Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1De FilistijnenH6430 dan steden tegen IsraelH3478; en de mannenH582IsraelsH3478vlodenH5127 voor het aangezichtH6440 der FilistijnenH6430, en vielenH5307verslagenH2491 op het gebergteH2022GilboaH1533.De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
Ook in dit vers
stredenH3898
KJVNow the Philistines1fought2against Israel:3and the menof Israel6fled4from before7the Philistines,8and fell down9slain10in mount11Gilboa.12
1וּפְלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine2נִלְחָמִ֣יםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)3בְּיִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4וַיָּנֻ֜סוּH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard5אַנְשֵׁ֤יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7מִפְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8פְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine9וַיִּפְּל֥וּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down10חֲלָלִ֖יםH2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded11בְּהַ֥רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion12הַגִּלְבֹּֽעַH1533GilboaGilboa
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
2En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En de FilistijnenH6430 hielden dichtH1692 op SaulH7586 en zijn zonenH1121; en de FilistijnenH6430sloegenH5221JonathanH3083, en AbinadabH41, en MalchisuaH4444, de zonenH1121 van SaulH7586.En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
KJVAnd the Philistines2followed hard1upon Saul4and upon his sons;6and the Philistines8slew7Jonathan,10and Abinadab,12and Malchishua,14Saul's17sons.16
1וַיַּדְבְּק֣וּH1692kleeft, kleven, aanhangenabide fast, cleave (fast together), follow close (hard after), be joined (together), keep (fast), overtake, pursue hard, stick, take2פְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6בָּנָ֑יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7וַיַּכּ֣וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound8פְלִשְׁתִּ֗יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10יְהוֹנָתָ֧ןH3083Jonathan, JonathansJonathan. Compare H3129 (יוֹנָתָן)11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12אֲבִינָדָ֛בH41AbinadabAbinadab13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14מַלְכִּיH4444Malchi-sua, MalchisuaMalchishua15שׁ֖וּעַH4444Malchi-sua, MalchisuaMalchishua16בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17שָׁאֽוּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul
3En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En de strijdH4421 werd zwaarH3513tegenH413SaulH7586; en de mannenH582, die met den boogH7198schietenH3384, troffenH4672 hem aan, en hij vreesdeH2342zeerH3966 voor de schuttersH3384.En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.
KJVAnd the battle2went sore1against Saul,4and the archers6hit5him; and he was sore10wounded9of the archers.11
1וַתִּכְבַּ֤דH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop2הַמִּלְחָמָה֙H4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul5וַיִּמְצָאֻ֥הוּH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on6הַמּוֹרִ֖יםH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through7אֲנָשִׁ֣יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8בַּקָּ֑שֶׁתH7198boog, bogen, Boog[idiom] arch(-er), [phrase] arrow, bow(-man, -shot)9וַיָּ֥חֶלH2342geboren, barensnood, bevenbear, (make to) bring forth, (make to) calve, dance, drive away, fall grievously (with pain), fear, form, great, grieve, (be) grievous, hope, look, make, be in pain, be much (sore) pained, rest, shake, shapen, (be) sorrow(-ful), stay, tarry, travail (with pain), tremble, trust, wait carefully (patiently), be wounded10מְאֹ֖דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well11מֵהַמּוֹרִֽיםH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen zeideH559SaulH7586 tot zijn wapendragerH5375: TrekH8025 uw zwaardH2719 uit, en doorsteekH1856 mij daarmede, dat misschien dezeH428onbesnedenenH6189 niet komenH935, en mij doorstekenH1856, en met mij den spot drijvenH5953. Maar zijn wapendragerH5375wildeH14nietH3808, wantH3588 hij vreesdeH3372zeerH3966. Toen namH3947SaulH7586 het zwaardH2719, en vielH5307 daarin.Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.
KJVThen said1Saul2unto his armourbearer,3Draw5thy sword,6and thrust me through7therewith; lest these uncircumcised11come10and thrust me through,13and abuse14me. But his armourbearer18would17not; for he was sore22afraid.21Therefore Saul24took23a sword,26and fell27upon it.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׁאוּל֩H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3לְנֹשֵׂ֨אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield4כֵלָ֜יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever5שְׁלֹ֥ףH8025uittrokken, trok, Trekdraw (off), grow up, pluck off6חַרְבְּךָ֣H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool7וְדָקְרֵ֣נִיH1856doorstoken, doorstak, doorsteekpierce, strike (thrust) through, wound8בָ֗הּ9פֶּןH6435opdat niet, anders(lest) (peradventure), that...not10יָ֠בוֹאוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way11הָעֲרֵלִ֨יםH6189onbesnedenen, onbesneden, voorhuiduncircumcised (person)12הָאֵ֤לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)13וּדְקָרֻ֨נִי֙H1856doorstoken, doorstak, doorsteekpierce, strike (thrust) through, wound14וְהִתְעַלְּלוּH5953nalezen, spot drijven, aangedaanabuse, affect, [idiom] child, defile, do, glean, mock, practise, thoroughly, work (wonderfully)15בִ֔י16וְלֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17אָבָה֙H14wilde, willen, wildenconsent, rest content will, be willing18נֹשֵׂ֣אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield19כֵלָ֔יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever20כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet21יָרֵ֖אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)22מְאֹ֑דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well23וַיִּקַּ֤חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win24שָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul25אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)26הַחֶ֔רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool27וַיִּפֹּ֖לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down28עָלֶֽיהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Toen zijn wapendragerH5375zagH7200, dat SaulH7586doodH4191 was, zo vielH5307hijH1931ookH1571 in zijn zwaardH2719 en stierfH4191metH5973 hem.Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.
KJVAnd when his armourbearer2saw1that Saul6was dead,5he fell7likewise upon his sword,11and died12with him.
1וַיַּ֥רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2נֹשֵֽׂאH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield3כֵלָ֖יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever4כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5מֵ֣תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise6שָׁא֑וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul7וַיִּפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down8גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea9ה֛וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11חַרְבּ֖וֹH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool12וַיָּ֥מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise13עִמּֽוֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
6Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Alzo stierfH4191SaulH7586, en zijn drieH7969zonenH1121, en zijn wapendragerH5375, ookH1571alH3605 zijn mannenH582, te dienzelven dageH3117 te gelijk.Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.
KJVSo Saul2died,1and his three3sons,4and his armourbearer,5and all his men,that same day10together.12
1וַיָּ֣מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise2שָׁא֡וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3וּשְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)4בָּנָיו֩H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5וְנֹשֵׂ֨אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield6כֵלָ֜יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever7גַּ֧םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea8כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9אֲנָשָׁ֛יוH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10בַּיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger11הַה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12יַחְדָּֽוH3162samen, tezamenalike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
7Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7AlsH3588 de mannenH582 van IsraelH3478, dieH834 aan deze zijde van het dalH6010 waren, en dieH834 aan deze zijde der JordaanH3383 waren, zagenH7200, dat de mannenH582 van IsraelH3478gevlodenH5127 waren, en dat SaulH7586 en zijn zonenH1121doodH4191 waren, zo verlietenH5800 zij de stedenH5892, en zij vlodenH5127. Toen kwamenH935 de FilistijnenH6430 en woondenH3427 daarin.Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
KJVAnd when the menof Israel3that were on the other side5of the valley,6and they that were on the other side8Jordan,9saw1that the menof Israel13fled,11and that Saul16and his sons17were dead,15they forsook18the cities,20and fled;21and the Philistines23came22and dwelt24in them.
1וַיִּרְא֣וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2אַנְשֵֽׁיH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִ֠שְׂרָאֵלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5בְּעֵ֨בֶרH5676gene, zijden, recht[idiom] against, beyond, by, [idiom] from, over, passage, quarter, (other, this) side, straight6הָעֵ֜מֶקH6010dal, dals, dalendale, vale, valley (often used as a part of proper names). See also H1025 (בֵּית הָעֵמֶק)7וַאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8בְּעֵ֣בֶרH5676gene, zijden, recht[idiom] against, beyond, by, [idiom] from, over, passage, quarter, (other, this) side, straight9הַיַּרְדֵּ֗ןH3383JordaanJordan10כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11נָ֨סוּ֙H5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard12אַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)13יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14וְכִיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15מֵ֖תוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise16שָׁא֣וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul17וּבָנָ֑יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18וַיַּעַזְב֤וּH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הֶֽעָרִים֙H5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town21וַיָּנֻ֔סוּH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard22וַיָּבֹ֣אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way23פְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine24וַיֵּֽשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry25בָּהֶֽן
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
8Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Het geschieddeH1961 nu des anderen daagsH4283, als de FilistijnenH6430kwamenH935, om de verslagenenH2491 te plunderenH6584, zo vondenH4672 zij SaulH7586 en zijn drieH7969zonenH1121, liggendeH5307 op het gebergteH2022GilboaH1533.Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
KJVAnd it came to pass on the morrow,2when the Philistines4came3to strip5the slain,7that they found8Saul10and his three12sons13fallen14in mount15Gilboa.16
1וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִֽמָּחֳרָ֔תH4283daags, dag, gansenmorrow, next day3וַיָּבֹ֣אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4פְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5לְפַשֵּׁ֖טH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַחֲלָלִ֑יםH2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded8וַֽיִּמְצְא֤וּH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10שָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12שְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)13בָּנָ֔יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14נֹפְלִ֖יםH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down15בְּהַ֥רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion16הַגִּלְבֹּֽעַH1533GilboaGilboa
9En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En zij hieuwenH3772 zijn hoofdH7218 af, en zij togenH6584 zijn wapenenH3627 uit, en zij zondenH7971 ze in der FilistijnenH6430landH776rondomH5439, om te boodschappenH1319 in het huisH1004 hunner afgodenH6091, en onder het volkH5971.En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.
KJVAnd they cut off1his head,3and stripped off4his armour,6and sent7into the land8of the Philistines9round about,10to publish11it in the house12of their idols,13and among the people.15
1וַֽיִּכְרְתוּ֙H3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3רֹאשׁ֔וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top4וַיַּפְשִׁ֖יטוּH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6כֵּלָ֑יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever7וַיְשַׁלְּח֨וּH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)8בְאֶֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world9פְּלִשְׁתִּ֜יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10סָבִ֗יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side11לְבַשֵּׂ֛רH1319boodschap, boodschappen, boodschaptmessenger, preach, publish, shew forth, (bear, bring, carry, preach, good, tell good) tidings12בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13עֲצַבֵּיהֶ֖םH6091afgodenidol, image14וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
10En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En zij legden zijn wapenenH3627 in het huisH1004 van AstharothH6252; en zijn lichaamH1472hechttenH8628 zij aan den muurH2346 te Beth-SanH1052.En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.
Ook in dit vers
leidenH7760
KJVAnd they put1his armour3in the house4of Ashtaroth:5and they fastened8his body7to the wall9of Bethshan.10
1וַיָּשִׂ֨מוּ֙H7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3כֵּלָ֔יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever4בֵּ֖יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5עַשְׁתָּר֑וֹתH6252Astharoth, AstharothsAsharoth, Astaroth. See also H1045 (בֵּית עַשְׁתָּרוֹת), H6253 (עַשְׁתֹּרֶת), H6255 (עַשְׁתְּרֹת קַרְנַיִם)6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7גְּוִיָּתוֹ֙H1472lichaam, lichamen, dode lichamen(dead) body, carcase, corpse8תָּקְע֔וּH8628blazen, blies, bliezenblow (a trumpet), cast, clap, fasten, pitch (tent), smite, sound, strike, [idiom] suretiship, thrust9בְּחוֹמַ֖תH2346muur, muren, muurswall, walled10בֵּ֥יתH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan11שָֽׁןH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan
11Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Als de inwonersH3427 van JabesH3003 in GileadH1568 daarvan hoordenH8085, watH834 de FilistijnenH6430SaulH7586gedaanH6213 hadden;Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;
KJVAnd when the inhabitants3of Jabeshgilead4heard1of that which the Philistines9had done8to Saul;10
1וַיִּשְׁמְע֣וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2אֵלָ֔יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3יֹשְׁבֵ֖יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4יָבֵ֣ישׁH3003JabesJobesh (-Gilead)5גִּלְעָ֑דH1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite6אֵ֛תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8עָשׂ֥וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9פְלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10לְשָׁאֽוּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul
12Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Zo maaktenH6965 zich op alleH3605strijdbareH2428mannenH376, en gingenH3212 den gehelen nachtH3915, en zij namenH3947 het lichaamH1472 van SaulH7586, en de lichamenH1472 zijner zonenH1121, van den muurH2346 te Beth-SanH1052; en zij kwamenH935 te JabesH3003, en branddenH8313 ze aldaarH8033.Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
KJVAll the valiant4men3arose,1and went5all night,7and took8the body10of Saul11and the bodies13of his sons14from the wall15of Bethshan,16and came18to Jabesh,19and burnt20them there.
1וַיָּק֜וּמוּH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4חַיִל֮H2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)5וַיֵּלְכ֣וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7הַלַּיְלָה֒H3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)8וַיִּקְח֞וּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10גְּוִיַּ֣תH1472lichaam, lichamen, dode lichamen(dead) body, carcase, corpse11שָׁא֗וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul12וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13גְּוִיֹּ֣תH1472lichaam, lichamen, dode lichamen(dead) body, carcase, corpse14בָּנָ֔יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth15מֵחוֹמַ֖תH2346muur, muren, muurswall, walled16בֵּ֣יתH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan17שָׁ֑ןH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan18וַיָּבֹ֣אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way19יָבֵ֔שָׁהH3003JabesJobesh (-Gilead)20וַיִּשְׂרְפ֥וּH8313verbranden, verbrand, verbrandde(cause to, make a) burn((-ing), up) kindle, [idiom] utterly21אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
13En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En zij namenH3947 hun beenderenH6106, en begroevenH6912 ze onderH8478 het geboomteH815 te JabesH3003; en zij vasttenH6684zevenH7651dagenH3117.En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
KJVAnd they took1their bones,3and buried4them under a tree6at Jabesh,7and fasted8seven9days.10
1וַיִּקְחוּ֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3עַצְמֹ֣תֵיהֶ֔םH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very4וַיִּקְבְּר֥וּH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)5תַֽחַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with6הָאֶ֖שֶׁלH815geboomte, bosgrove, tree7בְּיָבֵ֑שָׁהH3003JabesJobesh (-Gilead)8וַיָּצֻ֖מוּH6684vastten, vasten, gevast[idiom] at all, fast9שִׁבְעַ֥תH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)10יָמִֽיםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 31:1— De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.1 Samuël 28:4→1 Kronieken 10:1→2 Samuël 1:21→1 Samuël 29:1→1 Samuël 28:1→1 Samuël 12:25→1 Samuël 28:15→
1 Samuël 31:2— En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.1 Kronieken 8:33→1 Samuël 14:49→1 Samuël 13:2→1 Kronieken 9:39→1 Samuël 18:1→Exodus 20:5→2 Samuël 1:6→1 Samuël 13:16→
1 Samuël 31:3— En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.2 Samuël 1:6→Genesis 49:23→Amos 2:14→2 Samuël 1:4→1 Koningen 22:34→
1 Samuël 31:4— Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.Richteren 9:54→1 Samuël 14:6→1 Kronieken 10:4→1 Samuël 17:26→2 Samuël 17:23→2 Samuël 1:14→1 Samuël 17:36→Jeremia 9:25→
1 Samuël 31:5— Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.1 Kronieken 10:5→
1 Samuël 31:6— Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.1 Samuël 12:17→1 Kronieken 10:6→Hosea 13:10→1 Samuël 11:15→Prediker 9:1→1 Samuël 12:25→1 Samuël 28:19→1 Samuël 4:10→
1 Samuël 31:7— Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.1 Samuël 13:6→Deuteronomium 28:33→Leviticus 26:36→Richteren 6:2→Leviticus 26:32→
1 Samuël 31:8— Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.2 Kronieken 20:25→1 Kronieken 10:8→
1 Samuël 31:9— En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.2 Samuël 1:20→Richteren 16:23→1 Samuël 17:51→1 Samuël 17:54→1 Samuël 31:4→1 Kronieken 10:9→
1 Samuël 31:10— En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.Richteren 2:13→Jozua 17:11→1 Samuël 21:9→1 Samuël 7:3→Richteren 1:27→2 Samuël 21:12→
1 Samuël 31:11— Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;2 Samuël 2:4→1 Samuël 11:1→
1 Samuël 31:12— Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.2 Kronieken 16:14→Amos 6:10→2 Samuël 2:4→Jeremia 34:5→
1 Samuël 31:13— En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.Genesis 50:10→2 Samuël 21:12→1 Samuël 22:6→2 Samuël 2:4→2 Samuël 1:12→Genesis 35:8→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 31 vers 1— De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
dan streden tegen Israël;
Hierom komt de schrijver van dit boek wederom tot de historie, die hij in 1Sa 26 gelaten heeft, om ondertussen te verhalen wat David middelertijd gedaan heeft tegen de Amalekieten, die in zijn afwezen Ziklag geplunderd en verbrand hadden. Dit hoofdstuk komt bijna van woord tot woord overeen met 1Ch 10.
Hertaald:dan streden tegen Israël;
Hiermee keert de schrijver van dit boek terug naar de geschiedenis die hij in 1 Sam. 26 had verlaten, om ondertussen te vertellen wat David intussen tegen de Amalekieten gedaan had, die in zijn afwezigheid Ziklag geplunderd en verbrand hadden. Dit hoofdstuk komt bijna woordelijk overeen met 1 Kron. 10.
verslagen op het gebergte Gilbóa
Hebreeuws eigenlijk, doorstoken.
Hertaald:verslagen op het gebergte Gilbóa
Hebreeuws eigenlijk: doorstoken.
1 Samuël 31 vers 2— En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
Abinádab, en Malchisua,
Hij wordt 1 Sam. 14:49 Isvi genoemd.
Hertaald:Abinádab, en Malchisua,
Hij wordt in 1 Sam. 14:49 Isvi genoemd.
1 Samuël 31 vers 3— En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.
troffen hem aan,
Hebreeuws, vonden hem
Hertaald:troffen hem aan,
Hebreeuws: vonden hem.
hij vreesde zeer voor de schutters
Anders, hij werd zeer gewond van de schutters.
Hertaald:hij vreesde zeer voor de schutters
Anders: hij werd zwaar gewond door de schutters.
1 Samuël 31 vers 4— Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.
met mij den spot drijven
Te weten, wanneer zij, mij gevangen krijgende, mij allen schimp en hoon zouden aandoen, en zouden mij dan nog eindelijk een smadelijken dood doen sterven. De Filistijnen, Saul niet levend kunnen krijgen, hebben zijn dood lichaam veel smaadheid aangedaan, onder vs.9,10.
Hertaald:met mij den spot drijven
Namelijk: wanneer zij mij gevangen zouden nemen, mij alle spot en hoon zouden aandoen, en mij dan uiteindelijk nog een schandelijke dood zouden laten sterven. De Filistijnen, die Saul niet levend konden krijgen, hebben zijn dode lichaam veel smaad aangedaan, hieronder in vers 9, 10.
viel daarin
Dat is, hij doorstak zichzelven, alzo ook vs.5.
Hertaald:viel daarin
Dat is: hij doorstak zichzelf, zo ook vers 5.
1 Samuël 31 vers 6— Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.
al zijn mannen,
Versta het merendeel van zijn hofgezin en van zijn huisgenoten, alsook het gros van het leger. Hoewel van beiderlei enigen ontkomen zijn. Vergelijk 1 Kron. 10:6.
Hertaald:al zijn mannen,
Versta hiermee het merendeel van zijn hofhouding en zijn huisgenoten, en ook het grootste deel van het leger. Hoewel van beide groepen sommigen ontkomen zijn. Vergelijk 1 Kron. 10:6.
1 Samuël 31 vers 7— Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
van het dal waren,
Versta hier het dal of de laagte Jizreëls.
Hertaald:van het dal waren,
Versta hier het dal of de laagte van Jizreël.
1 Samuël 31 vers 8— Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
des anderen daags,
Te weten, na den veldslag.
Hertaald:des anderen daags,
Namelijk: na de veldslag.
1 Samuël 31 vers 9— En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.
zonden ze in der Filistijnen land
Te weten, het hoofd en de wapenen van Saul.
Hertaald:zonden ze in der Filistijnen land
Namelijk: het hoofd en de wapens van Saul.
om te boodschappen
Te weten, hun victorie.
Hertaald:om te boodschappen
Namelijk: hun overwinning.
afgoden,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk droefenissen, smarten en verschrikkingen. Alzo worden de afgoden genoemd, omdat zij de oorzaak zijn, dat God hun dienaars smart, droefenis en schrik aandoet.
Hertaald:afgoden,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verdriet, pijn en verschrikking. Zo worden de afgoden genoemd, omdat zij de oorzaak zijn dat God hun dienaars verdriet, smart en angst aandoet.
1 Samuël 31 vers 10— En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.
Astharôth;
Zie Richt. 2:13, in de aantekeningen.
Hertaald:Astharôth;
Zie Richt. 2:13, in de aantekeningen.
zij aan den muur
Te weten, in de straat, die bij den stadsmuur was, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 21:12.
Hertaald:zij aan den muur
Namelijk: aan de straat die bij de stadsmuur lag, zoals af te leiden is uit 2 Sam. 21:12.
Beth-san
Anders genoemd Bethsean, Joz. 17:11, en Richt. 1:27. Dit was een stad, gelegen in den stam van Manasse, Joz. 17:11, die in dezen tijd van de Filistijnen ingehouden werd.
Hertaald:Beth-san
Ook Bethsean genoemd, Joz. 17:11, en Richt. 1:27. Dit was een stad, gelegen in de stam van Manasse, Joz. 17:11, die in die tijd door de Filistijnen bezet werd gehouden.
1 Samuël 31 vers 11— Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;
de inwoners van Jabes
Dit deden de burgers van Jabes tot een teken van dankbaarheid, omdat zij door Saul waren ontzet en verlost geworden van de harde belegging van den koning Nahas, 1 Sam. 11:11.
Hertaald:de inwoners van Jabes
Dit deden de burgers van Jabes als teken van dankbaarheid, omdat zij door Saul ontzet en bevrijd waren van de zware belegering door koning Nahas, 1 Sam. 11:11.
1 Samuël 31 vers 12— Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
brandden ze aldaar
Alzo deze lichamen enige dagen waren onbegraven geweest en in de zon gehangen hadden, zo waren zij buiten alle twijfel verdorven en stinkende geworden, alzo dat men ze met balsemen niet zou hebben kunnen bewaren. Daarom hebben zij het vlees verbrand en de beenderen begraven, verhoedende alzo dat die dode lichamen meer gehoond en beschimpt, en ook weder opgegraven konden worden. Vergelijk Am. 6:10, met de aantekeningen. Anders, zij brandden bij, of over hen; te weten, enige specerijen, hetwelk ziet op de manier eertijds gebruikt aan der koningen lichamen. Zie 2 Kron. 16:14; Jer. 34:5.
Hertaald:brandden ze aldaar
Omdat deze lichamen enkele dagen onbegraven geweest waren en in de zon gehangen hadden, waren zij zonder twijfel verdorven en gaan stinken, zodat men ze met balsemen niet had kunnen bewaren. Daarom hebben zij het vlees verbrand en de botten begraven, om te voorkomen dat die dode lichamen nog meer gehoond en bespot, en ook opnieuw opgegraven konden worden. Vergelijk Am. 6:10, met de aantekeningen. Anders: zij verbrandden bij, of over hen; namelijk: enige specerijen, wat verwijst naar de gewoonte die vroeger bij de lichamen van koningen toegepast werd. Zie 2 Kron. 16:14; Jer. 34:5.
1 Samuël 31 vers 13— En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
onder het geboomte te Jabes;
Zie 1 Kron. 10:12.
Hertaald:onder het geboomte te Jabes;
Zie 1 Kron. 10:12.
zij vastten zeven dagen
Versta, dagelijks tot op den avond; zie 1 Kron. 10:12. Alzo bewijzende hun droefenis over Saul en zijn zonen.
Hertaald:zij vastten zeven dagen
Versta: dagelijks tot aan de avond; zie 1 Kron. 10:12. Zo toonden zij hun verdriet om Saul en zijn zonen.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Jonathan — de HEERE heeft gegeven
De oudste zoon van koning Saul, hier voor het eerst genoemd als aanvoerder van duizend man tegen de Filistijnen (1 Sam. 13:2-3). Later zou hij, met alleen zijn wapendrager, een Filistijnse legerpost verslaan in het geloof dat 'bij de HEERE niets verhinderd is om te verlossen door velen of door weinigen' (1 Sam. 14). Hij werd de trouwe en zelfopofferende vriend van David, ondanks dat hijzelf de kroon had kunnen erven, en sneuvelde samen met zijn vader op de berg Gilboa (1 Sam. 31).
Abinadab — vader van edelmoedigheid
De tweede zoon van Isaï, die met Saul en zijn broers Jonathan en Malchisua streed tegen de Filistijnen in het leger van Saul (1 Sam. 17:13), en die met zijn vader en broers sneuvelde op de berg Gilboa (1 Sam. 31:2, 6).
Malchisua — mijn koning is heil
Een zoon van Saul, die samen met zijn vader en broers Jonathan en Abinadab sneuvelde in de laatste, noodlottige slag tegen de Filistijnen op de berg Gilboa (1 Sam. 31:2, 6).
Saul — gebeden, verzocht
De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
De berg Gilboa — Hebreeuws, mogelijk "bruisende/kokende bron"
Ligging: Een bergketen aan de zuidoostelijke rand van de vlakte van Jizreël, tegenover de berg Klein-Hermon en de stad Sunem.
Geschiedenis: Hier streden Saul en zijn zonen hun laatste, verloren veldslag tegen de Filistijnen: Jonathan, Abinadab en Malchisua sneuvelden, en Saul zelf, zwaar gewond door de boogschutters, stortte zich, om niet levend in Filistijnse handen te vallen, in zijn eigen zwaard (1 Sam. 31:1-6; 1 Kron. 10:1-6). Diezelfde nacht voor de slag had Saul, in wanhoop, nog de waarzegster van Endor geraadpleegd, die hem zijn ondergang hier op de Gilboa voorzegde (1 Sam. 28). Toen David het bericht van de dood van Saul en Jonathan ontving, verhief hij een aangrijpende klaagzang, waarin hij de Gilboa uitdrukkelijk vervloekte: "Gij bergen van Gilboa, noch dauw noch regen zij op u, noch velden der hefofferen" (2 Sam. 1:17-27).
Bijbelse betekenis: De plaats van het droeve einde van Israëls eerste koning — een leven dat veelbelovend begon (de redding van Jabes in Gilead) maar eindigde in ongehoorzaamheid, jaloezie en tenslotte wanhoop, terwijl Davids aangrijpende rouwklacht ("Hoe zijn de helden gevallen!") laat zien dat ware liefde zelfs een falende koning en zijn trouwe zoon met eer kan gedenken.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De dood van Saul en Jonathan op Gilboa — verslagen door de Filistijnen, en zwaar gewond, valt Saul in zijn eigen zwaard nadat zijn wapendrager weigert hem te doden; zijn drie zonen, onder wie Jonathan, sneuvelen in dezelfde strijd (1 Sam. 31:2-6)
De Filistijnen verslaan Israël op het gebergte Gilboa; Jonathan en zijn broers Abinadab en Malchisua sneuvelen (1 Sam. 31:1-2). Zwaar gewond door boogschutters, vraagt Saul zijn wapendrager hem te doden, "dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven" — maar de wapendrager weigert uit vrees, en Saul valt in zijn eigen zwaard; zijn wapendrager doet hetzelfde (1 Sam. 31:3-6). De Filistijnen vinden de volgende dag de lichamen, onthoofden Saul, hangen zijn wapenen in de tempel van Astharoth, en spijkeren zijn lichaam aan de muur van Beth-San (1 Sam. 31:7-10). Wanneer de inwoners van Jabes in Gilead dit horen, trekken hun strijdbare mannen de hele nacht door om de lichamen te halen, verbranden en begraven ze met eer, en vasten zeven dagen (1 Sam. 31:11-13).
Bijbelse betekenis: Dat uitgerekend Jabes in Gilead het is dat Sauls lichaam met eer haalt, sluit de cirkel van zijn koningschap. Sauls allereerste daad als koning, jaren eerder, was juist de verlossing van diezelfde stad uit de hand van de Ammonieten (1 Sam. 11, reeds behandeld bij Sauls eerste overwinning). Van al Israëls steden is het Jabes dat zich zijn schuld herinnert en die met de laatste eer aan Saul terugbetaalt — een stil eerbetoon aan wat er ooit goed was in een koningschap dat uiteindelijk zo tragisch eindigde.
Typologie: Dat Jabes juist ditmaal zijn schuld van dankbaarheid inlost, terwijl zovelen dat nalaten, doet denken aan de ene melaatse die terugkeerde: "Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen? En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?" (Luk. 17:17-18).
I. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen1 Samuël 28:4→1 Kronieken 10:1→Richteren 9:54→2 Samuël 1:20→Richteren 2:13→Jozua 17:11→1 Kronieken 8:33→1 Samuël 14:6→ — De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters. Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem. Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk. Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa. En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk. En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San. Van David en zijn ondervindingen keert het verhaal tot de Filistijnen en Saul terug. De eersten, door de kinderen van Israël in leger bij Sunem aangevallen, op de morgen na de nacht, waarin Saul bij de waarzegster geweest is, slaan de laatsten op de vlucht en richten een grote slachting onder hen aan. Saul met zijn drie zonen komt zelf in grote nood op het gebergte van Gilboa; zijn zonen vallen; hij weet niet meer wat te doen; in zijn wanhoop verlangt hij van zijn wapendrager, dat deze hem doorsteekt; hij doet dit zelf, omdat deze het weigert. De volgende dag vinden de Filistijnen zijn lijk en de lijken van zijn zonen bij het uitplunderen van de verslagenen; zij houwen de hoofden af en trekken hun de wapens uit, die zij vervolgens als zegetekenen in hun land rondzenden, en daarop in hun afgodstempels als geschenken neerleggen. De aan de stadsmuren van Beth-Sean genagelde lijken worden daarna door de Jabesieten weggehaald, en wat het vlees betreft verbrand; de beenderen worden onder de Terebinth bij hun stad begraven. Vergelijk 1 Kronieken 10.
Kruisverwijzingen1 Samuël 28:4→1 Kronieken 10:1→2 Samuël 1:21→1 Samuël 29:1→1 Samuël 28:1→1 Samuël 12:25→1 Samuël 28:15→— De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
De Filistijnen dan, van wie wij in 28: 1vv. zagen, hoe zij hun legers verzamelden, in 29: 1vv. hoe zij naar Afek in de vlakte van Jizreël trokken, in 28: 3vv., hoe hun leger door Saul in Sunem van Gilboa af met vrees bespied werd, streden tegen Israël, terwijl David de in 30 meegedeelde krijgstocht ondernam; en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen en er vielen vele verslagen op het gebergte Gilboa, 1) waarheen zij na het verliezen van de slag terug vluchtten.
Het hoofd-treffen had plaats in de vlakte van Jizreël, maar waar nu de zege was aan de zijde van de Filistijnen, daar vluchtte het overschot naar het gebergte van Gilboa.
Kruisverwijzingen1 Kronieken 8:33→1 Samuël 14:49→1 Samuël 13:2→1 Kronieken 9:39→1 Samuël 18:1→Exodus 20:5→2 Samuël 1:6→1 Samuël 13:16→— En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.
En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; zij drongen voornamelijk op deze aan, om hen meester te worden, en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul, die met de vader in de strijd getrokken waren, terwijl de vierde zoon Esbaäl of Isboseth thuis was gebleven, of bij de veldheer Abner was, die met hem over de Jordaan ontkwam. Van twee andere zonen van Saul, Armoni en Mefiboseth, die hem zijn bijvrouw Rizpa (2 Samuel .3: 7vv.) baarde, is noch hier noch in 14: 49 sprake, maar pas in 2 Samuel .21: 8vv. ; waarschijnlijk waren deze toen nog zeer jong.
Kruisverwijzingen2 Samuël 1:6→Genesis 49:23→Amos 2:14→2 Samuël 1:4→1 Koningen 22:34→— En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.
En de strijd werd zwaar tegen Saul, die de Filistijnen in het bijzonder zochten, en de mannen, die met de boog schieten, troffen hem aan, 1) en hij vreesde zeer voor de schutters,
omdat hij bemerkte, dat hij hen niet meer kon ontkomen.
In het Hebreeuws Wajimtsaüchoe, d.i. bereikten hem. De boogschutters, nadat zijn zonen gedood waren, vervolgden nu ook Saul en hadden hem eindelijk omringd, zodat van geen ontkomen meer sprake was. De LXX vertalen: zij verwondden hem in het onderlijf. De Vulgata: hij werd hevig verwond door de boogschutters. Deze vertalingen deugen echter niet, omdat Saul de kracht dan niet meer zou gehad hebben, om zichzelf te doden.
KruisverwijzingenRichteren 9:54→1 Samuël 14:6→1 Kronieken 10:4→1 Samuël 17:26→2 Samuël 17:23→2 Samuël 1:14→1 Samuël 17:36→Jeremia 9:25→— Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.
God had Saul met geduld verdragen, maar eindelijk moest Hij hem naar Zijn rechtvaardig oordeel bezoeken met de verdiende straf, ofschoon het wel scheen, dat hem straffeloosheid voor zijn ongerechtigheden beloofd was, vanwege het taal geduld van God, zolang David door verschillende beproevingen was geoefend en God hem scheen te vergeten. Maar door de daad zelf openbaart God, dat Zijn geduld de straf niet opheft, die slechts uitgesteld werd om vervolgens te zwaarder te treffen. Zo ook was het oordeel van God over Saul zwaarder, naarmate het geduld groter was geweest. En David kwam eindelijk tot de hem beloofde regering, na langdurige beproeving. Zijn hoop daarop was niet tevergeefs geweest, en daarom was zijn glorie des te meer in het oog vallend, naarmate zijn beproeving groter was geweest.
Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen, de Filistijnen (17: 26), niet komen en mij doorsteken, en met mij de spot drijven,
noch mijn lijk tentoonstellen (Jud 9: 54). Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer zijn hand te leggen aan zijn heer, de gezalfde van de Heere (24: 7; 26: 9,23; 2 Samuel .1: 14). Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin, stortte zichzelf daarin.
In welk gevaar wij ons ook bevinden, laten wij de toevlucht nemen als onder de vleugels van God en tot Hem met voortdurende gebeden ons wenden, opdat Hij zelf ons regere en in tegenspoeden ons schenke een onoverwinnelijk geduld, opdat Hij altijd onze begeerte breidele, en wel zo, dat wij tegen Zijn wil niets ondernemen, maar wij ons altijd aan Hem onderwerpen.
Hij ziet de dood naderen, en zijn grootste zorg is, dat zijn lichaam niet in de handen van de Filistijnen valle, maar hij draagt geen zorg, om zijn ziel te bevelen in de hand van God, Die haar gegeven had. Zoals hij geleefd had, stierf hij ook, n.l. hoogmoedig en ijverzuchtig, en een verschrikking zijnde voor zichzelf en voor allen, die bij hem waren.
Jonathan stierf door de hand van zijn vijanden. Saul door zijn eigen. Saul stierf als een mens, die geen vrees voor, maar ook geen hoop meer had op God. Hij stierf, niet als een krijgsman, maar als een lafaard. Al zijn roem was nu weg, ook voor de wereld. Zo ontving hij het loon van een zondaar. Beginnende met de Geest, eindigde hij op ontzettende wijze in het vlees.
Kruisverwijzingen1 Kronieken 10:5→— Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.
Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem, in verkeerd begrepen trouw jegens zijn koning. Die tegen Gods gebod Agag gespaard had, spaarde nu zichzelf niet, ook tegen Gods gebod; hij had zich geheel verkocht, om kwaad te doen. De zelfmoord voert uit de wanhoop eerst in de ware volkomen wanhoop; want deze is eerst daar, waar de mens tot het bewustzijn komt, dat hij ook door zelfmoord de gewenste vernietiging van zijn persoonlijk bestaan niet bereikt, dat hij een onsterfelijke ziel heeft en deze van God gescheiden is. De meeste zedenleraars vatten de zelfmoord op als werkelijk tegen het lichaam gericht; de zelfmoordenaar wil echter niet alleen uit de aardse ellende zich bevrijden, hij wil zijn bestaan geheel vernietigen. De Christen kan nooit in het geval komen, door zelfmoord aan een zwaar lijden of een zware verzoeking te ontkomen. Wanneer in de tijden van de vervolging van de Oude kerk enige gevallen voorkomen, dat Christelijke vrouwen en maagden, om een geweldadige schending te ontkomen, zichzelf doodden, en dit door de tijdgenoten geprezen werd, zo was dit, evenals het in 2 Makk.14: 41vv. meegedeelde geval, een zedelijke dwaling. Deze werd door Augustinus beslist gelaakt, omdat de kuisheid niet in het lichaam, maar in het hart rust, en het hart ook bij ondergaan geweld, rein kan blijven (Deuteronomium 22: 26). De vraag of iemand zich aan een ongeneeslijke ziekte, bijv. hondsdolheid, door zelfmoord onttrekken mag, is voor de Christen beslist ontkennend te beantwoorden. De Christen wacht in ootmoedige onderwerping, wat God hem toezendt, en vol vertrouwen, dat het tot zijn waarachtig heil zal dienen; wat hij niet door rechtmatige middelen kan afwenden, dat ziet hij als Gods wil aan, en hij kan zich de bevrijding van het aardse leven niet laten kopen door misdadig ingrijpen in Gods bestuur, want God heeft het aan Zich gehouden, de dood te bepalen.
Hebt gij ooit gehoord van stormen, die het hart teisteren, wanneer oude en nieuwe gedachten elkaar bestrijden en verdringen, wanneer de nijd knaagt, de toorn woedt, de driften drijven, de hartstochten opbruisen? Hoe donker en benauwd is het, wanneer de herinneringen aan de uren van onze zonden, het hels heldere bewustzijn van werken van de duisternis als dreigende bakens op het rusteloze heden indringen! Hoe donker en benauwd, wanneer te midden van die vreselijke gestalten, de vertegenwoordigers van een bezoedeld en verwoest leven, de vloek zich als een grijnzend schrikbeeld verheft, en de bedrukte door zijn gewicht dreigt te verpletteren! Bij mij laat Sauls levensgeschiedenis steeds een indruk van huivering achter, zoals hij van het ogenblik, waarop Samuel tot hem zei: “omdat gij het woord van de Heere verworpen hebt, heeft Hij u verworpen”, (15: 23,26) geen rust, geen vrede, en in vrede, in oorlog, op de troon geen geluk meer heeft. Argwaan, wantrouwen, haat, vijandschap, tegen de trouwste dienaar, de edelste zoon, bestormen als zoveel vijanden zijn wrevelig hart en verwoesten zijn levensgeluk. In de menigte van zijn dienaars, in de kracht van zijn helden, in de bloei van zijn verheven geslacht, in de gehoorzaamheid van het volk, die sieraden en voorrechten van zijn kroon, vindt hij vreugde noch vertroosting meer. Geen liefde van de gehate, geen beminnelijkheid in de vervolgde, geen trouw, geen bede, geen weemoedige klacht, geen verheffende Psalm van de onschuldige is in staat zijn haat te bezweren, zijn woede te beteugelen. Hij verlaat steeds weer zijn troon; jaagt hem bloeddorstig met de wapens na; leidt zoals het roofdier van de woestijn, om zijnentwil een zwervend en ongestadig leven in Juda’s wildernissen; in één woord, hij voelt zich rampzalig. Soms dringt nog een zonnestraal van de hemel door tot het eertijds geopend hart, en doet de ijskorst, die het omgeeft, een ogenblik smelten. Dan erkent hij zijn dwaasheid, bekent zijn boosheid, heeft schaamte, berouw en tranen, bewondert en bemint David, voorspelt hem de heerschappij, en beveelt zijn kinderen in diens barmhartigheid aan, ijdele bloesems! Het zijn de sombere nagalmen, de laatste opflikkeringen van het menselijke, van het goddelijke, dat in de diepte van de zonde verdwijnt. Alles is tevergeefs. Onmachtig worstelt hij tegen de stromen van de afgrond, en wordt meegesleurd. Saul benijdt weer, haat, woedt en vervolgt weer, peinst weer op verraad, koestert moordplannen tegen de held, de redder van koning en volk. En rampspoed en toorn volgen hem op de hielen. De hemel boven zijn hoofd wordt steeds meer donker, de aarde voor zijn voet onveilig. Onweerswolken pakken zich samen. De vijand dreigt, meer dan ooit te voren; zijn hoogmoed kent geen vrees, zijn trots is van de zege verzekerd. Saul ziet die legerbenden, en de held, gewoon te overwinnen, beeft. God heeft hem verlaten, de hel drijft hem voort. Hij zoekt de tovenares van Endor, ziet de man van God (?) en hoort een bevestiging van zijn voorgevoel. De mannen van Israël vluchten voor de Filistijnen, en vallen verslagen op het gebergte Gilboa. En de Filistijnen houden dicht op Saul en zijn zonen aan, en slaan Jonathan, en Abinadab en Malchi-sua, de zonen van Saul; en de strijd wordt zwaar tegen Saul, en de boogschutters benauwen hem. Toen zei hij tot zijn wapendrager: “Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij, dat niet misschien de onbesnedenen komen, en met mij de spot drijven.” Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard en viel daarin. Dat is de vloek. Saul heeft een sterkere dan hij tegen zich; God heeft hem verworpen; de hemel, de aarde, de hel, niemand, niets kon hem redden. In een ogenblik wordt zijn geluk, zijn zegen, zijn leven, zijn eeuwige toekomst vernietigd, en alles verheft zich tegen hem, ja voorwaar de vloek van de Heere drukt zwaar.”
Kruisverwijzingen1 Samuël 12:17→1 Kronieken 10:6→Hosea 13:10→1 Samuël 11:15→Prediker 9:1→1 Samuël 12:25→1 Samuël 28:19→1 Samuël 4:10→— Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.
Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, 1) allen, die van zijn geslacht en van zijn huis aan de strijd hadden deelgenomen, op dezelfde dag tegelijk.
Al zijn mannen, in het Boek der kronieken staat: geheel zijn huis. Het laatste verklaart het eerste. Allen die tot zijn huis in betrekking stonden en met hem in het leger waren opgetrokken, vielen in de slag, zowel bloedverwanten als dienstmannen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 13:6→Deuteronomium 28:33→Leviticus 26:36→Richteren 6:2→Leviticus 26:32→— Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
Toen de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal, ten westen van de vlakte van Israël, waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, die tussen het gebergte van Gilboa en de westelijke Jordaanoever woonden, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en tevens vernamen, dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden van dit gehele rondom de strijdplaats gelegen gebied, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin, zodat het gehele noordelijke gedeelte van het land in hun handen viel, en nog slechts alleen Judea en Perea aan de overzijde van de Jordaan aan de Israëlieten toebehoorden.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 20:25→1 Kronieken 10:8→— Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
En zij legden na deze triomftocht zijn wapens en die van zijn zonen in het huis van Astharoth, in de tempel van hun godin Astarte of Atargatis (Deuteronomium 16: 21 “Jud 16:
ten geschenke (1 Samuel .17: 54; 21: 9) neer, terwijl zij aan hun afgod Dagon de schedels van de verslagenen wijdden, en die aan zijn tempel hechtten (1 (Kronieken 10: 10); en zijn lichaam hechtten zij met de overige onthoofde lijken tot smaad en hoon aan de muur te Beth-Aan 1)
Beth-Aan of Beth-Sean (= huis van de rust), thans Beisan, ligt aan het einde van de vlakte van Jizreël, naar de zijde van de Jordaan, op ongeveer 2 uur afstand; hoewel in het gebied van de stam Issaschar gelegen, werd het toch aan de stam van Manasse toegedeeld (Joz.17: 11,16), door deze echter niet in bezit genomen (Richteren 1: 27), Na de ballingschap ontving het de naam van Scythopolis, d.i. Scythenstad, omdat ten tijde van koning Jozua Scythen (2 Koningen .22 en 23), die door Palestina naar Egypte trokken, zich daar vestigden (); daarom worden ook in Col.3: 11 naast Grieken en Joden de Scythen in het bijzonder genoemd, omdat nakomelingen van deze in Palestina zelf woonden. Nog in de 4de en 5de eeuw na Christus was Beth-Sean een prachtige stad en een zetel van een Christelijke bisschop, terwijl ook Basilides en Cyrillus daar geboren zijn, thans is het slechts een dorp van 70-80 huizen; de ongeveer 300 inwoners worden als een arm, fanatiek en roofachtig volk beschreven.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 16:14→Amos 6:10→2 Samuël 2:4→Jeremia 34:5→— Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.
Zo maakten zich, uit dankbaarheid voor de hun vroeger door Saul bewezen weldaad (11), op alle strijdbare mannen, en gingen de gehele nacht, de 3-4 mijl lange weg, en zij namen, nog gedurende de nacht, om door de Filistijnen, die het land bezet hielden, niet gehinderd te worden, het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-Aan; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar, 1) omdat wegens de verminking geen gewone begraving meer kon gebeuren.
Overigens was het geen gewoonte in Israël, de lijken te verbranden, zoals Tacitus hist. V.5, ten onrechte bericht; dit gebeurde alleen bij zware misdadigers (Lev.20: 14,21: 9); hier echter, evenals ook Amos 6: 11 gebeurde het in geval van nood.
Dit verbranden had alleen betrekking op het vlees en niet op het gehele lijk. Het vlees werd tot op de beenderen afgebrand en daarna werden de beenderen begraven onder het geboomte te Jabes.
KruisverwijzingenGenesis 50:10→2 Samuël 21:12→1 Samuël 22:6→2 Samuël 2:4→2 Samuël 1:12→Genesis 35:8→— En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
En zij namen hun beenderen, waarvan het vlees was afgebrand, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes, een nog ten tijde, dat dit geschreven werd te Jabes zich bevindende Tamarisk, en zij vastten, diep bedroefd over het smartelijk einde van de koning, zeven dagen. Later liet David de beenderen van daar halen en met die van andere familieleden van Sauls huis te Zela in de stam van Benjamin bijzetten (2 Samuel .21: 11vv.).
In deze smadelijke ondergang van Saul openbaart zich het gericht van God over zijn verharding. De liefde echter, die de burgers van Jabes aan de lijken van Saul en zijn zonen bewezen, gold niet de van God verworpenen, maar de met de Geest van de HEERE gezalfde koning, en was een daadwerkelijke veroordeling, niet van het goddelijk gericht, dat op Saul was gevallen, maar van de wreedheid van de vijanden van Israël en van zijn gezalfde.
Is het niet opmerkelijk, dat God David op hetzelfde ogenblik, dat Saul op het gebergte van Gilboa verslagen werd, en alzo de troon voor David leeg stond, hem in zo’n angst en benauwdheid vallen liet (1 Samuel .30: 6)? Ja, in hetzelfde ogenblik, waarin David graag zijn koningschap zou hebben willen geven voor de redding uit dat levensgevaar, werd hem de grootste beschikt. Alvorens God het koninkrijk aan David gaf, en wel op het punt, dat Hij het hem geven zou; moest hij nog één beproeving, één droefheid doorstaan, en wel de zwaarste, die hij tot nu toe ondervonden had. Dat waren de barensweeën van zijn verlossing. Wij zien het, God houdt tweeërlei rekening met de zijnen: allereerst: van hun ongeloof. David had gezondigd. Daarom stond er voor Gilboa een Ziklag. Te Ziklag werd de rekening van het ongeloof gesloten, te Gilboa werd de rekening van het geloof voortgezet, want het geloof behoudt altijd de overhand. Daarentegen sloot God op Gilboa de rekening van het ongeloof met Saul voor deze tijd, zonder dat er een rekening van het geloof met hem bestond.
Dit Boek begon met de geboorte van Samuel en het eindigt met de begrafenis van Saul, en uit vergelijking van het een met het ander, kunnen wij leren aan de ere, die van God is, de rang te geven boven de eer, waarover de wereld de beschikking heeft, of beweert te hebben.
Samuel en Saul, hoe weinig verschil in hun beide namen en toch hoe oneindig veel verschil, wat hun leven, hun sterven en hun verwachting voor de eeuwigheid betreft!.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
1 Samuël 31
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen1 Samuël 28:4→1 Kronieken 10:1→Richteren 9:54→2 Samuël 1:20→Richteren 2:13→Jozua 17:11→1 Kronieken 8:33→1 Samuël 14:6→
— De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters. Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem. Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk. Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa. En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk. En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.
Van David en zijn ondervindingen keert het verhaal tot de Filistijnen en Saul terug. De eersten, door de kinderen van Israël in leger bij Sunem aangevallen, op de morgen na de nacht, waarin Saul bij de waarzegster geweest is, slaan de laatsten op de vlucht en richten een grote slachting onder hen aan. Saul met zijn drie zonen komt zelf in grote nood op het gebergte van Gilboa; zijn zonen vallen; hij weet niet meer wat te doen; in zijn wanhoop verlangt hij van zijn wapendrager, dat deze hem doorsteekt; hij doet dit zelf, omdat deze het weigert. De volgende dag vinden de Filistijnen zijn lijk en de lijken van zijn zonen bij het uitplunderen van de verslagenen; zij houwen de hoofden af en trekken hun de wapens uit, die zij vervolgens als zegetekenen in hun land rondzenden, en daarop in hun afgodstempels als geschenken neerleggen. De aan de stadsmuren van Beth-Sean genagelde lijken worden daarna door de Jabesieten weggehaald, en wat het vlees betreft verbrand; de beenderen worden onder de Terebinth bij hun stad begraven. Vergelijk 1 Kronieken 10.
De Filistijnen dan, van wie wij in 28: 1vv. zagen, hoe zij hun legers verzamelden, in 29: 1vv. hoe zij naar Afek in de vlakte van Jizreël trokken, in 28: 3vv., hoe hun leger door Saul in Sunem van Gilboa af met vrees bespied werd, streden tegen Israël, terwijl David de in 30 meegedeelde krijgstocht ondernam; en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen en er vielen vele verslagen op het gebergte Gilboa, 1) waarheen zij na het verliezen van de slag terug vluchtten.
Het hoofd-treffen had plaats in de vlakte van Jizreël, maar waar nu de zege was aan de zijde van de Filistijnen, daar vluchtte het overschot naar het gebergte van Gilboa.
En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; zij drongen voornamelijk op deze aan, om hen meester te worden, en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul, die met de vader in de strijd getrokken waren, terwijl de vierde zoon Esbaäl of Isboseth thuis was gebleven, of bij de veldheer Abner was, die met hem over de Jordaan ontkwam. Van twee andere zonen van Saul, Armoni en Mefiboseth, die hem zijn bijvrouw Rizpa (2 Samuel .3: 7vv.) baarde, is noch hier noch in 14: 49 sprake, maar pas in 2 Samuel .21: 8vv. ; waarschijnlijk waren deze toen nog zeer jong.
En de strijd werd zwaar tegen Saul, die de Filistijnen in het bijzonder zochten, en de mannen, die met de boog schieten, troffen hem aan, 1) en hij vreesde zeer voor de schutters,
omdat hij bemerkte, dat hij hen niet meer kon ontkomen.
In het Hebreeuws Wajimtsaüchoe, d.i. bereikten hem. De boogschutters, nadat zijn zonen gedood waren, vervolgden nu ook Saul en hadden hem eindelijk omringd, zodat van geen ontkomen meer sprake was. De LXX vertalen: zij verwondden hem in het onderlijf. De Vulgata: hij werd hevig verwond door de boogschutters. Deze vertalingen deugen echter niet, omdat Saul de kracht dan niet meer zou gehad hebben, om zichzelf te doden.
God had Saul met geduld verdragen, maar eindelijk moest Hij hem naar Zijn rechtvaardig oordeel bezoeken met de verdiende straf, ofschoon het wel scheen, dat hem straffeloosheid voor zijn ongerechtigheden beloofd was, vanwege het taal geduld van God, zolang David door verschillende beproevingen was geoefend en God hem scheen te vergeten. Maar door de daad zelf openbaart God, dat Zijn geduld de straf niet opheft, die slechts uitgesteld werd om vervolgens te zwaarder te treffen. Zo ook was het oordeel van God over Saul zwaarder, naarmate het geduld groter was geweest. En David kwam eindelijk tot de hem beloofde regering, na langdurige beproeving. Zijn hoop daarop was niet tevergeefs geweest, en daarom was zijn glorie des te meer in het oog vallend, naarmate zijn beproeving groter was geweest.
Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen, de Filistijnen (17: 26), niet komen en mij doorsteken, en met mij de spot drijven,
noch mijn lijk tentoonstellen (Jud 9: 54). Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer zijn hand te leggen aan zijn heer, de gezalfde van de Heere (24: 7; 26: 9,23; 2 Samuel .1: 14). Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin, stortte zichzelf daarin.
In welk gevaar wij ons ook bevinden, laten wij de toevlucht nemen als onder de vleugels van God en tot Hem met voortdurende gebeden ons wenden, opdat Hij zelf ons regere en in tegenspoeden ons schenke een onoverwinnelijk geduld, opdat Hij altijd onze begeerte breidele, en wel zo, dat wij tegen Zijn wil niets ondernemen, maar wij ons altijd aan Hem onderwerpen.
Hij ziet de dood naderen, en zijn grootste zorg is, dat zijn lichaam niet in de handen van de Filistijnen valle, maar hij draagt geen zorg, om zijn ziel te bevelen in de hand van God, Die haar gegeven had. Zoals hij geleefd had, stierf hij ook, n.l. hoogmoedig en ijverzuchtig, en een verschrikking zijnde voor zichzelf en voor allen, die bij hem waren.
Jonathan stierf door de hand van zijn vijanden. Saul door zijn eigen. Saul stierf als een mens, die geen vrees voor, maar ook geen hoop meer had op God. Hij stierf, niet als een krijgsman, maar als een lafaard. Al zijn roem was nu weg, ook voor de wereld. Zo ontving hij het loon van een zondaar. Beginnende met de Geest, eindigde hij op ontzettende wijze in het vlees.
Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem, in verkeerd begrepen trouw jegens zijn koning. Die tegen Gods gebod Agag gespaard had, spaarde nu zichzelf niet, ook tegen Gods gebod; hij had zich geheel verkocht, om kwaad te doen. De zelfmoord voert uit de wanhoop eerst in de ware volkomen wanhoop; want deze is eerst daar, waar de mens tot het bewustzijn komt, dat hij ook door zelfmoord de gewenste vernietiging van zijn persoonlijk bestaan niet bereikt, dat hij een onsterfelijke ziel heeft en deze van God gescheiden is. De meeste zedenleraars vatten de zelfmoord op als werkelijk tegen het lichaam gericht; de zelfmoordenaar wil echter niet alleen uit de aardse ellende zich bevrijden, hij wil zijn bestaan geheel vernietigen. De Christen kan nooit in het geval komen, door zelfmoord aan een zwaar lijden of een zware verzoeking te ontkomen. Wanneer in de tijden van de vervolging van de Oude kerk enige gevallen voorkomen, dat Christelijke vrouwen en maagden, om een geweldadige schending te ontkomen, zichzelf doodden, en dit door de tijdgenoten geprezen werd, zo was dit, evenals het in 2 Makk.14: 41vv. meegedeelde geval, een zedelijke dwaling. Deze werd door Augustinus beslist gelaakt, omdat de kuisheid niet in het lichaam, maar in het hart rust, en het hart ook bij ondergaan geweld, rein kan blijven (Deuteronomium 22: 26). De vraag of iemand zich aan een ongeneeslijke ziekte, bijv. hondsdolheid, door zelfmoord onttrekken mag, is voor de Christen beslist ontkennend te beantwoorden. De Christen wacht in ootmoedige onderwerping, wat God hem toezendt, en vol vertrouwen, dat het tot zijn waarachtig heil zal dienen; wat hij niet door rechtmatige middelen kan afwenden, dat ziet hij als Gods wil aan, en hij kan zich de bevrijding van het aardse leven niet laten kopen door misdadig ingrijpen in Gods bestuur, want God heeft het aan Zich gehouden, de dood te bepalen.
Hebt gij ooit gehoord van stormen, die het hart teisteren, wanneer oude en nieuwe gedachten elkaar bestrijden en verdringen, wanneer de nijd knaagt, de toorn woedt, de driften drijven, de hartstochten opbruisen? Hoe donker en benauwd is het, wanneer de herinneringen aan de uren van onze zonden, het hels heldere bewustzijn van werken van de duisternis als dreigende bakens op het rusteloze heden indringen! Hoe donker en benauwd, wanneer te midden van die vreselijke gestalten, de vertegenwoordigers van een bezoedeld en verwoest leven, de vloek zich als een grijnzend schrikbeeld verheft, en de bedrukte door zijn gewicht dreigt te verpletteren! Bij mij laat Sauls levensgeschiedenis steeds een indruk van huivering achter, zoals hij van het ogenblik, waarop Samuel tot hem zei: “omdat gij het woord van de Heere verworpen hebt, heeft Hij u verworpen”, (15: 23,26) geen rust, geen vrede, en in vrede, in oorlog, op de troon geen geluk meer heeft. Argwaan, wantrouwen, haat, vijandschap, tegen de trouwste dienaar, de edelste zoon, bestormen als zoveel vijanden zijn wrevelig hart en verwoesten zijn levensgeluk. In de menigte van zijn dienaars, in de kracht van zijn helden, in de bloei van zijn verheven geslacht, in de gehoorzaamheid van het volk, die sieraden en voorrechten van zijn kroon, vindt hij vreugde noch vertroosting meer. Geen liefde van de gehate, geen beminnelijkheid in de vervolgde, geen trouw, geen bede, geen weemoedige klacht, geen verheffende Psalm van de onschuldige is in staat zijn haat te bezweren, zijn woede te beteugelen. Hij verlaat steeds weer zijn troon; jaagt hem bloeddorstig met de wapens na; leidt zoals het roofdier van de woestijn, om zijnentwil een zwervend en ongestadig leven in Juda’s wildernissen; in één woord, hij voelt zich rampzalig. Soms dringt nog een zonnestraal van de hemel door tot het eertijds geopend hart, en doet de ijskorst, die het omgeeft, een ogenblik smelten. Dan erkent hij zijn dwaasheid, bekent zijn boosheid, heeft schaamte, berouw en tranen, bewondert en bemint David, voorspelt hem de heerschappij, en beveelt zijn kinderen in diens barmhartigheid aan, ijdele bloesems! Het zijn de sombere nagalmen, de laatste opflikkeringen van het menselijke, van het goddelijke, dat in de diepte van de zonde verdwijnt. Alles is tevergeefs. Onmachtig worstelt hij tegen de stromen van de afgrond, en wordt meegesleurd. Saul benijdt weer, haat, woedt en vervolgt weer, peinst weer op verraad, koestert moordplannen tegen de held, de redder van koning en volk. En rampspoed en toorn volgen hem op de hielen. De hemel boven zijn hoofd wordt steeds meer donker, de aarde voor zijn voet onveilig. Onweerswolken pakken zich samen. De vijand dreigt, meer dan ooit te voren; zijn hoogmoed kent geen vrees, zijn trots is van de zege verzekerd. Saul ziet die legerbenden, en de held, gewoon te overwinnen, beeft. God heeft hem verlaten, de hel drijft hem voort. Hij zoekt de tovenares van Endor, ziet de man van God (?) en hoort een bevestiging van zijn voorgevoel. De mannen van Israël vluchten voor de Filistijnen, en vallen verslagen op het gebergte Gilboa. En de Filistijnen houden dicht op Saul en zijn zonen aan, en slaan Jonathan, en Abinadab en Malchi-sua, de zonen van Saul; en de strijd wordt zwaar tegen Saul, en de boogschutters benauwen hem. Toen zei hij tot zijn wapendrager: “Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij, dat niet misschien de onbesnedenen komen, en met mij de spot drijven.” Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard en viel daarin. Dat is de vloek. Saul heeft een sterkere dan hij tegen zich; God heeft hem verworpen; de hemel, de aarde, de hel, niemand, niets kon hem redden. In een ogenblik wordt zijn geluk, zijn zegen, zijn leven, zijn eeuwige toekomst vernietigd, en alles verheft zich tegen hem, ja voorwaar de vloek van de Heere drukt zwaar.”
Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, 1) allen, die van zijn geslacht en van zijn huis aan de strijd hadden deelgenomen, op dezelfde dag tegelijk.
Al zijn mannen, in het Boek der kronieken staat: geheel zijn huis. Het laatste verklaart het eerste. Allen die tot zijn huis in betrekking stonden en met hem in het leger waren opgetrokken, vielen in de slag, zowel bloedverwanten als dienstmannen.
Toen de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal, ten westen van de vlakte van Israël, waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, die tussen het gebergte van Gilboa en de westelijke Jordaanoever woonden, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en tevens vernamen, dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden van dit gehele rondom de strijdplaats gelegen gebied, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin, zodat het gehele noordelijke gedeelte van het land in hun handen viel, en nog slechts alleen Judea en Perea aan de overzijde van de Jordaan aan de Israëlieten toebehoorden.
En zij legden na deze triomftocht zijn wapens en die van zijn zonen in het huis van Astharoth, in de tempel van hun godin Astarte of Atargatis (Deuteronomium 16: 21 “Jud 16:
ten geschenke (1 Samuel .17: 54; 21: 9) neer, terwijl zij aan hun afgod Dagon de schedels van de verslagenen wijdden, en die aan zijn tempel hechtten (1 (Kronieken 10: 10); en zijn lichaam hechtten zij met de overige onthoofde lijken tot smaad en hoon aan de muur te Beth-Aan 1)
Beth-Aan of Beth-Sean (= huis van de rust), thans Beisan, ligt aan het einde van de vlakte van Jizreël, naar de zijde van de Jordaan, op ongeveer 2 uur afstand; hoewel in het gebied van de stam Issaschar gelegen, werd het toch aan de stam van Manasse toegedeeld (Joz.17: 11,16), door deze echter niet in bezit genomen (Richteren 1: 27), Na de ballingschap ontving het de naam van Scythopolis, d.i. Scythenstad, omdat ten tijde van koning Jozua Scythen (2 Koningen .22 en 23), die door Palestina naar Egypte trokken, zich daar vestigden (); daarom worden ook in Col.3: 11 naast Grieken en Joden de Scythen in het bijzonder genoemd, omdat nakomelingen van deze in Palestina zelf woonden. Nog in de 4de en 5de eeuw na Christus was Beth-Sean een prachtige stad en een zetel van een Christelijke bisschop, terwijl ook Basilides en Cyrillus daar geboren zijn, thans is het slechts een dorp van 70-80 huizen; de ongeveer 300 inwoners worden als een arm, fanatiek en roofachtig volk beschreven.
Zo maakten zich, uit dankbaarheid voor de hun vroeger door Saul bewezen weldaad (11), op alle strijdbare mannen, en gingen de gehele nacht, de 3-4 mijl lange weg, en zij namen, nog gedurende de nacht, om door de Filistijnen, die het land bezet hielden, niet gehinderd te worden, het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-Aan; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar, 1) omdat wegens de verminking geen gewone begraving meer kon gebeuren.
Overigens was het geen gewoonte in Israël, de lijken te verbranden, zoals Tacitus hist. V.5, ten onrechte bericht; dit gebeurde alleen bij zware misdadigers (Lev.20: 14,21: 9); hier echter, evenals ook Amos 6: 11 gebeurde het in geval van nood.
Dit verbranden had alleen betrekking op het vlees en niet op het gehele lijk. Het vlees werd tot op de beenderen afgebrand en daarna werden de beenderen begraven onder het geboomte te Jabes.
En zij namen hun beenderen, waarvan het vlees was afgebrand, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes, een nog ten tijde, dat dit geschreven werd te Jabes zich bevindende Tamarisk, en zij vastten, diep bedroefd over het smartelijk einde van de koning, zeven dagen. Later liet David de beenderen van daar halen en met die van andere familieleden van Sauls huis te Zela in de stam van Benjamin bijzetten (2 Samuel .21: 11vv.).
In deze smadelijke ondergang van Saul openbaart zich het gericht van God over zijn verharding. De liefde echter, die de burgers van Jabes aan de lijken van Saul en zijn zonen bewezen, gold niet de van God verworpenen, maar de met de Geest van de HEERE gezalfde koning, en was een daadwerkelijke veroordeling, niet van het goddelijk gericht, dat op Saul was gevallen, maar van de wreedheid van de vijanden van Israël en van zijn gezalfde.
Is het niet opmerkelijk, dat God David op hetzelfde ogenblik, dat Saul op het gebergte van Gilboa verslagen werd, en alzo de troon voor David leeg stond, hem in zo’n angst en benauwdheid vallen liet (1 Samuel .30: 6)? Ja, in hetzelfde ogenblik, waarin David graag zijn koningschap zou hebben willen geven voor de redding uit dat levensgevaar, werd hem de grootste beschikt. Alvorens God het koninkrijk aan David gaf, en wel op het punt, dat Hij het hem geven zou; moest hij nog één beproeving, één droefheid doorstaan, en wel de zwaarste, die hij tot nu toe ondervonden had. Dat waren de barensweeën van zijn verlossing. Wij zien het, God houdt tweeërlei rekening met de zijnen: allereerst: van hun ongeloof. David had gezondigd. Daarom stond er voor Gilboa een Ziklag. Te Ziklag werd de rekening van het ongeloof gesloten, te Gilboa werd de rekening van het geloof voortgezet, want het geloof behoudt altijd de overhand. Daarentegen sloot God op Gilboa de rekening van het ongeloof met Saul voor deze tijd, zonder dat er een rekening van het geloof met hem bestond.
Dit Boek begon met de geboorte van Samuel en het eindigt met de begrafenis van Saul, en uit vergelijking van het een met het ander, kunnen wij leren aan de ere, die van God is, de rang te geven boven de eer, waarover de wereld de beschikking heeft, of beweert te hebben.
Samuel en Saul, hoe weinig verschil in hun beide namen en toch hoe oneindig veel verschil, wat hun leven, hun sterven en hun verwachting voor de eeuwigheid betreft!.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel