Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
PaulusG3972, enG2532 SilvanusG4610, enG2532 TimotheusG5095, aan de GemeenteG1577 der ThessalonicensenG2331, welke is inG1722 GodG2316 den VaderG3962, enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547: genadeG5485 zij uG4771 enG2532 vredeG1515 vanG575 GodG2316, onzen VaderG3962, enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
KJV
Paul,1
and2
Silvanus,3
and4
Timotheus,5
unto the church7
of the Thessalonians8
which is in9
God10
the Father11
and12
in the Lord13
Jesus14
Christ:15
Grace16
be unto you,
and18
peace,19
from20
God21
our
Father,22
and24
the Lord25
Jesus26
Christ.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Wij dankenG2168 GodG2316 altijdG3842 over uG4771 allenG3956, uwer gedachtigG3417 zijnde in onze gebedenG4335;
Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;
KJV
We give thanks1
to God3
always4
for5
you
all,6
making10
mention8
of you
in11
our
prayers;13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zonder ophoudenG89 gedenkendeG3421 het werkG2041 uws geloofsG4102, enG2532 den arbeidG2873 der liefdeG26, enG2532 de verdraagzaamheidG5281 der hoopG1680 op onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, voor onzen GodG2316 enG2532 VaderG3962;
Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;
KJV
Remembering2
without ceasing1
your
work5
of faith,7
and8
labour10
of love,12
and13
patience15
of hope17
in our
Lord19
Jesus21
Christ,22
in the sight23
of God25
and26
our
Father;27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WetendeG1492, geliefdeG25 broedersG80, uw verkiezingG1589 vanG5259 GodG2316;
Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;
KJV
Knowing,1
brethren2
beloved,3
your
election7
of4
God.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG3754 ons EvangelieG2098 is onderG1722 uG4771 nietG3756 alleen in woordenG3056 geweestG1096, maarG235 ookG2532 in krachtG1411, enG2532 in den HeiligenG40 GeestG4151, enG2532 in veleG4183 verzekerdheidG4136; gelijk gij weetG1492, hoedanigenG3634 wij onderG1722 u geweestG1096 zijn om uwentwil.
Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.
KJV
For1
our
gospel3
came6
not5
unto7
you
in9
word10
only,11
but12
also13
in14
power,15
and16
in17
the Holy19
Ghost,18
and20
in21
much23
assurance;22
as24
ye know25
what manner of men26
we were27
among28
you
for30
your
sake.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En gijG4771 zijt onze navolgersG3402 gewordenG1096, enG2532 des HeerenG2962, het WoordG3056 aangenomenG1209 hebbende inG1722 veleG4183 verdrukkingG2347, met blijdschapG5479 des HeiligenG40 GeestesG4151;
En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;
KJV
And1
ye
became5
followers3
of us,
and6
of the Lord,8
having received9
the word11
in12
much14
affliction,13
with15
joy16
of the Holy18
Ghost:17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Alzo dat gijG4771 voorbeeldenG5179 gewordenG1096 zijt alG3956 den gelovigenG4100 inG1722 MacedonieG3109 enG2532 AchajeG882.
Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.
KJV
So1
that ye
were2
ensamples4
to all5
that believe7
in8
Macedonia10
and11
Achaia.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 vanG575 uG4771 is het WoordG3056 des HeerenG2962 luidbaarG1837 geworden niet alleen inG1722 MacedonieG3109 enG2532 AchajeG882; maarG235 ookG2532 inG1722 alleG3956 plaatsenG5117 is uw geloofG4102, dat gijG4771 op GodG2316 hebt, uitgegaanG1831, zodat wij niet van nodeG5532 hebbenG2192, ietsG5100 daarvan te sprekenG2980.
Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
For3
from1
you
sounded out4
the word6
of the Lord8
not9
only10
in11
Macedonia13
and14
Achaia,15
but16
also17
in18
every19
place20
your
faith22
to25
God-ward27
is spread abroad;28
so29
that we
need31
not30
to speak34
any thing.35
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 zijzelvenG846 verkondigenG518 van ons, hoedanigenG3697 ingangG1529 wij totG4314 uG4771 hebbenG2192, enG2532 hoeG4459 gij totG4314 GodG2316 bekeerdG1994 zijt van de afgodenG1497, om den levendenG2198 enG2532 waarachtigenG228 GodG2316 te dienenG1398;
Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;
KJV
For2
they5
➔ themselves1
shew
of3
us
what manner6
of entering in7
we had9
unto13
you,
and15
how16
ye turned17
to18
God20
from21
idols23
to serve24
the living26
and27
true28
God;25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 Zijn ZoonG5207 uitG1537 de hemelenG3772 te verwachtenG362, Denwelken HijG846 uitG1537 de dodenG3498 verwektG1453 heeft, namelijk JezusG2424, DieG3739 ons verlostG4506 vanG575 den toekomendenG2064 toornG3709.
En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.
KJV
And1
to wait for2
his5
Son4
from6
heaven,8
whom9
he raised10
from11
the dead,12
even Jesus,13
which3
delivered15
us
from17
the wrath19
to come.21
Silvánus
Deze wordt ook Silas genaamd, Hand. 17:4, en is gedurig metgezel van Paulus geweest in de reizen door de landschappen van Macedonië, Griekenland en andere landen; Hand. 15:16.
Hertaald:
Silvánus
Deze wordt ook Silas genoemd, Hand. 17:4. Hij is een voortdurende reisgenoot van Paulus geweest op zijn reizen door de gebieden van Macedonië, Griekenland en andere landen; Hand. 15:16.
Thessalonicensen
Van de ligging dezer stad, en van de bekering en oprichting dezer gemeente, zie het begin Hand. 17.
Hertaald:
Thessalonicensen
Over de ligging van deze stad en over de bekering en de stichting van deze gemeente, zie het begin van Hand. 17.
in
Dat is, den naam van God den Vader en van Jezus Christus belijden. Zie Joh. 17:3 of, die door de kracht Gods des Vaders in Christus is geroepen. Waardoor de ware gemeente wordt onderscheiden van heidenen en joden.
Hertaald:
in
Dat is: die de naam van God de Vader en van Jezus Christus belijden. Zie Joh. 17:3. Of: die door de kracht van God de Vader in Christus geroepen zijn. Daarmee wordt de ware gemeente onderscheiden van heidenen en Joden.
genade
Zie van dezen groet Rom. 1:7.
Hertaald:
genade
Zie over deze groet Rom. 1:7.
altijd
Dat is, op alle gelegenheid, en zo dikwijls als wij bidden.
Hertaald:
altijd
Dat is: bij elke gelegenheid, en zo dikwijls als wij bidden.
het
Of, uw werk des geloofs; dat is, uw geloof dat God in u werkt, en dat niet ledig is, maar zijne vruchten en werkingen voortbrengt. Gelijk de arbeid der liefde voor de arbeidzame liefde en de verdraagzaamheid der hoop, voor de lijdzame en verdraagzame hoop wordt gesteld. Zie 1 Kor. 13:13; Gal. 5:6; Jak. 2:17, enz.
Hertaald:
het
Of: uw werk van het geloof; dat is: uw geloof, dat God in u werkt en dat niet zonder vrucht is, maar zijn vruchten en werkingen voortbrengt. Zo staat de arbeid van de liefde voor de arbeidzame liefde, en de volharding van de hoop voor de geduldige en volhardende hoop. Zie 1 Kor. 13:13; Gal. 5:6; Jak. 2:17, enzovoort.
voor
Sommigen voegen dit bij het voorgaande woord gedenkende, alzo dat dit de zin is: gedenkende in onze gebeden voor God. Anderen voegen het bij de naastvoorgaande woorden, geloof, liefde en hoop voor God, om de oprechtheid derzelve te kennen te geven, alzo dat zij als in Gods tegenwoordigheid zich in deze deugden bevlijtigden. Zie dergelijke wijze van spreken Gen. 17:1; Luc. 1:6.
Hertaald:
voor
Sommigen voegen dit bij het voorgaande woord gedenkend, zodat de betekenis is: gedenkend in onze gebeden voor God. Anderen voegen het bij de woorden die er het dichtst bij staan — geloof, liefde en hoop voor God — om de oprechtheid daarvan aan te duiden: dat zij zich als in Gods tegenwoordigheid op deze deugden toelegden. Zie een dergelijke manier van spreken in Gen. 17:1; Luk. 1:6.
uwe verkiezing
Namelijk waarmede gij uitverkoren zijt ten eeuwigen leven, Hand. 13:48; 1 Kor. 1:26, enz.; hetwelk hij uit de voorgaande en volgende merktekenen bewijst en besluit.
Hertaald:
uwe verkiezing
Namelijk de verkiezing waardoor u tot het eeuwige leven uitverkoren bent, Hand. 13:48; 1 Kor. 1:26, enzovoort. Dat bewijst en besluit hij uit de kenmerken die eraan voorafgaan en die erop volgen.
van
Deze woorden kunnen òf bij het woord geliefde gevoegd worden, namelijk geliefde van God; of bij het woord verkiezing. Zie 2 Thess. 2:13.
Hertaald:
van
Deze woorden kunnen gevoegd worden bij het woord geliefde, namelijk geliefd door God, of bij het woord verkiezing. Zie 2 Thess. 2:13.
ons
Dat is, onze prediking des Evangelies.
Hertaald:
ons
Dat is: onze prediking van het Evangelie.
in kracht
Dat is, vergezelschapt geweest met krachtige wondertekenen onder u en de werking des Heiligen Geestes in u; Marc. 16:20; 1 Kor. 2:4, enz.
Hertaald:
in kracht
Dat is: gepaard gegaan met krachtige wondertekenen onder u en met de werking van de Heilige Geest in u; Mark. 16:20; 1 Kor. 2:4, enzovoort.
in den
Dat is, ingevingen des Heiligen Geestes, waarmede de gelovigen begaafd werden, gelijk te zien is Hand. 19:6, of, door de inwendige werkingen des Heiligen Geestes in hunnen harten waardoor het geloof in het is gewrocht Hand. 16:14.
Hertaald:
in den
Dat is: door ingevingen van de Heilige Geest, waarmee de gelovigen begiftigd werden, zoals te zien is in Hand. 19:6; of door de innerlijke werkingen van de Heilige Geest in hun harten, waardoor het geloof in het hart gewerkt is, Hand. 16:14.
in vele
Eenigen verstaan dit van de verzekerdheid des geloofs in de Thessalonicensen zelven; doch hetgeen volgt schijnt mede te brengen dat hier gesproken wordt van de verzekerdheid die Paulus in zijn predikatiën betoond heeft, tot overtuiging van de conscientiën der uitverkorenen, niettegenstaande al de zwarigheden, die hem daarom overkwamen, waarop ook de verzekerheid des geloofs in de uitverkorenen is gevolgd.
Hertaald:
in vele
Sommigen verstaan dit van de zekerheid van het geloof in de Thessalonicenzen zelf. Maar wat volgt lijkt in te houden dat hier gesproken wordt over de zekerheid die Paulus in zijn prediking getoond heeft, tot overtuiging van de gewetens van de uitverkorenen, ondanks alle moeilijkheden die hem daarom overkwamen. Daarop is ook de zekerheid van het geloof in de uitverkorenen gevolgd.
onze
Hij spreekt hier, gelijk ook meermalen tevoren in het getal van velen, omdat hij in het begin van den brief Silvanus en Timotheüs bij zich heeft gevoegd.
Hertaald:
onze
Hij spreekt hier, zoals ook al eerder, in het meervoud, omdat hij aan het begin van de brief Silvánus en Timotheüs bij zich gevoegd heeft.
en
Namelijk in het verdragen van verdrukkingen, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Zie 1 Kor. 11:1.
Hertaald:
en
Namelijk navolgers in het verdragen van verdrukkingen, zoals de volgende woorden aanwijzen. Zie 1 Kor. 11:1.
des Heiligen
Dat is, door den Heiligen Geest in u gewrocht. Want verdrukking moeten somwijlen ook anderen lijden, maar daarover verheugd te zijn, omdat zij Christus hierin gelijkvormig worden, is een werk van den Heiligen Geest in de gelovigen. Zie Hand. 5:41; Rom. 5:3, enz. en Rom. 14:17; Fil. 1:29.
Hertaald:
des Heiligen
Dat is: blijdschap die door de Heilige Geest in u gewerkt is. Want verdrukking moeten soms ook anderen lijden, maar zich daarover verheugen omdat men hierin aan Christus gelijkvormig wordt, is een werk van de Heilige Geest in de gelovigen. Zie Hand. 5:41; Rom. 5:3, enzovoort, en Rom. 14:17; Filipp. 1:29.
voorbeelden
Of, exempelen, patronen; namelijk van standvastigheid en lijdzaamheid.
Hertaald:
voorbeelden
Of: voorbeelden, modellen; namelijk van standvastigheid en volharding.
van
Dat is, het gerucht van Gods Woord is door uw doen en voorbeeld bekend geworden.
Hertaald:
van
Dat is: het bericht over Gods Woord is door uw doen en uw voorbeeld bekend geworden.
in alle
Namelijk rondom Macedonië en Achaje.
Hertaald:
in alle
Namelijk in de omgeving van Macedonië en Achaje.
uw
Dat is, de belijdenis en vruchten uws geloofs. Zie Rom. 1:8.
Hertaald:
uw
Dat is: de belijdenis en de vruchten van uw geloof. Zie Rom. 1:8.
uitgegaan
Dat is, geboodschapt of ruchtbaar geworden.
Hertaald:
uitgegaan
Dat is: bekend of ruchtbaar geworden.
iets
Namelijk om anderen zulks bekend te maken, of u bij anderen daarover te prijzen.
Hertaald:
iets
Namelijk om dat aan anderen bekend te maken, of om u daarover bij anderen te prijzen.
zij
Namelijk de gelovigen, die uit andere landen of gemeenten tot ons komen. Zie vs.7.
Hertaald:
zij
Namelijk de gelovigen die uit andere landen of gemeenten bij ons komen. Zie vers 7.
hoedanigen
Hoe vlijtig en ijverig gij ons tot u hebt ingelaten, en het woord des Evangelies hebt aangenomen. Zie Hand. 17:4.
Hertaald:
hoedanigen
Namelijk hoe vlijtig en ijverig u ons bij u ontvangen hebt en het woord van het Evangelie hebt aangenomen. Zie Hand. 17:4.
van de
Dat is, van den dienst der afgoden.
Hertaald:
van de
Dat is: van de dienst van de afgoden.
den levenden
Door den eersten titel wordt God van de stomme beelden en andere levenloze schepselen, die de heidenen dienden, onderscheiden; door den anderen titel van de versierde goden, die uit de mensen of andere levende schepselen van hen tot afgoden waren opgeworpen.
Hertaald:
den levenden
Met de eerste aanduiding wordt God onderscheiden van de stomme beelden en de andere levenloze schepselen die de heidenen dienden; met de tweede van de verzonnen goden, die zij uit mensen of andere levende schepselen tot afgoden verheven hadden.
uit de hemelen
Namelijk in Zijn tweede toekomst, om te oordelen de levenden en de doden.
Hertaald:
uit de hemelen
Namelijk in Zijn tweede komst, om de levenden en de doden te oordelen.
verlost
Namelijk door Zijne verdienste en kracht, en zalig maakt hier en hiernamaals eeuwiglijk.
Hertaald:
verlost
Namelijk door Zijn verdienste en Zijn kracht, en Die ons hier en hierna eeuwig zalig maakt.
toorn
Dat is, straf en wraak, die Hij ten uitersten dage zal oefenen tegen alle ongelovigen. Zie Matt. 3:7; Rom. 1:18, en Rom. 5:9.
Hertaald:
toorn
Dat is: de straf en de wraak die Hij op de laatste dag zal uitoefenen tegen alle ongelovigen. Zie Matth. 3:7; Rom. 1:18 en Rom. 5:9. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas …toen u het Woord aannam te midden van veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest. 1 Tessalonicenzen 1:6 Spurgeon werd geboren in Kelvedon, een klein dorpje in… En Jezus zei tegen hem: Als u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. (Markus 9:23) Lees verder Romeinen 4:13—23. Geloof bestudeerd de belofte — de… Want ons Evangelie is niet alleen met woorden tot u gekomen, maar ook met kracht en met de Heilige Geest en met volle zekerheid. U weet immers hoe… Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette van de tarwe. Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel, Psalm 147:14 en… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wij weten immers, geliefde broeders, van uw verkiezing door God. 1 Thessalonicenzen 1:4 Veel mensen willen er eerst zeker van zijn… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Thessalonicenzen 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
Spurgeon! Spurgeon! Spurgeon!
Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft
Volle verzekering
Vrede thuis en voorspoed overal
De zekerheid van je uitverkiezing


1 Thessalonicenzen 1
1 Thessalonicenzen 1:1
KruisverwijzingenRomeinen 1:7→2 Thessalonicenzen 1:1→2 Korinthe 1:19→Handelingen 18:5→1 Petrus 5:12→Handelingen 15:40→Handelingen 16:25→1 Korinthe 1:2→— Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
Paulus is vol van Christus. Zijn hart is vol liefde tot God, onze Vader. Daarom noemt hij in evenveel regels tweemaal beide namen. Hij gebruikt geen ijdele herhalingen, zoals de heidenen doen. Zijn diepste ziel is vervuld van de gemeenschap met de Vader en met de Zoon. Zo noemt hij in één enkel vers tweemaal Hun namen.
1 Thessalonicenzen 1:2-4
Kruisverwijzingen1 Korinthe 13:13→Romeinen 1:8→2 Thessalonicenzen 1:11→Galaten 5:6→Openbaring 2:19→2 Thessalonicenzen 2:13→Romeinen 8:24→2 Thessalonicenzen 1:3→— Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;
Paulus had een hoge achting voor de gemeente te Thessalonica, en ongetwijfeld verdiende zij die. Let op hoe hij erover spreekt, met zoveel vertrouwen: “Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God.” Hun karakter was zo, dat hij er zeker van was het merkteken van Gods uitverkiezing bij hen te zien. Hij spreekt over hen positiever dan over enige andere gemeente. Er waren drie grote kentekenen: “het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus.” Waar wij deze drie werkingen van de Geest zien, mogen wij er ten volle van overtuigd zijn dat de verkiezende liefde daar aanwezig is.
1 Thessalonicenzen 1:5-6
KruisverwijzingenHandelingen 13:52→2 Thessalonicenzen 2:14→Galaten 5:22→1 Korinthe 11:1→Handelingen 17:5→1 Korinthe 4:16→1 Petrus 1:12→Kolossenzen 2:2→— Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;
Paulus heeft, naar het schijnt, nooit een gelukkiger tijd van prediking gekend dan toen hij aan de Thessalonicenzen preekte. Hij voelde een kracht op zich rusten. Hij sprak het Evangelie met grote stelligheid en verzekerdheid. Zo ontvingen de mensen het in kracht: de verzekerdheid van de hoorder versterkte de verzekerdheid van de spreker. Dat is een grote genade, wanneer het zo gaat. Wij lezen van iemand die eerbiedwaardiger was dan zijn broeders, omdat zijn moeder hem met smart gebaard had. Zo is het ook een kostbaar geloof, wanneer het geloof in het hart geboren wordt te midden van verdrukking. Het is geloof inderdaad. “Het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes.” Ik zie als het ware die blijdschap van hen drijven, als de ark van Noach, boven de watervloed van hun verdrukking. Het lijkt een tegenstrijdigheid dat wij in verdrukking kunnen zijn en toch vol blijdschap. Maar menig gelovige zal u zeggen dat daarin geen tegenstrijdigheid is. Hij weet wat het is bedroefd te zijn, en toch altijd blij te zijn.
1 Thessalonicenzen 1:7
KruisverwijzingenTitus 2:7→1 Timotheüs 4:12→1 Petrus 5:3→2 Korinthe 9:2→1 Thessalonicenzen 1:8→2 Korinthe 1:1→2 Korinthe 11:9→1 Thessalonicenzen 4:10→— Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.
Broeders, laten wij niet alleen christenen zijn, maar laten wij voorbeelden van christenen zijn. Men kiest altijd het beste als voorbeeld. Mochten wij toch zo zijn, dat God Zelf, als Hij christenen zou uitkiezen om te tonen hoe zij zijn, ons daartoe zou kunnen kiezen.
1 Thessalonicenzen 1:8-10
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 5:9→Mattheüs 3:7→Romeinen 1:8→1 Timotheüs 4:10→Handelingen 2:24→2 Thessalonicenzen 1:4→2 Thessalonicenzen 3:1→Galaten 4:8→— Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken. Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen; En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.
Paulus verklaart hier dat alle gemeenten elders wisten wat een wonderlijke tijd hij met de Thessalonicenzen had gehad. Zij wisten met welke voortvarendheid de Thessalonicenzen het Evangelie hadden aangenomen, en hoe zij zich in volle ernst van hun afgoden hadden afgekeerd om de levende God te dienen. Dit was een grote troost voor Paulus, en hij spreekt hier met grote blijdschap over hen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
A. In deze eerste zendbrief, die Paulus aan het einde van het jaar 52, of toch zeker aan het begin van het jaar 53 na Christus van Corinthiërs aan een van zijn gemeenten gericht heeft, volgt de apostel in het opschrift, dat de aanvang vormt en de daaraan toegevoegde groet de manier van de oude briefstijl (Hand. 15: 23; 23: 26). Zo’n begin verenigt dan alles in zich, wat bij ons verdeeld wordt in aanspraak, groet, ondertekening en adres. Maar niet alleen in zijn eigen naam, maar ook in die van de bij hem aanwezige helpers, Silvanus en Timotheus, schrijft Paulus de brief, zoals zij ook gezamenlijk mondeling de Heere verkondigd hebben. De mannen, aan de gemeente zo dierbaar geworden, moeten dadelijk aan het begin weer verenigd voorkomen. Zij moet de schone, blijvende eenheid van deze onder elkaar opmerken en weten, dat zij niet slechts uit één mond, maar uit die van twee of drie getuigen hetzelfde Evangelie verneemt en door meerderen op het hart wordt gedragen.
Paulus en Silvanus en Timotheus 1) Ac 16: 3 die nu weer te Corinthiërs bij elkaar zijn, zenden gezamenlijk deze brief aan de gemeente van de Thessalonicenzen 2), die is, die haar bestaan en wezen heeft in God de Vader en de Heere Jezus Christus (2Thess. 1: 1): genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus 3) (vgl. Gal. 1: 3 en “Ro 1: 7” en “Eph 1: 2).
Door brieven, die aan medearbeiders van de apostelen of opzieners van de gemeenten, of aan de gemeenten zelf dadelijk gericht waren, werkten de apostelen ook uit de verte op de gelovigen. In zulke zendbrieven lieten zij aan de Christenen van latere tijd de dierbaarste getuigenissen achter over de toestand van sommige gemeenten en van de geest en de wijsheid, waarmee zij de kerk bestuurden, de leer ontwikkelden, de eenheid en de heilige wandel bewaarden.
De namen Silvanus en Timotheus zijn er niet bijgezet alleen voor pronk, maar bewijzen hoe in het rijk van Christus ook de begaafdste het toch niet alleen, noch alles alleen wil doen, maar graag de gelegenheid aangrijpt om zijn getuigenis van de waarheid en zijn manier van handelen daarbij te ondersteunen met de goedkeuring van anderen. Iemand kan zich ook werkelijk daardoor aan het geweten van anderen aanprijzen, als men aan hem kan zien, dat hij ook graag anderen als zijn gelijken naast zich laat opstaan.
Dat Paulus zich niet apostel noemt, is een teken van de zeer vroegtijdige samenstelling van de brief; want het is zeer natuurlijk, dat het voor Paulus niet nodig was, tegenover de Christelijke gemeente, waaraan hij schreef, die hij eerst kort van te voren had verlaten en die zich met grote liefde aan hem en aan zijn prediking had overgegeven, nader zichzelf te noemen met het predikaat van zijn ambt, omdat het eenvoudig noemen van de naam volkomen voldoende zijn moest. Anders werd het in het later leven van de apostel. Reeds tegenover de Galaten en Corinthiërs was hij om de tegenspraak, die zich in deze gemeente factisch tegen zijn apostolisch gezag verhief, genoodzaakt zichzelf bij het begin van de brief de volle ambtelijke waardigheid toe te eigenen. Zo werd de bijvoeging “een apostel van Jezus Christus”, die eerst de gebiedende omstandigheden hadden teweeggebracht, later gemakkelijk tot het gewone predikaat, vooral bij gemeenten, waaraan de apostel persoonlijk onbekend was (Rom. 1: 1 Efez. 1: 1 Kol. 1: 1), waarbij ook dit, zonder dat er tegenspraak bestond, reeds met het oog op de toekomst noodzakelijk was. Een uitzondering was alleen daar natuurlijk, waar zoals bij de Filippensen en Filemon de innigste en meest beproefde liefde en gehechtheid de apostel met hen, die de brief ontvingen, verbond.
De apostel Paulus was op zijn tweede zendingsreis (Hand. 15: 36-18: 22) de eerste in Europa, naar Thessalonika gekomen (in het jaar 52 na Christus). Hij had zich daar drie weken (als men volgens Hand. 17: 2 rekent waarschijnlijk nog enige tijd langer “Ac 17: 5 opgehouden. Gedurende die tijd had Hij in de synagoge de leer van de opgestane Christus als de Messias verkondigd en daardoor niet alleen vele Joden, maar ook Griekse proselieten, vooral voorname vrouwen, meestal heidense, gewonnen. Zo ontstond een wel ingerichte gemeente, die van de apostel ook opzieners verkreeg en door de uitgebreide handelsbetrekkingen van de stad snel overal gunstig bekend werd. Evenals later te Corinthiërs had de apostel ook in deze rijke handelsstad van zijn recht op lichamelijke ondersteuning geen gebruik gemaakt, maar gedeeltelijk ‘s nachts door handenwerk zelf zijn onderhoud verdiend (1 Kor. 9: 14 Hand. 20: 34). Alleen uit Filippi kreeg hij twee maal vrijwillige gaven (Fil. 4: 16). Ook deze persoonlijke houding droeg bij tot zegen op zijn werk, dat de Joden zozeer verbitterde, dat zij door een oproer van het volk hem uit de stad probeerden te verdrijven. Ook kwamen zij voor de overheid met een verdraaiing van zijn leer van het Koninkrijk van Christus op dezelfde manier als eens de Hogepriester tegen Jezus. Wel was deze rechtvaardiger dan Pilatus en vergenoegde hij zich met de borgstelling van een zekeren Jason; maar de Christenen achtten het toch goed Paulus en Silas aan de opgewekte haat te onttrekken en nog ‘s nachts verder naar Berea te laten gaan. Van daar had de apostel de jeugdige gemeente graag weer bezocht, maar hij was zoals het schijnt, hoofdzakelijk door de nog voortdurende vijandschap, die ook over de Christenen vervolgingen bracht, daarin verhinderd. In plaats daarvan dat hij zelf kwam, werd, nadat hij ook van Berea had moeten vluchten, Timotheus, die volgens zijn verlangen hem nagereisd was, van Athene gezonden, om de gemeente in haar moeilijkheden te vertroosten. Te Corinthiërs, waarheen de apostel zich van Athene verder begaf, kwam vervolgens Timotheus in vereniging met Silas weer tot hem en bracht goede berichten mee van de toestand van de gemeente, van haar volhardend geloof en van haar bemoeiing om dat ook naar buiten te verbreiden, van de werkzame broederliefde, het geduld in lijden en de hoop, op de toekomst van de Heere gevestigd. Daarnaast dreigden echter nog de verzoekingen van de weelderige handelsstad tot wellust en winzucht en zelfs de verwachting van de Heere, die in moeilijkheden levendig was, was ontaard in nodeloze twistingen, of dan de vroeger gestorvenen niet te kort zouden komen, alsmede over dag en uur. Daardoor waren enkelen vervallen tot een vroom ledig lopen; anderen, die de overdrijvingen met recht verwierpen, waren tegen alle voorspelling wantrouwend geworden. Daarop schreef Paulus, ongeveer in het begin van het jaar 53 na Christus deze eerste brief naar Thessalonica.
Het onderschrift in oude handschriften “geschreven uit Athene” is niet alleen, zoals al deze onderschriften (vgl. het slotwoord op de brief aan de Romeinen) onecht, maar ook onjuist en waarschijnlijk als een gevolgtrekking uit Hoofdstuk 3: 1 ontstaan, alsof de plaats, waar Paulus schreef, dezelfde moest zijn als die, waarvan hij Timotheus zond. Onze brief is integendeel te Corinthiërs geschreven en wel in de tijd, dat Paulus aan het begin van zijn werk daar stond, niet zeer lang na de bekering van de Thessalonicenzen, dadelijk na het terugkeren van Timotheus tot Paulus.
Eigenaardig in de groeten van de beide brieven aan de Thessalonicenzen is de bijvoeging: “in God de (of onze) Vader en de Heere Jezus Christus. ” Het is de vraag of die bijvoeging doelt op de groet zelf (zodat gezegd zou zijn, dat het geschiedde in God de Vader en de Heere Jezus Christus, als de schrijvers zich met een brief tot de gemeente wendden en ze groetten), of dat het verbonden moet worden met “aan de gemeente van de Thessalonicenzen. ” Voor het laatste spreekt het apostolisch gebruik, om de formule “in Christus” steeds in de groet te verbinden met de personen (vgl. “de geheiligden in Christus Jezus” 1 Kor. 1: 1 of “aan alle heiligen in Christus Jezus” Fil. 1: 1 en “de gelovige broeders in Christus” (Kol. 1: 1), maar nooit met de groet zelf; ook komt het voor als geheel ondenkbaar dat de apostel aan zijn geliefde gemeente te Thessalonika, wier geloof hij tevens zo hoog verheft (evenals de gemeente in Galatië, waar de zaken zo geheel anders waren (Gal. 1: 2) geen eervolle benaming zou hebben laten toekomen.
Terwijl Thessalonika van vroeger met de gehele wereld in het boze lag, terwijl er daar alleen Joden waren, die geen deel aan Christus en heidenen, die zelfs aan God geen deel hadden, is nu daar een gemeente, die in God de Vader en in Christus Jezus is. Het is een wonder van God, waarvoor de apostel Hem lof en dank zegt.
Van de afgoden tot de levende God en van de hopeloze toestand zonder Christus in de gemeenschap met Christus Jezus en in het blijde deelgenootschap aan Hem en de openbaring van Zijn rijk gebracht te zijn (vs. 9 v.) mocht wel een gewenste verandering heten. O zalige verandering, van te voren zonder God, zonder Christus en nu in God de Vader en de Heere Jezus Christus te zijn!
Het woord, dat in de grondtekst voor “genade” staat cariv herinnert aan de Griekse groet cairein (Hand. 23: 26), die ook in de apostolische zendbrieven voorkomt (Hand. 15: 23 Jak. 1: 1), het “vrede” daarentegen aan de Hebreeuwse formule om te groeten en te zegenen (Richt. 19: 20. 1 Sam. 25: 6 Evenals Jakobus aan het cairein het cara (vreugde) vastknoopt (Jak. 1: 2), heeft Paulus het nog meer Christelijk verbonden met cariv, terwijl het “vrede zij u” reeds door de Heiland, als Hij uit de dood was wedergekeerd, als een Christelijk woord gebruikt was (Joh. 20: 19, 21, 26 vgl. ook reeds Luk. 10: 5 v.) vooral in verband met Zijn afscheidsrede, waar Hij Zijn vrede als de vrucht van Zijn overwinning over de wereld en zoals een onderscheiden familie-erfstuk in tegenstelling tot de wereld had achtergelaten (Joh. 14: 27; 16: 33). Door samenvoeging elkaar aanvullende worden de beide woorden, aan Joodse en heidense gewoonten ontleend, volgens welke zij bijna alleen op het natuurlijke leven en op welvaart doelen, verheven tot de volheid van de bijzondere zegen van de Christenen: een merkwaardig voorbeeld van Nieuw Testamentische taalvorming! Genade is die van de Nieuw-Testamentische zaligheid, die in Jezus Christus de zondaren is geopenbaard (Tit. 2: 11 Joh. 1: 17). Zij is niet alleen het principe van de verlossing, die eens voor altijd heeft plaats gehad, maar is ook voortdurend de grond, die het nieuwe geestelijke leven draagt en de kracht, die het voedt, met haar vele gaven in de Christen (Hand. 23: 11; 6: 8 en deze wordt hen door God in Christus door de Heilige Geest steeds weer inwendig verzegeld en meegedeeld (Rom. 5: 5 Joh. 1: 16). In die zin, volgens welken dus genade niet slechts gezindheid van God, maar tevens mededeling van Zichzelf is, wenst Paulus zijn lezers steeds weer genade van God en Christus toe. Vrede is de eerste werking van de genade in het hart van de mens, die, nadat de verdeeldheid en de tweespalt van een leven van de zonde is weggenomen, hersteld wordt, de inwendige levensharmonie en haar heerlijk liefelijk gevoel, daarop berustend, dat de druk en de ban van de zonde van het geweten is weggenomen en de mens weet, dat hij in Christus weer in de juiste verhouding tot God, in de kinderlijke betrekking tot Hem is gesteld (Rom. 5: 1) en juist daardoor zich inwendig gerust en sterk kent tegenover de bestrijdingen en angsten van de wereld (Joh. 16: 23). De verhoging van deze vrede, als die zich levendwekkend en verheffend in het gevoel uitstort, is de blijdschap (Rom. 14: 17 Fil. 4: 4 Joh. 15: 11; 6: 22, 24. 17: 18. 1 Joh. 1: 4. 1 Petrus 1: 8 een hoofdbegrip van het Nieuwe Testament, bij ons te zeer op de achtergrond geplaatst. Omdat de vrede het gevoel van genezing en gezondheid van het nieuwe leven, het gelukkige zich thuis voelen van de verloren zoon is, dringt hij de mens vanzelf om te blijven in het gezonde levenselement. Hij heeft een kracht, die hart en gedachten, die het gehele raderwerk van het inwendige leven in Christus Jezus onderhoudt (Fil. 4: 7), en is daarom juist geschikt om in ieder opzicht de hoogste zegenwens voor Christenen te zijn.
B. Tot aan het slot van het 3de Hoofdstuk volgt nu het eerste gedeelte van de brief, dat persoonlijke en geschiedkundige zaken bevat. Wij lezen enkel uitstortingen van het hart van de apostel over de gemeente te Thessalonika in zijn betrekking tot haar, over haar Christelijke staat en haar wandel, zijn komst tot de gemeente en zijn leefwijze in haar midden, zijn bezorgdheid voor haar en de geruststelling, die hij over haar had ontvangen. Zo heeft deze brief, evenals de laatste van de brieven door hem aan gemeenten geschreven, die aan de Filippensen, een meer familiair, persoonlijk karakter.
I. Vs. 2-10.Kruisverwijzingen1 Korinthe 13:13→Romeinen 1:8→2 Thessalonicenzen 1:11→Handelingen 13:52→1 Thessalonicenzen 5:9→Galaten 5:6→Openbaring 2:19→2 Thessalonicenzen 2:13→
— Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God; Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes; Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje. Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken. Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen; En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.
In de eerste plaats spreekt de apostel over de Christelijke staat en de wederkerige verhouding van de gemeente. Hij verzekert de Thessalonicenzen, dat hij bij zijn gebeden bestendig God dankt voor hen allen, terwijl hij steeds hun geloof, hun liefde en hun hoop gedenkt en zich verzekerd mag houden van hun verkiezing door God. Deze overtuiging heeft hij aan de ene kant vanwege de bijzondere opgewektheid en kracht, waarmee hij in gemeenschap met zijn apostolische medearbeider het Evangelie bij hen heeft kunnen prediken, en aan de andere kant vanwege de gewilligheid waarmee zij het woord hebben ontvangen. De geheel buitengewone vrucht, die bij hen verkregen is, is toch zichtbaar een werk van God, dat heinde en verre opzien heeft verwekt en door het lijden, dat zij reeds omwille van hun geloof hebben gedragen, zijn zij een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje. Zo is het dan met hen gesteld, als men overal van hen verhaalt: van de afgoden, die zij van te voren dienden, zijn zij bekeerd tot de levende God; zij wachten op de toekomst van Zijn Zoon van de hemel, die zij hebben aangenomen als de Verlosser van het toekomstig gericht.
Wij, de genoemden in vs. 1, die, zoals wij met elkaar onder u hebben gewerkt, ook met elkaar voor u bidden, danken God altijd over u allen, zonder onderscheid te maken tussen meer of minder gevorderden, u gedachtig zijnde in onze gebeden (Rom. 1: 8 v. Efeze. 1: 16 Fil. 1: 3 v. Kol. 1: 3. 2 Tim. 1: 3).
Wij bidden en danken dan, zonder ophouden, gedenkende a) het werk van uw geloof en de arbeid van de liefde en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heere Jezus Christus, omdat alles is voor Hem en door Hem (Kol. 1: 27. 1 Tim. 1: 1 Wij gedenken daaraan voor onze God en Vader (Kol. 3: 7).
Joh. 6: 29
De inleidingen van de Paulinische brieven geven ons merkwaardige blikken in het gebedsleven van de apostel. Hij droeg gemeenten en bijzondere personen, zo getrouw en aanhoudend, in voorbede en dankzegging op het hart, dat hij tot zijn lezers daarvan kan spreken met uitdrukkingen, die aan het gewone verstand hyperbolisch (overdreven) voorkomen. Het apostolische is zeker als zodanig iets hyperbolisch, in zoverre de apostelen boven de gewone maat zich verheffen en boven alle anderen uitsteken zowel als predikers en als stichters van de kerk en ook als bidders. Toen de twaalven te Jeruzalem de uitwendige diensten aan de diakenen overgaven, zeiden zij: “maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening van het woord” (Hand. 6: 4). Het gebed is voor hen de helft en wel de eerste helft van hun ambt. Zo begint ook Paulus zijn brieven, waarin hij het woord bedient, in de regel met erop te wijzen, dat hij steeds voor hen bidt. Door het gebed werkt men op God, door het woord op de wereld, op de mensen. Tot elke arbeid aan de wereld moet de zegen van God komen, het zedelijke kan alleen op godsdienstige grond gedijen. Daarom is de gouden, in zijn eenvoudigheid ondenkbaar manier en veelzeggende regel: “bid en werk”, een regel voor allen. Voor hen, die in het woord arbeiden, waardoor de wereld tot God moet worden geleid en de Geest van God in de zielen van de mensen moet neerdalen, geldt deze regel dubbel. En wel merken wij uit de uitspraken van de apostel op, dat hij geregelde gebedsoefeningen had. Als vrucht daarvan laten ons zijn brieven een voortdurende biddende stemming opmerken.
Zijn ambt met blijdschap te kunnen waarnemen, zodat men God daarbij dankt, verkwikt niet alleen het hart van de arbeider zelf, maar wekt ook bij anderen, aan wie gearbeid moet worden, steeds meer hun liefde en gehoorzaamheid op; maar aanleiding en grond tot daden moet in waarheid aanwezig zijn en niet maar in inbeelding en aanmatiging bestaan. Toch mag men zich ook niet door ieder gebrek, of door hetgeen nog aan het geloof moet worden aangevuld, laten afhouden van het danken, want danken voor werkelijk ontkiemende vrucht is toch ook verbonden met bidden om verdere groei, om bewaring en vermeerdering ervan. O, hoezeer wordt de last van het ambt verlicht, als de Heere nog steeds de ogen opent en aanwijst, waarvoor men heeft te danken en waarvoor te bidden!
De apostel is steeds voor God in het gebed dankbaar gedachtig aan de krachtige en gezegende werkingen, die door het Evangelie onder de Thessalonicenzen zijn teweeg gebracht. Deze werkingen beschrijft hij aldus: het werk van uw geloof en de arbeid van uw liefde, het geduld van uw hoop op onze Heere Jezus Christus. Het “werk van het geloof” is zoveel als het zich werkzaam, het zich krachtig betonend geloof. Het geloof van die van Thessalonika bestond niet in woorden, maar in kracht en voerde hen op tot een nieuw goddelijk krachtdadig leven. De “arbeid van de liefde” is zoveel als de zich inspannende, de werkende liefde, die omwille van de broeders zich alle moeiten en bezwaren getroost. Dit “geduld van de hoop” op Jezus Christus is de onder alle verzoekingen volhardende, onwankelbare hoop op de terugkomst van Jezus Christus tot voltooiing van Zijn rijk op aarde. Daarom heeft de apostel de drie woorden: werk, arbeid, verdraagzaamheid als de voornaamste vooropgesteld, om goed te doen uitkomen waarin hun geloof, hun liefde, hun hoop zo sterk en zichtbaar zijn. Hij noemt hier de drie hoofdbestanddelen van het Christelijk leven: geloof, hoop, liefde (zoals Hoofdstuk 5: 8. 1 Kor. 13: 13 van deze openbaart zich het geloof als de kracht, die het onzichtbare, geopenbaarde omvat en zich toe-eigent (Hebr. 11: 1), in het werk, het werkwaardig leven in het algemeen. De liefde betoont zich als de hand, die de verlosten samensnoert in de dienende arbeid. De hoop blijkt in de volhardende “standvastigheid” die niet aflaat van het doel.
Wij gedenken u dan, wetend, geliefde broeders, uw verkiezing (Hand. 13: 48 door God, hoe u door Hem geroepen en gebracht bent tot Zijn gemeenschap en tot het bezitten van de genade en van de zegeningen van de Heere (2 Thessalonicenzen. 2: 13 v. Kol. 3: 12).
Velen willen zeker van hun verkiezing zijn, vóórdat zij op Christus zien; maar zij kunnen die aldus niet leren kennen, zij is alleen te ontdekken door op Jezus te zien. Als u van uw verkiezing zeker wenst te zijn, moet u op de volgende manier uw hart voor God verzekeren. Voelt u zichzelf een verloren, schuldig zondaar? Ga rechtstreeks tot het kruis van Christus, zeg dit de Heere Jezus, zeg Hem dat u in de Bijbel heeft gelezen: “Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. ” Zeg Hem, dat Hij heeft gesproken: “Dit is een getrouw woord en aller aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de “zondaren zalig te maken. ” Zie op Jezus en geloof in Hem en u zult onmiddellijk het bewijs van uw verkiezing hebben; want zo zeker als u gelooft, bent u uitverkoren. Als u uzelf geheel aan Christus geven en u op Hem betrouwen wilt, bent u een van Gods uitverkorenen; maar als u stilstaat en zegt: “ik moet eerst weten of ik uitverkoren ben”, dan weet u niet wat u vraagt. Ga tot Jezus, al bent u ook nog zo schuldig, juist zoals u bent. Laat elke nieuwsgierige vraag over uw verkiezing varen. Ga rechtstreeks tot Christus en verberg u in Zijn wonden en u zult zeker van uw verkiezing zijn. De verzekering van de Heilige Geest zal u geschonken worden, zodat u zult kunnen zeggen: “ik weet wie ik geloofd heb en ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag. Christus was bij de eeuwige raad tegenwoordig. Hij kan u zeggen of u al dan niet uitverkoren bent; maar u kunt het op geen andere manier te weten komen. Ga en stel al uw vertrouwen in Hem en Zijn antwoord zal zijn: “Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid. ” Het zal geen twijfel lijden dat Hij u gekozen heeft, als u Hem gekozen heeft.
Wij zijn kinderen van de verkiezing, Die geloven in Gods Zoon.
Het is niet toevallig, dat de apostel aan het einde van vs. 3 God als Vader voorstelt. Reeds toen had hij de aanspraak van het vierde vers in de gedachte: “wetend, geliefde Broeders, uw verkiezing door God. ” Nadat hij vroeger gezegd heeft om welke toestand van de lezers hij en zijn medearbeiders God danken, geeft hij nu de reden aan, waarom zij God daarvoor danken; het is toch Zijn liefde voor hen, die hen gemaakt heeft tot hetgeen zij zijn. Reeds in het “geliefde broeders” ligt dit uitgedrukt, omdat de apostel hen niet aanspreekt met het “geliefd”, als geliefd door hemzelf, als broeders, die hij liefheeft (1 Kor. 10: 14 Fil. 2: 12; 4: 1, maar als geliefden van God d. i. als degenen, die God Zijn liefde heeft geschonken (Mark. 10: 21), die Hij heeft uitverkoren. Het uitverkiezen heeft plaats of zo, dat het uitlezen het gevolg is van de toestand van het voorwerp, dus in tegenstelling tot het overige, dat gesloten blijft, omdat het van andere aard is (Gen. 13: 11 Luk. 10: 42; 14: 7), of zo, dat de nadruk ligt op hetgeen waartoe wordt uitverkoren, in welk geval een tegenstelling tot de niet verkorenen niet zozeer de boventoon heeft, dat deze onverkoren blijven, maar integendeel in zoverre als de uitverkorenen datgene boven hen vooruit hebben, waartoe zij verkoren zijn (Hand. 1: 2; 13: 17 Als nu het woord in het laatste geval een nadere bepaling bij zich heeft, dat de kring aangeeft, waaruit de uitverkorenen zijn uitgelezen (bijvoorbeeld Luk. 6: 13, uit het getal van de discipelen in ruimere zin en Joh. 15: 19 : “Ik heb u uit de wereld uitverkoren dan heeft dit plaats om te zeggen, dat zij zonder die verkiezing tot die kring behoord zouden hebben.
Die verkiezing toch is openbaar geworden, want ons Evangelie, dat wij op onze zendingsreis ook naar Thessalonika brachten, is onder u niet alleen in woorden geweest. U heeft niet slechts de woorden vernomen, die u de inhoud bekend maakten, zodat uw nieuwsgierigheid slechts bevredigd is, zodat als te Athene (Hand. 17: 33) de indruk snel voorbij was, maar ook in kracht en in de Heilige Geest en in vele verzekerdheid. U heeft ook een kracht ondervonden, die in het woord was gelegen, waardoor het indrukwekkend en overmeesterend voor u was. U voelde dat zij, die het verkondigden, vervuld waren met de Geest van god en hoe vast zij voor zichzelf overtuigd waren van de waarheid van hetgeen zij predikten, zoals dat later ook te Corinthiërs het geval was (1 Kor. 2: 4). Ik mag dit vrijmoedig zeggen; zoals u ook zelf uit eigen herinnering weet, hoe wij in kracht en betoning van de Geest onder u geweest zijn omwille van u, om u zalig te doen worden (Hoofdstuk 2: 1 vv.).
a) En u bent onze navolgers geworden en navolgers van de Heere Jezus (1 Tim. 6: 13), het woord aangenomen hebbend in vele verdrukking (Hand. 17: 5 vv.), met blijdschap van de Heilige Geest (Hand. 5: 41).
1 Kor. 4: 16; 11: 1
Maar zoals die drie mannen in het vuur bedauwd werden (Dan. 3: 28), zo ook wij in de droefenissen. Zoals het evenwel daar niet in de aard van het vuur lag te bevochtigen, maar in die van de wind (en van de Geest), die erdoor zweefde, zo wordt ook hier de vreugde niet uit droefheid geboren, maar om het lijden, omwille van Christus en uit de Geest, die ons met dauw afkoelt en door de oven van de aanvechtingen tot verkwikking leidt.
Hij had met zijn ambtgenoten, in de synagoge te Thessalonika, niet slechts met alleen woorden geleerd, dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias was, de Zoon van God en de Zaligmaker van zondaren, maar zij hadden ook deze leer met zulke krachtige en overtuigende bewijsredenen uit de godsspraken van de Profeten betoogd, dat zij het als met ogen zien en met handen tasten konden. Hun prediking was van zoveel kracht geweest, dat een aanmerkelijk getal Joden en Jodengenoten volkomen overtuigd werden van de waarheid van hun leer (vergel. Hand. 17: 1-4), zelfs had hun prediking zoveel kracht gedaan op de gemoederen van de Heidenen, dat er zeer velen bekeerd werden (vergel. vs. 9). Wanneer de apostel erbij voegt: en in de Heilige Geest, geeft hij te kennen dat de kracht, waarmee hun prediking gepaard ging, door de genade van de Heilige Geest gewrocht was. Door de hart-veranderende invloeden van de Heilige Geest waren er velen gewrocht tot het geloof en door de gewone gaven van diezelfde Geest waren er zeer velen, zowel uit Joden en Heidenen, van de waarheid van het Evangelie overtuigd geworden. Ook was de prediking van de apostel en zijn medearbeiders geweest in de verzekerdheid. Zij waren niet alleen voor zichzelf ten volle overtuigd van de waarheid van het Christendom, maar ook door de kracht van de bewijsredenen, waarmee zij hun leer staafden, hadden zij in de gemoederen van zeer velen een verzekerdheid teweeggebracht, die op de sterkste gronden gevestigd was (vergel. 2 Tim. 4: 5, 17). Ondertussen was deze betuiging geen weelderige grootspraak van de apostel om zijn eigen roem te bevorderen. Hij gaf Gode en Zijn genade alleen de eer van alles en ten betoge dat hij de waarheid sprak, beriep hij zich op het medeweten van de Thessalonicenzen zelf.
Niet met een vleselijke blijdschap of met een zuivere opwelling van natuurlijke toegenegenheid en aandoening, zoals in de hoorders, met de steenachtige grond vergeleken, zoals bij de Joden, die zich voor een tijd verheugden in de prediking van Johannes en in Herodes, die soms hem graag hoorde, maar met een geestelijke blijdschap door de Heilige Geest in hen gewrocht, die het woord met kracht op hen deed werken en hen een geestelijke smaak daarvan en een geestelijk vermaak en genoegen daarin gaf en in hun ziel een allerbestendigste blijdschap verwekte.
Het woord van God horen en aannemen heeft de Heiland zelf gesteld als het beslissend kenteken van hen, die uit God en uit de waarheid zijn, vooral wanneer men zich niet laat afschrikken door de smaad en de ellende, die daarop rust. Daar komt gewoonlijk het menselijke en het goddelijke tot een scheiding. Het kan een menselijk goed hart zijn, dat de waarheid aanneemt, dat er vermaak in vindt, zolang er niets voor moet worden geleden, maar snel eraan tornt, ervan afdoet, ervan wijkt, als men erom wordt aangevallen en er hoop is om door zo’n kunstige wending van het kruis van Christus verschoond te blijven. Maar echt geheel uit God is een hart, dat de waarheid van God uit Zijn dierbaar woord aanneemt, hoe het ook gaat. Zo’n blijdschap in Gods woord wordt een vreugde in de Heilige Geest genoemd, die zich onderscheidt van de vreugde, waarmee zij het woord aannemen, die slechts voor een tijd geloven. De Heilige Geest leidt dieper in in hetgeen in het hart het eigenlijke zaad van de wedergeboorte wordt en een duurzame vreugde geeft.
Hier ziet men hoezeer ons de hulp van de Heilige Geest nodig is bij de aanneming van het Evangelie; men kan het toch niet op de juiste manier en van harte aannemen, als men het niet met vreugde aanneemt; niets strijdt meer tegen onze natuur, dan zich te verheugen in verdrukking.
Zodat u, zoals u eerst het voorbeeld van ons en van onze Heere Jezus bent nagevolgd (Hand. 17: 10. 1 Petrus 2: 21, nu ook van uw kant voorbeelden geworden bent al de gelovigen in Macedonië, te Berea (Hand. 17: 10 vv.) en Filippi (2 Kor. 8: 2) en in Achaje, te Corinthiërs (Hand. 18: 12 v.) bij de verdrukkingen en vervolgingen, die ook deze als belijders van de naam van de Heere Christus hadden te lijden.
Door hun krachtig, zegerijk geloof, zo verzekert de apostel, waren de Thessalonicenzen een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in geheel Griekenland, dat zij zich niet tot afval lieten brengen door de vervolgingen, die zij moesten lijden. Macedonië en Achaje waren namelijk de beide provincies, waarin Griekenland na de onderwerping onder de heerschappij van de Romeinen verdeeld was; tot Achaje behoorden ook Athene en Corinthiërs. Die van Thessalonika konden echter slechts een voorbeeld voor andere gemeenten zijn geweest, als men van haar geloof had gehoord. Dit was, zo gaat Paulus voort, ook het geval, zodat de roem daarvandaan overal heen verbreid was, waarom hij, de apostel, ook niet nodig had tot anderen iets over het geloof van de Thessalonicenzen te zeggen. Als een opklimming vinden wij in de tweede helft van vs. 8 dat aan het een land (Griekenland) alle andere steden van de wereld worden overgesteld, waar gelovigen wonen. Deze opklimming sluit nu ook uit, dat men de uitdrukking in de eerste helft gebruikt “van u is het woord van de Heere luidbaar geworden” niet zo verstaat, als waren de Thessalonicenzen werkzaam geweest tot verdere uitbreiding van het Evangelie in het overige Griekenland, want dit zou meer zijn dan de verbreiding alleen van het feit, dat de Christenen te Thessalonika zo’n levend geloof bezaten; van dezelfde betekenis is integendeel de andere “uw geloof is uitgegaan. “
Waarschijnlijk was het gerucht vooral door Christelijke kooplieden ver verbreid en te Corinthiërs, de grote handelsstad, waarheen bestendig de vreemden toestroomden, kon de apostel gemakkelijk weer daarvan horen, mogelijk ook, dat Aquila en Priscilla, die voor korten tijd uit Rome waren gekomen (Hand. 18: 2) zo’n tijding hadden medegebracht. In elk geval volgt uit onze plaats noch dat de gemeente te Thessalonika langer had bestaan, noch ook dat Paulus intussen zelf op ver afgelegen plaatsen zal zijn geweest.
En niet alleen geef ik, de apostel, daarom u getuigenis van de goede vrucht van de evangelieprediking, maar ook anderen doen dat, zoals ik dagelijks hier te Corinthiërs kan vernemen. Want van u is het woord van de Heere luidbaar (Rom. 10: 18) geworden (Kol. 3: 16), zodat hetgeen dit bij u heeft teweeggebracht, ook anderen heeft opgewekt tot aanneming. En niet alleen is van u gehoord in Macedonië en Achaje, waar men reeds overal, als wij ergens beginnen met de evangelieverkondiging, dat u reeds kent als machtig tot zaligheid, maar ook in alle plaatsen, waar reeds Christelijke gemeenten zijn (Rom. 1: 8 Kol. 1: 6, 23), is uw geloof, dat u op God heeft, uitgegaan. Het is reeds bij geruchte bekend geworden (Rom. 16: 19), zodat wij van onze kant niet nodig hebben, tot lof van u iets daarvan te spreken tot hen, die wij bezoeken, of te schrijven aan hen, tot wie wij onze brieven richten.
Want zijzelf verkondigen van ons, welke ingang wij tot u hebben, wat een geopende deur wij bij u tot verkondiging van het Evangelie hadden (1 Kor. 16: 9 Openbaring 3: 8), wat een toegenegen oor wij hebben gevonden en hoe, met welk een gezegend gevolg, u tot God bekeerd bent van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen (Hand. 14: 15; 26: 18).
De Heere wordt “de levende God” genoemd, omdat Hij in en van Zichzelf leven heeft en de fontein van het leven voor anderen is, van wie alle levende schepselen hun leven hebben en door wie zij in leven gehouden worden en in tegenstelling tot de bovengenoemde afgoden, die onbezielde dingen waren, van hout, steen of metaal gemaakt en de beeltenissen van mensen, die reeds lang gestorven waren; en “de waarachtige God”, omdat Hij de waarheid zelf is en niet kan liegen, die getrouw al Zijn beloften vervult en in geest en in waarheid aangebeden moet worden en in tegenstelling tot de zogenaamde en versierde godheden van de heidenen, die slechts in naam, niet in daad en waarheid of van nature afgoden waren. Hoewel nu deze Thessalonicenzen van te voren deze afgoden gediend hadden, nu waren zij van hen bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen; niet alleen uitwendig, door Zijn Evangelie te omhelzen en te belijden, zich aan Zijn inzettingen te onderwerpen en te wandelen volgens Zijn voorgeschreven bevelen; maar ook inwendig in de oefening van geloof, hoop, liefde en alle andere goede aangename deugden.
a) En Zijn Zoon uit de hemel te verwachten (Tit. 2: 13 Hand. 3: 20 v.), die Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, die ons door de kruisdood, waarvan Hij weer is opgestaan, verlost (Hoofdstuk 5: 9 Joh. 5: 24) van de toekomende toorn, waardoor aan de tegenwoordige toestand van de wereld een einde zal worden gemaakt en alle goddeloosheid zal worden verdoemd (Kol. 3: 6).
Hand. 1: 11 Filippenzen 3: 20. 2 Thessalonicenzen. 1: 10
De apostel stelt de bekering van de Thessalonicenzen voor als een gelovig geworden zijn in God. Hij beschouwt dus deze gemeente als een vergaderde uit de heidenen, al waren er ook verscheidene Joden onder (Hand. 17: 4). De Jood kende God reeds en had tot zijn bekering alleen nodig, dat hij ook Hem, die God gezonden had, Jezus, voor de Christus erkende (Joh. 17: 3. 2 Kor. 3: 16 Daarmee komt de inhoud van de zin overeen, waarin de apostel uiteenzet, waarom hij en zijn ambtgenoten in het geheel niet nodig hadden iets te zeggen over de bekering van de Thessalonicenzen, omdat namelijk wat zij konden zeggen reeds in de mond was van hem, tot wie zij het zouden willen zeggen. Hij zegt “u bent tot God bekeerd van de afgoden. ” Maar niet alleen dat zij zich van de afgoden hadden afgekeerd tot God, zo vertelt hij hier, maar hij voegt er ook bij wat zij voortaan hun leven en hun wandel wilden doen zijn “om de levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemel te verwachten. ” Het eerste staat in tegenstelling tot hun vorig heidendom, waarin zij dode en nietige afgoden hadden gediend (Jer. 16: 19. 1 Kor. 12: 2, het andere onderscheidt hen ook van de Joden, die wel op een Verlosser wachtten, maar niet op Hem, die verschenen is en uit de hemel terugkomt. Beide verenigd maakt de manier van hun levenswandel uit, die daarmee begonnen is, dat zij zich tot God keerden, terwijl zich hun geloof in God daarin betoont, dat zij hun leven Hem hebben gewijd en de toekomst van Zijn Zoon hun hoop doen zijn. Deze hoop is het, die hen sterk maakt, om aan de dienst van God getrouw te blijven, hoe weer het leven in de dienst van God de voorwaarde is, waarbij zij zich verblijden mogen in de toekomst van Zijn Zoon. Hoe het een met het andere samenhangt, is daardoor uitgedrukt dat Hij, op wie zij wachten, de Zoon van God wordt genoemd, terwijl deze naam de mens Jezus naar de eenheid van Zijn betrekking tot God voorstelt, waardoor de bekering tot God ook bekering tot Hem is.
Paulus heeft aan de heidenen te Thessalonika niet alleen de waarachtigen God verkondigd, maar ook, wat hun nog meer onbekend was, dat deze God een Zoon had, die onze Verlosser was geworden. De opstanding van de Heere Jezus uit de doden, waarvan hij hier ook spreekt, is het grote feit, waardoor deze Jezus bewezen is Gods Zoon te zijn en waardoor Zijn terugkomst mogelijk geworden en gewaarborgd is (Rom. 1: 4. 1 Petrus 1: 3 vv. Dat deze hier zo nadrukkelijk op de voorgrond wordt geplaatst, stemt overeen en hangt samen met de hele eschatologische inhoud van onze brief, alsmede met het mondeling onderwijs van Paulus te Thessalonika (vgl. zijn woord te Athene: Hand. 17: 30 v.). Het houdt voor de kerk van onze dagen de ernstige drang in om het element van de hoop in wetenschap en praktijk weer levend te maken, omdat de betekenis van Christus toekomst in onderscheiding, van de zaligheid na de dood, als wij reeds thuis zijn bij de Heere, zoals die door de apostelen bedoeld werd, veelal wordt voorbijgezien.
Het goede, dat wij in Christus Jezus hebben, vat de apostel daarin samen, dat Hij ons verlost heeft van de toekomstige toorn; want toorn van God, openbaring van deze over alle goddeloosheid van de mensen, oordeel over het verborgene, is reeds diep in het geweten van alle mensen geschreven. Daar onder blijven – en zij worden ook reeds door de vrees daarvoor in deze wereld ontzettend geplaagd – allen, die niet door het Evangelie, tot de hoop van de heerlijkheid wedergeboren zijn en daardoor voorbereid zijn tot de komst van de Heere. De kennis van de liefde van God in Christus, volgens welke wij niet gesteld zijn tot toorn, maar de zaligheid bezitten, drijft daarentegen de pijnlijke vrees buiten (vgl. Hoofdstuk 5: 4 vv.).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel