Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1In het drieH7969 en twintigsteH6242jaarH8141 van JoasH3101, den zoonH1121 van AhaziaH274, den koning van JudaH3063, werd JoahazH3059, de zoonH1121 van JehuH3058, koning overH5921IsraelH3478, te SamariaH8111, en regeerde zeventienH7651jarenH8141.In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
KJVIn the three3and twentieth2year1of Joash5the son6of Ahaziah7king8of Judah9Jehoahaz11the son12of Jehu13began to reign10over Israel15in Samaria,16and reigned seventeen17years.4
1בִּשְׁנַ֨תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2עֶשְׂרִ֤יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)3וְשָׁלֹשׁ֙H7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)4שָׁנָ֔הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5לְיוֹאָ֥שׁH3101JoasJoash6בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7אֲחַזְיָ֖הוּH274AhaziaAhaziah8מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal9יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah10מָ֠לַךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely11יְהוֹאָחָ֨זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)12בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13יֵה֤וּאH3058JehuJehu14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16בְּשֹׁ֣מְר֔וֹןH8111SamariaSamaria17שְׁבַ֥עH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)18עֶשְׂרֵ֖הH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)19שָׁנָֽהH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)
2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; want hij wandeldeH3212naH310 de zondenH2403 van JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed; hij weekH5493 daarvan nietH3808 af.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD,4and followed5the sins7of Jeroboam8the son9of Nebat,10which made Israel14to sin;12he departed16not therefrom.
1וַיַּ֥עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5וַ֠יֵּלֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6אַחַ֨רH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with7חַטֹּ֜אתH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)8יָרָבְעָ֧םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam9בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10נְבָ֛טH5028NebatNebat11אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12הֶחֱטִ֥יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael15לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without16סָ֥רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without17מִמֶּֽנָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with
3Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Daarom ontstakH2734 des HEERENH3068toornH639 tegen IsraelH3478; en Hij gafH5414 hen in de handH3027 van HazaelH2371, den koningH4428 van SyrieH758, en in de handH3027 van BenhadadH1130, den zoonH1121 van HazaelH2371, alH3605 die dagenH3117.Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.
KJVAnd the anger2of the LORD3was kindled1against Israel,4and he delivered5them into the hand6of Hazael7king8of Syria,9and into the hand10of Benhadad11the son13of Hazael,14all their days.16
4Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Doch JoahazH3059badH2470 des HEERENH3068aangezichtH6440ernstelijkH2470aanH413; en de HEEREH3068verhoordeH8085 hem; wantH3588 Hij zagH7200 de verdrukkingH3906 van IsraelH3478, datH3588 de koningH4428 van SyrieH758 hen verdrukteH3905.Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.
KJVAnd Jehoahaz2besought1the LORD,5and the LORD8hearkened6unto4him: for he saw10the oppression12of Israel,13because the king17of Syria18oppressed15them.
1וַיְחַ֥לH2470krank, smeken, ziekbeseech, (be) diseased, (put to) grief, be grieved, (be) grievous, infirmity, intreat, lay to, put to pain, [idiom] pray, make prayer, be (fall, make) sick, sore, be sorry, make suit ([idiom] supplication), woman in travail, be (become) weak, be wounded2יְהוֹאָחָ֖זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4פְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you5יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וַיִּשְׁמַ֤עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness7אֵלָיו֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10רָאָה֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12לַ֣חַץH3906onderdrukking, bedruktheid, verdrukkingaffliction, oppression13יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15לָחַ֥ץH3905dringt, drongen, klemdeafflict, crush, force, hold fast, oppress(-or), thrust self16אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal18אֲרָֽםH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians
5(Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5(Zo gafH5414 de HEEREH3068IsraelH3478 een verlosserH3467, dat zij van onderH8478 de handH3027 der SyriersH758uitkwamenH3318; en de kinderenH1121IsraelsH3478woondenH3427 in hun tentenH168, als te vorenH8032.(Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.
KJV(And the LORD2gave1Israel3a saviour,4so that they went out5from under the hand7of the Syrians:8and the children10of Israel11dwelt9in their tents,12as beforetime.14
1וַיִּתֵּ֨ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3לְיִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4מוֹשִׁ֔יעַH3467verlossen, verlost, behouden[idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory5וַיֵּ֣צְא֔וּH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6מִתַּ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with7יַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves8אֲרָ֑םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians9וַיֵּשְׁב֧וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11יִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12בְּאָהֳלֵיהֶ֖םH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent13כִּתְמ֥וֹלH8543gisteren, voren, eergisteren[phrase] before (-time), [phrase] these (three) days, [phrase] heretofore, [phrase] time past, yesterday14שִׁלְשֽׁוֹםH8032eergisteren, gisteren, voren[phrase] before (that time, -time), excellent things (from the margin), [phrase] heretofore, three days, [phrase] time past
6Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Nochtans wekenH5493 zij nietH3808 af van de zondenH2403 van het huisH1004 van JerobeamH3379, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed; maar hij wandeldeH1980 daarin; en het bosH842bleefH5975ookH1571 staan te SamariaH8111.)Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)
KJVNevertheless they departed3not from the sins4of the house5of Jeroboam,6who made Israel10sin,8but walked12therein: and there remained15the grove14also in Samaria.)16
1אַ֠ךְH389doch, alleen; voorzekeralso, in any wise, at least, but, certainly, even, howbeit, nevertheless, notwithstanding, only, save, surely, of a surety, truly, verily, [phrase] wherefore, yet (but)2לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3סָ֜רוּH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without4מֵחַטֹּ֧אותH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)5בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6יָרָבְעָ֛םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8הֶחֱטִ֥יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael11בָּ֣הּ12הָלָ֑ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl13וְגַם֙H1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea14הָאֲשֵׁרָ֔הH842bossen, bos, haaggrove. Compare H6253 (עַשְׁתֹּרֶת)15עָמְדָ֖הH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry16בְּשֹׁמְרֽוֹןH8111SamariaSamaria
7Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Want hij had JoahazH3059geenH3808volkH5971 laten overblijvenH7604 dan vijftigH2572ruiterenH6571 en tienH6235wagenenH7393, en tienH6235duizendH505voetvolksH7273; wantH3588 de koningH4428 van SyrieH758 had hen omgebrachtH6, en had hen dorsendeH1758 gemaakt als stofH6083.Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
KJVNeither did he leave3of the people5to Jehoahaz4but fifty8horsemen,9and ten10chariots,11and ten12thousand13footmen;14for the king17of Syria18had destroyed16them, and had made19them like the dust20by threshing.21
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2לֹא֩H3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3הִשְׁאִ֨ירH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest4לִיהוֹאָחָ֜זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)5עָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people6כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet8חֲמִשִּׁ֤יםH2572vijftig, vijftigen, vijftigstefifty9פָּֽרָשִׁים֙H6571ruiteren, ruiters, paardenhorseman10וַעֲשָׂ֣רָהH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen11רֶ֔כֶבH7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon12וַעֲשֶׂ֥רֶתH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen13אֲלָפִ֖יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand14רַגְלִ֑יH7273voet, voetvolks, voetgangers(on) foot(-man)15כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16אִבְּדָם֙H6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee17מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal18אֲרָ֔םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians19וַיְשִׂמֵ֥םH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work20כֶּֽעָפָ֖רH6083stof, stofs, aardeashes, dust, earth, ground, morter, powder, rubbish21לָדֻֽשׁH1758dorsen, dorst, verdorstbreak, tear, thresh, tread out (down), at grass (Jeremiah 50:11, by mistake for H1877 (דֶּשֶׁא))
8Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van JoahazH3059, en alH3605watH834 hij gedaanH6213 heeft, en al zijn machtH1369, zijn die nietH3808geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478?Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
KJVNow the rest1of the acts2of Jehoahaz,3and all that he did,6and his might,7are they not written10in the book12of the chronicles13of the kings15of Israel?16
1וְיֶ֨תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֧יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3יְהוֹאָחָ֛זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7וּגְבוּרָת֑וֹH1369macht, mogendheden, sterkteforce, mastery, might, mighty (act, power), power, strength8הֲלוֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye10כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll13דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work14הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger15לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal16יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
9En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En JoahazH3059ontsliepH7901metH5973 zijn vaderenH1, en zij begroevenH6912 hem te SamariaH8111; en JoasH3101, zijn zoonH1121, regeerdeH4427 in zijn plaatsH8478.En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
KJVAnd Jehoahaz2slept1with his fathers;4and they buried5him in Samaria:6and Joash8his son9reigned7in his stead.
1וַיִּשְׁכַּ֤בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay2יְהֽוֹאָחָז֙H3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אֲבֹתָ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)6בְּשֹׁמְר֑וֹןH8111SamariaSamaria7וַיִּמְלֹ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely8יוֹאָ֥שׁH3101JoasJoash9בְּנ֖וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
10In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10In het zevenH7651 en dertigsteH7970jaarH8141 van Joas, den koning van JudaH3063, werd Joas, de zoonH1121 van JoahazH3059, koning overH5921IsraelH3478, te SamariaH8111, en regeerde zestienH8337jarenH8141.In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
Ook in dit vers
Joas 2H3060
JoasH3101
koningH4427
koningH4428
11En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En hij deedH6213 dat kwaadH7451 was in de ogenH5869 des HEERENH3068; hij weekH5493nietH3808 af van alH3605 de zondenH2403 van JerobeamH3379, dien zoonH1121 van NebatH5028, dieH834IsraelH3478zondigenH2398 deed, maar hij wandeldeH1980 daarin.En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
KJVAnd he did1that which was evil2in the sight3of the LORD;4he departed6not from all the sins8of Jeroboam9the son10of Nebat,11who made Israel15sin:13but he walked17therein.
1וַיַּֽעֲשֶׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2הָרַ֖עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)3בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6סָ֗רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without7מִכָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8חַטֹּ֞אותH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)9יָרָבְעָ֧םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11נְבָ֛טH5028NebatNebat12אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13הֶחֱטִ֥יאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16בָּ֥הּ17הָלָֽךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl
12Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Het overigeH3499 nu der geschiedenissenH1697 van JoasH3101, en alH3605watH834 hij gedaanH6213 heeft, en zijn machtH1369, waarmede hij gestredenH3898 heeft tegen AmaziaH558, den koningH4428 van JudaH3063, zijn die nietH3808geschrevenH3789 in het boekH5612 der kroniekenH1697 der koningenH4428 van IsraelH3478?Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
KJVAnd the rest1of the acts2of Joash,3and all that he did,6and his might7wherewith he fought9against Amaziah11king12of Judah,13are they not written16in the book18of the chronicles19of the kings21of Israel?22
1וְיֶ֨תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with2דִּבְרֵ֤יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3יוֹאָשׁ֙H3101JoasJoash4וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6עָשָׂ֔הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7וּגְב֣וּרָת֔וֹH1369macht, mogendheden, sterkteforce, mastery, might, mighty (act, power), power, strength8אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9נִלְחַ֔םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)10עִ֖םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)11אֲמַצְיָ֣הH558AmaziaAmaziah12מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah14הֲלֽוֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye16כְּתוּבִ֗יםH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18סֵ֛פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll19דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work20הַיָּמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger21לְמַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal22יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
13En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En JoasH3101ontsliepH7901metH5973 zijn vaderenH1, en JerobeamH3379 zat opH5921 zijn troonH3678. En JoasH3101 werd begravenH6912 te SamariaH8111, bij de koningenH4428 van IsraelH3478.En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel.
KJVAnd Joash2slept1with his fathers;4and Jeroboam5sat6upon his throne:8and Joash10was buried9in Samaria11with the kings13of Israel.14
1וַיִּשְׁכַּ֤בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay2יוֹאָשׁ֙H3101JoasJoash3עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4אֲבֹתָ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וְיָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam6יָשַׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8כִּסְא֑וֹH3678troon, stoel, troonsseat, stool, throne9וַיִּקָּבֵ֤רH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)10יוֹאָשׁ֙H3101JoasJoash11בְּשֹׁ֣מְר֔וֹןH8111SamariaSamaria12עִ֖םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)13מַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal14יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
14Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14ElisaH477 nu was krankH2470 geweest van zijn krankheidH2483, van dewelkeH834 hij stierfH4191; en JoasH3101, de koningH4428 van IsraelH3478, was totH413 hem afgekomenH3381, en had geweendH1058overH5921 zijn aangezichtH6440, en gezegdH559: Mijn vaderH1, mijn vaderH1, wagenH7393IsraelsH3478 en zijn ruiterenH6571!Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!
KJVNow Elisha1was fallen sick2of his sickness4whereof he died.6And Joash10the king11of Israel12came down8unto him, and wept13over his face,15and said,16O my father,17my father,18the chariot19of Israel,20and the horsemen21thereof.
1וֶֽאֱלִישָׁע֙H477ElisaElisha2חָלָ֣הH2470krank, smeken, ziekbeseech, (be) diseased, (put to) grief, be grieved, (be) grievous, infirmity, intreat, lay to, put to pain, [idiom] pray, make prayer, be (fall, make) sick, sore, be sorry, make suit ([idiom] supplication), woman in travail, be (become) weak, be wounded3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4חָלְי֔וֹH2483krankheid, krankheden, krankdisease, grief, (is) sick(-ness)5אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6יָמ֖וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise7בּ֑וֹ8וַיֵּ֨רֶדH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down9אֵלָ֜יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10יוֹאָ֣שׁH3101JoasJoash11מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal12יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13וַיֵּ֤בְךְּH1058weende, weenden, wenen[idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15פָּנָיו֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you16וַיֹּאמַ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet17אָבִ֣יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'18אָבִ֔יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'19רֶ֥כֶבH7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon20יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael21וּפָרָשָֽׁיוH6571ruiteren, ruiters, paardenhorseman
15En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En ElisaH477zeideH559 tot hem: NeemH3947 een boogH7198 en pijlenH2671. En hij namH3947totH413 zich een boogH7198 en pijlenH2671.En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.
KJVAnd Elisha3said1unto him, Take4bow5and arrows.6And he took7unto him bow9and arrows.10
16En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En hij zeideH559 tot den koningH4428 van IsraelH3478: LegH7392 uw handH3027aanH5921 den boogH7198, en hij leide zijn handH3027 daaraan; en ElisaH477 leide zijn handenH3027opH5921 des koningsH4428handenH3027.En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.
Ook in dit vers
leideH7392
leideH7760
KJVAnd he said1to the king2of Israel,3Put4thine hand5upon the bow.7And he put8his hand9upon it: and Elisha11put10his hands12upon the king's15hands.14
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לְמֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4הַרְכֵּ֤בH7392rijden, rijdende, reedbring (on (horse-) back), carry, get (oneself) up, on (horse-) back, put, (cause to, make to) ride (in a chariot, on, -r), set5יָֽדְךָ֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7הַקֶּ֔שֶׁתH7198boog, bogen, Boog[idiom] arch(-er), [phrase] arrow, bow(-man, -shot)8וַיַּרְכֵּ֖בH7392rijden, rijdende, reedbring (on (horse-) back), carry, get (oneself) up, on (horse-) back, put, (cause to, make to) ride (in a chariot, on, -r), set9יָד֑וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10וַיָּ֧שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work11אֱלִישָׁ֛עH477ElisaElisha12יָדָ֖יוH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14יְדֵ֥יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
17En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En hij zeideH559: Doe het vensterH2474openH6605 tegen het oostenH6924. En hij deed het openH6605. Toen zeideH559ElisaH477: SchietH3384. En hij schootH3384. En hij zeideH559: Het is een pijlH2671 der verlossingH8668 des HEERENH3068, en een pijlH2671 der verlossingH8668 tegen de SyriersH758; want gij zult de SyriersH758slaanH5221 in AfekH663, totH5704verdoensH3615 toe.En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.
KJVAnd he said,1Open2the window3eastward.4And he opened5it. Then Elisha7said,6Shoot.8And he shot.9And he said,10The arrow11of the LORD'S13deliverance,12and the arrow14of deliverance15from Syria:16for thou shalt smite17the Syrians19in Aphek,20till thou have consumed22them.
1וַיֹּ֗אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2פְּתַ֧חH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent3הַחַלּ֛וֹןH2474venster, vensteren, vensterswindow4קֵ֖דְמָהH6924oosten, ouds, oostwaartsaforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)5וַיִּפְתָּ֑חH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent6וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7אֱלִישָׁ֤עH477ElisaElisha8יְרֵה֙H3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through9וַיּ֔וֹרH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through10וַיֹּ֗אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11חֵץH2671pijlen, pijl, moordpijl[phrase] archer, arrow, dart, shaft, staff, wound12תְּשׁוּעָ֤הH8668heil, verlossing, overwinningdeliverance, help, safety, salvation, victory13לַֽיהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14וְחֵ֣ץH2671pijlen, pijl, moordpijl[phrase] archer, arrow, dart, shaft, staff, wound15תְּשׁוּעָ֣הH8668heil, verlossing, overwinningdeliverance, help, safety, salvation, victory16בַֽאֲרָ֔םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians17וְהִכִּיתָ֧H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound18אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19אֲרָ֛םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians20בַּאֲפֵ֖קH663Afek, AfikAphek, Aphik21עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet22כַּלֵּֽהH3615geeindigd, voleind, verteerdaccomplish, cease, consume (away), determine, destroy (utterly), be (when... were) done, (be an) end (of), expire, (cause to) fail, faint, finish, fulfil, [idiom] fully, [idiom] have, leave (off), long, bring to pass, wholly reap, make clean riddance, spend, quite take away, waste
18Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Daarna zeideH559 hij: NeemH3947 de pijlenH2671. En hij namH3947 ze. Toen zeideH559 hij tot den koningH4428 van IsraelH3478: SlaH5221 tegen de aardeH776. En hij sloegH5221driemaalH7969; daarna stond hij stil.Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.
Ook in dit vers
stond stilH5975
KJVAnd he said,1Take2the arrows.And he took4them. And he said5unto the king6of Israel,7Smite8upon the ground.9And he smote10thrice,11and stayed.13
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Toen werd de manH376GodsH430 zeer toornigH7107opH5921 hem, en zeideH559: Gij zoudt vijfmaalH2568ofH176zesmaalH8337geslagenH5221 hebben; dan zoudt gij de SyriersH758totH5704verdoensH3615 toe geslagenH5221 hebben; doch nuH6258 zult gij de SyriersH758driemaalH7969slaanH5221.Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.
KJVAnd the man3of God4was wroth1with him, and said,5Thou shouldest have smitten6five7or six9times;10then hadst thou smitten12Syria14till thou hadst consumed16it: whereas now thou shalt smite20Syria22but thrice.18
1וַיִּקְצֹ֨ףH7107toornig, verbolgen, vertoornd(be) anger(-ry), displease, fret self, (provoke to) wrath (come), be wroth2עָלָ֜יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4הָאֱלֹהִ֗יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6לְהַכּ֨וֹתH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7חָמֵ֤שׁH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)8אוֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether9שֵׁשׁ֙H8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth10פְּעָמִ֔יםH6471ditmaal, malen, tweemaalanvil, corner, foot(-step), going, (hundred-) fold, [idiom] now, (this) [phrase] once, order, rank, step, [phrase] thrice, (often-), second, this, two) time(-s), twice, wheel11אָ֛זH227toen, alsdanbeginning, for, from, hitherto, now, of old, once, since, then, at which time, yet12הִכִּ֥יתָH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14אֲרָ֖םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians15עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet16כַּלֵּ֑הH3615geeindigd, voleind, verteerdaccomplish, cease, consume (away), determine, destroy (utterly), be (when... were) done, (be an) end (of), expire, (cause to) fail, faint, finish, fulfil, [idiom] fully, [idiom] have, leave (off), long, bring to pass, wholly reap, make clean riddance, spend, quite take away, waste17וְעַתָּ֕הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas18שָׁלֹ֥שׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)19פְּעָמִ֖יםH6471ditmaal, malen, tweemaalanvil, corner, foot(-step), going, (hundred-) fold, [idiom] now, (this) [phrase] once, order, rank, step, [phrase] thrice, (often-), second, this, two) time(-s), twice, wheel20תַּכֶּ֥הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound21אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22אֲרָֽםH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians
20Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Daarna stierfH4191ElisaH477, en zij begroevenH6912 hem. De bendenH1416 nu der MoabietenH4124 kwamen in het landH776 met het ingaanH935 des jaarsH8141.Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.
KJVAnd Elisha2died,1and they buried3him. And the bands4of the Moabites5invaded6the land7at the coming in8of the year.9
1וַיָּ֥מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise2אֱלִישָׁ֖עH477ElisaElisha3וַֽיִּקְבְּרֻ֑הוּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)4וּגְדוּדֵ֥יH1416benden, bende, bende straatschendersarmy, band (of men), company, troop (of robbers)5מוֹאָ֛בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab6יָבֹ֥אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7בָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8בָּ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9שָׁנָֽהH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)
21En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En het geschieddeH1961, als zij een manH376begroevenH6912, dat zij, zietH2009, een bendeH1416zagenH7200; zo wierpenH7993 zij den manH376 in het grafH6913 van ElisaH477; en toen de manH376 daarin kwam, en het gebeenteH6106 van ElisaH477aanroerdeH5060, werd hij levendH2421, en reesH6965opH5921 zijn voetenH7272.En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.
KJVAnd it came to pass, as they were burying3a man,4that, behold, they spied6a band8of men; and they cast9the man11into the sepulchre12of Elisha:13and when the man16was let down,14and touched15the bones17of Elisha,18he revived,19and stood up20on his feet.22
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye3קֹבְרִ֣יםH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)4אִ֗ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)5וְהִנֵּה֙H2009ziet, ziebehold, lo, see6רָא֣וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions7אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַגְּד֔וּדH1416benden, bende, bende straatschendersarmy, band (of men), company, troop (of robbers)9וַיַּשְׁלִ֥יכוּH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָאִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)12בְּקֶ֣בֶרH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre13אֱלִישָׁ֑עH477ElisaElisha14וַיֵּ֜לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak15וַיִּגַּ֤עH5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch16הָאִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)17בְּעַצְמ֣וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very18אֱלִישָׁ֔עH477ElisaElisha19וַיְחִ֖יH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole20וַיָּ֥קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)21עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22רַגְלָֽיוH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time
22Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22HazaelH2371 nu, de koningH4428 van SyrieH758, verdrukteH3905IsraelH3478, alH3605 de dagenH3117 van JoahazH3059.Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.
KJVBut Hazael1king2of Syria3oppressed4Israel6all the days8of Jehoahaz.9
1וַֽחֲזָאֵל֙H2371HazaelHazael2מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אֲרָ֔םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians4לָחַ֖ץH3905dringt, drongen, klemdeafflict, crush, force, hold fast, oppress(-or), thrust self5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8יְמֵ֥יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9יְהוֹאָחָֽזH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)
23Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Doch de HEEREH3068 was hun genadigH2603, en ontfermdeH7355 Zich hunner, en wenddeH6437 Zich tot hen, omH4616 Zijns verbondsH1285 wil metH854AbrahamH85, IzakH3327 en JakobH3290; en Hij wildeH14 hen niet verdervenH7843, en heeft hen nietH3808verworpenH7993 van Zijn aangezichtH6440, tot nuH6258toeH5704.Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
KJVAnd the LORD2was gracious1unto them, and had compassion4on them, and had respect5unto them, because of7his covenant8with Abraham,10Isaac,11and Jacob,12and would14not destroy15them, neither cast17he them from his presence19as yet.20
1וַיָּחָן֩H2603genadig, wees genadig, ontfermtbeseech, [idiom] fair, (be, find, shew) favour(-able), be (deal, give, grant (gracious(-ly), intreat, (be) merciful, have (shew) mercy (on, upon), have pity upon, pray, make supplication, [idiom] very2יְהוָ֨הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֹתָ֤םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4וַֽיְרַחֲמֵם֙H7355ontfermen, ontferme, Ontfermerhave compassion (on, upon), love, (find, have, obtain, shew) mercy(-iful, on, upon), (have) pity, Ruhamah, [idiom] surely5וַיִּ֣פֶןH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)6אֲלֵיהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7לְמַ֣עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to8בְּרִית֔וֹH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league9אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10אַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham11יִצְחָ֣קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)12וְיַֽעֲקֹ֑בH3290Jakob, JakobsJacob13וְלֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14אָבָה֙H14wilde, willen, wildenconsent, rest content will, be willing15הַשְׁחִיתָ֔םH7843verderven, verdorven, verdierfbatter, cast off, corrupt(-er, thing), destroy(-er, -uction), lose, mar, perish, spill, spoiler, [idiom] utterly, waste(-r)16וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17הִשְׁלִיכָ֥םH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw18מֵֽעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19פָּנָ֖יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you20עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet21עָֽתָּהH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas
24En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En HazaelH2371, de koning van SyrieH758, stierfH4191, en zijn zoonH1121BenhadadH1130 werd koning in zijn plaatsH8478.En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.
Ook in dit vers
koningH4427
koningH4428
KJVSo Hazael2king3of Syria4died;1and Benhadad6his son8reigned5in his stead.
1וַיָּ֖מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise2חֲזָאֵ֣לH2371HazaelHazael3מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4אֲרָ֑םH758Syriers, Syrie, AramAram, Mesopotamia, Syria, Syrians5וַיִּמְלֹ֛ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely6בֶּןH1130Benhadad, BenhadadsBenhadad7הֲדַ֥דH1130Benhadad, BenhadadsBenhadad8בְּנ֖וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9תַּחְתָּֽיוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with
25Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25Joas nu, de zoonH1121 van JoahazH3059, namH3947 de stedenH5892 weder in, uit de handH3027 van BenhadadH1130, den zoonH1121 van HazaelH2371, dieH834 hij uit de handH3027 van JoahazH3059, zijn vaderH1, met krijgH4421genomenH3947 had; JoasH3101sloegH5221 hem driemaalH7969, en brachtH7725 de stedenH5892 aan IsraelH3478 weder.Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.
Ook in dit vers
Joas 2H3060
KJVAnd Jehoash2the son3of Jehoahaz4took5again1out of the hand8of Benhadad9the son11of Hazael12the cities,7which he had taken14out of the hand15of Jehoahaz16his father17by war.18Three19times20did Joash22beat21him, and recovered23the cities25of Israel.26
1וַיָּ֜שָׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2יְהוֹאָ֣שׁH3060JoasJehoash. Compare H3101 (יוֹאָשׁ)3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יְהוֹאָחָ֗זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)5וַיִּקַּ֤חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הֶֽעָרִים֙H5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town8מִיַּד֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9בֶּןH1130Benhadad, BenhadadsBenhadad10הֲדַ֣דH1130Benhadad, BenhadadsBenhadad11בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12חֲזָאֵ֔לH2371HazaelHazael13אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14לָקַ֗חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win15מִיַּ֛דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves16יְהוֹאָחָ֥זH3059JoahazJehoahaz. Compare H3099 (יוֹאָחָז)17אָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'18בַּמִּלְחָמָ֑הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)19שָׁלֹ֤שׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)20פְּעָמִים֙H6471ditmaal, malen, tweemaalanvil, corner, foot(-step), going, (hundred-) fold, [idiom] now, (this) [phrase] once, order, rank, step, [phrase] thrice, (often-), second, this, two) time(-s), twice, wheel21הִכָּ֣הוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound22יוֹאָ֔שׁH3101JoasJoash23וַיָּ֖שֶׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw24אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)25עָרֵ֥יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town26יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
2 Koningen 13:1— In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.2 Koningen 10:35→2 Koningen 11:21→2 Koningen 8:26→2 Koningen 11:4→
2 Koningen 13:2— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.1 Koningen 12:26→1 Koningen 14:16→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:11→Hosea 5:11→
2 Koningen 13:3— Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.Richteren 2:14→1 Koningen 19:17→2 Koningen 13:24→2 Koningen 12:17→Jesaja 10:5→Richteren 10:7→Hebreeën 12:29→2 Koningen 13:22→
2 Koningen 13:4— Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.2 Koningen 14:26→Exodus 3:7→Psalmen 78:34→Exodus 3:9→Numeri 21:7→Richteren 10:10→Jeremia 33:3→Genesis 21:17→
2 Koningen 13:5— (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.Nehemia 9:27→2 Koningen 13:25→2 Koningen 14:25→2 Koningen 14:27→1 Samuël 19:7→Deuteronomium 19:4→1 Kronieken 11:2→Exodus 4:10→
2 Koningen 13:6— Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)1 Koningen 16:33→2 Koningen 13:2→2 Koningen 17:20→2 Koningen 17:16→2 Koningen 18:4→2 Koningen 23:4→Deuteronomium 32:15→1 Koningen 15:3→
2 Koningen 13:7— Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.Amos 1:3→2 Koningen 10:32→Jesaja 41:15→Psalmen 18:42→1 Samuël 13:6→2 Koningen 8:12→Joël 3:14→1 Samuël 13:19→
2 Koningen 13:8— Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?2 Koningen 10:34→1 Koningen 14:31→1 Koningen 11:4→1 Koningen 14:29→1 Koningen 14:19→
2 Koningen 13:9— En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.2 Koningen 13:13→2 Koningen 10:35→2 Koningen 13:10→2 Koningen 14:8→1 Koningen 14:13→
2 Koningen 13:11— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.2 Koningen 13:2→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:6→2 Koningen 3:3→
2 Koningen 13:12— Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?2 Koningen 13:14→2 Koningen 14:25→2 Kronieken 25:17→2 Koningen 14:8→
2 Koningen 13:13— En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel.1 Koningen 1:21→1 Koningen 11:31→1 Koningen 2:10→2 Samuël 7:12→2 Koningen 14:28→
2 Koningen 13:14— Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!2 Koningen 2:12→Spreuken 11:11→Handelingen 13:36→Johannes 11:3→2 Koningen 20:1→Psalmen 12:1→Markus 6:20→Filippenzen 2:26→
2 Koningen 13:16— En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.Psalmen 144:1→Genesis 49:24→2 Koningen 4:34→
2 Koningen 13:17— En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.1 Koningen 20:26→1 Korinthe 1:18→Exodus 4:2→Exodus 4:17→Richteren 7:9→2 Koningen 5:10→1 Samuël 4:1→Johannes 11:39→
2 Koningen 13:18— Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.2 Koningen 4:6→Ezechiël 5:1→Exodus 17:11→Jesaja 20:2→Ezechiël 4:1→Ezechiël 12:1→
2 Koningen 13:19— Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.2 Koningen 13:25→2 Koningen 6:9→Markus 3:5→Numeri 16:15→2 Koningen 4:16→Markus 6:5→2 Koningen 1:9→2 Koningen 4:40→
2 Koningen 13:20— Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.2 Koningen 24:2→2 Koningen 3:7→Richteren 6:3→2 Koningen 3:24→2 Kronieken 24:16→Handelingen 8:2→2 Koningen 6:23→Richteren 3:12→
2 Koningen 13:21— En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.Ezechiël 37:1→Openbaring 11:11→Johannes 11:44→Johannes 5:28→Handelingen 5:15→Jesaja 26:19→2 Koningen 4:35→Johannes 5:25→
2 Koningen 13:22— Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.2 Koningen 8:12→Psalmen 106:40→2 Koningen 13:3→
2 Koningen 13:23— Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.2 Koningen 14:27→Genesis 13:16→1 Koningen 8:28→2 Koningen 24:20→2 Koningen 17:18→Exodus 2:24→Genesis 17:2→Exodus 3:6→
2 Koningen 13:24— En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.Psalmen 125:3→Lukas 18:7→
2 Koningen 13:25— Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.2 Koningen 13:18→2 Koningen 10:32→2 Koningen 14:25→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
2 Koningen 13 vers 1— In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
Jóahaz,
Hebreeuws, Jehoachaz.
Hertaald:Jóahaz,
Hebreeuws: Jehoachaz.
en regeerde
Dit woord is hier ingevoegd, gelijk ook onder, vs.10, uit 2 Kon. 3:1, en 2 Kon. 8:17, 2 Kon. 8:26, en 2 Kon. 12:1. Zie ook 1 Kon. 15:33.
Hertaald:en regeerde
Dit woord is hier ingevoegd, evenals hieronder in vers 10, op grond van 2 Kon. 3:1, en 2 Kon. 8:17, 2 Kon. 8:26, en 2 Kon. 12:1. Zie ook 1 Kon. 15:33.
zeventien jaren
Waarvan de laatste twee hem met zijn zoon gemeen zijn. Zie onder, vs.10, 22.
Hertaald:zeventien jaren
Waarvan hij de laatste twee samen met zijn zoon regeerde. Zie hieronder vers 10 en 22.
2 Koningen 13 vers 2— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.
na de zonden
Versta, voornamelijk de afgoderij van hem ingesteld, die de Israëlieten, naast zijn bevel en exempel, met de gouden kalven bedreven. Zie 1 Kon. 12:26, enz., en boven, 2 Kon. 10:29. Alzo onder, vs.6, 11.
Hertaald:na de zonden
Versta hieronder vooral de afgoderij die hij ingesteld had en die de Israëlieten, naar zijn bevel en voorbeeld, met de gouden kalveren bedreven. Zie 1 Kon. 12:26, enzovoort, en hierboven 2 Kon. 10:29. Zo ook hieronder vers 6 en 11.
daarvan niet af
Of, van geen derzelve; te weten, zonden.
Hertaald:daarvan niet af
Of: van geen daarvan; namelijk van die zonden.
2 Koningen 13 vers 3— Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.
gaf hen
Te weten, de Israëlieten, die God alzo overgaf in het geweld der Syriërs, dat zij van dezelve verslagen en verdrukt werden, met verlies van een deel huns lands.
Hertaald:gaf hen
Namelijk: de Israëlieten, die God zo overgaf in de macht van de Syriërs dat zij door hen verslagen en onderdrukt werden, met verlies van een deel van hun land.
al die dagen
Te weten, van Joahaz, den koning Israëls; namelijk, zolang als hij alleen regeerde. Alzo ook onder, vs.22.
Hertaald:al die dagen
Namelijk: van Joahaz, de koning van Israël; dat wil zeggen zolang hij alleen regeerde. Zo ook hieronder vers 22.
2 Koningen 13 vers 4— Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.
Hij zag
Dit is menselijkerwijze van God gesproken, en betekent zijn vaderlijke zorg en weldadigheid over degenen, die verdrukt zijn en met bekering des harten hun toevlucht tot hem nemen. Zie Gen. 31:42.
Hertaald:Hij zag
Dit is op menselijke wijze over God gesproken en duidt op Zijn vaderlijke zorg en goedheid voor hen die verdrukt worden en met bekering van het hart hun toevlucht tot Hem nemen. Zie Gen. 31:42.
2 Koningen 13 vers 5— (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.
verlosser,
Namelijk, Joas, den zoon van Joahaz. Zie onder, vs.25.
Hertaald:verlosser,
Namelijk: Joas, de zoon van Joahaz. Zie hieronder vers 25.
de hand
Dat is, gebied. Zie Gen. 16:6; Num. 31:49.
Hertaald:de hand
Dat is: het gezag. Zie Gen. 16:6; Num. 31:49.
in hun tenten,
Dat is, in hun huizen en woningen. De Heilige Schriftuur houdt deze manier van spreken, ziende op de wijze van doen der patriarchen en der Israëlieten in de woestijn, waar zij in tenten woonden. Zie Deut. 16:7.
Hertaald:in hun tenten,
Dat is: in hun huizen en woningen. De Heilige Schrift houdt deze manier van spreken aan met het oog op de leefwijze van de aartsvaders en van de Israëlieten in de woestijn, waar zij in tenten woonden. Zie Deut. 16:7.
als te voren
Hebreeuws, gelijk gisteren en eergisteren.
Hertaald:als te voren
Hebreeuws: zoals gisteren en eergisteren.
2 Koningen 13 vers 6— Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)
hij wandelde
Namelijk, Joahaz.
Hertaald:hij wandelde
Namelijk: Joahaz.
daarin;
Of, in elk een derzelve, te weten, zonden. Vergelijk boven, vs.2.
Hertaald:daarin;
Of: in elk daarvan, namelijk van die zonden. Vergelijk hierboven vers 2.
het bos
Versta, het afgodische bos, dat Achab had laten planten, 1 Kon. 16:33. Van de afgodische bossen, zie Deut. 7:5.
Hertaald:het bos
Versta hieronder het afgodische bos dat Achab had laten planten, 1 Kon. 16:33. Over de afgodische bossen, zie Deut. 7:5.
2 Koningen 13 vers 7— Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
als stof
Dat is, had hen door vele nederlagen verdrukt en als onder de voeten getreden, gelijk de ossen in die landen, dorsende met hun voeten, de aren vertraden.
Hertaald:als stof
Dat is: hij had hen door veel nederlagen onderdrukt en als het ware vertrapt, zoals de ossen in die landen bij het dorsen met hun poten de aren vertraden.
2 Koningen 13 vers 10— In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
het zeven en dertigste jaar
Hetwelk was omtrent het vijftiende jaar der regering van Joahaz. Vergelijk boven, de aantekening vs.1.
Hertaald:het zeven en dertigste jaar
Dat was ongeveer het vijftiende jaar van de regering van Joahaz. Vergelijk de aantekening hierboven bij vers 1.
2 Koningen 13 vers 11— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
de zonden
Zie boven, vs.2.
Hertaald:de zonden
Zie hierboven vers 2.
daarin
Of, in elkeen derzelve.
Hertaald:daarin
Of: in elk daarvan.
2 Koningen 13 vers 13— En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel.
zat op zijn troon
Dat is, werd koning. Zie 1 Kon. 1:13.
Hertaald:zat op zijn troon
Dat is: werd koning. Zie 1 Kon. 1:13.
2 Koningen 13 vers 14— Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!
Mijn vader, mijn vader,
Zo noemt hij hem uit liefde en eerbied.
Hertaald:Mijn vader, mijn vader,
Zo noemt hij hem uit liefde en eerbied.
wagen Israëls
Zie boven, de aantekening op 2 Kon. 2:12.
Hertaald:wagen Israëls
Zie de aantekening hierboven bij 2 Kon. 2:12.
2 Koningen 13 vers 16— En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.
Leg uw hand
Hebreeuws, doe uw hand rijden op den boog. Dit was den koning Joas tot een teken, dat hij oorlog zou moeten aannemen.
Hertaald:Leg uw hand
Hebreeuws: laat uw hand op de boog rijden. Dit was voor koning Joas een teken dat hij oorlog zou moeten voeren.
Elisa
Te weten, om den koning te beduiden, dat God met hem strijden zou, en dat ons doen van God moet komen, zou het goed zijn, en van hem gezegend zijn, zou het wel gelukken.
Hertaald:Elisa
Namelijk: om de koning te laten zien dat God met hem zou strijden, en dat ons handelen van God moet komen als het goed zal zijn, en door Hem gezegend moet worden als het zal slagen.
2 Koningen 13 vers 17— En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.
tegen het oosten
Hetwelk was naar Syrië.
Hertaald:tegen het oosten
Dat was in de richting van Syrië.
Het is een pijl
Dat is, deze pijl is een teken om u te verzekeren, dat God u zal victorie over uw vijanden geven en uw volk van hun geweld bevrijden.
Hertaald:Het is een pijl
Dat is: deze pijl is een teken om u te verzekeren dat God u de overwinning op uw vijanden zal geven en uw volk van hun geweld zal bevrijden.
Afek,
Zie van deze stad, 1 Sam. 4:1, en 1 Sam. 29:1, en 1 Kon. 20:26. Anderen nemen dit woord niet voor een eigen naam, maar zetten het over: sterkelijk, geweldiglijk.
Hertaald:Afek,
Zie over deze stad 1 Sam. 4:1, en 1 Sam. 29:1, en 1 Kon. 20:26. Anderen vatten dit woord niet op als een eigennaam, maar vertalen het met: krachtig, geweldig.
2 Koningen 13 vers 18— Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.
Sla tegen de aarde
God heeft Joas hiermede betekend dat hij ook zijn schuldigen plicht daartoe brengen zou. Dat hij nu maar driemaal sloeg, gaf enige nalatigheid en fout te kennen, die hij in het uitvoeren van deze straf over de Syriërs begaan zou; zodat hij hen ook maar driemaal heeft geslagen. Zie onder, vs.25.
Hertaald:Sla tegen de aarde
Hiermee gaf God Joas te kennen dat hij ook zelf zijn plicht daarbij moest doen. Dat hij nu maar drie keer sloeg, gaf een zekere nalatigheid en tekortkoming te kennen die hij bij het voltrekken van deze straf over de Syriërs zou begaan; daarom heeft hij hen ook maar drie keer verslagen. Zie hieronder vers 25.
2 Koningen 13 vers 20— Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.
De benden
Dat is, enige rotten, of hopen van rovende en stropende krijgslieden. Zie boven, 2 Kon. 5:2.
Hertaald:De benden
Dat is: enkele groepen of benden rovende en stropende krijgslieden. Zie hierboven 2 Kon. 5:2.
2 Koningen 13 vers 22— Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.
al de dagen
Dat is, zolang hij regeerde; wel verstaan alleen, en eer hij zijn zoon Joas tot de regering mede toegelaten had. Want van dien tijd af begon God door Joas zijn volk te verlossen.
Hertaald:al de dagen
Dat is: zolang hij regeerde; wel te verstaan: zolang hij alleen regeerde, vóórdat hij zijn zoon Joas mede in het bestuur had toegelaten. Want vanaf die tijd begon God Zijn volk door Joas te verlossen.
2 Koningen 13 vers 23— Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
om Zijns verbonds wil
In hetwelk God beloofd had, niet alleen hun, maar ook huns zaads God te willen zijn, Gen. 17:7.
Hertaald:om Zijns verbonds wil
Waarin God beloofd had niet alleen voor hen, maar ook voor hun nageslacht een God te willen zijn, Gen. 17:7.
2 Koningen 13 vers 25— Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.
nam de steden weder in,
Hebreeuws, keerde weder, en nam in. Zie Num. 11:4.
Hertaald:nam de steden weder in,
Hebreeuws: keerde terug en nam in. Zie Num. 11:4.
weder
Te weten, aan het koninkrijk Israëls. De volle manier van spreken is onder, 2 Kon. 14:28.
Hertaald:weder
Namelijk: aan het koninkrijk Israël. De volledige manier van spreken staat hieronder in 2 Kon. 14:28.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Amazia — de HEERE is sterkte
Zoon van Joas en Joaddan, en diens opvolger als koning van Juda. Hij versloeg de Edomieten in het Zoutdal, maar daagde daarna, tegen goede raad in, Joas van Israël uit tot een oorlog, waarin hij verslagen en gevangengenomen werd; Jeruzalems muur werd toen deels afgebroken. Na Joas' dood leefde hij nog vijftien jaren, totdat een samenzwering hem deed vluchten naar Lachis, waar hij gedood werd (2 Kon. 12:21; 14:1-20).
Joahaz — de HEERE heeft gegrepen
Zoon van Jehu en koning van Israël, die zeventien jaren regeerde. Onder zijn bewind werd Israël zwaar door Hazaël en Benhadad van Syrië verdrukt; toen hij de HEERE aanriep, gaf Deze hun uitkomst (2 Kon. 13:1-9).
Benhadad (zoon van Hazaël) — zoon van (de god) Hadad
Zoon van Hazaël en koning van Syrië na hem; Joas van Israël ontnam hem driemaal de steden die Hazaël op Joahaz veroverd had, naar het woord van de stervende Elisa (2 Kon. 13:3, 24-25). Niet te verwarren met Benhadad, de zoon van Tabrimmon, uit de tijd van Asa.
Joas (koning van Israël) — de HEERE heeft gegeven
Zoon van Joahaz en koning van Israël, zestien jaren regerend. Hij bezocht de stervende Elisa, die hem door een symbolische handeling met pijl en boog een beperkte overwinning op Syrië voorzegde; later versloeg hij ook Amazia van Juda (2 Kon. 13:10-19, 25; 14:8-16). Niet te verwarren met Joas, de zoon van Ahazia, koning van Juda.
Hazaël — God heeft gezien
Een dienaar van Benhadad, koning van Syrië, die door zijn heer naar Elisa gezonden werd om te vragen of hij van zijn ziekte zou genezen. Elisa voorzegde hem dat hij zelf koning zou worden en grote wreedheden tegen Israël zou begaan; de volgende dag verstikte Hazaël zijn heer met een natte deken en werd koning van Syrië in zijn plaats (2 Kon. 8:7-15). Later versloeg hij Israël in al zijn grondgebied (2 Kon. 10:32-33).
Ahazia (koning van Juda) — de HEERE grijpt aan
Zoon van Jehoram en Athalia, en koning van Juda; hij wandelde in de weg van het huis van Achab, waarmee hij verzwagerd was. Hij trok met Joram van Israël ten strijde tegen Hazaël, en werd later, op bezoek bij de gewonde Joram, door Jehu gedood (2 Kon. 8:25-29; 9:27-28). Niet te verwarren met Ahazia, de zoon van Achab, koning van Israël.
Jehu — de HEERE is Hij
Zoon van Josafat, zoon van Nimsi, legerhoofdman van Israël. Op last van Elisa werd hij door een profetenzoon tot koning over Israël gezalfd, met de opdracht het huis van Achab uit te roeien. Hij doodde koning Joram op het stuk land van Naboth, liet Izebel uit het venster werpen, roeide het gehele huis van Achab uit en vernietigde de dienst van Baäl in Israël, al week hij niet af van de gouden kalveren van Jerobeam (2 Kon. 9-10). Niet te verwarren met de profeet Jehu, de zoon van Hanani.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De pijlen der verlossing (Elisa's laatste teken) — op zijn sterfbed laat Elisa de koning met de pijlen op de aarde slaan; deze slaat driemaal en houdt op, waarop de profeet toornig wordt: "Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben" (2 Kon. 13:19)
Joas van Israël komt bij de stervende Elisa en weent over hem met dezelfde woorden waarmee Elisa eens Elia nariep: mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren (2 Kon. 13:14; vgl. 2 Kon. 2:12). Elisa laat hem boog en pijlen nemen, legt zijn eigen handen op de handen van de koning en laat hem door het oostelijke venster schieten (2 Kon. 13:15-17). Die pijl noemt hij een pijl der verlossing des HEEREN tegen de Syriërs. Daarna moet de koning met de overige pijlen op de aarde slaan. Hij slaat driemaal en stopt (2 Kon. 13:18). De profeet wordt toornig: bij vijf of zes slagen zou hij Syrië tot vernietiging toe verslagen hebben, maar nu zal hij hen driemaal slaan (2 Kon. 13:19). Zo gebeurt het ook: Joas herovert de steden en slaat Benhadad driemaal (2 Kon. 13:25).
Bijbelse betekenis: De koning kreeg precies waar hij om vroeg, en niet meer. Er stond geen getal vast; de maat van de overwinning werd bepaald door de maat van zijn aandringen. Dat Elisa toornig wordt, laat zien dat lauwheid tegenover Gods aanbod geen kleinigheid is. Joas deed wat gevraagd werd en hield toen op, waarschijnlijk zonder erg te hebben wat op het spel stond. Zo gaan gelovigen vaak met beloften om: zij vragen genoeg om geholpen te worden en te weinig om verlost te worden. De handen van de profeet op de handen van de koning zeggen daarbij waar de kracht vandaan kwam, want de boog was van Joas maar de verlossing was des HEEREN.
Typologie: Christus vertelde een gelijkenis "daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen" (Luk. 18:1). Het ophouden na drie slagen is precies het vertragen dat daar bestraft wordt: niet ongeloof dat weigert, maar geloof dat te vroeg tevreden is.
2 Kon. 13:14-19,25; 2 Kon. 2:12; Luk. 18:1
Het gebeente van Elisa — een haastig begraven dode raakt in het graf het gebeente van de gestorven profeet aan, "werd hij levend, en rees op zijn voeten" (2 Kon. 13:21)
Elisa sterft en wordt begraven (2 Kon. 13:20). Kort daarop dringen Moabitische benden het land binnen bij het ingaan van het jaar. Terwijl men bezig is een man te begraven, ziet men een bende naderen, en men werpt het lichaam haastig in het graf van Elisa. Zodra de dode het gebeente van de profeet aanraakt, wordt hij levend en staat op (2 Kon. 13:21).
Bijbelse betekenis: Dit is het enige wonder in de Schrift dat na de dood van de wonderdoener gebeurt, en het staat er zonder enige toelichting. Er wordt niets gezegd over verering van het graf of over kracht in de beenderen zelf; de Schrift trekt die lijn nergens, en de latere reliekverering vindt hier dan ook geen grond. Wat er wél staat, is een zegel op een bediening. De God Die door Elisa's leven heen gewerkt had, was met diens dood niet uitgewerkt. En de opwekking valt bij een naamloze man op een moment van paniek, terwijl vijanden het land binnenvallen. Juist in tijden waarin alles verloren lijkt, geeft God een teken dat het leven het laatste woord heeft.
Typologie: Wat hier eenmaal en zonder verklaring gebeurt, is de schaduw van een graf dat werkelijk leven geeft aan wie erin gelegd wordt: "indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding" (Rom. 6:5). Bij Elisa gaf een dode profeet één man het leven terug; bij Christus geeft een levende Zaligmaker het aan allen die de Zijnen zijn.
2 Kon. 13:20-21; Rom. 6:5
Om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob — terwijl Israël in de zonden van Jerobeam volhardt en door Hazaël verdrukt wordt, blijft de HEERE hun toch genadig, "om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob" (2 Kon. 13:23)
Joahaz wandelt in de zonden van Jerobeam, en daarom geeft de HEERE Israël in de hand van Hazaël en zijn zoon (2 Kon. 13:2-3). Als de koning ernstig bidt, wordt hij verhoord, omdat de HEERE de verdrukking van Israël zag; er komt zelfs een verlosser (2 Kon. 13:4-5). Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, en het bos bleef staan te Samaria (2 Kon. 13:6). Van het leger blijven vijftig ruiters, tien wagens en tienduizend man over, want de koning van Syrië had hen als stof gemaakt (2 Kon. 13:7). En dan, midden in dit verval, staat de reden van hun voortbestaan: de HEERE was hun genadig en ontfermde Zich over hen om Zijn verbond met de aartsvaders, en Hij wilde hen niet verderven (2 Kon. 13:23).
Bijbelse betekenis: Dit vers verklaart heel de geschiedenis van het tienstammenrijk. Er is geen verbetering, geen bekering en geen enkel argument aan Israëls kant; wat er staat is uitsluitend een reden aan Gods kant. Zijn genade rust hier niet op wat Hij in hen aantreft maar op wat Hij eeuwen eerder aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. Daarin ligt tegelijk troost en ernst. Troost, omdat een verbond dat op Gods eed rust niet wankelt met de trouw van mensen. Ernst, omdat dit uitstel geen vrijbrief bleek: enkele geslachten later kwam de wegvoering toch, en het is dus geduld en geen goedkeuring.
Typologie: Paulus grijpt op dezelfde grond terug wanneer hij over Israël spreekt: "aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil; want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Rom. 11:28-29). Wat hier in de koningsboeken als een terzijde staat, is daar de leerstellige grond onder Gods trouw.
2 Koningen 13:1-2.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:26→1 Koningen 14:16→2 Koningen 10:35→2 Koningen 11:21→2 Koningen 8:26→2 Koningen 11:4→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:11→ — In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren. En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af. “Zeventien jaren” — dat is een lange tijd om onheil aan te richten. Zeventien jaar regeren over een volk, hen alle ten kwade beïnvloeden, hen van God afkeren en zijn uiterste doen om de Naam van Jehova uit de harten van het volk uit te wissen.
Zie hier de kracht van het boze voorbeeld. Het was vele jaren geleden dat Jeroboam, de zoon van Nebat, de kalveren te Beth-El en Dan opgericht had; en toch is hier een andere koning die in zijn voetstappen wandelt. U kunt niet zeggen, als u een slecht voorbeeld nalaat, hoe uw kinderen en uw kleinkinderen tot verre geslachten uw boze voetstappen mogen volgen. Slechte voorbeelden zijn heel levenskrachtig; zij leven eeuw na eeuw voort en beïnvloeden anderen lang nadat de eerste overtreder gestorven is. De gedachte dat wij hen mogen verderven die nog niet geboren zijn, behoort ons van de zonde terug te houden.
Let ook op het einde van het tweede vers: “hij week daarvan niet af”. Er is een volharding ten einde toe in de zonde; sommige mensen schijnen die te bewijzen. Hij werd ertegen gewaarschuwd; hij werd erom getuchtigd; maar “hij week daarvan niet af”. Houden mensen in de zonde aan, hoeveel meer behoort het volk van God dan aan te houden in de gerechtigheid! Wat u ook overkomt wanneer u eenmaal in de goede oude weg bent, moge er van u gezegd worden: “Hij week daarvan niet af.” Maar bent u op de verkeerde weg, moge de Heere u ervan doen keren en Zich meteen toekeren! Wijkt u niet af van het kwaad, dan moet u van God afwijken.
2 Koningen 13:3.KruisverwijzingenRichteren 2:14→1 Koningen 19:17→2 Koningen 13:24→2 Koningen 12:17→Jesaja 10:5→Richteren 10:7→Hebreeën 12:29→2 Koningen 13:22→ — Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen. Gods volk kan niet zondigen zonder onder de tuchtiging te komen. Gedenk dit woord des Heeren: “Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken.” Wordt u gemeentelid en leeft u toch een onheilig leven, dan komt u onder een bijzondere tucht — een tucht die ik duidelijk in de gemeente van God tot op deze dag zie voortgaan. Hazaël en Benhadad waren beide goddeloze mannen; en toch gebruikte God hen als roeden om Zijn zondigend volk te tuchtigen.
2 Koningen 13:4.Kruisverwijzingen2 Koningen 14:26→Exodus 3:7→Psalmen 78:34→Exodus 3:9→Numeri 21:7→Richteren 10:10→Jeremia 33:3→Genesis 21:17→ — Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte. Hoe slecht hij ook was, hij kende de hand die hem sloeg, en hij bad Jehova. Welk een wonder is het dat God zelfs de gebeden van goddeloze mensen hoort! Ik heb soms horen zeggen dat “het gebed van de goddeloze een gruwel is voor God”. Er is geen zulke plaats in de Schrift. Het is het óffer van de goddeloze dat de Heere een gruwel is. Zelfs wanneer een goddeloos mens tot God roept, en ook al is zijn gebed geen geestelijk en aangenaam gebed, dan kan God het toch in zekere mate horen, gelijk Hij in dit geval deed.
God kan de smarten van Zijn eigen volk niet verdragen. Zelfs wanneer Hij Zelf de roede oplegt, gaat het Hem, als Zijn kind roept, aan het hart. Gedenk wat Hij deed aan Farao toen Hij het zuchten en roepen van Zijn volk in Egypte hoorde. Er is niets machtiger bij een vaderhart dan de tranen van zijn kind.
2 Koningen 13:5-6.Kruisverwijzingen1 Koningen 16:33→Nehemia 9:27→2 Koningen 13:25→2 Koningen 14:25→2 Koningen 14:27→2 Koningen 13:2→1 Samuël 19:7→Deuteronomium 19:4→ — (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren. Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.) De Heere gaf hun verlossing uit de wrede boeien van de Syriërs. Zij waren op elke wijze zo gepijnigd, zo geplunderd, zo verdrukt, dat God zich over hen ontfermde en hun vrede gaf. Maar Israëls bekering was maar halfhartig; zij bekeerden zich omdat zij léden. Zij bekeerden zich om het lijden en niet om de zonde. Zij gingen terug naar de zonde nadat zij aan de smart ontkomen waren. O, wees zo niet, mijn hoorder! Heeft God u om de zonde getuchtigd, laat uw bekering dan een grondige zijn.
2 Koningen 13:7-8.KruisverwijzingenAmos 1:3→2 Koningen 10:32→Jesaja 41:15→Psalmen 18:42→1 Samuël 13:6→2 Koningen 8:12→Joël 3:14→1 Samuël 13:19→ — Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof. Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel? God hielp hen en verloste hen; maar zij werden zeer, zeer laag gebracht. Zondigt Gods volk, dan zal hun verlossing hen duur komen te staan. Israël was eens een groot en machtig volk; hun legers trokken uit in geweldige scharen; maar nu hebben zij enkel het overschot van een leger. Zij waren het niet waard in de Schriften opgetekend te worden. Wij hebben heel schaarse berichten over Joahaz — maar genoeg voor zo’n goddeloos man.
2 Koningen 13:9-11.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:2→2 Koningen 13:13→2 Koningen 10:35→2 Koningen 13:10→2 Koningen 14:8→1 Koningen 14:13→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:6→ — En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren. En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin. De ene zondaar werd door de andere gevolgd. Deze jonge man moet het onheil gezien hebben dat de afgoderij van zijn vader over het volk gebracht had; maar hij ging voort op dezelfde boze weg. O, u zonen van godvruchtige ouders, u behoort in de voetstappen van uw vaders te wandelen, want deze goddeloze zonen van goddeloze mensen volgden het boze voorbeeld van hun vaders!
Ik herhaal wat ik eerder zei: welk een onheilig ding is één boos voorbeeld! Wanneer iemand een ander doet zondigen, dan is de ander die zondigt schuldig, en de man die hem doet zondigen deelt in zijn schuld. Hier is Jeroboam, jaren dood, en toch blijft hij zondigen. Zijn zonde brandt voort als een vuur; en zeker duurt de straf voort als de zonde voortduurt.
2 Koningen 13:12-14.Kruisverwijzingen2 Koningen 2:12→2 Koningen 13:14→2 Koningen 14:25→2 Kronieken 25:17→2 Koningen 14:8→1 Koningen 1:21→1 Koningen 11:31→1 Koningen 2:10→ — Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel? En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel. Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren! Een oud man, waarschijnlijk in zijn negentigste jaar; hij had zijn geslacht wel gediend. Wij lezen vijfenveertig jaar niets van hem; hij schijnt in betrekkelijke afzondering geweest te zijn; misschien was hij in zijn ouderdom verwaarloosd en vergeten, gelijk menig man van God geweest is die eens in de voorste rij stond. Elisa is ten laatste dodelijk ziek geworden, en hij staat op het punt naar huis te gaan.
Dit is één goed ding dat Joas deed. Hij gedacht dat het door Elia en Elisa was dat de mannen van zijn huis op de troon gezet waren; en toen hij hoorde dat Elisa stervende was, ging er iets als wroeging door zijn hart, en hij “kwam tot hem af”. Elisa moet zijn ogen geopend hebben toen hij die woorden hoorde, want hij herinnerde zich dat dat bijna de laatste woorden waren die hij tot Elia zei toen zijn meester ten hemel opgenomen werd. Hij was voor Israël wagen en ruiters, want het was door zijn toedoen dat Israël verlost was.
2 Koningen 13:15-17.Kruisverwijzingen1 Koningen 20:26→Psalmen 144:1→Genesis 49:24→2 Koningen 4:34→1 Korinthe 1:18→Exodus 4:2→Exodus 4:17→Richteren 7:9→ — En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen. En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen. En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe. Niet omdat hij veel kracht kon lenen, want hij was een oud man; maar omdat dit betekende dat God met de koning zou zijn, dat de kracht die in de God van de profeet woonde door de handen van de profeet zou komen om de koning te helpen. Het was in het Oosten gewoonte, wanneer de oorlog verklaard werd, dat te doen door een pijl naar het land van de vijand te schieten; en deze dappere oude man, die spoedig zijn leven zou uitblazen, had de koning gesterkt om in de grote zwakheid van de Israëlitische staat opnieuw de oorlog tegen Syrië te verklaren.
2 Koningen 13:18-19.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:25→2 Koningen 4:6→Ezechiël 5:1→Exodus 17:11→Jesaja 20:2→Ezechiël 4:1→2 Koningen 6:9→Markus 3:5→ — Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil. Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan. Elisa was toornig, maar hij zondigde niet. Hij had het volk lief, en hij was bedroefd te bedenken dat de koning zo laks en zo traag was.
Dat God alle dingen, zowel grote als kleine, voorgenomen heeft, is een feit. Het is ook een zeker en vast feit dat gebeurtenissen vaak afhangen van de menselijke keuze. Iemands wil heeft een merkwaardig vermogen. In het geval dat voor ons ligt zijn de pijlen in de handen van de koning van Israël, en daarnaar zal ook de geschiedenis van het volk zich richten.
Hoe deze twee dingen beide waar kunnen zijn, kan ik niet zeggen. Waarschijnlijk zouden de wijsten in de hemel het ook niet kunnen, zelfs niet met de bijstand van cherubs en serafs. Het zijn twee feiten die naast elkaar lopen als parallelle lijnen. Dingen worden vaak aan de wil van mensen gelaten, en toch komt alles ten laatste tot stand naar de wil van God. Kunnen wij ze niet beide geloven? En is de ruimte tussen hen niet een geschikte plaats om in neer te knielen, aanbiddend Hem die wij niet kunnen begrijpen?
Konden wij onze godsdienst begrijpen, dan zou het een godsdienst zijn die niet van God kwam; hij zou gemaakt zijn door iemand van beperkt vermogen, gelijk wijzelf. Maar aangezien er verborgenheden in ons geloof zijn tot de top waarvan wij niet kunnen klimmen, mogen wij dankbaar zijn dat wij ze niet hoeven te beklimmen. En toch hangen grote gebeurtenissen af van kleine zaken, zoals grote vaten aan kleine spijkers hangen.
2 Koningen 13:20-21.Kruisverwijzingen2 Koningen 24:2→2 Koningen 3:7→Richteren 6:3→2 Koningen 3:24→2 Kronieken 24:16→Handelingen 8:2→2 Koningen 6:23→Richteren 3:12→ — Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars. En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten. God heeft verschillende wijzen om Zijn volk thuis te halen. Sommigen gaan plotseling, weggevoerd zoals Elia was. Deze profeet stierf zachtjes, door de ouderdom versleten; maar er is iets zeer schoons aan zijn dood. Een koning weent over zijn oude gezicht. Zo gaf God Elisa kracht, zelfs na zijn dood, en zette Hij zeker het goddelijke zegel op zijn boodschap. Het was hem even grote eer leven aan de dode te geven als het Elia was zonder te sterven ten hemel te varen.
2 Koningen 13:22-23.Kruisverwijzingen2 Koningen 8:12→2 Koningen 14:27→Genesis 13:16→1 Koningen 8:28→2 Koningen 24:20→2 Koningen 17:18→Exodus 2:24→Genesis 17:2→ — Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz. Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe. Ach, dat is wat altijd aan de bodem van Gods barmhartigheid ligt: “Zijn verbond.” O, dat grote woord “verbond”! Sommigen achten het zeer gering, weinigen prediken er veel over; maar dit is de grondslag zelf van de barmhartigheid. Dit is “de diepte die daaronder ligt”, waaruit al de putten van de genade opwellen.
2 Koningen 13:24-25.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:18→2 Koningen 10:32→Psalmen 125:3→Lukas 18:7→2 Koningen 14:25→ — En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats. Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder. Hij schoot drie pijlen, en nu geschiedde het dat Joas Benhadad driemaal versloeg en de steden van Israël terugnam. O, dat hij de koning van Syrië zesmaal geslagen had en Israël volkomen van zijn vijand vrijgemaakt!
Vs. 1-9. Zo min Jehu, met wie een nieuw koningshuis in Israël begonnen was, met de staatkunde van Jerobeam I brak, en de kalverdienst vaarwel zei, evenmin veranderde zijn zoon en opvolger Joahaz iets in deze nu eenmaal door de koningen uit het rijk van de tien stammen gevolgde staatsmanswijsheid; daarom houden Gods tuchtigingen aan, ja de druk die de Syrische koning Hazaël het rijk doet ondervinden, klimt op het hoogste, zodat hij van de krijgsmacht slechts een klein overschot overhoudt, en ook een groot deel van het aan deze zijde van de Jordaan gelegen gebied onder de macht van de vijand komt. Deze nood dringt daarop de persoonlijk voor goddelijke indrukken niet onontvankelijke koning om het aangezicht van de Heere te zoeken; en de Heere verhoort ook zijn gebed, wordt met ontferming bewogen over Israëls nood, en bereidt een tijd van hulp onder de beide opvolgers van de tegenwoordige heerser, ofschoon deze zelf onder de druk blijft, zolang hij regeert.
Kruisverwijzingen2 Koningen 10:35→2 Koningen 11:21→2 Koningen 8:26→2 Koningen 11:4→— In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
In het drieëentwintigste (of: in het eenentwintigste) 1) jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, d.i. 856 v. Chr. werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaar (juister: zestien jaar en enige maanden, tot 840 v. Chr.).
Aldus werd reeds door Josefus de opgave van de grondtekst verbeterd, die op een schrijffout (gk in plaats vanak) schijnt te rusten. De noodzakelijkheid van dit herstel blijkt allereerst daaruit, dat volgens vs. 10 Joas, de zoon van Joahaz, zijn vader in het 37ste, niet in het 40ste jaar van Joas uit Juda in de regering opvolgde, zoals het anders zou moeten zijn (23 + 17 = 40). Maar bovendien werd in hfst. 12: 1 gezegd, dat Joas uit Juda koning werd in het 7de jaar van Jehu; omdat deze volgens 10: 36 over Israël 28 jaar geregeerd heeft, zo volgt, dat hij in het 21ste jaar van Joas uit Juda gestorven is.
Ook Keil deelt deze mening. Thenius wil het drieëntwintigste jaar behouden, maar leest dan in vs. 10 in plaats van in het 37ste, in het 39ste jaar. Dit verandert aan het feit zelf betrekkelijk niets. Anderen zijn van mening- wij zien niet in dat dit niet aannemelijk is-dat Joas een of twee jaar voor de dood van Joahaz, door zijn vader tot regent is aangesteld, zoals dit vroeger gebeurd is met Joram, de zoon van Josafat. Vooral met het oog op vs. 5, waarin van een verlosser sprake is, die niemand anders dan Joas geweest kan zijn.
KruisverwijzingenRichteren 2:14→1 Koningen 19:17→2 Koningen 13:24→2 Koningen 12:17→Jesaja 10:5→Richteren 10:7→Hebreeën 12:29→2 Koningen 13:22→— Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.
Daarom ontstak de toorn van de HEERE tegen Israël, omdat het, niettegenstaande de tot hiertoe reeds ondervonden zware tuchtigingen ( 10: 32vv.), en de voortdurende werkzaamheid van de profeet Elisa in zijn zonden van afval van Hem volhardde; en Hij gaf hen nog meer in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die als zegevierend veldheer de legers van zijn vader aanvoerde, en de kinderen van Israël in een slag bij Afek, westelijk van Sunem (1 (Koningen 20: 26), bijna geheel vernielde (vs. 7), al die dagen, 1) zolang Joahaz regeerde (vs. 5).
Zo kwaad en bitter viel het hen tegen God te zondigen en Hem te verlaten; want toen zij de Heere dermate tergden, dat Hij hun omheining wegnam en hun scheidsmuur verscheurde (Jes. 5: 5), diende de geaardheid van het land alleen ter uitlokking van hun naburen, om hen te plunderen en uit te roeien. De zonde vernedert een volk in zoverre, dat zij het verachtelijk en ellendig maakt.
Kruisverwijzingen2 Koningen 14:26→Exodus 3:7→Psalmen 78:34→Exodus 3:9→Numeri 21:7→Richteren 10:10→Jeremia 33:3→Genesis 21:17→— Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.
Maar Joahaz, door deze zware tuchtiging eindelijk in de laatste jaren van zijn regering tot bezinning gebracht, bad het aangezicht van de HEERE ernstig aan 1) (vgl. (1 Koningen 13: 6); en de HEERE verhoorde hem, wel niet aanstonds op zichtbare wijze, zodat Hij hem zelf reeds een zege over de Syriërs deed behalen, maar toch door als vrucht van zijn gebeden een betere tijd voor Israël te geven aan zijn beide opvolgers Joas (vs. 22vv.) en Jerobeam II ( 14: 25vv.); want Hij, de Heere, zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte, en thans, nadat deze reeds onder Jehu geheel Gilead had weggenomen ( 10: 33), ook aan deze zijde van de Jordaan vele steden onder zijn macht hield (vs. 25).
Het was de oude ere van Israël, een biddend volk te wezen, en hier vinden wij die eer enigszins verlevendigd, want Joahaz, hun koning, in grote benauwdheid zijnde, bad het aangezicht van de Heere ernstig aan. Hij overwoog, dat God en God alleen het volk uit al hun voorgaande verlegenheden gered had, dat niemand buiten Hem hen thans kon verlossen en dat dit niet te verwachten was van de kalveren of van de afgoden, die zij boven Hem hadden gesteld, om welke reden hij dan ook, door volstrekte noodzakelijkheid gedreven, tot God de toevlucht nam, om hulp te vinden.
Noch in de dagen van Jehu, noch in die van Joahaz lezen wij iets van de werkzaamheden van de profeet Elisa. Bij Joram, de goddeloze opvolger van Achab, treffen wij hem nog meermalen aan, maar niet bij zijn beide opvolgers. De reden is makkelijk te verklaren. Elisa weet, dat het de tijd van het oordeel is over Israël. Hazaël heeft hij moeten zalven over Syrië, opdat deze een zware tuchtroede over Israël zou zijn. Die oordelen van God zullen voltrokken worden aan het rijk van de tien stammen. De profeet heeft dus geen tijd van verademing te voorspellen, geen redding en verlossing aan te kondigen. Wat hij kan doen, is alleen het aangezicht van zijn God zoeken, opdat deze in de toorn van het ontfermen gedachtig zou zijn. Hij trekt zich dan ook in de eenzaamheid van zijn bediening terug. Als straks Joas koning is geworden en Elisa weet, dat de Heere weer Zijn aangezicht gewend heeft tot Zijn volk, kondigt hij op zijn sterfbed deze nog de overwinning op de Syriërs aan, omdat hij weet, dat de Heere hem tot een verlosser van Zijn volk wil gebruiken. Wij lezen ook niet, dat Jehu of Joahaz van hun zijde zich tot de profeet gewend hebben.
KruisverwijzingenNehemia 9:27→2 Koningen 13:25→2 Koningen 14:25→2 Koningen 14:27→1 Samuël 19:7→Deuteronomium 19:4→1 Kronieken 11:2→Exodus 4:10→— (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.
(Zo gaf de HEERE Israël later, toen Joahaz reeds gestorven was, zowel in diens eerste als in zijn tweede opvolger, een verlosser, 1) dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen, terwijl Joas de steden aan deze zijde van de Jordaan weer bevrijdde, maar Jerobeam II Gilead heroverde en de kinderen van Israël, van nu af weer vreedzaam en zeker, woonden in hun tenten als te voren.
Met dit woord: “Heiland” of “Verlosser” is wel hoofdzakelijk aan Jerobeam II gedacht, in betrekking tot wie het in 14: 27 heet: “en de Heere verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas,” zodat men zou kunnen aannemen, dat in dezelfde tijd, waarin Joahaz het aangezicht van de Heere heeft gezocht, aan het koninklijk huis juist het kindje is geschonken, dat eenmaal aan het land de volkomen redding aanbrengen zou. Intussen ziet het woord zonder twijfel ook op de voorlopige hulp door Joas (vs. 12-25).
Men zie hierin, hoe de behoudenis van een volk alleen gelegen is in de erkentenis en aanbidding van de alleen ware God, omdat Joahaz daarop, ofschoon alles tot het uiterste gebracht scheen, verademing, ja, rust kreeg. Bij God is vergeving, opdat Hij gevreesd worde.
Kruisverwijzingen1 Koningen 16:33→2 Koningen 13:2→2 Koningen 17:20→2 Koningen 17:16→2 Koningen 18:4→2 Koningen 23:4→Deuteronomium 32:15→1 Koningen 15:3→— Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)
Nochtans was dit helpen en redden van de zijde van de Heere slechts, zoals in vs. 4 gezegd is, vrije erbarmen, nadat Joahaz zich minstens in iets verootmoedigd had, maar geenszins een volkomen bedeling van Zijn Goddelijke genade in onvoorwaardelijke opheffing van Zijn gerichten. Want niettegenstaande Joahaz het aangezicht van de Heere zocht, weken zij, de kinderen van Israël, noch onder hem, Joahaz, noch onder zijn beide opvolgers (vs. 11 14: 24) niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed maar hij wandelde daarin; en het bos, de door Achab opgerichte (1 (Koningen 16: 33), maar die door Jehu bij zijn uitroeiing van de afgodendienst ( 10: 26vv.)niet mede vernielde Aschera of Astarte-zuil, bleef ook staan te Samaria). De Heere had in tijd van nood en benauwdheid een wereldse verlosser gegeven; ons heeft Hij een geestelijke Heiland gegeven, die ons redden kan en wil uit de hand van de allergrootste vijanden: zonde, dood, duivel en hel (Luk. 1: 69-71). Wat hebben wij te verwachten, wanneer men ook van ons moet zeggen: “Nochtans weken zij niet af van de zonde.”. Zoals Joahaz bidt, menigeen in de nood en is de nood voorbij, dan verdwijnen de goede aandoeningen ook weer spoedig.
KruisverwijzingenAmos 1:3→2 Koningen 10:32→Jesaja 41:15→Psalmen 18:42→1 Samuël 13:6→2 Koningen 8:12→Joël 3:14→1 Samuël 13:19→— Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
Het overige nu van de geschiedenissen van Joahaz en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, of dapperheid die hij, niettegenstaande zijn zware nederlagen, in de strijd tegen de Syriërs bewees, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël? (1Ki 14: 19)
Kruisverwijzingen2 Koningen 10:34→1 Koningen 14:31→1 Koningen 11:4→1 Koningen 14:29→1 Koningen 14:19→— Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
En Joahaz1) ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria (1 Koningen 16: 28; 22: 37; 2 Koningen 1: 17; 10: 35 en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
Aangaande de regering van koning Joahaz hebben wij slechts spaarzame berichten: de Kroniek vermeldt haar in het geheel niet. Was het rijk reeds in Jehu’s laatste tijd gedaald ( 10: 31-33), het zonk onder deze koning in elk opzicht nog veel meer. Niet slechts duurde de kalverdienst voort, maar de weelderige Ascheradienst herstelde zich. Maar daardoor bleek het, dat de uitroeiing van het huis van Achab, de grondvesting van een nieuwe dynastie, de vernietiging van de afgodsdienst, kortom de gehele geweldige en bloedige omwenteling ( 8 en
van nul en generlei waarde was. De reeds onder Jehu begonnen strafgerichten en tuchtigingen namen dus toe en brachten het rijk nabij de ondergang. Pas nu vluchtte Joahaz in angst en vertwijfeling tot de Heere, die zich weer over Zijn volk erbarmde. Met recht zegt Schlier van Joahaz: “Zijn gebed was het beste, dat hij zijn opvolgers naliet.” De toestand onder zijn regering bewijst met een feit, dat de beeldendienst altijd weer tot afgodendienst voert en dat er slechts één schrede tussen beiden is; hij toont in het algemeen, hoe het onkruid van godsdienstige afdwaling en verkeerdheid, heeft het eenmaal in de grond van een volk wortel gevat, telkens opnieuw opkomt, met hoeveel kracht men het ook uitroeit, en dat het stormen en onweren beter kan verdragen dan de goede planten. Christelijke volken blijven veel meer verkleefd aan de dwalingen, die onder de Christelijke waarheid zijn ingeslopen, dan aan deze waarheid zelf. Aan de andere zijde verschijnt hier de God, die Israël’s lot bestuurt, als degene, die wel over de zonden en de afval van Zijn volk in toorn ontbrandt, maar niet eeuwig de toorn behoudt en niet ophoudt, om barmhartig en genadig, geduldig en van grote goedertierenheid en trouw te zijn (Exodus 34: 7 34.7 Psalm 103: 8, 9), en die, wanneer zij uit de angst roepen, hun geschrei hoort en op Zijn tijd de Verlosser zendt.
Vs. 10-13. Ook Joas, die thans de koningstroon in Samaria heeft bestegen, regeert in de geest van zijn vader en grootvader, en laat de kalverdienst voortduren. Met deze korte schets van Zijn geschiedenis vergenoegt zich de voor ons liggende afdeling, terwijl verdere mededelingen daarover voor de volgende twee afdelingen worden overgelaten, waarvan de ene met het einde van de profeet Elisa, de andere met de regering van koning Amazia van Juda zich bezighoudt. De geschiedenis van Joas wordt hier op de gewone wijze voorlopig voor afgehandeld gehouden.
— In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda, d.i. 840 v. Chr. werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël te Samaria, en regeerde zestien jaar,1) tot 824 v. Chr., nauwkeurig genomen, dus slechts veertien jaar en enige maanden, die deels in het jaar 824 vallen (1Ki 12: 24).
De berekening in jaren sinds de geboorte van Christus kan des te minder met nauwkeurigheid worden gedaan, omdat ook de Christelijke kalender zo lang gebrekkig was. Het is bekend, hoe Peter d’Ailly aan het beroemde Concilie van Constanz (1414 na Chr.) zijn vermaning tot verbetering van de kalender richtte en Nicolaas van Cusa in het jaar 1436 een verhandeling over hetzelfde onderwerp aan het Concilie van Bazel overlegde; beiden duidden de toestand van de kalender aan als een grote ergernis van de Kerk, doordat het jaar tot hiertoe op 365 1/4 dag werd gerekend, terwijl het in werkelijkheid meer dan 11 minuten kleiner is, hetgeen elke 128 jaar een dag bedraagt. Maar pas in het jaar 1582 kwam de zaak door paus Gregorius XIII tot uitvoering, en zelfs deze verbeterde kalender was nog niet volkomen voldoende.
Kruisverwijzingen2 Koningen 13:2→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:6→2 Koningen 3:3→— En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
En hij deed, zoals zijn beide voorgangers Jehu ( 10: 31) en Joahaz (vs. 2) dat kwaad was in de ogen van de HEERE; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin, ofschoon hij de profeet Elisa toegenegen was (vs. 13vv.), en ook overigens een edel karakter betoonde ( 14: 8vv.). Elia en Elisa hebben volbracht wat zij volbrengen moesten, naar het oogmerk van hun zending; zij hebben Israël nog eenmaal van de rand van het verderf, waartoe de afval van de levende God hen voerde, teruggebracht en gered; zij hebben eindelijk door Jehu’s hand de afgodendienst omvergeworpen, die bij Elia’s optreden zegevierde, en de erkentenis, dat de Heere God is en Hem alleen aanbidding en eer toekomt, en Israël nog eenmaal de overwinning doen behalen. Dit feit staat vast, en van geen enkele zijde wordt het enigszins tegengesproken, dat wij in Elia en Elisa twee van de grootste hervormende vernuften van Israël moeten erkennen. Hun verdienste wordt ook op generlei wijze daardoor verkleind, dat Jehu, die met zo’n verterende ijver de Baäl neerwierp, met zijn huis nu toch niet geheel tot de zuivere godsdienst terugkeerde, maar de kalverdienst, door Jerobeam ingevoerd, liet voortduren; het blijft de roem van deze mannen, indien hier, waar alles Goddelijke gave was, van roem kan sprake zijn, dat zij aan het nieuwe koninklijke huis zowel als aan het gehele volk de terugkeer tot de zuivere dienst van de ware God mogelijk gemaakt hebben, niet bloot uitwendig door de uitroeiing van het huis van Achab en de verwoesting van de Baälstempel, maar ook door de onder hun invloed bewerkte afwending van de gemoederen van de Baäldienst tot het geloof aan de God van de vaderen, zonder welke Jehu’s tocht tot wraakneming en het welslagen van zijn onderneming ook in het geheel niet denkbaar zou zijn.
Kruisverwijzingen2 Koningen 13:14→2 Koningen 14:25→2 Kronieken 25:17→2 Koningen 14:8→— Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon, waarvan in 14: 23vv. verder gesproken zal worden. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël (zie vs. 9). De inhoud van deze laatste twee verzen keert later ( 14: 15vv.) nog eenmaal weer, evenals ware daar de geschiedenis van de regering van Joas en niet die van Amazia beschreven; daarentegen wordt hier reeds Joas’ geschiedenis daarmee besloten, ofschoon de volgende afdeling nog een gewichtige gebeurtenis uit de tijd van zijn regering opgeeft. De reden hiervan is, dat de heilige schrijver van zekere bronnen gebruikt heeft gemaakt, die hij in alle trouw wilde teruggeven, omdat zij juist geschriften bevattenden, die door profetische, door de Geest van God geleide mannen, waren vervaardigd. Zo’n trouw was voor hem van meer belang dan een afgeronde vorm van voorstelling, die aan alle eisen van volmaakte historiebeschrijving voldoet.
Vs. 14-25. Ter aanvulling van de geschiedenis van Joas regering, maar tevens als zelfstandige afdeling op zichzelf, volgt hier het bericht van de ziekte en van de dood van de profeet Elisa en van de wondervolle herleving van een dode, wiens gebeente men bij het zijne gelegd had. Zoals bij het sterven van de profeet hem voorzegd en hier bij dit wonder die voorzegging ook bevestigd en bekrachtigd is geworden, zo kon Joas later werkelijk de Syriërs driemaal slaan en de steden van Israël aan deze zijde van de Jordaan uit Benhadads hand heroveren, die door diens vader Hazaël aan zijn vader Joahaz waren, afgenomen. Met de tweede helft van zijn regering begon dus weer een betere tijd voor Israël, die daarop onder zijn opvolger Jerobeam II ( 14: 23vv.) in een soort van bloeitijd overging.
Kruisverwijzingen2 Koningen 2:12→Spreuken 11:11→Handelingen 13:36→Johannes 11:3→2 Koningen 20:1→Psalmen 12:1→Markus 6:20→Filippenzen 2:26→— Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!
Elisa 1)nu, thans zeker reeds bij de 100 jaar oud, was, omstreeks het midden van de tijd van de regering van koning Joas van Israël (vs. 10vv.) ziek geweest van zijn hem door God gezonden ziekte, waaraan hij stierf, vermoedelijk van zwakheid van de ouderdom. En Joas,2) de koning van Israël was, zodra hij van de ziekte van de profeet hoorde, tot hem afgekomen, in zijn aan de voet van de burg van Samaria gelegen woning ( 5: 9, 24; 6: 32vv.), en had geweend over zijn aangezicht, terwijl hij zich over de neerliggende zieke neigde, en had gezegd, wel wetende hoeveel hij juist thans, nu de Syriërs hem met een nieuwe inval bedreigden, aan de man Gods verloor: Mijn vader! mijn vader! wagen van Israël en zijn ruiters! 3) welke woorden ook eenmaal Elisa zelf bij het scheiden van Elia had uitgesproken.
Toen Elisa tot opvolger van Elia, in het jaar 906 v. Chr., geroepen werd (1 Koningen 19: 19vv.) was hij zeker reeds 25 jaar oud; sinds die tijd tot op het midden van Joas’ regeringstijd (832 v. Chr.) waren 74 jaar verlopen, maar omstreeks deze tijd moeten wij overeenkomstig de gehele samenhang met hetgeen voorafgaat en volgt, de gebeurtenis in ons verhaal plaatsen.
Koning Joas kwam toch nog tot de man Gods en schaamde zich niet, met tranen voor hem te staan, en zijn hulpe- en radeloosheid te belijden: maar hoe velen mijden zulke mannen en zijn blij als zij in geen aanraking met hen komen en voor altijd van hen bevrijd worden.
Wat overigens aan koning Joas bij Elisa’s sterfbed die tranen afperste en die klacht ontlokte, was niet alleen de bezorgdheid, dat hij de profeet zou verliezen, maar tevens een levendig gevoel van berouw over de wijze, waarop hij hem tot hiertoe behandeld had. Hij voelde het diep, dat hij deze man en zijn woord geheel anders had moeten eren, dan hij gedaan had. Evenals de meerderheid van het volk had ook hij het Goddelijk genadegeschenk, dat in de Ziener aan het land was geschonken, niet behoorlijk gewaardeerd, en moest hij daarom thans de bitterste aanklachten van zijn geweten ondervinden. Ach, de dood is een scherpe rechter! Hoe dikwijls beleven wij zulke voorbeelden van te laat berouw! Hoe menigmaal vernemen wij de smartvolle uitroep: O, had ik beter erkend, wat mij in deze, in gene mens door God geschonken was! Laten zulke ervaringen ons dan toch eindelijk tot lering strekken! Besparen wij ons het snerpende bewustzijn, van de genade, waar zij ons het meest nabij was, schandelijk verwaarloosd te hebben.
Het was een blijk van iets goeds in die vorst, dat hij achting en genegenheid betoonde aan een getrouw profeet. Immers, hij was zo ver van hem te haten en te vervolgen als een beroerder van Israël, dat hij hem beminde en eer bewees, als een van de grootste zegeningen van zijn koninkrijk en zichzelf en zijn volk beklaagde, dat zij gevaar liepen, om binnenkort zo’n onwaardeerbare voorstander te verliezen. Men heeft meermalen gezien, dat dezen, die het woord van God niet willen gehoorzamen, zodanig in hun geweten overtuigd waren, aangaande de trouw en oprechtheid van hen, die het verkondigden, dat zij zich niet onthouden konden, van hen ootmoed en eerbied te betonen.
Joas had Elisa dus weer leren kennen en een zeer grote achting voor hem opgevat. Hij is ervan overtuigd geworden, dat deze Elisa in de hand van zijn God, een wachter en beschermer is van zijn volk, dat hij door zijn tussenkomst en met zijn voorbede een grote steun was voor land en koning, voor vorst en onderdaan.
KruisverwijzingenPsalmen 144:1→Genesis 49:24→2 Koningen 4:34→— En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.
En hij, Elisa, zei tot de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog; en hij, de koning, legde zijn hand daaraan, spande hem. En Elisa legde, toen Joas zo met gespannen boog en daarop gelegde pijl naast hem stond, zijn handen op de handen van de koning, 1) en deelde hem zo op symbolische wijze de kracht van God, waarvan hij de drager en bemiddelaar was, daardoor mede en wijdde dus het werk, dat het nu volgende schot moest aanduiden, in de naam van de Heere in (Ge 48: 14).
Joas staat hier tegenover Elisa als een leerling. Als een leerling is hij gehoorzaam aan de bevelen van de profeet. Ja, zelfs legde de profeet zijn handen op de koning, om hem te beduiden, dat hij de kracht, om de vijanden te verdelgen of te verslaan, niet bij zichzelf moest zoeken, maar bij de God van Israël.
Kruisverwijzingen1 Koningen 20:26→1 Korinthe 1:18→Exodus 4:2→Exodus 4:17→Richteren 7:9→2 Koningen 5:10→1 Samuël 4:1→Johannes 11:39→— En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.
En hij zei: Doe het venster open tegen het Oosten in de richting op Gilead aan, waar de Syriërs over het land aan de overzijde van de Jordaan sinds Jehu heersen ( 10: 32vv.). En hij, Joas, alle aanwijzingen van de profeet met gespannen verwachting trouw opvolgende, deed het open. Toen zei Elisa: Schiet nu op die streep aan. En hij schoot. En hij, de profeet, het schot met een woord van Goddelijke belofte vergezellende, zei 1) echter: Het is een pijl van de verlossing, die van de kant van de HEERE komt, en een pijl van de verlossing of hulp tegen de Syriërs, die deze in de verte wegvliegende pijl aanduidt; want gij, die de pijl hebt afgeschoten, zult het werktuig van het heil voor Israël zijn, en de hulp van de Heere tot overwinning van zijn vijanden ondervinden; want gij zult de Syriërs slaan in Afek, waar eenmaal ook Achab met Gods hulp hen wonderbaar sloeg (1 (Koningen 20: 26vv.), maar waar later om zijn goddeloosheid uw vader Joahaz zulke zware nederlagen van hen moest lijden (vs. 3vv.), en indien gij in het geloof volhoudt en niet zwak zijt, zult gij hen slaan, tot verdoens toe, totdat zij geheel uitgeroeid, en voor altijd onschadelijk gemaakt zijn.
Hoe geheel kwam het met Elisa’s eigenaardig karakter en roeping overeen, dat hij met een heilsboodschap het tijdelijke zegende! En wat een frisse, krachtige klank hebben zijn woorden. Zij zijn zelfs als pijlen, van de strakke boogpees van een volkomen toevoorzicht en een onwankelbare zekerheid afgeschoten. Dat: Neem, leg aan, schiet, klinkt het niet als het commandowoord van een veldheer? En dat: het is een pijl van de verlossing van de Heere, een pijl van de verlossing tegen de Syriërs, is het niet of de HEERE zelf hier spreekt? O, met zekerheid te weten, dat God de zaak is, die men drijft de openbaring die men geeft, het woord dat men spreekt, wat geeft dit een vastheid en hoe zegevierend werkt alles, wat in dit bewustzijn wordt aangegrepen, ondernomen en gesproken! Maar wat de profeet van de Heere de koning van Israël toeroept, het wordt ook tot u gezegd: Span de boog, mik, schiet af! Een pijl van de verlossing van de Heere, een pijl van de verlossing tegen wereld, zonde, dood en duivel! Hoe ook de wereld met haar strikken u bedreig, de zonde u verlokke en doe beven, de koning van de verschrikking u beangstige, de duivel met zijn vurige pijlen u in het nauw brengen, eens roept een almachtige stem uit de Hoogte: Laat los, die gij ten onrechte gebonden hebt! en gij jubelt in de onuitsprekelijke vreugde van de overwinning: De strik is gebroken en ik ben vrij! Eenmaal gebeurt een slag, gij meent, hij treft u, gij sterft, maar eigenlijk sterft gij niet, gij leeft; aan die machten van de duisternis is de macht over u ontnomen.
Kruisverwijzingen2 Koningen 4:6→Ezechiël 5:1→Exodus 17:11→Jesaja 20:2→Ezechiël 4:1→Ezechiël 12:1→— Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.
Daarna zei hij, Elisa, om de koning op de proef te stellen, hoever zijn geloof reikte, want daarvan hing de maat van het heil af, dat de Heere door hem aan Zijn volk zou geven: Neem de overige pijlen, die gij nog in uw koker hebt, vijf in het geheel, nadat gij er reeds een hebt afgeschoten. En hij nam ze. Toen zei hij tot de koning van Israël: Sla tegen de aarde, 1)schiet van deze pijlen naar de grond daarbuiten zoveel af als u goeddunkt. En hij sloeg, schoot de ene pijl na de andere af, driemaal; 2)daarna stond hij stil, hield ermee op, en had nog twee pijlen overig.
Het slaan of afschieten van de pijlen naar de aarde moest ongetwijfeld de verdelging van de Syriërs afbeelden. Elisa wilde daaruit zien, maar ook straks aan koning Joas boodschappen, hoeveel malen hij de Syriërs zou overwinnen. Joas weet, of kon tenminste weten, dat iedere pijl, die hij afschoot, een pijl van de verlossing was. Dit had Elisa hem zo-even gezegd. Daarom moet gezegd worden en mag terecht gezegd worden, dat het ophouden van schieten, na de derde maal, een teken van ongeloof bij de koning was, uit ongeloof voortkwam, hetzij hij meende, dat de zaak te groot was, dat hij niet verder zou slagen, hetzij hij meende, daarmee genoeg gewonnen te hebben. Of er ook hoogmoed bij kwam, zodat hij niet langer daar voor de profeet wilde staan al schietende naar de grond, valt niet te zeggen. Het is wel mogelijk, want ongeloof en hoogmoed gaan dikwijls samen. In elk geval berokkende hij zichzelf en zijn volk grote schade en verbeurde hij daardoor de algehele overwinning over de vijanden, die later door zijn zoon Jerobeam II behaald werd. Door ongeloof sloot Joas zich de weg tot de volkomen overwinning over de Syriërs.
Omdat de koning in zijn hart de grote macht van de Syrische koningen overwoog en aan Elisa geen volkomen vertrouwen schonk, meende hij, dat het genoeg was, als hij de aarde driemaal sloeg, terwijl hij vreesde, dat de belofte zich niet verder zou vervullen, indien hij nog meermalen sloeg.
Kruisverwijzingen2 Koningen 13:25→2 Koningen 6:9→Markus 3:5→Numeri 16:15→2 Koningen 4:16→Markus 6:5→2 Koningen 1:9→2 Koningen 4:40→— Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.
Toen werd de man Gods, wegens dit gebrek aan geloofsvertrouwen, 1) omdat Joas toch wist, dat iedere afgeschoten pijl een overwinning van de Heere op de Syriërs betekende, zeer boos op hem, 2) en zei: Zou gij vijf- of zesmaal geslagen 3) hebben, dan zou gij de Syriërs in vijf- of zesmaal tot verdoens toe geslagen hebben; maar nu zult gij de Syriërs slechts tot driemaal slaan, en zolang gij regeert nooit volkomen meester over hen worden, hetgeen pas aan iemand na u zal ten deel vallen, (zie vs. 25 en 14: 25).
Omdat hij niet bepaald was, omtrent de macht en de belofte van God, wat behoefte hij dan bekrompen te wezen in zijn eigen verwachting en pogingen. Het kan niet anders dan zeer smartelijk zijn voor de godvruchtige te zien, dat dezen, die zij het goede toewensen, zichzelf in de weg zijn, en hun weldadigheid verlaten (Jon. 2: 8) en hen te zien verwaarlozen, de voordelen, die zij op hun geestelijke vijanden hebben en dat zij aan deze enig voordeel geven.
Dit “boos worden” van de profeet was geen zondige opwelling, maar werkelijk een toorn van de liefde, daarover, dat de koning niet nog meer dan hij deed, de belofte zich toe-eigende tot zijn eigen heil en dat van zijn volk.
Het kleinmoedige ongeloof van de mensen veroorzaakt, dat God Zijn heerlijkheid hier en daar minder openbaren kan dan Hij wilde (Mark. 6: 5) en dat hun weg niet zo gemakkelijk wordt, als God hun geven wilde. De overwinning regelt zich naar het geloof. De Heere sprak tot de hoofdman te Kapernaum: “U geschiede, naardat gij geloofd hebt.” (MATTHEUS. 8: 13). Wie een Godswerk moet uitvoeren, mag niet naar eigen goeddunken stilstaan en talmen, maar moet daarin onvermoeid en trouw voortgaan, totdat de Heere hem gebiedt stil te staan en te rusten.
Hoe treurig wanneer men slechts half gelooft, slechts half volgt, of na een goed begin stilstaat.
Dit vijf- of zesmalen kan slechts betekenen: Indien gij al uw pijlen tot op de laatste toe, naar de grond had afgeschoten, dan blijkt daaruit, hoeveel pijlen Joas’ koker bevatte, zes in het geheel, maar na het afschieten van de in vs. 17 vermelde nog vijf. De profeet spreekt van “vijf- of zesmaal”, hetzij nu of de schoten in vs. 18 alleen geteld worden, of dat ook die in het voorgaande vers meegerekend wordt, hoewel deze slechts van algemene symbolische betekenis is, en nog geen bepaalde betrekking heeft op de geloofskracht van de koning.
Kruisverwijzingen2 Koningen 24:2→2 Koningen 3:7→Richteren 6:3→2 Koningen 3:24→2 Kronieken 24:16→Handelingen 8:2→2 Koningen 6:23→Richteren 3:12→— Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.
Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu van de Moabieten kwamen in het land met het ingaan van het jaar. 1)
De Vulgaat, waaraan Luther bij zijn vertaling zich gehouden heeft, schijnt aan het slot van het vers gelezen te hebben: in ipso anno = van hetzelfde jaar. Intussen is de betrekking van deze zinnen tot elkaar in ieder geval beter zo op te vatten, dat de derde zegt wat placht te gebeuren in de tijd, toen het meegedeelde in de eerste twee zinnen voorviel, maar nu staat er aan het einde van het vers, niet zoals de Vulgaat leest, maar: ab (= gekomen was een jaar) d.i. toen een jaar, namelijk het gepaste jaargetijde voor zulke invallen gekomen was. Hiermee wordt gezegd, dat toen een dergelijke toestand van nood en jaarlijkse vijandige overvallen in het land bestonden als ten tijde van Gideons roeping (Richteren 6: 1vv.), met dit onderscheid, dat het thans niet de Midianieten en andere zonen van het Oosten waren, welke strooptochten ter plundering en verwoesting maakten, maar de Moabieten: deze, zo schijnt het, wreekten zich daardoor over de verwoesting van hun land door Israël onder Joram, en het verzwakte Israël kon zich niet met goed gevolg tegen zulke invallen verzetten.
Een betere vertaling van dit vers is: Daarna stierf Elisa en zij begroeven hem, toen de benden van de Moabieten hun jaarlijkse inval in het land deden. De laatste woorden betekenen letterlijk: gekomen was een jaar. De LXX vertaalt zeer juist met: elyontov tou eniautou. Toen de geschiktste tijd ervoor gekomen was, n.l. om hun strooptochten te doen, kwamen de Moabieten, om deze te volbrengen.
KruisverwijzingenEzechiël 37:1→Openbaring 11:11→Johannes 11:44→Johannes 5:28→Handelingen 5:15→Jesaja 26:19→2 Koningen 4:35→Johannes 5:25→— En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.
En het geschiedde, toen zij, de mannen van Samaria, waar Elisa gestorven en nabij de stad in een grafkamer bijgezet was, niet lang daarna, een andere man begroeven, dat zij bij het wegdragen van het lijk, ziet, een bende van Moabieten zagen, die omstreeks die tijd invallen deden om te stropen; in hun ontsteltenis gunden zij zich de tijd niet om voor hun dode een eigen grafplaats gereed te maken, zo wierpen zij de man in het graf van Elisa, waarvan zij in allerijl de steen, die ervoor lag (MATTHEUS. 27: 60 (Mark. 16: 3) wegrolden, en het ene lijk bij het andere legden, en toen de man, het ontzielde lichaam van de man, die zij zo in allerijl begroeven, daarin kwam, tot bij het ontzielde lichaam van de profeet, 1) en het gebeente van Elisa aanraakte, werd hij weer levend, en de man rees op zijn voeten, en ging met hen, die hem hadden moeten begraven, naar de stad terug. 2)
Elisa’s lijk was dus niet in een doodkist, maar slechts in linnen doeken gewikkeld, ten grave gebracht (2 Samuel 3: 31).
Hoe leefde de dode weer slechts door de aanraking van Elisa’s lijk? Bevreemdt u dit, wat zult gij dan daarvan zeggen, dat eenmaal de burgers van Jeruzalem zieken en bezetenen op bedden en baren, op de straat droegen, opdat, zodra de apostel Petrus kwam, ook slechts zijn schaduw over een van hen kwam; en ziet, zij werden gezond, over wie zijn schaduw heen streek. Wat daarvan, dat de gelovigen te Efeze de zweetdoeken en gordeldoeken van Paulus’ lijf over de zieken hielden, en de besmettelijke ziekte week van hen, de boze geesten voeren van hen uit? (Hand. 6: 15; 19: 11vv.). Maar, zo zegt gij, vindt in deze feiten niet de Roomse relikwieëndienst een zekere steun en haar rechtvaardiging? Dat zij verre! Want zonder nog te zeggen, dat het weinig of niets ter zake doet, omdat de zogenaamde relikwieën (heilige overblijfselen) meest slechts voorgewende overblijfselen van de heiligen zijn, aan wie zij worden toegeschreven, schrijven de Roomsen aan hun vermeende gebeenten, kledingstukken of andere voorwerpen, die zij voor heilig houden, stoutweg op zichzelf een toverachtige kracht toe; en wat is dat anders dan bijgeloof en heidendom? Of zij schrijven de wonderwerkingen aan heilige mensen toe, wier beenderen of kleren zij hun zogenaamde gelovigen tot aanraking, kussing en verering uitstallen; en wat is deze mensenverafgoding anders dan een met een Christelijk waas overtrokken afgodsdienst? Of eindelijk, zij naderen de waarheid meer, en zeggen, dat, God of Christus het doet door middel van hun gebeenten, splinters van het kruis, hun heilige rokken en dergelijke zaken; maar waar kunnen zij een uitdrukkelijk woord van de belofte aanwijzen, dat God werkelijk aan deze voorwerpen Zijn hulp zal verbinden? Zij hebben dit niet, maar geloven ook niet, dat zij dit behoeven; zij menen dat het vanzelf spreekt, dat God door het kanaal van hun kunstenarijen Zijn zegen moet laten stromen. Omdat Hij eenmaal door de vergankelijke overblijfselen van Elisa, door de gordel van de apostel grote dingen heeft gewerkt, zo moet Hij hetzelfde ook door de overblijfselen van alle andere heiligen tot stand laten komen. Zij willen dus over God beschikken, en zonder Goddelijke opdracht, zonder het geringste woord van belofte van God, in eigen aangematigde volmacht, Hem en Zijn wondermacht aan hun lappen en beenderenschat binden; en dat is een stoute, strafbare misdaad, en te meer, omdat zij in hun waan niet zelden bovendien begeren, dat God, de Heilige en Waarachtige, hun leugens met wonderen en tekenen bekrachtigen en bevestigen zal.
Dit voorbeeld bewijst niets van de kracht van de relikwieën van de heiligen, waarvan in het Pausdom zoveel misbruik gemaakt wordt; want niet het gebeente van Elisa, maar de kracht van God maakte deze dode levend; ook heeft de Kerk, net zo min toen als later, Elisa’s gebeente opgegraven, veel minder in goud en zilver gevat het door het volk laten kussen en vereren, zoals in het Pausdom gebeurt. Dit grote wonderwerk, ofschoon bij verkorting vermeld, diende deels om eer te bewijzen aan deze grote profeet, alsmede om zijn leer te bevestigen, inmiddels ter versterking van het geloof van Joas en het volk, aangaande de belofte van hun voorspoed tegen de Syriërs, en verder om temidden van alle onheilen, die Israël troffen, dezen onder het volk, die Elisa’s raad en voetspoor volgden, te vertroosten met de hoop van het eeuwige leven, waarvan dit teken een blijkbaar onderpand was. Elia is geëerd bij zijn verplaatsing, Elisa na zijn verplaatsing en beide vertrekken zij tot bevestiging van die troostrijke waarheid, dat zij, die in de Heere sterven, zalig zijn, onmiddellijk na hun ontslapen en niet pas lang daarna.
Zoals Elia nog van de hemel met de aardse zaken zich bezig hield (2 Kronieken 21: 12vv.), zo moest ook Elia’s werkzaamheid, die reeds in vergetelheid begon te raken, niet met zijn lichaam begraven liggen; hem viel door zijn volk geen plechtige, eervolle begrafenis (zie 1 Samuel 25: 1) ten deel, maar door God werd hem nog in het graf getuigenis gegeven, dat een Godskracht in hem geweest was, en daardoor vooral werd Joas tot uitvoering van de laatste bevelen en beloften van de stervende profeet aangemoedigd.
Het wonder van de herleving van de dode moest op de belofte van de stervende profeet aangaande Joas zegepraal over de Syriërs het zegel van de Goddelijke bekrachtiging drukken; terwijl de Heere daarmee betuigde, dat Hij geen God van de doden is, maar van de levenden, en Zijn Geest over dood en vergankelijkheid verheven is.
Het dode kan het dode niet levend maken; de adem van de Heere alleen dringt ook in de groeve van de vertering en herschept haar in een oord van het leven (Ezechiël. 37: 1vv.). Daarom staat ons vertrouwen en onze hoop niet op dode mensenbeenderen, maar op God, die alle dingen levend maakt en de grote Herder van de schapen uit de doden heeft opgewekt. Zijn wij met deze begraven, zo hebben wij de troost: God, die de Heere heeft opgewekt, zal ook ons opwekken door Zijn kracht (1 Kor. 6: 14; 2 Kor. 4: 14 Kol. 2: 12; Rom. 6: 4).
De leer en het voorbeeld van de mannen Gods kunnen ook na hun dood vruchten dragen bij de geestelijk doden, als men ze zich herinnert en ze volgt (Hebr. 13: 7). En zo groeien de gebeenten pas recht…als gij de zonde zijt afgestorven. Werp u dan slechts in het graf van uw Heiland met ootmoed en zelfverloochening; zo zult gij weer leven en opstaan, zoals deze deed; want wie Christus’ kracht over de dood in waar geloof aangrijpt (met deze dood in aanraking en verbinding komt) wordt hierdoor tot het echte leven van Zijn Geest verwekt.
Kruisverwijzingen2 Koningen 14:27→Genesis 13:16→1 Koningen 8:28→2 Koningen 24:20→2 Koningen 17:18→Exodus 2:24→Genesis 17:2→Exodus 3:6→— Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
Maar, zoals reeds in vs. 4 gezegd is, de HEERE was hun genadig, toen Joahaz zijn aangezicht aanbad, en ontfermde zich over hen, en wendde zich weer tot hen, nadat Hij zich lange tijd van hen had afgekeerd en hen in de hand van de koning van Syrië gegeven had, omwille van Zijn verbond met Abraham, Izaak en Jakob; en Hij wilde hen vooralsnog niet verderven, en heeft hen ook niet geheel verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe, 1) maar later, in de Assyrische gevangenschap ( 17), kwam het vanwege hun toenemende afval van Hem wel tot zo’n verwerping.
Waaruit dit bleek, wordt in het volgende vers gemeld, n.l. uit de dood van Hazaël. Hazaël was de door God bestelde roede over Israël en zolang deze leefde, zou Israël op geen verademing kunnen hopen. De Heere is onveranderlijk in Zijn rechtvaardigheid, zoals Hij het is in Zijn barmhartigheid. Nu Hij echter de roede wegnam, d.i. Hazaël zijn adem ontnam, nu kon het volk van Israël weer ruimer adem scheppen, omdat Benhadad, Hazaëls zoon, niet tot roede was besteld, maar door Joas’ zoon overwonnen zou worden. Ook hier wordt er weer door de gewijde schrijver op gewezen, dat de Heere het alleen deed, ook het verbreken van de roede van de kastijding, omwille van Zichzelf en dus om het verbond met Abraham, Izaak en Jakob, maar wijst er ook zijdelings op, dat, als straks de maat van de ongerechtigheid voor Israël vol is, de Heere God tot betoning van Zijn rechtvaardigheid, het zal kastijden, zodat het als natie ophoudt te bestaan.
Kruisverwijzingen2 Koningen 13:18→2 Koningen 10:32→2 Koningen 14:25→— Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.
Joas nu, de zoon van Joahaz, nam, zoals Elisa hem voorzegd had (vs. 15vv.), de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij, Hazaël, uit de hand van Joahaz, zijn vader, met strijdgenomen had. Joas sloeg hem, Benhadad, driemaal, overeenkomende met zijn driemaal slaan van de grond in vs. 18, en bracht de steden van Israël aan deze zijde van de Jordaan weer, zodat voortaan de kinderen van Israël weer in rust en vrede hun tenten bewoonden, zoals vroeger (vs. 5); het Oostjordaanland daarentegen, wat Hazaël reeds aan Jehu ontnomen had ( 10: 32vv.), werd pas door Jerobeam II aan Benhadad weer ontnomen ( 14: 25vv.). Zo gewonnen, zo geronnen. Want onrechtvaardig verkregen goed komt zelden tot op de derde erfgenaam (Jes. 33: 1). Israël is (zoals in vs. 23) ook thans nog een verbondsvolk van God, en niet geheel en voor altijd verworpen (Rom. 11).
Hoe gelukkig Joas ook was in de strijd tegen het rijk van Juda en diens koning Amazia, die in zijn overmoed hem tot de strijd had uitgedaagd, zie daarover 14: 8vv. (vgl. vs. 10-13 in dit hoofdstuk).
Koning Joas rukte zich wel evenmin als zijn voorvaderen van de Jerobeamitische kalverdienst los, maar was overigens ongetwijfeld een van de betere koningen van het rijk van de tien stammen, zoals reeds alleen uit zijn samenkomst met Elisa blijkt. Van geen van de vier koningen, onder wie deze leefde, horen wij, dat hij in een gelijke of dergelijke verhouding tot de profeet stond. Waren de tranen, die hij aan diens ziek- en sterfbed weende, ook al niet tranen van boete en van een levendig gevoel van berouw over zijn tot dusver jegens hem getoonde gedrag, zo tonen zij toch in ieder geval, hoe diep de nood en ellende van Israël hem trof en hoe radeloos hij zich voelde bij de dood van de profeet. Met de uitroep: Mijn vader enz. openbaarde hij voor al de omstanders, dat Elisa hem meer was dan zijn gehele nog overige leger. Wat Elisa hem daarop beveelt te doen, volgt hij op zoals een dienaar het bevel van zijn heer. Dat hij na driewerf geschoten te hebben, ophoudt, gebeurde niet, omdat hij zijn koninklijke houding bewaren wilde, maar veeleer uit versaagdheid en schroom om te veel te verlangen. Maar toch vatte hij vertrouwen en moed, en toonde hij zich weldra als een dapper en zegevierend krijgsman, ook in de strijd met Amazia.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
2 Koningen 13
2 Koningen 13:1-2.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:26→1 Koningen 14:16→2 Koningen 10:35→2 Koningen 11:21→2 Koningen 8:26→2 Koningen 11:4→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:11→
— In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren. En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.
“Zeventien jaren” — dat is een lange tijd om onheil aan te richten. Zeventien jaar regeren over een volk, hen alle ten kwade beïnvloeden, hen van God afkeren en zijn uiterste doen om de Naam van Jehova uit de harten van het volk uit te wissen.
Zie hier de kracht van het boze voorbeeld. Het was vele jaren geleden dat Jeroboam, de zoon van Nebat, de kalveren te Beth-El en Dan opgericht had; en toch is hier een andere koning die in zijn voetstappen wandelt. U kunt niet zeggen, als u een slecht voorbeeld nalaat, hoe uw kinderen en uw kleinkinderen tot verre geslachten uw boze voetstappen mogen volgen. Slechte voorbeelden zijn heel levenskrachtig; zij leven eeuw na eeuw voort en beïnvloeden anderen lang nadat de eerste overtreder gestorven is. De gedachte dat wij hen mogen verderven die nog niet geboren zijn, behoort ons van de zonde terug te houden.
Let ook op het einde van het tweede vers: “hij week daarvan niet af”. Er is een volharding ten einde toe in de zonde; sommige mensen schijnen die te bewijzen. Hij werd ertegen gewaarschuwd; hij werd erom getuchtigd; maar “hij week daarvan niet af”. Houden mensen in de zonde aan, hoeveel meer behoort het volk van God dan aan te houden in de gerechtigheid! Wat u ook overkomt wanneer u eenmaal in de goede oude weg bent, moge er van u gezegd worden: “Hij week daarvan niet af.” Maar bent u op de verkeerde weg, moge de Heere u ervan doen keren en Zich meteen toekeren! Wijkt u niet af van het kwaad, dan moet u van God afwijken.
2 Koningen 13:3.KruisverwijzingenRichteren 2:14→1 Koningen 19:17→2 Koningen 13:24→2 Koningen 12:17→Jesaja 10:5→Richteren 10:7→Hebreeën 12:29→2 Koningen 13:22→
— Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.
Gods volk kan niet zondigen zonder onder de tuchtiging te komen. Gedenk dit woord des Heeren: “Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken.” Wordt u gemeentelid en leeft u toch een onheilig leven, dan komt u onder een bijzondere tucht — een tucht die ik duidelijk in de gemeente van God tot op deze dag zie voortgaan. Hazaël en Benhadad waren beide goddeloze mannen; en toch gebruikte God hen als roeden om Zijn zondigend volk te tuchtigen.
2 Koningen 13:4.Kruisverwijzingen2 Koningen 14:26→Exodus 3:7→Psalmen 78:34→Exodus 3:9→Numeri 21:7→Richteren 10:10→Jeremia 33:3→Genesis 21:17→
— Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.
Hoe slecht hij ook was, hij kende de hand die hem sloeg, en hij bad Jehova. Welk een wonder is het dat God zelfs de gebeden van goddeloze mensen hoort! Ik heb soms horen zeggen dat “het gebed van de goddeloze een gruwel is voor God”. Er is geen zulke plaats in de Schrift. Het is het óffer van de goddeloze dat de Heere een gruwel is. Zelfs wanneer een goddeloos mens tot God roept, en ook al is zijn gebed geen geestelijk en aangenaam gebed, dan kan God het toch in zekere mate horen, gelijk Hij in dit geval deed.
God kan de smarten van Zijn eigen volk niet verdragen. Zelfs wanneer Hij Zelf de roede oplegt, gaat het Hem, als Zijn kind roept, aan het hart. Gedenk wat Hij deed aan Farao toen Hij het zuchten en roepen van Zijn volk in Egypte hoorde. Er is niets machtiger bij een vaderhart dan de tranen van zijn kind.
2 Koningen 13:5-6.Kruisverwijzingen1 Koningen 16:33→Nehemia 9:27→2 Koningen 13:25→2 Koningen 14:25→2 Koningen 14:27→2 Koningen 13:2→1 Samuël 19:7→Deuteronomium 19:4→
— (Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren. Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)
De Heere gaf hun verlossing uit de wrede boeien van de Syriërs. Zij waren op elke wijze zo gepijnigd, zo geplunderd, zo verdrukt, dat God zich over hen ontfermde en hun vrede gaf. Maar Israëls bekering was maar halfhartig; zij bekeerden zich omdat zij léden. Zij bekeerden zich om het lijden en niet om de zonde. Zij gingen terug naar de zonde nadat zij aan de smart ontkomen waren. O, wees zo niet, mijn hoorder! Heeft God u om de zonde getuchtigd, laat uw bekering dan een grondige zijn.
2 Koningen 13:7-8.KruisverwijzingenAmos 1:3→2 Koningen 10:32→Jesaja 41:15→Psalmen 18:42→1 Samuël 13:6→2 Koningen 8:12→Joël 3:14→1 Samuël 13:19→
— Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof. Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?
God hielp hen en verloste hen; maar zij werden zeer, zeer laag gebracht. Zondigt Gods volk, dan zal hun verlossing hen duur komen te staan. Israël was eens een groot en machtig volk; hun legers trokken uit in geweldige scharen; maar nu hebben zij enkel het overschot van een leger. Zij waren het niet waard in de Schriften opgetekend te worden. Wij hebben heel schaarse berichten over Joahaz — maar genoeg voor zo’n goddeloos man.
2 Koningen 13:9-11.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:2→2 Koningen 13:13→2 Koningen 10:35→2 Koningen 13:10→2 Koningen 14:8→1 Koningen 14:13→2 Koningen 10:29→2 Koningen 13:6→
— En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren. En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
De ene zondaar werd door de andere gevolgd. Deze jonge man moet het onheil gezien hebben dat de afgoderij van zijn vader over het volk gebracht had; maar hij ging voort op dezelfde boze weg. O, u zonen van godvruchtige ouders, u behoort in de voetstappen van uw vaders te wandelen, want deze goddeloze zonen van goddeloze mensen volgden het boze voorbeeld van hun vaders!
Ik herhaal wat ik eerder zei: welk een onheilig ding is één boos voorbeeld! Wanneer iemand een ander doet zondigen, dan is de ander die zondigt schuldig, en de man die hem doet zondigen deelt in zijn schuld. Hier is Jeroboam, jaren dood, en toch blijft hij zondigen. Zijn zonde brandt voort als een vuur; en zeker duurt de straf voort als de zonde voortduurt.
2 Koningen 13:12-14.Kruisverwijzingen2 Koningen 2:12→2 Koningen 13:14→2 Koningen 14:25→2 Kronieken 25:17→2 Koningen 14:8→1 Koningen 1:21→1 Koningen 11:31→1 Koningen 2:10→
— Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel? En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel. Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!
Een oud man, waarschijnlijk in zijn negentigste jaar; hij had zijn geslacht wel gediend. Wij lezen vijfenveertig jaar niets van hem; hij schijnt in betrekkelijke afzondering geweest te zijn; misschien was hij in zijn ouderdom verwaarloosd en vergeten, gelijk menig man van God geweest is die eens in de voorste rij stond. Elisa is ten laatste dodelijk ziek geworden, en hij staat op het punt naar huis te gaan.
Dit is één goed ding dat Joas deed. Hij gedacht dat het door Elia en Elisa was dat de mannen van zijn huis op de troon gezet waren; en toen hij hoorde dat Elisa stervende was, ging er iets als wroeging door zijn hart, en hij “kwam tot hem af”. Elisa moet zijn ogen geopend hebben toen hij die woorden hoorde, want hij herinnerde zich dat dat bijna de laatste woorden waren die hij tot Elia zei toen zijn meester ten hemel opgenomen werd. Hij was voor Israël wagen en ruiters, want het was door zijn toedoen dat Israël verlost was.
2 Koningen 13:15-17.Kruisverwijzingen1 Koningen 20:26→Psalmen 144:1→Genesis 49:24→2 Koningen 4:34→1 Korinthe 1:18→Exodus 4:2→Exodus 4:17→Richteren 7:9→
— En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen. En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen. En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.
Niet omdat hij veel kracht kon lenen, want hij was een oud man; maar omdat dit betekende dat God met de koning zou zijn, dat de kracht die in de God van de profeet woonde door de handen van de profeet zou komen om de koning te helpen. Het was in het Oosten gewoonte, wanneer de oorlog verklaard werd, dat te doen door een pijl naar het land van de vijand te schieten; en deze dappere oude man, die spoedig zijn leven zou uitblazen, had de koning gesterkt om in de grote zwakheid van de Israëlitische staat opnieuw de oorlog tegen Syrië te verklaren.
2 Koningen 13:18-19.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:25→2 Koningen 4:6→Ezechiël 5:1→Exodus 17:11→Jesaja 20:2→Ezechiël 4:1→2 Koningen 6:9→Markus 3:5→
— Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil. Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.
Elisa was toornig, maar hij zondigde niet. Hij had het volk lief, en hij was bedroefd te bedenken dat de koning zo laks en zo traag was.
Dat God alle dingen, zowel grote als kleine, voorgenomen heeft, is een feit. Het is ook een zeker en vast feit dat gebeurtenissen vaak afhangen van de menselijke keuze. Iemands wil heeft een merkwaardig vermogen. In het geval dat voor ons ligt zijn de pijlen in de handen van de koning van Israël, en daarnaar zal ook de geschiedenis van het volk zich richten.
Hoe deze twee dingen beide waar kunnen zijn, kan ik niet zeggen. Waarschijnlijk zouden de wijsten in de hemel het ook niet kunnen, zelfs niet met de bijstand van cherubs en serafs. Het zijn twee feiten die naast elkaar lopen als parallelle lijnen. Dingen worden vaak aan de wil van mensen gelaten, en toch komt alles ten laatste tot stand naar de wil van God. Kunnen wij ze niet beide geloven? En is de ruimte tussen hen niet een geschikte plaats om in neer te knielen, aanbiddend Hem die wij niet kunnen begrijpen?
Konden wij onze godsdienst begrijpen, dan zou het een godsdienst zijn die niet van God kwam; hij zou gemaakt zijn door iemand van beperkt vermogen, gelijk wijzelf. Maar aangezien er verborgenheden in ons geloof zijn tot de top waarvan wij niet kunnen klimmen, mogen wij dankbaar zijn dat wij ze niet hoeven te beklimmen. En toch hangen grote gebeurtenissen af van kleine zaken, zoals grote vaten aan kleine spijkers hangen.
2 Koningen 13:20-21.Kruisverwijzingen2 Koningen 24:2→2 Koningen 3:7→Richteren 6:3→2 Koningen 3:24→2 Kronieken 24:16→Handelingen 8:2→2 Koningen 6:23→Richteren 3:12→
— Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars. En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.
God heeft verschillende wijzen om Zijn volk thuis te halen. Sommigen gaan plotseling, weggevoerd zoals Elia was. Deze profeet stierf zachtjes, door de ouderdom versleten; maar er is iets zeer schoons aan zijn dood. Een koning weent over zijn oude gezicht. Zo gaf God Elisa kracht, zelfs na zijn dood, en zette Hij zeker het goddelijke zegel op zijn boodschap. Het was hem even grote eer leven aan de dode te geven als het Elia was zonder te sterven ten hemel te varen.
2 Koningen 13:22-23.Kruisverwijzingen2 Koningen 8:12→2 Koningen 14:27→Genesis 13:16→1 Koningen 8:28→2 Koningen 24:20→2 Koningen 17:18→Exodus 2:24→Genesis 17:2→
— Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz. Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
Ach, dat is wat altijd aan de bodem van Gods barmhartigheid ligt: “Zijn verbond.” O, dat grote woord “verbond”! Sommigen achten het zeer gering, weinigen prediken er veel over; maar dit is de grondslag zelf van de barmhartigheid. Dit is “de diepte die daaronder ligt”, waaruit al de putten van de genade opwellen.
2 Koningen 13:24-25.Kruisverwijzingen2 Koningen 13:18→2 Koningen 10:32→Psalmen 125:3→Lukas 18:7→2 Koningen 14:25→
— En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats. Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.
Hij schoot drie pijlen, en nu geschiedde het dat Joas Benhadad driemaal versloeg en de steden van Israël terugnam. O, dat hij de koning van Syrië zesmaal geslagen had en Israël volkomen van zijn vijand vrijgemaakt!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Vs. 1-9. Zo min Jehu, met wie een nieuw koningshuis in Israël begonnen was, met de staatkunde van Jerobeam I brak, en de kalverdienst vaarwel zei, evenmin veranderde zijn zoon en opvolger Joahaz iets in deze nu eenmaal door de koningen uit het rijk van de tien stammen gevolgde staatsmanswijsheid; daarom houden Gods tuchtigingen aan, ja de druk die de Syrische koning Hazaël het rijk doet ondervinden, klimt op het hoogste, zodat hij van de krijgsmacht slechts een klein overschot overhoudt, en ook een groot deel van het aan deze zijde van de Jordaan gelegen gebied onder de macht van de vijand komt. Deze nood dringt daarop de persoonlijk voor goddelijke indrukken niet onontvankelijke koning om het aangezicht van de Heere te zoeken; en de Heere verhoort ook zijn gebed, wordt met ontferming bewogen over Israëls nood, en bereidt een tijd van hulp onder de beide opvolgers van de tegenwoordige heerser, ofschoon deze zelf onder de druk blijft, zolang hij regeert.
In het drieëentwintigste (of: in het eenentwintigste) 1) jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, d.i. 856 v. Chr. werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaar (juister: zestien jaar en enige maanden, tot 840 v. Chr.).
Aldus werd reeds door Josefus de opgave van de grondtekst verbeterd, die op een schrijffout (gk in plaats vanak) schijnt te rusten. De noodzakelijkheid van dit herstel blijkt allereerst daaruit, dat volgens vs. 10 Joas, de zoon van Joahaz, zijn vader in het 37ste, niet in het 40ste jaar van Joas uit Juda in de regering opvolgde, zoals het anders zou moeten zijn (23 + 17 = 40). Maar bovendien werd in hfst. 12: 1 gezegd, dat Joas uit Juda koning werd in het 7de jaar van Jehu; omdat deze volgens 10: 36 over Israël 28 jaar geregeerd heeft, zo volgt, dat hij in het 21ste jaar van Joas uit Juda gestorven is.
Ook Keil deelt deze mening. Thenius wil het drieëntwintigste jaar behouden, maar leest dan in vs. 10 in plaats van in het 37ste, in het 39ste jaar. Dit verandert aan het feit zelf betrekkelijk niets. Anderen zijn van mening- wij zien niet in dat dit niet aannemelijk is-dat Joas een of twee jaar voor de dood van Joahaz, door zijn vader tot regent is aangesteld, zoals dit vroeger gebeurd is met Joram, de zoon van Josafat. Vooral met het oog op vs. 5, waarin van een verlosser sprake is, die niemand anders dan Joas geweest kan zijn.
Daarom ontstak de toorn van de HEERE tegen Israël, omdat het, niettegenstaande de tot hiertoe reeds ondervonden zware tuchtigingen ( 10: 32vv.), en de voortdurende werkzaamheid van de profeet Elisa in zijn zonden van afval van Hem volhardde; en Hij gaf hen nog meer in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die als zegevierend veldheer de legers van zijn vader aanvoerde, en de kinderen van Israël in een slag bij Afek, westelijk van Sunem (1 (Koningen 20: 26), bijna geheel vernielde (vs. 7), al die dagen, 1) zolang Joahaz regeerde (vs. 5).
Zo kwaad en bitter viel het hen tegen God te zondigen en Hem te verlaten; want toen zij de Heere dermate tergden, dat Hij hun omheining wegnam en hun scheidsmuur verscheurde (Jes. 5: 5), diende de geaardheid van het land alleen ter uitlokking van hun naburen, om hen te plunderen en uit te roeien. De zonde vernedert een volk in zoverre, dat zij het verachtelijk en ellendig maakt.
Maar Joahaz, door deze zware tuchtiging eindelijk in de laatste jaren van zijn regering tot bezinning gebracht, bad het aangezicht van de HEERE ernstig aan 1) (vgl. (1 Koningen 13: 6); en de HEERE verhoorde hem, wel niet aanstonds op zichtbare wijze, zodat Hij hem zelf reeds een zege over de Syriërs deed behalen, maar toch door als vrucht van zijn gebeden een betere tijd voor Israël te geven aan zijn beide opvolgers Joas (vs. 22vv.) en Jerobeam II ( 14: 25vv.); want Hij, de Heere, zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte, en thans, nadat deze reeds onder Jehu geheel Gilead had weggenomen ( 10: 33), ook aan deze zijde van de Jordaan vele steden onder zijn macht hield (vs. 25).
Het was de oude ere van Israël, een biddend volk te wezen, en hier vinden wij die eer enigszins verlevendigd, want Joahaz, hun koning, in grote benauwdheid zijnde, bad het aangezicht van de Heere ernstig aan. Hij overwoog, dat God en God alleen het volk uit al hun voorgaande verlegenheden gered had, dat niemand buiten Hem hen thans kon verlossen en dat dit niet te verwachten was van de kalveren of van de afgoden, die zij boven Hem hadden gesteld, om welke reden hij dan ook, door volstrekte noodzakelijkheid gedreven, tot God de toevlucht nam, om hulp te vinden.
Noch in de dagen van Jehu, noch in die van Joahaz lezen wij iets van de werkzaamheden van de profeet Elisa. Bij Joram, de goddeloze opvolger van Achab, treffen wij hem nog meermalen aan, maar niet bij zijn beide opvolgers. De reden is makkelijk te verklaren. Elisa weet, dat het de tijd van het oordeel is over Israël. Hazaël heeft hij moeten zalven over Syrië, opdat deze een zware tuchtroede over Israël zou zijn. Die oordelen van God zullen voltrokken worden aan het rijk van de tien stammen. De profeet heeft dus geen tijd van verademing te voorspellen, geen redding en verlossing aan te kondigen. Wat hij kan doen, is alleen het aangezicht van zijn God zoeken, opdat deze in de toorn van het ontfermen gedachtig zou zijn. Hij trekt zich dan ook in de eenzaamheid van zijn bediening terug. Als straks Joas koning is geworden en Elisa weet, dat de Heere weer Zijn aangezicht gewend heeft tot Zijn volk, kondigt hij op zijn sterfbed deze nog de overwinning op de Syriërs aan, omdat hij weet, dat de Heere hem tot een verlosser van Zijn volk wil gebruiken. Wij lezen ook niet, dat Jehu of Joahaz van hun zijde zich tot de profeet gewend hebben.
(Zo gaf de HEERE Israël later, toen Joahaz reeds gestorven was, zowel in diens eerste als in zijn tweede opvolger, een verlosser, 1) dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen, terwijl Joas de steden aan deze zijde van de Jordaan weer bevrijdde, maar Jerobeam II Gilead heroverde en de kinderen van Israël, van nu af weer vreedzaam en zeker, woonden in hun tenten als te voren.
Met dit woord: “Heiland” of “Verlosser” is wel hoofdzakelijk aan Jerobeam II gedacht, in betrekking tot wie het in 14: 27 heet: “en de Heere verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas,” zodat men zou kunnen aannemen, dat in dezelfde tijd, waarin Joahaz het aangezicht van de Heere heeft gezocht, aan het koninklijk huis juist het kindje is geschonken, dat eenmaal aan het land de volkomen redding aanbrengen zou. Intussen ziet het woord zonder twijfel ook op de voorlopige hulp door Joas (vs. 12-25).
Men zie hierin, hoe de behoudenis van een volk alleen gelegen is in de erkentenis en aanbidding van de alleen ware God, omdat Joahaz daarop, ofschoon alles tot het uiterste gebracht scheen, verademing, ja, rust kreeg. Bij God is vergeving, opdat Hij gevreesd worde.
Nochtans was dit helpen en redden van de zijde van de Heere slechts, zoals in vs. 4 gezegd is, vrije erbarmen, nadat Joahaz zich minstens in iets verootmoedigd had, maar geenszins een volkomen bedeling van Zijn Goddelijke genade in onvoorwaardelijke opheffing van Zijn gerichten. Want niettegenstaande Joahaz het aangezicht van de Heere zocht, weken zij, de kinderen van Israël, noch onder hem, Joahaz, noch onder zijn beide opvolgers (vs. 11 14: 24) niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed maar hij wandelde daarin; en het bos, de door Achab opgerichte (1 (Koningen 16: 33), maar die door Jehu bij zijn uitroeiing van de afgodendienst ( 10: 26vv.)niet mede vernielde Aschera of Astarte-zuil, bleef ook staan te Samaria). De Heere had in tijd van nood en benauwdheid een wereldse verlosser gegeven; ons heeft Hij een geestelijke Heiland gegeven, die ons redden kan en wil uit de hand van de allergrootste vijanden: zonde, dood, duivel en hel (Luk. 1: 69-71). Wat hebben wij te verwachten, wanneer men ook van ons moet zeggen: “Nochtans weken zij niet af van de zonde.”. Zoals Joahaz bidt, menigeen in de nood en is de nood voorbij, dan verdwijnen de goede aandoeningen ook weer spoedig.
Het overige nu van de geschiedenissen van Joahaz en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, of dapperheid die hij, niettegenstaande zijn zware nederlagen, in de strijd tegen de Syriërs bewees, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken van de koningen van Israël? (1Ki 14: 19)
En Joahaz1) ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria (1 Koningen 16: 28; 22: 37; 2 Koningen 1: 17; 10: 35 en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
Aangaande de regering van koning Joahaz hebben wij slechts spaarzame berichten: de Kroniek vermeldt haar in het geheel niet. Was het rijk reeds in Jehu’s laatste tijd gedaald ( 10: 31-33), het zonk onder deze koning in elk opzicht nog veel meer. Niet slechts duurde de kalverdienst voort, maar de weelderige Ascheradienst herstelde zich. Maar daardoor bleek het, dat de uitroeiing van het huis van Achab, de grondvesting van een nieuwe dynastie, de vernietiging van de afgodsdienst, kortom de gehele geweldige en bloedige omwenteling ( 8 en
van nul en generlei waarde was. De reeds onder Jehu begonnen strafgerichten en tuchtigingen namen dus toe en brachten het rijk nabij de ondergang. Pas nu vluchtte Joahaz in angst en vertwijfeling tot de Heere, die zich weer over Zijn volk erbarmde. Met recht zegt Schlier van Joahaz: “Zijn gebed was het beste, dat hij zijn opvolgers naliet.” De toestand onder zijn regering bewijst met een feit, dat de beeldendienst altijd weer tot afgodendienst voert en dat er slechts één schrede tussen beiden is; hij toont in het algemeen, hoe het onkruid van godsdienstige afdwaling en verkeerdheid, heeft het eenmaal in de grond van een volk wortel gevat, telkens opnieuw opkomt, met hoeveel kracht men het ook uitroeit, en dat het stormen en onweren beter kan verdragen dan de goede planten. Christelijke volken blijven veel meer verkleefd aan de dwalingen, die onder de Christelijke waarheid zijn ingeslopen, dan aan deze waarheid zelf. Aan de andere zijde verschijnt hier de God, die Israël’s lot bestuurt, als degene, die wel over de zonden en de afval van Zijn volk in toorn ontbrandt, maar niet eeuwig de toorn behoudt en niet ophoudt, om barmhartig en genadig, geduldig en van grote goedertierenheid en trouw te zijn (Exodus 34: 7 34.7 Psalm 103: 8, 9), en die, wanneer zij uit de angst roepen, hun geschrei hoort en op Zijn tijd de Verlosser zendt.
Vs. 10-13. Ook Joas, die thans de koningstroon in Samaria heeft bestegen, regeert in de geest van zijn vader en grootvader, en laat de kalverdienst voortduren. Met deze korte schets van Zijn geschiedenis vergenoegt zich de voor ons liggende afdeling, terwijl verdere mededelingen daarover voor de volgende twee afdelingen worden overgelaten, waarvan de ene met het einde van de profeet Elisa, de andere met de regering van koning Amazia van Juda zich bezighoudt. De geschiedenis van Joas wordt hier op de gewone wijze voorlopig voor afgehandeld gehouden.
In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda, d.i. 840 v. Chr. werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël te Samaria, en regeerde zestien jaar,1) tot 824 v. Chr., nauwkeurig genomen, dus slechts veertien jaar en enige maanden, die deels in het jaar 824 vallen (1Ki 12: 24).
De berekening in jaren sinds de geboorte van Christus kan des te minder met nauwkeurigheid worden gedaan, omdat ook de Christelijke kalender zo lang gebrekkig was. Het is bekend, hoe Peter d’Ailly aan het beroemde Concilie van Constanz (1414 na Chr.) zijn vermaning tot verbetering van de kalender richtte en Nicolaas van Cusa in het jaar 1436 een verhandeling over hetzelfde onderwerp aan het Concilie van Bazel overlegde; beiden duidden de toestand van de kalender aan als een grote ergernis van de Kerk, doordat het jaar tot hiertoe op 365 1/4 dag werd gerekend, terwijl het in werkelijkheid meer dan 11 minuten kleiner is, hetgeen elke 128 jaar een dag bedraagt. Maar pas in het jaar 1582 kwam de zaak door paus Gregorius XIII tot uitvoering, en zelfs deze verbeterde kalender was nog niet volkomen voldoende.
En hij deed, zoals zijn beide voorgangers Jehu ( 10: 31) en Joahaz (vs. 2) dat kwaad was in de ogen van de HEERE; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin, ofschoon hij de profeet Elisa toegenegen was (vs. 13vv.), en ook overigens een edel karakter betoonde ( 14: 8vv.). Elia en Elisa hebben volbracht wat zij volbrengen moesten, naar het oogmerk van hun zending; zij hebben Israël nog eenmaal van de rand van het verderf, waartoe de afval van de levende God hen voerde, teruggebracht en gered; zij hebben eindelijk door Jehu’s hand de afgodendienst omvergeworpen, die bij Elia’s optreden zegevierde, en de erkentenis, dat de Heere God is en Hem alleen aanbidding en eer toekomt, en Israël nog eenmaal de overwinning doen behalen. Dit feit staat vast, en van geen enkele zijde wordt het enigszins tegengesproken, dat wij in Elia en Elisa twee van de grootste hervormende vernuften van Israël moeten erkennen. Hun verdienste wordt ook op generlei wijze daardoor verkleind, dat Jehu, die met zo’n verterende ijver de Baäl neerwierp, met zijn huis nu toch niet geheel tot de zuivere godsdienst terugkeerde, maar de kalverdienst, door Jerobeam ingevoerd, liet voortduren; het blijft de roem van deze mannen, indien hier, waar alles Goddelijke gave was, van roem kan sprake zijn, dat zij aan het nieuwe koninklijke huis zowel als aan het gehele volk de terugkeer tot de zuivere dienst van de ware God mogelijk gemaakt hebben, niet bloot uitwendig door de uitroeiing van het huis van Achab en de verwoesting van de Baälstempel, maar ook door de onder hun invloed bewerkte afwending van de gemoederen van de Baäldienst tot het geloof aan de God van de vaderen, zonder welke Jehu’s tocht tot wraakneming en het welslagen van zijn onderneming ook in het geheel niet denkbaar zou zijn.
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon, waarvan in 14: 23vv. verder gesproken zal worden. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël (zie vs. 9). De inhoud van deze laatste twee verzen keert later ( 14: 15vv.) nog eenmaal weer, evenals ware daar de geschiedenis van de regering van Joas en niet die van Amazia beschreven; daarentegen wordt hier reeds Joas’ geschiedenis daarmee besloten, ofschoon de volgende afdeling nog een gewichtige gebeurtenis uit de tijd van zijn regering opgeeft. De reden hiervan is, dat de heilige schrijver van zekere bronnen gebruikt heeft gemaakt, die hij in alle trouw wilde teruggeven, omdat zij juist geschriften bevattenden, die door profetische, door de Geest van God geleide mannen, waren vervaardigd. Zo’n trouw was voor hem van meer belang dan een afgeronde vorm van voorstelling, die aan alle eisen van volmaakte historiebeschrijving voldoet.
Vs. 14-25. Ter aanvulling van de geschiedenis van Joas regering, maar tevens als zelfstandige afdeling op zichzelf, volgt hier het bericht van de ziekte en van de dood van de profeet Elisa en van de wondervolle herleving van een dode, wiens gebeente men bij het zijne gelegd had. Zoals bij het sterven van de profeet hem voorzegd en hier bij dit wonder die voorzegging ook bevestigd en bekrachtigd is geworden, zo kon Joas later werkelijk de Syriërs driemaal slaan en de steden van Israël aan deze zijde van de Jordaan uit Benhadads hand heroveren, die door diens vader Hazaël aan zijn vader Joahaz waren, afgenomen. Met de tweede helft van zijn regering begon dus weer een betere tijd voor Israël, die daarop onder zijn opvolger Jerobeam II ( 14: 23vv.) in een soort van bloeitijd overging.
Elisa 1)nu, thans zeker reeds bij de 100 jaar oud, was, omstreeks het midden van de tijd van de regering van koning Joas van Israël (vs. 10vv.) ziek geweest van zijn hem door God gezonden ziekte, waaraan hij stierf, vermoedelijk van zwakheid van de ouderdom. En Joas,2) de koning van Israël was, zodra hij van de ziekte van de profeet hoorde, tot hem afgekomen, in zijn aan de voet van de burg van Samaria gelegen woning ( 5: 9, 24; 6: 32vv.), en had geweend over zijn aangezicht, terwijl hij zich over de neerliggende zieke neigde, en had gezegd, wel wetende hoeveel hij juist thans, nu de Syriërs hem met een nieuwe inval bedreigden, aan de man Gods verloor: Mijn vader! mijn vader! wagen van Israël en zijn ruiters! 3) welke woorden ook eenmaal Elisa zelf bij het scheiden van Elia had uitgesproken.
Toen Elisa tot opvolger van Elia, in het jaar 906 v. Chr., geroepen werd (1 Koningen 19: 19vv.) was hij zeker reeds 25 jaar oud; sinds die tijd tot op het midden van Joas’ regeringstijd (832 v. Chr.) waren 74 jaar verlopen, maar omstreeks deze tijd moeten wij overeenkomstig de gehele samenhang met hetgeen voorafgaat en volgt, de gebeurtenis in ons verhaal plaatsen.
Koning Joas kwam toch nog tot de man Gods en schaamde zich niet, met tranen voor hem te staan, en zijn hulpe- en radeloosheid te belijden: maar hoe velen mijden zulke mannen en zijn blij als zij in geen aanraking met hen komen en voor altijd van hen bevrijd worden.
Wat overigens aan koning Joas bij Elisa’s sterfbed die tranen afperste en die klacht ontlokte, was niet alleen de bezorgdheid, dat hij de profeet zou verliezen, maar tevens een levendig gevoel van berouw over de wijze, waarop hij hem tot hiertoe behandeld had. Hij voelde het diep, dat hij deze man en zijn woord geheel anders had moeten eren, dan hij gedaan had. Evenals de meerderheid van het volk had ook hij het Goddelijk genadegeschenk, dat in de Ziener aan het land was geschonken, niet behoorlijk gewaardeerd, en moest hij daarom thans de bitterste aanklachten van zijn geweten ondervinden. Ach, de dood is een scherpe rechter! Hoe dikwijls beleven wij zulke voorbeelden van te laat berouw! Hoe menigmaal vernemen wij de smartvolle uitroep: O, had ik beter erkend, wat mij in deze, in gene mens door God geschonken was! Laten zulke ervaringen ons dan toch eindelijk tot lering strekken! Besparen wij ons het snerpende bewustzijn, van de genade, waar zij ons het meest nabij was, schandelijk verwaarloosd te hebben.
Het was een blijk van iets goeds in die vorst, dat hij achting en genegenheid betoonde aan een getrouw profeet. Immers, hij was zo ver van hem te haten en te vervolgen als een beroerder van Israël, dat hij hem beminde en eer bewees, als een van de grootste zegeningen van zijn koninkrijk en zichzelf en zijn volk beklaagde, dat zij gevaar liepen, om binnenkort zo’n onwaardeerbare voorstander te verliezen. Men heeft meermalen gezien, dat dezen, die het woord van God niet willen gehoorzamen, zodanig in hun geweten overtuigd waren, aangaande de trouw en oprechtheid van hen, die het verkondigden, dat zij zich niet onthouden konden, van hen ootmoed en eerbied te betonen.
Joas had Elisa dus weer leren kennen en een zeer grote achting voor hem opgevat. Hij is ervan overtuigd geworden, dat deze Elisa in de hand van zijn God, een wachter en beschermer is van zijn volk, dat hij door zijn tussenkomst en met zijn voorbede een grote steun was voor land en koning, voor vorst en onderdaan.
En hij, Elisa, zei tot de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog; en hij, de koning, legde zijn hand daaraan, spande hem. En Elisa legde, toen Joas zo met gespannen boog en daarop gelegde pijl naast hem stond, zijn handen op de handen van de koning, 1) en deelde hem zo op symbolische wijze de kracht van God, waarvan hij de drager en bemiddelaar was, daardoor mede en wijdde dus het werk, dat het nu volgende schot moest aanduiden, in de naam van de Heere in (Ge 48: 14).
Joas staat hier tegenover Elisa als een leerling. Als een leerling is hij gehoorzaam aan de bevelen van de profeet. Ja, zelfs legde de profeet zijn handen op de koning, om hem te beduiden, dat hij de kracht, om de vijanden te verdelgen of te verslaan, niet bij zichzelf moest zoeken, maar bij de God van Israël.
En hij zei: Doe het venster open tegen het Oosten in de richting op Gilead aan, waar de Syriërs over het land aan de overzijde van de Jordaan sinds Jehu heersen ( 10: 32vv.). En hij, Joas, alle aanwijzingen van de profeet met gespannen verwachting trouw opvolgende, deed het open. Toen zei Elisa: Schiet nu op die streep aan. En hij schoot. En hij, de profeet, het schot met een woord van Goddelijke belofte vergezellende, zei 1) echter: Het is een pijl van de verlossing, die van de kant van de HEERE komt, en een pijl van de verlossing of hulp tegen de Syriërs, die deze in de verte wegvliegende pijl aanduidt; want gij, die de pijl hebt afgeschoten, zult het werktuig van het heil voor Israël zijn, en de hulp van de Heere tot overwinning van zijn vijanden ondervinden; want gij zult de Syriërs slaan in Afek, waar eenmaal ook Achab met Gods hulp hen wonderbaar sloeg (1 (Koningen 20: 26vv.), maar waar later om zijn goddeloosheid uw vader Joahaz zulke zware nederlagen van hen moest lijden (vs. 3vv.), en indien gij in het geloof volhoudt en niet zwak zijt, zult gij hen slaan, tot verdoens toe, totdat zij geheel uitgeroeid, en voor altijd onschadelijk gemaakt zijn.
Hoe geheel kwam het met Elisa’s eigenaardig karakter en roeping overeen, dat hij met een heilsboodschap het tijdelijke zegende! En wat een frisse, krachtige klank hebben zijn woorden. Zij zijn zelfs als pijlen, van de strakke boogpees van een volkomen toevoorzicht en een onwankelbare zekerheid afgeschoten. Dat: Neem, leg aan, schiet, klinkt het niet als het commandowoord van een veldheer? En dat: het is een pijl van de verlossing van de Heere, een pijl van de verlossing tegen de Syriërs, is het niet of de HEERE zelf hier spreekt? O, met zekerheid te weten, dat God de zaak is, die men drijft de openbaring die men geeft, het woord dat men spreekt, wat geeft dit een vastheid en hoe zegevierend werkt alles, wat in dit bewustzijn wordt aangegrepen, ondernomen en gesproken! Maar wat de profeet van de Heere de koning van Israël toeroept, het wordt ook tot u gezegd: Span de boog, mik, schiet af! Een pijl van de verlossing van de Heere, een pijl van de verlossing tegen wereld, zonde, dood en duivel! Hoe ook de wereld met haar strikken u bedreig, de zonde u verlokke en doe beven, de koning van de verschrikking u beangstige, de duivel met zijn vurige pijlen u in het nauw brengen, eens roept een almachtige stem uit de Hoogte: Laat los, die gij ten onrechte gebonden hebt! en gij jubelt in de onuitsprekelijke vreugde van de overwinning: De strik is gebroken en ik ben vrij! Eenmaal gebeurt een slag, gij meent, hij treft u, gij sterft, maar eigenlijk sterft gij niet, gij leeft; aan die machten van de duisternis is de macht over u ontnomen.
Daarna zei hij, Elisa, om de koning op de proef te stellen, hoever zijn geloof reikte, want daarvan hing de maat van het heil af, dat de Heere door hem aan Zijn volk zou geven: Neem de overige pijlen, die gij nog in uw koker hebt, vijf in het geheel, nadat gij er reeds een hebt afgeschoten. En hij nam ze. Toen zei hij tot de koning van Israël: Sla tegen de aarde, 1)schiet van deze pijlen naar de grond daarbuiten zoveel af als u goeddunkt. En hij sloeg, schoot de ene pijl na de andere af, driemaal; 2)daarna stond hij stil, hield ermee op, en had nog twee pijlen overig.
Het slaan of afschieten van de pijlen naar de aarde moest ongetwijfeld de verdelging van de Syriërs afbeelden. Elisa wilde daaruit zien, maar ook straks aan koning Joas boodschappen, hoeveel malen hij de Syriërs zou overwinnen. Joas weet, of kon tenminste weten, dat iedere pijl, die hij afschoot, een pijl van de verlossing was. Dit had Elisa hem zo-even gezegd. Daarom moet gezegd worden en mag terecht gezegd worden, dat het ophouden van schieten, na de derde maal, een teken van ongeloof bij de koning was, uit ongeloof voortkwam, hetzij hij meende, dat de zaak te groot was, dat hij niet verder zou slagen, hetzij hij meende, daarmee genoeg gewonnen te hebben. Of er ook hoogmoed bij kwam, zodat hij niet langer daar voor de profeet wilde staan al schietende naar de grond, valt niet te zeggen. Het is wel mogelijk, want ongeloof en hoogmoed gaan dikwijls samen. In elk geval berokkende hij zichzelf en zijn volk grote schade en verbeurde hij daardoor de algehele overwinning over de vijanden, die later door zijn zoon Jerobeam II behaald werd. Door ongeloof sloot Joas zich de weg tot de volkomen overwinning over de Syriërs.
Omdat de koning in zijn hart de grote macht van de Syrische koningen overwoog en aan Elisa geen volkomen vertrouwen schonk, meende hij, dat het genoeg was, als hij de aarde driemaal sloeg, terwijl hij vreesde, dat de belofte zich niet verder zou vervullen, indien hij nog meermalen sloeg.
Toen werd de man Gods, wegens dit gebrek aan geloofsvertrouwen, 1) omdat Joas toch wist, dat iedere afgeschoten pijl een overwinning van de Heere op de Syriërs betekende, zeer boos op hem, 2) en zei: Zou gij vijf- of zesmaal geslagen 3) hebben, dan zou gij de Syriërs in vijf- of zesmaal tot verdoens toe geslagen hebben; maar nu zult gij de Syriërs slechts tot driemaal slaan, en zolang gij regeert nooit volkomen meester over hen worden, hetgeen pas aan iemand na u zal ten deel vallen, (zie vs. 25 en 14: 25).
Omdat hij niet bepaald was, omtrent de macht en de belofte van God, wat behoefte hij dan bekrompen te wezen in zijn eigen verwachting en pogingen. Het kan niet anders dan zeer smartelijk zijn voor de godvruchtige te zien, dat dezen, die zij het goede toewensen, zichzelf in de weg zijn, en hun weldadigheid verlaten (Jon. 2: 8) en hen te zien verwaarlozen, de voordelen, die zij op hun geestelijke vijanden hebben en dat zij aan deze enig voordeel geven.
Dit “boos worden” van de profeet was geen zondige opwelling, maar werkelijk een toorn van de liefde, daarover, dat de koning niet nog meer dan hij deed, de belofte zich toe-eigende tot zijn eigen heil en dat van zijn volk.
Het kleinmoedige ongeloof van de mensen veroorzaakt, dat God Zijn heerlijkheid hier en daar minder openbaren kan dan Hij wilde (Mark. 6: 5) en dat hun weg niet zo gemakkelijk wordt, als God hun geven wilde. De overwinning regelt zich naar het geloof. De Heere sprak tot de hoofdman te Kapernaum: “U geschiede, naardat gij geloofd hebt.” (MATTHEUS. 8: 13). Wie een Godswerk moet uitvoeren, mag niet naar eigen goeddunken stilstaan en talmen, maar moet daarin onvermoeid en trouw voortgaan, totdat de Heere hem gebiedt stil te staan en te rusten.
Hoe treurig wanneer men slechts half gelooft, slechts half volgt, of na een goed begin stilstaat.
Dit vijf- of zesmalen kan slechts betekenen: Indien gij al uw pijlen tot op de laatste toe, naar de grond had afgeschoten, dan blijkt daaruit, hoeveel pijlen Joas’ koker bevatte, zes in het geheel, maar na het afschieten van de in vs. 17 vermelde nog vijf. De profeet spreekt van “vijf- of zesmaal”, hetzij nu of de schoten in vs. 18 alleen geteld worden, of dat ook die in het voorgaande vers meegerekend wordt, hoewel deze slechts van algemene symbolische betekenis is, en nog geen bepaalde betrekking heeft op de geloofskracht van de koning.
Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu van de Moabieten kwamen in het land met het ingaan van het jaar. 1)
De Vulgaat, waaraan Luther bij zijn vertaling zich gehouden heeft, schijnt aan het slot van het vers gelezen te hebben: in ipso anno = van hetzelfde jaar. Intussen is de betrekking van deze zinnen tot elkaar in ieder geval beter zo op te vatten, dat de derde zegt wat placht te gebeuren in de tijd, toen het meegedeelde in de eerste twee zinnen voorviel, maar nu staat er aan het einde van het vers, niet zoals de Vulgaat leest, maar: ab (= gekomen was een jaar) d.i. toen een jaar, namelijk het gepaste jaargetijde voor zulke invallen gekomen was. Hiermee wordt gezegd, dat toen een dergelijke toestand van nood en jaarlijkse vijandige overvallen in het land bestonden als ten tijde van Gideons roeping (Richteren 6: 1vv.), met dit onderscheid, dat het thans niet de Midianieten en andere zonen van het Oosten waren, welke strooptochten ter plundering en verwoesting maakten, maar de Moabieten: deze, zo schijnt het, wreekten zich daardoor over de verwoesting van hun land door Israël onder Joram, en het verzwakte Israël kon zich niet met goed gevolg tegen zulke invallen verzetten.
Een betere vertaling van dit vers is: Daarna stierf Elisa en zij begroeven hem, toen de benden van de Moabieten hun jaarlijkse inval in het land deden. De laatste woorden betekenen letterlijk: gekomen was een jaar. De LXX vertaalt zeer juist met: elyontov tou eniautou. Toen de geschiktste tijd ervoor gekomen was, n.l. om hun strooptochten te doen, kwamen de Moabieten, om deze te volbrengen.
En het geschiedde, toen zij, de mannen van Samaria, waar Elisa gestorven en nabij de stad in een grafkamer bijgezet was, niet lang daarna, een andere man begroeven, dat zij bij het wegdragen van het lijk, ziet, een bende van Moabieten zagen, die omstreeks die tijd invallen deden om te stropen; in hun ontsteltenis gunden zij zich de tijd niet om voor hun dode een eigen grafplaats gereed te maken, zo wierpen zij de man in het graf van Elisa, waarvan zij in allerijl de steen, die ervoor lag (MATTHEUS. 27: 60 (Mark. 16: 3) wegrolden, en het ene lijk bij het andere legden, en toen de man, het ontzielde lichaam van de man, die zij zo in allerijl begroeven, daarin kwam, tot bij het ontzielde lichaam van de profeet, 1) en het gebeente van Elisa aanraakte, werd hij weer levend, en de man rees op zijn voeten, en ging met hen, die hem hadden moeten begraven, naar de stad terug. 2)
Elisa’s lijk was dus niet in een doodkist, maar slechts in linnen doeken gewikkeld, ten grave gebracht (2 Samuel 3: 31).
Hoe leefde de dode weer slechts door de aanraking van Elisa’s lijk? Bevreemdt u dit, wat zult gij dan daarvan zeggen, dat eenmaal de burgers van Jeruzalem zieken en bezetenen op bedden en baren, op de straat droegen, opdat, zodra de apostel Petrus kwam, ook slechts zijn schaduw over een van hen kwam; en ziet, zij werden gezond, over wie zijn schaduw heen streek. Wat daarvan, dat de gelovigen te Efeze de zweetdoeken en gordeldoeken van Paulus’ lijf over de zieken hielden, en de besmettelijke ziekte week van hen, de boze geesten voeren van hen uit? (Hand. 6: 15; 19: 11vv.). Maar, zo zegt gij, vindt in deze feiten niet de Roomse relikwieëndienst een zekere steun en haar rechtvaardiging? Dat zij verre! Want zonder nog te zeggen, dat het weinig of niets ter zake doet, omdat de zogenaamde relikwieën (heilige overblijfselen) meest slechts voorgewende overblijfselen van de heiligen zijn, aan wie zij worden toegeschreven, schrijven de Roomsen aan hun vermeende gebeenten, kledingstukken of andere voorwerpen, die zij voor heilig houden, stoutweg op zichzelf een toverachtige kracht toe; en wat is dat anders dan bijgeloof en heidendom? Of zij schrijven de wonderwerkingen aan heilige mensen toe, wier beenderen of kleren zij hun zogenaamde gelovigen tot aanraking, kussing en verering uitstallen; en wat is deze mensenverafgoding anders dan een met een Christelijk waas overtrokken afgodsdienst? Of eindelijk, zij naderen de waarheid meer, en zeggen, dat, God of Christus het doet door middel van hun gebeenten, splinters van het kruis, hun heilige rokken en dergelijke zaken; maar waar kunnen zij een uitdrukkelijk woord van de belofte aanwijzen, dat God werkelijk aan deze voorwerpen Zijn hulp zal verbinden? Zij hebben dit niet, maar geloven ook niet, dat zij dit behoeven; zij menen dat het vanzelf spreekt, dat God door het kanaal van hun kunstenarijen Zijn zegen moet laten stromen. Omdat Hij eenmaal door de vergankelijke overblijfselen van Elisa, door de gordel van de apostel grote dingen heeft gewerkt, zo moet Hij hetzelfde ook door de overblijfselen van alle andere heiligen tot stand laten komen. Zij willen dus over God beschikken, en zonder Goddelijke opdracht, zonder het geringste woord van belofte van God, in eigen aangematigde volmacht, Hem en Zijn wondermacht aan hun lappen en beenderenschat binden; en dat is een stoute, strafbare misdaad, en te meer, omdat zij in hun waan niet zelden bovendien begeren, dat God, de Heilige en Waarachtige, hun leugens met wonderen en tekenen bekrachtigen en bevestigen zal.
Dit voorbeeld bewijst niets van de kracht van de relikwieën van de heiligen, waarvan in het Pausdom zoveel misbruik gemaakt wordt; want niet het gebeente van Elisa, maar de kracht van God maakte deze dode levend; ook heeft de Kerk, net zo min toen als later, Elisa’s gebeente opgegraven, veel minder in goud en zilver gevat het door het volk laten kussen en vereren, zoals in het Pausdom gebeurt. Dit grote wonderwerk, ofschoon bij verkorting vermeld, diende deels om eer te bewijzen aan deze grote profeet, alsmede om zijn leer te bevestigen, inmiddels ter versterking van het geloof van Joas en het volk, aangaande de belofte van hun voorspoed tegen de Syriërs, en verder om temidden van alle onheilen, die Israël troffen, dezen onder het volk, die Elisa’s raad en voetspoor volgden, te vertroosten met de hoop van het eeuwige leven, waarvan dit teken een blijkbaar onderpand was. Elia is geëerd bij zijn verplaatsing, Elisa na zijn verplaatsing en beide vertrekken zij tot bevestiging van die troostrijke waarheid, dat zij, die in de Heere sterven, zalig zijn, onmiddellijk na hun ontslapen en niet pas lang daarna.
Zoals Elia nog van de hemel met de aardse zaken zich bezig hield (2 Kronieken 21: 12vv.), zo moest ook Elia’s werkzaamheid, die reeds in vergetelheid begon te raken, niet met zijn lichaam begraven liggen; hem viel door zijn volk geen plechtige, eervolle begrafenis (zie 1 Samuel 25: 1) ten deel, maar door God werd hem nog in het graf getuigenis gegeven, dat een Godskracht in hem geweest was, en daardoor vooral werd Joas tot uitvoering van de laatste bevelen en beloften van de stervende profeet aangemoedigd.
Het wonder van de herleving van de dode moest op de belofte van de stervende profeet aangaande Joas zegepraal over de Syriërs het zegel van de Goddelijke bekrachtiging drukken; terwijl de Heere daarmee betuigde, dat Hij geen God van de doden is, maar van de levenden, en Zijn Geest over dood en vergankelijkheid verheven is.
Het dode kan het dode niet levend maken; de adem van de Heere alleen dringt ook in de groeve van de vertering en herschept haar in een oord van het leven (Ezechiël. 37: 1vv.). Daarom staat ons vertrouwen en onze hoop niet op dode mensenbeenderen, maar op God, die alle dingen levend maakt en de grote Herder van de schapen uit de doden heeft opgewekt. Zijn wij met deze begraven, zo hebben wij de troost: God, die de Heere heeft opgewekt, zal ook ons opwekken door Zijn kracht (1 Kor. 6: 14; 2 Kor. 4: 14 Kol. 2: 12; Rom. 6: 4).
De leer en het voorbeeld van de mannen Gods kunnen ook na hun dood vruchten dragen bij de geestelijk doden, als men ze zich herinnert en ze volgt (Hebr. 13: 7). En zo groeien de gebeenten pas recht…als gij de zonde zijt afgestorven. Werp u dan slechts in het graf van uw Heiland met ootmoed en zelfverloochening; zo zult gij weer leven en opstaan, zoals deze deed; want wie Christus’ kracht over de dood in waar geloof aangrijpt (met deze dood in aanraking en verbinding komt) wordt hierdoor tot het echte leven van Zijn Geest verwekt.
Maar, zoals reeds in vs. 4 gezegd is, de HEERE was hun genadig, toen Joahaz zijn aangezicht aanbad, en ontfermde zich over hen, en wendde zich weer tot hen, nadat Hij zich lange tijd van hen had afgekeerd en hen in de hand van de koning van Syrië gegeven had, omwille van Zijn verbond met Abraham, Izaak en Jakob; en Hij wilde hen vooralsnog niet verderven, en heeft hen ook niet geheel verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe, 1) maar later, in de Assyrische gevangenschap ( 17), kwam het vanwege hun toenemende afval van Hem wel tot zo’n verwerping.
Waaruit dit bleek, wordt in het volgende vers gemeld, n.l. uit de dood van Hazaël. Hazaël was de door God bestelde roede over Israël en zolang deze leefde, zou Israël op geen verademing kunnen hopen. De Heere is onveranderlijk in Zijn rechtvaardigheid, zoals Hij het is in Zijn barmhartigheid. Nu Hij echter de roede wegnam, d.i. Hazaël zijn adem ontnam, nu kon het volk van Israël weer ruimer adem scheppen, omdat Benhadad, Hazaëls zoon, niet tot roede was besteld, maar door Joas’ zoon overwonnen zou worden. Ook hier wordt er weer door de gewijde schrijver op gewezen, dat de Heere het alleen deed, ook het verbreken van de roede van de kastijding, omwille van Zichzelf en dus om het verbond met Abraham, Izaak en Jakob, maar wijst er ook zijdelings op, dat, als straks de maat van de ongerechtigheid voor Israël vol is, de Heere God tot betoning van Zijn rechtvaardigheid, het zal kastijden, zodat het als natie ophoudt te bestaan.
Joas nu, de zoon van Joahaz, nam, zoals Elisa hem voorzegd had (vs. 15vv.), de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij, Hazaël, uit de hand van Joahaz, zijn vader, met strijdgenomen had. Joas sloeg hem, Benhadad, driemaal, overeenkomende met zijn driemaal slaan van de grond in vs. 18, en bracht de steden van Israël aan deze zijde van de Jordaan weer, zodat voortaan de kinderen van Israël weer in rust en vrede hun tenten bewoonden, zoals vroeger (vs. 5); het Oostjordaanland daarentegen, wat Hazaël reeds aan Jehu ontnomen had ( 10: 32vv.), werd pas door Jerobeam II aan Benhadad weer ontnomen ( 14: 25vv.). Zo gewonnen, zo geronnen. Want onrechtvaardig verkregen goed komt zelden tot op de derde erfgenaam (Jes. 33: 1). Israël is (zoals in vs. 23) ook thans nog een verbondsvolk van God, en niet geheel en voor altijd verworpen (Rom. 11).
Hoe gelukkig Joas ook was in de strijd tegen het rijk van Juda en diens koning Amazia, die in zijn overmoed hem tot de strijd had uitgedaagd, zie daarover 14: 8vv. (vgl. vs. 10-13 in dit hoofdstuk).
Koning Joas rukte zich wel evenmin als zijn voorvaderen van de Jerobeamitische kalverdienst los, maar was overigens ongetwijfeld een van de betere koningen van het rijk van de tien stammen, zoals reeds alleen uit zijn samenkomst met Elisa blijkt. Van geen van de vier koningen, onder wie deze leefde, horen wij, dat hij in een gelijke of dergelijke verhouding tot de profeet stond. Waren de tranen, die hij aan diens ziek- en sterfbed weende, ook al niet tranen van boete en van een levendig gevoel van berouw over zijn tot dusver jegens hem getoonde gedrag, zo tonen zij toch in ieder geval, hoe diep de nood en ellende van Israël hem trof en hoe radeloos hij zich voelde bij de dood van de profeet. Met de uitroep: Mijn vader enz. openbaarde hij voor al de omstanders, dat Elisa hem meer was dan zijn gehele nog overige leger. Wat Elisa hem daarop beveelt te doen, volgt hij op zoals een dienaar het bevel van zijn heer. Dat hij na driewerf geschoten te hebben, ophoudt, gebeurde niet, omdat hij zijn koninklijke houding bewaren wilde, maar veeleer uit versaagdheid en schroom om te veel te verlangen. Maar toch vatte hij vertrouwen en moed, en toonde hij zich weldra als een dapper en zegevierend krijgsman, ook in de strijd met Amazia.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel