Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En de FilistijnenH6430verzameldenH622 hun heirH4264 ten strijdeH4421, en verzameldenH622 zich te SochoH7755, datH834 in JudaH3063 is; en zij legerdenH2583 zich tussenH996SochoH7755 en tussenH996AzekaH5825, aan het einde van DammimH658.En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
KJVNow the Philistines2gathered together1their armies4to battle,5and were gathered together6at Shochoh,7which belongeth to Judah,9and pitched10between Shochoh12and Azekah,14in Ephesdammim.15
1וַיַּאַסְפ֨וּH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw2פְלִשְׁתִּ֤יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4מַֽחֲנֵיהֶם֙H4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents5לַמִּלְחָמָ֔הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)6וַיֵּאָ֣סְפ֔וּH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw7שֹׂכֹ֖הH7755SochoShocho, Shochoh, Sochoh, Soco, Socoh8אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9לִיהוּדָ֑הH3063JudaJudah10וַֽיַּחֲנ֛וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent11בֵּיןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within12שׂוֹכֹ֥הH7755SochoShocho, Shochoh, Sochoh, Soco, Socoh13וּבֵיןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within14עֲזֵקָ֖הH5825AzekaAzekah15בְּאֶ֥פֶסH658DammimEphes-dammim16דַּמִּֽיםH658DammimEphes-dammim
2Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Doch SaulH7586 en de mannenH376 van IsraelH3478verzameldenH622 zich, en legerdenH2583 zich in het eikendalH6010; en steldenH6186 de slagordeH4421 tegen de FilistijnenH6430 aan.Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.
KJVAnd Saul1and the men2of Israel3were gathered together,4and pitched5by the valley6of Elah,7and set the battle9in array8againstthe Philistines.11
1וְשָׁא֤וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul2וְאִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4נֶאֶסְפ֔וּH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw5וַֽיַּחֲנ֖וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent6בְּעֵ֣מֶקH6010dal, dals, dalendale, vale, valley (often used as a part of proper names). See also H1025 (בֵּית הָעֵמֶק)7הָאֵלָ֑הH425ElaElah8וַיַּעַרְכ֥וּH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value9מִלְחָמָ֖הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)10לִקְרַ֥אתH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet11פְּלִשְׁתִּֽיםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
3De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3De FilistijnenH6430 nu stondenH5975aanH413 een bergH2022 aan geneH2088, en de IsraelietenH3478stondenH5975aanH413 een bergH2022 aan deze zijde; en de valleiH1516 was tussenH996 hen.De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
KJVAnd the Philistines1stood2on a mountain4on the one side, and Israel6stood7on a mountain9on the other side: and there was a valley11between them.
1וּפְלִשְׁתִּ֞יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine2עֹמְדִ֤יםH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הָהָר֙H2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion5מִזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)6וְיִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7עֹמְדִ֥יםH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry8אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9הָהָ֖רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion10מִזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11וְהַגַּ֖יְאH1516dal, dalen, valleivalley12בֵּינֵיהֶֽםH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within
4Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen ging er een kampvechterH376 uit, uit het legerH4264 der FilistijnenH6430; zijn naamH8034 was GoliathH1555, van GathH1661; zijn hoogteH1363 was zesH8337ellenH520 en een spanH2239.Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
KJVAnd there went out1a champion2out of the camp4of the Philistines,5named7Goliath,6of Gath,8whose height9was six10cubits11and a span.12
1וַיֵּצֵ֤אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2אִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3הַבֵּנַ֨יִם֙H1143[phrase] champion4מִמַּחֲנ֣וֹתH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents5פְּלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine6גָּלְיָ֥תH1555GoliathGoliath7שְׁמ֖וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report8מִגַּ֑תH1661GathGath9גָּבְה֕וֹH1363hoogte, hoogheid, hoogexcellency, haughty, height, high, loftiness, pride10שֵׁ֥שׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth11אַמּ֖וֹתH520ellen, el, anderhalvecubit, [phrase] hundred (by exchange for H3967 (מֵאָה)), measure, post12וָזָֽרֶתH2239spanspan
5En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En hij had een koperenH5178helmH3553opH5921 zijn hoofdH7218, en hij had een schubachtigH7193pantsierH8302 aan; en het gewichtH4948 van het pantsierH8302 was vijfH2568duizendH505sikkelenH8255kopersH5178;En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
KJVAnd he had an helmet1of brass2upon his head,4and he was armed8with a coat5of mail;6and the weight9of the coat10was five11thousand12shekels13of brass.14
1וְכ֤וֹבַעH3553helm, helmenhelmet. Compare H6959 (קוֹבַע)2נְחֹ֨שֶׁת֙H5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4רֹאשׁ֔וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top5וְשִׁרְי֥וֹןH8302pantsier, pantser, pantsierenbreastplate, coat of mail, habergeon, harness. See H5630 (סִרְיֹן)6קַשְׂקַשִּׂ֖יםH7193schubben, schubachtigmail, scale7ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8לָב֑וּשׁH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear9וּמִשְׁקַל֙H4948gewicht, goudgewicht(full) weight10הַשִּׁרְי֔וֹןH8302pantsier, pantser, pantsierenbreastplate, coat of mail, habergeon, harness. See H5630 (סִרְיֹן)11חֲמֵשֶׁתH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)12אֲלָפִ֥יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand13שְׁקָלִ֖יםH8255sikkelen, sikkel, sikkelsshekel14נְחֹֽשֶֽׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel
6En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En een koperenH5178scheenharnasH4697bovenH5921 zijn voetenH7272, en een koperenH5178schildH3591tussenH996 zijn schoudersH3802;En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
KJVAnd he had greaves1of brass2upon his legs,4and a target5of brass6between his shoulders.8
1וּמִצְחַ֥תH4697scheenharnasgreaves2נְחֹ֖שֶׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4רַגְלָ֑יוH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time5וְכִיד֥וֹןH3591spies, lans, schildlance, shield, spear, target6נְחֹ֖שֶׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel7בֵּ֥יןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within8כְּתֵפָֽיוH3802schouder, schouderbanden, schouderenarm, corner, shoulder(-piece), side, undersetter
7En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En de schachtH6086 zijner spiesH2595 was als een weversboomH707, en het lemmerH3852 zijner spiesH2595 was van zeshonderdH8337sikkelenH8255ijzersH1270; en de schilddragerH5375gingH1980 voor zijn aangezichtH6440.En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
KJVAnd the staff1of his spear2was like a weaver's4beam;3and his spear's6head5weighed six7hundred8shekels9of iron:10and one bearing11a shield12went13before14him.
1וְעֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood2חֲנִית֗וֹH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear3כִּמְנוֹר֙H4500beam4אֹֽרְגִ֔יםH707weversboom, geweven, weversweaver(-r)5וְלַהֶ֣בֶתH3852vlam, vlammend, vlammigflame(-ming), head (of a spear)6חֲנִית֔וֹH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear7שֵׁשׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth8מֵא֥וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore9שְׁקָלִ֖יםH8255sikkelen, sikkel, sikkelsshekel10בַּרְזֶ֑לH1270ijzer, ijzeren, ijzers(ax) head, iron11וְנֹשֵׂ֥אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield12הַצִּנָּ֖הH6793rondas, rondassen, hakenbuckler, cold, hook, shield, target13הֹלֵ֥ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl14לְפָנָֽיוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
8Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Deze nu stondH5975, en riepH7121totH413 de slagordenH4634 van IsraelH3478, en zeideH559 tot hen: WaaromH4100 zoudt gijlieden uittrekkenH3318, om de slagordeH4421 te stellenH6186? Ben ikH595nietH3808 een FilistijnH6430, en gijliedenH859knechtenH5650 van SaulH7586? KiestH1262 een manH376 onder u, die totH413 mij afkomeH3381.Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
KJVAnd he stood1and cried2unto the armies4of Israel,5and said6unto them, Why are ye come out9to set your battle11in array?10am not I a Philistine,14and ye servants16to Saul?17choose18you a man20for you, and let him come down21to me.
1וַֽיַּעֲמֹ֗דH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2וַיִּקְרָא֙H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מַעַרְכֹ֣תH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row5יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7לָהֶ֔ם8לָ֥מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why9תֵצְא֖וּH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter10לַעֲרֹ֣ךְH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value11מִלְחָמָ֑הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)12הֲל֧וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without13אָנֹכִ֣יH595ik, mijI, me, [idiom] which14הַפְּלִשְׁתִּ֗יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine15וְאַתֶּם֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you16עֲבָדִ֣יםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant17לְשָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul18בְּרוּH1262ete, Kiest, atchoose, (cause to) eat, manifest, (give) meat19לָכֶ֥ם20אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)21וְיֵרֵ֥דH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down22אֵלָֽיH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)
9Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Indien hij tegen mij strijdenH3898 en mij verslaanH5221kanH3201, zoH518 zullen wij ulieden tot knechtenH5650zijnH1961; maar indienH518ikH589 hem overwinH3201 en hem slaH5221, zo zult gij ons tot knechtenH5650zijnH1961, en ons dienenH5647.Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.
KJVIf he be able2to fight3with me, and to kill5me, then will we be your servants:8but if I prevail11against him, and kill13him, then shall ye be our servants,16and serve17us.
1אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2יוּכַ֞לH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer3לְהִלָּחֵ֤םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)4אִתִּי֙H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix5וְהִכָּ֔נִיH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound6וְהָיִ֥ינוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7לָכֶ֖ם8לַעֲבָדִ֑יםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant9וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet10אֲנִ֤יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who11אֽוּכַלH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer12לוֹ֙13וְהִכִּיתִ֔יוH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound14וִהְיִ֤יתֶםH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15לָ֨נוּ֙16לַעֲבָדִ֔יםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant17וַעֲבַדְתֶּ֖םH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,18אֹתָֽנוּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
10Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Verder zeideH559 de FilistijnH6430: Ik heb hedenH3117 de slagordenH4634 van IsraelH3478gehoondH2778, zeggende: GeeftH5414 mij een manH376, datH2088 wij te zamenH3162strijdenH3898!Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
KJVAnd the Philistine2said,1I defy4the armies6of Israel7this day;8give10me a man,12that we may fight13together.14
1וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3אֲנִ֗יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who4חֵרַ֛פְתִּיH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6מַעַרְכ֥וֹתH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row7יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8הַיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10תְּנוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield11לִ֣י12אִ֔ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)13וְנִֽלָּחֲמָ֖הH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)14יָֽחַדH3162samen, tezamenalike, at all (once), both, likewise, only, (al-) together, withal
11Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Toen SaulH7586 en het ganseH3605IsraelH3478dezeH428woordenH1697 van den FilistijnH6430hoordenH8085, zo ontzettenH2865 zij zich, en vreesdenH3372zeerH3966.Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.
KJVWhen Saul2and all Israel4heard1those words6of the Philistine,7they were dismayed,9and greatly11afraid.10
1וַיִּשְׁמַ֤עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2שָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work7הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine8הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)9וַיֵּחַ֥תּוּH2865ontzet, verbroken, verschriktabolish, affright, be (make) afraid, amaze, beat down, discourage, (cause to) dismay, go down, scare, terrify10וַיִּֽרְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)11מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
12David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12DavidH1732 nu was de zoonH1121 van den EfrathischenH673manH376 van Bethlehem-JudaH1035, wiens naamH8034 was IsaiH3448, en dieH2088achtH8083zonenH1121 had, en in de dagenH3117 van SaulH7586 was hij een manH376, oudH2204, afgaandeH935 onder de mannenH582.David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
KJVNow David1was the son2of that Ephrathite3of Bethlehemjudah,6whose name9was Jesse;10and he had eight12sons:13and the man14went18among menfor an old man17in the days15of Saul.16
1וְדָוִד֩H1732David, DavidsDavid2בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אִ֨ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4אֶפְרָתִ֜יH673Efrathiet, Efraimiet, EfrathersEphraimite, Ephrathite5הַזֶּ֗הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)6מִבֵּ֥יתH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem7לֶ֨חֶם֙H1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem8יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah9וּשְׁמ֣וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report10יִשַׁ֔יH3448IsaiJesse11וְל֖וֹ12שְׁמֹנָ֣הH8083acht, achttien, achthonderdeight(-een, -eenth), eighth13בָנִ֑יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14וְהָאִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15בִּימֵ֣יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger16שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul17זָקֵ֖ןH2204oud, veroudertaged man, be (wax) old (man)18בָּ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way19בַאֲנָשִֽׁיםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
13En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En de drieH7969grootsteH1419zonenH1121 van IsaiH3448 gingen heen; zij volgden SaulH7586naH310 in den krijgH4421. De namenH8034 nu zijner drieH7969zonenH1121, dieH834 in den krijgH4421 gingen, waren: EliabH446, de eerstgeboreneH1060, en zijn tweedeH4932AbinadabH41, en de derdeH7992SammaH8048.En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.
Ook in dit vers
gingenH1980
gingenH3212
KJVAnd the three2eldest5sons3of Jesse4went1and followed7Saul8to the battle:9and the names10of his three11sons12that went6to the battle15were Eliab16the firstborn,17and next18unto him Abinadab,19and the third20Shammah.21
1וַיֵּ֨לְכ֜וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2שְׁלֹ֤שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)3בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יִשַׁי֙H3448IsaiJesse5הַגְּדֹלִ֔יםH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very6הָלְכ֥וּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl7אַחֲרֵיH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with8שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul9לַמִּלְחָמָ֑הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)10וְשֵׁ֣םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report11שְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)12בָּנָ֗יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14הָלְכוּ֙H1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl15בַּמִּלְחָמָ֔הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)16אֱלִיאָ֣בH446EliabEliab17הַבְּכ֗וֹרH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)18וּמִשְׁנֵ֨הוּ֙H4932tweede, dubbel, tweedencollege, copy, double, fatlings, next, second (order), twice as much19אֲבִ֣ינָדָ֔בH41AbinadabAbinadab20וְהַשְּׁלִשִׁ֖יH7992derde, derden, driejarigethird (part, rank, time), three (years old)21שַׁמָּֽהH8048SammaShammah
14En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En DavidH1732 was de kleinsteH6996; en de drieH7969grootstenH1419 waren SaulH7586nagevolgdH1980.En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
KJVAnd David1was the youngest:3and the three4eldest5followed6Saul.8
1וְדָוִ֖דH1732David, DavidsDavid2ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who3הַקָּטָ֑ןH6996kleinste, kleine, kleinleast, less(-er), little (one), small(-est, one, quantity, thing), young(-er, -est)4וּשְׁלֹשָׁה֙H7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)5הַגְּדֹלִ֔יםH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very6הָלְכ֖וּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl7אַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with8שָׁאֽוּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul
15Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Doch DavidH1732gingH1980 henen, en kwam weder van SaulH7586, om zijns vadersH1schapenH6629 te weidenH7462 te BethlehemH1035.Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.
1וְדָוִ֛דH1732David, DavidsDavid2הֹלֵ֥ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl3וָשָׁ֖בH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw4מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5שָׁא֑וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul6לִרְע֛וֹתH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8צֹ֥אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)9אָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'10בֵּֽיתH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem11לָֽחֶםH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem
16De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16De FilistijnH6430 nu tradH5066 toe, des morgens vroegH7925 en des avondsH6150. Alzo steldeH3320 hij zich daar veertigH705dagenH3117 lang.De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.
KJVAnd the Philistine2drew near1morning3and evening,4and presented5himself forty6days.7
1וַיִּגַּ֥שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand2הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3הַשְׁכֵּ֣םH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning4וְהַעֲרֵ֑בH6150avond, avonds, verduisterdbe darkened, (toward) evening5וַיִּתְיַצֵּ֖בH3320stelde, stellen, steltpresent selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up)6אַרְבָּעִ֥יםH705veertig, veertigste, Veertig-forty7יֽוֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
17En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En IsaiH3448zeideH559 tot zijn zoonH1121DavidH1732: NeemH3947tochH4994 voor uw broedersH251 een efaH374 van ditH2088geroost korenH7039, en dezeH2088tienH6235brodenH3899, en breng ze ter loops in het legerH4264 tot uw broederenH251.En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.
Ook in dit vers
terloopsH7323
KJVAnd Jesse2said1unto David3his son,4Take5now for thy brethren7an ephah8of this10parched9corn, and these ten11loaves,12and run14to the camp15to thy brethren;16
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יִשַׁ֜יH3448IsaiJesse3לְדָוִ֣דH1732David, DavidsDavid4בְּנ֗וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5קַחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win6נָ֤אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh7לְאַחֶ֨יךָ֙H251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'8אֵיפַ֤תH374efa, tweeerleiephah, (divers) measure(-s)9הַקָּלִיא֙H7039geroost, geroost korenparched corn10הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11וַעֲשָׂרָ֥הH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen12לֶ֖חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals13הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)14וְהָרֵ֥ץH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post15הַֽמַּחֲנֶ֖הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents16לְאַחֶֽיךָH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'
18Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Maar brengH935dezeH428tienH6235melkkazenH2461 aan de overstenH8269 over duizendH505; en gij zult uw broederenH251bezoekenH6485, of het hun welgaH7965, en gij zult van hen pandH6161medenemenH3947.Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
KJVAnd carry6these ten2cheeses4unto the captain7of their thousand,8and look11how thy brethren10fare,12and take15their pledge.14
1וְ֠אֵתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2עֲשֶׂ֜רֶתH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen3חֲרִצֵ֤יH2757dorswagens[phrase] cheese, harrow4הֶֽחָלָב֙H2461melk, melkkazen, melklam[phrase] cheese, milk, sucking5הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)6תָּבִ֖יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7לְשַׂרH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward8הָאָ֑לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10אַחֶ֨יךָ֙H251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'11תִּפְקֹ֣דH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want12לְשָׁל֔וֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14עֲרֻבָּתָ֖םH6161borg, pandpledge, surety15תִּקָּֽחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win
19Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19SaulH7586 nu, en zijH1992, en alleH3605mannenH376 van IsraelH3478 waren bij het eikendalH6010 met de FilistijnenH6430strijdendeH3898.Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
KJVNow Saul,1and they, and all the men4of Israel,5were in the valley6of Elah,7fighting8with the Philistines.10
1וְשָׁא֤וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul2וְהֵ֨מָּה֙H1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye3וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)5יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6בְּעֵ֖מֶקH6010dal, dals, dalendale, vale, valley (often used as a part of proper names). See also H1025 (בֵּית הָעֵמֶק)7הָֽאֵלָ֑הH425ElaElah8נִלְחָמִ֖יםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)9עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)10פְּלִשְׁתִּֽיםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
20Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Toen maakte zich DavidH1732 des morgensH1242vroegH7925 op, en hij liet de schapenH6629bijH5921 den hoederH8104, en hij namH5375 het op, en gingH3212 henen, gelijk als IsaiH3448 hem bevolenH6680 had; en hij kwamH935 aan den wagenburgH4570, als het heirH2428 in slagordeH4634uittoogH3318, en men ten strijdeH4421riepH7321.Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.
KJVAnd David2rose up early1in the morning,3and left4the sheep6with a keeper,8and took,9and went,10as Jesse13had commanded12him; and he came14to the trench,15as the host16was going forth17to the fight,19and shouted20for the battle.21
1וַיַּשְׁכֵּ֨םH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning2דָּוִ֜דH1732David, DavidsDavid3בַּבֹּ֗קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow4וַיִּטֹּ֤שׁH5203verlaten, varen, verlaatcast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הַצֹּאן֙H6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8שֹׁמֵ֔רH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)9וַיִּשָּׂ֣אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield10וַיֵּ֔לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak11כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12צִוָּ֖הוּH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order13יִשָׁ֑יH3448IsaiJesse14וַיָּבֹא֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way15הַמַּעְגָּ֔לָהH4570gangen, sporen, wagenburggoing, path, trench, way(-side)16וְהַחַ֗יִלH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)17הַיֹּצֵא֙H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter18אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)19הַמַּ֣עֲרָכָ֔הH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row20וְהֵרֵ֖עוּH7321juichen, juichte, Juichtblow an alarm, cry (alarm, aloud, out), destroy, make a joyful noise, smart, shout (for joy), sound an alarm, triumph21בַּמִּלְחָמָֽהH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)
21En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En de IsraelietenH3478 en FilistijnenH6430steldenH6186slagordeH4634 tegen slagordeH4634.En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.
KJVFor Israel2and the Philistines3had put the battle in array,1army4againstarmy.6
1וַתַּעֲרֹ֤ךְH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value2יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3וּפְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine4מַעֲרָכָ֖הH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row5לִקְרַ֥אתH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet6מַעֲרָכָֽהH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row
22David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22DavidH1732 nu lietH5203 de vatenH3627 van zich, onder de handH3027 van den bewaarderH8104 der vatenH3627, en hij liepH7323 ter slagordeH4634; en hij kwamH935 en vraagdeH7592 zijn broederenH251 naar hun welstandH7965.David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
KJVAnd David2left1his carriage4in the hand7of the keeper8of the carriage,9and ran10into the army,11and came12and saluted13his brethren.14
1וַיִּטֹּשׁ֩H5203verlaten, varen, verlaatcast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer2דָּוִ֨דH1732David, DavidsDavid3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַכֵּלִ֜יםH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever5מֵעָלָ֗יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7יַד֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves8שׁוֹמֵ֣רH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)9הַכֵּלִ֔יםH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever10וַיָּ֖רָץH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post11הַמַּעֲרָכָ֑הH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row12וַיָּבֹ֕אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way13וַיִּשְׁאַ֥לH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish14לְאֶחָ֖יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'15לְשָׁלֽוֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly
23Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Toen hijH1931metH5973 hen sprakH1696, zietH2009, zo kwam der kampvechterH376 op; zijn naamH8034 was GoliathH1555, de FilistijnH6430 van GathH1661, uit het heirH4634 der FilistijnenH6430, en hij sprakH1696 achtervolgens dieH428woordenH1697; en DavidH1732hoordeH8085 ze.Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.
KJVAnd as he talked2with them, behold, there came up7the champion,5the Philistine9of Gath,11Goliath8by name,10out of the armies12of the Philistines,13and spake14according to the same16words:15and David18heard17them.
1וְה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who2מְדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work3עִמָּ֗םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4וְהִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see5אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6הַבֵּנַ֡יִםH1143[phrase] champion7עוֹלֶ֞הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work8גָּלְיָת֩H1555GoliathGoliath9הַפְּלִשְׁתִּ֨יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10שְׁמ֤וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report11מִגַּת֙H1661GathGath12מִמַּעַרְכ֣וֹתH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row13פְּלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14וַיְדַבֵּ֖רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work15כַּדְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work16הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)17וַיִּשְׁמַ֖עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness18דָּוִֽדH1732David, DavidsDavid
24Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Doch alleH3605mannenH376 in IsraelH3478, als zij dien manH376zagenH7200, zo vluchttenH5127 zij voor zijn aangezichtH6440, en zij vreesdenH3372zeerH3966.Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.
KJVAnd all the men2of Israel,3when they saw4the man,6fled7from him,8and were sore10afraid.9
1וְכֹל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4בִּרְאוֹתָ֖םH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הָאִ֑ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7וַיָּנֻ֨סוּ֙H5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard8מִפָּנָ֔יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you9וַיִּֽירְא֖וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)10מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
25En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En de mannenH376IsraelsH3478zeidenH559: Hebt gijlieden dien manH376 wel gezienH7200, die opgekomenH5927 is? WantH3588 hij is opgekomenH5927, om IsraelH3478 te honenH2778; en het zal geschiedenH1961, dat de koningH4428 dien manH376, die hem slaatH5221, met grotenH1419rijkdomH6239verrijkenH6238 zal, en hij zal hem zijn dochterH1323gevenH5414, en hij zal zijns vadersH1huisH1004vrijmakenH6213 in IsraelH3478.En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.
KJVAnd the men2of Israel3said,1Have ye seen4this man5that is come up?6surely to defy9Israel11is he come up:12and it shall be, that the man14who killeth16him, the king18will enrich17him with great20riches,19and will give23him his daughter,22and make28his father's27house26free29in Israel.30
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4הַרְּאִיתֶם֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions5הָאִ֤ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)6הָֽעֹלֶה֙H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)8כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9לְחָרֵ֥ףH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12עֹלֶ֑הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13וְֽ֠הָיָהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14הָאִ֨ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16יַכֶּ֜נּוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound17יַעְשְׁרֶ֥נּוּH6238rijk, maakt rijk, verrijktbe(-come, en-, make, make self, wax) rich, make (1 Kings 22:48 marg). See H6240 (עָשָׂר)18הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal19עֹ֣שֶׁרH6239rijkdom, rijkdoms, Rijkdom[idiom] far (richer), riches20גָּד֗וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very21וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22בִּתּוֹ֙H1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village23יִתֶּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield24ל֔וֹ25וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)26בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)27אָבִ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'28יַעֲשֶׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use29חָפְשִׁ֖יH2670vrij, Afgezonderdfree, liberty30בְּיִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
26Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Toen zeideH559DavidH1732totH413 de mannenH582, die bij hem stondenH5975, zeggendeH559: Wat zal men dien manH376doenH6213, die dezen FilistijnH6430slaatH5221, en den smaadH2781 van IsraelH3478wendtH5493? WantH3588wieH4310 is dezeH2088onbesnedenH6189FilistijnH6430, dat hij de slagordenH4634 van den levendenH2416GodH430 zou honenH2778?Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
KJVAnd David2spake1to the menthat stood5by him, saying,7What shall be done9to the man4that killeth12this15Philistine,14and taketh away16the reproach17from Israel?19for who is this uncircumcised23Philistine,22that he should defy26the armies27of the living29God?28
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִ֗דH1732David, DavidsDavid3אֶֽלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הָאֲנָשִׁ֞יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)5הָעֹמְדִ֣יםH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry6עִמּוֹ֮H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)7לֵאמֹר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why9יֵּעָשֶׂ֗הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10לָאִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12יַכֶּה֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14הַפְּלִשְׁתִּ֣יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine15הַלָּ֔זH1975dezen, geneside, that, this16וְהֵסִ֥ירH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without17חֶרְפָּ֖הH2781smaadheid, smaad, versmaadheidrebuke, reproach(-fully), shame18מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael20כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet21מִ֗יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God22הַפְּלִשְׁתִּ֤יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine23הֶֽעָרֵל֙H6189onbesnedenen, onbesneden, voorhuiduncircumcised (person)24הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)25כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet26חֵרֵ֔ףH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid27מַעַרְכ֖וֹתH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row28אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty29חַיִּֽיםH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
27Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27Wederom zeideH559 hem het volkH5971achtervolgensH2088 dat woordH1697, zeggendeH559: AlzoH3541 zal men den manH376doenH6213, dieH834 hem slaatH5221.Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.
KJVAnd the people3answered1him after this manner,4saying,6So shall it be done8to the man9that killeth11him.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לוֹ֙3הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4כַּדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work5הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)6לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7כֹּ֣הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder8יֵעָשֶׂ֔הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9לָאִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11יַכֶּֽנּוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound
28Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Als EliabH446, zijn grootsteH1419broederH251, hem totH413dieH2088mannenH582hoordeH8085sprekenH1696, zo ontstakH2734 de toornH639 van EliabH446 tegen DavidH1732, en hij zeideH559: WaaromH4100 zijt gij nu afgekomenH3381, en onder wienH4310 hebt gij de weinigeH4592schapenH6629 in de woestijnH4057gelatenH5203? IkH589kenH3045 uw vermetelheidH2087, en de boosheidH7455 uws hartenH3824 wel; wantH3588 gij zijt afgekomenH3381, opdatH4616 gij den strijdH4421zaagtH7200.Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
KJVAnd Eliab2his eldest4brother3heard1when he spake5unto the men;and Eliab's10anger9was kindled8against David,11and he said,12Why camest thou down15hither? and with whom hast thou left18those21few19sheep20in the wilderness?22I know24thy pride,26and the naughtiness28of thine heart;29for thou art come down34that thou mightest see32the battle.33
1וַיִּשְׁמַ֤עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2אֱלִיאָב֙H446EliabEliab3אָחִ֣יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'4הַגָּד֔וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very5בְּדַבְּר֖וֹH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7הָאֲנָשִׁ֑יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8וַיִּֽחַרH2734ontstak, ontstoken, ontstekebe angry, burn, be displeased, [idiom] earnestly, fret self, grieve, be (wax) hot, be incensed, kindle, [idiom] very, be wroth. See H8474 (תַּחָרָה)9אַף֩H639toorn, toorns, neusanger(-gry), [phrase] before, countenance, face, [phrase] forebearing, forehead, [phrase] (long-) suffering, nose, nostril, snout, [idiom] worthy, wrath10אֱלִיאָ֨בH446EliabEliab11בְּדָוִ֜דH1732David, DavidsDavid12וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13לָמָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why14זֶּ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)15יָרַ֗דְתָּH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down16וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17מִ֨יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God18נָטַ֜שְׁתָּH5203verlaten, varen, verlaatcast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer19מְעַ֨טH4592weinig, weinige, bijnaalmost (some, very) few(-er, -est), lightly, little (while), (very) small (matter, thing), some, soon, [idiom] very20הַצֹּ֤אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)21הָהֵ֨נָּה֙H2007zij, deze (vrouwelijk meervoud)[idiom] in, [idiom] such (and such things), their, (into) them, thence, therein, these, they (had), on this side, whose, wherein22בַּמִּדְבָּ֔רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness23אֲנִ֧יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who24יָדַ֣עְתִּיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot25אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)26זְדֹנְךָ֗H2087trotsheid, hovaardigheid, trotsepresumptuously, pride, proud (man)27וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)28רֹ֣עַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness29לְבָבֶ֔ךָH3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding30כִּ֗יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet31לְמַ֛עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to32רְא֥וֹתH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions33הַמִּלְחָמָ֖הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)34יָרָֽדְתָּH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
29Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Toen zeideH559DavidH1732: WatH4100 heb ik nuH6258gedaanH6213? Is er geenH3808oorzaakH1697?Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
KJVAnd David2said,1What have I now done?4Is there not a cause?7
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid3מֶ֥הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4עָשִׂ֖יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5עָ֑תָּהH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas6הֲל֖וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7דָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work8הֽוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
30En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En hij wenddeH5437 zich af van dien naarH413 een anderen toe, en hij zeideH559 achtervolgens datH2088woordH1697; en het volkH5971 gaf hem weder antwoordH1697, achtervolgens de eersteH7223woordenH1697.En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
KJVAnd he turned1from him2toward4another,5and spake6after the same manner:7and the people10answered11him again9after the former13manner.12
1וַיִּסֹּ֤בH5437rondom, keerde, omgewendbring, cast, fetch, lead, make, walk, [idiom] whirl, [idiom] round about, be about on every side, apply, avoid, beset (about), besiege, bring again, carry (about), change, cause to come about, [idiom] circuit, (fetch a) compass (about, round), drive, environ, [idiom] on every side, beset (close, come, compass, go, stand) round about, inclose, remove, return, set, sit down, turn (self) (about, aside, away, back)2מֵֽאֶצְלוֹ֙H681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מ֣וּלH4136tegenover, voorste, nagel(over) against, before, (fore-) front, from, (God-) ward, toward, with5אַחֵ֔רH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange6וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7כַּדָּבָ֣רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work8הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)9וַיְשִׁבֻ֤הוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw10הָעָם֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11דָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12כַּדָּבָ֖רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13הָרִאשֽׁוֹןH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past
31Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Toen die woordenH1697gehoordH8085 werden, dieH834DavidH1732gesprokenH1696 had, en in de tegenwoordigheidH6440 van SaulH7586verkondigdH5046 werden, zo liet hij hem halenH3947.Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
KJVAnd when the words2were heard1which David5spake,4they rehearsed6them before7Saul:8and he sent9for him.
1וַיְּשָּֽׁמְעוּ֙H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2הַדְּבָרִ֔יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4דִּבֶּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid6וַיַּגִּ֥דוּH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter7לִפְנֵֽיH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul9וַיִּקָּחֵֽהוּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win
32En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En DavidH1732zeideH559totH413SaulH7586: Aan geenH408mensH120ontvalleH5307 het hartH3820, om zijnentwil. Uw knechtH5650 zal heengaanH3212 en hij zal metH5973dezenH2088FilistijnH6430strijdenH3898.En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.
KJVAnd David2said1to Saul,4Let no man's8heart7fail6because of him; thy servant10will go11and fight12with this Philistine.14
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul5אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6יִפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down7לֵבH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom8אָדָ֖םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person9עָלָ֑יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10עַבְדְּךָ֣H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant11יֵלֵ֔ךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak12וְנִלְחַ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)13עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)14הַפְּלִשְׁתִּ֥יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine15הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
33Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33Maar SaulH7586zeideH559totH413DavidH1732: Gij zult niet kunnen heengaanH3212totH413dezenH2088FilistijnH6430, om metH5973 hem te strijdenH3898; wantH3588gijH859 zijt een jongelingH5288, en hijH1931 is een krijgsmanH376 van zijn jeugdH5271 af.Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.
KJVAnd Saul2said1to David,4Thou art not able6to go7against this Philistine9to fight11with him: for thou art but a youth,14and he a man17of war18from his youth.19
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׁא֜וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4דָּוִ֗דH1732David, DavidsDavid5לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6תוּכַל֙H3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer7לָלֶ֨כֶת֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak8אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9הַפְּלִשְׁתִּ֣יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11לְהִלָּחֵ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)12עִמּ֑וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)13כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14נַ֣עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)15אַ֔תָּהH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you16וְה֛וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who17אִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)18מִלְחָמָ֖הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)19מִנְּעֻרָֽיוH5271jeugd, jonkheidchildhood, youth
34Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weid de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34Toen zeideH559DavidH1732totH413SaulH7586: Uw knechtH5650weidH7462 de schapenH6629 zijns vadersH1, en er kwamH935 een leeuwH738 en een beerH1677, en namH5375 een schaapH7716 van de kuddeH5739 weg.Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weid de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
KJVAnd David2said1unto Saul,4Thy servant7kept5his father's8sheep,9and there came10a lion,11and a bear,13and took14a lamb15out of the flock:16
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul5רֹעֶ֨הH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste6הָיָ֧הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7עַבְדְּךָ֛H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant8לְאָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'9בַּצֹּ֑אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)10וּבָ֤אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way11הָֽאֲרִי֙H738leeuw, leeuwen, leeuws(young) lion, [phrase] pierce (from the margin)12וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13הַדּ֔וֹבH1677beer, beren, beersbear14וְנָשָׂ֥אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield15שֶׂ֖הH7716klein vee, lam, schaap(lesser, small) cattle, ewe, goat, lamb, sheep. Compare H2089 (זֶה)16מֵהָעֵֽדֶרH5739kudde, kudden, schaapskuddendrove, flock, herd
35En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35En ik ging uit hem naH310, en ik sloegH5221 hem, en reddeH5337 het uit zijn mondH6310; toen hij tegen mij opstondH6965, zo vatteH2388 ik hem bij zijn baardH2206, en sloegH5221 hem, en dooddeH4191 hem.En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.
Ook in dit vers
wegH3318
KJVAnd I went out1after2him, and smote3him, and delivered4it out of his mouth:5and when he arose6against me, I caught8him by his beard,9and smote10him, and slew11him.
1וְיָצָ֧אתִיH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2אַחֲרָ֛יוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with3וְהִכִּתִ֖יוH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound4וְהִצַּ֣לְתִּיH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)5מִפִּ֑יוH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word6וַיָּ֣קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)7עָלַ֔יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8וְהֶחֱזַ֨קְתִּי֙H2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand9בִּזְקָנ֔וֹH2206baard, baards, baardenbeard10וְהִכִּתִ֖יוH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound11וַהֲמִיתִּֽיוH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
36Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36Uw knechtH5650 heeft zo den leeuwH738 als den beerH1677geslagenH5221; alzo zal deze onbesnedenH6189FilistijnH6430zijnH1961, gelijk eenH259 van die, omdatH3588 hij de slagordenH4634 van den levendenH2416GodH430gehoondH2778 heeft.Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.
KJVThy servant7slew6both the lion3and the bear:5and this uncircumcised10Philistine9shall be as one12of them, seeing he hath defied15the armies16of the living18God.17
1גַּ֧םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea2אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הָאֲרִ֛יH738leeuw, leeuwen, leeuws(young) lion, [phrase] pierce (from the margin)4גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea5הַדּ֖וֹבH1677beer, beren, beersbear6הִכָּ֣הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7עַבְדֶּ֑ךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant8וְֽ֠הָיָהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9הַפְּלִשְׁתִּ֨יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10הֶעָרֵ֤לH6189onbesnedenen, onbesneden, voorhuiduncircumcised (person)11הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12כְּאַחַ֣דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,13מֵהֶ֔ם14כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15חֵרֵ֔ףH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid16מַעַרְכֹ֖תH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row17אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty18חַיִּֽיםH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop
37Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37Verder zeideH559DavidH1732: De HEEREH3068, Die mij van de handH3027 des leeuwsH738geredH5337 heeft, en uit de handH3027 des beersH1677, Die zal mij reddenH5337 uit de handH3027 van dezenH2088FilistijnH6430. Toen zeideH559SaulH7586totH413DavidH1732: GaH3212 heen, en de HEEREH3068 zij metH5973 u!Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
KJVDavid2said1moreover, The LORD3that delivered5me out of the paw6of the lion,7and out of the paw8of the bear,9he will deliver11me out of the hand12of this Philistine.13And Saul16said15unto David,18Go,19and the LORD20be with thee.
1וַיֹּאמֶר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִד֒H1732David, DavidsDavid3יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הִצִּלַ֜נִיH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)6מִיַּ֤דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves7הָֽאֲרִי֙H738leeuw, leeuwen, leeuws(young) lion, [phrase] pierce (from the margin)8וּמִיַּ֣דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9הַדֹּ֔בH1677beer, beren, beersbear10ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11יַצִּילֵ֔נִיH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)12מִיַּ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves13הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)15וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet16שָׁא֤וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul17אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)18דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid19לֵ֔ךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak20וַֽיהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)21יִהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use22עִמָּֽךְH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
38En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38En SaulH7586kleeddeH3847DavidH1732 met zijn klederenH4055, en zetteH5414 een koperenH5178helmH6959opH5921 zijn hoofdH7218, en kleeddeH3847 hem met een pantsierH8302.En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
KJVAnd Saul2armed1David4with his armour,5and he put6an helmet7of brass8upon his head;10also he armed11him with a coat of mail.13
1וַיַּלְבֵּ֨שׁH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear2שָׁא֤וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid5מַדָּ֔יוH4055klederen, kleed, gerichtearmour, clothes, garment, judgment, measure, raiment, stature6וְנָתַ֛ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield7ק֥וֹבַעH6959helm, helmenhelmet8נְחֹ֖שֶׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10רֹאשׁ֑וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top11וַיַּלְבֵּ֥שׁH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear12אֹת֖וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13שִׁרְיֽוֹןH8302pantsier, pantser, pantsierenbreastplate, coat of mail, habergeon, harness. See H5630 (סִרְיֹן)
39En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39En DavidH1732gorddeH2296 zijn zwaardH2719 aan overH5921 zijn klederenH4055, en wildeH2974gaanH3212; wantH3588 hij had het nooitH3808verzochtH5254. Toen zeideH559DavidH1732totH413SaulH7586: Ik kanH3201 in dezeH428 niet gaanH3212, wantH3588 ik heb het nooitH3808verzochtH5254; en DavidH1732 legde ze van zich.En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.
Ook in dit vers
leideH5493
KJVAnd David2girded1his sword4upon his armour,6and he assayed7to go;8for he had not proved11it. And David13said12unto Saul,15I cannot17go18with these; for I have not proved22them. And David24put23them off him.
1וַיַּחְגֹּ֣רH2296aangegord, gordde, omgordbe able to put on, be afraid, appointed, gird, restrain, [idiom] on every side2דָּוִ֣דH1732David, DavidsDavid3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4חַ֠רְבּוֹH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool5מֵעַ֨לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6לְמַדָּ֜יוH4055klederen, kleed, gerichtearmour, clothes, garment, judgment, measure, raiment, stature7וַיֹּ֣אֶלH2974wilden, beliefd, believeassay, begin, be content, please, take upon, [idiom] willingly, would8לָלֶכֶת֮H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak9כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11נִסָּה֒H5254verzocht, verzoeken, verzochtenadventure, assay, prove, tempt, try12וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13דָּוִ֜דH1732David, DavidsDavid14אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15שָׁא֗וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul16לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17אוּכַ֛לH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer18לָלֶ֥כֶתH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak19בָּאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)20כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet21לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without22נִסִּ֑יתִיH5254verzocht, verzoeken, verzochtenadventure, assay, prove, tempt, try23וַיְסִרֵ֥םH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without24דָּוִ֖דH1732David, DavidsDavid25מֵעָלָֽיוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
40En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40En hij namH3947 zijn stafH4731 in zijn handH3027, en hij koosH977 zich vijfH2568gladdeH2512stenenH68uitH4480 de beekH5158, en legde ze in de herderstasH7462, dieH834 hij had, te weten in den zakH3219, en zijn slingerH7050 was in zijn handH3027; alzo naderdeH5066 hij totH413 den FilistijnH6430.En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
Ook in dit vers
leideH7760
KJVAnd he took1his staff2in his hand,3and chose4him five6smooth7stones8out of the brook,10and put11them in a shepherd's14bag13which he had, even in a scrip;17and his sling18was in his hand:19and he drew near20to the Philistine.22
1וַיִּקַּ֨חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2מַקְל֜וֹH4731roeden, stok, stafrod, (hand-)staff3בְּיָד֗וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves4וַיִּבְחַרH977verkoren, verkiezen, verkoosacceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require5ל֣וֹ6חֲמִשָּׁ֣הH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)7חַלֻּקֵֽיH2512gladdesmooth8אֲבָנִ֣יםH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)9מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with10הַנַּ֡חַלH5158beek, beken, dalbrook, flood, river, stream, valley11וַיָּ֣שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work12אֹ֠תָםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13בִּכְלִ֨יH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever14הָרֹעִ֧יםH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste15אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16ל֛וֹ17וּבַיַּלְק֖וּטH3219zakscrip18וְקַלְּע֣וֹH7050behangselen, slinger, slingerstenenhanging, leaf, sling19בְיָד֑וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves20וַיִּגַּ֖שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand21אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)22הַפְּלִשְׁתִּֽיH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
41De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41De FilistijnH6430gingH3212 ook heen, gaandeH1980 en naderendeH7131totH413DavidH1732, en zijn schilddragerH376 ging voor zijn aangezichtH6440.De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
KJVAnd the Philistine2came1on3and drew near4unto David;6and the man7that bare8the shield9went before10him.
1וַיֵּ֨לֶךְ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3הֹלֵ֥ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl4וְקָרֵ֖בH7131nadert, naderen, komtapproach, come (near, nigh), draw near5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid7וְהָאִ֛ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8נֹשֵׂ֥אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield9הַצִּנָּ֖הH6793rondas, rondassen, hakenbuckler, cold, hook, shield, target10לְפָנָֽיוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
42Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42Toen de FilistijnH6430opzagH5027, en DavidH1732zagH7200, zo verachtteH959 hij hem; wantH3588 hij wasH1961 een jongelingH5288, roodachtigH132, mitsgaders schoonH3303 van aanzienH4758.Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
KJVAnd when the Philistine2looked about,1and saw3David,5he disdained6him: for he was but a youth,9and ruddy,10and of a fair12countenance.13
1וַיַּבֵּ֧טH5027aanschouwen, aanschouwt, zag(cause to) behold, consider, look (down), regard, have respect, see2הַפְּלִשְׁתִּ֛יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3וַיִּרְאֶ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5דָּוִ֖דH1732David, DavidsDavid6וַיִּבְזֵ֑הוּH959veracht, verachtte, verachtendespise, disdain, contemn(-ptible), [phrase] think to scorn, vile person7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8הָיָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9נַ֔עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)10וְאַדְמֹנִ֖יH132roodachtig, rosred, ruddy11עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)12יְפֵ֥הH3303schoon, schone, schoonste[phrase] beautiful, beauty, comely, fair(-est, one), [phrase] goodly, pleasant, well13מַרְאֶֽהH4758gedaante, aanzien, gezicht[idiom] apparently, appearance(-reth), [idiom] as soon as beautiful(-ly), countenance, fair, favoured, form, goodly, to look (up) on (to), look(-eth), pattern, to see, seem, sight, visage, vision
43De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43De FilistijnH6430 nu zeideH559totH413DavidH1732: Ben ik een hondH3611, datH3588gijH859totH413 mij komtH935 met stokkenH4731? En de FilistijnH6430vloekteH7043DavidH1732 bij zijn godenH430.De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.
KJVAnd the Philistine2said1unto David,4Am I a dog,5that thou comest9to me with staves?11And the Philistine13cursed12David15by his gods.16
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הַפְּלִשְׁתִּי֙H6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid5הֲכֶ֣לֶבH3611honden, hond, hondsdog6אָנֹ֔כִיH595ik, mijI, me, [idiom] which7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8אַתָּ֥הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you9בָֽאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10אֵלַ֖יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11בַּמַּקְל֑וֹתH4731roeden, stok, stafrod, (hand-)staff12וַיְקַלֵּ֧לH7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet13הַפְּלִשְׁתִּ֛יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15דָּוִ֖דH1732David, DavidsDavid16בֵּאלֹהָֽיוH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
44Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44Daarna zeideH559 de FilistijnH6430totH413DavidH1732: KomH3212totH413 mij, zo zal ik uw vleesH1320 aan de vogelenH5775 des hemelsH8064gevenH5414, en aan de dierenH929 des veldsH7704.Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.
KJVAnd the Philistine2said1to David,4Come5to me, and I will give7thy flesh9unto the fowls10of the air,11and to the beasts12of the field.13
1וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid5לְכָ֣הH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7וְאֶתְּנָה֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9בְּשָׂ֣רְךָ֔H1320vlees, vleses, vleselijkebody, (fat, lean) flesh(-ed), kin, (man-) kind, [phrase] nakedness, self, skin10לְע֥וֹףH5775gevogelte, vogelen, vogelbird, that flieth, flying, fowl11הַשָּׁמַ֖יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)12וּלְבֶהֱמַ֥תH929beesten, vee, beestbeast, cattle13הַשָּׂדֶֽהH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild
45David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45DavidH1732 daarentegen zeideH559totH413 den FilistijnH6430: GijH859komtH935totH413 mij met een zwaardH2719, en met een spiesH2595, en met een schildH3591; maar ikH595komH935totH413 u in den NaamH8034 van den HEEREH3068 der heirscharenH6635, den GodH430 der slagordenH4634 van IsraelH3478, DienH834 gij gehoondH2778 hebt.David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.
KJVThen said1David2to the Philistine,4Thou comest6to me with a sword,8and with a spear,9and with a shield:10but I come12to thee in the name14of the LORD15of hosts,16the God17of the armies18of Israel,19whom thou hast defied.21
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5אַתָּה֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8בְּחֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9וּבַחֲנִ֣יתH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear10וּבְכִיד֑וֹןH3591spies, lans, schildlance, shield, spear, target11וְאָנֹכִ֣יH595ik, mijI, me, [idiom] which12בָֽאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way13אֵלֶ֗יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14בְּשֵׁם֙H8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report15יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)16צְבָא֔וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)17אֱלֹהֵ֛יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty18מַעַרְכ֥וֹתH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row19יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael20אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21חֵרַֽפְתָּH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid
46Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46Te dezenH2088dageH3117 zal de HEEREH3068 u besluitenH5462 in mijn handH3027, en ik zal u slaanH5221, en ik zal uw hoofdH7218 van u wegnemenH5493, en ik zal de dode lichamenH6297 van der FilistijnenH6430legerH4264dezenH2088dagH3117 aan de vogelenH5775 des hemelsH8064, en aan de beestenH2416 des veldsH776gevenH5414; en de ganseH3605aardeH776 zal wetenH3045, dat IsraelH3478 een GodH430 heeft.Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.
KJVThis day1will the LORD4deliver3thee into mine hand;5and I will smite6thee, and take7thine head9from thee; and I will give11the carcases12of the host13of the Philistines14this day15unto the fowls17of the air,18and to the wild beasts19of the earth;20that all the earth23may know21that there is25a God26in Israel.27
1הַיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2הַזֶּ֡הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)3יְסַגֶּרְךָ֩H5462gesloten, sloot, toegeslotenclose up, deliver (up), give over (up), inclose, [idiom] pure, repair, shut (in, self, out, up, up together), stop, [idiom] straitly4יְהוָ֨הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5בְּיָדִ֜יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6וְהִכִּיתִ֗ךָH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7וַהֲסִרֹתִ֤יH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9רֹֽאשְׁךָ֙H7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top10מֵעָלֶ֔יךָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11וְנָ֨תַתִּ֜יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield12פֶּ֣גֶרH6297dode lichamen, lichamen, aascarcase, corpse, dead body13מַחֲנֵ֤הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents14פְלִשְׁתִּים֙H6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine15הַיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger16הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)17לְע֥וֹףH5775gevogelte, vogelen, vogelbird, that flieth, flying, fowl18הַשָּׁמַ֖יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)19וּלְחַיַּ֣תH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop20הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world21וְיֵֽדְעוּ֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot22כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)23הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world24כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet25יֵ֥שׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest26אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty27לְיִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
47En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47En dezeH2088ganseH3605vergaderingH6951 zal wetenH3045, dat de HEEREH3068nietH3808 door het zwaardH2719, noch door de spiesH2595verlostH3467; wantH3588 de krijgH4421 is des HEERENH3068, Die zal ulieden in onze handH3027gevenH5414.En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
KJVAnd all this assembly3shall know1that the LORD10saveth9not with sword7and spear:8for the battle13is the LORD'S,12and he will give14you into our hands.16
1וְיֵֽדְעוּ֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3הַקָּהָ֣לH6951gemeente, vergadering, hoopassembly, company, congregation, multitude4הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6לֹ֛אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7בְּחֶ֥רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool8וּבַחֲנִ֖יתH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear9יְהוֹשִׁ֣יעַH3467verlossen, verlost, behouden[idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory10יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12לַֽיהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13הַמִּלְחָמָ֔הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)14וְנָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16בְּיָדֵֽנוּH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
48En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48En het geschieddeH1961, toen de FilistijnH6430 zich opmaakteH6965, en heengingH3212, en DavidH1732tegemoetH7125naderdeH7126, zo haastteH4116DavidH1732, en liepH7323 naar de slagordeH4634 toe, den FilistijnH6430tegemoetH7125.En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
KJVAnd it came to pass, when the Philistine4arose,3and came5and drew nigh6to meetDavid,8that David10hasted,9and ran11toward the army12to meetthe Philistine.14
1וְהָיָה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3קָ֣םH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)4הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5וַיֵּ֥לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6וַיִּקְרַ֖בH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take7לִקְרַ֣אתH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet8דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid9וַיְמַהֵ֣רH4116haastte, haast, haastenbe carried headlong, fearful, (cause to make, in, make) haste(-n, -ily), (be) hasty, (fetch, make ready) [idiom] quickly, rash, [idiom] shortly, (be so) [idiom] soon, make speed, [idiom] speedily, [idiom] straightway, [idiom] suddenly, swift10דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid11וַיָּ֥רָץH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post12הַמַּעֲרָכָ֖הH4634slagorden, slagorde, heirarmy, fight, be set in order, ordered place, rank, row13לִקְרַ֥אתH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet14הַפְּלִשְׁתִּֽיH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
49En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49En DavidH1732stakH7971 zijn handH3027 in de tasH3627, en hij namH3947 een steenH68 daaruit, en hij slingerdeH7049, en trofH5221 den FilistijnH6430 in zijn voorhoofdH4696; zodat de steenH68zonkH2883 in zijn voorhoofdH4696, en hij vielH5307opH5921 zijn aangezichtH6440 ter aardeH776.En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.
KJVAnd David2put1his hand4in his bag,6and took7thence a stone,9and slang10it, and smote11the Philistine13in his forehead,15that the stone17sunk16into his forehead;18and he fell19upon his face21to the earth.22
1וַיִּשְׁלַח֩H7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2דָּוִ֨דH1732David, DavidsDavid3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4יָד֜וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6הַכֶּ֗לִיH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever7וַיִּקַּ֨חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win8מִשָּׁ֥םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither9אֶ֨בֶן֙H68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)10וַיְקַלַּ֔עH7049graveerde, slingerde, slingerdencarve, sling (out)11וַיַּ֥ךְH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15מִצְח֑וֹH4696voorhoofd, voorhoofdenbrow, forehead, [phrase] impudent16וַתִּטְבַּ֤עH2883gezonken, zonk, ingevestdrown, fasten, settle, sink17הָאֶ֨בֶן֙H68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)18בְּמִצְח֔וֹH4696voorhoofd, voorhoofdenbrow, forehead, [phrase] impudent19וַיִּפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down20עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with21פָּנָ֖יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you22אָֽרְצָהH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
50Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50Alzo overweldigdeH2388DavidH1732 den FilistijnH6430 met een slingerH7050 en met een steenH68; en hij versloegH5221 den FilistijnH6430, en dooddeH4191 hem; doch DavidH1732 had geenH369zwaardH2719 in de handH3027.Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
KJVSo David2prevailed1over3the Philistine4with a sling5and with a stone,6and smote7the Philistine,9and slew10him; but there was no sword11in the hand13of David.14
1וַיֶּחֱזַ֨קH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand2דָּוִ֤דH1732David, DavidsDavid3מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with4הַפְּלִשְׁתִּי֙H6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5בַּקֶּ֣לַעH7050behangselen, slinger, slingerstenenhanging, leaf, sling6וּבָאֶ֔בֶןH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)7וַיַּ֥ךְH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10וַיְמִיתֵ֑הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise11וְחֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool12אֵ֥יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13בְּיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves14דָּוִֽדH1732David, DavidsDavid
51Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51Daarom liepH7323DavidH1732, en stondH5975 op den FilistijnH6430, en namH3947 zijn zwaardH2719, en hij trokH8025 het uit zijn schedeH8593, en hij dooddeH4191 hem, en hij hieuwH3772 hem het hoofdH7218 daarmede af. Toen de FilistijnenH6430zagenH7200, datH3588 hun geweldigsteH1368doodH4191 was, zo vluchttenH5127 zij.Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
KJVTherefore David2ran,1and stood3upon the Philistine,5and took6his sword,8and drew9it out of the sheath10thereof, and slew11him, and cut off12his head15therewith. And when the Philistines17saw16their champion20was dead,19they fled.21
1וַיָּ֣רָץH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post2דָּ֠וִדH1732David, DavidsDavid3וַיַּעֲמֹ֨דH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הַפְּלִשְׁתִּ֜יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine6וַיִּקַּ֣חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8חַ֠רְבּוֹH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9וַֽיִּשְׁלְפָ֤הּH8025uittrokken, trok, Trekdraw (off), grow up, pluck off10מִתַּעְרָהּ֙H8593schede, scheermes, schrijfmes(pen-) knife, razor, scabbard, shave, sheath11וַיְמֹ֣תְתֵ֔הוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise12וַיִּכְרָתH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want13בָּ֖הּ14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15רֹאשׁ֑וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top16וַיִּרְא֧וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions17הַפְּלִשְׁתִּ֛יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine18כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet19מֵ֥תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise20גִּבּוֹרָ֖םH1368helden, held, geweldigchampion, chief, [idiom] excel, giant, man, mighty (man, one), strong (man), valiant man21וַיָּנֻֽסוּH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard
52Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52Toen maaktenH6965 zich de mannenH582 van IsraelH3478 en van JudaH3063 op, en juichtenH7321, en vervolgdenH7291 de FilistijnenH6430, totH5704 daar men komtH935 aan de valleiH1516, en tot aan de poortenH8179 van EkronH6138; en de verwondenH2491 der FilistijnenH6430vielenH5307 op den wegH1870 van SaaraimH8189, en totH5704 aan GathH1661, en totH5704 aan EkronH6138.Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
KJVAnd the menof Israel3and of Judah4arose,1and shouted,5and pursued6the Philistines,8until thou come10to the valley,11and to the gates13of Ekron.14And the wounded16of the Philistines17fell down15by the way18to Shaaraim,19even unto Gath,21and unto Ekron.23
1וַיָּקֻ֣מוּH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2אַנְשֵׁי֩H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִשְׂרָאֵ֨לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4וִיהוּדָ֜הH3063JudaJudah5וַיָּרִ֗עוּH7321juichen, juichte, Juichtblow an alarm, cry (alarm, aloud, out), destroy, make a joyful noise, smart, shout (for joy), sound an alarm, triumph6וַֽיִּרְדְּפוּ֙H7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַפְּלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine9עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet10בּוֹאֲךָ֣H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way11גַ֔יְאH1516dal, dalen, valleivalley12וְעַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet13שַׁעֲרֵ֣יH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)14עֶקְר֑וֹןH6138EkronEkron15וַֽיִּפְּל֞וּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down16חַֽלְלֵ֤יH2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded17פְלִשְׁתִּים֙H6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine18בְּדֶ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)19שַׁעֲרַ֔יִםH8189SaaraimShaaraim20וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet21גַּ֖תH1661GathGath22וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet23עֶקְרֽוֹןH6138EkronEkron
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
53Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53DaarnaH310keerdenH7725 de kinderenH1121IsraelsH3478 om, van het hittig najagenH1814 der FilistijnenH6430, en zij beroofdenH8155 hun legersH4264.Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
KJVAnd the children2of Israel3returned1from chasing4after5the Philistines,6and they spoiled7their tents.9
1וַיָּשֻׁ֨בוּ֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4מִדְּלֹ֖קH1814Brandende, hittiglijk, nagejaagdburning, chase, inflame, kindle, persecute(-or), pursue hotly5אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with6פְלִשְׁתִּ֑יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine7וַיָּשֹׁ֖סּוּH8155beroofden, geplunderd, beroofdrifle, spoil8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9מַחֲנֵיהֶֽםH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents
54Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
54Daarna namH3947DavidH1732 het hoofdH7218 van den FilistijnH6430, en brachtH935 het naar JeruzalemH3389; maar zijn wapenenH3627 legde hij in zijn tentH168.Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.
Ook in dit vers
leideH7760
KJVAnd David2took1the head4of the Philistine,5and brought6it to Jerusalem;7but he put10his armour9in his tent.11
1וַיִּקַּ֤חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2דָּוִד֙H1732David, DavidsDavid3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4רֹ֣אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top5הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine6וַיְבִאֵ֖הוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7יְרוּשָׁלִָ֑םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9כֵּלָ֖יוH3627vaten, gereedschap, vatarmour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever10שָׂ֥םH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work11בְּאָהֳלֽוֹH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent
55Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
55Toen SaulH7586DavidH1732zagH7200uitgaanH3318 den FilistijnH6430tegemoetH7125, zeideH559 hij totH413AbnerH74, den krijgsoversteH8269: WiensH4310zoonH1121 is dezeH2088jongelingH5288, AbnerH74? En AbnerH74zeideH559: Zo waarachtig als uw zielH5315leeftH2416, o koningH4428! ik weetH3045 het niet.Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
KJVAnd when Saul2saw1David4go forth5againstthe Philistine,7he said8unto Abner,10the captain11of the host,12Abner,17whose son13is this youth?16And Abner19said,18As thy soul21liveth,20O king,22I cannot23tell.24
1וְכִרְא֨וֹתH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2שָׁא֜וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4דָּוִ֗דH1732David, DavidsDavid5יֹצֵא֙H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6לִקְרַ֣אתH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet7הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine8אָמַ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10אַבְנֵר֙H74Abner, Abners, Abi-Abner11שַׂ֣רH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward12הַצָּבָ֔אH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)13בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14מִיH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God15זֶ֥הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)16הַנַּ֖עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)17אַבְנֵ֑רH74Abner, Abners, Abi-Abner18וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet19אַבְנֵ֔רH74Abner, Abners, Abi-Abner20חֵֽיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop21נַפְשְׁךָ֥H5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it22הַמֶּ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal23אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet24יָדָֽעְתִּיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
56De koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
56De koningH4428 nu zeideH559: VraagH7592gijH859 het, wiensH4310zoonH1121dezeH2088jongelingH5958 is.De koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is.
KJVAnd the king2said,1Enquire3thou whose son5the stripling8is.
1וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הַמֶּ֑לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3שְׁאַ֣לH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish4אַתָּ֔הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you5בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6מִיH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God7זֶ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)8הָעָֽלֶםH5958jongeling, jongenyoung man, stripling
57Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
57Als DavidH1732wederkeerdeH7725 van het slaanH5221 des FilistijnsH6430, zo namH3947 hem AbnerH74, en hij brachtH935 hem voor het aangezichtH6440 van SaulH7586, en het hoofdH7218 van den FilistijnH6430 was in zijn handH3027.Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.
KJVAnd as David2returned1from the slaughter3of the Philistine,5Abner8took6him, and brought9him before10Saul11with the head12of the Philistine13in his hand.14
1וּכְשׁ֣וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2דָּוִ֗דH1732David, DavidsDavid3מֵֽהַכּוֹת֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַפְּלִשְׁתִּ֔יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine6וַיִּקַּ֤חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win7אֹתוֹ֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8אַבְנֵ֔רH74Abner, Abners, Abi-Abner9וַיְבִאֵ֖הוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you11שָׁא֑וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul12וְרֹ֥אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top13הַפְּלִשְׁתִּ֖יH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14בְּיָדֽוֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
58En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isai, den Bethlehemiet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
58En SaulH7586zeideH559totH413 hem: WiensH4310zoonH1121 zijt gijH859, jongelingH5288? En DavidH1732zeideH559: Ik ben een zoonH1121 van uw knechtH5650IsaiH3448, den BethlehemietH1022.En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isai, den Bethlehemiet.
KJVAnd Saul3said1to him, Whose son4art thou, thou young man?7And David9answered,8I am the son10of thy servant11Jesse12the Bethlehemite.13
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלָיו֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5מִ֥יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God6אַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you7הַנָּ֑עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)8וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid10בֶּֽןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11עַבְדְּךָ֥H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant12יִשַׁ֖יH3448IsaiJesse13בֵּ֥יתH1022Bethlehemiet, Beth-halachmiBethlehemite14הַלַּחְמִֽיH1022Bethlehemiet, Beth-halachmiBethlehemite
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 17:1— En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.Jozua 15:35→1 Samuël 13:5→2 Kronieken 28:18→1 Kronieken 11:13→Jozua 10:10→Richteren 3:3→2 Kronieken 11:7→1 Samuël 7:7→
1 Samuël 17:2— Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.1 Samuël 21:9→1 Samuël 17:19→
1 Samuël 17:4— Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.Jozua 11:22→Deuteronomium 3:11→1 Kronieken 20:4→1 Samuël 17:23→2 Samuël 21:16→1 Kronieken 11:23→1 Samuël 27:4→1 Samuël 21:9→
1 Samuël 17:6— En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;1 Samuël 17:45→1 Koningen 10:16→2 Kronieken 9:15→
1 Samuël 17:7— En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.2 Samuël 21:19→1 Samuël 17:41→1 Kronieken 11:23→1 Kronieken 20:5→
1 Samuël 17:8— Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.1 Samuël 8:17→2 Samuël 11:11→1 Kronieken 21:3→1 Samuël 17:26→
1 Samuël 17:9— Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.1 Samuël 11:1→
1 Samuël 17:10— Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!2 Samuël 21:21→1 Samuël 17:45→1 Samuël 17:36→1 Samuël 17:25→Nehemia 2:19→Spreuken 16:18→Job 40:9→Daniël 4:37→
1 Samuël 17:11— Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.Jozua 1:9→Deuteronomium 31:8→Psalmen 27:1→Jesaja 51:12→Spreuken 28:1→Jesaja 57:11→
1 Samuël 17:12— David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.1 Samuël 16:10→1 Samuël 16:18→Genesis 35:19→Ruth 4:22→1 Kronieken 2:13→1 Samuël 17:58→Lukas 3:31→Mattheüs 2:6→
1 Samuël 17:13— En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.1 Kronieken 2:13→1 Samuël 16:6→1 Samuël 17:28→2 Samuël 13:32→2 Samuël 21:21→2 Samuël 13:3→
1 Samuël 17:14— En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.1 Samuël 16:11→Genesis 25:23→
1 Samuël 17:15— Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.1 Samuël 16:11→1 Samuël 16:19→
1 Samuël 17:16— De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.Lukas 4:2→Mattheüs 4:2→
1 Samuël 17:17— En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.1 Samuël 25:18→Mattheüs 7:11→Lukas 11:13→2 Samuël 17:28→Ruth 2:14→
1 Samuël 17:18— Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.Genesis 37:14→1 Samuël 16:20→1 Thessalonicenzen 3:5→Job 10:10→2 Samuël 17:29→Handelingen 15:36→
1 Samuël 17:20— Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.1 Samuël 26:5→Lukas 19:43→1 Samuël 26:7→Efeze 6:1→1 Samuël 17:28→
1 Samuël 17:22— David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.Genesis 37:14→Richteren 18:15→Jesaja 10:28→Lukas 10:5→Mattheüs 10:12→
1 Samuël 17:23— Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.1 Samuël 17:8→
1 Samuël 17:24— Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.Jesaja 30:17→1 Samuël 13:6→Deuteronomium 32:30→Numeri 13:33→Jesaja 7:2→1 Samuël 17:11→Leviticus 26:36→
1 Samuël 17:25— En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.Jozua 15:16→1 Samuël 18:17→Ezra 7:24→Openbaring 2:17→Mattheüs 17:26→Openbaring 2:7→Openbaring 3:21→Openbaring 3:12→
1 Samuël 17:26— Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?Deuteronomium 5:26→1 Samuël 11:2→1 Samuël 14:6→1 Samuël 17:10→2 Koningen 19:4→Jeremia 10:10→1 Samuël 17:36→Daniël 9:16→
1 Samuël 17:27— Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.1 Samuël 17:25→
1 Samuël 17:28— Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.Genesis 37:11→Genesis 37:4→Genesis 37:8→Spreuken 18:19→Mattheüs 10:36→Spreuken 27:4→1 Samuël 16:7→Prediker 4:4→
1 Samuël 17:29— Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?1 Petrus 3:9→1 Korinthe 2:15→Handelingen 11:2→Spreuken 15:1→
1 Samuël 17:30— En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.1 Samuël 17:26→
1 Samuël 17:31— Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.Spreuken 22:29→
1 Samuël 17:32— En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.1 Samuël 16:18→Deuteronomium 20:1→Jesaja 35:4→Psalmen 27:1→Numeri 14:9→Psalmen 3:6→Hebreeën 12:12→1 Samuël 14:6→
1 Samuël 17:33— Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.Numeri 13:31→Psalmen 11:1→1 Samuël 17:56→Openbaring 13:4→Deuteronomium 9:2→1 Samuël 17:42→
1 Samuël 17:35— En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.Amos 3:12→Psalmen 91:13→Handelingen 28:4→2 Samuël 23:20→2 Timotheüs 4:17→Richteren 14:5→Daniël 6:22→
1 Samuël 17:36— Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.1 Samuël 17:26→1 Samuël 17:10→Handelingen 12:1→Zacharia 2:8→Zacharia 12:3→Romeinen 2:28→Jesaja 36:18→Handelingen 5:38→
1 Samuël 17:37— Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!1 Kronieken 22:11→1 Kronieken 22:16→1 Samuël 20:13→2 Timotheüs 4:17→Psalmen 77:11→2 Korinthe 1:9→1 Samuël 7:12→Psalmen 138:7→
1 Samuël 17:39— En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.Zacharia 4:6→2 Korinthe 10:4→Hosea 1:7→
1 Samuël 17:40— En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.Richteren 20:16→Mattheüs 10:10→Richteren 3:31→Richteren 15:15→1 Korinthe 1:27→Richteren 7:16→
1 Samuël 17:42— Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.1 Samuël 16:12→1 Samuël 17:33→Psalmen 123:3→Nehemia 4:2→2 Korinthe 11:27→2 Koningen 18:23→Spreuken 16:18→1 Koningen 20:18→
1 Samuël 17:43— De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.1 Samuël 24:14→2 Samuël 3:8→2 Koningen 8:13→2 Samuël 9:8→2 Samuël 16:9→Richteren 9:27→Numeri 22:11→Spreuken 26:2→
1 Samuël 17:44— Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.Ezechiël 28:9→1 Koningen 20:10→1 Samuël 17:46→Ezechiël 39:17→Jeremia 9:23→Spreuken 18:12→Ezechiël 28:2→Prediker 9:11→
1 Samuël 17:45— David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.2 Kronieken 32:8→1 Samuël 17:36→Filippenzen 4:13→2 Samuël 22:33→1 Samuël 17:10→2 Korinthe 10:4→2 Korinthe 3:5→Psalmen 3:8→
1 Samuël 17:46— Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.1 Koningen 8:43→Jesaja 52:10→2 Koningen 19:19→Jozua 4:24→Deuteronomium 28:26→Daniël 6:26→Jesaja 37:20→1 Koningen 18:36→
1 Samuël 17:47— En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.Zacharia 4:6→Hosea 1:7→1 Samuël 14:6→Psalmen 44:6→Psalmen 33:16→2 Kronieken 20:15→Psalmen 46:11→2 Kronieken 14:11→
1 Samuël 17:48— En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.Spreuken 28:1→Psalmen 27:1→
1 Samuël 17:49— En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.1 Koningen 22:34→2 Koningen 9:24→1 Korinthe 1:27→
1 Samuël 17:50— Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.Richteren 3:31→1 Samuël 23:21→Richteren 15:15→1 Samuël 21:9→1 Samuël 13:22→1 Samuël 17:39→
1 Samuël 17:51— Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.Hebreeën 11:34→1 Samuël 21:9→2 Samuël 23:21→Esther 7:10→Hebreeën 2:14→Psalmen 7:15→
1 Samuël 17:52— Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.Jozua 15:11→Jozua 15:33→Richteren 7:23→1 Samuël 14:21→2 Samuël 23:10→Jozua 15:45→
1 Samuël 17:53— Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.Jeremia 4:20→Jeremia 30:16→2 Koningen 7:7→
1 Samuël 17:54— Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.1 Samuël 21:9→Jozua 4:7→Exodus 16:33→
1 Samuël 17:55— Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.1 Samuël 16:21→1 Samuël 17:58→
1 Samuël 17:57— Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.1 Samuël 17:54→
1 Samuël 17:58— En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isai, den Bethlehemiet.1 Samuël 17:12→1 Samuël 16:18→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 17 vers 1— En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
de Filistijnen
Hier wordt, volgens eniger gevoelen, verhaald hetgeen geschied is eer David aan het hof gekomen is, hetwelk op het einde van 1Sa 16 beschreven staat; maar het wordt hier gesteld, om aan te wijzen door wat oorzaak David aan Sauls hof gekomen is.
Hertaald:de Filistijnen
Hier wordt, naar de mening van sommigen, verteld wat gebeurd is voordat David aan het hof kwam, wat aan het einde van 1 Sam. 16 beschreven staat; maar het wordt hier vermeld om aan te geven om welke reden David aan het hof van Saul gekomen is.
Socho,
Een stad, gelegen in den stam van Juda, Joz. 15:35. Rehabeam heeft haar gebouwd en gesterkt, 2 Kron. 11:7. Maar ten tijde van Achaz hebben de Filistijnen haar weder ingenomen, 2 Kron. 28:18.
Hertaald:Socho,
Een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:35. Rehabeam heeft haar gebouwd en versterkt, 2 Kron. 11:7. Maar in de tijd van Achaz hebben de Filistijnen haar weer ingenomen, 2 Kron. 28:18.
Azéka,
Deze stad was gelegen in de uiterste palen van den stam van Juda tegen het westen, Joz. 15:35. Rehabeam heeft haar vastgemaakt, 2 Kron. 11:9; en zij is van Nebukadnezar belegerd. Zie Jer. 34:7.
Hertaald:Azéka,
Deze stad lag aan de uiterste grens van de stam van Juda naar het westen, Joz. 15:35. Rehabeam heeft haar versterkt, 2 Kron. 11:9; en zij is door Nebukadnezar belegerd. Zie Jer. 34:7.
het einde van Dammim
Anders, Efes-Dammim genoemd en Pas-Dammim, 1 Kron. 11:13.
Hertaald:het einde van Dammim
Ook Efes-Dammim genoemd en Pas-Dammim, 1 Kron. 11:13.
1 Samuël 17 vers 4— Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
een kampvechter uit,
Hebreeuws, een man tussen twee, of, tussenbeiden, of, tussenbeiden treden. Deze reus schijnt aldus genaamd te zijn omdat hij zich tussen de beide legers stelde, en aanbood met iemand te vechten; of, een man tussen twee; dat is, die tussen hun tweeën een kamp leveren willen. Anders, een tweevechter
Hertaald:een kampvechter uit,
Hebreeuws: een man tussen twee, of: tussenbeide, of: tussenbeide treden. Deze reus schijnt zo genoemd te zijn omdat hij zich tussen de beide legers opstelde en aanbood met iemand te vechten; of: een man tussen twee, dat is: die tussen hun beiden een tweegevecht wil leveren. Anders: een tweevechter.
een span
Begrijpende wel drie handbreedten, of twaalf vingers.
Hertaald:een span
Dat is ongeveer drie handbreedten, of twaalf vingers.
1 Samuël 17 vers 5— En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
vijf duizend sikkelen kopers;
Vier gemene sikkelen doen een ons, zodat, naar die rekening, dit harnas gewogen heeft 1250 onsen; dat is, 78 pond en twee onsen.
Hertaald:vijf duizend sikkelen kopers;
Vier gewone sikkels maken een ons, zodat dit harnas volgens die berekening 1250 ons woog; dat is: 78 pond en twee ons.
1 Samuël 17 vers 6— En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
schild tussen zijn schouders;
Of, halskraag, ringkraag, of, schouderwapen.
Hertaald:schild tussen zijn schouders;
Of: halskraag, ringkraag, of schouderwapen.
1 Samuël 17 vers 8— Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.
Waarom zoudt gijlieden uittrekken,
Hij wil zeggen: Wat is het van node, dat het gehele leger in de wapenen komt om te strijden? Het kan met minder moeite geschieden, te weten, als gij iemand van de uwen uitmaakt, die man voor man met mij vecht.
Hertaald:Waarom zoudt gijlieden uittrekken,
Hij wil zeggen: waarom is het nodig dat het hele leger in de wapenen komt om te strijden? Het kan met minder moeite gebeuren, namelijk: als u iemand van de uwen aanwijst die man tegen man met mij vecht.
mij afkome
Te weten, om alleen tegen mij alleen te vechten.
Hertaald:mij afkome
Namelijk: om alleen tegen mij alleen te vechten.
1 Samuël 17 vers 10— Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
Verder zeide de Filistijn
Te weten, toen hij zag dat er niemand uitkwam om met hem te vechten.
Hertaald:Verder zeide de Filistijn
Namelijk: toen hij zag dat er niemand naar voren kwam om met hem te vechten.
Ik heb heden
Te weten, dewijl ik hen uitgeroepen heb, om een uit te zenden, die tegen mij alleen zou komen strijden, en daar is niemand onder hen allen, die dat durft bestaan. Dit zal hun een eeuwige schande en verwijt zijn; wat mij aangaat, ik heb, enz.
Hertaald:Ik heb heden
Namelijk: omdat ik hen opgeroepen heb er één uit te zenden die alleen tegen mij zou komen strijden, en er is niemand onder hen allen die dat durft. Dit zal hun een eeuwige schande en verwijt zijn; wat mij betreft, ik heb, enzovoort.
1 Samuël 17 vers 12— David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
Efrathischen man
Van welken gesproken wordt boven, 1 Sam. 16:19.
Hertaald:Efrathischen man
Over wie gesproken wordt hierboven, 1 Sam. 16:19.
1 Samuël 17 vers 14— En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.
kleinste;
Te weten, onder die, die eigenlijk zonen genoemd worden. Zie boven, 1 Sam. 16:11.
Hertaald:kleinste;
Namelijk: onder hen die eigenlijk zonen genoemd worden. Zie hierboven, 1 Sam. 16:11.
1 Samuël 17 vers 15— Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.
Doch David ging henen,
Sommigen verstaan dit alzo, dat David dikwijls heeft over en weder gegaan, zijnde van zijn vader telkens gezonden in het leger om te vernemen, hoe het met zijn zonen al ging, en om hen van nooddruft te verzorgen, vs.17; als hij dit verricht had, zo keerde hij weder tot de schapen.
Hertaald:Doch David ging henen,
Sommigen vatten dit zo op dat David vaak heen en weer gegaan is, telkens door zijn vader naar het leger gestuurd om te horen hoe het met zijn zonen ging en om hen van het nodige te voorzien, vers 17; als hij dat gedaan had, keerde hij terug naar de schapen.
van Saul,
Dat is, naar sommiger gevoelen, van zijn broeders, die bij Saul in het leger waren, want dit is geschied eer David aan het hof gekomen was.
Hertaald:van Saul,
Dat is volgens sommigen: van zijn broers, die bij Saul in het leger waren, want dit is gebeurd voordat David aan het hof gekomen was.
1 Samuël 17 vers 17— En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.
toch voor uw broeders
Anders, nu
Hertaald:toch voor uw broeders
Anders: nu.
een efa
Zie van deze maat Ex. 16:36.
Hertaald:een efa
Zie over deze maat Ex. 16:36.
1 Samuël 17 vers 18— Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
melkkazen
Dat is, verse kazen, waar men de melk nog kon uitdrukken.
Hertaald:melkkazen
Dat is: verse kazen, waar men de melk nog uit kon drukken.
gij zult van hen pand medenemen
Te weten, opdat ik daaruit voorzeker moge afnemen dat gij uw boodschap terdeeg gedaan hebt.
Hertaald:gij zult van hen pand medenemen
Namelijk: opdat ik daaraan met zekerheid kan zien dat u uw boodschap goed hebt overgebracht.
1 Samuël 17 vers 20— Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.
aan den wagenburg,
Dat is, aan die plaats, waar het leger met de bagagewagens als besloten of omsingeld was. Alzo ook onder, 1 Sam. 26:5.
Hertaald:aan den wagenburg,
Dat is: op de plaats waar het leger door de bagagewagens als het ware omsloten of omringd was. Zo ook hieronder, 1 Sam. 26:5.
men ten strijde riep
Anders, en zij maakten een veldgeschrei tot den oorlog, of, zij maakten een groot geroep in het leger, gelijk wanneer daar een alarm is.
Hertaald:men ten strijde riep
Anders: en zij maakten een strijdkreet voor de oorlog, of: zij maakten groot geroep in het leger, zoals wanneer daar alarm is.
1 Samuël 17 vers 22— David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
de vaten van zich,
Versta hier, dat David zijn gereedschap, of bagage, of zak, waarin hij de kazen en de broden droeg [waarvan vs.17 staat] bij de bewaarders der vaten gelaten heeft, om des te spoediger het leger te gaan doorzien.
Hertaald:de vaten van zich,
Versta hier dat David zijn spullen, of bagage, of de zak waarin hij de kazen en de broden droeg [waarover vers 17 spreekt] bij de bewakers van de bagage achtergelaten heeft, om des te sneller het leger te kunnen doorzoeken.
naar hun welstand
Hebreeuws, naar den vrede.
Hertaald:naar hun welstand
Hebreeuws: naar de vrede.
1 Samuël 17 vers 23— Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.
op;
Te weten, opwaarts naar den berg, waar het leger der Israëlieten lag, vs.3.
Hertaald:op;
Namelijk: omhoog, naar de berg waar het leger van de Israëlieten lag, vers 3.
het heir der Filistijnen,
Of, slagordening
Hertaald:het heir der Filistijnen,
Of: slagorde.
achtervolgens die woorden;
Te weten, die vs.8 staan.
Hertaald:achtervolgens die woorden;
Namelijk: die in vers 8 staan.
1 Samuël 17 vers 25— En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.
hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël
Dat is, hij zal hem en zijn huis edel maken, en die privilegiën en vrijheden geven, die men placht den edelen te geven, wanneer zij zich in den dienst van het land en hun prins wel gekweten hadden.
Hertaald:hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël
Dat is: hij zal hem en zijn huis in de adelstand verheffen en hun die voorrechten en vrijheden geven die men gewoonlijk aan de edelen gaf wanneer zij zich in dienst van het land en hun vorst goed geweerd hadden.
1 Samuël 17 vers 26— Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
Wat zal men dien man doen,
Hebreeuws, wat zal dien man gedaan worden?
Hertaald:Wat zal men dien man doen,
Hebreeuws: wat zal die man gedaan worden?
1 Samuël 17 vers 29— Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
Wat heb ik nu gedaan?
Te weten, waarom gij mij dus bekijft, en beschuldigt van hovaardij?
Hertaald:Wat heb ik nu gedaan?
Namelijk: waarom scheldt u mij zo uit en beschuldigt u mij van hoogmoed?
Is er geen oorzaak?
Alsof hij zeide: Mijn vader heeft mij immers hier tot ulieden gezonden. Anders, is het niet dit woord, of oorzaak? Dat is, naar sommiger mening: Is dat woord, dat ik daar gesproken heb, oorzaak dat gij op mij zo vergramd zijt en mij zo bekijft? Anders, is dat de zaak niet?
Hertaald:Is er geen oorzaak?
Alsof hij zei: mijn vader heeft mij toch hierheen naar u gestuurd. Anders: is het niet dit woord, of deze reden? Dat is volgens sommigen: is dat woord dat ik daar gesproken heb de reden dat u zo boos op mij bent en mij zo uitscheldt? Anders: is dat de zaak niet?
1 Samuël 17 vers 30— En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
en hij zeide achtervolgens dat woord;
David heeft dikwijls verscheidene personen gevraagd, eensdeels om de zekerheid der zaak volkomenlijk te vernemen, anderdeels om zijn genegenheid om met dezen Flistijn te kampen, ruchtbaar te maken, opdat het alzo voor den koning mocht komen.
Hertaald:en hij zeide achtervolgens dat woord;
David heeft vaak verschillende personen ondervraagd, deels om volledige zekerheid over de zaak te krijgen, deels om zijn bereidheid om met deze Filistijn te vechten bekend te maken, zodat het zo bij de koning zou komen.
1 Samuël 17 vers 31— Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
zo liet hij hem halen
Hebreeuws, nam hij hem.
Hertaald:zo liet hij hem halen
Hebreeuws: nam hij hem.
1 Samuël 17 vers 32— En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.
Uw knecht zal heengaan
Dat is, ik die uw knecht ben, alzo ook onder, vs.34.
Hertaald:Uw knecht zal heengaan
Dat is: ik, die uw knecht ben; zo ook hieronder, vers 34.
1 Samuël 17 vers 33— Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.
kunnen heengaan
Te weten met hoop of uitzicht van hem te overwinnen.
Hertaald:kunnen heengaan
Namelijk: met de hoop of het vooruitzicht hem te overwinnen.
een jongeling,
En derhalve nog onervaren in zaken van oorlog; of, een kind; te weten, vergeleken zijn met dezen reus.
Hertaald:een jongeling,
En daarom nog onervaren in oorlogszaken; of: een kind, namelijk: vergeleken met deze reus.
1 Samuël 17 vers 34— Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weid de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
weidde de schapen zijns vaders,
Hebreeuws, was weidende onder de schapen
Hertaald:weidde de schapen zijns vaders,
Hebreeuws: was aan het weiden onder de schapen.
een schaap van de kudde weg
Of, lam, of, geit.
Hertaald:een schaap van de kudde weg
Of: lam, of geit.
1 Samuël 17 vers 36— Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.
alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn,
Of hij zeggen wilde: Hij zal van mij geslagen en gedood worden, gelijk ik den leeuw en den beer gedood heb.
Hertaald:alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn,
Alsof hij wilde zeggen: hij zal door mij verslagen en gedood worden, zoals ik de leeuw en de beer gedood heb.
1 Samuël 17 vers 37— Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
hand des leeuws gered heeft,
Of, poot, klauw. 41. hand des beers, Of, poot, klauw.
Hertaald:hand des leeuws gered heeft,
Of: poot, klauw. En zo ook in vers 37 over de hand van de beer: poot, klauw.
1 Samuël 17 vers 38— En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
zijn klederen,
Versta dit van Sauls klederen, dat is, wapenen, die hij placht aan te trekken als hij ten strijde ging, of die hij uit zijn wapenhuis heeft genomen, die David pasten.
Hertaald:zijn klederen,
Versta dit van Sauls kleren, dat is: wapenrusting, die hij placht aan te trekken wanneer hij ten strijde trok, of die hij uit zijn wapenkamer genomen had en die David pasten.
1 Samuël 17 vers 39— En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.
en wilde gaan;
Of, en begon te gaan
Hertaald:en wilde gaan;
Of: en begon te lopen.
deze niet gaan,
Te weten, wapenen, of rustingen, of harnassen.
Hertaald:deze niet gaan,
Namelijk: wapens, of uitrusting, of harnas.
1 Samuël 17 vers 40— En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
herderstas,
Hebreeuws, vat.
Hertaald:herderstas,
Hebreeuws: vat.
1 Samuël 17 vers 41— De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
zijn schilddrager
Hebreeuws, de man die het schild droeg.
Hertaald:zijn schilddrager
Hebreeuws: de man die het schild droeg.
1 Samuël 17 vers 43— De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.
met stokken?
Andes, met een stok. David had maar een stok of herdersstaf, vs.40, zodat hier het getal van velen schijnt te staan voor het getal van een. Zie Gen. 21:7.
Hertaald:met stokken?
Anders: met een stok. David had maar één stok of herdersstaf, vers 40, zodat hier het meervoud lijkt te staan voor het enkelvoud. Zie Gen. 21:7.
1 Samuël 17 vers 45— David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.
Gij komt tot mij met een zwaard,
Dat is, gij verlaat u op uw zwaard, enz. Zie boven, vs.5,6.
Hertaald:Gij komt tot mij met een zwaard,
Dat is: u vertrouwt op uw zwaard, enzovoort. Zie hierboven, vers 5, 6.
den
Dat is, door ingeving Gods, en hebbende zijn naam eerst aangeroepen, en verlaat mij op zijn genadige hulp en bijstand, welke Hij dengenen, die op hem vertrouwen, beloofd heeft.
Hertaald:den
Dat is: door ingeving van God, nadat hij eerst Zijn Naam aangeroepen heeft, en ik vertrouw op Zijn genadige hulp en bijstand, die Hij beloofd heeft aan wie op Hem vertrouwen.
Naam van den HEERE der heirscharen,
Zie Spr. 18:10.
Hertaald:Naam van den HEERE der heirscharen,
Zie Spr. 18:10.
1 Samuël 17 vers 46— Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.
een God heeft
Te weten, een God, die met de daad doet blijken dat Hij almachtig is.
Hertaald:een God heeft
Namelijk: een God Die metterdaad laat blijken dat Hij almachtig is.
1 Samuël 17 vers 47— En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
want de krijg is des HEEREN,
Dat is, God, die den krijg regeert, geeft de overwinning die het hem belieft. Anders, want deze krijg is des Heeren; alsof hij zeide: Gijlieden voert krijg tegen den Heere, maar wij voor den Heere. Hij betreft zijn eer en de verlossing zijns volks.
Hertaald:want de krijg is des HEEREN,
Dat is: God, Die de strijd bestuurt, geeft de overwinning aan wie Hem behaagt. Anders: want deze strijd is van de HEERE; alsof hij zei: u voert strijd tegen de HEERE, maar wij voor de HEERE. Het gaat om Zijn eer en om de verlossing van Zijn volk.
1 Samuël 17 vers 48— En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
naar de slagorde toe,
Te weten, tot de kampplaats tussen de beide legers.
Hertaald:naar de slagorde toe,
Namelijk: naar het strijdperk tussen de beide legers.
1 Samuël 17 vers 49— En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.
trof den Filistijn in zijn voorhoofd;
Hebreeuws, sloeg
Hertaald:trof den Filistijn in zijn voorhoofd;
Hebreeuws: sloeg.
zodat de steen zonk
Dat is, zodat de steen in zijn voorhoofd bleef stekende. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk in het water dopen of inzinken. De zin is: dat de steen zo lichtelijk en zo diep in zijn voorhoofd ging en bleef zitten, alsof hij daarin versmoord en bedekt ware geweest, en dit door de kracht Gods, die met David was.
Hertaald:zodat de steen zonk
Dat is: zodat de steen in zijn voorhoofd bleef steken. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk in het water dopen of wegzinken. De betekenis is dat de steen zo gemakkelijk en zo diep in zijn voorhoofd drong en bleef zitten, alsof hij daarin verzonken en bedekt was, en dit door de kracht van God, Die met David was.
1 Samuël 17 vers 52— Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
aan de vallei,
Van welken gesproken is vs.3.
Hertaald:aan de vallei,
Waarover in vers 3 gesproken is.
Saäráïm,
Een stad, gelegen in den stam van Juda, gelijk te zien is Joz. 15:36.
Hertaald:Saäráïm,
Een stad, gelegen in de stam van Juda, zoals te zien is in Joz. 15:36.
1 Samuël 17 vers 53— Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
legers
Hij spreekt in het getal van velen, ten aanzien van de verscheidene kwartieren en het groot getal der krijgslieden, der paarden en andere lastdragende beesten, die in dit leger der Filistijnen waren.
Hertaald:legers
Hij spreekt in het meervoud, met het oog op de verschillende legerafdelingen en het grote aantal strijders, paarden en andere lastdieren die zich in dit leger van de Filistijnen bevonden.
1 Samuël 17 vers 54— Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.
wapenen
Te weten, Goliaths wapenen, die David hem had afgenomen. Maar Goliaths zwaard heeft David, eer hij koning werd, in de tent der samenkomst te Nob gelegd. Zie onder, 1 Sam. 21:9.
Hertaald:wapenen
Namelijk: de wapens van Goliath, die David hem had afgenomen. Maar het zwaard van Goliath heeft David, voordat hij koning werd, in de tent van de samenkomst te Nob gelegd. Zie hieronder, 1 Sam. 21:9.
1 Samuël 17 vers 55— Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
Wiens zoon is deze jongeling,
Deze dingen zijn geschied eer David aan het hof kwam; zie op vs.1. Eenigen menen dat Sauls verstand en memorie, doordien hem de kwade geest zo plaagde, gekrenkt en gekwetst was, alzo dat hij vergeten had wiens zoon David was. Anderen zeggen dat Saul David wel kende, zoveel zijn persoon aanging, maar dat hij nu begeert te weten van welk geslacht en plaats hij gesproten was. Wat Abner aangaat, sommigen menen dat hij niet aan het hof was toen David van Saul geroepen werd om voor hem te spelen, maar hier of daar bij het leger mag geweest zijn, gelijk hij den meesten tijd was.
Hertaald:Wiens zoon is deze jongeling,
Deze dingen zijn gebeurd voordat David aan het hof kwam; zie bij vers 1. Sommigen menen dat het verstand en het geheugen van Saul, doordat de boze geest hem zo kwelde, aangetast en beschadigd waren, zodat hij vergeten was wiens zoon David was. Anderen zeggen dat Saul David wel kende wat zijn persoon betreft, maar dat hij nu wilde weten uit welk geslacht en welke plaats hij afkomstig was. Wat Abner betreft: sommigen menen dat hij niet aan het hof was toen David door Saul geroepen werd om voor hem te spelen, maar ergens bij het leger geweest kan zijn, zoals hij meestal was.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abner — mijn vader is een lamp, of: vader van licht
De zoon van Ner, neef van Saul, die Saul tot overste van zijn leger aanstelde (1 Sam. 14:50-51). Hij zou later, na Sauls dood, Sauls zoon Isboseth tot koning over Israël maken en zich tegen David verzetten, totdat hij zich later bij David aansloot en door Joab vermoord werd (2 Sam. 2-3).
Isaï — standvastig, of: gave
Een man uit Bethlehem, kleinzoon van Boaz en Ruth, vader van acht zonen, van wie David de jongste was (1 Sam. 16:1, 10-11; 17:12). Op Gods aanwijzing zalfde Samuël bij hem thuis David tot koning, hoewel deze de jongste en onaanzienlijkste van zijn zonen was: 'de HEERE ziet het hart aan' (1 Sam. 16:7). De uitdrukking 'de wortel van Isaï' wordt later een profetische naam voor de Messias (Jes. 11:1, 10).
David — beminde
De jongste zoon van Isaï, herder over zijn vaders schapen, door Samuël in het geheim tot koning gezalfd nadat Saul door de HEERE verworpen was (1 Sam. 16:1-13). Zijn spel op de harp bracht Saul verlichting van de boze geest die hem kwelde (1 Sam. 16:14-23). Hij zou uitgroeien tot Israëls grootste koning, en in zijn geslachtslijn zou uiteindelijk de Heere Jezus Christus geboren worden.
Eliab — God is mijn vader
De oudste zoon van Isaï, een indrukwekkende verschijning naar wie Samuël aanvankelijk keek toen hij een koning moest zalven, totdat de HEERE hem zei niet op het uiterlijk te letten (1 Sam. 16:6-7). Toen David bij het leger kwam en zich over Goliaths smaad verontwaardigde, sprak Eliab hem minachtend toe: 'ik ken uw trots wel, en de boosheid van uw hart' (1 Sam. 17:28).
Goliath — onbekende betekenis
De reusachtige kampvechter van de Filistijnen uit Gath, ruim zes el en een span lang, die veertig dagen lang Israël honend uitdaagde tot een tweegevecht (1 Sam. 17:4-10, 16). De jonge David, gewapend met slechts een slinger en vijf gladde stenen, versloeg hem in de naam van de HEERE der heerscharen en onthoofdde hem met zijn eigen zwaard (1 Sam. 17:40-51) — het begin van Davids roem in heel Israël.
Saul — gebeden, verzocht
De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Het dal Ela (met Socho en Efes-Dammim) — Ela: Hebreeuws voor "terebint(boom)"; Socho: "omheining"; Efes-Dammim: "grens van het bloed" (mogelijk pas na de slag zo genoemd)
Ligging: In de Sefela, tussen het bergland van Juda en de Filistijnse kustvlakte, met Socho aan de ene en Azeka (al bestaand, zie Jozua 10) aan de andere zijde van het dal.
Geschiedenis: Hier stelden de Filistijnen, met Goliath van Gath als hun kampvechter, zich veertig dagen lang tegenover het leger van Saul op, totdat de jonge David, die eten voor zijn broers kwam brengen, zich vrijwillig aanbood om de reus te bestrijden. Zonder Sauls wapenrusting, alleen met een slinger en vijf gladde stenen uit de beek, versloeg David Goliath in de Naam van de HEERE der heirscharen, "opdat deze ganse gemeente wete, dat de HEERE niet door zwaard of door spies verlost" (1 Sam. 17).
Bijbelse betekenis: Een van de bekendste geschiedenissen van heel de Schrift, en een blijvend beeld van geloofsoverwinning tegen overweldigende, angstaanjagende overmacht: niet Davids eigen kracht of wapentuig, maar zijn vertrouwen op de levende God bracht de overwinning — een voorafschaduwing van hoe de grotere Zoon van David uiteindelijk, eveneens ogenschijnlijk zwak en weerloos, de laatste vijand zou overwinnen.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De krijg is des HEEREN (David en Goliath) — tegenover de reus Goliath, die veertig dagen lang de slagorden van Israël hoont, treedt de jonge David op zonder wapenrusting, met de woorden: "Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen" (1 Sam. 17:45), en even verder: "de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven" (1 Sam. 17:45,47)
Goliath van Gath, zes ellen en een span lang, met zwaar bronzen wapenrusting, daagt veertig dagen lang Israël uit: "Kiest een man onder u, die tot mij afkome" (1 Sam. 17:4-10,16). Saul en heel Israël zijn doodsbang (1 Sam. 17:11). David, die zijn broers in het leger komt bezoeken, hoort de hoon en vraagt verontwaardigd: "wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?" — tot ergernis van zijn oudste broer Eliab (1 Sam. 17:26-28). Voor Saul beroept David zich niet op zijn eigen kracht maar op wat de HEERE al gedaan heeft: "Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen" (1 Sam. 17:36), en daarop: "De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn" (1 Sam. 17:34-37). Hij weigert Sauls wapenrusting — "ik heb het nooit verzocht" — en gaat met slinger en vijf gladde stenen (1 Sam. 17:38-40). Tegenover Goliaths spot antwoordt David met de kern van de hele geschiedenis: "Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen" (1 Sam. 17:45), en: "de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven" (1 Sam. 17:41-47). Met één steen velt David de reus en onthoofdt hem met diens eigen zwaard; de Filistijnen vluchten, en Israël behaalt een grote overwinning (1 Sam. 17:48-54).
Bijbelse betekenis: Davids overwinning wordt vooraf al verklaard, niet achteraf: hij spreekt zijn geloofswoord vóór de steen geworpen is, niet als jubelend commentaar erna. De weigering van Sauls wapenrusting is geen praktisch detail maar de zaak zelf: David wint niet ondanks het ontbreken van conventionele wapens, maar juist doordat hij zich niet op zulke wapens verlaat. Zijn eerdere, ongeziene trouw bij het hoeden van de schapen blijkt de oefenschool te zijn geweest voor het grootste ogenblik van zijn jonge leven. Hij redde toen een schaap uit de muil van een leeuw en een beer, zonder dat er publiek was om het te zien.
Typologie: Paulus tekent hetzelfde patroon voor de geestelijke strijd van de gelovige: "de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten" (2 Kor. 10:4, niet apart aangehaald) — een andersoortige overwinning dan de wereld kent, gewonnen met andersoortige middelen.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Eén man staat voor allen — 17:1-51
De verlossing en de losser · niveau 3 · uitwerking
Twee legers liggen veertig dagen tegenover elkaar zonder dat er iets geschiedt, want de strijd is niet man tegen man maar volk tegen volk — totdat de Filistijnen voorstellen het door één man te laten beslissen. En dan durft niemand.
De uitkomst van de hele strijd hangt aan één vertegenwoordiger; wat hij wint, winnen zij allen.
Het is een tweegevecht met de inzet van een oorlog. Goliath stelt het zelf voor: als hij wint zijn zij knechten, als de ander wint zijn wij knechten. Veertig dagen lang is er niemand die het aandurft, en het volk beeft.
David komt met brood en kaas voor zijn broeders, en hij is de enige die de zaak goed ziet. Voor de anderen is Goliath te groot om te verslaan; voor hem is hij te groot om te missen. En hij zegt waar het om gaat: de HEERE verlost niet door het zwaard, noch door de spies, want de krijg is des HEEREN.
Hij vecht zonder harnas. Wat hem past is niet wat een soldaat draagt. Vijf stenen, een slinger, en de reus valt op zijn aangezicht ter aarde.
De kern is niet de moed van de jongen maar de gedachte van de plaatsvervanging: één strijdt, allen delen in de uitslag. Het volk heeft geen zwaard geheven en toch is de overwinning van hen — pas ná de beslissing rennen zij het veld op. Datzelfde beginsel legt Paulus uit met Adam en Christus: door de ongehoorzaamheid van één zijn velen tot zondaars gesteld, en door de gehoorzaamheid van Eén worden velen tot rechtvaardigen gesteld.
In het Nieuwe Testament: Romeinen 5:18-19; 1 Korinthe 15:21-22; Hebreeën 2:14-15
Hoever dit reikt: Niveau 3. Het Nieuwe Testament past deze geschiedenis nergens op Christus toe; het beginsel van de vertegenwoordiger wordt wel elders breed uitgewerkt.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
1 Samuël 17:37.Kruisverwijzingen1 Kronieken 22:11→1 Kronieken 22:16→1 Samuël 20:13→2 Timotheüs 4:17→Psalmen 77:11→2 Korinthe 1:9→1 Samuël 7:12→Psalmen 138:7→ — Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u! David had met God geleefd. Vele eenzame dagen door had hij de kudde van zijn vader gehoed tussen de verlaten heuvels van Juda en de onzienlijke maar altijd tegenwoordige Heere aangebeden. Hij was opgegroeid tot een aanbiddende vertrouwdheid met de Allerhoogste, zodat voor hem de Naam van de enige levende en waarachtige God een diepe en ernstige vreugde was.
Zoals wij hoog tussen de bolwerken van de bergen een eenzaam meer zien kunnen, wiens enige ambt het is het aangezicht van de hemel te weerspiegelen, zo was Davids geheiligde leven de weerschijn geworden van het licht en de heerlijkheid van de HEERE der heirscharen.
Het was hem in zijn overdenkingen niet ingevallen dat lage mensen het zouden wagen de oneindige majesteit van God te tarten. Maar nu hij de tarting hoort en de uitdaging aanschouwt, is al zijn bloed in beweging. Hij is verbaasd. Een heilige toorn is op hem. Ja, het is waar — hij hoort Jehova gelasterd. Hoe kan het zijn? De heilige ziel van de jongeling ondergaat een nieuwe ervaring. Hij komt tot het besluit dat, gelijk beren en leeuwen sterven wanneer zij zich aan schapen vergrijpen, zo ook Goliath moet vallen nu hij het waagt de Heere en Zijn volk aan te vallen.
In Davids geval is er geen opwelling van opwinding, geen woeste glans van ogen. Hij is blijkbaar op zijn gemak en heeft de hele zaak wel in de hand. Hij zegt ons waarom hij zo dapper en ondernemend is. Het is wel de moeite waard te zien wat David zo sterk en zeker maakte, want als het ons tot nu toe nog niet is overkomen, dan kan het nog gebeuren dat wij geroepen worden een daad van moed te doen voor de Heere. Ik zou willen dat jonge mensen streefden naar dappere levens voor de God van Israël. Waarom zouden wij allen gewone mensen zijn? Is er geen plaats voor enkele volstrekt toegewijde wezens die hun handen tot de Heere opheffen en nooit terugtreden?
1 Samuël 17:50.KruisverwijzingenRichteren 3:31→1 Samuël 23:21→Richteren 15:15→1 Samuël 21:9→1 Samuël 13:22→1 Samuël 17:39→ — Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand. De zoon van Isaï verwierp de wapens waarmee Saul hem trachtte te wapenen — hij zette de helm op zijn hoofd en deed het maliënkolder om zijn lichaam en stond op het punt het zwaard op te nemen, maar hij zei: “Ik kan hierin niet gaan; ik ben er niet aan gewend.” Zo ook heeft de Zoon van David alle aardse wapenrusting verworpen. Zij zouden onze Heere met geweld genomen en tot koning gemaakt hebben, maar Hij zei: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.”
Er zouden zwaarden genoeg uit de schede gesprongen zijn op Zijn bevel. Maar Jezus zei: “Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan” (Matth. 26:52).
Tot op deze dag is de grote strijd van Jezus Christus met de machten der duisternis niet met zwaard en helm maar met de gladde stenen uit de beek. De eenvoudige prediking van het evangelie, met de herdersstaf van het grote Hoofd der gemeente in ons midden gehouden — dat is wat Goliath neerlegt en hem tot de laatste dag zal neerleggen. Het is tevergeefs dat de gemeente zelfs maar denkt dat zij de overwinning zal winnen door rijkdom, of door rang, of door burgerlijk gezag. Op de macht van God alleen moet zij zien. “Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen” (Zach. 4:6). Gelukkig zal het voor de gemeente zijn wanneer zij die les leert.
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenJozua 15:35→1 Samuël 13:5→1 Samuël 21:9→1 Samuël 8:17→2 Samuël 21:21→2 Kronieken 28:18→1 Kronieken 11:13→Jozua 11:22→ — En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim. Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen. Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers; En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders; En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome. Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen. Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden! Het eerste oponthoud van David aan Sauls hof, deze “ongestoorde idyllische episode van zijn leven”, zoals men dit genoemd heeft, breekt na de korte duur van een jaar plotseling af, en de liefelijke idylle wordt onverwacht in een toneel van strijd veranderd. De Filistijnen trekken tegen Israël op en legeren zich bij Efes-Dammim. David wordt naar huis gezonden, gedurende de tijd, dat Saul met zijn leger de vijand in het eikedal tegemoet trekt. Een tijd lang liggen de beide partijen tegenover elkaar zonder iets te verrichten; vervolgens treedt uit de rijen van de Filistijnen de reus Goliath te voorschijn, en daagt onder de kinderen van Israël ieder tot een tweegevecht met hem uit, die de moed heeft dit te ondernemen.
KruisverwijzingenJozua 15:35→1 Samuël 13:5→2 Kronieken 28:18→1 Kronieken 11:13→Jozua 10:10→Richteren 3:3→2 Kronieken 11:7→1 Samuël 7:7→— En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
En de Filistijnen, 1) die zich van hun nederlaag (14: 20vv.) weer sinds lang hersteld hadden, en gedurig opnieuw beproefde Israël weer onder hun macht te brengen, verzamelden, ongeveer omtrent het jaar 1062 vóór Chr., hun leger ten strijde, en verzamelden zich te Socho (= bolwerk), dat in de vlakte van Juda is; 3 ½ mijl zuidwestelijk van Jeruzalem, niet te verwisselen met het Joz.15: 48 vermelde Socho, op het gebergte van Juda, en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azéka; (= omheind) aan het einde van Dammim = trossen), liever te Efes 2) Dammim, omdat namelijk was het centrum van hun leger.
Deze oorlog bood, naar Goddelijke beschikking, David gelegenheid, om met de vijanden van zijn volk in aanraking te komen en hen door zijn geloof en vertrouwen op de Almacht van zijn Verbondsgod te verslaan, wanneer hij hun kampvechter zou doden. Tevens heeft hij gelegenheid, om zich te openbaren als de redder van zijn volk.
Kruisverwijzingen1 Samuël 21:9→1 Samuël 17:19→— Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.
Het Hebreeuwse woord Efes betekent wel “het einde”, “de uiterste grens; ” hier behoort het echter zonder twijfel tot de naam van de plaats, die 1 Kronieken 11: 13 verkort Pas-Dammim genoemd is, door de Vulgata “Phesdomim.”.
— En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantser aan, een pantser dat niet alleen rug en borst, maar ook het benedenlichaam bedekte, vervaardigd uit kleine, over elkaar liggende koperen platen; en het gewicht van het pantser was vijfduizend sikkels koper 1) (Le 19: 37).
Voor een man als Goliath geen te zware last, wanneer wij daarmee vergelijken de harnassen en wapens nog hier en daar uit oude tijden van enkele sterken bewaard.
Volgens Thenius weegt het kuras van August de Sterke, dat bewaard wordt in het historisch Museum te Dresden, 55 pond. Hij komt daardoor tot het besluit, dat voor Goliath het aangegeven gewicht van zijn pantser een niet te grote last is geweest.
Een sikkel koper is iets minder dan bij ons een lood koper, zodat het pantser nog geen 50 pond heeft gewogen. Anderen berekenen het op 78 pond. Wij moeten er wel op letten, dat zo’n pantser ook het onderlijf bedekte.
Kruisverwijzingen1 Samuël 17:45→1 Koningen 10:16→2 Kronieken 9:15→— En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
En hij had een koperen scheenharnas, beenschilden, boven zijn voeten, en een koperen, een kleiner (vs.7) schild 1) tussen (op) zijn schouders.
In het Hebreeuws Kidoon. Dit is eigenlijk niet een schild, maar een lans. Tussen de schouders wil zeggen, op de rug. Het was namelijk de gewoonte, dat grote krijgshelden hun lans zelf op de rug droegen, of om de schouders. In de Ilias van Homerus komt dan ook de uitdrukking voor amfi d wmoisin, rondom de schouders.
Kruisverwijzingen2 Samuël 21:19→1 Samuël 17:41→1 Kronieken 11:23→1 Kronieken 20:5→— En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
En de schacht van zijn spies was als een weversboom, 1) en het lemmet van zijn spies was van zeshonderd sikkels ijzer; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Het Hebreeuwse weefgetouw (Jud 10: 13) verschilde in hoofdzaak niet van die in de gehele oudheid; het was namelijk hoog, zodat de wevende daarvoor moest staan. De weversboom is het ronde sterke hout, dat bovenaan het weefgestoelte is en de beide zijden verenigt; hierop werden de op spoelen een of meervoudig getwijnde draden getrokken. De getrokken draden heetten de scheerdraad (Lev.13: 47), daarin werd met de weversspoel (Job 7: 6) de inslag ingeweven, wat staande gebeurde, en dan met de lepel vastgeslagen (Jud 16: 13). Bovendien komt in Jes.38: 12 voor “de drom” (Hij zal mij afsnijden als van de drom); hiermee zijn de overblijfsels van de scheerdraden boven aan de weversboom bedoeld, die overblijven, nadat het weefsel is afgesneden. Hieraan werden de nieuwe draden van de nieuwe weefsels eenvoudig gedraaid om zich moeite te sparen. De zin van die plaats is dus: “Mijn leven wordt als een weefsel, dat gereed is, van de weversstoel afgerold; hij, de wever, snijdt mij af van de afhangende, overblijvende draden.”.
Kruisverwijzingen2 Samuël 21:21→1 Samuël 17:45→1 Samuël 17:36→1 Samuël 17:25→Nehemia 2:19→Spreuken 16:18→Job 40:9→Daniël 4:37→— Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
Verder zei de Filistijn: Ik heb heden met dit woord de slagorde van Israël gehoond, 1) zeggende: Geeft mij een man uit uw rijen, dat wij tezamen strijden! 2) Niemand zult gij daartoe vinden. Legt de wapens neer en onderwerpt u aan onze heerschappij.
Het honende lag hierin, dat hij de Israëlieten verachtelijk knechten of slaven van Saul had genoemd. Goliath had echter nog dieper dan hij zelf wel wist de slagorden van Israël gehoond. Want wat het eigen volk van de Heere, het vrije volk van de HEERE was, had hij verachtelijk een slavenvolk genoemd. Dat zal later David hem ook te kennen geven.
Het geschiedde in de oudheid niet zelden, dat twee krijgslegers, die tegenover elkaar lagen, de strijd lieten beslissen door twee kampvechters, die van beide zijden gesteld werden. Hetzelfde voorstel deed later (2 Samuel .2: 14vv.) Abner aan Joab, om de burgeroorlog te vermijden. Van de Romeinen wordt verteld, dat zij, toen zij onder hun koning Tullus Hostilus (van 772-640 vóór Chr.) lang tegenover de Albanen, die door Mettus Fuffetius aangevoerd werden, gestaan hadden, zonder dat een van beide legers de aanval gewaagd had, een gelijke aanbieding aannamen, als hier Goliath de kinderen van Israël deed; het volk, wiens kampvechter zou overwinnen, zou over het andere heersen. Nu waren er in beide legere drielingbroeders, in jaren en krachten elkaar gelijk, bij de Romeinen de Horatiërs, bij de Albanen de Curiatiërs. In het begin bleef de overwinning twijfelachtig, totdat het d Curiatiërs lukte, twee van de Horatiërs te doden, omdat echter de drie Curiatiërs reeds gewond waren, zo hield zich de nog overgebleven Horatiër, alsof hij vluchtte en de drie volgden hem, door hun wonden opgehouden, niet tezamen, maar met tussenruimten, gescheiden van elkaar. Zo lukte het hem, op zijn geveinsde vlucht zich spoedig omkerende, de een na de ander neer te vellen. De overwinning was alzo aan de Romeinen, die dan ook spoedig daarop hun moederstad Alba Longa geheel verwoesten.
KruisverwijzingenJozua 1:9→Deuteronomium 31:8→Psalmen 27:1→Jesaja 51:12→Spreuken 28:1→Jesaja 57:11→— Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.
Toen Saul en geheel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, ontzetten zij zich en vreesden zeer,
want niemand waagde het de strijd met zo’n reus te ondernemen.
Dat nu gezegd wordt, dat Saul, tengevolge van het gepoch van Goliath, vreesde en het gehele volk met hem, daaruit blijkt wel, dat waar de Geest van God van hem was geweken, hij geen moed meer bezat, omdat deze door de ongenade van God hem als geheel was ontnomen. Want indien er enige dapperheid bij hem was geweest, enige kracht, had hij duizendmaal liever de dood moeten begeren, dan te dulden, dat door zulke lasterlijke woorden de Naam van God werd gelasterd en onteerd. Maar met het gehele volk staat hij daar als verpletterd.
Noch bij Saul, noch zelfs bij Jonathan is er enige moed. Het voorbeeld van Saul werkte zo aanstekelijk, dat ook aan Jonathan de moed ontnomen werd, om de tweestrijd met Goliath te wagen.
Van achteren blijkt het, dat het alles zo heeft moeten zijn, opdat de Heere aan David de overwinning over Goliath zou schenken. Dit heft echter de schuld van Saul niet op.
II. Vs. 12-40.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:10→1 Samuël 16:18→Genesis 35:19→Genesis 37:14→Ruth 4:22→1 Kronieken 2:13→1 Samuël 17:58→1 Samuël 16:11→ — David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma. En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang. En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen. Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen. Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende. Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep. En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde. Goliath herhaalt ongeveer zes weken zijn uitdaging; onder alle strijders van Israël wordt niemand gevonden, die het waagt zich tegenover hem te plaatsen, hoewel Saul op zijn overwinning een hoge prijs gesteld heeft. David komt, op last van zijn vader, in het Israëlitische leger en verneemt de stand van zaken, die zo zwaar op alle harten drukt. Vol geloofsmoed geeft hij aanstonds zijn besluit te kennen om de strijd op te nemen; hij wordt tot de koning gebracht en verkrijgt eindelijk van deze toestemming, om de onderneming te wagen. In de krijgsuitrusting, die Saul hem laat aantrekken, kan hij niet gaan; daarom grijpt hij weer naar zijn herderskleding en wapent zich met een slinger en met vijf gladde stenen uit de beek.
Kruisverwijzingen1 Samuël 16:10→1 Samuël 16:18→Genesis 35:19→Ruth 4:22→1 Kronieken 2:13→1 Samuël 17:58→Lukas 3:31→Mattheüs 2:6→— David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
David nu, die in de volgende geschiedverhalen als de eigenlijke held op de voorgrond treedt, en wiens familie wij ons daarom nog eens voor de geest willen roepen, was de zoon van de 1) man uit Efratha van Bethlehem-Juda (Genesis35: 16,19), wiens naam was Isaï, en die acht zonen (1 (Samuel 16: 10) had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen, hij was reeds boven de 50 jaar, wanneer men geen krijgsdienst meer behoefte te doen.
In het Hebreeuws wedawid ben-isch Efrathi hazèh. En David, de zoon van die man uit Efratha. Het woordje die is in de Statenvertaling uitgevallen. Het wijst echter terug op iets, wat reeds vroeger vermeld is. Van die man uit Efratha, n.l. van Isaï is reeds eerder sprake geweest. Het woordje was moet weg vallen, omdat pas in vs.15 het werkwoord voorkomt. Velen hebben dit aanhangsel zonderling gevonden, omdat reeds eerder van David en Isaï sprake is geweest, maar juist dit woordje die maakt duidelijk dat wat hier en in de volgende verzen vermeld wordt, slechts tot verduidelijking is, en dat de Schrijver wel degelijk David en Isaï kende. Het is volstrekt geen ingeschoven stuk, noch een aanhangsel van een ander.
KruisverwijzingenLukas 4:2→Mattheüs 4:2→— De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.
De Filistijn nu, van wie in vs.4vv. verteld is, trad toe, Israël honende en uitdagende, ‘s morgens vroeg en ‘s avonds. Zo stelde hij zich daar veertig dagen lang; 1) zes weken lang zette hij zijn honen voort, terwijl Saul een grote prijs stelde, wanneer men de gevreesde man overwinnen zou (vs.25).
Met deze opmerking wordt de in vs.10 begonnen beschrijving van het optreden van Goliath voortgezet en het volgende ingeleid. Terwijl de Filistijn dagelijks, 40 dagen lang, tot het tweegevecht uitdaagde, zond Isaï zijn zoon David naar het leger.
Kruisverwijzingen1 Samuël 25:18→Mattheüs 7:11→Lukas 11:13→2 Samuël 17:28→Ruth 2:14→— En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.
En Isaï, in wiens huis wij ons, na deze herhaalde opmerkingen nog eens verplaatsen, zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders, van wie de van huis meegenomen voorraad voedsel wel spoedig opgeteerd zal zijn (Jud 19: 10), een efa (Ex 16: 36″ en Ruth 2: 17) van dit geroosterd koren (Le 2: 14) en deze tien broden, en breng ze terloops of, met spoed in het leger tot uw broeders.
KruisverwijzingenGenesis 37:14→1 Samuël 16:20→1 Thessalonicenzen 3:5→Job 10:10→2 Samuël 17:29→Handelingen 15:36→— Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend, als een geschenk van eer; en gij zult uw broeders bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand 1) meenemen, voor mij ten bewijze, dat zij nog leven en het hun goed gaat.
Het moeilijke woord hbre is afgeleid van bre (verwisselen, pand geven): anderen leiden het af van bre (zoet aangenaam zijn) en vinden hier ten onrechte deze zin: “verneemt wat hun aangenaam is”, wat zij bovendien nog graag zouden hebben.
— Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.
Saul nu, en zij uw broeders, en alle mannen van Israël, die krijgslieden zijn, waren of, zijn bij het eikedal (vs.2) met de Filistijnen strijdende. 1)
De Statenvertaling geeft, waren strijdende. Het moet echter zijn, zijn strijdende, omdat zoals duidelijk blijkt uit het en zij, Isaï met deze woorden zijn boodschap aan David besluit. Alleen dan, als het als een gedeelte van de rede van Isaï wordt opgevat, komt dat en zij tot zijn recht, als aanwijzing van Isaï zelf, omtrent zijn zonen.
Isaï wil hiermee aan David de plaats beschrijven, waar hij zijn broeders kan vinden.
KruisverwijzingenGenesis 37:14→Richteren 18:15→Jesaja 10:28→Lukas 10:5→Mattheüs 10:12→— David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.
David nu liet de vaten met de levensmiddelen, die hij gebracht had, van zich, onder de hand van de bewaarder van de vaten, die de wacht bij de pakgoederen van het leger had, en hij liep tot de slagorde; en hij kwam in de rijen van de soldaten, dat hem naar de toenmalige militaire orde niet verboden werd, en vroeg zijn broeders naar hun welstand. 1)
David was in het leger gekomen, alleen om het bevel van zijn vader te volbrengen, zonder te vermoeden, wat daar geschied was, en toch hing hiervan zo buitengewoon veel af. De omkering, die van die tijd af in zijn leven kwam, de keten van geluk en ongeluk, die jaren lang voortliepen, het hofleven en Sauls nijd, Jonathans vriendschap, Michals huwelijk, de vlucht voor de koning dat alles was aan dit ene bezoek verbonden. Zo zijn het dikwijls kleinigheden in het leven, die grote dingen bewerken. Een reis van Jozef naar zijn broeders op het veld bij Dothan, wat een menigte van gebeurtenissen bracht deze teweeg, van zijn verkocht worden tot aan zijn verhoging.
Kruisverwijzingen1 Samuël 17:8→— Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.
Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op, zoals hij dagelijks deed (vs.16); zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het leger van de Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden, die reeds in vs.8-10 zijn meegedeeld; en David hoorde ze,
en hij hoorde in die hoon van Israël een hoon tegen de levende God (vs.26); dat verteerde hem het hart.
Met grote verwondering verneemt David, wat er gebeurt. Hij gelooft zijn oren niet te kunnen vertrouwen, als hij opnieuw het geroep van de onbesnedene hoort klinken, noch zijn oren, omdat hij in het leger van zijn landgenoten niemand in heilige toorn ziet ontbranden en voor de eer van de HEERE ziet optreden. “Hoe, denkt hij, is dan het laatste vonkje van geloof in Israël uitgeblust, of de arm verkort van Hem, die eens farao met zijn ruiters en paarden in de golven van de Rode Zee begroef, die op Mozes’ gebed de overmacht van Amalek vernietigde en Gideon aangordde, zodat hij met driehonderd, de duizenden van Midian deed vluchten, ja zelfs de nek van de Kanaäniet Sisera, die een schrik voor het land was, onder de voet van een zwakke vrouw boog? Hij denkt het en hoog brandt de heilige vlam van ijver zowel tegen de lasteraar in het leger van de aartsvijand, als tegen de versaagden van zijn eigen volk op.
KruisverwijzingenJesaja 30:17→1 Samuël 13:6→Deuteronomium 32:30→Numeri 13:33→Jesaja 7:2→1 Samuël 17:11→Leviticus 26:36→— Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.
Maar alle mannen in Israël, toen zij die man zagen, vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer. 1)
Het is opmerkelijk, dat ook Jonathan, die toch (14: 6vv.) bewezen had een gelovig en moedig jongeling te zijn, nu niet opstond, maar in de algemene vrees deelde. Daaruit ziet men, zegt Starke, dat de helden en heiligen zonder Gods aandrang en kracht niets vermogen. God ontnam aan Jonathan de heldenmoed (Psalm 76: 13), omdat Hij David wilde groot maken.
KruisverwijzingenJozua 15:16→1 Samuël 18:17→Ezra 7:24→Openbaring 2:17→Mattheüs 17:26→Openbaring 2:7→Openbaring 3:21→Openbaring 3:12→— En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.
En de mannen van Israël, die zelf geen lust hadden met de algemeen gevreesde man te strijden, maar toch graag zagen, dat iemand besloot de uitdaging aan te nemen, en de smaad uit te wissen, zeiden, met gespannen verwachting uitziende, of niet eindelijk iemand zich daartoe gewillig zou verklaren: Hebt gij, die man wel gezien, die opgekomen is? Dat moet gewroken worden; want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, met grote geschenken zal begiftigen, en hij zal hem zijn dochter geven (Joz.15: 15vv.), en hij zal zijn vaders huis vrij maken in Israël 1) van alle diensten aan het koninklijk hof (8: 11vv.; 1 Koningen .4: 7).
Allen hoorden wel de uitroep van de reus, maar de ene zag bevreesd op de ander. Niemand durfde tot de ongelijke strijd zich aangorden, maar door vrees verslagen en verward van gemoed namen zij de vlucht. Maar David een gesprek beginnende zegt: Wie is toch die onbesnedene, die de slagorden van de levende God heeft gehoond?. Allereerst is nu op te merken, dat God zo de gemoederen van het volk heeft beroerd, dat noch Saul, noch Jonathan, kortom niemand in het gehele leger de moed en de dapperheid bezat, ofschoon zij talrijk waren. Vroeger hebben wij wel van de dapperheid van Jonathan gehoord, die het bestaan had, alleen, vergezeld van zijn wapendrager, het leger van de Filistijnen aan te vallen, zodat hem eerder voortvarendheid, dan dapperheid scheen te moeten toegeschreven worden. Want wie anders toont overmoed dan hij, die zich in het grootste gevaar stort, zonder hoop op hulp. Wanneer daarom Jonathan en de plaats van de bezetting losstormde, alleen gesteund door een zwakke wapendrager en, ver van alle hulp, de gewapende legerscharen van de vijanden aanvalt, wie zal die daad niet liever onbezonnenheid noemen, dan dapperheid, tenzij wij mogen erkennen, dat hem die onverschrokkenheid en dapperheid van Gods wege is gegeven? Maar waar is nu de dapperheid van Jonathan? Waarom vreest hij de ontmoeting met de reus? Zeker, het blijkt wel, dat hij van de Goddelijke geest van de dapperheid is beroofd geweest, omdat hij zeker voor David zou moeten wijken? Het is daarom zeker, dat dit alles door de Goddelijke Voorzienigheid alzo is beschikt, terwijl het goddelijk vonnis Saul vervolgde, omdat hij van de rechte weg van Gods bevelen was afgeweken. Vervolgens zien wij, dat er niemand in het gehele leger was, die Goliath aandurfde, omdat het het eigen werk van God is, kracht en dapperheid te schenken aan vreesachtigen en zwakken en daartegenover de moed van de dapperheid te breken en zo te verzwakken, dat zij als het water wegvloeit, en hen, bij wie vroeger een onverwinnelijke dapperheid is aanschouwd en een niet bevreesd zijn in de gevaren, zó voor een ogenblik te veranderen, dat zij zelfs voor het gezicht van hun eigen schaduw beven.
In zijn moeilijke toestand vat Saul geen moed in God, noch zoekt hij hulp of gunst door gebeden en offeranden; hij verwacht alleen hulp van mensen. Dit was een gevolg en teken van het verlaten van Gods Geest van hem.
KruisverwijzingenDeuteronomium 5:26→1 Samuël 11:2→1 Samuël 14:6→1 Samuël 17:10→2 Koningen 19:4→Jeremia 10:10→1 Samuël 17:36→Daniël 9:16→— Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?
Toen zei David, zich nu nog te meer verwonderende, dat niemand de strijd waagde: tot de mannen, die bij hem stonden zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Bij zo’n prijs moest de een de ander verdringen, in plaats van te vluchten. De overwinning zal aan onze zijde zijn, want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? 1) Het is een mens, die buiten het verbond met de HEERE staat.
Hij moet weten, dat hij het met God en niet met een mens te doen heeft, met de levende God en niet met een afgod zal hij te strijden hebben. Hoe duidelijk blijkt het uit deze woorden, dat het schenden van de eer van God David’s gemoed in vlam zet tegen de Filistijn. Dat de eer van God door de Filistijn wordt aangetast, kan David niet hebben. Daartegen verzet zich alles wat in hem is. Hij voelt op dit ogenblik de werking van de Geest van de Heere, die over hem is gekomen. Hij voelt door die werking dat hij, de aanstaande koning, is geroepen om tegen de Filistijn op te treden, maar hij voelt het ook dat God hem kracht en moed zal geven, om waarlijk tegen hem te kunnen optreden. Niet in de eerste plaats de hoop op het loon, de overwinnaar van Goliath toegezegd, doet hem besluiten de strijd te wagen, maar aangezet en aangevuurd wordt hij door de Geest van God. Dat hij gedurig navraag doet naar dat, wat Saul beloofd heeft, is meer om op die wijze met Saul, de koning, in aanraking te komen, om van hem verlof te ontvangen, om de eer van God te handhaven en het heil van zijn volk te bewerken.
KruisverwijzingenGenesis 37:11→Genesis 37:4→Genesis 37:8→Spreuken 18:19→Mattheüs 10:36→Spreuken 27:4→1 Samuël 16:7→Prediker 4:4→— Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.
Als Eliab zijn grootste, zijn oudste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, dat hij wilde beproeven wat niemand in het gehele leger waagde, en hij zei (MATTHEUS.7: 1vv.): Waarom zijt gij nu van Bethlehem afgekomen naar de strijdplaats? en onder wie hebt gij de weinige schapen, die onze vader bezit, zodat het verlies van een enkele een grote schade is; in de woestijn gelaten? Het ware veel beter geweest, zo gij thuis en bij uw beroep gebleven was, maar ik ken, ik doorzie thans uw vermetelheid, en de boosheid van hart wel, dat gij, niet tevreden met hetgeen gij zijt, naar hogere dingen streeft; want gij zijt met geen ander doel gekomen, dan opdat gij de strijd zou zien. 1) Wilt gij de reus bevechten, daarbij zelf omkomen, Israël’s ondergang en een nederlaag van de HEERE in de ogen van de heidenen bewerken?
Eliab verwijt David, waaraan hij zichzelf op grove wijze schuldig maakt. n.l. aan boosheid van hart. Men zou uit deze gehele redenering kunnen opmaken, dat Eliab niet onbekend is geweest met het doel, waartoe David gezalfd was, en dat nu jaloersheid hem zo doet spreken. Reeds bij het eerste publieke optreden heeft David gelegenheid, om geduld te oefenen, om op koninklijke wijze beledigingen te verdragen en zijn zaak aan God over te geven. En David verdraagt op waarlijk koninklijke wijze die belediging, hoewel hij zijn smader op kalme wijze bescheid geeft, in hetgeen hij zegt. Dit is de juiste wijze van handelen voor al degenen, die in waarheid gelovigen zijn en weten, dat zij door Gods Geest bestuurd worden.
Kruisverwijzingen1 Petrus 3:9→1 Korinthe 2:15→Handelingen 11:2→Spreuken 15:1→— Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?
Toen zei David, die harde verwijten met zachtmoedigheid en bescheidenheid beantwoordende: Wat heb ik nu gedaan, 1) dat gij mij vermetelheid en baatzucht verwijt? Is er geen oorzaak, waarom ik hier gekomen ben? Heeft onze vader mij niet gezonden, om u te bezoeken en van spijzen te voorzien?
Ziet, hoe David het ware, God welgevallige midden houdt tussen het woord: “Laat de gedachte varen aan hetgeen, waartoe gij geroepen zijt”, en het andere: “Wie weet goed te doen en het niet doet, die is het zonde”; hoe hij stil en ootmoedig wacht, totdat hij gezonden wordt, maar dan ook niet traag is om de hand met ijver aan het werk te slaan. Zo is het naar Gods hart. Wanneer wij onszelf in deze spiegel beschouwen, moeten wij met Tersteegen belijden: “Nu eens volgt men God niet, dan loopt men Hem vooruit; de een is te bang, de ander te haastig.” Maar voegen wij er ook biddende bij: “Heere! was ik slechts zo voor U, wat mijn hand voor mij is, dan hield ik wel de ware middenweg.” Zoals de hand niet zelf de arbeid kiest, maar wanneer de wil haar die aanwijst, moedig aangrijpt, zo moet ook een knecht van de Heere niet naar eigen lust en keus zijn werk en ambt zoeken, maar hij moet ootmoedig op de wil van Zijn Heere acht geven, zich door Hem laten zenden en getroost en moedig en met een gewillig hart verrichten, wat hem bevolen is.
In het Hebreeuws Halo dabar hoe. Dit kan ook vertaald worden en o.i. is dit beter: Was er niet een bevel? n.l. van Isaï, m.a.w. David vraagt dan tot zijn verontschuldiging, of hij niet moest gehoorzamen aan het woord of bevel van hun vader?.
Kruisverwijzingen1 Samuël 17:26→— En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.
En hij wendde zich, als hij zijn broeder zo geantwoord had, af van die naar een ander van de nabijstaande krijgslieden toe, en hij zei achtervolgens dat woord, dat hij reeds vroeger (vs.26) gezegd had; hij liet zich nog eens meedelen, wat de koning beloofd had; en het volk gaf hem weer antwoord, overeenkomstig de eerste woorden (vs.27 17.27). Volgens onze mening was David (1 Samuel 16: 12) bekend met zijn roeping tot de koningstroon. Terwijl hij nu die roeping voelde, om de strijd met Goliath te ondernemen en profetisch voor het volk van God te worden, wat hij ook eens werkelijk zijn zou: de beschermer en wreker tegenover overmoedige vijanden, zal wel de gedachte in hem opgekomen zijn, dat juist deze strijd een middel in Gods handen zou worden, om hem in nadere betrekking met het koninklijk huis te brengen. Hieruit verklaard zou kunnen worden, waarom hij herhaaldelijk vraagt naar de door Saul beloofde beloning; want tot deze behoorde ook de hand van de koningsdochter. Dat David later op dat toegezegde loon niet meer aanspraak maakt, heeft zijn oorzaak in het geduld, waarmee hij aan Gods leiding het verdere overlaat; dat hij echter bij Sauls aanbieding in 18: 17vv. zich zo terughoudend gedraagt, is een werking van Gods Geest, die het eenvoudige hart van de jongeman voor de aanslagen van de arglistige koning wist te beschermen.
KruisverwijzingenSpreuken 22:29→— Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.
En David zei tot Saul, toen hij voor de koning stond en deze zijn verwondering te kennen gaf, dat een ongeveer achttienjarige jongeling wilde ondernemen, wat geen van de dapperste en sterkste mannen waagde: Aan geen mens ontvalle het hart, niemand vreze om zijnentwil, alsof deze Filistijn een reus ware, die met Gods hulp niet zou te overwinnen zijn. Uw knecht zal heengaan, en hij zal met deze Filistijn strijden; 1) geef hem slechts de toestemming daartoe.
Deze woorden brengt David volstrekt niet in onbezonnenheid voort, zoals jonge mensen dikwijls gewend zijn veel zonder overleg te beginnen, zodat niets zo moeilijk is of zij menen, het gemakkelijk te kunnen overwinnen, en zoals een spreekwoord zegt: “zelfs met de handen aan de maan reiken”. Zij hebben toch geen kennis van zaken en hebben geen ondervinding, zodat zij van de zwarigheden, die zij willen ondernemen, niet voldoende bewust zijn. Vandaar dat jonge mensen dikwijls stoutmoediger zijn dan behoort en zich hals over kop in gevaar storten, waaruit zij niet weer opstaan. Van dit alles was bij David niets, zoals vervolgens blijkt. Want ten opzichte van eigen kracht belooft hij niets, wanneer hij bereid is tegen de reus Goliath in een tweestrijd zich te begeven, die hij genoeg had leren kennen, evenals de leeuw en de beer, door wie hij in een ogenblik verscheurd had kunnen worden. Maar hij heeft zijn hoop alleen op God gevestigd en verwacht zijn hulp van de Heere, terwijl hij van zichzelf niets verwacht. Hoe duidelijk is het hier, dat David zo spreekt, gedreven door de Heilige Geest.
KruisverwijzingenAmos 3:12→Psalmen 91:13→Handelingen 28:4→2 Samuël 23:20→2 Timotheüs 4:17→Richteren 14:5→Daniël 6:22→— En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.
En ik ging hem achterna, de ene keer de leeuw, de andere de beer, en ik sloeg hem met mijn herdersstok (Jud 14: 6) en redde het geroofde schaap uit zijn mond, zodat hij het weer losliet. Toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard 1) met de ene hand, en sloeg hem met de andere gewapende hand, en doodde hem.2)
Hoewel noch leeuw noch beer een eigenlijke baard hebben, spreekt toch ook de Griekse dichter Homerus (Ilias, XV, 275) van de sterkgebaarde leeuw (vgl. Martialis X, 9). Men behoeft dus niet, zoals Gerlach wil, de lezing van de Septuaginta in plaats van “aan zijn gordel” te volgen.
David is een afschaduwing van Christus, de goede Herder (Jer.40: 11).
Kruisverwijzingen1 Kronieken 22:11→1 Kronieken 22:16→1 Samuël 20:13→2 Timotheüs 4:17→Psalmen 77:11→2 Korinthe 1:9→1 Samuël 7:12→Psalmen 138:7→— Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
Verder zei David, toen Saul hem met zijn ogen opnam, wel getroffen over zijn geloofsmoed, maar toch bevreesd, dat de moedige jongeling vallen zou: De HEERE, die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. 1) Toen zei Saul, die zich herinnerde, hoe hij vroeger met God in gemeenschap was, en hoe hij door de kracht uit de hoogte alles vermocht (10: 7; 11: 11) tot David: Ga heen, 2) en de HEERE zij met u!
Met welke woorden hij genoeg toont, dat hij op zijn eigen kracht niet vertrouwt, noch iets omtrent zichzelf belooft, maar van God alleen de hulp verwacht. Waaruit is op te maken dat, ofschoon David tevoren een veehoeder was, hij echter van begin af aan door God tot grote dingen was verkoren, die nauwelijks in de gedachten van de mensen zouden zich opgekomen. Want meer dan verwonderlijk was het, dat een jongeling tegen een beer of leeuw een aanval waagde, op wier gezicht zelfs iemand de vrees om het hart zou slaan, en voor wie we maar liever het heil in de vlucht zouden zoeken, dan dat men hen op een open en blote plaats zou willen aanvallen. Wanneer David dan zegt, dat hij een leeuw of een beer heeft aangevallen en gewurgd, dan blijkt daaruit wel, dat hij niet met gewone kracht was begaafd en die daad heeft verricht door goddelijke en onverwinnelijke kracht. Waaruit men dit besluiten mag dat David, toen hij het leven van landbouwer en veehoeder leidde, in het vaderlijke huis wel door iedereen veracht was, maar echter met zou grote kracht was begaafd; dat hij die niet van nature had, maar dat God in hem met goddelijke kracht heeft gewerkt, opdat hij door Hem tot de gewichtigste dingen uitverkoren daarvan door de daad zelf getuigenis zou geven. Waarom, ofschoon David als de kleinste en meest onaanzienlijke van de broeders veracht werd, hij echter niet minder door God niet enige zekere eretekens werd vereerd en tot de gewichtige taak, volgens het eeuwig en goddelijk plan van God, werd aangeduid.
Hier zien wij het hart van Isaï’s zoon geheel voor ons ontsloten. De HEERE, de God van zijn vaders, op Wiens bijstand hij ten volle vertrouwt, terwijl hij alleen bedoelt Diens eer te zoeken, is zijn sterkte.
David verwacht alleen zijn kracht van zijn God. Hij weet het, dat diezelfde God, die hem kracht gaf, om de leeuw en de beer te weerstaan, hem ook niet in de steek zal laten, waar het geldt de Filistijn, die Zijn eer heeft aangetast, te overwinnen.
Nu David zo’n bewijs heeft gegeven van zijn kracht en nu Saul iets ziet van die heldere en onuitblusbare geloofsmoed van David, nu durft hij het hem niet te verbieden. Waar het geloof zich in Gods kinderen uitspreekt, daar moeten tenslotte de vijanden zich gewonnen geven, of buigen voor de Majesteit van het geloof.
Verder zei David, toen Saul hem met zijn ogen opnam, wel getroffen over zijn geloofsmoed, maar toch bevreesd, dat de moedige jongeling vallen zou: De HEERE, die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. 1) Toen zei Saul, die zich herinnerde, hoe hij vroeger met God in gemeenschap was, en hoe hij door de kracht uit de hoogte alles vermocht (10: 7; 11: 11) tot David: Ga heen, 2) en de HEERE zij met u!
Met welke woorden hij genoeg toont, dat hij op zijn eigen kracht niet vertrouwt, noch iets omtrent zichzelf belooft, maar van God alleen de hulp verwacht. Waaruit is op te maken dat, ofschoon David tevoren een veehoeder was, hij echter van begin af aan door God tot grote dingen was verkoren, die nauwelijks in de gedachten van de mensen zouden zich opgekomen. Want meer dan verwonderlijk was het, dat een jongeling tegen een beer of leeuw een aanval waagde, op wier gezicht zelfs iemand de vrees om het hart zou slaan, en voor wie we maar liever het heil in de vlucht zouden zoeken, dan dat men hen op een open en blote plaats zou willen aanvallen. Wanneer David dan zegt, dat hij een leeuw of een beer heeft aangevallen en gewurgd, dan blijkt daaruit wel, dat hij niet met gewone kracht was begaafd en die daad heeft verricht door goddelijke en onverwinnelijke kracht. Waaruit men dit besluiten mag dat David, toen hij het leven van landbouwer en veehoeder leidde, in het vaderlijke huis wel door iedereen veracht was, maar echter met zou grote kracht was begaafd; dat hij die niet van nature had, maar dat God in hem met goddelijke kracht heeft gewerkt, opdat hij door Hem tot de gewichtigste dingen uitverkoren daarvan door de daad zelf getuigenis zou geven. Waarom, ofschoon David als de kleinste en meest onaanzienlijke van de broeders veracht werd, hij echter niet minder door God niet enige zekere eretekens werd vereerd en tot de gewichtige taak, volgens het eeuwig en goddelijk plan van God, werd aangeduid.
Hier zien wij het hart van Isaï’s zoon geheel voor ons ontsloten. De HEERE, de God van zijn vaders, op Wiens bijstand hij ten volle vertrouwt, terwijl hij alleen bedoelt Diens eer te zoeken, is zijn sterkte.
David verwacht alleen zijn kracht van zijn God. Hij weet het, dat diezelfde God, die hem kracht gaf, om de leeuw en de beer te weerstaan, hem ook niet in de steek zal laten, waar het geldt de Filistijn, die Zijn eer heeft aangetast, te overwinnen.
Nu David zo’n bewijs heeft gegeven van zijn kracht en nu Saul iets ziet van die heldere en onuitblusbare geloofsmoed van David, nu durft hij het hem niet te verbieden. Waar het geloof zich in Gods kinderen uitspreekt, daar moeten tenslotte de vijanden zich gewonnen geven, of buigen voor de Majesteit van het geloof.
— En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.
En Saul kleedde David met zijn kleren, met zijn wapenrok, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en hij kleedde hem met een pantser. 1)
Men moet niet vragen, hoe uitstekend iets is, maar hoe geschikt het is. Sauls wapenrok moge nog zo rijk en zijn wapens nog zo sterk zijn, wat baatten ze David, daar zij hem niet pasten? Hieruit blijkt wel, dat David volstrekt niet klein was, zoals hij wel eens wordt voorgesteld; omdat hij Sauls kleren kon aantrekken, en Saul boven alle anderen uitstak. Want dat hij ze straks weer uittrok met de uitroep: Ik kan in deze niet gaan, was niet omdat de wapenrusting hem te groot was, maar zoals hij zelf er bij voegt: ik heb het nooit verzocht, m.a.w. ik ben die wapenrusting niet gewoon. Als herder was hij altijd zeer luchtig gekleed geweest en daarom viel hem het gaan in een ijzeren wapenrusting uit de aard van de zaak zeer moeilijk. David was alleen klein tegenover Goliath, de reus. Ook dit alles moest leiden, opdat niet David, maar God alleen de eer zou krijgen van de overwinning. Want toch, als David straks Goliath verslaat, is de vaste hand en alles wat tot het verslaan van de reus diende, van de Heere God.
KruisverwijzingenRichteren 20:16→Mattheüs 10:10→Richteren 3:31→Richteren 15:15→1 Korinthe 1:27→Richteren 7:16→— En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.
En hij nam, in plaats van die wapenen, zijn herdersstaf, waarmee hij de leeuw en de beer verslagen had (vs.35) in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde
stenen uit de beek, uit de Wady Musur, die hij voor zich had, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de herderszak, en zijn slinger was in zijn hand; want in het gebruik van deze had hij zich gedurende zijn herdersleven zo geoefend, dat hij evenals de Benjaminieten (Richteren 20: 16), op een haar treffen kon; zo naderde hij tot de Filistijn. Intussen deed Saul bij Abner nader onderzoek naar zijn familiebetrekkingen, die echter de koning geen volledige oplossing kon geven (vs.55vv.).
Eigenlijk: “gekloofde stenen”. Scherpe, puntige stenen dienden het best tot zijn oogmerk.
Menigeen is David in geestelijke zin hier gevolgd. Ik herinner slechts aan Luther, die ondanks de bedenkingen van angstige kamergeleerden de zware wapenrusting van scholastieke geleerdheid van zich wierp en moedig intredende met de vijf hoofdstukken van zijn cathechismus de reus te Rome neervelde.
III. Vs. 41-54.Kruisverwijzingen1 Koningen 8:43→Jesaja 52:10→2 Koningen 19:19→Jozua 4:24→1 Samuël 24:14→2 Samuël 3:8→2 Kronieken 32:8→Deuteronomium 28:26→ — De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht. Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien. De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden. Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds. David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt. Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft. En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven. En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet. En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde. Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand. David gaat tot de reus Goliath ten strijde, en beantwoordt diens hoon en overmoed met zijn vertrouwen op de God van Israël, die niet met zich laat spotten. De aanval voorkomt hij met een worp van zijn slinger, hij treft hem zo juist aan zijn voorhoofd, dat Goliath bedwelmd ter aarde zinkt, en houwt hem vervolgens met zijn eigen zwaard het hoofd af. Nu de sterkste van hen dood is, gaan de Filistijnen op de vlucht: de kinderen van Israël jagen hen na tot aan de poorten van hun steden Gath en Ekron, en beroven vervolgens de door hen verlaten legerplaats. David brengt het afgeslagen hoofd van Goliath naar Jeruzalem en de hem uitgetrokken krijgstoerusting in zijn tent te Bethlehem.
— De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Toen de Filistijn zag, dat van de kinderen van Israël iemand zich tot de tweestrijd wilde begeven, ging hij ook heen, gaande en naderende tot David, om deze zijn sterkte te laten voelen; en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht (vs.7).
Kruisverwijzingen1 Samuël 16:12→1 Samuël 17:33→Psalmen 123:3→Nehemia 4:2→2 Korinthe 11:27→2 Koningen 18:23→Spreuken 16:18→1 Koningen 20:18→— Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.
De Filistijn nu, over zo’n bejegening in hoge mate verstoord, zei tot David: Ben ik een hond, die men met een stok wegjaagt, dat gij tot mij komt met stokken. En de Filistijn, toen hij gehoord had, in welk vertrouwen zijn tegenstander het waagde hem tegemoet te treden, vloekte David bij zijn Goden. 1)
De Septuaginta voegt na de woorden: “Ben ik dan een hond, dat gij met een stok tot mij komt” een tegenwoord van David: “Nee, nog minder dan een hond.” Dit voegt weinig bij David’s aard en gezindheid. Bovendien verklaart de Septuaginta het laatste woord: “Elohiem” (God of goden) van de goden van de Filistijn, Dagon en Astharoth, zo ook de Vulgata (et maledixit Philistaeus David in diis suis), evenzo de meeste uitleggers. Intussen kan daar ook bedoeld zijn, dat hij vloekte bij de God van David en van Israël.
In het Hebreeuws Beëlohaw. Hebben velen het verstaan van de goden van de Filistijn, zoals ook de oude vertalingen, o.i. moet het zien op de goden, d.i. op de God van David. Goliath, als heiden, kende niet de God van Israël, als de enige God, maar hield het ervoor, dat ook David meer dan één God had. Zijn bedoeling was echter, om niet alleen David te vloeken, maar ook de God van Israël te lasteren.
KruisverwijzingenEzechiël 28:9→1 Koningen 20:10→1 Samuël 17:46→Ezechiël 39:17→Jeremia 9:23→Spreuken 18:12→Ezechiël 28:2→Prediker 9:11→— Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.
Daarna zei de Filistijn tot David, op de wijze, waarop de hoogmoedige helden elkaar hoonden en bedreigden: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogels van de hemel geven, en aan de dieren van het veld. 1)
De ongelovigen nu zijn altijd vol aanmatiging, want niets houdt de mens meer ootmoedig, dan het ware geloof en de kennis van God. Want ieder mens is van nature de trots als ondeugd ingeschapen, en de begeerte, om boven anderen uit te blinken. Zodat het een onafscheidelijk iets is van de menselijke natuur, trots, aanmatiging en onbezonnenheid, en wel zo zeer, dat het zelfs in het allerbinnenste zit ingewrocht. En niets leidt meer tot ware nederigheid, dan de kennis van God, waardoor wij leren, dat wij zelf niets zijn, dat wat wij hebben, wij van Hem ontvangen, en als van Hem ontvangen moeten boeken.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 32:8→1 Samuël 17:36→Filippenzen 4:13→2 Samuël 22:33→1 Samuël 17:10→2 Korinthe 10:4→2 Korinthe 3:5→Psalmen 3:8→— David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.
David daarentegen, vol van geloof en de Heilige Geest, zei tot de Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild, en houdt uzelf voor onoverwinnelijk; maar ik kom tot u in de naam van de HEERE der heerscharen, aan wie al het heer in hemel en op aarde ten dienste staat, de God 1) van de slagorden van Israël, die gij gehoond hebt met uw lasterlijke woorden.
David spreekt hier als van God geleerd. Tegenover de aanmatiging en trots van de vijand komt zijn ootmoed en nederigheid, maar ook zijn vast geloof zo treffend uit. Telkens weer spreekt hij het uit, dat Goliath de slagorden van de levende God heeft gehoond, en omdat David weet, dat God Zijn eer niet straffeloos laat schenden, weet hij ook dat God de Filistijn voor zoveel verwaten hoogmoed zal straffen. David weet zich het instrument van God, door wie de Heere der Heerscharen kloeke daden zal doen.
KruisverwijzingenZacharia 4:6→Hosea 1:7→1 Samuël 14:6→Psalmen 44:6→Psalmen 33:16→2 Kronieken 20:15→Psalmen 46:11→2 Kronieken 14:11→— En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.
En deze gehele vergadering van de kinderen van Israël, die tot hiertoe zo versaagd geweest is, omdat zij niet het ware, levende geloof had, maar alleen op het zichtbare zag en vlees tot zijn arm stelde (Jer.17: 5),zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost. Dat ik zo zeker van de overwinning tot u kom, heeft niet zijn oorzaak in vermetelheid, maar in geloof; want de strijd is van de HEERE, Hij alleen heeft strijd en overwinning in Zijn macht. Die zal u in onze hand geven, omdat Hij de eer van Zijn naam tegen uw hoon en uw spot verdedigen moet. Uit dit woord van David is de 144ste Psalm geworden die, al is zij niet door David zelf gemaakt, zoals sommigen menen, maar door een latere Godsman, waarschijnlijk door een koning uit David’s huis die, evenals Hizkia, het vervaardigen van Psalmen beproefde, toch geheel het gevoel uitdrukt, waarmee David in het tweegevecht tegen Goliath ging, waarom de Septuaginta aan het opschrift bijvoegde: “tegen Goliath”.
KruisverwijzingenSpreuken 28:1→Psalmen 27:1→— En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.
En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde 1)en trof de Filistijn, die het vizier in zijn helm (vs.5) opengeslagen had, in zijn voorhoofd; zodat de scherpe steen zonk in zijn voorhoofd, en hij, door die worp bedwelmd, viel op zijn aangezicht ter aarde.
De slinger bestond uit een touw of een vlechtsel van haar, waaraan in het midden ter opname van de steen een brede leren riem was (de holheid; 25: 29). Bij het gebruik nam men de beide einden van het touw tezamen, zwaaide de slinger eens of enige malen om het hoofd, en wierp dan de steen, die zijn doel op 600 schreden afstand trof.
Waar er gezegd wordt, dat hij de slinger en steen nam, daaruit blijkt, dat hij het deed onder leiding van God, die niet duldde, dat hij door vrees verschrikt werd. Want anders kan het dikwijls geschieden, dat de vrees iemand, wanneer het gevaar van de dood aanwezig is, overvalt dat dikwijls ook de schrik de dapperste mannen zo overvalt, dat zij noch door hun verstand, noch door hun beleid worden bestuurd, terwijl de vrees hun oordeel geheel in bezit neemt, omdat zij niet om God denken, noch tot Hem de toevlucht nemen. Waarom, waar gezegd wordt, dat David de steen nam en uit de slinger wierp, wij erkennen, dat God hem zo nabij is geweest, dat hem noch de kracht, noch het overleg heeft ontbroken. En waar hij de Filistijn midden in het voorhoofd trof, daar is het niet twijfelachtig, of God zelf heeft de worp bestuurd.
David trof de Filistijn in zijn voorhoofd, of in zijn slaap. Hieruit blijkt, dat deze niet met gesloten vizier de tweekamp gewaagd heeft, maar uit overmoed met open, zodat de helm niet was neergeslagen. Zo had God hem verblind, opdat hij aldus zelf de oorzaak moest worden van zijn ondergang. Daardoor kreeg David gelegenheid, om hem met de steen te treffen in zijn voorhoofd. En zo bestuurde God de arm, en zo deed Hij de steen met kracht aankomen, dat deze in zijn voorhoofd wegzonk en Goliath bedwelmd ter aarde stortte.
KruisverwijzingenRichteren 3:31→1 Samuël 23:21→Richteren 15:15→1 Samuël 21:9→1 Samuël 13:22→1 Samuël 17:39→— Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
Alzo, om hier aanstonds het gevolg van de strijd mee te delen, voordat wij de verdere loop (in vs.51) nauwkeuriger beschrijven, overweldigde David de Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg de Filistijn, en doodde hem; maar David had geen zwaard in de hand. 1)
Deze laatste uitdrukking dient, om het goddelijk wonderlijke van het feit meer te doen uitkomen, dat de zwakke David de sterke Goliath gedood heeft, eenvoudig met een slinger en een steen, zonder een zwaard te gebruiken, opdat het daardoor bevestigd zou worden, dat het de Heere was, die in en door David de vijand verslagen had.
KruisverwijzingenHebreeën 11:34→1 Samuël 21:9→2 Samuël 23:21→Esther 7:10→Hebreeën 2:14→Psalmen 7:15→— Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
Daarom of daarna liep David, en stond op de Filistijn, wiens wapendrager zich uit de voeten gemaakt had, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, 1)en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmee af, 2) om dit met de wapens van de reus als een zegeteken mee te nemen (vs.54). Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, vluchtten zij, 3) door een schrik van de Heere aangegrepen.
Waartoe was het nodig, dat David een eigen zwaard meenam; het zwaard van zijn vijand moet hem dienen. God wordt verheerlijkt, wanneer Zijn vijanden door hun eigen zwaard vallen. David’s overwinning over Goliath was een afschaduwing van de zegepralen van David’s zoon over de satan en alle machten van de duisternis, die hij beroofde en openlijk tentoonstelde of.2: 15), en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars.
Waaraan zullen wij de moed en het geluk van David toeschrijven? Niet aan de poging van een natuurlijke geaardheid, maar aan de invloed van goddelijke beginselen, van geloof en ijver. De geschiedenis is meegedeeld, om allen op te wekken met moed te werken voor de eer van God, en welke gevaren ook dreigen, Zijn zaak te bevorderen, met een onwrikbaar vertrouwen op God. Er is één strijd, waarin allen volgelingen van het Lam zijn en moeten zijn. Eén vijand, vreselijker dan Goliath, daagt de slagorden van Israël uit. Maar “weerstaat de duivel en hij zal van u vluchten.” Alleen gaat voort te strijden met het geloof van een David en de machten van de duisternis zullen tegen u geen stand houden.
Wij zijn en wij blijven hier in een voortdurende staat van gevecht tegen een geduchte Goliath, tegen een driehoofdige afgod, tegen een vervaarlijk monster, waarvoor wij ongetwijfeld zouden moeten onderdoen, zo niet een drievoudige hulp ons ten dienste stond, en wij het wisten: in Emmanuel, de sterke Held is al onze steun! Van Hem alleen leren wij ook zo goed, nog onze vijand te treffen en die dodelijk te kwetsen; met het woord van God toch wordt deze het best bestreden; uit dat woord rapen wij onze steentjes tezamen en door het geloof slingeren wij ze met kracht en goed gevolg onze tegenstander naar het hoofd.
Een grote, heerlijke overwinning was behaald, een overwinning rijk in gevolgen, een overwinning van de HEERE, niet van een mens, een overwinning van de ware, levende God over het gehele rijk van de valse goden, een overwinning van het geloof in de God van Abraham, Izaak en Jakob over al het toenmalige en toekomstige ongeloof en bijgeloof van de gehele wereld. Nauwelijks heeft ooit de Heere Zijn Woord tot Israël: “Ik zal u verlossen door Mijn uitgestrekte arm en gij zult bekennen, dat Ik de Heere, uw God ben,” met meer majesteit en heerlijkheid bezegeld, dan juist hier.
KruisverwijzingenJozua 15:11→Jozua 15:33→Richteren 7:23→1 Samuël 14:21→2 Samuël 23:10→Jozua 15:45→— Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op (1 Samuel .15: 4) en juichten, en vervolgden de Filistijnen; tot waar men komt aan de vallei, 1) en tot aan de poorten van de stad van de Filistijnen, van Ekron; en de gewonden van de Filistijnen vielen op de weg van Saäraïm, een stad in de vlakte van Juda, het tegenwoordige Zakarija, ten westen van Efes-Dammin (Joz.15: 36) en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
De Septuaginta leest tot aan Gath. Deze schijnt inderdaad de oorspronkelijke en ware lezing te zijn, omdat volgens het volgende de Filistijnen eerst westwaarts vluchtten naar Saäraïm en vervolgens gedeeltelijk zuidwaarts naar Gath, deels noordwestwaarts naar Ekron.
KruisverwijzingenJeremia 4:20→Jeremia 30:16→2 Koningen 7:7→— Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.
Daarna keerden de kinderen van Israël om, van het verhit najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers 1) bij Efes-Dammim, waar zij bij de haastige vlucht veel buit hadden achtergelaten.
Ongetwijfeld is tussen het verslaan van Goliath door David en het plunderen van het leger van de Filistijnen een tijdruimte van enige dagen of weken. Vandaar ook dat David eerst nog enige dagen bij Saul in gunst kon zijn, omdat de vrouwen pas na het beëindigen van de strijd dat overwinningslied hebben gezongen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 21:9→Jozua 4:7→Exodus 16:33→— Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.
Daarna, nl. nadat hij Goliath verslagen had en het leger van de Israëlieten de Filistijnen achtervolgden, nam David het hoofd van de Filistijn, dat hij met diens eigen zwaard had afgehouwen (vs.51), en bracht het eerst tot Saul, opdat deze het zou zien (vs.55),en vervolgens, toen hij naar huis terugkeerde, naar Jeruzalem
(Jos 15: 63); maar zijn wapens, de wapens van Goliath, legde hij in zijn tent te Bethlehem, totdat hij ze later in de tent der samenkomst te Nob bracht, en daar als een geschenk voor de Heere neerlegde (21: 9).
De vurige, theocratisch-gelovige jongeling waren de Jebusieten in de burg Jeruzalem een doorn in het oog; hen wenste hij voor alles uit het hart van het land, aan hen moest het hoofd van Goliath profetisch getoond worden, wat hun van David wachtte, die hen ook later overwon (2 Samuel .5). Misschien wilde en moest David reeds, toen hij met Goliaths hoofd naar Jeruzalem ging, aan Saul een teken geven, dat hij toch de Jebusieten moest verdelgen. Bovendien moeten de Jebusieten met de Filistijnen in een nadere gemeenschap tegen Israël gestaan hebben. De oude macht van de Filistijnen tegen Israël was pas toen voor altijd gebroken, toen de vaste stad Jeruzalem veroverd was, en de Jebusieten hen dus niet meer konden helpen. Van die tijd af verdwijnen de Filistijnen als onbeduidend uit de geschiedenis en bleef hun alleen de belofte van het Evangelie over (Psalm 87: 4).
Evenals David aan Goliath, zo heeft onze Heere Christus, aan de sterk gewapende (Luk.11:
of de reus (Jer.49: 24) zijn wapenrusting ontnomen (Kol.2: 15) en door Hem overwinnen wij.
Van het slagveld legde de weg naar Bethlehem, de verblijfplaats van David, over Jeruzalem.
IV. Vs. 55-18Kruisverwijzingen1 Samuël 16:21→1 Samuël 17:58→ — Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet. : 5. Voor David heeft de overwinning op Goliath aanstonds dit gevolg, dat Saul, op hem opmerkzaam geworden en zijn bijzondere gaven erkennende, hem in zijn bestendige dienst neemt, zodat hij de troon een groot stuk nader gekomen is. Achter dit eerste gevolg ligt echter een ander verborgen, de toenemende jaloezie van de thans nog regerende koning tegen hem, die tot zijn opvolger geroepen is en tot wie zich de harten van het volk reeds neigen een jaloezie, die Saul ertoe drijft te proberen eerst door verborgen list, vervolgens door openbare vervolging zich van zijn mededinger te ontslaan. De Heere geeft op hetzelfde uur, dat David voor de koning staat, en op zijn vragen antwoordt, hem een vriend in Sauls zoon, in Jonathan, die hem niet alleen alle vijandschap, die hem wacht, zal helpen dragen, maar ook zijn hart op een wijze aan de vervolgingszuchtige koning zal verbinden, dat hij geschikt wordt, met onverbrekelijke trouw die aan te hangen en zijn vijand op het hoogst te beminnen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 16:21→1 Samuël 17:58→— Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
Wij wensen het verhaal thans weer aan vs.40 aan te knopen en het verband te herstellen, door een gebeurtenis mee te delen, die eveneens bij die overwinning over Goliath plaatshad. Toen Saul David zag uitgaan, de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? Deel mij de familiebetrekkingen mede van Isaï’s zoon, die mijn harpspeler was, en nu naar de prijs van mijn dochter dingen wil. En Abner, die meer belang in krijgszaken stelde, dan hij van familie-aangelegenheden wist, zei: Zo waarlijk als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet. 1)
Ook dit vers is gemakkelijk te verstaan, indien men erop let, wat Saul vraagt. Het is geen onkunde met David, die hem zo doet spreken, maar wanneer hij David ziet uitgaan de Filistijn tegemoet, dan wenst Saul te weten, wie eigenlijk de familie van zo’n moedige jongeling is. Hij vraagt niet, wie is David, maar wiens zoon is deze jongeling? Hoe komt hij aan zo’n moed en moedsbetoning? Bovendien, Saul heeft de overwinnaar zijn dochter beloofd. Is het nu te verwonderen, dat hij iets meer van de familie wil weten, waarmee zijn dochter, indien David overwint, in nadere betrekking zal komen?. Abner weet het niet, en nu krijgt deze opdracht, om onderzoek te doen. Abner weet niet beter zijn opdracht te volbrengen, dan de overwinnaar van Goliath zelf bij Saul te brengen. Dit gebeurt en nu houdt Saul met David, en David met hem een gesprek, wat ons niet nader is meegedeeld, maar waarvan het begin ons meegedeeld wordt in het slot van vs.58. Uit vs.1 van het volgende hoofdstuk, waar gezegd wordt: “het geschiedde nu als hij geëindigd had te spreken,” blijkt toch, dat het nog een gewichtig gesprek is geweest, waardoor voorzeker de godsvrucht en het kinderlijk ernstig geloof van David treffend is uitgekomen en zo, dat de kinderlijk gelovige ziel van Jonathan zich aan die van David verbonden ging voelen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 17:54→— Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.
Toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem, die als opperbevelhebber van het Israëlitische leger hem tegemoet was gegaan, om hem met de overwinning geluk te wensen, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, opdat ook deze hem zou begroeten, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand. 1)
Deze gebeurtenis had, volgens hetgeen in vs.51 verteld werd, nog plaats voor de Filistijnen gingen vluchten en de kinderen van Israël hen najaagden; want in 18: 5 zien wij David mee uittrekken. Toen de beroving van het leger plaatsvond (vs.53), heeft hij zeker de weg over Jeruzalem naar Bethlehem (vs.54) gemaakt, om tevens aan zijn vader te melden, wat Saul tot hem gezegd had (18: 2) en om van zijn vader afscheid te nemen. De gebeurtenissen in dit en het volgend gedeelte zijn meer naar de zaken dan naar de tijdsorde meegedeeld, waardoor enige moeilijkheid ontstaan is in het begrijpen van de geschiedkundige samenhang.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
1 Samuël 17
1 Samuël 17:37.Kruisverwijzingen1 Kronieken 22:11→1 Kronieken 22:16→1 Samuël 20:13→2 Timotheüs 4:17→Psalmen 77:11→2 Korinthe 1:9→1 Samuël 7:12→Psalmen 138:7→
— Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!
David had met God geleefd. Vele eenzame dagen door had hij de kudde van zijn vader gehoed tussen de verlaten heuvels van Juda en de onzienlijke maar altijd tegenwoordige Heere aangebeden. Hij was opgegroeid tot een aanbiddende vertrouwdheid met de Allerhoogste, zodat voor hem de Naam van de enige levende en waarachtige God een diepe en ernstige vreugde was.
Zoals wij hoog tussen de bolwerken van de bergen een eenzaam meer zien kunnen, wiens enige ambt het is het aangezicht van de hemel te weerspiegelen, zo was Davids geheiligde leven de weerschijn geworden van het licht en de heerlijkheid van de HEERE der heirscharen.
Het was hem in zijn overdenkingen niet ingevallen dat lage mensen het zouden wagen de oneindige majesteit van God te tarten. Maar nu hij de tarting hoort en de uitdaging aanschouwt, is al zijn bloed in beweging. Hij is verbaasd. Een heilige toorn is op hem. Ja, het is waar — hij hoort Jehova gelasterd. Hoe kan het zijn? De heilige ziel van de jongeling ondergaat een nieuwe ervaring. Hij komt tot het besluit dat, gelijk beren en leeuwen sterven wanneer zij zich aan schapen vergrijpen, zo ook Goliath moet vallen nu hij het waagt de Heere en Zijn volk aan te vallen.
In Davids geval is er geen opwelling van opwinding, geen woeste glans van ogen. Hij is blijkbaar op zijn gemak en heeft de hele zaak wel in de hand. Hij zegt ons waarom hij zo dapper en ondernemend is. Het is wel de moeite waard te zien wat David zo sterk en zeker maakte, want als het ons tot nu toe nog niet is overkomen, dan kan het nog gebeuren dat wij geroepen worden een daad van moed te doen voor de Heere. Ik zou willen dat jonge mensen streefden naar dappere levens voor de God van Israël. Waarom zouden wij allen gewone mensen zijn? Is er geen plaats voor enkele volstrekt toegewijde wezens die hun handen tot de Heere opheffen en nooit terugtreden?
1 Samuël 17:50.KruisverwijzingenRichteren 3:31→1 Samuël 23:21→Richteren 15:15→1 Samuël 21:9→1 Samuël 13:22→1 Samuël 17:39→
— Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
De zoon van Isaï verwierp de wapens waarmee Saul hem trachtte te wapenen — hij zette de helm op zijn hoofd en deed het maliënkolder om zijn lichaam en stond op het punt het zwaard op te nemen, maar hij zei: “Ik kan hierin niet gaan; ik ben er niet aan gewend.” Zo ook heeft de Zoon van David alle aardse wapenrusting verworpen. Zij zouden onze Heere met geweld genomen en tot koning gemaakt hebben, maar Hij zei: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.”
Er zouden zwaarden genoeg uit de schede gesprongen zijn op Zijn bevel. Maar Jezus zei: “Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan” (Matth. 26:52).
Tot op deze dag is de grote strijd van Jezus Christus met de machten der duisternis niet met zwaard en helm maar met de gladde stenen uit de beek. De eenvoudige prediking van het evangelie, met de herdersstaf van het grote Hoofd der gemeente in ons midden gehouden — dat is wat Goliath neerlegt en hem tot de laatste dag zal neerleggen. Het is tevergeefs dat de gemeente zelfs maar denkt dat zij de overwinning zal winnen door rijkdom, of door rang, of door burgerlijk gezag. Op de macht van God alleen moet zij zien. “Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen” (Zach. 4:6). Gelukkig zal het voor de gemeente zijn wanneer zij die les leert.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenJozua 15:35→1 Samuël 13:5→1 Samuël 21:9→1 Samuël 8:17→2 Samuël 21:21→2 Kronieken 28:18→1 Kronieken 11:13→Jozua 11:22→
— En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim. Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen. Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers; En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders; En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome. Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen. Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
Het eerste oponthoud van David aan Sauls hof, deze “ongestoorde idyllische episode van zijn leven”, zoals men dit genoemd heeft, breekt na de korte duur van een jaar plotseling af, en de liefelijke idylle wordt onverwacht in een toneel van strijd veranderd. De Filistijnen trekken tegen Israël op en legeren zich bij Efes-Dammim. David wordt naar huis gezonden, gedurende de tijd, dat Saul met zijn leger de vijand in het eikedal tegemoet trekt. Een tijd lang liggen de beide partijen tegenover elkaar zonder iets te verrichten; vervolgens treedt uit de rijen van de Filistijnen de reus Goliath te voorschijn, en daagt onder de kinderen van Israël ieder tot een tweegevecht met hem uit, die de moed heeft dit te ondernemen.
En de Filistijnen, 1) die zich van hun nederlaag (14: 20vv.) weer sinds lang hersteld hadden, en gedurig opnieuw beproefde Israël weer onder hun macht te brengen, verzamelden, ongeveer omtrent het jaar 1062 vóór Chr., hun leger ten strijde, en verzamelden zich te Socho (= bolwerk), dat in de vlakte van Juda is; 3 ½ mijl zuidwestelijk van Jeruzalem, niet te verwisselen met het Joz.15: 48 vermelde Socho, op het gebergte van Juda, en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azéka; (= omheind) aan het einde van Dammim = trossen), liever te Efes 2) Dammim, omdat namelijk was het centrum van hun leger.
Deze oorlog bood, naar Goddelijke beschikking, David gelegenheid, om met de vijanden van zijn volk in aanraking te komen en hen door zijn geloof en vertrouwen op de Almacht van zijn Verbondsgod te verslaan, wanneer hij hun kampvechter zou doden. Tevens heeft hij gelegenheid, om zich te openbaren als de redder van zijn volk.
Het Hebreeuwse woord Efes betekent wel “het einde”, “de uiterste grens; ” hier behoort het echter zonder twijfel tot de naam van de plaats, die 1 Kronieken 11: 13 verkort Pas-Dammim genoemd is, door de Vulgata “Phesdomim.”.
En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantser aan, een pantser dat niet alleen rug en borst, maar ook het benedenlichaam bedekte, vervaardigd uit kleine, over elkaar liggende koperen platen; en het gewicht van het pantser was vijfduizend sikkels koper 1) (Le 19: 37).
Voor een man als Goliath geen te zware last, wanneer wij daarmee vergelijken de harnassen en wapens nog hier en daar uit oude tijden van enkele sterken bewaard.
Volgens Thenius weegt het kuras van August de Sterke, dat bewaard wordt in het historisch Museum te Dresden, 55 pond. Hij komt daardoor tot het besluit, dat voor Goliath het aangegeven gewicht van zijn pantser een niet te grote last is geweest.
Een sikkel koper is iets minder dan bij ons een lood koper, zodat het pantser nog geen 50 pond heeft gewogen. Anderen berekenen het op 78 pond. Wij moeten er wel op letten, dat zo’n pantser ook het onderlijf bedekte.
En hij had een koperen scheenharnas, beenschilden, boven zijn voeten, en een koperen, een kleiner (vs.7) schild 1) tussen (op) zijn schouders.
In het Hebreeuws Kidoon. Dit is eigenlijk niet een schild, maar een lans. Tussen de schouders wil zeggen, op de rug. Het was namelijk de gewoonte, dat grote krijgshelden hun lans zelf op de rug droegen, of om de schouders. In de Ilias van Homerus komt dan ook de uitdrukking voor amfi d wmoisin, rondom de schouders.
En de schacht van zijn spies was als een weversboom, 1) en het lemmet van zijn spies was van zeshonderd sikkels ijzer; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
Het Hebreeuwse weefgetouw (Jud 10: 13) verschilde in hoofdzaak niet van die in de gehele oudheid; het was namelijk hoog, zodat de wevende daarvoor moest staan. De weversboom is het ronde sterke hout, dat bovenaan het weefgestoelte is en de beide zijden verenigt; hierop werden de op spoelen een of meervoudig getwijnde draden getrokken. De getrokken draden heetten de scheerdraad (Lev.13: 47), daarin werd met de weversspoel (Job 7: 6) de inslag ingeweven, wat staande gebeurde, en dan met de lepel vastgeslagen (Jud 16: 13). Bovendien komt in Jes.38: 12 voor “de drom” (Hij zal mij afsnijden als van de drom); hiermee zijn de overblijfsels van de scheerdraden boven aan de weversboom bedoeld, die overblijven, nadat het weefsel is afgesneden. Hieraan werden de nieuwe draden van de nieuwe weefsels eenvoudig gedraaid om zich moeite te sparen. De zin van die plaats is dus: “Mijn leven wordt als een weefsel, dat gereed is, van de weversstoel afgerold; hij, de wever, snijdt mij af van de afhangende, overblijvende draden.”.
Verder zei de Filistijn: Ik heb heden met dit woord de slagorde van Israël gehoond, 1) zeggende: Geeft mij een man uit uw rijen, dat wij tezamen strijden! 2) Niemand zult gij daartoe vinden. Legt de wapens neer en onderwerpt u aan onze heerschappij.
Het honende lag hierin, dat hij de Israëlieten verachtelijk knechten of slaven van Saul had genoemd. Goliath had echter nog dieper dan hij zelf wel wist de slagorden van Israël gehoond. Want wat het eigen volk van de Heere, het vrije volk van de HEERE was, had hij verachtelijk een slavenvolk genoemd. Dat zal later David hem ook te kennen geven.
Het geschiedde in de oudheid niet zelden, dat twee krijgslegers, die tegenover elkaar lagen, de strijd lieten beslissen door twee kampvechters, die van beide zijden gesteld werden. Hetzelfde voorstel deed later (2 Samuel .2: 14vv.) Abner aan Joab, om de burgeroorlog te vermijden. Van de Romeinen wordt verteld, dat zij, toen zij onder hun koning Tullus Hostilus (van 772-640 vóór Chr.) lang tegenover de Albanen, die door Mettus Fuffetius aangevoerd werden, gestaan hadden, zonder dat een van beide legers de aanval gewaagd had, een gelijke aanbieding aannamen, als hier Goliath de kinderen van Israël deed; het volk, wiens kampvechter zou overwinnen, zou over het andere heersen. Nu waren er in beide legere drielingbroeders, in jaren en krachten elkaar gelijk, bij de Romeinen de Horatiërs, bij de Albanen de Curiatiërs. In het begin bleef de overwinning twijfelachtig, totdat het d Curiatiërs lukte, twee van de Horatiërs te doden, omdat echter de drie Curiatiërs reeds gewond waren, zo hield zich de nog overgebleven Horatiër, alsof hij vluchtte en de drie volgden hem, door hun wonden opgehouden, niet tezamen, maar met tussenruimten, gescheiden van elkaar. Zo lukte het hem, op zijn geveinsde vlucht zich spoedig omkerende, de een na de ander neer te vellen. De overwinning was alzo aan de Romeinen, die dan ook spoedig daarop hun moederstad Alba Longa geheel verwoesten.
Toen Saul en geheel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, ontzetten zij zich en vreesden zeer,
want niemand waagde het de strijd met zo’n reus te ondernemen.
Dat nu gezegd wordt, dat Saul, tengevolge van het gepoch van Goliath, vreesde en het gehele volk met hem, daaruit blijkt wel, dat waar de Geest van God van hem was geweken, hij geen moed meer bezat, omdat deze door de ongenade van God hem als geheel was ontnomen. Want indien er enige dapperheid bij hem was geweest, enige kracht, had hij duizendmaal liever de dood moeten begeren, dan te dulden, dat door zulke lasterlijke woorden de Naam van God werd gelasterd en onteerd. Maar met het gehele volk staat hij daar als verpletterd.
Noch bij Saul, noch zelfs bij Jonathan is er enige moed. Het voorbeeld van Saul werkte zo aanstekelijk, dat ook aan Jonathan de moed ontnomen werd, om de tweestrijd met Goliath te wagen.
Van achteren blijkt het, dat het alles zo heeft moeten zijn, opdat de Heere aan David de overwinning over Goliath zou schenken. Dit heft echter de schuld van Saul niet op.
II. Vs. 12-40.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:10→1 Samuël 16:18→Genesis 35:19→Genesis 37:14→Ruth 4:22→1 Kronieken 2:13→1 Samuël 17:58→1 Samuël 16:11→
— David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma. En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang. En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen. Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen. Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende. Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep. En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.
Goliath herhaalt ongeveer zes weken zijn uitdaging; onder alle strijders van Israël wordt niemand gevonden, die het waagt zich tegenover hem te plaatsen, hoewel Saul op zijn overwinning een hoge prijs gesteld heeft. David komt, op last van zijn vader, in het Israëlitische leger en verneemt de stand van zaken, die zo zwaar op alle harten drukt. Vol geloofsmoed geeft hij aanstonds zijn besluit te kennen om de strijd op te nemen; hij wordt tot de koning gebracht en verkrijgt eindelijk van deze toestemming, om de onderneming te wagen. In de krijgsuitrusting, die Saul hem laat aantrekken, kan hij niet gaan; daarom grijpt hij weer naar zijn herderskleding en wapent zich met een slinger en met vijf gladde stenen uit de beek.
David nu, die in de volgende geschiedverhalen als de eigenlijke held op de voorgrond treedt, en wiens familie wij ons daarom nog eens voor de geest willen roepen, was de zoon van de 1) man uit Efratha van Bethlehem-Juda (Genesis35: 16,19), wiens naam was Isaï, en die acht zonen (1 (Samuel 16: 10) had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen, hij was reeds boven de 50 jaar, wanneer men geen krijgsdienst meer behoefte te doen.
In het Hebreeuws wedawid ben-isch Efrathi hazèh. En David, de zoon van die man uit Efratha. Het woordje die is in de Statenvertaling uitgevallen. Het wijst echter terug op iets, wat reeds vroeger vermeld is. Van die man uit Efratha, n.l. van Isaï is reeds eerder sprake geweest. Het woordje was moet weg vallen, omdat pas in vs.15 het werkwoord voorkomt. Velen hebben dit aanhangsel zonderling gevonden, omdat reeds eerder van David en Isaï sprake is geweest, maar juist dit woordje die maakt duidelijk dat wat hier en in de volgende verzen vermeld wordt, slechts tot verduidelijking is, en dat de Schrijver wel degelijk David en Isaï kende. Het is volstrekt geen ingeschoven stuk, noch een aanhangsel van een ander.
De Filistijn nu, van wie in vs.4vv. verteld is, trad toe, Israël honende en uitdagende, ‘s morgens vroeg en ‘s avonds. Zo stelde hij zich daar veertig dagen lang; 1) zes weken lang zette hij zijn honen voort, terwijl Saul een grote prijs stelde, wanneer men de gevreesde man overwinnen zou (vs.25).
Met deze opmerking wordt de in vs.10 begonnen beschrijving van het optreden van Goliath voortgezet en het volgende ingeleid. Terwijl de Filistijn dagelijks, 40 dagen lang, tot het tweegevecht uitdaagde, zond Isaï zijn zoon David naar het leger.
En Isaï, in wiens huis wij ons, na deze herhaalde opmerkingen nog eens verplaatsen, zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders, van wie de van huis meegenomen voorraad voedsel wel spoedig opgeteerd zal zijn (Jud 19: 10), een efa (Ex 16: 36″ en Ruth 2: 17) van dit geroosterd koren (Le 2: 14) en deze tien broden, en breng ze terloops of, met spoed in het leger tot uw broeders.
Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend, als een geschenk van eer; en gij zult uw broeders bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand 1) meenemen, voor mij ten bewijze, dat zij nog leven en het hun goed gaat.
Het moeilijke woord hbre is afgeleid van bre (verwisselen, pand geven): anderen leiden het af van bre (zoet aangenaam zijn) en vinden hier ten onrechte deze zin: “verneemt wat hun aangenaam is”, wat zij bovendien nog graag zouden hebben.
Saul nu, en zij uw broeders, en alle mannen van Israël, die krijgslieden zijn, waren of, zijn bij het eikedal (vs.2) met de Filistijnen strijdende. 1)
De Statenvertaling geeft, waren strijdende. Het moet echter zijn, zijn strijdende, omdat zoals duidelijk blijkt uit het en zij, Isaï met deze woorden zijn boodschap aan David besluit. Alleen dan, als het als een gedeelte van de rede van Isaï wordt opgevat, komt dat en zij tot zijn recht, als aanwijzing van Isaï zelf, omtrent zijn zonen.
Isaï wil hiermee aan David de plaats beschrijven, waar hij zijn broeders kan vinden.
David nu liet de vaten met de levensmiddelen, die hij gebracht had, van zich, onder de hand van de bewaarder van de vaten, die de wacht bij de pakgoederen van het leger had, en hij liep tot de slagorde; en hij kwam in de rijen van de soldaten, dat hem naar de toenmalige militaire orde niet verboden werd, en vroeg zijn broeders naar hun welstand. 1)
David was in het leger gekomen, alleen om het bevel van zijn vader te volbrengen, zonder te vermoeden, wat daar geschied was, en toch hing hiervan zo buitengewoon veel af. De omkering, die van die tijd af in zijn leven kwam, de keten van geluk en ongeluk, die jaren lang voortliepen, het hofleven en Sauls nijd, Jonathans vriendschap, Michals huwelijk, de vlucht voor de koning dat alles was aan dit ene bezoek verbonden. Zo zijn het dikwijls kleinigheden in het leven, die grote dingen bewerken. Een reis van Jozef naar zijn broeders op het veld bij Dothan, wat een menigte van gebeurtenissen bracht deze teweeg, van zijn verkocht worden tot aan zijn verhoging.
Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op, zoals hij dagelijks deed (vs.16); zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het leger van de Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden, die reeds in vs.8-10 zijn meegedeeld; en David hoorde ze,
en hij hoorde in die hoon van Israël een hoon tegen de levende God (vs.26); dat verteerde hem het hart.
Met grote verwondering verneemt David, wat er gebeurt. Hij gelooft zijn oren niet te kunnen vertrouwen, als hij opnieuw het geroep van de onbesnedene hoort klinken, noch zijn oren, omdat hij in het leger van zijn landgenoten niemand in heilige toorn ziet ontbranden en voor de eer van de HEERE ziet optreden. “Hoe, denkt hij, is dan het laatste vonkje van geloof in Israël uitgeblust, of de arm verkort van Hem, die eens farao met zijn ruiters en paarden in de golven van de Rode Zee begroef, die op Mozes’ gebed de overmacht van Amalek vernietigde en Gideon aangordde, zodat hij met driehonderd, de duizenden van Midian deed vluchten, ja zelfs de nek van de Kanaäniet Sisera, die een schrik voor het land was, onder de voet van een zwakke vrouw boog? Hij denkt het en hoog brandt de heilige vlam van ijver zowel tegen de lasteraar in het leger van de aartsvijand, als tegen de versaagden van zijn eigen volk op.
Maar alle mannen in Israël, toen zij die man zagen, vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer. 1)
Het is opmerkelijk, dat ook Jonathan, die toch (14: 6vv.) bewezen had een gelovig en moedig jongeling te zijn, nu niet opstond, maar in de algemene vrees deelde. Daaruit ziet men, zegt Starke, dat de helden en heiligen zonder Gods aandrang en kracht niets vermogen. God ontnam aan Jonathan de heldenmoed (Psalm 76: 13), omdat Hij David wilde groot maken.
En de mannen van Israël, die zelf geen lust hadden met de algemeen gevreesde man te strijden, maar toch graag zagen, dat iemand besloot de uitdaging aan te nemen, en de smaad uit te wissen, zeiden, met gespannen verwachting uitziende, of niet eindelijk iemand zich daartoe gewillig zou verklaren: Hebt gij, die man wel gezien, die opgekomen is? Dat moet gewroken worden; want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, met grote geschenken zal begiftigen, en hij zal hem zijn dochter geven (Joz.15: 15vv.), en hij zal zijn vaders huis vrij maken in Israël 1) van alle diensten aan het koninklijk hof (8: 11vv.; 1 Koningen .4: 7).
Allen hoorden wel de uitroep van de reus, maar de ene zag bevreesd op de ander. Niemand durfde tot de ongelijke strijd zich aangorden, maar door vrees verslagen en verward van gemoed namen zij de vlucht. Maar David een gesprek beginnende zegt: Wie is toch die onbesnedene, die de slagorden van de levende God heeft gehoond?. Allereerst is nu op te merken, dat God zo de gemoederen van het volk heeft beroerd, dat noch Saul, noch Jonathan, kortom niemand in het gehele leger de moed en de dapperheid bezat, ofschoon zij talrijk waren. Vroeger hebben wij wel van de dapperheid van Jonathan gehoord, die het bestaan had, alleen, vergezeld van zijn wapendrager, het leger van de Filistijnen aan te vallen, zodat hem eerder voortvarendheid, dan dapperheid scheen te moeten toegeschreven worden. Want wie anders toont overmoed dan hij, die zich in het grootste gevaar stort, zonder hoop op hulp. Wanneer daarom Jonathan en de plaats van de bezetting losstormde, alleen gesteund door een zwakke wapendrager en, ver van alle hulp, de gewapende legerscharen van de vijanden aanvalt, wie zal die daad niet liever onbezonnenheid noemen, dan dapperheid, tenzij wij mogen erkennen, dat hem die onverschrokkenheid en dapperheid van Gods wege is gegeven? Maar waar is nu de dapperheid van Jonathan? Waarom vreest hij de ontmoeting met de reus? Zeker, het blijkt wel, dat hij van de Goddelijke geest van de dapperheid is beroofd geweest, omdat hij zeker voor David zou moeten wijken? Het is daarom zeker, dat dit alles door de Goddelijke Voorzienigheid alzo is beschikt, terwijl het goddelijk vonnis Saul vervolgde, omdat hij van de rechte weg van Gods bevelen was afgeweken. Vervolgens zien wij, dat er niemand in het gehele leger was, die Goliath aandurfde, omdat het het eigen werk van God is, kracht en dapperheid te schenken aan vreesachtigen en zwakken en daartegenover de moed van de dapperheid te breken en zo te verzwakken, dat zij als het water wegvloeit, en hen, bij wie vroeger een onverwinnelijke dapperheid is aanschouwd en een niet bevreesd zijn in de gevaren, zó voor een ogenblik te veranderen, dat zij zelfs voor het gezicht van hun eigen schaduw beven.
In zijn moeilijke toestand vat Saul geen moed in God, noch zoekt hij hulp of gunst door gebeden en offeranden; hij verwacht alleen hulp van mensen. Dit was een gevolg en teken van het verlaten van Gods Geest van hem.
Toen zei David, zich nu nog te meer verwonderende, dat niemand de strijd waagde: tot de mannen, die bij hem stonden zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Bij zo’n prijs moest de een de ander verdringen, in plaats van te vluchten. De overwinning zal aan onze zijde zijn, want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? 1) Het is een mens, die buiten het verbond met de HEERE staat.
Hij moet weten, dat hij het met God en niet met een mens te doen heeft, met de levende God en niet met een afgod zal hij te strijden hebben. Hoe duidelijk blijkt het uit deze woorden, dat het schenden van de eer van God David’s gemoed in vlam zet tegen de Filistijn. Dat de eer van God door de Filistijn wordt aangetast, kan David niet hebben. Daartegen verzet zich alles wat in hem is. Hij voelt op dit ogenblik de werking van de Geest van de Heere, die over hem is gekomen. Hij voelt door die werking dat hij, de aanstaande koning, is geroepen om tegen de Filistijn op te treden, maar hij voelt het ook dat God hem kracht en moed zal geven, om waarlijk tegen hem te kunnen optreden. Niet in de eerste plaats de hoop op het loon, de overwinnaar van Goliath toegezegd, doet hem besluiten de strijd te wagen, maar aangezet en aangevuurd wordt hij door de Geest van God. Dat hij gedurig navraag doet naar dat, wat Saul beloofd heeft, is meer om op die wijze met Saul, de koning, in aanraking te komen, om van hem verlof te ontvangen, om de eer van God te handhaven en het heil van zijn volk te bewerken.
Als Eliab zijn grootste, zijn oudste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, dat hij wilde beproeven wat niemand in het gehele leger waagde, en hij zei (MATTHEUS.7: 1vv.): Waarom zijt gij nu van Bethlehem afgekomen naar de strijdplaats? en onder wie hebt gij de weinige schapen, die onze vader bezit, zodat het verlies van een enkele een grote schade is; in de woestijn gelaten? Het ware veel beter geweest, zo gij thuis en bij uw beroep gebleven was, maar ik ken, ik doorzie thans uw vermetelheid, en de boosheid van hart wel, dat gij, niet tevreden met hetgeen gij zijt, naar hogere dingen streeft; want gij zijt met geen ander doel gekomen, dan opdat gij de strijd zou zien. 1) Wilt gij de reus bevechten, daarbij zelf omkomen, Israël’s ondergang en een nederlaag van de HEERE in de ogen van de heidenen bewerken?
Eliab verwijt David, waaraan hij zichzelf op grove wijze schuldig maakt. n.l. aan boosheid van hart. Men zou uit deze gehele redenering kunnen opmaken, dat Eliab niet onbekend is geweest met het doel, waartoe David gezalfd was, en dat nu jaloersheid hem zo doet spreken. Reeds bij het eerste publieke optreden heeft David gelegenheid, om geduld te oefenen, om op koninklijke wijze beledigingen te verdragen en zijn zaak aan God over te geven. En David verdraagt op waarlijk koninklijke wijze die belediging, hoewel hij zijn smader op kalme wijze bescheid geeft, in hetgeen hij zegt. Dit is de juiste wijze van handelen voor al degenen, die in waarheid gelovigen zijn en weten, dat zij door Gods Geest bestuurd worden.
Toen zei David, die harde verwijten met zachtmoedigheid en bescheidenheid beantwoordende: Wat heb ik nu gedaan, 1) dat gij mij vermetelheid en baatzucht verwijt? Is er geen oorzaak, waarom ik hier gekomen ben? Heeft onze vader mij niet gezonden, om u te bezoeken en van spijzen te voorzien?
Ziet, hoe David het ware, God welgevallige midden houdt tussen het woord: “Laat de gedachte varen aan hetgeen, waartoe gij geroepen zijt”, en het andere: “Wie weet goed te doen en het niet doet, die is het zonde”; hoe hij stil en ootmoedig wacht, totdat hij gezonden wordt, maar dan ook niet traag is om de hand met ijver aan het werk te slaan. Zo is het naar Gods hart. Wanneer wij onszelf in deze spiegel beschouwen, moeten wij met Tersteegen belijden: “Nu eens volgt men God niet, dan loopt men Hem vooruit; de een is te bang, de ander te haastig.” Maar voegen wij er ook biddende bij: “Heere! was ik slechts zo voor U, wat mijn hand voor mij is, dan hield ik wel de ware middenweg.” Zoals de hand niet zelf de arbeid kiest, maar wanneer de wil haar die aanwijst, moedig aangrijpt, zo moet ook een knecht van de Heere niet naar eigen lust en keus zijn werk en ambt zoeken, maar hij moet ootmoedig op de wil van Zijn Heere acht geven, zich door Hem laten zenden en getroost en moedig en met een gewillig hart verrichten, wat hem bevolen is.
In het Hebreeuws Halo dabar hoe. Dit kan ook vertaald worden en o.i. is dit beter: Was er niet een bevel? n.l. van Isaï, m.a.w. David vraagt dan tot zijn verontschuldiging, of hij niet moest gehoorzamen aan het woord of bevel van hun vader?.
En hij wendde zich, als hij zijn broeder zo geantwoord had, af van die naar een ander van de nabijstaande krijgslieden toe, en hij zei achtervolgens dat woord, dat hij reeds vroeger (vs.26) gezegd had; hij liet zich nog eens meedelen, wat de koning beloofd had; en het volk gaf hem weer antwoord, overeenkomstig de eerste woorden (vs.27 17.27). Volgens onze mening was David (1 Samuel 16: 12) bekend met zijn roeping tot de koningstroon. Terwijl hij nu die roeping voelde, om de strijd met Goliath te ondernemen en profetisch voor het volk van God te worden, wat hij ook eens werkelijk zijn zou: de beschermer en wreker tegenover overmoedige vijanden, zal wel de gedachte in hem opgekomen zijn, dat juist deze strijd een middel in Gods handen zou worden, om hem in nadere betrekking met het koninklijk huis te brengen. Hieruit verklaard zou kunnen worden, waarom hij herhaaldelijk vraagt naar de door Saul beloofde beloning; want tot deze behoorde ook de hand van de koningsdochter. Dat David later op dat toegezegde loon niet meer aanspraak maakt, heeft zijn oorzaak in het geduld, waarmee hij aan Gods leiding het verdere overlaat; dat hij echter bij Sauls aanbieding in 18: 17vv. zich zo terughoudend gedraagt, is een werking van Gods Geest, die het eenvoudige hart van de jongeman voor de aanslagen van de arglistige koning wist te beschermen.
En David zei tot Saul, toen hij voor de koning stond en deze zijn verwondering te kennen gaf, dat een ongeveer achttienjarige jongeling wilde ondernemen, wat geen van de dapperste en sterkste mannen waagde: Aan geen mens ontvalle het hart, niemand vreze om zijnentwil, alsof deze Filistijn een reus ware, die met Gods hulp niet zou te overwinnen zijn. Uw knecht zal heengaan, en hij zal met deze Filistijn strijden; 1) geef hem slechts de toestemming daartoe.
Deze woorden brengt David volstrekt niet in onbezonnenheid voort, zoals jonge mensen dikwijls gewend zijn veel zonder overleg te beginnen, zodat niets zo moeilijk is of zij menen, het gemakkelijk te kunnen overwinnen, en zoals een spreekwoord zegt: “zelfs met de handen aan de maan reiken”. Zij hebben toch geen kennis van zaken en hebben geen ondervinding, zodat zij van de zwarigheden, die zij willen ondernemen, niet voldoende bewust zijn. Vandaar dat jonge mensen dikwijls stoutmoediger zijn dan behoort en zich hals over kop in gevaar storten, waaruit zij niet weer opstaan. Van dit alles was bij David niets, zoals vervolgens blijkt. Want ten opzichte van eigen kracht belooft hij niets, wanneer hij bereid is tegen de reus Goliath in een tweestrijd zich te begeven, die hij genoeg had leren kennen, evenals de leeuw en de beer, door wie hij in een ogenblik verscheurd had kunnen worden. Maar hij heeft zijn hoop alleen op God gevestigd en verwacht zijn hulp van de Heere, terwijl hij van zichzelf niets verwacht. Hoe duidelijk is het hier, dat David zo spreekt, gedreven door de Heilige Geest.
En ik ging hem achterna, de ene keer de leeuw, de andere de beer, en ik sloeg hem met mijn herdersstok (Jud 14: 6) en redde het geroofde schaap uit zijn mond, zodat hij het weer losliet. Toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard 1) met de ene hand, en sloeg hem met de andere gewapende hand, en doodde hem.2)
Hoewel noch leeuw noch beer een eigenlijke baard hebben, spreekt toch ook de Griekse dichter Homerus (Ilias, XV, 275) van de sterkgebaarde leeuw (vgl. Martialis X, 9). Men behoeft dus niet, zoals Gerlach wil, de lezing van de Septuaginta in plaats van “aan zijn gordel” te volgen.
David is een afschaduwing van Christus, de goede Herder (Jer.40: 11).
Verder zei David, toen Saul hem met zijn ogen opnam, wel getroffen over zijn geloofsmoed, maar toch bevreesd, dat de moedige jongeling vallen zou: De HEERE, die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. 1) Toen zei Saul, die zich herinnerde, hoe hij vroeger met God in gemeenschap was, en hoe hij door de kracht uit de hoogte alles vermocht (10: 7; 11: 11) tot David: Ga heen, 2) en de HEERE zij met u!
Met welke woorden hij genoeg toont, dat hij op zijn eigen kracht niet vertrouwt, noch iets omtrent zichzelf belooft, maar van God alleen de hulp verwacht. Waaruit is op te maken dat, ofschoon David tevoren een veehoeder was, hij echter van begin af aan door God tot grote dingen was verkoren, die nauwelijks in de gedachten van de mensen zouden zich opgekomen. Want meer dan verwonderlijk was het, dat een jongeling tegen een beer of leeuw een aanval waagde, op wier gezicht zelfs iemand de vrees om het hart zou slaan, en voor wie we maar liever het heil in de vlucht zouden zoeken, dan dat men hen op een open en blote plaats zou willen aanvallen. Wanneer David dan zegt, dat hij een leeuw of een beer heeft aangevallen en gewurgd, dan blijkt daaruit wel, dat hij niet met gewone kracht was begaafd en die daad heeft verricht door goddelijke en onverwinnelijke kracht. Waaruit men dit besluiten mag dat David, toen hij het leven van landbouwer en veehoeder leidde, in het vaderlijke huis wel door iedereen veracht was, maar echter met zou grote kracht was begaafd; dat hij die niet van nature had, maar dat God in hem met goddelijke kracht heeft gewerkt, opdat hij door Hem tot de gewichtigste dingen uitverkoren daarvan door de daad zelf getuigenis zou geven. Waarom, ofschoon David als de kleinste en meest onaanzienlijke van de broeders veracht werd, hij echter niet minder door God niet enige zekere eretekens werd vereerd en tot de gewichtige taak, volgens het eeuwig en goddelijk plan van God, werd aangeduid.
Hier zien wij het hart van Isaï’s zoon geheel voor ons ontsloten. De HEERE, de God van zijn vaders, op Wiens bijstand hij ten volle vertrouwt, terwijl hij alleen bedoelt Diens eer te zoeken, is zijn sterkte.
David verwacht alleen zijn kracht van zijn God. Hij weet het, dat diezelfde God, die hem kracht gaf, om de leeuw en de beer te weerstaan, hem ook niet in de steek zal laten, waar het geldt de Filistijn, die Zijn eer heeft aangetast, te overwinnen.
Nu David zo’n bewijs heeft gegeven van zijn kracht en nu Saul iets ziet van die heldere en onuitblusbare geloofsmoed van David, nu durft hij het hem niet te verbieden. Waar het geloof zich in Gods kinderen uitspreekt, daar moeten tenslotte de vijanden zich gewonnen geven, of buigen voor de Majesteit van het geloof.
Verder zei David, toen Saul hem met zijn ogen opnam, wel getroffen over zijn geloofsmoed, maar toch bevreesd, dat de moedige jongeling vallen zou: De HEERE, die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. 1) Toen zei Saul, die zich herinnerde, hoe hij vroeger met God in gemeenschap was, en hoe hij door de kracht uit de hoogte alles vermocht (10: 7; 11: 11) tot David: Ga heen, 2) en de HEERE zij met u!
Met welke woorden hij genoeg toont, dat hij op zijn eigen kracht niet vertrouwt, noch iets omtrent zichzelf belooft, maar van God alleen de hulp verwacht. Waaruit is op te maken dat, ofschoon David tevoren een veehoeder was, hij echter van begin af aan door God tot grote dingen was verkoren, die nauwelijks in de gedachten van de mensen zouden zich opgekomen. Want meer dan verwonderlijk was het, dat een jongeling tegen een beer of leeuw een aanval waagde, op wier gezicht zelfs iemand de vrees om het hart zou slaan, en voor wie we maar liever het heil in de vlucht zouden zoeken, dan dat men hen op een open en blote plaats zou willen aanvallen. Wanneer David dan zegt, dat hij een leeuw of een beer heeft aangevallen en gewurgd, dan blijkt daaruit wel, dat hij niet met gewone kracht was begaafd en die daad heeft verricht door goddelijke en onverwinnelijke kracht. Waaruit men dit besluiten mag dat David, toen hij het leven van landbouwer en veehoeder leidde, in het vaderlijke huis wel door iedereen veracht was, maar echter met zou grote kracht was begaafd; dat hij die niet van nature had, maar dat God in hem met goddelijke kracht heeft gewerkt, opdat hij door Hem tot de gewichtigste dingen uitverkoren daarvan door de daad zelf getuigenis zou geven. Waarom, ofschoon David als de kleinste en meest onaanzienlijke van de broeders veracht werd, hij echter niet minder door God niet enige zekere eretekens werd vereerd en tot de gewichtige taak, volgens het eeuwig en goddelijk plan van God, werd aangeduid.
Hier zien wij het hart van Isaï’s zoon geheel voor ons ontsloten. De HEERE, de God van zijn vaders, op Wiens bijstand hij ten volle vertrouwt, terwijl hij alleen bedoelt Diens eer te zoeken, is zijn sterkte.
David verwacht alleen zijn kracht van zijn God. Hij weet het, dat diezelfde God, die hem kracht gaf, om de leeuw en de beer te weerstaan, hem ook niet in de steek zal laten, waar het geldt de Filistijn, die Zijn eer heeft aangetast, te overwinnen.
Nu David zo’n bewijs heeft gegeven van zijn kracht en nu Saul iets ziet van die heldere en onuitblusbare geloofsmoed van David, nu durft hij het hem niet te verbieden. Waar het geloof zich in Gods kinderen uitspreekt, daar moeten tenslotte de vijanden zich gewonnen geven, of buigen voor de Majesteit van het geloof.
En Saul kleedde David met zijn kleren, met zijn wapenrok, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en hij kleedde hem met een pantser. 1)
Men moet niet vragen, hoe uitstekend iets is, maar hoe geschikt het is. Sauls wapenrok moge nog zo rijk en zijn wapens nog zo sterk zijn, wat baatten ze David, daar zij hem niet pasten? Hieruit blijkt wel, dat David volstrekt niet klein was, zoals hij wel eens wordt voorgesteld; omdat hij Sauls kleren kon aantrekken, en Saul boven alle anderen uitstak. Want dat hij ze straks weer uittrok met de uitroep: Ik kan in deze niet gaan, was niet omdat de wapenrusting hem te groot was, maar zoals hij zelf er bij voegt: ik heb het nooit verzocht, m.a.w. ik ben die wapenrusting niet gewoon. Als herder was hij altijd zeer luchtig gekleed geweest en daarom viel hem het gaan in een ijzeren wapenrusting uit de aard van de zaak zeer moeilijk. David was alleen klein tegenover Goliath, de reus. Ook dit alles moest leiden, opdat niet David, maar God alleen de eer zou krijgen van de overwinning. Want toch, als David straks Goliath verslaat, is de vaste hand en alles wat tot het verslaan van de reus diende, van de Heere God.
En hij nam, in plaats van die wapenen, zijn herdersstaf, waarmee hij de leeuw en de beer verslagen had (vs.35) in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde
stenen uit de beek, uit de Wady Musur, die hij voor zich had, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de herderszak, en zijn slinger was in zijn hand; want in het gebruik van deze had hij zich gedurende zijn herdersleven zo geoefend, dat hij evenals de Benjaminieten (Richteren 20: 16), op een haar treffen kon; zo naderde hij tot de Filistijn. Intussen deed Saul bij Abner nader onderzoek naar zijn familiebetrekkingen, die echter de koning geen volledige oplossing kon geven (vs.55vv.).
Eigenlijk: “gekloofde stenen”. Scherpe, puntige stenen dienden het best tot zijn oogmerk.
Menigeen is David in geestelijke zin hier gevolgd. Ik herinner slechts aan Luther, die ondanks de bedenkingen van angstige kamergeleerden de zware wapenrusting van scholastieke geleerdheid van zich wierp en moedig intredende met de vijf hoofdstukken van zijn cathechismus de reus te Rome neervelde.
III. Vs. 41-54.Kruisverwijzingen1 Koningen 8:43→Jesaja 52:10→2 Koningen 19:19→Jozua 4:24→1 Samuël 24:14→2 Samuël 3:8→2 Kronieken 32:8→Deuteronomium 28:26→
— De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht. Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien. De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden. Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds. David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt. Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft. En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven. En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet. En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde. Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.
David gaat tot de reus Goliath ten strijde, en beantwoordt diens hoon en overmoed met zijn vertrouwen op de God van Israël, die niet met zich laat spotten. De aanval voorkomt hij met een worp van zijn slinger, hij treft hem zo juist aan zijn voorhoofd, dat Goliath bedwelmd ter aarde zinkt, en houwt hem vervolgens met zijn eigen zwaard het hoofd af. Nu de sterkste van hen dood is, gaan de Filistijnen op de vlucht: de kinderen van Israël jagen hen na tot aan de poorten van hun steden Gath en Ekron, en beroven vervolgens de door hen verlaten legerplaats. David brengt het afgeslagen hoofd van Goliath naar Jeruzalem en de hem uitgetrokken krijgstoerusting in zijn tent te Bethlehem.
Toen de Filistijn zag, dat van de kinderen van Israël iemand zich tot de tweestrijd wilde begeven, ging hij ook heen, gaande en naderende tot David, om deze zijn sterkte te laten voelen; en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht (vs.7).
De Filistijn nu, over zo’n bejegening in hoge mate verstoord, zei tot David: Ben ik een hond, die men met een stok wegjaagt, dat gij tot mij komt met stokken. En de Filistijn, toen hij gehoord had, in welk vertrouwen zijn tegenstander het waagde hem tegemoet te treden, vloekte David bij zijn Goden. 1)
De Septuaginta voegt na de woorden: “Ben ik dan een hond, dat gij met een stok tot mij komt” een tegenwoord van David: “Nee, nog minder dan een hond.” Dit voegt weinig bij David’s aard en gezindheid. Bovendien verklaart de Septuaginta het laatste woord: “Elohiem” (God of goden) van de goden van de Filistijn, Dagon en Astharoth, zo ook de Vulgata (et maledixit Philistaeus David in diis suis), evenzo de meeste uitleggers. Intussen kan daar ook bedoeld zijn, dat hij vloekte bij de God van David en van Israël.
In het Hebreeuws Beëlohaw. Hebben velen het verstaan van de goden van de Filistijn, zoals ook de oude vertalingen, o.i. moet het zien op de goden, d.i. op de God van David. Goliath, als heiden, kende niet de God van Israël, als de enige God, maar hield het ervoor, dat ook David meer dan één God had. Zijn bedoeling was echter, om niet alleen David te vloeken, maar ook de God van Israël te lasteren.
Daarna zei de Filistijn tot David, op de wijze, waarop de hoogmoedige helden elkaar hoonden en bedreigden: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogels van de hemel geven, en aan de dieren van het veld. 1)
De ongelovigen nu zijn altijd vol aanmatiging, want niets houdt de mens meer ootmoedig, dan het ware geloof en de kennis van God. Want ieder mens is van nature de trots als ondeugd ingeschapen, en de begeerte, om boven anderen uit te blinken. Zodat het een onafscheidelijk iets is van de menselijke natuur, trots, aanmatiging en onbezonnenheid, en wel zo zeer, dat het zelfs in het allerbinnenste zit ingewrocht. En niets leidt meer tot ware nederigheid, dan de kennis van God, waardoor wij leren, dat wij zelf niets zijn, dat wat wij hebben, wij van Hem ontvangen, en als van Hem ontvangen moeten boeken.
David daarentegen, vol van geloof en de Heilige Geest, zei tot de Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild, en houdt uzelf voor onoverwinnelijk; maar ik kom tot u in de naam van de HEERE der heerscharen, aan wie al het heer in hemel en op aarde ten dienste staat, de God 1) van de slagorden van Israël, die gij gehoond hebt met uw lasterlijke woorden.
David spreekt hier als van God geleerd. Tegenover de aanmatiging en trots van de vijand komt zijn ootmoed en nederigheid, maar ook zijn vast geloof zo treffend uit. Telkens weer spreekt hij het uit, dat Goliath de slagorden van de levende God heeft gehoond, en omdat David weet, dat God Zijn eer niet straffeloos laat schenden, weet hij ook dat God de Filistijn voor zoveel verwaten hoogmoed zal straffen. David weet zich het instrument van God, door wie de Heere der Heerscharen kloeke daden zal doen.
En deze gehele vergadering van de kinderen van Israël, die tot hiertoe zo versaagd geweest is, omdat zij niet het ware, levende geloof had, maar alleen op het zichtbare zag en vlees tot zijn arm stelde (Jer.17: 5),zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost. Dat ik zo zeker van de overwinning tot u kom, heeft niet zijn oorzaak in vermetelheid, maar in geloof; want de strijd is van de HEERE, Hij alleen heeft strijd en overwinning in Zijn macht. Die zal u in onze hand geven, omdat Hij de eer van Zijn naam tegen uw hoon en uw spot verdedigen moet. Uit dit woord van David is de 144ste Psalm geworden die, al is zij niet door David zelf gemaakt, zoals sommigen menen, maar door een latere Godsman, waarschijnlijk door een koning uit David’s huis die, evenals Hizkia, het vervaardigen van Psalmen beproefde, toch geheel het gevoel uitdrukt, waarmee David in het tweegevecht tegen Goliath ging, waarom de Septuaginta aan het opschrift bijvoegde: “tegen Goliath”.
En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde 1)en trof de Filistijn, die het vizier in zijn helm (vs.5) opengeslagen had, in zijn voorhoofd; zodat de scherpe steen zonk in zijn voorhoofd, en hij, door die worp bedwelmd, viel op zijn aangezicht ter aarde.
De slinger bestond uit een touw of een vlechtsel van haar, waaraan in het midden ter opname van de steen een brede leren riem was (de holheid; 25: 29). Bij het gebruik nam men de beide einden van het touw tezamen, zwaaide de slinger eens of enige malen om het hoofd, en wierp dan de steen, die zijn doel op 600 schreden afstand trof.
Waar er gezegd wordt, dat hij de slinger en steen nam, daaruit blijkt, dat hij het deed onder leiding van God, die niet duldde, dat hij door vrees verschrikt werd. Want anders kan het dikwijls geschieden, dat de vrees iemand, wanneer het gevaar van de dood aanwezig is, overvalt dat dikwijls ook de schrik de dapperste mannen zo overvalt, dat zij noch door hun verstand, noch door hun beleid worden bestuurd, terwijl de vrees hun oordeel geheel in bezit neemt, omdat zij niet om God denken, noch tot Hem de toevlucht nemen. Waarom, waar gezegd wordt, dat David de steen nam en uit de slinger wierp, wij erkennen, dat God hem zo nabij is geweest, dat hem noch de kracht, noch het overleg heeft ontbroken. En waar hij de Filistijn midden in het voorhoofd trof, daar is het niet twijfelachtig, of God zelf heeft de worp bestuurd.
David trof de Filistijn in zijn voorhoofd, of in zijn slaap. Hieruit blijkt, dat deze niet met gesloten vizier de tweekamp gewaagd heeft, maar uit overmoed met open, zodat de helm niet was neergeslagen. Zo had God hem verblind, opdat hij aldus zelf de oorzaak moest worden van zijn ondergang. Daardoor kreeg David gelegenheid, om hem met de steen te treffen in zijn voorhoofd. En zo bestuurde God de arm, en zo deed Hij de steen met kracht aankomen, dat deze in zijn voorhoofd wegzonk en Goliath bedwelmd ter aarde stortte.
Alzo, om hier aanstonds het gevolg van de strijd mee te delen, voordat wij de verdere loop (in vs.51) nauwkeuriger beschrijven, overweldigde David de Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg de Filistijn, en doodde hem; maar David had geen zwaard in de hand. 1)
Deze laatste uitdrukking dient, om het goddelijk wonderlijke van het feit meer te doen uitkomen, dat de zwakke David de sterke Goliath gedood heeft, eenvoudig met een slinger en een steen, zonder een zwaard te gebruiken, opdat het daardoor bevestigd zou worden, dat het de Heere was, die in en door David de vijand verslagen had.
Daarom of daarna liep David, en stond op de Filistijn, wiens wapendrager zich uit de voeten gemaakt had, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, 1)en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmee af, 2) om dit met de wapens van de reus als een zegeteken mee te nemen (vs.54). Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, vluchtten zij, 3) door een schrik van de Heere aangegrepen.
Waartoe was het nodig, dat David een eigen zwaard meenam; het zwaard van zijn vijand moet hem dienen. God wordt verheerlijkt, wanneer Zijn vijanden door hun eigen zwaard vallen. David’s overwinning over Goliath was een afschaduwing van de zegepralen van David’s zoon over de satan en alle machten van de duisternis, die hij beroofde en openlijk tentoonstelde of.2: 15), en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars.
Waaraan zullen wij de moed en het geluk van David toeschrijven? Niet aan de poging van een natuurlijke geaardheid, maar aan de invloed van goddelijke beginselen, van geloof en ijver. De geschiedenis is meegedeeld, om allen op te wekken met moed te werken voor de eer van God, en welke gevaren ook dreigen, Zijn zaak te bevorderen, met een onwrikbaar vertrouwen op God. Er is één strijd, waarin allen volgelingen van het Lam zijn en moeten zijn. Eén vijand, vreselijker dan Goliath, daagt de slagorden van Israël uit. Maar “weerstaat de duivel en hij zal van u vluchten.” Alleen gaat voort te strijden met het geloof van een David en de machten van de duisternis zullen tegen u geen stand houden.
Wij zijn en wij blijven hier in een voortdurende staat van gevecht tegen een geduchte Goliath, tegen een driehoofdige afgod, tegen een vervaarlijk monster, waarvoor wij ongetwijfeld zouden moeten onderdoen, zo niet een drievoudige hulp ons ten dienste stond, en wij het wisten: in Emmanuel, de sterke Held is al onze steun! Van Hem alleen leren wij ook zo goed, nog onze vijand te treffen en die dodelijk te kwetsen; met het woord van God toch wordt deze het best bestreden; uit dat woord rapen wij onze steentjes tezamen en door het geloof slingeren wij ze met kracht en goed gevolg onze tegenstander naar het hoofd.
Een grote, heerlijke overwinning was behaald, een overwinning rijk in gevolgen, een overwinning van de HEERE, niet van een mens, een overwinning van de ware, levende God over het gehele rijk van de valse goden, een overwinning van het geloof in de God van Abraham, Izaak en Jakob over al het toenmalige en toekomstige ongeloof en bijgeloof van de gehele wereld. Nauwelijks heeft ooit de Heere Zijn Woord tot Israël: “Ik zal u verlossen door Mijn uitgestrekte arm en gij zult bekennen, dat Ik de Heere, uw God ben,” met meer majesteit en heerlijkheid bezegeld, dan juist hier.
Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op (1 Samuel .15: 4) en juichten, en vervolgden de Filistijnen; tot waar men komt aan de vallei, 1) en tot aan de poorten van de stad van de Filistijnen, van Ekron; en de gewonden van de Filistijnen vielen op de weg van Saäraïm, een stad in de vlakte van Juda, het tegenwoordige Zakarija, ten westen van Efes-Dammin (Joz.15: 36) en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
De Septuaginta leest tot aan Gath. Deze schijnt inderdaad de oorspronkelijke en ware lezing te zijn, omdat volgens het volgende de Filistijnen eerst westwaarts vluchtten naar Saäraïm en vervolgens gedeeltelijk zuidwaarts naar Gath, deels noordwestwaarts naar Ekron.
Daarna keerden de kinderen van Israël om, van het verhit najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers 1) bij Efes-Dammim, waar zij bij de haastige vlucht veel buit hadden achtergelaten.
Ongetwijfeld is tussen het verslaan van Goliath door David en het plunderen van het leger van de Filistijnen een tijdruimte van enige dagen of weken. Vandaar ook dat David eerst nog enige dagen bij Saul in gunst kon zijn, omdat de vrouwen pas na het beëindigen van de strijd dat overwinningslied hebben gezongen.
Daarna, nl. nadat hij Goliath verslagen had en het leger van de Israëlieten de Filistijnen achtervolgden, nam David het hoofd van de Filistijn, dat hij met diens eigen zwaard had afgehouwen (vs.51), en bracht het eerst tot Saul, opdat deze het zou zien (vs.55),en vervolgens, toen hij naar huis terugkeerde, naar Jeruzalem
(Jos 15: 63); maar zijn wapens, de wapens van Goliath, legde hij in zijn tent te Bethlehem, totdat hij ze later in de tent der samenkomst te Nob bracht, en daar als een geschenk voor de Heere neerlegde (21: 9).
De vurige, theocratisch-gelovige jongeling waren de Jebusieten in de burg Jeruzalem een doorn in het oog; hen wenste hij voor alles uit het hart van het land, aan hen moest het hoofd van Goliath profetisch getoond worden, wat hun van David wachtte, die hen ook later overwon (2 Samuel .5). Misschien wilde en moest David reeds, toen hij met Goliaths hoofd naar Jeruzalem ging, aan Saul een teken geven, dat hij toch de Jebusieten moest verdelgen. Bovendien moeten de Jebusieten met de Filistijnen in een nadere gemeenschap tegen Israël gestaan hebben. De oude macht van de Filistijnen tegen Israël was pas toen voor altijd gebroken, toen de vaste stad Jeruzalem veroverd was, en de Jebusieten hen dus niet meer konden helpen. Van die tijd af verdwijnen de Filistijnen als onbeduidend uit de geschiedenis en bleef hun alleen de belofte van het Evangelie over (Psalm 87: 4).
Evenals David aan Goliath, zo heeft onze Heere Christus, aan de sterk gewapende (Luk.11:
of de reus (Jer.49: 24) zijn wapenrusting ontnomen (Kol.2: 15) en door Hem overwinnen wij.
Van het slagveld legde de weg naar Bethlehem, de verblijfplaats van David, over Jeruzalem.
IV. Vs. 55-18Kruisverwijzingen1 Samuël 16:21→1 Samuël 17:58→
— Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.
: 5. Voor David heeft de overwinning op Goliath aanstonds dit gevolg, dat Saul, op hem opmerkzaam geworden en zijn bijzondere gaven erkennende, hem in zijn bestendige dienst neemt, zodat hij de troon een groot stuk nader gekomen is. Achter dit eerste gevolg ligt echter een ander verborgen, de toenemende jaloezie van de thans nog regerende koning tegen hem, die tot zijn opvolger geroepen is en tot wie zich de harten van het volk reeds neigen een jaloezie, die Saul ertoe drijft te proberen eerst door verborgen list, vervolgens door openbare vervolging zich van zijn mededinger te ontslaan. De Heere geeft op hetzelfde uur, dat David voor de koning staat, en op zijn vragen antwoordt, hem een vriend in Sauls zoon, in Jonathan, die hem niet alleen alle vijandschap, die hem wacht, zal helpen dragen, maar ook zijn hart op een wijze aan de vervolgingszuchtige koning zal verbinden, dat hij geschikt wordt, met onverbrekelijke trouw die aan te hangen en zijn vijand op het hoogst te beminnen.
Wij wensen het verhaal thans weer aan vs.40 aan te knopen en het verband te herstellen, door een gebeurtenis mee te delen, die eveneens bij die overwinning over Goliath plaatshad. Toen Saul David zag uitgaan, de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? Deel mij de familiebetrekkingen mede van Isaï’s zoon, die mijn harpspeler was, en nu naar de prijs van mijn dochter dingen wil. En Abner, die meer belang in krijgszaken stelde, dan hij van familie-aangelegenheden wist, zei: Zo waarlijk als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet. 1)
Ook dit vers is gemakkelijk te verstaan, indien men erop let, wat Saul vraagt. Het is geen onkunde met David, die hem zo doet spreken, maar wanneer hij David ziet uitgaan de Filistijn tegemoet, dan wenst Saul te weten, wie eigenlijk de familie van zo’n moedige jongeling is. Hij vraagt niet, wie is David, maar wiens zoon is deze jongeling? Hoe komt hij aan zo’n moed en moedsbetoning? Bovendien, Saul heeft de overwinnaar zijn dochter beloofd. Is het nu te verwonderen, dat hij iets meer van de familie wil weten, waarmee zijn dochter, indien David overwint, in nadere betrekking zal komen?. Abner weet het niet, en nu krijgt deze opdracht, om onderzoek te doen. Abner weet niet beter zijn opdracht te volbrengen, dan de overwinnaar van Goliath zelf bij Saul te brengen. Dit gebeurt en nu houdt Saul met David, en David met hem een gesprek, wat ons niet nader is meegedeeld, maar waarvan het begin ons meegedeeld wordt in het slot van vs.58. Uit vs.1 van het volgende hoofdstuk, waar gezegd wordt: “het geschiedde nu als hij geëindigd had te spreken,” blijkt toch, dat het nog een gewichtig gesprek is geweest, waardoor voorzeker de godsvrucht en het kinderlijk ernstig geloof van David treffend is uitgekomen en zo, dat de kinderlijk gelovige ziel van Jonathan zich aan die van David verbonden ging voelen.
Toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem, die als opperbevelhebber van het Israëlitische leger hem tegemoet was gegaan, om hem met de overwinning geluk te wensen, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, opdat ook deze hem zou begroeten, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand. 1)
Deze gebeurtenis had, volgens hetgeen in vs.51 verteld werd, nog plaats voor de Filistijnen gingen vluchten en de kinderen van Israël hen najaagden; want in 18: 5 zien wij David mee uittrekken. Toen de beroving van het leger plaatsvond (vs.53), heeft hij zeker de weg over Jeruzalem naar Bethlehem (vs.54) gemaakt, om tevens aan zijn vader te melden, wat Saul tot hem gezegd had (18: 2) en om van zijn vader afscheid te nemen. De gebeurtenissen in dit en het volgend gedeelte zijn meer naar de zaken dan naar de tijdsorde meegedeeld, waardoor enige moeilijkheid ontstaan is in het begrijpen van de geschiedkundige samenhang.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel