Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
DochG1161 de GeestG4151 zegtG3004 duidelijkG4490, datG3754 inG1722 de laatsteG5306 tijdenG2540 sommigenG5100 zullen afvallenG868 van het geloofG4102, zich begevendeG4337 tot verleidendeG4108 geestenG4151, en leringenG1319 der duivelenG1140,
Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,
KJV
Now2
the Spirit3
speaketh5
expressly,4
that6
in7
the latter8
times9
some11
shall depart from10
the faith,13
giving heed14
to seducing16
spirits,15
and17
doctrines18
of devils;19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DoorG1722 geveinsdheidG5272 der leugensprekersG5573, hebbende hun eigenG2398 gewetenG4893 als met een brandijzer toegeschroeidG2743;
Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;
KJV
Speaking lies3
in1
hypocrisy;2
having4
➔ their6
conscience7
seared with a hot iron;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
VerbiedendeG2967 te huwelijkenG1060, gebiedende van spijzenG1033 te onthoudenG567, dieG3739 GodG2316 geschapenG2936 heeft, totG1519 nuttigingG3336 metG3326 dankzeggingG2169, voor de gelovigenG4103, enG2532 die de waarheidG225 hebben bekendG1921.
Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
KJV
Forbidding1
to marry,2
and commanding to abstain from
meats,4
which5
God7
hath created8
to9
be received10
with11
thanksgiving12
of them which believe14
and15
know16
the truth.18
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG3754 alleG3956 schepselG2938 GodsG2316 is goedG2570, enG2532 er is nietsG3762 verwerpelijkG579, metG3326 dankzeggingG2169 genomenG2983 zijnde;
Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;
KJV
For1
every2
creature3
of God4
is good,5
and6
nothing7
to be refused,8
if it be received11
with9
thanksgiving:10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 het wordt geheiligdG37 doorG1223 het WoordG3056 van GodG2316, enG2532 door het gebedG1783.
Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.
KJV
For2
it is sanctified1
by3
the word4
of God5
and6
prayer.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Als gij dezeG3778 dingen den broederenG80 voorsteltG5294, zo zult gij een goedG2570 dienaarG1249 van JezusG2424 ChristusG5547 zijnG1510, opgevoedG1789 in de woordenG3056 des geloofsG4102 enG2532 der goedeG2570 leerG1319, welkeG3739 gij achtervolgdG3877 hebt.
Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt.
KJV
If thou put2
➔ the brethren4
in remembrance
of these things,
thou shalt be
a good5
minister7
of Jesus8
Christ,9
nourished up10
in the words12
of faith14
and15
of good17
doctrine,18
whereunto19
thou hast attained.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaarG1161 verwerpG3868 de ongoddelijkeG952 en oudwijfseG1126 fabelenG3454; en oefenG1128 uzelven totG4314 godzaligheidG2150.
Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid.
KJV
But2
refuse7
profane3
and4
old wives'5
fables,6
and9
exercise8
thyself10
rather unto11
godliness.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 de lichamelijkeG4984 oefeningG1129 is totG4314 weinigG3641 nut; maar de godzaligheidG2150 is totG4314 alleG3956 dingen nut, hebbende de belofteG1860 des tegenwoordigenG3568 enG2532 des toekomendenG3195 levensG2222.
Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
Ook in dit vers
nutG1161
nutG2192
KJV
For2
bodily3
exercise4
profiteth
little:5
but10
godliness11
is
profitable8
unto12
all things,13
having17
promise16
of the life18
that now is,20
and21
of that which is to come.23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dit is een getrouwG4103 woordG3056, enG2532 alleG3956 aannemingG594 waardigG514.
Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig.
KJV
This is a faithful1
saying3
and4
worthy7
of all5
acceptation.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want hiertoe arbeidenG2872 wij ook, enG2532 worden versmaadG3679, omdatG3754 wij gehooptG1679 hebben op den levendenG2198 GodG2316, Die een BehouderG4990 isG1510 allerG3956 mensenG444, maar allermeestG3122 der gelovigenG4103.
Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, Die een Behouder is aller mensen, maar allermeest der gelovigen.
KJV
For3
therefore1
we5
➔ both4
labour
and6
suffer reproach,7
because8
we trust9
in10
the living12
God,11
who13
is
the Saviour15
of all16
men,17
specially18
of those that believe.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
BeveelG3853 dezeG3778 dingen, enG2532 leerG1321 ze.
Beveel deze dingen, en leer ze.
KJV
These things
command1
and3
teach.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
NiemandG3367 verachteG2706 uw jonkheidG3503, maarG235 zijt een voorbeeldG5179 der gelovigenG4103 inG1722 woordG3056, inG1722 wandelG391, inG1722 liefdeG26, inG1722 den geestG4151, inG1722 geloofG4102, inG1722 reinheidG47.
Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid.
KJV
Let5
➔ no man1
despise
thy
youth;4
but6
be thou8
an example7
of the believers,10
in11
word,12
in13
conversation,14
in15
charity,16
in17
spirit,18
in19
faith,20
in21
purity.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
HoudG4337 aan in het lezenG320, in het vermanenG3874, in het lerenG1319, totdat ik komeG2064.
Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.
KJV
Till1
I come,2
give attendance3
to reading,5
to exhortation,7
to doctrine.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
VerzuimG272 de gaveG5486 nietG3361, die inG1722 u is, die u gegevenG1325 is door de profetieG4394, met opleggingG1936 der handenG5495 des ouderlingschapsG4244.
Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.
KJV
Neglect2
not1
the gift6
that is in4
thee,
which7
was given8
thee
by10
prophecy,11
with12
the laying on13
of the hands15
of the presbytery.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
BedenkG3191 dezeG3778 dingen, weesG2468 hierin bezig, opdatG2443 uw toenemenG4297 openbaarG5318 zijG1510 inG1722 allesG3956.
Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles.
KJV
Meditate upon2
these things;
give thyself
wholly to3
them;
that6
thy
profiting9
may
appear10
to12
all.13
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Heb achtG1907 op uzelven enG2532 op de leerG1319; volhardG1961 daarin; wantG1063 datG3778 doendeG4160, zult gij enG2532 uzelven behoudenG4982, enG2532 die uG4771 horenG191.
Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.
KJV
Take heed1
unto thyself,2
and3
unto the doctrine;5
continue6
in them:7
for9
in doing10
this
thou shalt13
➔ both11
save
thyself,12
and14
them that hear16
thee.
de Geest zegt duidelijk,
Namelijk de Heilige Geest, door Zijn buitengewoon ingeven in de apostelen en andere profeten. Zie Hand. 20:23, en Hand. 21:4.
Hertaald:
de Geest zegt duidelijk,
Namelijk de Heilige Geest, door Zijn buitengewone ingeving in de apostelen en andere profeten. Zie Hand. 20:23 en Hand. 21:4.
in de laatste tijden
Of in de volgende tijden. Zie 2 Tim. 3:1.
Hertaald:
in de laatste tijden
Of: in de volgende tijden. Zie 2 Tim. 3:1.
van het geloof,
Dat is, van de ware leer des geloofs, gelijk de volgende woorden bewijzen. Zie 2 Thess. 2:3; 2 Petr. 2:1.
Hertaald:
van het geloof,
Dat is: van de ware leer van het geloof, zoals de volgende woorden bewijzen. Zie 2 Thess. 2:3; 2 Petr. 2:1.
verleidende geesten,
Hierdoor worden òf de boze geesten zelf verstaan, gelijk in het volgende lid, òf de geesten der valse leraars, gelijk 1 Joh. 4:1.
Hertaald:
verleidende geesten,
Hieronder worden óf de boze geesten zelf verstaan, zoals in het volgende onderdeel, óf de geesten van de valse leraars, zoals in 1 Joh. 4:1.
der duivelen,
Dat is, waarvan de duivel auteur of ingever is.
Hertaald:
der duivelen,
Dat is: leringen waarvan de duivel de bewerker of de ingever is.
geveinsdheid der
Grieks in geveinsdheid; dat is, onder den schijn van heiligheid en van een harder leven te willen leiden; het is ene gelijkenis, genomen van de toneelspelers, die dikwijls een persoon voorstellen dien zij niet zijn.
Hertaald:
geveinsdheid der
Grieks: in geveinsdheid; dat is: onder de schijn van heiligheid en van een strenger leven te willen leiden. Het is een vergelijking, genomen van de toneelspelers, die dikwijls een persoon voorstellen die zij niet zijn.
met een brandijzer
Namelijk zo toegeschroeid dat zij geen gevoel heeft, want daartoe vervallen eindelijk door een rechtvaardig oordeel Gods de valse leraars, of bijgelovige mensen. Zie Ef. 4:19; 2 Thess. 2:11.
Hertaald:
met een brandijzer
Namelijk zo toegeschroeid dat het geen gevoel meer heeft. Want daartoe vervallen de valse leraars of bijgelovige mensen uiteindelijk, door een rechtvaardig oordeel van God. Zie Ef. 4:19; 2 Thess. 2:11.
gebiedende van
Dat dit tegenovergesteld woord hier moet verstaan worden, blijkt klaar uit de volgende woorden, gelijk zulke voorbeelden meer voorkomen. Zie een ander 1 Kor. 14:34, en hiervoor 1 Tim. 2:12.
Hertaald:
gebiedende van
Dat hier dit tegengestelde woord verstaan moet worden, blijkt duidelijk uit de volgende woorden; er komen meer zulke voorbeelden voor. Zie een ander in 1 Kor. 14:34 en hiervoor 1 Tim. 2:12.
die de waarheid
Dat is de ware gelovigen, wie alle dingen rein zijn, ook alle spijs met matigheid gebruikt; Tit. 1:15.
Hertaald:
die de waarheid
Dat is: de ware gelovigen, voor wie alle dingen rein zijn, ook alle voedsel dat met matigheid gebruikt wordt; Tit. 1:15.
niets verwerpelijk,
Namelijk in zich zelf, ten tijde des Nieuwen Testaments, nu het onderscheid der spijzen is weggenomen. Zie Hand. 10:15.
Hertaald:
niets verwerpelijk,
Namelijk in zichzelf verwerpelijk, in de tijd van het Nieuwe Testament, nu het onderscheid tussen de voedselsoorten weggenomen is. Zie Hand. 10:15.
geheiligd
Dat is, tot een recht en heilig gebruik gericht of bekwaam gemaakt, gelijk 1 Kor. 7:14.
Hertaald:
geheiligd
Dat is: tot een juist en heilig gebruik bestemd of geschikt gemaakt, zoals in 1 Kor. 7:14.
door het Woord
Dat is, door de verklaring, die ons Gods woord daarvan geeft. Zie Tit. 1:15.
Hertaald:
door het Woord
Dat is: door de verklaring die Gods Woord ons daarover geeft. Zie Tit. 1:15.
het gebed
Namelijk dat het ons tot gezondheid en zegen moge gedijen waaronder ook de dankzegging wordt begrepen. Zie Matt. 15:36; Joh. 6:11.
Hertaald:
het gebed
Namelijk het gebed dat het ons tot gezondheid en zegen mag zijn; daaronder wordt ook de dankzegging begrepen. Zie Matth. 15:36; Joh. 6:11.
opgevoed in de woorden
Namelijk van uwe kindsheid af, gelijk hij daarbij doet 2 Tim. 3:15.
Hertaald:
opgevoed in de woorden
Namelijk opgevoed vanaf uw kinderjaren, zoals hij eraan toevoegt in 2 Tim. 3:15.
des geloofs en der
Dat is, der gezonde leer des geloofs, gelijk de volgende woorden verklaren.
Hertaald:
des geloofs en der
Dat is: van de gezonde leer van het geloof, zoals de volgende woorden verklaren.
fabelen; en oefen
Namelijk waar de Joodse Talmudisten nog vol van zijn, waarvan Paulus ook spreekt Tit. 1:14, en Tit. 3:9, en waartoe hij voorzegt, dat ook enige christen-leraars in de laatste tijden zullen vervallen; 2 Tim. 4:4.
Hertaald:
fabelen; en oefen
Namelijk fabels waarvan de Joodse Talmoedisten nog vol zijn, waarover Paulus ook spreekt in Tit. 1:14 en Tit. 3:9, en waartoe hij voorzegt dat ook enkele christelijke leraars in de laatste tijden zullen vervallen; 2 Tim. 4:4.
de lichamelijke oefening
Hierdoor verstaan sommigen de oefening dergenen, die om den prijs streden met worstelen, lopen en anderszins, gelijk het Griekse woord gymnasia soms betekent, waardoor maar enige lichamelijk weldaad werd verkregen; maar daar Paulus hier handelt van zaken, die den godsdienst aangaan, zo verstaan anderen dit bekwamelijker van enige oefening des lichaams, waardoor het getemd of getuchtigd wordt, gelijk daar is vasten, waken, onthouding van enige spijzen of kleding, anderszins geoorloofd. Van deze zegt de apostel, dat zij wel enige nuttigheid kunnen hebben, maar nochtans weinig ten aanzien van de godzaligheid zelf, daar die ook kunnen misbruikt worden, en in bijgelovigheden verkeren, gelijk Paulus getuigt Kol. 2:23; maar de godzaligheid is Gode altijd aangenaam en tot alles dienstig.
Hertaald:
de lichamelijke oefening
Sommigen verstaan hieronder de oefening van hen die om de prijs streden met worstelen, hardlopen en dergelijke, zoals het Griekse woord gymnasia soms betekent, waarmee slechts een lichamelijk voordeel verkregen werd. Maar omdat Paulus hier spreekt over zaken die de godsdienst betreffen, verstaan anderen dit terecht van een oefening van het lichaam waardoor het bedwongen of getuchtigd wordt, zoals vasten, waken en het zich onthouden van bepaald voedsel of van bepaalde kleding die overigens toegestaan is. Van die dingen zegt de apostel dat zij wel enig nut kunnen hebben, maar toch weinig in vergelijking met de godvrezendheid zelf; want zij kunnen ook misbruikt worden en tot bijgelovigheden verworden, zoals Paulus betuigt in Kol. 2:23. Maar de godvrezendheid is God altijd aangenaam en tot alles dienstig.
hebbende de belofte
Namelijk van Christus zelf, Matt. 6:33.
Hertaald:
hebbende de belofte
Namelijk de belofte van Christus Zelf, Matth. 6:33.
een getrouw woord,
Dat ene vaste en waarachtige belofte.
Hertaald:
een getrouw woord,
Dat is: een vaste en waarachtige belofte.
gehoopt hebben
Namelijk in al zonze zwarigheden en verdrukkingen.
Hertaald:
gehoopt hebben
Namelijk in al onze moeilijkheden en verdrukkingen.
een Behouder is
Grieks soter; welk woord sommigen hier overzetten Zaligmaker. Doch daar God geen Zaligmaker is dan van de gelovigen, Joh. 3:36 en elders, zo kan het hier in dien zin niet genomen worden, maar alleen voor een beschermer en behoeder, gelijk het Griekse woord sozein in het algemeen voor allerlei behoeden en bewaren menigmaal wordt gebruikt, ja ook Ps. 36:6-7, om de goedheid Gods jegens de Zijnen te prijzen, gezegd wordt, dat Hij mensen en vee behoedt.
Hertaald:
een Behouder is
Grieks: sōtèr. Sommigen vertalen dat woord hier met Zaligmaker. Maar omdat God geen Zaligmaker is dan van de gelovigen, Joh. 3:36 en elders, kan het hier niet in die betekenis opgevat worden, maar alleen als een beschermer en behoeder. Zo wordt het Griekse woord sōzein in het algemeen dikwijls gebruikt voor allerlei behoeden en bewaren; ja, in Ps. 36:6-7 wordt om de goedheid van God tegenover de Zijnen te prijzen zelfs gezegd dat Hij mensen en dieren behoedt.
Niemand verachte
Dat is, geef niemand oorzaak door uw handel en wandel, dat u iemand om uwe jonkheid met reden zou kunnen verachten; welken zin de volgende woorden vereisen.
Hertaald:
Niemand verachte
Dat is: geef niemand door uw handel en wandel aanleiding om u met recht om uw jeugd te kunnen verachten; dat is de betekenis die de volgende woorden vragen.
in den geest,
Dat is, ijver des Geestes, of gaven des Geestes.
Hertaald:
in den geest,
Dat is: in de ijver van de Geest, of in de gaven van de Geest.
in het lezen, in
Namelijk der Heilige Schrift, gelijk hij daarbij voegt; 2 Tim. 3:14, enz.
Hertaald:
in het lezen, in
Namelijk het lezen van de Heilige Schrift, zoals hij eraan toevoegt in 2 Tim. 3:14, enzovoort.
Verzuim
Dat is, verwek haar en leg haar wel aan, besteed haar wel, 2 Tim. 1:6-7.
Hertaald:
Verzuim
Dat is: wek haar op, gebruik haar goed en besteed haar goed, 2 Tim. 1:6-7.
de gave niet,
Hierdoor wordt zowel het beroep als de gave daartoe nodig verstaan, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
Hertaald:
de gave niet,
Hieronder wordt zowel de roeping verstaan als de gave die daarvoor nodig is, zoals de volgende woorden aanwijzen.
de profetie, met
Zie hiervan de aantekening op 1 Tim. 1:18.
Hertaald:
de profetie, met
Zie hierover de aantekening bij 1 Tim. 1:18.
des ouderlingschaps
Dat is, van de vergadering der ouderlingen, of de opzieners der gemeente, in wier naam en tegenwoordigheid Paulus de handen Timotheüs had opgelegd 1 Tim. 6:12; want dat Paulus dit zelf gedaan heeft, blijkt uit 2 Tim. 1:6, en wel te Lystre, gelijk af te leiden is uit Hand. 16:1-2.
Hertaald:
des ouderlingschaps
Dat is: van de vergadering van de ouderlingen of de opzieners van de gemeente, in wier naam en aanwezigheid Paulus Timotheüs de handen opgelegd had, 1 Tim. 6:12. Dat Paulus dit zelf gedaan heeft, blijkt uit 2 Tim. 1:6, en wel in Lystra, zoals op te maken is uit Hand. 16:1-2.
uw toenemen openbaar
Namelijk in gaven en godzaligheid.
Hertaald:
uw toenemen openbaar
Namelijk uw toenemen in gaven en godvrezendheid.
in alles
Namelijk dingen; of, onder alle; namelijk mensen.
Hertaald:
in alles
Namelijk in alle dingen; of: onder allen, namelijk onder alle mensen.
uzelven behouden,
Namelijk door het woord, als een instrument en dienaar van Christus, in wien het woord der verzoening is gelegd, 2 Kor. 5:19; zo nochtans, dat noch die plant iets is noch die nat maakt, maar God die den wasdom geeft; 1 Kor. 3:7.
Hertaald:
uzelven behouden,
Namelijk uzelf behouden door het Woord, als een werktuig en dienaar van Christus, aan Wie het woord van de verzoening toevertrouwd is, 2 Kor. 5:19; en dat zo, dat noch hij die plant iets is, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft; 1 Kor. 3:7. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen" (1 Tim. 4:1), "door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid" (1 Tim. 4:2). Als voorbeeld noemt Paulus valse ascese: "verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend" (1 Tim. 4:3). Bijbelse betekenis: De genoemde dwalingen — het verbieden van het huwelijk en van bepaalde spijzen — zijn niet zomaar strenge levensregels, maar een miskenning van de goedheid van Gods schepping zelf. Wat God geschapen heeft, is goed en mag met dankzegging genoten worden. Uiterlijk vrome onthouding kan dus, wanneer zij Gods eigen scheppingsgaven verwerpt, juist een teken van dwaalleer zijn in plaats van een teken van heiligheid. Typologie: Dat Gods schepping zelf goed is, en dus niet verworpen mag worden, staat al aan het begin van de Schrift: "En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed" (Gen. 1:31). 1 Tim. 4:1-3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Breng, wanneer u komt, de reismantel mee die ik in Troas bij Karpus achtergelaten heb, en de boeken, vooral de perkamenten. (2 Timotheüs 4:13) Lees verder Prediker 12:9-12.… Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten. 2 Timotheus 4:13 Iemand die op de… Beveel deze dingen, en leer ze. Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Timotheüs 4
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Paulus’ mantel en boeken
Houd aan in het lezen
Hemels spreken


1 Timotheüs 4
1 Timotheüs 4:8
KruisverwijzingenMattheüs 6:33→1 Timotheüs 6:6→Psalmen 37:3→Psalmen 37:9→Psalmen 145:19→Openbaring 3:21→Markus 10:30→Psalmen 84:11→— Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.
Wie dit leven overwaardeert, acht het een beter iets dan de goddelijke liefde. Want de liefde van God is beter dan het leven; Zijn goedertierenheid is beter dan het leven zelf. Sommigen zouden alles geven voor hun leven, maar zij zouden niets geven voor Gods liefde. Was hun leven in gevaar, dan zouden zij zich haasten naar de dokter. Maar hoewel zij Gods liefde niet genieten, zitten zij toch op hun gemak, en zoeken dat onschatbare goed niet.
1 Timotheüs 4:13
Kruisverwijzingen1 Korinthe 14:3→1 Korinthe 14:26→Psalmen 119:97→Deuteronomium 17:19→Handelingen 17:11→Handelingen 6:4→2 Timotheüs 4:2→Spreuken 2:4→— Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.
Lees, en steun op de Geest van God. Hoe vaak openen wij het heilige boek niet, en lezen een hoofdstuk door, misschien bij de huisgodsdienst of in onze eigen stille omgang met God? Hebben wij van het eerste tot het laatste vers gelezen, dan sluiten wij het boek weer. Wij denken dan iets goeds en gepasts gedaan te hebben, en op een vage manier iets nuttigs. Goed en gepast is het inderdaad. Toch, hoezeer het ook goed en gepast is, kunnen wij er werkelijk niets bij gewonnen hebben. Wij kunnen onszelf slechts geoefend hebben in het uiterlijke deel van de godsdienst, zonder iets geestelijks genoten te hebben. Wij vergeten dan de goddelijke Geest door Wie het Woord tot ons gekomen is, en dat is precies wat onze ziel tot nut had kunnen zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Maar a) de Geest van de profetie (2 Thessalonicenzen. 2: 2 Rom. 12: 7), waarvan ik mij bewust ben, dat ik die bezit (Hand. 20: 25), zegt duidelijk, zodat niet twijfelachtig is, wat Hij nu inwendig verzekert, dat in de laatste (liever “latere, de volgende tijden, die van deze tegenwoordige niet ver verwijderd zijn, sommigen zullen b) afvallen van het geloof, zich begevend tot verleidende geesten en leringen van de duivel. Deze toch zoeken het grote geheim van de godzaligheid (Hoofdstuk 3: 16) door een schijnheiligheid (vs. 3), die in strijd is met de orde van de goddelijke schepping, uit de gemeente van de levende God (Hoofdstuk 3: 15) te verdringen (vgl. 1 Kor. 10: 20).
2 Tim. 3: 1. 2 Petrus 3: 3 b) MATTHEUS. 24: 23
Zij zullen namelijk tot dat afvallen van het geloof en het aanhangen van de dwaalgeesten zich laten verleiden door geveinsdheid van leugensprekers. Zij, wier inwendige gezindheid vleselijk is en niet geestelijk en die hun heiligheid stellen in hetgeen tegen en niet naar Gods wil is, zullen zich de schijn van hoge geestelijkheid en bijzondere heiligheid geven, hebbend, omdat hun eigen bewustzijn zegt, dat hun zaak niet goed en heilzaam is, maartegen de Christelijke waarheid strijdt en voor de Christelijke gemeente verderfelijk is, hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid en in zo’n toestand stellen zij zich tot werktuigen van duivelse leringen (Jak. 3: 15).
Zij leiden op allerlei dwaalwegen, geïnspireerd door die verleidende geesten (1 Kon. 22: 19 vv.), verbiedend te huwelijken, gebiedend (1 Kor. 14: 34) van voedsel te onthouden (Kol. 2: 21), die God geschapen heeft a) tot nuttiging (1 Kor. 10: 30 Hand. 2: 47; 27: 33 vv.), b) met dankzegging aan God, die ze geschapen heeft, voor de gelovigen en die de waarheid hebben bekend. Die toch alleen zijn in staat Zijn bedoeling te begrijpen en bij deze alleen wordt die bereikt, terwijl de anderen of die dankzegging nalaten, hoewel zij de gave aannemen, of ook uit minachting en miskenning van de goddelijke orde het aannemen weigeren.
Gen. 1: 29; 9: 3
In strijd met de bewering van de dwaalleraars die staande houden, dat voor hen, die geloven en de waarheid erkennen, zulke dingen niet door God geschapen zijn, zegt de apostel, dat ze juist voor hen en hun ten dienste zijn geschapen en niet voor de ongelovigen, die er Hem niet voor danken. De eigenlijke bestemming van alle tijdelijke en zichtbare gave is, dat zij tot openbaring en tot lofprijzing van de Gever voert, dat zij opleidt van het aardse en tijdelijke tot het hemelse en eeuwige. Omdat dat oogmerk van God bij de ongelovigen, wanneer zij in het ongeloof volharden, niet bereikt wordt, zo heeft Hij in zoverre deze dingen niet voor hen geschapen, maar voor Zijn kinderen, die in de waarheid wandelen.
De heiliging daarvan geschiedt, volgens Paulus, door Gods woord en het gebed; door Gods woord dat het voedsel schept en door het gebed, dat dit Woord in het geloof aanneemt. De leer van Paulus vloeit voort uit de stelling, dat wij geen goede rechtmatig bezitten, als ons geweten het niet betuigt, dat dit het onze is. Wie onder ons zou zich ook maar één graankorrel met recht kunnen toe-eigenen, wanneer hij niet uit Gods woord wist dat hij erfgenaam van de wereld was. Wel zegt ons het gezond mensenverstand, dat alles in de wereld van nature tot ons gebruik bestemd is, maar omdat door Adams val onze heerschappij over de wereld is verloren gegaan, wordt door onze onreinheid alles besmet, wat wij van Gods geschenken aanraken en het verontreinigt ook ons weer, totdat God ons genadig te hulp komt, ons tot leden van het lichaam van Zijn Zoon en dus opnieuw tot heren van de wereld makend, zodat wij ons nu mogen bedienen van al haar goederen, alsof zij de onze waren. God moet men tot Vader hebben om Zijn erfgenaam te wezen; Christus moet ons Hoofd zijn, opdat al het Zijne het onze wordt. Daarom is het een onreine door van de goddelijke gaven, wanneer wij bij haar gebruik God niet erkennen en aanroepen. Het is een maaltijd als die van de dieren, wanneer wij ons aan tafel zetten en niet bidden en verzadigd zijnde, opstaan zonder God te gedenken.
De laatsten, die het aannemen weigeren en in zo’n handelwijze een bijzondere heiligheid zien, begrijpen inderdaad niet wat zij zeggen of wat zij bevestigen (Hoofdstuk 1: 7) a) want alle schepsel van God is goed (Gen. 1: 31 Wijsh. 1: 14 en er is niets verwerpelijk, alsof men zich in de ogen van God door het genot daarvan zou verontreinigen, met dankzegging genomen zijnde (vgl. 1 Kor. 10: 25 v. Rom. 14: 14 en 20 Tit. 1: 15).
Hand. 10: 15
Want het wordt geheiligd (1 Kor. 7: 14) door het woord van God en door het gebed, door een bede, ontleend aan het woord van God, of uit het eigen hart voorgedragen (vgl. het Benedicite et Gratias in de Catechismus van Luther).
Wat het was het huwelijken te verbieden, hoefde de apostel Timotheus niet eerst voor te houden. Zo’n verbod toch kwam in openlijke tegenspraak met de goddelijke regeling bij de schepping. Anders was het met het verbod van sommige spijzen: dat kan in zoverre minder bedenkelijk voorkomen, omdat toch ook de Mozaïsche wet geboden over spijzen had. Daarom voegt de apostel erbij dat de spijzen, die die leugensprekers zouden verbieden, door God waren geschapen, opdat de mens ze met dankzegging zou genieten en men dus geen reden had ze voor verwerpelijk te houden, integendeel, als men het met dankzegging geniet, wordt het door Gods woord en gebed, dat met Gods woord geschiedt, geheiligd en wordt het de wijding van de Christelijke staat deelachtig.
Uit de woorden van de apostel volgt een niet onbelangrijke regel: alles wat ik met gebed en dankzegging kan doen, alles, waarbij ik aan God kan denken, in Zijn gemeenschap kan zijn, is geen zonde, doe datgene, waarbij u kunt bidden, laat datgene, waarbij u niet kunt bidden.
Ook bij zijn afscheid van de oudsten te Efeze, heeft de apostel een smartelijk voorgevoel (Hand. 20: 29 v.). Hij erkende, dat van deze plaats een haeresie van nieuwe en gevaarlijke aard zou uitgaan, een heidens verderf van het Christendom, zoals van Jeruzalem de farizese misvorming was uitgegaan. Hij zag dat uit de levende kudde van het heiden-Christendom, zelfs uit het midden van hen, die het heilige ambt van herders in de kerk hadden ontvangen, mannen zouden opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken een karikatuur van de waarheid in plaats van de waarheid zouden stellen, de zielen van de discipelen, die Christus toebehoren, tot zich zouden trekken en aan zich verbinden en als gruwelijke wolven onder de kudde van God zouden huishouden. Hij zag met één woord in profetische geest het opkomen van de valse heidense gnosis (vgl. bij Hand. 20: 31). In deze brief aan Timotheus, die te Efeze gevestigd is, spreekt hij zich nu dan duidelijker uit, zowel over hetgeen reeds is geschied, als over hetgeen door de profetische geest van te voren werd verkondigd. Hymeneüs en Filetus waren ambtgenoten van de apostel in de bediening van het woord; zij leden schipbreuk wat hun geloof aangaat, want zij hadden geen reinheid van geweten bewaard en ten allen tijde was het verstrikking van de Christenen in heimelijke of openbare zondedienst, die het ontstaan van dwaalleer en ongeloof voorafging. Hun verkeerde mening, dat de opstanding reeds had plaats gehad, d. i. een opstanding van het lichaam niet meer te wachten was, beweerden ze met zo’n hardnekkigheid tegenover de apostel, dat zij het tot lastering brachten en aan de satan moesten worden overgegeven. In Korach en diens rot (Num. 16) ziet Paulus een voorbeeld van deze weerbarstigen; evenals die tegen Mozes en Aäron optraden en het priesterschap zonder goddelijke roeping zich toe-eigenden, zo wilden dezen in tegenstelling met de apostel en het wettig gezag een ander hun eigen haeretische leerambt oprichten en Paulus zag in de geest, dat het woord van deze oproerige leraars in de kerk om zich heen zou voortvreten, evenals de kanker in het menselijk lichaam, totdat zij een einde zonden vinden, gelijk aan dat van hun voorlopers, Korach, Dathan en Abiram. Ook waren er reeds tovenaars aanwezig, die konden worden vergeleken met Jannes en Jambres, de tegenstanders van Mozes, mensen als Simon de Magiër, of de latere gnostikus Marcion, verleiders tot schanddaden, die de dienaars van Christus op de voet volgden en in de gemeenten en in de families inslopen (Hoofdstuk 1: 20. 2 Tim. 2: 17 vv., 3: 6 vv. In zulke verschijningen op Christelijke bodem vertoonde zich reeds het begin van de afval, waarvan Paulus in 2 Thessalonicenzen. 2: 2 en 7 gesproken had. Zijn eerste vorm was de huichelachtige ascese van een gebrandmerkt geweten; pas de latere ontwikkeling daarvan was de ongebondenheid en de verwoesting van alle zedelijke banden, die de apostel als algemeen in de laatste tijden voorspelt in 2 Tim. 3: 1 vv. Tegenover al deze wanstaltigheden wijst hij Timotheus op de verborgenheid van de godzaligheid: “God is geopenbaard in het vlees enz. ” Gods menswording tot verlossing en heiligmaking van de menselijke natuur is de bron van alle ware heiligmaking; evenzeer is de verplichting tot heiligheid als de kracht en de mogelijkheid daartoe daarin gegeven, dat Gods Zoon in het menselijk vlees heilig wandelde, stierf en opstond. De onreine wil en kan het niet geloven, een gebrandmerkt geweten knaagt, altijd aan deze waarheid, waardoor het zich veroordeelt voelt (1 Joh. 4: 3), haar te ontkennen was de hoofdgedachte van de hele haeretische gnosis.
Als u deze dingen, die ik u op het hart gedrukt heb (vs. 3 vv.), de broeders te Efeze voorstelt, die u moet leiden en over wie u hoort te waken (Hoofdstuk 1: 3), in het bijzonder de leraars en voorgangers, die reeds begonnen acht te slaan op de fabels en de geslacht-registers van de dwaalleraars (Hoofdstuk 1: 4), dan zult u in het huis van God, de gemeente van de Heere (Hoofdstuk 4: 15), een goed dienaar van Jezus Christus zijn (1 Kor. 4: 1. 2 Tim. 4: 5 Zoals toch het spreekwoord zegt: “docendo discimus”, door te onderwijzen leren wij, zo zult u geestelijk voedsel daardoor ontvangen, opgevoed in de woorden van het geloof en van de goede, van de heilige leer (Hoofdstuk 1: 10), die u achtervolgd heeft, die u van uw jeugd af (2 Tim. 1: 5) gevolgd heeft, zodat mag worden verwacht, dat u die ook voortaan toegedaan zult blijven (2 Tim. 3: 14 vv.).
De voorstelling van hetgeen in de toekomst dreigt moet Timotheus doen bedenken, wat voor het tegenwoordige nodig is. En omdat het toekomstige reeds in beginsel aanwezig is en alleen het sterker worden en het uitbreiden in de toekomst ligt, spreekt het vanzelf, waarom wat als waarheid gesteld wordt tegenover de dwaling, zoals die in haar gehele ontwikkeling zal zijn (vs. 3-5), reeds nu moet ingescherpt worden. Het dreigend gevaar stelt Timotheus, als hij een goed dienaar van Jezus Christus wil zijn, de eis van een krachtig strijden tegen de dwaling, die ten minste in beginsel aanwezig is. Dit kan echter niet bestaan in de mededeling alleen, dat afval dreigt, maar alleen in het voorhouden van de waarheid, die tegenover deze dwaling moet worden gesteld: “alle schepsel van God is goed. door het woord van God en het gebed.”
Het karakter van een goede dienaar van Jezus Christus, dat Timotheus zou openbaren, als hij deed, wat de apostel hem opdroeg, wordt nader te kennen gegeven door het woord: “opgevoed in de woorden van het geloof en van de goede leer, die u achtervolgd heeft. ” De woorden van het geloof worden hier als het voorgaand middel tot vorming en opvoeding voor de inwendigen mens van Timotheus voorgesteld (vgl. 1 Petrus 2: 2. 2 Tim. 3: 15 De Christelijke staat wordt daardoor niet voorgesteld als nog onvolkomen, maar wel als nog voor ontwikkeling vatbaar. De Christen en de Christelijke leraar kan in zijn tegenwoordig standpunt volkomen zijn, maar toch is hij geroepen naar een hoger te streven. De prediking zou een klinkend metaal en een luidende schel gelijk zijn, als zij niet de openbaring en de uiting van het inwendige geestelijk leven was, dat met de uiterste zorgvuldigheid moet worden verzorgd en verpleegd.
De grote, algemene ellende van de kerk is, dat zij onwedergeborene geestelijken heeft, zonder levenservaring, dat zo velen eerder predikers worden dan zij Christenen zijn geworden en voor het altaar van God als Zijn priesters worden gewijd, voordat zij Christus zijn geheiligd door overgave van het harten aan Hem en de ene onbekende God aanbidden en een onbekende Christus prediken en door een onbekende Geest bidden en een staat van heiligmaking en van gemeenschap met Christus, en een heerlijkheid en zaligheid verkondigen, die hun geheel onbekend zijn en wellicht onbekend zullen blijven in alle eeuwigheid.
Maar verwerp, hoe weinig gevaarlijk zij nu ook nog mogen schijnen (2 Tim. 2: 15 v. Tit. 3: 9), de ongoddelijke, alleen aan geesteloze mensen (Hoofdstuk 1: 7) behagende (Hoofdstuk 6: 20. 2 Tim. 2: 16 en oudwijfse fabelen, zoals zij, die anders leren (Hoofdstuk 1: 13), hun hoorders voorhouden en zich daardoor een aanhang verschaffen. En oefen uzelf in de verborgenheid (Hoofdstuk 3: 16) van het geloof tot godzaligheid, doordat u tot opgroeien een zelfbedwang beoefent, dat nog in iets anders bestaat, dan waarop zij, die een andere leer leren (Hoofdstuk 1: 3), met hun geboden van mensen (Tit. 1: 14) aandringen (Hoofdstuk 6: 11 v. 2 Tim. 2: 22).
Want de lichamelijke oefening, waarop zij aandringen en waartoe ook u enigermate overhelt (Hoofdstuk 5: 23), is tot weinig nut en heeft alleen onder zekere omstandigheden enige waarde voor het inwendige leven (1 Kor. 7: 5). Maar de godzaligheid, tot welke de Zoon van God, die in het vlees is gekomen, ons leidt en bekwaam maakt (Hoofdstuk 1: 15; 3: 16), is tot alle dingen nut, zodat men die ten allen tijde en onder alle omstandigheden moet beoefenen, hebbende de belofte van de tegenwoordige (1 Kor. 15: 19) en van het toekomstige leven, zodat hij, die zich op haar toelegt, niets verzuimt, dat tot zijn tijdelijk en eeuwig heil dient.
Wil Timotheus iets doen tegenover de verkeerdheden, die bestaan, dan moet hij zelf voor alle besmetting ervan bewaard blijven. Daarom volgt een duidelijk wijzen op die verkeerdheden in de dubbele gestalte van een valse theologische richting aan de ene en van een valse praktische richting aan de andere kant. Tegenover de woorden van het geloof en de goede leer, die het blijvende voedingsmiddel van Timotheus moeten zijn, stelt de apostel ten eerste “de ongoddelijke en oudwijfse fabelen, waarmee hij niets te doen moet hebben, om niet een prooi te worden van de valse theoretische richting van hen, die anders leren en van hun aanhangers. Voor het tegenwoordige zien deze er onschuldig uit, in de toekomst daarentegen zullen zij zich verheffen tot een ergerlijk verzet tegen de waarheid; daarom kan Timotheus het gevaar van de toekomst niet terughouden, als hij zich niet voor de openbaringen van deze tijd in acht neemt. Ongoddelijk zijn deze fabelen, in zo verre zij met de eigenlijke inhoud van het geloof niets te maken hebben en niet bevorderlijk zijn aan de waarachtige vroomheid. Oudwijfs en smakeloos zijn zij, omdat zij lijken op de vertelseltjes, zoals die van oude vrouwen worden gehoord. De geslachtsregisters (Hoofdstuk 1: 4) vermeldt Paulus niet afzonderlijk. Al deze dingen stonden met elkaar in verband, waarom ook elders, zelfs waar een samenvatting bedoeld werd (Tit. 1: 4 vgl. 3: 9), nu eens het ene, dan het andere bij de optelling wordt voorbijgegaan.
De Joodse dwaalleraars hielden zich destijds veel met fabelen en verdichtselen bezig, die in al haar beuzelachtigheid in de Talmud Uit 6: 22 zijn opgenomen. Spitsvondige toespelingen en verklaringen van bijbelse geschiedenissen, sprookjes, die uitgedacht werden, om daardoor zekere geheimenissen voort te planten of op te lossen enz.
Timotheus wordt nog tegen een ander gevaar gewaarschuwd; zoals die fabelen van de dwaalleraars arbeiden van de ware voorwerpen van de kennis, zo leiden de lichamelijke oefeningen, zoals zij deze verrichtten, van de ware godzaligheid. Hij moet zich dus voor de verkeerdheden, die tegenwoordig heersen, in praktisch opzicht in acht nemen. Met de woorden: “Oefen uzelf tot godzaligheid” zegt de apostel dat godzaligheid datgene moet zijn wat de oefening op het oog heeft en hij vermaant hem tot een handelen, waardoor hij zich daarvoor geschikt maakt. De dwaalleraars stelden de godzaligheid in het onthouden van hetgeen voor geoorloofd geacht werd, maar het niet was; en ook Timotheus, als hij de vermaning, hem hier gegeven, nodig had, moet geneigd zijn geweest een dergelijke onthouding zichzelf op te leggen, als iets, dat omwille van zichzelf moest worden gedaan. Daarom wordt hij gedwongen om dat zelfbedwang te beoefenen, dat godzaligheid ten doel heeft en dat dus vooral in inwendig bedwingen bestaat, dat men zichzelf oplegt, om niet zichzelf de vrije teugel te geven, maar zich daaraan te gewennen, dat men bij al zijn doen en laten God eerbiedig probeert te behagen en te dienen. De lichamelijke onthouding als zodanig en op zichzelf, in zo verre zij de mens geschikt maakt tot ontbering, is niet volstrekt nutteloos; ook de apostel heeft die volbracht (1 Kor. 9: 27), maar alleen tot dat doel en in die mate, om niet door de behoeften of begeerten van zijn lichaam gehinderd te worden in het bereiken van zijn doel en niet, alsof zij op zichzelf iets zou zijn. Zij is dus slechts weinig nut, alleen in zeer ondergeschikte mate. De godzaligheid daarentegen is onvoorwaardelijk en tot alles nut, omdat zij de belofte van het leven heeft voor de tegenwoordige en de toekomende wereld.
Dat de godzaligheid tot alle dingen nut, dus de meest praktische zaak van de wereld is, kan niet genoeg worden ingescherpt aan de ene kant tegenover het abstracte idealisme en aan de andere zijde tegenover het goddeloze materialisme. Hoe velen zijn er, die wel willen erkennen dat de godzaligheid goed is om in vrede te sterven, maar haar volstrekt niet nodig achten om gelukkig te leven; hoeveel anderen, die het geloof een zeer schone zaak noemen voor armen, zwakken, lijdenden, stervenden, maar niet geschikt om bruikbare, bekwame, praktische mensen te vormen. Tegenover deze moet gedurig worden herinnerd, dat het Evangelie een kracht is, die alles doordringt en dat de ware Christen niet alleen de gelukkigste mens, maar ook de braafste burger is, de gehoorzaamste knecht, de zachtmoedigste meester, in één woord, in alle omstandigheden een mede-arbeider van God en een eer van Christus.
Ja echt, de godzaligheid is tot alle dingen nut, nut voor het lichaam en voor de geest, nut onder voorspoed en tegenspoed, onder vreugd en smart, onder hoop en vrees; want zij heeft de beloften voor het tegenwoordige en toekomende leven. Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig. Op haar beoefening heeft God reeds hier op aarde zegen toegelegd. Wij vinden die toezegging op een menigte plaatsen in de schriften van het Oude Verbond en zij wordt ook in die van het Nieuwe Testament niet tevergeefs gezocht. Zij bevat wel niet de belofte van eer en aanzien bij de wereld, van rijkdom in aardse goederen en bevrijding van de rampen van dit leven. Zij veronderstelt veel meer, wat de ervaring leert, dat de godvruchtige vaak mist, wat de dienaar van de zonde hoogschat en dat de tegenspoeden van de rechtvaardigen vele zijn; maar zij bevat de belofte, dat het ons nooit in dit leven aan het nodige zal ontbreken, dat wij voedsel en deksel en al wat wij nodig hebben van God ontvangen zullen, dat Hij ons zal troosten onder de droefenissen van het leven en moed en kracht zal schenken om het lijden, dat uit Zijn vaderhand, of ook van mensen toekomt, gewillig te dragen. Zij bevat de belofte van het ware, hoogste goed, dat ons te beurt kan vallen: de goedkeuring van God en onze Heere Jezus Christus, de ervaring en bewustheid van die goedkeuring, een gerust geweten, een vrede van het gemoed, die alles te boven gaat, blijdschap in God en de Heere, waarmee geen wereldvreugde te vergelijken is, met één woord een zaligheid, die ons onder alles bijblijft, die ons door niets ontnomen kan worden en voorsmaak geeft van de zaligheid van de hemel. – Dat niet alleen. Zij heeft ook en vooral beloften voor het toekomende leven. Wie haar beoefent wint oneindig veel bij zijn sterven. Het sterven is hem overgang in het ware, hogere, hemelse leven. Hij heeft voor geen veroordeling te vrezen, maar ontvangt de onverderfelijke, onbevlekkelijke, onverwelkelijke erfenis, die God heeft weggelegd voor hen, die Hem vrezen en verkrijgt het einde van zijn geloof, namelijk de zaligheid van zijn ziel. Alle tranen worden van zijn ogen afzekert. De dood heerst niet meer over hem. Hij is volkomen verlost van de zonde, en boven haar verzoeking voor eeuwig verheven. Hij ziet de Heere, zoals Hij is, wordt Hem steeds meer gelijk en vindt zijn in Hem ontslapenen bij Hem terug, om met hen altijd bij Hem te zijn. Zó grote, heerlijke beloften heeft de godzaligheid voor het toekomend leven. En die beloften zullen aan de godvruchtige vervuld worden; want hij heeft zijn hoop gevestigd op de levende God, die ze kan vervullen en die een behouder is van alle mensen, allermeest van de gelovigen, Die ze dus ook wil en zal vervullen.
Dit, wat ik zo-even zei: “De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomstige leven”, is een getrouw woord en alle onvoorwaardelijke aanneming waardig (Hoofdstuk 1: 15).
Want hiervoor, dat dit getrouwe woord overal wordt aangenomen, zoals het dat verdient, arbeiden wij ook in alles wat wij doen en ons voornemen. En daarom worden wij door onverstandigen, die onze moeite en onze arbeid niet weten te waarderen, maar die in een verkeerd licht beschouwen, gesmaad. Dat overkomt ons, omdat wij gehoopt hebben op de levende God in plaats van, zoals zij het voor beter houden, naar gunst en bijval van mensen te trachten. Wij laten ons echter daardoor van ons streven niet afbrengen, maar stellen onze hoop op die God, die een Behouder is van alle mensen (Hoofdstuk 2: 4) en daarom wil hebben, dat Zijn woord meer en meer ingang vindt in de wereld, maar allermeest is Hij de Heiland van de gelovigen (Tit. 2: 10) en zo zal Hij de belofte, hun gegeven, zeker vervullen en zal hun hoop niet worden teleurgesteld.
Met de woorden: “Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig”, die tot nadenken roepen, bezegelt de apostel het vroeger gezegde en baant zich tevens de weg tot hetgeen volgt. Volgens het oordeel van de mensen schijnt het vaak anders, alsof de godzaligheid iemand hinderlijk zou geweest zijn in zijn bevordering, in een goed huwelijk enz. ; maar “laat dit woord u gewisser zijn! ” Daardoor geleid en ondersteund wordt door u gearbeid en geleden (2 Tim. 4: 5), gezind om uw leven te haten en te verliezen op deze wereld. Voor wereldlingen, die zich aan het zichtbare vastklemmen, komt het zeker verachtelijk voor om op niemand dan op de levende God te hopen.
Naast zijn arbeid komt de apostel voor de geest de onafscheidelijk daarmee verbonden smaad. Zeker had hij bij het schrijven van de brief in zijn toenmalige ervaring en omgeving een bijzondere aanleiding, om dezen zo uitdrukkelijk te noemen 1Ti 5: 25.
Hij wil niet zeggen, dat zijn vijanden hem met volle bewustzijn juist daarom smaden, omdat hij op de levende God gehoopt heeft, hij neemt integendeel hier de diepste grond van al die vijandelijkheden. Maar de grond van die smaad is ook het tegenwicht ervoor en de troost te midden daarvan, want Paulus draagt die toch om zijn hoop op de levende God – geen dode ingebeelde voorstelling, zoals zo menige bedenking van de dwaalleraars te Efeze, maar een God, die zelf leeft, en het gewenste leven zal verlenen.
De levende God is de Heiland van alle mensen, niet in zo verre Hij het voor allen is, of zij de verlossing deelachtig worden of niet, maar in zo verre men voor allen kan hopen, dat zij die verkrijgen zullen, zoals dan ook de apostel in die hoop arbeidt en smaad lijdt. In het bijzonder is Hij echter de Heiland van de gelovigen, in zoverre de gelovigen de zaligheid reeds hebben verkregen, zodat zij zich vertroosten moeten met de hoop op volmaking en zich ook te zekerder daarmee kunnen vertroosten.
Beveel u nu verder de broeders (vs. 6) deze dingen aan, zoals ik met de woorden “oefen uzelf tot godzaligheid” (vs. 7) u op het hart gedrukt heb en leer ze, zoals ik u heb geleerd (vs. 8): “de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut”.
Er zijn dingen, die geleerd en andere, die moeten bevolen worden. Als iemand datgene beveelt, wat geleerd moet worden, maakt hij zich belachelijk en eveneens als iemand datgene leert, wat moet worden bevolen. Als iemand weet, dat iets kwaad is en hij doet het toch, dan heeft hij het bevel nodig; als hij het niet weet heeft hij onderrichting nodig. Daarom moet Timotheus beide doen: bevelen en leren.
Niemand moet uw jeugd verachten 1Co 16: 11; a) maar wees een voorbeeld van de gelovigen (Tit. 2: 7 vv., 15) in woord, als u moet leren, vermanen, waarschuwen of vertroosten, in wandel (Fil. 3: 17), in liefde, in de Geest, in betoning van de Geest (1 Kor. 2: 4) (in niet weinige handschriften ontbreekt het “in de Geest, in geloof (2 Tim. 3: 10), in reinheid (2 Kor. 6: 6).
1 Petrus 5: 3
Dat hier van Timotheus’ jeugd sprake is bewijst, dat deze brief vroegtijdig geschreven is, vroeger dan zij aannemen, die hem in de tijd tussen de zogenaamde eerste en tweede gevangenschap van Paulus stellen. Voor die tijd past bezwaarlijk het spreken van Timotheus’ jeugd, omdat deze toen reeds 12-14 jaren in de omgeving van Paulus had doorgebracht en gesteld, dat ook toen nog van zijn jeugd had kunnen worden gesproken (2 Tim. 2: 22), welk Christen zou hem, de ervaren, de gedurende zo lange tijd bevestigde dienaar van de grote apostel, om zijn jeugd hebben kunnen minachten, die dan onmogelijk nog in het oog lopend zou hebben kunnen zijn.
Als Timotheus’ bevelend en lerend woord (vs. 11) oplettende hoorders zal vinden en uitwerking zal kunnen hebben, moet hij zelf in zo’n achting zijn, dat men aan zijn jeugd zich niet ergert en niet daarom er boven meent verheven te zijn, om zich door hem te laten bevelen en leren. Daarom schrijft de apostel “niemand veracht uw jeugd! ” Hij moet zich namelijk zo gedragen, dat hem dit niet overkomt; en dat doet hij, als hij zich zo gedraagt, dat hij een voorbeeld van de gelovigen is, een voorbeeld in hetgeen hij zegt en in hetgeen hij doet (in woord en wandel), een voorbeeld in liefde jegens anderen, in geloof in God, in reinheid van zedelijk leven. Hiertoe vermaant de apostel hem in tegenstelling tot een wandelen, waardoor hij teweeg brengen zou dat men met minachting op hem zou neerzien, alsof hij niet de man was om een gemeente te leiden en te leren, die zo vele ouderen telde.
Houd, gedurende de tijd van mijn afwezigheid, als u ook de godsdienstoefeningen van de gemeente moet leiden, aan in het lezen (Luk. 4: 16 Hand. 15: 21. 2 Kor. 3: 14), in het vermanen (Hand. 13: 15 vv.), in het leren (Hand. 13: 1 Rom. 12: 7 en 8), totdat Ik kom en dan zelf weer dat werk overneem.
Verzuim de gave niet door haar ongebruikt te laten, wek ze integendeel op, de gave, die in u is, die u bij uw ordening als helper van de apostelen Ac 16: 3 gegeven is door de profetie, ten gevolge van de over u zich uitgesproken voorspelling (Hoofdstuk 1: 18) en wel a) met oplegging van de handen van het ouderlingschap, van de oudsten en van mijzelf (2 Tim. 1: 6).
Hand. 6: 6; 8: 17; 13: 3; 19: 6. 1 Tim. 5: 22
Totdat de apostel komt (vgl. Hoofdstuk 3: 14 v.) moet Timotheus ter harte nemen, wat hij zelf in de vergadering van de gemeente zou doen en zich daarop toeleggen, namelijk 1) de voorlezing der Heilige Schrift met insluiting van haar uitlegging, 2) het vermanen, waarmee men onafhankelijk van het lezen van de Schrift op het gemoed werkt en 3) het leren, dat de kennis van de waarheid uitbreidt en dieper maakt. Zo moet hij de gave, die in hem is, niet ongebruikt laten, gedachtig hoe hij ze ontvangen heeft. Er wordt hier gedacht aan de gave om te leren, die voor Timotheus was afgebeden, toen hij door profetie de apostel werd aangewezen als degene, die voor hem en Silas kon zijn, wat vroeger Johannes Markus voor Barnabas en hem geweest was. Dat God het is, die de Geest en de velerlei gaven van de Geest geeft, en dus ook van Hem Timotheus de gave, waarvan gesproken wordt, ontvangen heeft, spreekt vanzelf. Paulus gaat dat voorbij, alleen met het woord “die u gegeven is” zonder er groter gewicht op te leggen, maar wel herinnert hij hem met de bijgevoegde woorden “met oplegging van de handen van het ouderlingschap” aan de beide omstandigheden, ten eerste dat voorspellingen waren voorafgegaan en vervolgens dat de ouderlingen van zijn gemeente deelgenomen hadden aan zijn begiftiging met oplegging van de handen. Hij mag dus noch door datgene te verzuimen, waartoe hij naar die profetieën is begaafd, deze logenstraffen, noch moet hij het vertrouwen van die ouderlingen beschamen, hun verwachtingen verijdelen. In 2 Tim. 1: 6 daarentegen, drukt Paulus Timotheus op het gemoed, die verplichting hij jegens hem zelf had, als hij hem herinnert, dat hij door zijn handoplegging de gave ontvangen had.
Gods genade en onze vlijt moeten steeds samengaan, want zonder genade helpt geen vlijt en zonder eigen vlijt wordt geen genade juist gebruikt en aangewend, veel min vermeerderd (vgl. 1 Kor. 15: 10).
Het is een vreselijke ellende goede gaven gehad en niet gebruikt te hebben.
Bedenk deze dingen, die ik in vs. 12-14 u als uw taak heb voorgehouden. Wees hierin bezig, zodat u aan de ene zijde uw ambt als leraar getrouw waarneemt volgens de gave u verleend (vs. 13 v. en aan de andere zijde u een voorbeeld betoont in woord en in wandel (vs. 12). Wees ijverig, opdat uw toenemen tot volkomenheid (2 Tim. 3: 17)openbaar is in alles bij hen, tot wier leiding en bewaking u geroepen bent, dan zal niemand uw jeugd verachten, maar elk u in ere moeten houden.
Alle studiën, alle oefeningen, alle vooruitgang van een ware herder mogen niet onvruchtbaar zijn, noch de vrucht onzichtbaar blijven. Zijn arbeid en zijn voorbeeld behoren van de gemeente, omdat hij voor allen is.
Heb acht op uzelf, zowel op uw wandel als op uw eigen overtuiging (Hand. 20: 28) en op de leer, die u moet voordragen, opdat uw spreken op de juiste manier gebeurt (2 Tim. 2: 15). Volhard daarin en laat u niet in met zaken, die daarbuiten zijn; want dat doendezult u en eensdeels door acht te hebben op uw eigen leven en gevoelen, uzelf behouden en aan de andere zijde, door acht te hebben op uw leer, zalig maken die u horen. U zult dus zo doende hen, die aan uw zielenzorg zijn toevertrouwd, behouden, als ook een zegen hebben voor uw eigen ziel.
Deze gehele afdeling bevat woorden, die ieder dienaar van de kerk steeds voor ogen en in het hart moest hebben; en ieder, die in de dienst van de kerk wil intreden, moest zich deze woorden werkelijk in het hart schrijven. Wees niet op valse manier bescheiden, omdat u nog jong bent; u bent in het ambt gesteld, zo moet u een voorbeeld zijn in alles uitwendig en inwendig. U kunt het, als u slechts ernstig wilt, want u heeft tot het ambt de gave ontvangen. Veracht ze niet deze gave, denk steeds over uw roeping, leef geheel daarin, doe het niet alsof het een handwerk, of een nevenzaak was, terwijl het hart aan andere liefhebberijen hangt -wees geheel en al geestelijken. Geef acht op uzelf, tel de zaak niet licht, verlaat u het allerminst op uw natuurlijke gaven, al zijn die ook nog zo veel betekenend! En begint niet slechts met grote ijver, maar volhard; het geldt toch hier uw eeuwige zaligheid en niet slechts de uwe, maar ook die van de u toevertrouwde zielen!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel