tot 668 reikt, volgde eerst Samughes met 21 jaar en daarna diens broeder Kiniladan met eveneens 21 jaar, zodat wij met hem tot op het jaar 629 voor Chr. afdalen. Reeds onder deze beide regenten ging het Assyrische rijk telkens zekerder zijn ondergang tegemoet, totdat het daarna onder hun opvolger en met hem werkelijk een einde nam. Gewoonlijk wordt deze als Sardanapalus II aangeduid, maar hij draagt daarbij tevens de naam van Saracus of Sarak. Had reeds in het jaar 633 voor Chr. Phraortes van Medië een veldtocht tegen Ninevé, maar vruchteloos ondernomen, terwijl Kineladan hem bestreed en doodde (2Ki 22: 2), zo nam zijn zoon Cyaxares de zaak weer ter hand; aanvankelijk moest hij zijn onderneming wel weer opgeven, omdat de Scythen hun eerste grote inval maakten, maar later verbond hij zich met de onderkoning Nabopolassar van Babylonië tot een besliste omverwerping van het Assyrische rijk. Dit gebeurde omstreeks het jaar 610 voor Chr. Maar niettegenstaande de Assyriërs in weelde en ongerechtigheid verzonken waren, zo was toch nog veel van de oude kracht in hen, en een stad van zo’n grootte als Ninevé, kon zo gemakkelijk niet genomen worden. Drie jaar duurde de belegering, en reeds meermalen waren de aanvallen van de verbondenen afgeslagen; toen bereidde Sardanapalus zijn soldaten een feest, de vijand maakte van deze gelegenheid gebruik en drong de Assyriërs tot in de binnenste vestingen van de stad terug. Toen nu later de Tigris, door langdurige regens gezwollen, buiten zijn oevers trad en een groot deel van de vestingwallen wegnam, drongen Meders en Babyloniërs met weinig moeite Ninevé binnen, verwoestten de stad voor altijd en verdeelden de buit en het bezit van het Assyrische rijk onder elkaar (Nah. 2: 2vv. Zef. 2: 13vv.). Daarvan verder bij 23: 29vv. Nadat reeds in het jaar 1820 de ruinen-heuvels van de stad de opmerkzaamheid van de Engelse reiziger Zich in Bagdad gedurende zijn verblijf in Mosul tot zich getrokken hadden, begon de Franse Consul Botta, op last van zijn regering, in het jaar 1842 uitgebreide opgravingen, eerst in de heuvel van Kojundschuk, maar daarna met veel beter gevolg in Khorsabad; hier stiet hij op de bovenhoek van een kamer, weldra opende zich een samenhangende rij van zalen van een oud koningspaleis, dat daarop in de jaren 1851-54 met ringmuren, torens en al geheel werd opgegraven. In het jaar 1845 begaf zich hierop de Engelsman Layard naar Ninevé en begon de ruinenheuvel van Nimrod te onderzoeken, hetgeen wel een korte tijd door de tegenstand van de Turkse regering werd afgebroken, maar daarna met haar bijstand ook werd toegepast op de heuvel van Nebbi-Junus; een groot getal van de door Botta en zijn opvolger Place gevonden beeldhouwwerken zijn in het museum van het Louvre te Parijs geplaatst. Door al deze onderzoekingen is dan gebleken, dat de naam Ninevé twee betekenissen heeft. Allereerst betekent hij een afzonderlijke stad; meer daarnaast duidt het woord ook een vereniging van vier grote eeuwenoude steden aan, waartoe ook het eigenlijke Ninevé behoort, en van vele kleinere troonplaatsen, kastelen enz. Dit Ninevé in ruimere zin is aan drie zijden door rivieren, (noordwestelijk door de Khors, westelijk door de Tigris, oostelijk en zuidelijk door de Ghazr Su en de grote of Boven-Zab) maar aan de vierde door bergen, die uit het rotsplateau oprijzen, begrensd, en was rondom door dammen, kanalen, wallen en kastelen naar de kunst versterkt. Het vormde een trapezium (ongelijkzijdige vierhoek) welke scherpe hoeken noord- en zuidwaarts liggen, en welke lange zijden door de Tigris en de bergen gevormd worden. De vier steden, die dit trapezium insluit zijn: 1e. het eigenlijke Ninevé in de noordwestelijke hoek aan den Tigris, de puinhopen van Kojundschuk, Nebbi-Junus en Ninua omvattend; 2e. de latere hoofdstad Nimrud, door enige voor het Bijbelse Kalach gehouden, aan een zuidwestelijke hoek tussen de Tigris en de Zab; 3e. een tot dusver nog naamloze en het minst onderzochte stad, binnen de grenzen waarvan het tegenwoordige dorp Selamiyeh ligt, noordelijk van Nimrud; 4e. de plaats die thans Khorsabad heet, die een burcht en tempelbouwvallen besluit en aan de rivier Khosr ligt. Hieruit werd het begrijpelijk, dat de stad 2 miljoen inwoners kon hebben en de profeet Jona ( 3: 3vv. 4: 11) drie dagen lang daarin kon rondtrekken; deze opgave komt nauwkeurig overeen met die van Diodorus van Sicilië, die de omtrek van de stad op 480 stadiën op 12 Duitse mijl bepaalt (1 dagreis = 4 mijl). Wat nu de bouwvallen van deze grote stad van de oude wereld, zover zij tot heden is opgegraven, betreft, zo zijn de voornaamste daarvan: 1e. die van Nimrud. Dit is een kunstig terras door mensenhand, waarop vroeger eenmaal minstens negen gebouwen stonden en waarvan trappen afvoeren naar de Tigris. In de noordwestelijke hoek van het terras staat een hoge toren, daarnaast staan twee kleine tempels met afgodsbeelden; maar aan de noordwestzijde bevindt zich het zogenaamde noordwest-paleis met de hoofdgevel naar het noorden, het oudste van de tot heden ontdekte Assyrische paleizen. Het naaste paleis dat men zuidwaarts bereikt, is het zuidwestpaleis met een grote prachtige zaal van 220 voet lengte en 100 voet breedte en een ingang aan het noordeinde, die door twee kolossale gevleugelde dieren bewaakt wordt. Het daarop volgende zuidoostpaleis staat ten opzichte van de grootte en de bouwstoffen ver achter bij de beide vorige gebouwen en bevat slechts kleine vertrekken. In het midden van het terras zijn ook nog sporen van een ander paleis, dat men het centraalpaleis genoemd heeft; maar dit werd door andere Assyrische koningen gedeeltelijk herbouwd, gedeeltelijk werd het materiaal tot nieuwe bouwwerken gebruikt, zodat men het algemene plan niet eens meer kan herkennen. 2e. Een gebouw uit later tijd, zeker van Sargon, de vader van Sanherib, afkomstig, werd door bovengenoemde Franse consul Botta te Kojundschuk ontdekt. 3e. Het paleis van Kojundschuk is door Sanherib zelf gesticht. 4e. Bovendien bevinden zich nog paleizen in de heuvel van Nebbi-Junus, maar daar mochten tot dusver geen opgravingen gedaan worden, omdat de Moslims die heuvel houden voor het graf van de profeet Jona, dat zij niet willen laten ontheiligen. De inscripties, die de muren van al deze paleizen bedekten, zijn in het zogenaamde spijkerschrift geschreven; het is uit de hiërogliefen van een oud-Uralisch volk ontstaan, tot op de tijd van Antiochus de Grote in de Aziatische landen in gebruik geweest en bestaat uit samenstellingen van wiggen en winkelhoeken, waardoor het zeer geschikt is voor monumenten. Als de telkens terugkomende ontcijfering van deze opschriften volkomen gelukt zal zijn en een samenhangende en betrouwbare geschiedenis van de Assyrische koningen daardoor zal zijn verkregen, zal, dit vertrouwen wij, ook dit gesteente de waarheid van de Schrift volkomen bevestigen.
Tot zo lang spreekt men over sommige gedeelten geen beslissend oordeel ten nadele van de Heilige Schrift uit.
— Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
Daarna ontsliep Mehahem 1) met zijn vaderen; hij was de enige van de laatste zes koningen van het rijk van de tien stammen, die een natuurlijke dood gestorven is; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats, maar zoals uit een vergelijking van vs. 17 met vs. 23 afgeleid schijnt te kunnen worden, pas enige maanden na de dood van zijn vader, omdat de troon hem aanvankelijk betwist werd.
Uit Mehahems tocht tegen Tifsah, welke stad hem niet binnenliet, d.i. hem niet als koning wilde erkennen, ziet men, dat hij niet bemind en dat het land reeds in partijen verdeeld was. Zijn woeden, als dat van de ruwste buitenlandse vijand, tegen zijn eigen landgenoten, doet hem ons kennen als een wrede tiran, die aanstonds alle tegenstanders van zijn troonsbestijging met vrees en schrik wilde vervullen. Van hem geldt, wat Macchiavelli (de principe 8) zegt: “Wie op een wederrechterlijke en geweldige wijze zich een kroon opzet, moet, wanneer het nodig is om wreed te wezen, alle wreedheid opeens uitoefenen, opdat hij niet elke dag daarmee behoeft voort te gaan.” Het tweede voor het rijk beslissende feit, was zijn verhouding tot Assyrië. Niet enkel om de hem bedreigende vijand tot de aftocht te bewegen, maar ook om door hem tegen zijn eigen volk beschermd te worden, legde hij zijn volk een grote schatting voor Assyrië op. Hij was de eerste Israëlitische koning, die, om zijn volk in bedwang te houden en zijn heerschappij te handhaven, van een uiterlijke mogendheid hulp en bijstand kocht; hij wilde dus zijn heerschappij bevestigen ten koste van de zelfstandigheid van zijn volk. Juist daartegen ijverde de profeet Hosea zo sterk (Hos. 5: 13; 7: 11; 10: 6 van het rijk te versterken, bracht hij het des te sneller bij zijn ondergang. Want de wereldgeschiedenis leert, dat bescherming van machtige rijken op onderdrukking door die rijken uitloopt, en dikwijls, zoals hier voor Israël, een straf wordt voor hem, die die hulp inroept.
*XVII. Vs. 23-26. Pekahia’s regering is bij grote verwarring, die in het rijk van Israël heerst, slechts van korte duur. nog geen twee volle jaren heeft hij het koninkrijk in bezit, of zijn hoofdman Pekah, aanvoerder van het uit Gileadieten bestaande deel van de koninklijke lijfwacht, staat tegen hem op en doodt hem met behulp van de onder zijn bevel staande 50 man in de koninklijke hofburg, en met de koning vallen tevens zijn beide verdedigers Argob en Arje.
Kruisverwijzingen2 Koningen 21:19→Job 20:5→1 Koningen 22:51→1 Koningen 16:8→1 Koningen 15:25→— In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.
In het vijftigste jaar van Azaria, (of Uzzia), de koning van Juda, d.i. 760 v. Chr., werd Pekahia, de zoon van Mehahem, koning over Israël, en regeerde twee jaar te Samaria, tot 759.
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:9→2 Koningen 15:18→— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
Het overige nu van de geschiedenissen van Pekahia, 1) en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël (1Ki 14: 19).
Uit Pekahia’s korte regering vermeldt de schrijver geen enkele gebeurtenis, dan alleen zijn einde, dat in een dubbel opzicht belangrijk was. Menahem had tot bevestiging van zijn koninkrijk en tot stichting van een nieuwe dynastie de bijstand van Assyrië duur gekocht; zo lang hij leefde bleef hij ook nog koning; meer nauwelijks had zijn zoon de troon bestegen, of het bleek hoe nietig Assyrië’s bescherming was, want reeds in het volgende jaar was het nieuwe koninklijke huis vernietigd. Tevens leren wij hieruit de stand van zaken in het land kennen. Pekahia werd niet door een machtige verklaarde vijand, maar door zijn vertrouwde adjudant met behulp van een deel van de lijfwacht, die hem beschermen moest, in zijn paleis vermoord. Zulke misdaden kunnen slechts daar voorvallen, waar reeds alle banden van tucht en orde, van trouw en gehoorzaamheid zijn verbroken (Hos. 4: 1-2).
*XIII. Vs. 27-31, Twintig jaar regeert Pekah, de zoon van Remalia over Israël. In de laatste jaren van zijn regering verbindt hij zich met het vroeger omtrent zijn volk zo vijandige Syrië, en doet in gemeenschap met Rezin van Damascus, reeds onder Jotham van Juda, strooptochten in het zuidelijk rijk, totdat hij eindelijk onder Achaz, het met zijn bondgenoot rechtstreeks toelegt op de vernietiging van het Davidische koningshuis, en op Jeruzalem aanrukt (vs. 37 16: 5vv.). Maar Achaz roept tegen beide tegenstanders, de Assyrische koning Tiglath-Pilezer te hulp, die niet slechts een einde maakt aan het Syrische rijk ( 16: 19vv.), maar ook van het rijk Israël, het noordelijk gebied evenals het Oost-Jordaanland verovert, en de inwoners naar Assyrië wegvoert. Dit is het begin van de Assyrische ballingschap.
KruisverwijzingenJesaja 7:1→Jesaja 7:4→2 Koningen 15:23→2 Koningen 15:25→2 Koningen 15:13→2 Koningen 15:37→2 Kronieken 28:6→Jesaja 7:9→— In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.
In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, 759 v. Chr. werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël en regeerde twintig jaar tot 739 te Samaria.
Kruisverwijzingen2 Koningen 13:6→2 Koningen 15:9→2 Koningen 13:2→2 Koningen 21:2→2 Koningen 15:18→— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.
In de dagen van Pekah, de koning van Israël, volgens Jes. 8: 4 waarschijnlijk in zijn laatste regeringsjaar, kwam Tiglath-Pilezer, koning van Assyrië, door Achaz, de koning van Juda te hulp geroepen ( 16: 5vv.) en nam Ijon, 2 3/4 uur zuidwestelijk van Hasbeya (1 (Koningen 15: 20) in, en Abel-Beth Maächa (2 Samuel 20: 14), en Janoah, dat nog niet gevonden is, maar zeker in de nabijheid van de eerstgenoemde plaatsen gelegen was, en niet te verwarren is met het (Jozua 16: 6vv.) genoemde Janoah, en Kedes, noordwestelijk van het meer Merom (Jozua 12: 22), en Hazor, in dezelfde streek (2 Samuel 15: 23) en Gilead, het gehele Oostjordaanland ( 14: 25) en Galilea, het land Glalil, het noordelijke deel van de latere provincie Galiléa (1Ki 9: 11), en het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen, de bewoners van dit veroverde gebied weg naar Assyrië, 1)en wel in de landstreek met die naam ten noorden van Ninevé en aan de zuidwestzijde van de Kaspische zee, waarheen onder Salmanasser ook de tweede wegvoering plaatsvond ( 17: 6; 1 Kronieken 5: 26).
Zozeer als koning Achaz van Juda en de met hem gelijkgezinden zich over deze wegvoering verheugen mochten, omdat zijn ontheocratische politiek ( 16: 7vv.) nu volkomen gelukt scheen, omdat Tiglath-Pilezer niet slechts Syrië ontvolkt, maar ook de andere vijand, het noordelijk rijk, vernietigd had, zo groot was daarentegen de droefheid van de ware gemeente over deze verwoesting van de wijnberg van de Heere. Psalm 50 is een uitdrukking van haar smart en tevens een merkwaardig getuigenis voor de algemene geest, die de gemeente van God van oudsher heeft bezield, een bevestiging van het woord van de apostel: Als één lid lijdt, lijden alle leden mee.
Door Abarbanel wordt, in verband met 1 Kronieken 5: 26 gezegd, dat dit de tweede wegvoering was. De eerste zou dan door Pul zijn bewerkstelligd. Echter ten onrechte. Wij hebben hier de eerste wegvoering, want van Pul lezen wij uitdrukkelijk, dat hij zich met de schatting van 1000 talenten tevreden stelde. Door deze wegvoering werd het rijk van de Tien stammen zeer verzwakt, omdat niet minder dan 4 ½ stam, voor een groot gedeelte, in ballingschap werd gezonden.
Kruisverwijzingen2 Koningen 17:1→2 Koningen 15:32→2 Kronieken 28:4→2 Koningen 16:1→Hosea 10:15→Hosea 10:3→2 Koningen 15:25→2 Kronieken 28:16→— En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar 1) van Jotham, de zoon van Azaria of Uzzia.
Deze bepaling springt in twee opzichten in het oog; want allereerst heeft Jotham volgens vs. 33 slechts 16 jaar geregeerd, maar verder wordt in 17: 1 gezegd, dat Hosea pas in het 12de jaar van Achaz koning is geworden. Het eerste laat zich daaruit verklaren, dat een bepaling naar de regeringsjaren van Achaz niet aanging, omdat eerst nog van Jotham verteld moest worden (vs. 32), met wiens komst aan de regering de geschiedenis van Juda’s koningen was afgebroken (vs. 7); in plaats van: “in het vierde jaar van Achaz” wordt dus gezegd: “In het twintigste jaar van Jotham”, want deze man is de lezer reeds bekend. Maar ofschoon in dit jaar (het einde van 739 voor Chr.) Hosea Pekah ombracht, zo kwam hij toch niet aanstonds in het onbetwiste bezit van de troon, maar in deze tijd van innerlijke ontbinding van het rijk, volgde eerst andermaal een anarchie als die na de dood van Jerobeam II (2Ki 14: 29), en wel van 8 ½ jaar. Dit neemt men gewoonlijk aan, om de tweede van de vroeger opgegeven moeilijkheden weg te nemen.
Hij moest bij uitstek op een kroon verzot wezen, die zich te dien tijde aan zo’n groot gevaar, zoals dat van een verrader, wilde blootstellen, tot verkrijging van de kroon van Israël, ofschoon van haar uitgelezendste bloemen en kleinoden beroofd, en meer dan ooit met doornen bezet; een kroon, reeds lange tijd dodelijk, degene, die ze gedragen hadden en verbeurd verklaard door de Goddelijke Rechtvaardigheid, die ze eerlang in het stof leggen en vernietigen zou; een kroon, die een wijs man, deze op straat vindende, niet zou willen oprapen.
— Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.
Het overige nu van de geschiedenissen van Pekah, 1) en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël (2Ki 14: 19).
De regering van Pekah was voor het rijk van Israël het begin van het einde. Dat Pekah, niettegenstaande het innerlijke bederf van het rijk, zich toch zo lang op de troon handhaafde, is wel een bewijs van zijn ongewone geestkracht, waaraan het hem evenmin als aan soldatenmoed schijnt ontbroken te hebben. De wijze waarop hij op de troon kwam, toont aan, dat hij een ruw, trouweloos en heerszuchtig mens was, die naar God en goddelijke dingen niet vroeg. Bij Jesaja wordt hij in het geheel niet met zijn naam, maar met verachting slechts “de zoon van Remalia” genoemd (Jes. 7: 4, 5, 9), waarschijnlijk omdat hij van lage afkomst was.
XI. Vs. 32-38.KruisverwijzingenJesaja 7:1→2 Koningen 16:5→2 Koningen 15:7→1 Kronieken 3:12→2 Kronieken 27:1→2 Kronieken 26:4→2 Koningen 15:3→2 Koningen 12:3→ — In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda. Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN. Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia. En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. Als Jotham na de dood van zijn vader Uzzia zelfstandig regent is geworden, volgt hij hem op de goede weg, die deze aanvankelijk had ingeslagen zonder tot zijn latere afdwalingen te raken. Als men de regering van de vorige en de tegenwoordige koning tot een geheel samenvat, moet men zeggen, dat het rijk van Juda toen een tijd van hoge macht en bloei beleefde, de hoogste sinds Josafat en de langste sinds de scheuring van het rijk, maar ook de laatste voor zijn ondergang, want reeds tegen het einde van Jothams regering begint de gebeurtenis zich voor te bereiden, die vanwege de beproeving die voor Juda en het huis van David zich eraan vast knoopte, van gewichtige gevolgen voor diens gehele verdere toekomst geworden is, de inval van de beide verbonden koningen Bezin van Syrië en Pekah van Israël in het rijk van Juda (Vergelijk 2 Kronieken 27: 1-9).
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:7→1 Kronieken 3:12→Mattheüs 1:9→2 Koningen 14:21→2 Koningen 15:23→2 Koningen 15:17→2 Koningen 15:1→2 Koningen 15:13→— In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.
In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël (vs. 27vv. d.i. in het jaar 758 voor Chr.), werd in Juda Jotham, de zoon van Uzzia (Azaria), koning van Juda, nadat hij reeds bij het leven van de vader een tijdlang het regentschap en in diens lot een bestendig voorbeeld tot waarschuwing, waarheen godvergetenheid en hoogmoed voert, gehad had.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 27:1→— Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
Vijfentwintig jaar was hij oud 1) toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar, tot 742 voor Chr., te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok misschien de in 1 Kronieken 6: 12 vermelden hogepriester met deze naam.
Hieruit blijkt, dat hij niet als Joram, ten tijde van zijn vader Josafat, regent was, maar enkel plaatsvervanger. Onder Jotham ging het met Juda uiterlijk zeer voorspoedig, maar innerlijk rijpte het voor het gericht. Donkere wolken pakken samen, die onder de regering van zijn goddeloze zoon zich zullen ontlasten.
Kruisverwijzingen2 Koningen 12:3→2 Kronieken 23:20→2 Kronieken 27:3→2 Koningen 15:4→2 Koningen 18:4→2 Kronieken 32:12→— Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
Alleen werden de hoogten niet weggenomen, zoals dat ook onder de regering van zijn vader het geval was (vs. 4); want het volk offerde en rookte nog op de hoogten, en ging daarmee voort zich te verderven (2 Kronieken 27: 2): hij richtte echter van zijn zijde nog beslissender dan Uzzia het gedaan had, zijn wegen voor het aangezicht van de Heere zijn God, hoedde zich voor diens zonde, waarmee deze zich aan de Heere vergrepen had, door op wederrechtelijke wijze het heiligdom te betreden en te roken, hij onderwierp de Ammonieten en maakte hen zich schatplichtig en bouwde, behalve enige steden op het gebergte van Juda, burchten en torens, die hij tot versterking van het land in de wouden legde, en de muur van Ofel, of het zuidelijke afdak van de tempelberg (2 Kronieken 27: 3vv.), de hoge aan de noordzijde van de binnenvoorhof zich bevindende poort aan het huis van de HEERE,
die hij groter en mooier maakte, dan zij tot dusver geweest was.
Het strekt een vorst tot niet geringe roem, wanneer hij, in plaats van zijn paleizen te verfraaien en elpenbenen huizen (Amos 3: 15) te bouwen, de poort van het heiligdom bouwt en daarmee zijn volk toeroept: Gaat tot Zijn poorten in met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang (Psalm 100: 4).
Kruisverwijzingen2 Koningen 15:6→2 Kronieken 27:4→— Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Juda? (1Ki 14: 19) In 1 Kronieken 5: 17 wordt op een door Jotham voorgenomen telling van de aan de overzijde van de Jordaan gevestigde stam Gad gedoeld, terwijl 50-60 jaar eerder een dergelijke telling onder Jerobeam II van Israël was ontworpen, die later daar wordt vermeld, omdat bij de aanduiding van de beide koningen aan Jotham als koning van Juda de voorrang toekwam; daaruit blijkt, dat in dezelfde mate als het noordelijk rijk van zijn onder Jerobeam II bereikte hoogte, na diens regering afdaalde, zich weer de heerschappij van Juda uitbreidde over het Oost-Jordaanland, dat na Salomo’s dood zich eveneens aan de heerschappij van het huis van David onttrokken, en onder de innerlijke onlusten en buitenlandse oorlogen, die het noordelijk rijk verzwakten, zeer veel te lijden had.
Verder is uit Jothams regering op te merken, dat in het derde deel daarvan de bouw van de stad Rome (in het jaar 754 volgens Varro, volgens anderen 753 v. Chr.) heeft plaatsgehad, hetgeen niet zonder betekenis is.
De tijd van de zondeval tot aan de zondvloed was door God verordend, om de mens te tonen wat hij aan de zonde heeft, tot welke diepte zijn verdorvenheid reikt, en welke vrucht de afval voor hem draagt. Heeft nu de mens gedurende de eerste tijdruimte van de wereldgeschiedenis (van 4005-2349 v. Chr.) op krachtige wijze de noodzakelijkheid van verlossing leren kennen, zo bereidt de Here het menselijk geslacht tot gewillige aanneming van het alleen ware heil voor, door hun in lange en smartelijke ervaringen duidelijk te doen inzien, hoe zij zelf door eigen kracht de zo hoog nodige verlossing zich niet verschaffen kunnen. In heel de grote tijdruimte tussen de zondvloed en Christus wordt elk gebied onderzocht, worden alle mogelijke wegen naar alle mogelijke richtingen ingeslagen. Naar de drie hoofddelen van het menselijk zijn en leven, lichaam, ziel en geest, wordt die tijdruimte (van 2349-1 v. Chr.) verdeeld in drie grote perioden. De eerste, van de zondvloed tot aan de Babylonische spraakverwarring (2349-2218 v. Chr.); de zin van de mens is gedurende die tijd in de massa verdiept, op de stof, het ruw zinnelijke gericht; door middelen, uit dit gebied ontleent, tracht hij zich te helpen en genezing te verschaffen. Tweede periode, van de Babylonische spraakverwarring tot op de wereldmonarchieën, juist tot aan het optreden van de tweede Assyrische monarchie (2Ki 15: 29); het principe (het leidend beginsel) van de beweging is thans verplaatst in de ziel, in het lagere in het meer negatieve gebied van het verstandelijke leven; van nu af wordt hulp en genezing gezocht in zulke middelen als dit gebied verschaft. Daarom, zoals eenheid, de eenheid van de massa, de vroegere tijd beheerst had, zo wordt het nu op afscheiding toegelegd; de tijd van de particularismen, van de verschillende nationaliteiten, van de bijzondere nationale en lokale godsvereringen, van de uit de plaatselijke en gegevene zich ontwikkelende mythologie en symboliek (godenleer en tekentaal). Maar met betrekking tot dit gebied, moest het menselijke bewustzijn ontwaren, dat het de schat niet doet vinden, waarnaar het hart verlangend uitziet, om zijn honger en dorst te stillen, en zijn armoede weg te nemen. Spoedig vond het daarin dan ook geen bevrediging meer, het ging verder en wendde zich overeenkomstig zijn natuur, naar het algemene. Van nu aan een streven naar universalisme (algemeenschap) en reactie (tegenwerking) tegen het bestaande. De vormen, waarin de menselijke geest zich tot dusver bewogen had, en de voortbrengselen van deze beweging werden vernietigd; in de plaats van het oude kwam iets nieuws als vrucht van de nieuwe beweging; het algemene (universele) op staatkundig en verstandig gebied. Dit is de tijd van de wereldmonarchieën (Dan. 2: 1vv. 7: 1vv. van de wezenlijk universele kunst en wetenschap van de Grieken. Maar bij dit alles had de Heere, terwijl Hij het toeliet, Zich ook een doel van deze wegen voorbehouden; maar het doel van de Heere stond juist tegenover dat van de mensen: het was namelijk de beschaming van alle mensen, de verhoging van God alleen. Wel had Hij, juist tot dit doel, de mens aan zichzelf overgelaten, maar Hij wilde Zich aan hem niet onbetuigd laten; alle opvoeding toch heeft een dubbele zijde: een negatief en een positief moment. Nu behoorde het ook tot Zijn opvoedingswijsheid, dat Hij deze getuigenis een met de tijd en haar richting overeengekomen gestalte deed aannemen. Had dus in de tijd voor de zondvloed de getuigenis van Zijn gerichten zowel als Zijn genade de eenvoudige vorm van een aan allen meegedeelde traditie (overlevering) verkregen, zo vertrouwde Hij het van toen af toe aan een bijzonder volk, en wel in een vorm, die alleen overeenkwam met de toenmalige tijd, doordat Hij aan het volk van Zijn eigendom de waarheid onder een deksel en in beelden, als symbool (zinnebeeld) en type (voorbeeld) openbaarde. Maar deze vorm was, hoewel hij het eeuwige in zich besloot, toch zelf niet eeuwig, niet overeenkomende met de gestalte, waarin het eeuwige verschijnt, en het kon dus Gods doel niet zijn, dat die vorm zou blijven. Dus, wanneer de waarheid en het wezen in Christus zelf eenmaal geopenbaard zou zijn, dan zou in de plaats van het afbeeldsel en het voorbeeld het oorspronkelijke beeld zelf in geest en in waarheid ervoor in de plaats treden. Zo moest in ieder geval ook het volk van het eigendom te zijner tijd een verandering in zijn toestand en in zijn betrekking ondergaan, een verandering, die, was zij ook juist niet noodzakelijk eraan gelijk, dan toch overeen zou komen met de verandering, die met al de andere volken eenmaal kon em moest plaatshebben. Zoals in het derde tijdvak overal, ten minste bij alle volken, die geroepen waren om in de ontwikkelingsgang van de wereldgeschiedenis in te grijpen, het universalisme in de plaats van het tot dusver geheerst hebbende Particularisme trad, zo moest een dergelijke verandering ook bij het volk Israël voorkomen. Israël als wereldgemeente, Israël als wereldprofeet, Israël niet meer beperkt binnen de enge grenzen van het land Kanaän, maar uitgaande over de gehele aarde, zendingswerk drijvende onder alle volkeren, overal predikende van het zaad van Abraham, waarin al de geslachten van de aarde gezegend moesten worden, allerwegen koloniën en nederzettingen stichtende, bereid om de drager van een algemene wereldbeweging op geestelijk gebied te worden, en zo het grote, wijde rijk te banen en voor te bereiden van Hem, die de alleen gerechtigde Universeelmonarch zou kunnen zijn: dat moest in ieder geval Israël’s roeping in deze derde periode worden. Maar de geschiedenis van Israël, zoals zij zich in werkelijkheid heeft ontwikkeld, laat zich uit deze factor alleen nog niet verklaren: er moet nog een tweede bijkomen. Bij dit alles waren twee zaken mogelijk. Israël kon tot deze overgang komen, bij wijze van een gelukkige metamorfose of herschepping; maar ook bij wijze van een oordeel. Zo kon de oorspronkelijke mens uit zijn volkomen toestand in het Paradijs tot de hogere, die hem van begin af aan was toegedacht, komen in de weg van voortdurende ontwikkeling. Maar sinds die eerste val is vallen van de kunst van de mens; is doorgang door de dood voor de mens voorwaarde om tot hoger leven te komen. Dat zien wij ook bij Israël: het moet sterven; niet als metamorfose, maar onder smart en pijn, met gewelddadige vernietiging van de oude vorm vond de overgang plaats; in plaats van een herschepping en verheerlijking moest een dag van het gericht komen, het oordeel van de verwerping. Israël had zijn land kunnen behouden; het had heer en meester kunnen blijven in dit zijn land; verheerlijkt en geprezen vanwege zo’n handhaving van zijn zelfstandigheid te midden van de wereldhistorische stormen had het, van zijn erfland uitgaande, door bezwijkende rijken en wereldmachten, heen kunnen trekken om als zendeling werkzaam te wezen, om met het van God gegeven Woord en de door God verleende wonderdaad van het geloof overal in de landen te zegevieren als Koning-Profeet. Zo bestraffend en oordelend, had het de volkeren van de aarde om zich heen kunnen zien scharen, als het ware middelpunt van de aarde, het bedehuis van alle volkeren reeds toen erkend. Maar Israël kon ook Kanaän verliezen, en als verdrevende gestaltenis en verstrooide de aarde vervullen; zij konden ook in de gestaltenis van knechten getuigen zijn. Israël koos het laatste; ook in die toestand was het als getuige werkzaam. Mozes had Deuteronomium 28: 47vv. reeds op die dienstbaarheid gewezen. In Jothams tijd valt het begin van de werkzaamheid van de profeet Micha, en deze werkzaamheid strekt zich evenals die van Jesaja (zie bij vs. 9) uit tot in de tijden van Hizkia; ja het lijdt geen twijfel, dat vele uitspraken van Micha later door Jesaja overgenomen, bevestigd en verder ontwikkeld zijn, hetgeen voornamelijk geldt van Micha 4: 1-5 Jes. 2: 2-5 terwijl Jesaja bij deze rede van de weg van het gericht, waarop de Heere zijn Sion van de valse tot de ware heerlijkheid zal roeren, Micha’s woord juist tot zijn overgangspunt neemt en het niet zozeer met eigen woorden weergeeft (reproduceert), maar het veeleer als uitspraak van een ander aanhaalt (citeert).
Opdat het profetisch woord des te zekerder en geloofwaardiger zou zijn, wilde God, dat Jesaja en Micha in dezelfde tijd en als met een mond spraken; en niets kon aan ieder van beide profeten welkomer zijn, dan dat hij aan zijn ambtsbroeder en aan diens verklaringen, niet slechts in de betekenis, maar ook in de woorden met de zijnen overeenkomende, een getuige van zijn Goddelijke roeping had.
KruisverwijzingenJesaja 7:1→2 Koningen 16:5→Lukas 21:28→2 Kronieken 28:6→1 Samuël 3:12→2 Koningen 10:32→Deuteronomium 28:48→Jesaja 10:5→— In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.
In die dagen, nog in de laatste jaren van Jothams regering, begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, de koning van Syrië 1) (1Ki 11: 25), en Pekah, de zoon van Remalia, koning van Israël, die in verbintenis met elkaar afzonderlijke strooptochten op het gebied van Juda ondernamen, totdat zij later onder Jothams opvolger Achaz een bepaalde vernietigingsoorlog tegen dit rijk begonnen en voor Jeruzalem verschenen ( 16: 5vv.).
Onder Jerobeam II waren de Syriërs aan het rijk van Israël, dat zij vroeger zo menigmaal benauwd hadden, onderworpen ( 14: 28), maar gedurende de anarchie, die op de regering van deze krachtige koning volgde, maakten zij zich weer vrij; en ofschoon zij hierna voor een tijd van de Assyriërs afhankelijk werden, zoals daaruit af te leiden is, dat Pul niet dan na verovering van Syrië in het gebied van Israël kon invallen (vs. 19vv.), zo konden zij (de Syriërs) toch de tijd van zwakheid, die na Puls dood over Assyrië kwam ten gevolge van de afval van de Meden en Babyloniërs, zich tot nut maken, om zich van de Assyrische opperheerschappij te bevrijden, en naar alle waarschijnlijkheid verbond Rezin, hun laatste koning, zich met Pekah, van Israël met het oogmerk om tegen toekomstige aanvallen van de zijde van de Eufraat gewapend te zijn; ditzelfde belang dwong ook de Israëlitische koning om door inlijving van Juda in hun verbond een gesloten macht tegenover de van daar dreigende gevaren te bezitten. De tocht van de beide koningen nu is daarom zo gewichtig, en daarom wordt er reeds hier als op een Goddelijke beschikking voorlopig op gewezen, omdat Juda en het huis van David daardoor tot een beslissende keuze, werden geleid. In (2Ki 15: 36) is er reeds van gesproken, hoe Israël in de tweede helft van de voorchristelijke tijd, van de tijd van de wereldmonarchieën af, een andere plaats moest innemen dan in de eerste helft, en dat het uit zijn eigen keus zou volgen, of deze verandering het karakter van een heilzame metamorfose of die van een zware tuchtiging, een geweldige vernietiging zou aannemen. Deze vrije keus was verbonden met de beslissing, die over Israël, d.i. Juda en het huis van David (dit moest toen reeds als overblijfsel het geheel vertegenwoordigen, totdat zich uit dit verminderde geheel nog een beperkter rest ontwikkelde) komen zou door de aanval van beide koningen. Assur en zijn heerlijkheid was de verleidende vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, die hun tot verzoeking werd voorgehouden; of zij naar Assur en zijn macht zouden grijpen, dan of zij op de onzichtbare macht van de Heere gelovig zouden vertrouwen, daarvan hing Israël’s lot voor lange tijd af. Wij zullen nu zien, hoe Israël zich afkeerde van de Heere zijn God, en de verboden vrucht koos: hoe het de wereldmacht en haar hulp koos, en de Heere verwierp, maar tot straf daarvoor onder die wereldmacht zuchtende bleef voortbestaan. Hieruit laat het zich opmaken, waarom de ene van de beide groepen, waarin het boek van de profetieën van de profeet Jesaja wordt verdeeld, tot brandpunt heeft de reeds in bovenstaand vers, als hoofdgebeurtenis aangeduide geschiedenis.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Koningen 15
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
X. Vs. 1-7.KruisverwijzingenLeviticus 13:46→2 Kronieken 26:3→2 Koningen 14:21→2 Kronieken 26:1→2 Koningen 15:13→Numeri 12:14→2 Kronieken 26:23→2 Koningen 14:16→
— In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda. Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem. En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had. Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands. Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
Evenals het rijk van Israël onder zijn 13de koning Jerobeam II een tijd van uiterlijke heerlijkheid geniet van een hoogte en een duur, als nooit te voren, om daarna een des te dieper val, ja de gehele ondergang tegemoet te gaan ( 14: 23vv.), zo verheft zich ook het rijk van Juda onder de in Jerobeams 15de regeringsjaar tot de troon gestegen tiende heerser Azaria of, zoals hij elders genoemd wordt, Uzzia van zijn zware nederlaag die het onder Amazia geleden had, tot grote macht en welvaart; want Azaria doet wat de Heere welgevallig is, en zo lang hij de Heere zoekt, laat de Heere hem alles gelukken. Maar ons bericht houdt zich bij deze uiterlijke bloei niet lang op, en vertelt in het algemeen zo goed als niets van Uzzia’s roemrijke werken, het haast zich om mee te delen, hoe hij, tot straf voor zijn hoogmoed in de latere tijd van zijn bestuur, melaats en voor de regering onbekwaam wordt. Daaruit zien wij, dat de uitwendige glans van zijn rijk, niet minder de kiem van het verderf in zich droeg, als die van het rijk van Israël, maar in Juda volgde op Uzzia nogmaals een goed koning, en de bloeitijd hield langer stand dan die van het rijk van de Tien stammen (Vergelijk 2 Kronieken 26: 3-23).
In het zevenentwintigste (lees: in het vijftiende) 1) jaar van Jerobeam, de koning van Israël ( 14: 23vv.), werd koning, Azaria of Uzzia 2) de zoon van Amazia, de koning van Juda.
De opgave van de grondtekst berust duidelijk op een schrijffout omdat toch, volgens 14: 17 Amazia de Israëlitische koning Joas ongeveer 15 jaar overleefd heeft, en dus reeds in het 15de jaar van Jerobeam II is gedood.
Amazia overleefde Joas van Israël nog 15 jaar, daarom stierf hij in het 15de jaar van Jerobeam II. Indien Uzzia dus in het zevenentwintigste jaar van Jerobeam koning was geworden, zou er een regeringloosheid van twaalf jaar zijn geweest. Dit komt echter niet uit en wordt ook door niets bevestigd, terwijl integendeel in 14: 21 wordt gezegd, dat terstond na Amazia’s dood, Uzzia koning werd. Wij hebben dan ook hier aan een fout bij de afschrijver te denken, door verwisseling van de tekens wij (15) met (27), wat natuurlijk gemakkelijk kon.
In de boeken der Kronieken (behalve in 1 Kronieken 3: 12), zowel als bij de profeten Amos, Hosea en Jesaja, wordt hij bestendig Uzzia genoemd. Men heeft gemeend, dat hij deze naam bij zijn troonsbestijging heeft aangenomen, terwijl hij als koninklijk prins Azaria heette, evenals Joahaz, de zoon van Joram, de vijfde koning van Juda, later Ahazia heette (2 Kronieken 21: 17; 22: 1 2 Koningen 8: 24vv.). Beide namen, waarvan de eerste betekent: “wie de Heere tot hulp is,” de andere: “wiens sterkte de Heere is,” worden echter ook bij andere personen afwisselend gebruikt, zoals b.v. bij een nakomeling van Kahath (1 Kronieken 6: 24, 36) en iets dergelijks bij een nakomeling van Haman (1 Kronieken 25: 4 en 18) Uzziël en Azareël; daarom is de bijna gelijke betekenis zeker de oorzaak van de dubbele naamaanduiding en kan moeilijk in verband staan tot de troonsbestijging of enige andere gebeurtenis in de regeringsgeschiedenis van de koning.
En hij, Azaria, deed wat recht was in de ogen van de HEERE, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had. Ook hij werd, na een aanvankelijk goed en theocratisch bestuur, 1) later de Heere ontrouw, en liet zich door een gelukkige uitslag, waarmee zijn ondernemingen gekroond werden, tot overmoed verleiden.
Naar 2 Kronieken 26: 5 zocht Uzzia God, zo lang Zacharia leefde, een profeet die wel te onderscheiden is van de elfde onder de kleine profeten, in de verborgenheden van de Heere was ingewijd, en misschien de grootvader of overgrootvader van koning Hizkia van moederskant was (2 Koningen 18: 2; 2 Kronieken 29: 1). Zo lang hij nu de Heere zocht, liet God ook zijn ondernemingen slagen; niet slechts bracht hij, zoals reeds in 14: 22 gezegd is, Edom al dadelijk onder zijn macht, en versterkte hij Elath opnieuw, maar hij was ook gelukkig in zijn oorlogen tegen de Ammonieten, Filistijnen, Arabieren en andere volken, voorzag Jeruzalem van nieuwe muren en bolwerken, bouwde burchten en wachttorens in de woestijn, zorgde voor een deugdelijk leger en bouwde in de hoofdstad grote werpmachines, om daaruit pijlen en stenen op belegerende legers te kunnen afschieten. Bovendien bevorderde hij in de vredestijd akker- en wijnbouw en veeteelt, zodat het onder Amazia uitgeputte land onder zijn regering weer bloeide en zich in grote welvaart verheugde, welk uiterlijk geluk echter, volgens de schilderingen van de destijds levende profeten ook een bron van verderf werd, omdat het volk tot aardse, vleselijke zin en hoogmoed verviel. Ja, Uzzia zelf verviel tot hoogmoed en trachtte de hogepriesterlijke waardigheid met de koninklijke te verbinden; als straf daarvoor sloeg de Heere hem, zoals wij in het volgende vers horen, met melaatsheid. Evenals over Jerobeam II, is ook over Azaria of Uzzia het bericht in de Boeken der Koningen boven verwachting kort, en beperkt het zich tot een algemene karakterschets van zijn regering; het is dus noodzakelijk, dat de lezer zich een nauwkeuriger beeld daarvan vorme uit de uitvoerige mededelingen der Kronieken en uit de profetische schriften. Uit dit laatste blijkt, dat de welvaart van het volk tot weelde ontaardde en de nog plaatshebbende dienst van de HEERE tot huichelarij maakte; dat is ongetwijfeld de oorzaak, waarom de schrijver van het Boek der Koningen zo snel over al de uiterlijke glans van Uzzia’s regering is heengelopen.
En de HEERE plaagde, 1) sloeg de koning toen hij, het ambt van priester zich aanmatigende, in de tempel ging, om op het altaar te roken (2 Kronieken 26), dat hij melaats
werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde gedurende deze laatste jaren van zijn regering in een afgezonderd huis, buiten de eigenlijke stad, zoals voormelaatsen in de wet was bevolen (Leviticus 13: 46); maar Jotham, de zoon van de koning, en diens latere troonopvolger (vs. 32vv.) was over het huis, bestuurde in plaats van zijn vader het koninklijke huis, richtende het volk van het land.
Een ieder blijve in de roeping, waarin hij geroepen is, en houde zich binnen de perken, die God aan zijn stand heeft gezet. Gods instellingen laten zich niet ongestraft verachten. God tuchtigt ook de groten in deze wereld met zwaar lijden, om hen hun nietigheid te herinneren en hen te verootmoedigen. Wanneer dit plaatsvond is niet nader aan te geven. De mening van sommigen, dat hij 25 jaar lang is ziek geweest is echter te verwerpen, omdat Jotham zijn plaatsvervanger en deze laatste 25 jaar oud was, toen hij koning werd. Om daarom het ambt van plaatsvervanger te verrichten, moest hij minstens 15 à 20 jaar oud zijn. In dit geval zou Uzzia 5 à 10 jaar melaats zijn geweest.
Ofschoon wij mogen denken, dat hij berouw had en God hem zijn zonden vergeven heeft, nochtans werd hij tot waarschuwing voor anderen, gedurende zijn gehele leeftijd onder dat teken van Gods misnoegen gehouden, hetgeen misschien ook goed en nuttig was voor zijn eigen ziel.
En Azaria1) ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; maar omdat hij aan de melaatsheid gestorven was, niet in de koninklijke erf-begraafplaats (1Ki 2: 10), maar, om deze niet te verontreinigen, in de aarde naast deze (2 (Kronieken 26: 23); en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats, nadat hij tot dusver reeds het ambt van plaatsvervangend regent van het rijk had bekleed.
In het doodsjaar van Uzzia (758 v. Chr.), werd Jesaja (eigenlijk Jeschajahoe, d.i. Heil van de HEERE), zoon van een zekere Amos, die de overlevering voor een broeder van koning Amazia ( 14: 1vv.) verklaart, tot het profetenambt geroepen (Jes. 6: 1vv.). Even onbewezen als de sage is, dat hij een nakomeling uit het koninklijk huis van David geweest is, is de andere, die hem tot opvoeder van de jonge prins Hizkia maakt en hem onder diens regering het ambt van Rijksgeschiedschrijver (2 Kronieken 26: 22; 32: 32) laat bekleden. Wel maken zijn wezen en zijn verschijning een volstrekt koninklijke indruk, zodat hij met het volste recht de koning van de profeten genoemd wordt; met koningen spreekt hij als een koning, met majesteit treedt hij de groten van zijn volk tegemoet en steeds bewijst hij zich meester van zijn onderwerp en van de taal. Maar dat koninklijk karakter komt uit iets anders dan uit koninklijk bloed voort, en slechts zoveel laat zich met zekerheid van hem zeggen, dat hij een geboren Jeruzalemmer was. In het midden van de 1500 jaren, dat het verbond van de wet duurde, tussen Mozes en Christus in, werkt Jesaja in het zo gewichtig keerpunt in de geschiedenis van Gods volk, toen dit, in de strijd van het oostelijke wereldrijk Assyrië met het westelijke of Egypte om het bezit van de wereldheerschappij, medegewikkeld, zijn vernietiging tegemoet ging. Toen had de profetie het dubbele doel, om in de aanstaande schijnbare zegepraal van de heidense goden een openbaring aan te wijzen van de straffende gerechtigheid van de HEERE tegen Zijn volk, en om het het herstel van de theocratie uit de puinhopen van het verwoeste rijk tot troost van de gelovigen aan te kondigen. Overeenkomstig dit dubbele doel valt bij Jesaja nog meer dan bij andere profeten de afwisseling in het oog, dat hij onder de beste regeringen de ernstigste dreigingen, en in de tijd van de allerslechtste koning, van Achaz, daarentegen de vertroostendste beloften vermeldt. Nadat het 15de jaar van Hizkia (712 v. Chr.) om was, heeft de profeet, naar het schijnt, zich niet meer met de openbare zaken beziggehouden, maar hij leefde, naar ene geloofwaardige overlevering, nog tot aan het begin van Manasse’s regering (698 tot 643 v. Chr.), toen hij als slachtoffer van het heidendom, dat toen weer heersende godsdienst geworden was, gevallen zou zijn. Wat de Talmud vertelt omtrent de wijze, waarop hij de dood vond, klinkt zeker fabelachtig. Toen Manasse de woorden van de bestraffende rede van Jesaja vernomen had-zo luidt een aantekening bij 21: 16 -werd hij met toorn tegen hem vervuld, zijn gerechtsdienaars liepen de profeet na om hem te grijpen, en hij ontvluchtte hen. Toen vertoonde zich een Johannes-broodboom, waarin hij zich verborg; maar er kwamen timmerlieden, die de boom doorzaagden, zodat Jesaja’s bloed eruit vloeide. Omdat intussen doorzagen een de Israëlieten niet onbekende wreedheid was (2 Samuel 12: 31; 1 Kronieken 20: 3 20.3) en in Hebr. 11: 37 ook van zulke bloedgetuigen sprake is, die in stukken gezaagd zijn, lijdt het wel geen twijfel, dat Manasse werkelijk Jesaja liet doorzagen. Daaruit volgt, dat hij de leeftijd van minstens 85 jaar bereikt moet hebben, en nog heden wijst men ten zuiden van de vijver van Siloa (2 Samuel 17: 17″ en “1Ki 7: 26) een moerbeiboom aan op de plaats, waar de wrede daad gebeurd zou zijn. Overigens wordt geen profeet zo dikwijls in het Nieuwe Testament aangehaald.
Lees dus zijn profetieën met de bede van de vrome Abt Aelredus van Rieval (gestorven 1166 na Chr.): “Gij die de heilige Jesaja hebt ingegeven te schrijven, geef, ik bid het U, geef mij te verstaan, wat hij geschreven heeft, nadat Gij mij reeds gegeven hebt te geloven; want wanneer wij niet vooraf het geloof hebben, zullen wij het ook niet verstaan.”. *XIV. Vs. 8-12. Wat de Heere niet slechts aan Jehu toegezegd, maar ook later onder Jerobeam II door de profeet Hosea ( 1: 4) bevestigd had, dat wordt in Zacharia vervuld, die 11 jaar na zijn vaders dood hem in de heerschappij over het rijk van Israël opvolgt; want reeds na 6 maanden wordt hij door Sallum voor aller oog gedood. Maar met hem wordt ook het andere woord in dezelfde profetische uitspraak vervuld, dat aan het koninkrijk van het huis van Israël een einde gemaakt zal worden; want zijn opvolgers zijn niet zozeer koningen als wel rovers en tirannen, die de naam van koningen onwaardig zijn, die de door misdaad verkregen en door misdaad gehandhaafde heerschappij ook door misdaad weer verliezen.
In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, d.i. in het jaar 772 voor Chr., nadat sinds de dood van de vorige koning een tijdruimte van 11 jaar in anarchie of regeringloosheid was vervlogen, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam ( 14: 23-29) over Israël te Samaria, maar niet langer dan zes maanden. 1)
God had het volk van Israël beproefd, beide door oordelen en door weldaden, en de roepende stem, die daarin moest opgemerkt worden, verklaard en aangedrongen door Zijn knechten, de Profeten. Maar zij bleven desalniettemin hardnekkig en onverbeterlijk en daarom bracht God rechtvaardiglijk deze vloek over hen, dat er telken reize mededingers naar de oppermacht waren, en dat de vorsten doorgaans welhaast weggerukt en anderen uit andere geslachten in hun plaats kwamen; welke veranderingen doorgaans verstrekken tot verergering en verzwakking van een staat, en dikwijls vergezeld geen met burgerlijke beroerten, met verwisseling en omkering van de wetten, met zware schatting en lasten, met de ondergang van vele geslachten en met vele andere onheilen. Immers, nu werd het de tijd van Israël’s ellende, en oordeel volgde op oordeel, totdat zij verdelgd waren.
En Sallum (d.i. de Vergoldene-wie vergolden wordt (Jer. 22: 11), de zoon van zekere Jabes, maakte, toen Zacharia nog slechts een half jaar geregeerd had, een verbintenis tegen hem en sloeg hem, heel onbeschaamd voor het aangezicht van al het volk, en doodde hem 1) dus openlijk, terwijl vroegere samenzweringen op z’n minst in een meer beperkter kring van vertrouwelingen tot uitvoering waren gekomen (1 (Koningen 15: 27; 16: 9); en hij werd koning in zijn plaats.2)
Door de profeet Hosea ( 1: 4) wordt gezegd: Ik zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden. Terecht heeft daarom Witsius gezegd, dat met Zacharia in de grond van de zaak het koningschap in Israël heeft opgehouden. “Want,” zegt hij, “de opvolgers van Zacharia waren niet zozeer koningen als wel dieven, straatrovers en moordenaars, de doorluchtige naam van koning onwaardig.”.
Het is een teken van algemeen zedelijk verval, wanneer onder een volk, of in een stad, of in een dorp zonden en ongerechtigheden, die anders het duister van de nacht en het verborgen zoeken, openlijk, zonder afschuw, ontzetting en tegenstand op te wekken, gepleegd worden.
De jaren, die nu volgen, zijn allen jaren van ellende voor Israël geweest, jaren, die voorspelden, dat de ondergang van het rijk van de Tien stammen vast besloten was. Innerlijk geteisterd door opstand en beroering, uiterlijk bedreigd en verdrukt door de macht van Assyrië ging het Rijk van Israël met snelle schreden zijn ondergang tegemoet. De koningen, die Israël nu regeren, zijn geen rechtmatige koningen meer, maar langs de weg van ruw geweld en moord op de troon gekomen. Israël had niet willen wandelen in de rechten en instellingen van de Heere God, en nu, God heeft veel geduld, omdat Hij eeuwig is, maar eindelijk komt ook aan Zijn lankmoedigheid een einde. En met de dood van Zacharia was feitelijk het begin van het einde gekomen.
Dit, dat reeds deze vierde nakomeling van Jehu vroegtijdig zo’n gewelddadige dood moest vinden, was vervulling van het woord van de HEERE, dat Hij vroeger ( 10: 30) gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde lid op de troon van Israël zitten; 1)en het is alzo juist gebeurd, als voorzegd was, zodat Jehu’s dynastie op de bepaalde tijd eindigde, terwijl het toch zo makkelijk anders had kunnen uitkomen, indien niet juist Gods raadsbesluit een vroeger einde verhinderd, en een later onmogelijk gemaakt had.
Dit was tevens een feitelijke bevestiging van de verklaring van de HEERE, dat Hij de zonden van de vaderen zou bezoeken aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht (Exodus 20: 5; 34: 7 Deuteronomium 5: 9), d.i. dat Hij de zonden tegen het eerste en hoogste gebod: “Gij zult geen goden voor Mijn aangezicht hebben, en gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, tegen dit fundament van het verbond en het middelpunt van het Israëlitische (hetgeen voornamelijk ook “de Jerobeamszonde” was) bij geen stamhuis langer dan tot aan het derde of vierde lid dulden, en wanneer ook dan nog geen verandering kwam, het verdelgen zou. Geen koninklijk huis in Israël, dat aan de zonde van Jerobeam of de afgoderij was overgegeven, bestond langer dan tot aan het derde of vierde lid. Het huis van Jerobeam ging, zoals dat van Baësa en Menahem, met het eerste lid onder, het huis van Omri met het derde, en het huis van Jehu met het vierde, Zimri, Sallum, Pekah en Hosea stierven zonder opvolgers, terwijl het huis van David, waarin de afval, al werd ook een koning ontrouw, toch nooit op een verder lid overging, onafgebroken op de troon bleef.
XV. Vs. 13-16.Kruisverwijzingen2 Koningen 8:12→1 Koningen 14:17→2 Koningen 15:1→Hosea 13:16→1 Koningen 4:24→2 Koningen 15:8→1 Koningen 16:15→Job 20:15→
— Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel. Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
Slechts één maand lang kan Sallum zich op de troon handhaven; toen trekt zijn veldoverste Menahem, die in Thirza met het leger is gelegerd, van daar weer op en slaat hem te Samaria, om daarna de ontworpen veldtocht tegen Thapsakus uit te voeren. Hij neemt de stad in, en behandelt de inwoners op gruwelijke wijze, omdat hij alle zwangere vrouwen het lichaam laat opensnijden.
Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda (771 voor Chr.); en hij regeerde niet langer dan een volle maand te Samaria.
Want Zacharia’s krijgsoverste Menahem, de zoon van Gadi, trok, toen hij van de troonsverwisseling (vs. 19) gehoord had, met een deel van zijn troepen op van Thirza, de voormalige residentie van de Israëlitische koningen (1 (Koningen 12: 25), waarin hij juist met het gehele leger legerde, om tegen de van Israël afgevallen stad Tiphsa of Thapsakus, aan de westelijke oever van de Eufraat (2 Samuel 8: 6) op te trekken, en hij kwam te Samaria om de troon voor zichzelf te verkrijgen, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 1)
Een troon, die met zonden gebouwd is, houdt geen storm uit. Sallum, de koning van één maand, was door niets merkwaardig dan dat hij vermoordde en vermoord werd. Hieruit blijkt genoeg in welke toestand land en volk zich bevonden.
Toen, 1)nadat hij de koninklijke waardigheid aan zich gebracht had, sloeg Menahem, thans weer tot de geschorste veldtocht (vs. 14) terugkerend, Tifsah, 2) met allen, die daarin waren, ook haar gebied, de stad met al haar inwoners en haar gehele gebied, van Thirza af, zijn voormalige standplaats, waar hij het voornaamste deel van het leger had achtergelaten; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken; tot vergelding voor de hardnekkige tegenstand, die de goed versterkte stad hem bood, sneed hij na de inneming haar het lijf open (2 (Koningen 8: 12 (Hos. 14: 1 Amos 1: 13).
Toen Jerobeam II de grenzen van het rijk in het noordoosten herstelde, zoals het onder Salomo geweest was ( 14: 25), was ook Thapsakus, dat waarschijnlijk in de nabijheid van het tegenwoordige Rakka bij de ondiepte El Hamman gezocht moet worden, weer aan Israël gekomen (1 Koningen 4: 24); maar gedurende de Anarchie, door Jerobeams dood (2Ki 14:
, had die stad zich losgescheurd, totdat Zacharia aan de regering kwam en zijn krijgsoverste Menahem opdroeg om haar voor haar afval te tuchtigen en onder zijn macht terug te brengen. Op de tocht daarheen, toen hij in Thirza het leger had samengebracht, hoort Menahem van Zacharia’s moord door Sallum, werpt deze met een legerafdeling van de troon, maakt zichzelf koning en voltooit nu pas de begonnen onderneming. Dit eerste werk van zijn regering wordt hier bij de geschiedenis van Sallum verteld, juist zoals hiervoor in 14: 22 de versterking van Elath door Azaria of Uzzia nog bij de geschiedenis van zijn vader Amazia is vermeld.
Tifsah lag aan de westelijke oever van de Eufraat en volgens Movers aan de grote handelsweg van Egypte, Phoenicië en Syrië naar Mesopotamië en de Midden-Aziatische rijken. Deze vesting, die zeer sterk was, was dus van grote betekenis voor het rijk van Israël.
*XVI. Vs. 17-22. Mehahem is nog niet tot rust gekomen na zijn door koningsmoord en wreedheid verkregen heerschappij, als reeds Pul, de koning van Assyrië, in het land valt, en de tegenpartij van de eerste in hem een hulp meent te vinden om zich van hem te ontdoen. Maar Menahem is slim genoeg, om door een schatting van duizend talenten zilver, die hij aan Pul belooft en van zijn volk afperst, de Assyrische koning voor zich te winnen, en niet alleen hem tot de aftocht te bewegen, maar zich ook zodanig op de troon te bevestigen, dat na een regering van 10 jaar zijn zoon hem kan opvolgen, ofschoon niet zonder tegenstand.
In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, d.i. in het jaar 771 v. Chr. (zie vs. 13), werd Mehahem, de zoon van Gadi, koning over Israël en regeerde tien jaar, tot 760 v. Chr., te Samaria.
Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land, misschien door Mehahems veldtocht tegen Thapsakus (vs. 16) daartoe gedwongen; en Mehahem, ziende dat de tegenpartij, die hem van de troon probeerde te stoten, van de komst der Assyriërs gebruik maakte om dit uit te voeren; gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat zijn hand met hem zou zijn, een het koninkrijk in zijn hand te sterken. 1)
In plaats van de God van Israël te vertrouwen, die Zijn volk reeds zo dikwijls uit grote nood gered had, en tot Hem te zeggen: Mijn toevlucht en mijn burg! Mijn God, op wie ik vertrouw! (Psalm 91: 1, 2) zoekt Mehahem steun en bescherming bij Israël’s vijanden, en koopt die met het van zijn onderdanen afgeperste geld. Maar het bleek dat met vreemd geld gekochte vriendschap niet van lange duur is, en dat de man vervloekt is, die op een mens vertrouwt (Jes. 17: 5). Mehahem was, zoals duidelijk uit vs. 16 blijkt, waar gemeld wordt, dat hij zelfs de ongeboren vrucht niet spaarde, een bij uitstek wreed man. Moord had hem op de troon gebracht, moord en geweld moest hem op de troon houden. Daardoor kon hij zich geheel niet bemind maken bij zijn onderdanen. Integendeel moesten zij zich van hem vervreemden. Daarom, naar onze mening, durfde hij zich tot tegenweer niet gereed maken tegen de koning van Assyrië, vrezende dat zijn eigen volk hem zou afvallen, of hem zou uitleveren aan de vijanden. Maar daarom kocht hij ook de oorlog af door een grote som geld, die zijn uitgemergelde onderdanen weer moesten opbrengen. Met Pul, de koning van Assyrië, treedt voor het eerst deze grote wereldmacht in de Heilige Schrift op. Uit de laatste woorden van dit vers blijkt voldoende, dat Mehahem zich niet vast op de troon voelde.
Mehahem nu bracht dit geld, deze belasting op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, van de rijksten, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; Zo keerde de koning van Assyrië terug, nadat hij Mehahem in het koninkrijk bevestigd had, en bleef daar niet in het land (Hos. 5: 13; 7: 11; 8: 9 De Assyriërs, tot de stam van de Semieten behorende, hadden oorspronkelijk hun zetel in Sinear (Mesopotamië of Babylonië), maar waren voor de inbrekende macht van Nimrod aan de boven-Tigris en Eufraat geweken en hadden daar, waarschijnlijk met nog andere stammen vermengd, een nieuw rijk gesticht, dat in het westen en noordwesten aan Mesopotamië, in het oosten aan Medië en in het zuidoosten aan Suziana grensde, dus het tegenwoordige Kurdistan bevatte (Genesis 10: 11vv. 22). Ofschoon bergland, door een tak van de Taurus, de Sogrus, doorsneden, was het land wegens zijn vele, tot het stroomgebied van de Tigris behorende stromen, en zijn veelvuldige dalen toch zeer geschikt voor de graanbouw; tegen de heuvels en voorgebergten van het bergland werd een heerlijke wijn gewonnen; de lage dalen waren door granaat-, vijgen-, olijven- en notenbomen belommerd, de berghellingen van de middelste bergstreek met mooie eiken-, platanen- en pijnbomen-wouden bezet, en op de vruchtbare weiden van de hogere bergstreken graasden runderen, paarden, schapen en geiten. Ook hadden de Assyriërs een belangrijke bijenteelt ( 18: 32). Omdat zij daar met nog andere volksstammen vermengd woonden, bevatte ook hun godsdienst en hun taal verschillende bestanddelen; zij hadden onder hun afgoden een god van de duisternis, overeenkomende met de Medo-Perzische Ahriman, en een op Babylonisch-Egyptische oorsprong wijzende Adramelech of Vuurkoning, terwijl hun planeten-godheid Anahid dezelfde is, als de Mylitta (Derkéto) bij de Babyloniërs en de Astarte bij de Phoeniciërs. Door veroveringen werd Assyrië in de loop van de tijd één groot rijk, waarvan Ninus en Semiramis als grondleggers worden opgegeven. Ninus, die voor een zoon van de zonnegod Bel gehouden werd, bevocht, volgens de mededelingen van de oude geschiedschrijvers, de koning van de Babyloniërs, vervolgens de Armeniërs en Meden, en onderwierp in een zevenjarige oorlog ook de volken van Klein-Azië aan zich. Toen hij daarna ook tegen Bactrië, het tegenwoordige Balkh met een deel van Bucharije, streed, en een goed versterkte burcht te Baktra zijn zegevierende loop dreigde te stremmen, lukte het hem met behulp van de listige en moedige Semiramis, de vrouw van een voorname Assyriërs, om in het bezit van de burcht te raken; als dank daarvoor verhief hij haar tot zijn gemalin, maar haar vroegere echtgenoot Menon bracht zich uit wanhoop daarover om het leven. Na de dood van Ninus, die van de op zijn krijgstochten gemaakte buit de stad Ninevé aan de oostelijke oever van de Tigris, tegenover het tegenwoordige Mosul, tot zijn residentie bouwde, nam Semiramis voor haar nog onmondige zoon Ninus de regering in handen, verfraaide Babylon, Ecbatana en andere steden, bracht door het aanleggen van kunstwegen, kanalen, dammen, enz., vele goede zaken tot stand en zette ook de veroveringen voort; maar haar laatste krijgstocht tegen Indië mislukte, en kort daarop vond zij haar dood. Volgens de overlevering werd zij tot de goden weggevoerd; omdat zij voor een dochter van Derketo gehouden werd, noemt men haar geslacht de Derketaden. De met Ninus beginnende heerschappij van despoten telt 30 op elkaar volgende koningen, meest verwijfde in de werkeloosheid van het paleisleven zich voortplantende vorsten, van wie de laatste Tonoskonkoleros, met de bijnaam Sardanapalus I, in een opstand bezweek. De Medische stadhouder Arbaces, zo’n verwijfde gebieder moe en door de Babylonische priester Belesis opgestookt, bracht de Meden en Babyloniërs tot een opstand; driemaal teruggeslagen door de zich verwerende Sardanapalus, wilde hij reeds de onderneming opgeven, maar liet zich door Belesis tot een vierde poging overhalen; en deze lukte. De stad Ninevé werd ingenomen; Sardanapalus verbrandde zich met zijn vrouwen en kinderen op een brandstapel om de smaad van de gevangenschap te ontgaan, en het Oud-Assyrische rijk nam, zoals men gewoonlijk aanneemt, in het jaar 888 v. Chr. een einde, nadat het volgens de opgaven van Herodotus 520 jaar bestaan had. De wereldse geschiedschrijvers sluiten daarmee Assyrië’s geschiedenis, en beginnen met Arbaces, de overwinnaar van Sardanapalus, een nieuwe, de Medische dynastie, die tot op Astyages, de grootvader van Cyrus, wordt voortgezet. Om nu de Bijbelse berichten daarmee overeen te brengen, heeft men een tweede, het Nieuwe Assyrische rijk aangenomen, voor wiens stichter men de in deze tekst vermelde Pul (omstreeks 770 voor Chr.) houdt. Tot zijn opvolger had hij Tiglath-Pilezer ( 16: 8vv.); op deze volgde Salmanasser, die het rijk van Israël verwoestte ( 17: 3vv.), het rijk van Juda aan zich schatplichtig maakte ( 18: 7), Medië en Perzië onder zijn heerschappij had ( 18: 11) en volgens Josefus belangrijke vorderingen in Syrië maakte. Of de in Jes. 20: 1 genoemde Sargon een en dezelfde persoon met hem of zijn veldheer is, die na zijn dood zich tot koning maakte, en na veeljarige strijd met de rechtmatige erfgenaam van de troon zich in de heerschappij versterkte, moet in deze zin beslist worden, dat hij zijn opvolger is geworden; in dit geval zou Salmanasser bij deze driejarige belegering van Samaria gestorven zijn, en Sargon is het dan wezenlijk geweest, die het volk van de tien stammen in de Assyrische ballingschap heeft gevoerd. Daarna wordt Sanherib vermeld ( 18: 13vv. 18.13), een tijdgenoot van de Egyptische koning Sethos (in de Bijbel Tirhaka genoemd); hij verscheen ten tijde van koning Hizkia voor Jeruzalem, maar gaf ten gevolge van een plotseling sterven in zijn leger de belegering op en trok met de rest van zijn ontzaglijk leger onverrichter zake in zijn land terug, waar hij later door zijn oudste zonen vermoord werd ( 19: 36). Thans kwam op de troon zijn jongere zoon Assar-Haddon, die naar de ontvolkte streken van het voormalige rijk van de tien stammen kolonisten uit Perzië en Babylonië overbracht ( 17: 24 Ezra 4: 2); hij was het ook, die door zijn veldheren koning Manasse gevangen van Jeruzalem naar Babel bracht, waar deze zich bekeerde. Later mocht hij in zijn rijk terugkeren (2 Kronieken 33: 11vv.). Van nu af bevat de Heilige Schrift geen verdere aanduidingen over de geschiedenis van het Assyrische rijk; maar wel worden ons nog enige meerdere berichten gegeven in uittreksels uit de geschiedenis van Babylon door Berosus, een priester van Belus in Babylonië, die omstreeks 268 v. Chr. schreef, en de jaarboeken van de Belustempel tot zijn doel wist te gebruiken. Op Sanherib, die, wanneer men Sargon ongeveer in den tijd van 722 tot 716 voor Chr. plaatst, sinds laatstgenoemd jaar regeerde, en Assar-Haddon, wiens tijd ongeveer tot 668 reikt, volgde eerst Samughes met 21 jaar en daarna diens broeder Kiniladan met eveneens 21 jaar, zodat wij met hem tot op het jaar 629 voor Chr. afdalen. Reeds onder deze beide regenten ging het Assyrische rijk telkens zekerder zijn ondergang tegemoet, totdat het daarna onder hun opvolger en met hem werkelijk een einde nam. Gewoonlijk wordt deze als Sardanapalus II aangeduid, maar hij draagt daarbij tevens de naam van Saracus of Sarak. Had reeds in het jaar 633 voor Chr. Phraortes van Medië een veldtocht tegen Ninevé, maar vruchteloos ondernomen, terwijl Kineladan hem bestreed en doodde (2Ki 22: 2), zo nam zijn zoon Cyaxares de zaak weer ter hand; aanvankelijk moest hij zijn onderneming wel weer opgeven, omdat de Scythen hun eerste grote inval maakten, maar later verbond hij zich met de onderkoning Nabopolassar van Babylonië tot een besliste omverwerping van het Assyrische rijk. Dit gebeurde omstreeks het jaar 610 voor Chr. Maar niettegenstaande de Assyriërs in weelde en ongerechtigheid verzonken waren, zo was toch nog veel van de oude kracht in hen, en een stad van zo’n grootte als Ninevé, kon zo gemakkelijk niet genomen worden. Drie jaar duurde de belegering, en reeds meermalen waren de aanvallen van de verbondenen afgeslagen; toen bereidde Sardanapalus zijn soldaten een feest, de vijand maakte van deze gelegenheid gebruik en drong de Assyriërs tot in de binnenste vestingen van de stad terug. Toen nu later de Tigris, door langdurige regens gezwollen, buiten zijn oevers trad en een groot deel van de vestingwallen wegnam, drongen Meders en Babyloniërs met weinig moeite Ninevé binnen, verwoestten de stad voor altijd en verdeelden de buit en het bezit van het Assyrische rijk onder elkaar (Nah. 2: 2vv. Zef. 2: 13vv.). Daarvan verder bij 23: 29vv. Nadat reeds in het jaar 1820 de ruinen-heuvels van de stad de opmerkzaamheid van de Engelse reiziger Zich in Bagdad gedurende zijn verblijf in Mosul tot zich getrokken hadden, begon de Franse Consul Botta, op last van zijn regering, in het jaar 1842 uitgebreide opgravingen, eerst in de heuvel van Kojundschuk, maar daarna met veel beter gevolg in Khorsabad; hier stiet hij op de bovenhoek van een kamer, weldra opende zich een samenhangende rij van zalen van een oud koningspaleis, dat daarop in de jaren 1851-54 met ringmuren, torens en al geheel werd opgegraven. In het jaar 1845 begaf zich hierop de Engelsman Layard naar Ninevé en begon de ruinenheuvel van Nimrod te onderzoeken, hetgeen wel een korte tijd door de tegenstand van de Turkse regering werd afgebroken, maar daarna met haar bijstand ook werd toegepast op de heuvel van Nebbi-Junus; een groot getal van de door Botta en zijn opvolger Place gevonden beeldhouwwerken zijn in het museum van het Louvre te Parijs geplaatst. Door al deze onderzoekingen is dan gebleken, dat de naam Ninevé twee betekenissen heeft. Allereerst betekent hij een afzonderlijke stad; meer daarnaast duidt het woord ook een vereniging van vier grote eeuwenoude steden aan, waartoe ook het eigenlijke Ninevé behoort, en van vele kleinere troonplaatsen, kastelen enz. Dit Ninevé in ruimere zin is aan drie zijden door rivieren, (noordwestelijk door de Khors, westelijk door de Tigris, oostelijk en zuidelijk door de Ghazr Su en de grote of Boven-Zab) maar aan de vierde door bergen, die uit het rotsplateau oprijzen, begrensd, en was rondom door dammen, kanalen, wallen en kastelen naar de kunst versterkt. Het vormde een trapezium (ongelijkzijdige vierhoek) welke scherpe hoeken noord- en zuidwaarts liggen, en welke lange zijden door de Tigris en de bergen gevormd worden. De vier steden, die dit trapezium insluit zijn: 1e. het eigenlijke Ninevé in de noordwestelijke hoek aan den Tigris, de puinhopen van Kojundschuk, Nebbi-Junus en Ninua omvattend; 2e. de latere hoofdstad Nimrud, door enige voor het Bijbelse Kalach gehouden, aan een zuidwestelijke hoek tussen de Tigris en de Zab; 3e. een tot dusver nog naamloze en het minst onderzochte stad, binnen de grenzen waarvan het tegenwoordige dorp Selamiyeh ligt, noordelijk van Nimrud; 4e. de plaats die thans Khorsabad heet, die een burcht en tempelbouwvallen besluit en aan de rivier Khosr ligt. Hieruit werd het begrijpelijk, dat de stad 2 miljoen inwoners kon hebben en de profeet Jona ( 3: 3vv. 4: 11) drie dagen lang daarin kon rondtrekken; deze opgave komt nauwkeurig overeen met die van Diodorus van Sicilië, die de omtrek van de stad op 480 stadiën op 12 Duitse mijl bepaalt (1 dagreis = 4 mijl). Wat nu de bouwvallen van deze grote stad van de oude wereld, zover zij tot heden is opgegraven, betreft, zo zijn de voornaamste daarvan: 1e. die van Nimrud. Dit is een kunstig terras door mensenhand, waarop vroeger eenmaal minstens negen gebouwen stonden en waarvan trappen afvoeren naar de Tigris. In de noordwestelijke hoek van het terras staat een hoge toren, daarnaast staan twee kleine tempels met afgodsbeelden; maar aan de noordwestzijde bevindt zich het zogenaamde noordwest-paleis met de hoofdgevel naar het noorden, het oudste van de tot heden ontdekte Assyrische paleizen. Het naaste paleis dat men zuidwaarts bereikt, is het zuidwestpaleis met een grote prachtige zaal van 220 voet lengte en 100 voet breedte en een ingang aan het noordeinde, die door twee kolossale gevleugelde dieren bewaakt wordt. Het daarop volgende zuidoostpaleis staat ten opzichte van de grootte en de bouwstoffen ver achter bij de beide vorige gebouwen en bevat slechts kleine vertrekken. In het midden van het terras zijn ook nog sporen van een ander paleis, dat men het centraalpaleis genoemd heeft; maar dit werd door andere Assyrische koningen gedeeltelijk herbouwd, gedeeltelijk werd het materiaal tot nieuwe bouwwerken gebruikt, zodat men het algemene plan niet eens meer kan herkennen. 2e. Een gebouw uit later tijd, zeker van Sargon, de vader van Sanherib, afkomstig, werd door bovengenoemde Franse consul Botta te Kojundschuk ontdekt. 3e. Het paleis van Kojundschuk is door Sanherib zelf gesticht. 4e. Bovendien bevinden zich nog paleizen in de heuvel van Nebbi-Junus, maar daar mochten tot dusver geen opgravingen gedaan worden, omdat de Moslims die heuvel houden voor het graf van de profeet Jona, dat zij niet willen laten ontheiligen. De inscripties, die de muren van al deze paleizen bedekten, zijn in het zogenaamde spijkerschrift geschreven; het is uit de hiërogliefen van een oud-Uralisch volk ontstaan, tot op de tijd van Antiochus de Grote in de Aziatische landen in gebruik geweest en bestaat uit samenstellingen van wiggen en winkelhoeken, waardoor het zeer geschikt is voor monumenten. Als de telkens terugkomende ontcijfering van deze opschriften volkomen gelukt zal zijn en een samenhangende en betrouwbare geschiedenis van de Assyrische koningen daardoor zal zijn verkregen, zal, dit vertrouwen wij, ook dit gesteente de waarheid van de Schrift volkomen bevestigen.
Tot zo lang spreekt men over sommige gedeelten geen beslissend oordeel ten nadele van de Heilige Schrift uit.
Daarna ontsliep Mehahem 1) met zijn vaderen; hij was de enige van de laatste zes koningen van het rijk van de tien stammen, die een natuurlijke dood gestorven is; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats, maar zoals uit een vergelijking van vs. 17 met vs. 23 afgeleid schijnt te kunnen worden, pas enige maanden na de dood van zijn vader, omdat de troon hem aanvankelijk betwist werd.
Uit Mehahems tocht tegen Tifsah, welke stad hem niet binnenliet, d.i. hem niet als koning wilde erkennen, ziet men, dat hij niet bemind en dat het land reeds in partijen verdeeld was. Zijn woeden, als dat van de ruwste buitenlandse vijand, tegen zijn eigen landgenoten, doet hem ons kennen als een wrede tiran, die aanstonds alle tegenstanders van zijn troonsbestijging met vrees en schrik wilde vervullen. Van hem geldt, wat Macchiavelli (de principe 8) zegt: “Wie op een wederrechterlijke en geweldige wijze zich een kroon opzet, moet, wanneer het nodig is om wreed te wezen, alle wreedheid opeens uitoefenen, opdat hij niet elke dag daarmee behoeft voort te gaan.” Het tweede voor het rijk beslissende feit, was zijn verhouding tot Assyrië. Niet enkel om de hem bedreigende vijand tot de aftocht te bewegen, maar ook om door hem tegen zijn eigen volk beschermd te worden, legde hij zijn volk een grote schatting voor Assyrië op. Hij was de eerste Israëlitische koning, die, om zijn volk in bedwang te houden en zijn heerschappij te handhaven, van een uiterlijke mogendheid hulp en bijstand kocht; hij wilde dus zijn heerschappij bevestigen ten koste van de zelfstandigheid van zijn volk. Juist daartegen ijverde de profeet Hosea zo sterk (Hos. 5: 13; 7: 11; 10: 6 van het rijk te versterken, bracht hij het des te sneller bij zijn ondergang. Want de wereldgeschiedenis leert, dat bescherming van machtige rijken op onderdrukking door die rijken uitloopt, en dikwijls, zoals hier voor Israël, een straf wordt voor hem, die die hulp inroept.
*XVII. Vs. 23-26. Pekahia’s regering is bij grote verwarring, die in het rijk van Israël heerst, slechts van korte duur. nog geen twee volle jaren heeft hij het koninkrijk in bezit, of zijn hoofdman Pekah, aanvoerder van het uit Gileadieten bestaande deel van de koninklijke lijfwacht, staat tegen hem op en doodt hem met behulp van de onder zijn bevel staande 50 man in de koninklijke hofburg, en met de koning vallen tevens zijn beide verdedigers Argob en Arje.
In het vijftigste jaar van Azaria, (of Uzzia), de koning van Juda, d.i. 760 v. Chr., werd Pekahia, de zoon van Mehahem, koning over Israël, en regeerde twee jaar te Samaria, tot 759.
Het overige nu van de geschiedenissen van Pekahia, 1) en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël (1Ki 14: 19).
Uit Pekahia’s korte regering vermeldt de schrijver geen enkele gebeurtenis, dan alleen zijn einde, dat in een dubbel opzicht belangrijk was. Menahem had tot bevestiging van zijn koninkrijk en tot stichting van een nieuwe dynastie de bijstand van Assyrië duur gekocht; zo lang hij leefde bleef hij ook nog koning; meer nauwelijks had zijn zoon de troon bestegen, of het bleek hoe nietig Assyrië’s bescherming was, want reeds in het volgende jaar was het nieuwe koninklijke huis vernietigd. Tevens leren wij hieruit de stand van zaken in het land kennen. Pekahia werd niet door een machtige verklaarde vijand, maar door zijn vertrouwde adjudant met behulp van een deel van de lijfwacht, die hem beschermen moest, in zijn paleis vermoord. Zulke misdaden kunnen slechts daar voorvallen, waar reeds alle banden van tucht en orde, van trouw en gehoorzaamheid zijn verbroken (Hos. 4: 1-2).
*XIII. Vs. 27-31, Twintig jaar regeert Pekah, de zoon van Remalia over Israël. In de laatste jaren van zijn regering verbindt hij zich met het vroeger omtrent zijn volk zo vijandige Syrië, en doet in gemeenschap met Rezin van Damascus, reeds onder Jotham van Juda, strooptochten in het zuidelijk rijk, totdat hij eindelijk onder Achaz, het met zijn bondgenoot rechtstreeks toelegt op de vernietiging van het Davidische koningshuis, en op Jeruzalem aanrukt (vs. 37 16: 5vv.). Maar Achaz roept tegen beide tegenstanders, de Assyrische koning Tiglath-Pilezer te hulp, die niet slechts een einde maakt aan het Syrische rijk ( 16: 19vv.), maar ook van het rijk Israël, het noordelijk gebied evenals het Oost-Jordaanland verovert, en de inwoners naar Assyrië wegvoert. Dit is het begin van de Assyrische ballingschap.
In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, 759 v. Chr. werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël en regeerde twintig jaar tot 739 te Samaria.
In de dagen van Pekah, de koning van Israël, volgens Jes. 8: 4 waarschijnlijk in zijn laatste regeringsjaar, kwam Tiglath-Pilezer, koning van Assyrië, door Achaz, de koning van Juda te hulp geroepen ( 16: 5vv.) en nam Ijon, 2 3/4 uur zuidwestelijk van Hasbeya (1 (Koningen 15: 20) in, en Abel-Beth Maächa (2 Samuel 20: 14), en Janoah, dat nog niet gevonden is, maar zeker in de nabijheid van de eerstgenoemde plaatsen gelegen was, en niet te verwarren is met het (Jozua 16: 6vv.) genoemde Janoah, en Kedes, noordwestelijk van het meer Merom (Jozua 12: 22), en Hazor, in dezelfde streek (2 Samuel 15: 23) en Gilead, het gehele Oostjordaanland ( 14: 25) en Galilea, het land Glalil, het noordelijke deel van de latere provincie Galiléa (1Ki 9: 11), en het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen, de bewoners van dit veroverde gebied weg naar Assyrië, 1)en wel in de landstreek met die naam ten noorden van Ninevé en aan de zuidwestzijde van de Kaspische zee, waarheen onder Salmanasser ook de tweede wegvoering plaatsvond ( 17: 6; 1 Kronieken 5: 26).
Zozeer als koning Achaz van Juda en de met hem gelijkgezinden zich over deze wegvoering verheugen mochten, omdat zijn ontheocratische politiek ( 16: 7vv.) nu volkomen gelukt scheen, omdat Tiglath-Pilezer niet slechts Syrië ontvolkt, maar ook de andere vijand, het noordelijk rijk, vernietigd had, zo groot was daarentegen de droefheid van de ware gemeente over deze verwoesting van de wijnberg van de Heere. Psalm 50 is een uitdrukking van haar smart en tevens een merkwaardig getuigenis voor de algemene geest, die de gemeente van God van oudsher heeft bezield, een bevestiging van het woord van de apostel: Als één lid lijdt, lijden alle leden mee.
Door Abarbanel wordt, in verband met 1 Kronieken 5: 26 gezegd, dat dit de tweede wegvoering was. De eerste zou dan door Pul zijn bewerkstelligd. Echter ten onrechte. Wij hebben hier de eerste wegvoering, want van Pul lezen wij uitdrukkelijk, dat hij zich met de schatting van 1000 talenten tevreden stelde. Door deze wegvoering werd het rijk van de Tien stammen zeer verzwakt, omdat niet minder dan 4 ½ stam, voor een groot gedeelte, in ballingschap werd gezonden.
En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar 1) van Jotham, de zoon van Azaria of Uzzia.
Deze bepaling springt in twee opzichten in het oog; want allereerst heeft Jotham volgens vs. 33 slechts 16 jaar geregeerd, maar verder wordt in 17: 1 gezegd, dat Hosea pas in het 12de jaar van Achaz koning is geworden. Het eerste laat zich daaruit verklaren, dat een bepaling naar de regeringsjaren van Achaz niet aanging, omdat eerst nog van Jotham verteld moest worden (vs. 32), met wiens komst aan de regering de geschiedenis van Juda’s koningen was afgebroken (vs. 7); in plaats van: “in het vierde jaar van Achaz” wordt dus gezegd: “In het twintigste jaar van Jotham”, want deze man is de lezer reeds bekend. Maar ofschoon in dit jaar (het einde van 739 voor Chr.) Hosea Pekah ombracht, zo kwam hij toch niet aanstonds in het onbetwiste bezit van de troon, maar in deze tijd van innerlijke ontbinding van het rijk, volgde eerst andermaal een anarchie als die na de dood van Jerobeam II (2Ki 14: 29), en wel van 8 ½ jaar. Dit neemt men gewoonlijk aan, om de tweede van de vroeger opgegeven moeilijkheden weg te nemen.
Hij moest bij uitstek op een kroon verzot wezen, die zich te dien tijde aan zo’n groot gevaar, zoals dat van een verrader, wilde blootstellen, tot verkrijging van de kroon van Israël, ofschoon van haar uitgelezendste bloemen en kleinoden beroofd, en meer dan ooit met doornen bezet; een kroon, reeds lange tijd dodelijk, degene, die ze gedragen hadden en verbeurd verklaard door de Goddelijke Rechtvaardigheid, die ze eerlang in het stof leggen en vernietigen zou; een kroon, die een wijs man, deze op straat vindende, niet zou willen oprapen.
Het overige nu van de geschiedenissen van Pekah, 1) en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël (2Ki 14: 19).
De regering van Pekah was voor het rijk van Israël het begin van het einde. Dat Pekah, niettegenstaande het innerlijke bederf van het rijk, zich toch zo lang op de troon handhaafde, is wel een bewijs van zijn ongewone geestkracht, waaraan het hem evenmin als aan soldatenmoed schijnt ontbroken te hebben. De wijze waarop hij op de troon kwam, toont aan, dat hij een ruw, trouweloos en heerszuchtig mens was, die naar God en goddelijke dingen niet vroeg. Bij Jesaja wordt hij in het geheel niet met zijn naam, maar met verachting slechts “de zoon van Remalia” genoemd (Jes. 7: 4, 5, 9), waarschijnlijk omdat hij van lage afkomst was.
XI. Vs. 32-38.KruisverwijzingenJesaja 7:1→2 Koningen 16:5→2 Koningen 15:7→1 Kronieken 3:12→2 Kronieken 27:1→2 Kronieken 26:4→2 Koningen 15:3→2 Koningen 12:3→
— In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda. Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN. Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia. En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
Als Jotham na de dood van zijn vader Uzzia zelfstandig regent is geworden, volgt hij hem op de goede weg, die deze aanvankelijk had ingeslagen zonder tot zijn latere afdwalingen te raken. Als men de regering van de vorige en de tegenwoordige koning tot een geheel samenvat, moet men zeggen, dat het rijk van Juda toen een tijd van hoge macht en bloei beleefde, de hoogste sinds Josafat en de langste sinds de scheuring van het rijk, maar ook de laatste voor zijn ondergang, want reeds tegen het einde van Jothams regering begint de gebeurtenis zich voor te bereiden, die vanwege de beproeving die voor Juda en het huis van David zich eraan vast knoopte, van gewichtige gevolgen voor diens gehele verdere toekomst geworden is, de inval van de beide verbonden koningen Bezin van Syrië en Pekah van Israël in het rijk van Juda (Vergelijk 2 Kronieken 27: 1-9).
In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël (vs. 27vv. d.i. in het jaar 758 voor Chr.), werd in Juda Jotham, de zoon van Uzzia (Azaria), koning van Juda, nadat hij reeds bij het leven van de vader een tijdlang het regentschap en in diens lot een bestendig voorbeeld tot waarschuwing, waarheen godvergetenheid en hoogmoed voert, gehad had.
Vijfentwintig jaar was hij oud 1) toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar, tot 742 voor Chr., te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok misschien de in 1 Kronieken 6: 12 vermelden hogepriester met deze naam.
Hieruit blijkt, dat hij niet als Joram, ten tijde van zijn vader Josafat, regent was, maar enkel plaatsvervanger. Onder Jotham ging het met Juda uiterlijk zeer voorspoedig, maar innerlijk rijpte het voor het gericht. Donkere wolken pakken samen, die onder de regering van zijn goddeloze zoon zich zullen ontlasten.
Alleen werden de hoogten niet weggenomen, zoals dat ook onder de regering van zijn vader het geval was (vs. 4); want het volk offerde en rookte nog op de hoogten, en ging daarmee voort zich te verderven (2 Kronieken 27: 2): hij richtte echter van zijn zijde nog beslissender dan Uzzia het gedaan had, zijn wegen voor het aangezicht van de Heere zijn God, hoedde zich voor diens zonde, waarmee deze zich aan de Heere vergrepen had, door op wederrechtelijke wijze het heiligdom te betreden en te roken, hij onderwierp de Ammonieten en maakte hen zich schatplichtig en bouwde, behalve enige steden op het gebergte van Juda, burchten en torens, die hij tot versterking van het land in de wouden legde, en de muur van Ofel, of het zuidelijke afdak van de tempelberg (2 Kronieken 27: 3vv.), de hoge aan de noordzijde van de binnenvoorhof zich bevindende poort aan het huis van de HEERE,
die hij groter en mooier maakte, dan zij tot dusver geweest was.
Het strekt een vorst tot niet geringe roem, wanneer hij, in plaats van zijn paleizen te verfraaien en elpenbenen huizen (Amos 3: 15) te bouwen, de poort van het heiligdom bouwt en daarmee zijn volk toeroept: Gaat tot Zijn poorten in met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang (Psalm 100: 4).
Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Juda? (1Ki 14: 19) In 1 Kronieken 5: 17 wordt op een door Jotham voorgenomen telling van de aan de overzijde van de Jordaan gevestigde stam Gad gedoeld, terwijl 50-60 jaar eerder een dergelijke telling onder Jerobeam II van Israël was ontworpen, die later daar wordt vermeld, omdat bij de aanduiding van de beide koningen aan Jotham als koning van Juda de voorrang toekwam; daaruit blijkt, dat in dezelfde mate als het noordelijk rijk van zijn onder Jerobeam II bereikte hoogte, na diens regering afdaalde, zich weer de heerschappij van Juda uitbreidde over het Oost-Jordaanland, dat na Salomo’s dood zich eveneens aan de heerschappij van het huis van David onttrokken, en onder de innerlijke onlusten en buitenlandse oorlogen, die het noordelijk rijk verzwakten, zeer veel te lijden had.
Verder is uit Jothams regering op te merken, dat in het derde deel daarvan de bouw van de stad Rome (in het jaar 754 volgens Varro, volgens anderen 753 v. Chr.) heeft plaatsgehad, hetgeen niet zonder betekenis is.
De tijd van de zondeval tot aan de zondvloed was door God verordend, om de mens te tonen wat hij aan de zonde heeft, tot welke diepte zijn verdorvenheid reikt, en welke vrucht de afval voor hem draagt. Heeft nu de mens gedurende de eerste tijdruimte van de wereldgeschiedenis (van 4005-2349 v. Chr.) op krachtige wijze de noodzakelijkheid van verlossing leren kennen, zo bereidt de Here het menselijk geslacht tot gewillige aanneming van het alleen ware heil voor, door hun in lange en smartelijke ervaringen duidelijk te doen inzien, hoe zij zelf door eigen kracht de zo hoog nodige verlossing zich niet verschaffen kunnen. In heel de grote tijdruimte tussen de zondvloed en Christus wordt elk gebied onderzocht, worden alle mogelijke wegen naar alle mogelijke richtingen ingeslagen. Naar de drie hoofddelen van het menselijk zijn en leven, lichaam, ziel en geest, wordt die tijdruimte (van 2349-1 v. Chr.) verdeeld in drie grote perioden. De eerste, van de zondvloed tot aan de Babylonische spraakverwarring (2349-2218 v. Chr.); de zin van de mens is gedurende die tijd in de massa verdiept, op de stof, het ruw zinnelijke gericht; door middelen, uit dit gebied ontleent, tracht hij zich te helpen en genezing te verschaffen. Tweede periode, van de Babylonische spraakverwarring tot op de wereldmonarchieën, juist tot aan het optreden van de tweede Assyrische monarchie (2Ki 15: 29); het principe (het leidend beginsel) van de beweging is thans verplaatst in de ziel, in het lagere in het meer negatieve gebied van het verstandelijke leven; van nu af wordt hulp en genezing gezocht in zulke middelen als dit gebied verschaft. Daarom, zoals eenheid, de eenheid van de massa, de vroegere tijd beheerst had, zo wordt het nu op afscheiding toegelegd; de tijd van de particularismen, van de verschillende nationaliteiten, van de bijzondere nationale en lokale godsvereringen, van de uit de plaatselijke en gegevene zich ontwikkelende mythologie en symboliek (godenleer en tekentaal). Maar met betrekking tot dit gebied, moest het menselijke bewustzijn ontwaren, dat het de schat niet doet vinden, waarnaar het hart verlangend uitziet, om zijn honger en dorst te stillen, en zijn armoede weg te nemen. Spoedig vond het daarin dan ook geen bevrediging meer, het ging verder en wendde zich overeenkomstig zijn natuur, naar het algemene. Van nu aan een streven naar universalisme (algemeenschap) en reactie (tegenwerking) tegen het bestaande. De vormen, waarin de menselijke geest zich tot dusver bewogen had, en de voortbrengselen van deze beweging werden vernietigd; in de plaats van het oude kwam iets nieuws als vrucht van de nieuwe beweging; het algemene (universele) op staatkundig en verstandig gebied. Dit is de tijd van de wereldmonarchieën (Dan. 2: 1vv. 7: 1vv. van de wezenlijk universele kunst en wetenschap van de Grieken. Maar bij dit alles had de Heere, terwijl Hij het toeliet, Zich ook een doel van deze wegen voorbehouden; maar het doel van de Heere stond juist tegenover dat van de mensen: het was namelijk de beschaming van alle mensen, de verhoging van God alleen. Wel had Hij, juist tot dit doel, de mens aan zichzelf overgelaten, maar Hij wilde Zich aan hem niet onbetuigd laten; alle opvoeding toch heeft een dubbele zijde: een negatief en een positief moment. Nu behoorde het ook tot Zijn opvoedingswijsheid, dat Hij deze getuigenis een met de tijd en haar richting overeengekomen gestalte deed aannemen. Had dus in de tijd voor de zondvloed de getuigenis van Zijn gerichten zowel als Zijn genade de eenvoudige vorm van een aan allen meegedeelde traditie (overlevering) verkregen, zo vertrouwde Hij het van toen af toe aan een bijzonder volk, en wel in een vorm, die alleen overeenkwam met de toenmalige tijd, doordat Hij aan het volk van Zijn eigendom de waarheid onder een deksel en in beelden, als symbool (zinnebeeld) en type (voorbeeld) openbaarde. Maar deze vorm was, hoewel hij het eeuwige in zich besloot, toch zelf niet eeuwig, niet overeenkomende met de gestalte, waarin het eeuwige verschijnt, en het kon dus Gods doel niet zijn, dat die vorm zou blijven. Dus, wanneer de waarheid en het wezen in Christus zelf eenmaal geopenbaard zou zijn, dan zou in de plaats van het afbeeldsel en het voorbeeld het oorspronkelijke beeld zelf in geest en in waarheid ervoor in de plaats treden. Zo moest in ieder geval ook het volk van het eigendom te zijner tijd een verandering in zijn toestand en in zijn betrekking ondergaan, een verandering, die, was zij ook juist niet noodzakelijk eraan gelijk, dan toch overeen zou komen met de verandering, die met al de andere volken eenmaal kon em moest plaatshebben. Zoals in het derde tijdvak overal, ten minste bij alle volken, die geroepen waren om in de ontwikkelingsgang van de wereldgeschiedenis in te grijpen, het universalisme in de plaats van het tot dusver geheerst hebbende Particularisme trad, zo moest een dergelijke verandering ook bij het volk Israël voorkomen. Israël als wereldgemeente, Israël als wereldprofeet, Israël niet meer beperkt binnen de enge grenzen van het land Kanaän, maar uitgaande over de gehele aarde, zendingswerk drijvende onder alle volkeren, overal predikende van het zaad van Abraham, waarin al de geslachten van de aarde gezegend moesten worden, allerwegen koloniën en nederzettingen stichtende, bereid om de drager van een algemene wereldbeweging op geestelijk gebied te worden, en zo het grote, wijde rijk te banen en voor te bereiden van Hem, die de alleen gerechtigde Universeelmonarch zou kunnen zijn: dat moest in ieder geval Israël’s roeping in deze derde periode worden. Maar de geschiedenis van Israël, zoals zij zich in werkelijkheid heeft ontwikkeld, laat zich uit deze factor alleen nog niet verklaren: er moet nog een tweede bijkomen. Bij dit alles waren twee zaken mogelijk. Israël kon tot deze overgang komen, bij wijze van een gelukkige metamorfose of herschepping; maar ook bij wijze van een oordeel. Zo kon de oorspronkelijke mens uit zijn volkomen toestand in het Paradijs tot de hogere, die hem van begin af aan was toegedacht, komen in de weg van voortdurende ontwikkeling. Maar sinds die eerste val is vallen van de kunst van de mens; is doorgang door de dood voor de mens voorwaarde om tot hoger leven te komen. Dat zien wij ook bij Israël: het moet sterven; niet als metamorfose, maar onder smart en pijn, met gewelddadige vernietiging van de oude vorm vond de overgang plaats; in plaats van een herschepping en verheerlijking moest een dag van het gericht komen, het oordeel van de verwerping. Israël had zijn land kunnen behouden; het had heer en meester kunnen blijven in dit zijn land; verheerlijkt en geprezen vanwege zo’n handhaving van zijn zelfstandigheid te midden van de wereldhistorische stormen had het, van zijn erfland uitgaande, door bezwijkende rijken en wereldmachten, heen kunnen trekken om als zendeling werkzaam te wezen, om met het van God gegeven Woord en de door God verleende wonderdaad van het geloof overal in de landen te zegevieren als Koning-Profeet. Zo bestraffend en oordelend, had het de volkeren van de aarde om zich heen kunnen zien scharen, als het ware middelpunt van de aarde, het bedehuis van alle volkeren reeds toen erkend. Maar Israël kon ook Kanaän verliezen, en als verdrevende gestaltenis en verstrooide de aarde vervullen; zij konden ook in de gestaltenis van knechten getuigen zijn. Israël koos het laatste; ook in die toestand was het als getuige werkzaam. Mozes had Deuteronomium 28: 47vv. reeds op die dienstbaarheid gewezen. In Jothams tijd valt het begin van de werkzaamheid van de profeet Micha, en deze werkzaamheid strekt zich evenals die van Jesaja (zie bij vs. 9) uit tot in de tijden van Hizkia; ja het lijdt geen twijfel, dat vele uitspraken van Micha later door Jesaja overgenomen, bevestigd en verder ontwikkeld zijn, hetgeen voornamelijk geldt van Micha 4: 1-5 Jes. 2: 2-5 terwijl Jesaja bij deze rede van de weg van het gericht, waarop de Heere zijn Sion van de valse tot de ware heerlijkheid zal roeren, Micha’s woord juist tot zijn overgangspunt neemt en het niet zozeer met eigen woorden weergeeft (reproduceert), maar het veeleer als uitspraak van een ander aanhaalt (citeert).
Opdat het profetisch woord des te zekerder en geloofwaardiger zou zijn, wilde God, dat Jesaja en Micha in dezelfde tijd en als met een mond spraken; en niets kon aan ieder van beide profeten welkomer zijn, dan dat hij aan zijn ambtsbroeder en aan diens verklaringen, niet slechts in de betekenis, maar ook in de woorden met de zijnen overeenkomende, een getuige van zijn Goddelijke roeping had.
In die dagen, nog in de laatste jaren van Jothams regering, begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, de koning van Syrië 1) (1Ki 11: 25), en Pekah, de zoon van Remalia, koning van Israël, die in verbintenis met elkaar afzonderlijke strooptochten op het gebied van Juda ondernamen, totdat zij later onder Jothams opvolger Achaz een bepaalde vernietigingsoorlog tegen dit rijk begonnen en voor Jeruzalem verschenen ( 16: 5vv.).
Onder Jerobeam II waren de Syriërs aan het rijk van Israël, dat zij vroeger zo menigmaal benauwd hadden, onderworpen ( 14: 28), maar gedurende de anarchie, die op de regering van deze krachtige koning volgde, maakten zij zich weer vrij; en ofschoon zij hierna voor een tijd van de Assyriërs afhankelijk werden, zoals daaruit af te leiden is, dat Pul niet dan na verovering van Syrië in het gebied van Israël kon invallen (vs. 19vv.), zo konden zij (de Syriërs) toch de tijd van zwakheid, die na Puls dood over Assyrië kwam ten gevolge van de afval van de Meden en Babyloniërs, zich tot nut maken, om zich van de Assyrische opperheerschappij te bevrijden, en naar alle waarschijnlijkheid verbond Rezin, hun laatste koning, zich met Pekah, van Israël met het oogmerk om tegen toekomstige aanvallen van de zijde van de Eufraat gewapend te zijn; ditzelfde belang dwong ook de Israëlitische koning om door inlijving van Juda in hun verbond een gesloten macht tegenover de van daar dreigende gevaren te bezitten. De tocht van de beide koningen nu is daarom zo gewichtig, en daarom wordt er reeds hier als op een Goddelijke beschikking voorlopig op gewezen, omdat Juda en het huis van David daardoor tot een beslissende keuze, werden geleid. In (2Ki 15: 36) is er reeds van gesproken, hoe Israël in de tweede helft van de voorchristelijke tijd, van de tijd van de wereldmonarchieën af, een andere plaats moest innemen dan in de eerste helft, en dat het uit zijn eigen keus zou volgen, of deze verandering het karakter van een heilzame metamorfose of die van een zware tuchtiging, een geweldige vernietiging zou aannemen. Deze vrije keus was verbonden met de beslissing, die over Israël, d.i. Juda en het huis van David (dit moest toen reeds als overblijfsel het geheel vertegenwoordigen, totdat zich uit dit verminderde geheel nog een beperkter rest ontwikkelde) komen zou door de aanval van beide koningen. Assur en zijn heerlijkheid was de verleidende vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad, die hun tot verzoeking werd voorgehouden; of zij naar Assur en zijn macht zouden grijpen, dan of zij op de onzichtbare macht van de Heere gelovig zouden vertrouwen, daarvan hing Israël’s lot voor lange tijd af. Wij zullen nu zien, hoe Israël zich afkeerde van de Heere zijn God, en de verboden vrucht koos: hoe het de wereldmacht en haar hulp koos, en de Heere verwierp, maar tot straf daarvoor onder die wereldmacht zuchtende bleef voortbestaan. Hieruit laat het zich opmaken, waarom de ene van de beide groepen, waarin het boek van de profetieën van de profeet Jesaja wordt verdeeld, tot brandpunt heeft de reeds in bovenstaand vers, als hoofdgebeurtenis aangeduide geschiedenis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel