Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1SaulH7586 was een jaarH8141 in zijn regeringH4427 geweest, en het tweedeH8147 jaar regeerdeH4427 hij overH5921IsraelH3478.Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel.
Ook in dit vers
jaarH1121
KJVSaul3reigned4one year;1and when he had reigned7two5years2over Israel,9
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2שָׁנָ֖הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)3שָׁא֣וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul4בְּמָלְכ֑וֹH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely5וּשְׁתֵּ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two6שָׁנִ֔יםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)7מָלַ֖ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
2Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Toen verkoosH977 zich SaulH7586drieH7969duizendH505 mannen uit IsraelH3478; en er warenH1961bijH5973SaulH7586 twee duizendH505 te MichmasH4363 en op het gebergteH2022 van Beth-ElH1008, en duizendH505warenH1961 er bijH5973JonathanH3129 te Gibea-BenjaminsH1390; en het overigeH3499 des volksH5971lietH7971 hij gaan, een iegelijkH376 naar zijn tentH168.Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.
KJVSaul3chose1him three4thousand5men of Israel;6whereof two thousand10were with Saul9in Michmash11and in mount12Bethel,13and a thousand15were with Jonathan18in Gibeah19of Benjamin:20and the rest21of the people22he sent23every man24to his tent.25
1וַיִּבְחַרH977verkoren, verkiezen, verkoosacceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require2ל֨וֹ3שָׁא֜וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul4שְׁלֹ֣שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)5אֲלָפִים֮H505duizend, duizenden, twee duizendthousand6מִיִּשְׂרָאֵל֒H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7וַיִּהְי֨וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)9שָׁא֜וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul10אַלְפַּ֗יִםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand11בְּמִכְמָשׂ֙H4363MichmasMikmas, Mikmash12וּבְהַ֣רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion13בֵּֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el14אֵ֔לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el15וְאֶ֗לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand16הָיוּ֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use17עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)18י֣וֹנָתָ֔ןH3129Jonathan, JonathansJonathan19בְּגִבְעַ֖תH1390Gibea, Gibea-benjamins, heuvelGibeah, the hill20בִּנְיָמִ֑יןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin21וְיֶ֣תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with22הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people23שִׁלַּ֖חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)24אִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)25לְאֹהָלָֽיוH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent
3Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Doch JonathanH3129sloegH5221 de bezettingH5333 der FilistijnenH6430, dieH834 te GebaH1387 was, hetwelk de FilistijnenH6430hoordenH8085. Daarom bliesH8628SaulH7586 met de bazuinH7782 in het ganseH3605landH776, zeggendeH559: Laat het de HebreenH5680horenH8085.Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen.
KJVAnd Jonathan2smote1the garrison4of the Philistines5that was in Geba,7and the Philistines9heard8of it. And Saul10blew11the trumpet12throughout all the land,14saying,15Let the Hebrews17hear.16
1וַיַּ֣ךְH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound2יוֹנָתָ֗ןH3129Jonathan, JonathansJonathan3אֵ֣תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4נְצִ֤יבH5333bezettingen, bezetting, bestelmeestergarrison, officer, pillar5פְּלִשְׁתִּים֙H6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine6אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7בְּגֶ֔בַעH1387Geba, Gaba, Gibea-benjaminsGaba, Geba, Gibeah8וַֽיִּשְׁמְע֖וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness9פְּלִשְׁתִּ֑יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10וְשָׁאוּל֩H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul11תָּקַ֨עH8628blazen, blies, bliezenblow (a trumpet), cast, clap, fasten, pitch (tent), smite, sound, strike, [idiom] suretiship, thrust12בַּשּׁוֹפָ֤רH7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet13בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14הָאָ֨רֶץ֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world15לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet16יִשְׁמְע֖וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness17הָעִבְרִֽיםH5680Hebreen, Hebreer, HebreinnenHebrew(-ess, woman)
4Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen hoordeH8085 het ganseH3605IsraelH3478zeggenH559: SaulH7586 heeft de bezettingH5333 der FilistijnenH6430geslagenH5221, en ookH1571 is IsraelH3478stinkendeH887 geworden bij de FilistijnenH6430. Toen werd het volkH5971samengeroepenH6817achterH310SaulH7586, naar Gil-gal.Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.
Ook in dit vers
GilgalH1537
KJVAnd all Israel2heard3say4that Saul6had smitten5a garrison8of the Philistines,9and that Israel12also was had in abomination11with the Philistines.13And the people15were called together14after16Saul17to Gilgal.18
1וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2יִשְׂרָאֵ֞לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3שָׁמְע֣וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness4לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הִכָּ֤הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound6שָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8נְצִ֣יבH5333bezettingen, bezetting, bestelmeestergarrison, officer, pillar9פְּלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10וְגַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea11נִבְאַשׁH887stinkende, stinken, stonk(make to) be abhorred (had in abomination, loathsome, odious), (cause a, make to) stink(-ing savour), [idiom] utterly12יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13בַּפְּלִשְׁתִּ֑יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine14וַיִּצָּעֲק֥וּH6817riep, riepen, roepen[idiom] at all, call together, cry (out), gather (selves) (together)15הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people16אַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with17שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul18הַגִּלְגָּֽלH1537GilgalGilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל)
5En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En de FilistijnenH6430 werden verzameldH622 om te strijdenH3898 tegen IsraelH3478, dertigH7970duizendH505wagensH7393, en zesH8337duizendH505ruitersH6571, en volkH5971 in menigteH7230 als het zandH2344, datH834aanH5921 den oeverH8193 der zeeH3220 is; en zij togenH5927 op, en legerdenH2583 zich te MichmasH4363, tegen het oostenH6926 van Beth-AvenH1007.En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
KJVAnd the Philistines1gathered themselves together2to fight3with Israel,5thirty6thousand7chariots,8and six9thousand10horsemen,11and people12as the sand13which is on the sea17shore16in multitude:18and they came up,19and pitched20in Michmash,21eastward22from Bethaven.23
1וּפְלִשְׁתִּ֞יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine2נֶאֶסְפ֣וּH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw3לְהִלָּחֵ֣םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)4עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)5יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6שְׁלֹשִׁ֨יםH7970dertig, dertigste, Dertigthirty, thirtieth. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)7אֶ֤לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand8רֶ֨כֶב֙H7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon9וְשֵׁ֤שֶׁתH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth10אֲלָפִים֙H505duizend, duizenden, twee duizendthousand11פָּרָשִׁ֔יםH6571ruiteren, ruiters, paardenhorseman12וְעָ֕םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13כַּח֛וֹלH2344zand, zandssand14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16שְׂפַֽתH8193lippen, oever, spraakband, bank, binding, border, brim, brink, edge, language, lip, prating, (sea-)shore, side, speech, talk, (vain) words17הַיָּ֖םH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)18לָרֹ֑בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)19וַֽיַּעֲלוּ֙H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work20וַיַּחֲנ֣וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent21בְמִכְמָ֔שׂH4363MichmasMikmas, Mikmash22קִדְמַ֖תH6926oosteneast(-ward)23בֵּ֥יתH1007Beth-avenBeth-aven24אָֽוֶןH1007Beth-avenBeth-aven
6Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Toen de mannenH376 van IsraelH3478zagenH7200, datH3588 zij in noodH6887 waren (wantH3588 het volkH5971 was benauwdH6862), zo verborgH2244 zich het volk in de spelonkenH4631, en in de doornbossenH2337, en in de steenklippenH5553, en in de vestingenH6877, en in de puttenH953.Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
KJVWhen the men1of Israel2saw3that they were in a strait,(for the people9were distressed,)8then the people11did hide10themselves in caves,12and in thickets,13and in rocks,14and in high places,15and in pits.16
1וְאִ֨ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)2יִשְׂרָאֵ֤לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3רָאוּ֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5צַרH6862wederpartijders, benauwdheid, tegenpartijdersadversary, afflicted(-tion), anguish, close, distress, enemy, flint, foe, narrow, small, sorrow, strait, tribulation, trouble6ל֔וֹ7כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8נִגַּ֖שׂH5065drijvers, aandrijvers, drijverdistress, driver, exact(-or), oppress(-or), [idiom] raiser of taxes, taskmaster9הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people10וַיִּֽתְחַבְּא֣וּH2244verstoken, verborgen, verborg[idiom] held, hide (self), do secretly11הָעָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12בַּמְּעָר֤וֹתH4631spelonk, spelonkencave, den, hole13וּבַֽחֲוָחִים֙H2337doornbossenthicket14וּבַסְּלָעִ֔יםH5553steenrots, rotssteen, steenrotsen(ragged) rock, stone(-ny), strong hold15וּבַצְּרִחִ֖יםH6877sterkte, vestingenhigh place, hold16וּבַבֹּרֽוֹתH953kuil, bornput, kuilscistern, dungeon, fountain, pit, well
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
7De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7De HebreenH5680 nu gingenH5674 over de JordaanH3383 in het landH776 van GadH1410 en GileadH1568. Toen SaulH7586nogH5750 zelf te GilgalH1537 was, zo kwam alH3605 het volkH5971bevendeH2729achterH310 hem.De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.
KJVAnd some of the Hebrews1went over2Jordan4to the land5of Gad6and Gilead.7As for Saul,8he was yet in Gilgal,10and all the people12followed14him trembling.13
1וְעִבְרִ֗יםH5680Hebreen, Hebreer, HebreinnenHebrew(-ess, woman)2עָֽבְרוּ֙H5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַיַּרְדֵּ֔ןH3383JordaanJordan5אֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6גָּ֖דH1410GadGad7וְגִלְעָ֑דH1568Gilead, Gileadieten, GileadsGilead, Gileadite8וְשָׁאוּל֙H7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul9עוֹדֶ֣נּוּH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)10בַגִּלְגָּ֔לH1537GilgalGilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל)11וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13חָרְד֥וּH2729verschrikken, verschrikte, bevendebe (make) afraid, be careful, discomfit, fray (away), quake, tremble14אַחֲרָֽיוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with
8En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En hij vertoefdeH3176zevenH7651dagenH3117, tot den tijdH4150, dienH834SamuelH8050 bestemd had. Als SamuelH8050 te GilgalH1537nietH3808opkwamH935, zo verstrooideH6327 het volkH5971 van hem.En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
KJVAnd he tarried1seven2days,3according to the set time4that Samuel6had appointed: but Samuel9came8not to Gilgal;10and the people12were scattered11from him.
1וַיּ֣וֹחֶלH3176hopen, gehoopt, hope(cause to, have, make to) hope, be pained, stay, tarry, trust, wait2שִׁבְעַ֣תH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)3יָמִ֗יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4לַמּוֹעֵד֙H4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6שְׁמוּאֵ֔לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel7וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8בָ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9שְׁמוּאֵ֖לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel10הַגִּלְגָּ֑לH1537GilgalGilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל)11וַיָּ֥פֶץH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad12הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13מֵעָלָֽיוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
9Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Toen zeideH559SaulH7586: BrengtH5066totH413 mij herwaarts een brandofferH5930, en dankofferenH8002; en hij offerdeH5927brandofferH5930.Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
KJVAnd Saul2said,1Bring hither3a burnt offering5to me, and peace offerings.6And he offered7the burnt offering.8
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul3הַגִּ֣שׁוּH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand4אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הָעֹלָ֖הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)6וְהַשְּׁלָמִ֑יםH8002dankofferen, dankoffer, dankofferspeace offering7וַיַּ֖עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work8הָעֹלָֽהH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)
10En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En het geschieddeH1961, toen hij geeindigdH3615 had het brandofferH5930 te offerenH5927, zietH2009, zo kwamH935SamuelH8050; en SaulH7586 ging uit hem tegemoetH7125, om hem te zegenenH1288.En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.
KJVAnd it came to pass, that as soon as he had made an end2of offering3the burnt offering,4behold, Samuel6came;7and Saul9went out8to meethim, that he might salute11him.
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כְּכַלֹּתוֹ֙H3615geeindigd, voleind, verteerdaccomplish, cease, consume (away), determine, destroy (utterly), be (when... were) done, (be an) end (of), expire, (cause to) fail, faint, finish, fulfil, [idiom] fully, [idiom] have, leave (off), long, bring to pass, wholly reap, make clean riddance, spend, quite take away, waste3לְהַעֲל֣וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work4הָעֹלָ֔הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)5וְהִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see6שְׁמוּאֵ֖לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel7בָּ֑אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8וַיֵּצֵ֥אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter9שָׁא֛וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul10לִקְרָאת֖וֹH7122wedervaren, geval, ontmoettebefall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet11לְבָרֲכֽוֹH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
11Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Toen zeideH559SamuelH8050: WatH4100 hebt gij gedaanH6213? SaulH7586 nu zeideH559: OmdatH3588 ik zagH7200, datH3588 zich het volkH5971 van mij verstrooideH5310, en gijH859opH5921 den bestemden tijdH4150 der dagenH3117nietH3808 kwaamt, en de FilistijnenH6430 te MichmasH4363vergaderdH622 waren,Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,
KJVAnd Samuel2said,1What hast thou done?4And Saul6said,5Because I saw8that the people11were scattered10from me, and that thou camest15not within the days17appointed,16and that the Philistines18gathered themselves together19at Michmash;20
1וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שְׁמוּאֵ֖לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel3מֶ֣הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4עָשִׂ֑יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6שָׁא֡וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8רָאִיתִי֩H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions9כִֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10נָפַ֨ץH5310slaan, stukken slaan, verstrooidbe beaten in sunder, break (in pieces), broken, dash (in pieces), cause to be discharged, dispersed, be overspread, scatter11הָעָ֜םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12מֵעָלַ֗יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13וְאַתָּה֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you14לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15בָ֨אתָ֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way16לְמוֹעֵ֣דH4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)17הַיָּמִ֔יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger18וּפְלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine19נֶאֱסָפִ֥יםH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw20מִכְמָֽשׂH4363MichmasMikmas, Mikmash
12Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Zo zeideH559 ik: NuH6258 zullen de FilistijnenH6430totH413 mij afkomenH3381 te GilgalH1537, en ik heb het aangezichtH6440 des HEERENH3068nietH3808ernstelijkH2470 aangebeden, zo dwongH662 ik mijzelven, en heb brandofferH5930geofferdH5927.Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.
KJVTherefore said1I, The Philistines4will come down3now upon me to Gilgal,6and I have not made supplication10unto7the LORD:8I forced11myself therefore, and offered12a burnt offering.13
1וָאֹמַ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2עַ֠תָּהH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas3יֵרְד֨וּH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down4פְלִשְׁתִּ֤יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5אֵלַי֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6הַגִּלְגָּ֔לH1537GilgalGilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל)7וּפְנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10חִלִּ֑יתִיH2470krank, smeken, ziekbeseech, (be) diseased, (put to) grief, be grieved, (be) grievous, infirmity, intreat, lay to, put to pain, [idiom] pray, make prayer, be (fall, make) sick, sore, be sorry, make suit ([idiom] supplication), woman in travail, be (become) weak, be wounded11וָֽאֶתְאַפַּ֔קH662bedwong, bedwingen, dwongforce (oneself), restrain12וָאַעֲלֶ֖הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13הָעֹלָֽהH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)
13Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Toen zeideH559SamuelH8050 tot SaulH7586: Gij hebt zottelijkH5528 gedaan; gij hebt het gebodH4687 van den HEEREH3068, uw GodH430, nietH3808 gehouden, dat Hij u gebodenH6680 heeft; wantH3588 de HEEREH3068 zou nuH6258 uw rijkH4467 over IsraelH3478bevestigdH3559 hebben tot in eeuwigheidH5769.Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid.
KJVAnd Samuel2said1to Saul,4Thou hast done foolishly:5thou hast not kept7the commandment9of the LORD10thy God,11which he commanded13thee: for now would the LORD17have established16thy kingdom19upon Israel21for22ever.23
1וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שְׁמוּאֵ֛לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul5נִסְכָּ֑לְתָּH5528zottelijk, dwaselijk, verdwaastdo (make, play the, turn into) fool(-ish, -ishly, -ishness)6לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7שָׁמַ֗רְתָּH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9מִצְוַ֞תH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept10יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11אֱלֹהֶ֨יךָ֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty12אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13צִוָּ֔ךְH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order14כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15עַתָּ֗הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas16הֵכִ֨יןH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed17יְהוָ֧הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)18אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19מַֽמְלַכְתְּךָ֛H4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal20אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)21יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael22עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet23עוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
14Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Maar nuH6258 zal uw rijkH4467nietH3808bestaanH6965. De HEEREH3068 heeft Zich een manH376gezochtH1245 naar Zijn hartH3824, en de HEEREH3068 heeft hem gebodenH6680 een voorgangerH5057 te zijn overH5921 Zijn volkH5971, omdatH3588 gij nietH3808 gehouden hebt, watH834 u de HEEREH3068gebodenH6680 had.Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
KJVBut now thy kingdom2shall not continue:4the LORD6hath sought5him a man8after his own heart,9and the LORD11hath commanded10him to be captain12over his people,14because thou hast not kept17that which the LORD21commanded20thee.
1וְעַתָּ֖הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2מַמְלַכְתְּךָ֣H4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal3לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4תָק֑וּםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)5בִּקֵּשׁ֩H1245zoeken, zoekt, zochtask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for)6יְהוָ֨הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7ל֜וֹ8אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)9כִּלְבָב֗וֹH3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding10וַיְצַוֵּ֨הוּH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order11יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12לְנָגִיד֙H5057voorganger, overste, vorstcaptain, chief, excellent thing, (chief) governor, leader, noble, prince, (chief) ruler13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14עַמּ֔וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people15כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17שָׁמַ֔רְתָּH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)18אֵ֥תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19אֲשֶֽׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20צִוְּךָ֖H6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order21יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
15Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Toen maakte zich SamuelH8050 op, en hij ging op vanH4480GilgalH1537 naar Gibea-BenjaminsH1390; en SaulH7586teldeH6485 het volkH5971, dat bijH5973 hem gevondenH4672 werd, omtrent zeshonderdH8337manH376.Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
KJVAnd Samuel2arose,1and gat him up3from Gilgal5unto Gibeah6of Benjamin.7And Saul9numbered8the people11that were present12with him, about six14hundred15men.16
1וַיָּ֣קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2שְׁמוּאֵ֗לH8050Samuel, Samuels, SemuelSamuel, Shemuel3וַיַּ֛עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work4מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with5הַגִּלְגָּ֖לH1537GilgalGilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל)6גִּבְעַ֣תH1390Gibea, Gibea-benjamins, heuvelGibeah, the hill7בִּנְיָמִ֑ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin8וַיִּפְקֹ֣דH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want9שָׁא֗וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָעָם֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12הַנִּמְצְאִ֣יםH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on13עִמּ֔וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)14כְּשֵׁ֥שׁH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth15מֵא֖וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore16אִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)
16En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En SaulH7586 en zijn zoonH1121JonathanH3129, en het volkH5971, dat bijH5973 hen gevondenH4672 was, blevenH3427 te Gibea-BenjaminsH1387; maar de FilistijnenH6430 waren te MichmasH4363gelegerdH2583.En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
KJVAnd Saul,1and Jonathan2his son,3and the people4that were present5with them, abode7in Gibeah8of Benjamin:9but the Philistines10encamped11in Michmash.12
1וְשָׁא֞וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul2וְיוֹנָתָ֣ןH3129Jonathan, JonathansJonathan3בְּנ֗וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4וְהָעָם֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5הַנִּמְצָ֣אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on6עִמָּ֔םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)7יֹשְׁבִ֖יםH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry8בְּגֶ֣בַעH1387Geba, Gaba, Gibea-benjaminsGaba, Geba, Gibeah9בִּנְיָמִ֑ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin10וּפְלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine11חָנ֥וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent12בְמִכְמָֽשׂH4363MichmasMikmas, Mikmash
17En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En de verderversH7843gingenH3318 uit het legerH4264 der FilistijnenH6430, in drieH7969hopenH7218; de eneH259hoopH7218keerdeH6437 zich op den wegH1870 naar OfraH6084, naarH413 het landH776SualH7777;En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;
KJVAnd the spoilers2came out1of the camp3of the Philistines4in three5companies:6one8company7turned9unto the way11that leadeth to Ophrah,12unto the land14of Shual:15
1וַיֵּצֵ֧אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2הַמַּשְׁחִ֛יתH7843verderven, verdorven, verdierfbatter, cast off, corrupt(-er, thing), destroy(-er, -uction), lose, mar, perish, spill, spoiler, [idiom] utterly, waste(-r)3מִמַּחֲנֵ֥הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents4פְלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5שְׁלֹשָׁ֣הH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)6רָאשִׁ֑יםH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top7הָרֹ֨אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top8אֶחָ֥דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,9יִפְנֶ֛הH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11דֶּ֥רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)12עָפְרָ֖הH6084OfraOphrah13אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14אֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world15שׁוּעָֽלH7777SualShual
18En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En eenH259hoopH7218keerdeH6437 zich naar den wegH1870 van Beth-horonH1032; en eenH259hoopH7218keerdeH6437 zich naar den wegH1870 der landpaleH1366, die naar het dalH1516ZeboimH6650 naar de woestijnH4057uitzietH8259.En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet.
KJVAnd another2company1turned3the way4to Bethhoron:5and another8company7turned9to the way10of the border11that looketh12to the valley14of Zeboim15toward the wilderness.16
1וְהָרֹ֤אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top2אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,3יִפְנֶ֔הH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)4דֶּ֖רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)5בֵּ֣יתH1032Beth-horon, benedensteBeth-horon6חֹר֑וֹןH1032Beth-horon, benedensteBeth-horon7וְהָרֹ֨אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top8אֶחָ֤דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,9יִפְנֶה֙H6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)10דֶּ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11הַגְּב֔וּלH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space12הַנִּשְׁקָ֛ףH8259keek, zag, nedergezienappear, look (down, forth, out)13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14גֵּ֥יH1516dal, dalen, valleivalley15הַצְּבֹעִ֖יםH6650ZeboimZeboim16הַמִּדְבָּֽרָהH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness
19En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En er werd geenH3808smidH2796gevondenH4672 in het ganseH3605landH776 van IsraelH3478; wantH3588 de FilistijnenH6430 hadden gezegdH559: Opdat de HebreenH5680 geen zwaardH2719 noch spiesH2595makenH6213.En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.
KJVNow there was no smith1found3throughout all the land5of Israel:6for the Philistines9said,8Lest the Hebrews12make11them swords13or spears:15
1וְחָרָשׁ֙H2796werkmeesters, timmerlieden, werkmeesterartificer, ([phrase]) carpenter, craftsman, engraver, maker, [phrase] mason, skilful, ([phrase]) smith, worker, workman, such as wrought2לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3יִמָּצֵ֔אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on4בְּכֹ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8אָמְר֣וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9פְלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine10פֶּ֚ןH6435opdat niet, anders(lest) (peradventure), that...not11יַעֲשׂ֣וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12הָעִבְרִ֔יםH5680Hebreen, Hebreer, HebreinnenHebrew(-ess, woman)13חֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool14א֥וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether15חֲנִֽיתH2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear
20Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Daarom moest gansH3605IsraelH3478 tot de FilistijnenH6430aftrekkenH3381, opdat een iegelijkH376 zijn ploegijzerH4282, of zijn spadeH855, of zijn bijlH7134, of zijn houweelH4281scherpenH3913 liet.Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet.
KJVBut all the Israelites3went down1to the Philistines,4to sharpen5every man6his share,8and his coulter,10and his axe,12and his mattock.14
1וַיֵּרְד֥וּH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down2כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4הַפְּלִשְׁתִּ֑יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5לִ֠לְטוֹשׁH3913geslepen, leermeester, scherpeninstructer, sharp(-en), whet6אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8מַחֲרַשְׁתּ֤וֹH4282ploegijzershare9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10אֵתוֹ֙H855spaden, spadecoulter, plowshare11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12קַרְדֻּמּ֔וֹH7134bijlen, bijlax13וְאֵ֖תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14מַחֲרֵשָׁתֽוֹH4281houweel, houwelenmattock
21Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Maar zijH1961 hadden tandigeH6310vijlenH6477 tot hun houwelenH4281, en tot hun spadenH855, en tot de drietandigeH7969vorkenH7053, en tot de bijlenH7134, en tot het stellenH5324 der prikkelenH1861.Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.
KJVYet they had a file2for the mattocks,4and for the coulters,5and for the forks,6and for the axes,8and to sharpen9the goads.10
22En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En het geschieddeH1961 ten dageH3117 des strijdsH4421, dat er geen zwaardH2719 noch spiesH2595gevondenH4672 werd in de handH3027 van het ganseH3605volkH5971, datH834bijH854SaulH7586 en bijH854JonathanH3129 was; doch bij SaulH7586 en bij JonathanH3129, zijn zoonH1121, werden zij gevondenH4672.En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
KJVSo it came to pass in the day2of battle,3that there was neither sword6nor spear7found5in the hand8of any of the people10that were with Saul13and Jonathan:15but with Saul17and with Jonathan18his son19was there found.16
1וְהָיָה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2בְּי֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3מִלְחֶ֔מֶתH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)4וְלֹ֨אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5נִמְצָ֜אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on6חֶ֤רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool7וַחֲנִית֙H2595spies, spiesen, spieshoutjavelin, spear8בְּיַ֣דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix13שָׁא֖וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul14וְאֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix15יוֹנָתָ֑ןH3129Jonathan, JonathansJonathan16וַתִּמָּצֵ֣אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on17לְשָׁא֔וּלH7586Saul, Sauls, saulsSaul, Shaul18וּלְיוֹנָתָ֖ןH3129Jonathan, JonathansJonathan19בְּנֽוֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth
23En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23En der FilistijnenH6430legerH4673toogH3318naarH413 den doortochtH4569 van MichmasH4363.En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
KJVAnd the garrison2of the Philistines3went out1to the passage5of Michmash.6
1וַיֵּצֵא֙H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2מַצַּ֣בH4673bezetting, standplaats, legergarrison, station, place where...stood3פְּלִשְׁתִּ֔יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine4אֶֽלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5מַעֲבַ֖רH4569veren, doorgang, doorgegaanford, place where...pass, passage6מִכְמָֽשׂH4363MichmasMikmas, Mikmash
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 13:1— Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel.Micha 6:6→Exodus 12:5→
1 Samuël 13:2— Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.1 Samuël 10:26→1 Samuël 14:31→1 Samuël 13:5→1 Samuël 13:23→2 Samuël 21:6→Richteren 19:12→1 Samuël 8:11→1 Samuël 15:34→
1 Samuël 13:3— Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen.1 Samuël 10:5→Richteren 3:27→Richteren 6:34→Jesaja 10:29→Zacharia 14:10→1 Samuël 14:1→2 Samuël 2:28→Jozua 21:17→
1 Samuël 13:4— Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.Genesis 34:30→Exodus 5:21→1 Samuël 11:14→1 Samuël 10:8→Jozua 5:9→Zacharia 11:8→Genesis 46:34→
1 Samuël 13:5— En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.Jozua 11:4→1 Samuël 14:23→Jozua 18:12→Romeinen 9:27→Hosea 4:15→Richteren 7:12→Hosea 10:5→Jozua 7:2→
1 Samuël 13:6— Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.Richteren 6:2→Hebreeën 11:38→Jozua 8:20→Jesaja 42:22→2 Samuël 24:14→1 Samuël 14:11→1 Samuël 24:3→Richteren 20:41→
1 Samuël 13:7— De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.Deuteronomium 28:25→Hosea 11:10→Jozua 13:24→Leviticus 26:36→Richteren 7:3→Leviticus 26:17→Numeri 32:33→Numeri 32:1→
1 Samuël 13:8— En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.1 Samuël 10:8→
1 Samuël 13:9— Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.1 Koningen 3:4→Deuteronomium 12:6→2 Samuël 24:25→Psalmen 37:7→1 Samuël 15:21→1 Samuël 13:12→1 Samuël 14:18→Spreuken 21:27→
1 Samuël 13:10— En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.1 Samuël 15:13→Psalmen 129:8→Ruth 2:4→
1 Samuël 13:11— Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,1 Samuël 13:16→1 Samuël 13:5→1 Samuël 13:23→1 Samuël 13:2→Jesaja 10:28→Genesis 3:13→Jozua 7:19→2 Samuël 3:24→
1 Samuël 13:12— Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.2 Korinthe 9:7→Psalmen 66:3→Amos 8:5→1 Samuël 21:7→1 Koningen 12:26→
1 Samuël 13:13— Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid.2 Kronieken 16:9→1 Samuël 15:22→1 Samuël 15:11→1 Samuël 15:28→2 Kronieken 25:15→1 Koningen 18:18→Psalmen 50:8→1 Koningen 21:20→
1 Samuël 13:14— Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.Handelingen 13:22→1 Samuël 15:28→Handelingen 7:46→1 Samuël 2:30→Hebreeën 2:10→2 Koningen 20:5→1 Samuël 9:16→1 Samuël 16:1→
1 Samuël 13:15— Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.1 Samuël 13:2→1 Samuël 14:2→1 Samuël 13:6→
1 Samuël 13:16— En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.1 Samuël 13:3→
1 Samuël 13:17— En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;Jozua 18:23→1 Samuël 14:15→1 Samuël 11:11→Jozua 19:3→
1 Samuël 13:18— En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet.Nehemia 11:34→Jozua 18:13→Jozua 16:3→Jozua 10:11→Genesis 14:2→2 Kronieken 8:5→Jozua 16:5→1 Kronieken 6:68→
1 Samuël 13:19— En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.2 Koningen 24:14→Jeremia 24:1→Richteren 5:8→Jesaja 54:16→
1 Samuël 13:22— En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.Richteren 5:8→1 Samuël 17:50→1 Korinthe 1:27→1 Samuël 17:47→Zacharia 4:6→2 Korinthe 4:7→
1 Samuël 13:23— En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.Jesaja 10:28→1 Samuël 14:1→1 Samuël 14:4→1 Samuël 13:5→1 Samuël 13:2→2 Samuël 23:14→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 13 vers 1— Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel.
was een jaar in zijn regering geweest
Hebreeuws, Saul zijnde eens jaars zoons in zijn regeren
Hertaald:was een jaar in zijn regering geweest
Hebreeuws: Saul was één jaar oud in zijn regering.
het tweede jaar regeerde hij over Israël
Hebreeuws, twee jaren; dat is, tweede jaar. Zie Richt. 14:17.
Hertaald:het tweede jaar regeerde hij over Israël
Hebreeuws: twee jaar; dat is: het tweede jaar. Zie Richt. 14:17.
1 Samuël 13 vers 2— Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.
drie duizend mannen uit Israël;
Deze 3000 mannen pasten alzo op Sauls dienst, waar henen en waartoe hij hen gebruiken wilde.
Hertaald:drie duizend mannen uit Israël;
Deze 3000 man stonden zo tot Sauls beschikking, waarheen en waartoe hij hen wilde gebruiken.
Michmas en op het gebergte van Beth-el,
Versta dit niet van een stad alzo genoemd, maar van een hoek des lands in de landpale van Benjamin, bij den berg Beth-el ; want gelijk hier gezegd wordt dat Saul te Michmas met zijn volk was, alzo staat hier onder, vs.5, dat ook de Filistijnen zich te Michmas legerden.
Hertaald:Michmas en op het gebergte van Beth-el,
Versta dit niet als een stad met die naam, maar als een deel van het land in het grondgebied van Benjamin, bij de berg Bethel; want zoals hier gezegd wordt dat Saul te Michmas met zijn volk was, staat hieronder in vers 5 ook dat de Filistijnen zich te Michmas legerden.
Gibea-benjamins;
Zie Richt. 19:12.
Hertaald:Gibea-benjamins;
Zie Richt. 19:12.
1 Samuël 13 vers 3— Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen.
sloeg de bezetting der Filistijnen,
Te weten, door Sauls bevel, gelijk blijkt vs.4.
Hertaald:sloeg de bezetting der Filistijnen,
Namelijk: op bevel van Saul, zoals blijkt uit vers 4.
Geba was,
Anders, op den heuvel. Zie boven, 1 Sam. 10:5.
Hertaald:Geba was,
Anders: op de heuvel. Zie hierboven, 1 Sam. 10:5.
hoorden
Versta hierbij, en zij bereidden zich om de Israëlieten te bekrijgen.
Hertaald:hoorden
Versta hierbij: en zij maakten zich gereed om de Israëlieten te bestrijden.
Laat het de Hebreën horen
Te weten, opdat zij zich wachten, dat zij van de Filistijnen niet overvallen worden, maar zich tegen hen wapenen of opmaken, om tegen de Filistijnen te strijden.
Hertaald:Laat het de Hebreën horen
Namelijk: zodat zij zich wapenen, opdat zij niet door de Filistijnen overvallen worden, maar zich tegen hen te weer stellen om tegen de Filistijnen te strijden.
1 Samuël 13 vers 4— Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.
Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen,
Niet Saul, maar Jónathan door Sauls bevel, of, zij meenden dat het Saul gedaan had.
Hertaald:Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen,
Niet Saul, maar Jonathan op bevel van Saul, of: zij dachten dat Saul het gedaan had.
en ook is Israël stinkende geworden
Zie Gen. 34:30.
Hertaald:en ook is Israël stinkende geworden
Zie Gen. 34:30.
1 Samuël 13 vers 5— En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
dertig duizend wagens,
Dat is, 30.000 mannen, die op wagens zijnde, uit dezelve streden.
Hertaald:dertig duizend wagens,
Dat is: 30.000 man, die op wagens meestreden.
aan den oever der zee is;
Hebreeuws, aan de lip
Hertaald:aan den oever der zee is;
Hebreeuws: aan de lip.
Michmas,
Zie boven, vs.2.
Hertaald:Michmas,
Zie hierboven, vers 2.
Beth-aven
Daar was een stad aldus genoemd en ook een woestijn, Joz. 18:12.
Hertaald:Beth-aven
Daar was een stad met die naam en ook een woestijn, Joz. 18:12.
1 Samuël 13 vers 6— Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
het volk in de spelonken,
Te weten, de krijgslieden der Israëlieten, die bij Saul waren.
Hertaald:het volk in de spelonken,
Namelijk: de strijders van Israël, die bij Saul waren.
1 Samuël 13 vers 7— De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.
Hebreën nu gingen over de Jordaan
Versta hier, het gemene volk, dat niet strijdbaar was.
Hertaald:Hebreën nu gingen over de Jordaan
Versta hier: het gewone volk, dat niet strijdbaar was.
kwam al het volk bevende achter hem
Hebreeuws, zo beefde al het volk achter hem. Dit schijnt dat te verstaan is van het volk, hetwelk zich verborgen had, vs.6.
Hertaald:kwam al het volk bevende achter hem
Hebreeuws: zo beefde heel het volk achter hem. Dit lijkt betrekking te hebben op het volk dat zich verborgen had, vers 6.
1 Samuël 13 vers 8— En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
En hij vertoefde zeven dagen,
1 Sam. 10:8.
Hertaald:En hij vertoefde zeven dagen,
1 Sam. 10:8.
Samuël bestemd had
Zie boven, 1 Sam. 10:8, tot wat einde deze dag bestemd was.
Hertaald:Samuël bestemd had
Zie hierboven, 1 Sam. 10:8, waarvoor deze dag bepaald was.
het volk van hem
Te weten, het strijdbare volk, dat bij hem geweest was. Dit verliep ginds en herwaarts, Saul verlatende.
Hertaald:het volk van hem
Namelijk: het strijdbare volk dat bij hem geweest was. Dit liep her en der weg, en verliet Saul.
1 Samuël 13 vers 9— Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
zeide Saul
Te weten, verdrietig en moede zijnde van langer te wachten, en vrezende het perijkel, dat voorhanden was. Zie vs.11,12.
Hertaald:zeide Saul
Namelijk: omdat hij verdrietig en moe was van het langer wachten, en bang was voor het gevaar dat dreigde. Zie vers 11, 12.
offerde brandoffer
Te weten, door een priester, en versta hierbij dat Saul ook den Heere gebeden heeft, gelijk blijkt onder vs.12. Indien Saul zelf geofferd heeft [gelijk sommigen menen], zo is zijn zonde nog des te groter geweest.
Hertaald:offerde brandoffer
Namelijk: door een priester, en versta hierbij dat Saul ook tot de HEERE gebeden heeft, zoals blijkt hieronder in vers 12. Als Saul zelf geofferd heeft [zoals sommigen menen], is zijn zonde nog des te groter geweest.
1 Samuël 13 vers 10— En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.
om hem te zegenen
Dat is, om hem te groeten en welkom te heten. Zie de aantekeningen Gen. 31:55.
Hertaald:om hem te zegenen
Dat is: om hem te groeten en welkom te heten. Zie de aantekeningen bij Gen. 31:55.
1 Samuël 13 vers 11— Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,
Wat hebt gij gedaan?
Dit is geen vraag van een onwetende, maar veel meer een ernstige bestraffing, gelijk Gen. 3:13.
Hertaald:Wat hebt gij gedaan?
Dit is geen vraag van iemand die het niet weet, maar veel meer een ernstige terechtwijzing, zoals Gen. 3:13.
op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt,
Samuël is immers op den zevenden dag bij Saul gekomen, alhoewel hij niet even op die ure daar was, in welke Saul hem verwachtte.
Hertaald:op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt,
Samuël is toch op de zevende dag bij Saul gekomen, hoewel niet precies op het uur waarop Saul hem verwachtte.
1 Samuël 13 vers 12— Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.
Zo zeide ik
Te weten, bij mijzelven; dat is, ik dacht.
Hertaald:Zo zeide ik
Namelijk: bij mijzelf; dat is: ik dacht.
ernstelijk aangebeden,
Bij de offeranden werden gebeden tot God gedaan.
Hertaald:ernstelijk aangebeden,
Bij de offers werden gebeden tot God gedaan.
zo dwong ik mijzelven,
Of, ik heb mijzelven geweld gedaan; dat is, ik heb het onwillens en met een groten strijd mijns gemoeds gedaan, ja als door nood gedwongen zijnde.
Hertaald:zo dwong ik mijzelven,
Of: ik heb mijzelf geweld aangedaan; dat is: ik heb het onwillig en met een grote innerlijke strijd gedaan, ja als door nood gedwongen.
1 Samuël 13 vers 13— Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid.
Gij hebt zottelijk gedaan;
Te weten, dat gij den bestemden tijd niet hebt afgewacht.
Hertaald:Gij hebt zottelijk gedaan;
Namelijk: dat u de vastgestelde tijd niet hebt afgewacht.
rijk over Israël bevestigd hebben
Dat is, het rijk waarover Hij u gesteld had, om als koning te regeren.
Hertaald:rijk over Israël bevestigd hebben
Dat is: het koningschap waarover Hij u had aangesteld om als koning te regeren.
in eeuwigheid
Dat is, lange tijd, al uw leven lang, of op u en op enigen van uw nakomelingen; te weten, zo gij mij gehoorzaam geweest waart. Doch naar het eeuwig besluit van God moest eindelijk het koninkrijk op den stam van Juda komen. Zie Deut. 15:17 in de aantekening.
Hertaald:in eeuwigheid
Dat is: lange tijd, uw hele leven lang, of op u en enkele van uw nakomelingen; namelijk: als u mij gehoorzaam geweest was. Maar volgens het eeuwige besluit van God moest het koningschap uiteindelijk op de stam van Juda komen. Zie Deut. 15:17 in de aantekening.
1 Samuël 13 vers 14— Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
De HEERE heeft Zich
Dit kon Samuël niet weten dan door het ingeven Gods.
Hertaald:De HEERE heeft Zich
Dit kon Samuël alleen weten door de ingeving van God.
een man gezocht naar Zijn hart,
Te weten, David, waarvan onder, 1Sa 16, breder gesproken wordt. Doch in dezen tijd wist Samuël zelf dit nog niet, gelijk blijkt onder, 1Sa 16.
Hertaald:een man gezocht naar Zijn hart,
Namelijk: David, waarover hieronder, 1 Sam. 16, uitvoeriger gesproken wordt. Maar op dit moment wist Samuël dit zelf nog niet, zoals blijkt hieronder in 1 Sam. 16.
heeft hem geboden
Van dien tijd af, toen David van God tot een koning verkoren is geweest, heeft Saul ontwettelijk geregeerd.
Hertaald:heeft hem geboden
Vanaf de tijd dat David door God tot koning gekozen was, heeft Saul onwettig geregeerd.
1 Samuël 13 vers 15— Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
omtrent zeshonderd man
Daar hij er 2000 placht te hebben, vs.2. Het schijnt dat de anderen uit vrees verlopen waren. Zie boven, vs.6, 8.
Hertaald:omtrent zeshonderd man
Terwijl hij er 2000 placht te hebben, vers 2. Het lijkt erop dat de anderen uit vrees weggelopen waren. Zie hierboven, vers 6, 8.
1 Samuël 13 vers 16— En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
Gibea-benjamins;
Anders, Gibea Benjamins, vs.15, en elders Gibea Sauls.
Hertaald:Gibea-benjamins;
Anders: Gibea van Benjamin, vers 15, en elders Gibea-Sauls.
1 Samuël 13 vers 17— En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;
de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen,
Hebreeuws, de verderver; dat is, de krijgslieden, die uitgezonden waren om het land met branden en blaken en anderszins te beschadigen.
Hertaald:de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen,
Hebreeuws: de verderver; dat is: de strijders die uitgezonden waren om het land door branden en plunderen en op andere manieren te beschadigen.
Ofra,
Een stad der Benjaminieten, van welke ook Joz. 18:23, gewag gemaakt wordt.
Hertaald:Ofra,
Een stad van de Benjaminieten, waarvan ook in Joz. 18:23 melding gemaakt wordt.
1 Samuël 13 vers 18— En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet.
Beth-hóron;
Gelegen in den stam van Efraïm, aan de landpale Benjamins, Joz. 16:3, en Joz. 18:13.
Hertaald:Beth-hóron;
Gelegen in de stam van Efraïm, aan de grens van Benjamin, Joz. 16:3, en Joz. 18:13.
Zebóim naar de woestijn uitziet
Gelegen in den stam Benjamins, aan de woestijn der Jordaan, waarvan ook Neh. 11:34 gesproken wordt.
Hertaald:Zebóim naar de woestijn uitziet
Gelegen in de stam Benjamin, aan de woestijn van de Jordaan, waarover ook in Neh. 11:34 gesproken wordt.
1 Samuël 13 vers 19— En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.
Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken
Versta hierbij, wij moeten toezien, gelijk Gen. 3:22.
Hertaald:Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken
Versta hierbij: wij moeten oppassen, zoals Gen. 3:22.
1 Samuël 13 vers 21— Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.
tandige vijlen tot hun houwelen,
Hebreeuws, vijlen [met] monden; dat is, die scherpe tanden hadden.
Hertaald:tandige vijlen tot hun houwelen,
Hebreeuws: vijlen [met] monden; dat is: die scherpe tanden hadden.
vorken,
Of, gaffelen
Hertaald:vorken,
Of: gaffels.
der prikkelen
Het Hebreeuwse woord betekent een scherpe in een ploegstok, waar men de ploegende beesten mede prikkelt om dezelve voort te drijven.
Hertaald:der prikkelen
Het Hebreeuwse woord betekent een scherpe punt in een ploegstok, waarmee men de ploegende dieren prikkelde om ze voort te drijven.
1 Samuël 13 vers 22— En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
gevonden werd
Vanwege der Filistijnen zware heerschappij, vs.19.
Hertaald:gevonden werd
Vanwege de zware overheersing door de Filistijnen, vers 19.
1 Samuël 13 vers 23— En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
leger
Anders, bezetting
Hertaald:leger
Anders: garnizoen.
den doortocht van Michmas
Denwelken als zij in hadden, zo hadden zij een vrijen pas in het land der Benjaminieten.
Hertaald:den doortocht van Michmas
Die zij, toen zij die in bezit hadden, een vrije doorgang gaf in het land van de Benjaminieten.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Samuël — gehoord van God, of: van God gebeden
De langverwachte zoon van Elkana en Hanna, die zijn naam kreeg 'omdat ik hem van de HEERE gebeden heb' (1 Sam. 1:20). Na hem gespeend te hebben, bracht Hanna hem naar Eli om hem, zoals beloofd, zijn leven lang voor de HEERE af te zonderen (1 Sam. 1:24-28). Hij zou opgroeien tot de laatste en grootste van de richters, tevens profeet en priester, en zou later zowel Saul als David tot koning zalven.
Jonathan — de HEERE heeft gegeven
De oudste zoon van koning Saul, hier voor het eerst genoemd als aanvoerder van duizend man tegen de Filistijnen (1 Sam. 13:2-3). Later zou hij, met alleen zijn wapendrager, een Filistijnse legerpost verslaan in het geloof dat 'bij de HEERE niets verhinderd is om te verlossen door velen of door weinigen' (1 Sam. 14). Hij werd de trouwe en zelfopofferende vriend van David, ondanks dat hijzelf de kroon had kunnen erven, en sneuvelde samen met zijn vader op de berg Gilboa (1 Sam. 31).
Saul — gebeden, verzocht
De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Michmas (met de rotsen Bozez en Seneh) — Michmas: van onzekere afleiding; Bozez: "glad, glimmend"; Seneh: "doornstruik"
Ligging: In het bergland van Benjamin, ten noordoosten van Gibea, gescheiden van Geba door een diepe kloof met aan weerszijden de twee genoemde rotspieken.
Geschiedenis: Hier legerde het Filistijnse leger "als het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte" (1 Sam. 13:5, 16-23), tegenover Sauls veel kleinere leger bij Geba/Gilgal — in een tijd waarin de Filistijnen alle Israëlitische smeden hadden weggevoerd, zodat bijna niemand in Israël nog een zwaard of speer bezat (1 Sam. 13:19-22). Vandaar ondernamen Jonathan en zijn wapendrager, geheel op eigen initiatief en in geloof, hun gewaagde klim tussen de rotsen Bozez en Seneh door naar de Filistijnse wachtpost, waarna de HEERE een aardbeving en grote verwarring onder de Filistijnen bracht, die uiteindelijk op de vlucht sloegen (1 Sam. 14:1-23).
Bijbelse betekenis: Een van de krachtigste voorbeelden in de Schrift van geloofsmoed tegenover overweldigende overmacht: "want bij den HEERE is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen" (1 Sam. 14:6) — Jonathans woord, gevolgd door zijn daad, laat zien dat de HEERE niet gebonden is aan menselijke wapens of aantallen om Zijn volk te verlossen.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Een man naar Zijn hart (Sauls onwettig offer) — wanneer het volk zich verstrooit terwijl Samuel op zich laat wachten, offert Saul zelf het brandoffer in plaats van de priester af te wachten; Samuel kondigt daarop aan: "nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart" (1 Sam. 13:14)
Tegenover een overmachtig Filistijns leger — "dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand" — verstopt het bange volk zich, en wie bij Saul overblijft, verstrooit zich terwijl Samuel, op de door hemzelf bestemde dag, nog niet gekomen is (1 Sam. 13:5-8). Saul, ongeduldig, offert zelf het brandoffer (1 Sam. 13:9). Nauwelijks is hij gereed, of Samuel komt aan (1 Sam. 13:10). Sauls verweer is begrijpelijk menselijk — het volk verstrooide zich, de vijand naderde, de tijd drong (1 Sam. 13:11-12) — maar Samuel wijst het resoluut af: "Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden" (1 Sam. 13:13). De aankondiging die volgt is onherroepelijk: "nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk" (1 Sam. 13:14).
Bijbelse betekenis: Sauls fout ligt niet in het willen offeren op zichzelf, maar in het ongeduldig grijpen naar een taak die niet de zijne was — de priesterlijke bediening — omdat wachten op Gods eigen tijd hem te lang duurde. Zijn verweer klinkt redelijk naar menselijke maatstaf, en juist dat maakt de les scherp: gehoorzaamheid wordt niet gemeten naar de logica van de omstandigheden maar naar het vaste woord van God. Veelzeggend is ook wat hier voor het eerst klinkt: die uitdrukking over een man naar Gods hart krijgt pas later, in de persoon van David, zijn volle invulling.
Typologie: Paulus haalt deze uitdrukking rechtstreeks aan wanneer hij de geschiedenis van Israëls koningen samenvat: "Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen" (Hand. 13:22). Hetzelfde woord dat hier, bij Sauls val, voor het eerst valt, wijst al vooruit naar wie de HEERE in Sauls plaats verkiezen zal.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het koninkrijkniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindinguitwerking
Een man naar Zijn hart — 13:5-14
De Filistijnen liggen bij Michmas met een leger dat niet te tellen is, en het volk kruipt weg in spelonken en kuilen. Saul wacht in Gilgal op Samuël, zoals afgesproken, zeven dagen lang. Op de zevende dag is Samuël er nog niet en loopt zijn leger leeg.
Saul offert zelf omdat hij niet langer wachten kan, en hoort dat zijn koningschap daarmee geen stand houdt.
Het is goed om te zien hoe begrijpelijk zijn beslissing is. Het volk loopt weg, de vijand komt eraan, en de afgesproken zeven dagen zijn verstreken. Er moet iets gebeuren. En Saul zegt zelf hoe hij het beleefde: “zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.”
Dat zinnetje is eerlijk. Hij deed het niet uit brutaliteit maar tegen zijn zin, omdat hij geen andere uitweg zag. Wat hij niet zei, was: laat ons wachten omdat God het gezegd heeft.
En dan komt Samuël, precies te laat naar menselijke berekening en precies op tijd naar Gods rekening. Zijn oordeel is kort: “Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden.” En daarachter staat de zin die het zwaarst weegt: want de HEERE zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid.
Dat is de tragiek van dit hoofdstuk. Er stond een blijvend koningschap op het spel, en het is verspeeld bij een offer dat een uur te vroeg gebracht werd.
Dan volgt de aankondiging waar heel het boek om draait: “Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk.”
Dat woord is bekend geworden, en het wordt vaak verkeerd verstaan. Het zegt niet dat die man beter is of vromer. Het zegt dat God hem gezocht heeft naar Zijn eigen hart — het gaat om wat God zoekt en niet om wat de man presteert. Saul kon uiterlijk gehoorzamen en zelfs zijn zonde belijden; wat God zocht was iemand die Hem werkelijk zou liefhebben.
En opvallend genoeg wordt die man hier nog niet genoemd. Er is op dit moment nog geen David; hij is een jongen bij de schapen. God heeft hem al gezocht en gevonden voordat iemand van hem gehoord had.
Paulus haalt deze zin aan in de synagoge van Antiochië, en hij plaatst hem in een rij die verder loopt dan David: God heeft hun David tot een koning verwekt en van hem getuigd dat Hij een man gevonden had naar Zijn hart, die al Zijn wil zal doen. En hij vervolgt onmiddellijk: uit het zaad dezes heeft God Israël verwekt een Zaligmaker.
Zo staat dit hoofdstuk in de lijn van het koningschap. Het eerste koningschap houdt geen stand, en de reden ligt bij de koning. Wat volgt is de zoektocht naar Eén Die het wel zou doen — en Paulus wijst aan waar die zoektocht op uitliep.
1 Samuël 13:8 — Zeven dagen wachten, en op de zevende loopt het leger leeg.
1 Samuël 13:12 — Zo dwong ik mijzelven — hij deed het tegen zijn zin.
1 Samuël 13:13 — God zou zijn rijk bevestigd hebben tot in eeuwigheid.
1 Samuël 13:14 — De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart.
1 Samuël 16:7 — En die man was op dat moment nog een jongen bij de schapen.
Handelingen 13:22-23 — Paulus haalt dat aan, en zegt: uit zijn zaad heeft God een Zaligmaker verwekt.
In het Nieuwe Testament: Handelingen 13:22-23; 1 Samuël 15:22; Hebreeën 10:7; 1 Samuël 16:7; Johannes 8:29
Hoever dit reikt: Paulus haalt in Handelingen 13 uitdrukkelijk aan dat God een man naar Zijn hart gevonden had, en hij verbindt daar het Zaad van David rechtstreeks aan Christus. Dat vaststaande gegeven draagt deze post. Dat Saul een tegenbeeld van Christus zou zijn, staat er niet en wordt hier niet beweerd. De uitdrukking naar Zijn hart wordt hier uitgelegd als: door God gezocht en naar Zijn eigen maat gekozen; dat is de gangbare verklaring, maar de tekst werkt haar niet uit.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
I. Vs. 1-15.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:13→1 Samuël 10:26→1 Samuël 10:5→Jozua 11:4→Richteren 6:2→1 Samuël 14:31→1 Samuël 13:5→Richteren 3:27→ — Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel. Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent. Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen. Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal. En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven. Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten. De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer. En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen. Na een opmerking over de leeftijd, waarop Saul koning werd, en de tijd, die hij geregeerd heeft (vs.1) begint de geschiedenis van zijn regering. Van Gilgal (Dschild Schilia) in Efraïm, waar hij in het koninkrijk was bevestigd, begeeft hij zich met 3000 man, die hij bij zich houdt van degenen, die de veldtocht tegen de Ammonieten meegemaakt hebben, naar zijn woning; om daar, zoals zijn roeping het meebrengt (9: 16), het volk van de Heere te verlossen uit de hand van de Filistijnen, die zich weer meester van het land gemaakt hadden. Met twee derde van zijn manschappen plaatst hij zich tussen Michmas en Bethel, terwijl zijn zoon Jonathan en de overige duizend man zich te Gilgal legert; tussen beide afdelingen van het leger bevindt zich Geba, een post van de Filistijnen. Als Jonathan door een moedige daad de bezetting gedood heeft, wordt het bericht van de overwinning door alarmsignalen in het gehele land bekend gemaakt, opdat Israël tegen zijn vijanden opsta en zich om zijn koning schare te Gilgal, in het dal van de Jordaan, het middelpunt van het nog vrij gebleven land. De Filistijnen trekken, om de smaad van de nederlaag van hun bezetting te wreken met een sterk leger uit. Voordat Saul iets tegen hen kan ondernemen, moet hij volgens de van Samuel (10:
Kruisverwijzingen1 Samuël 10:8→— En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
ontvangen aanwijzing zeven dagen wachten, opdat de profeet door een offer het werk heiligt en de koning een antwoord van God brengt omtrent hetgeen hij doen moet. Saul wacht ook tot de zevende dag, hoewel van zijn krijgslieden de een na de ander de moed verliest en zich verwijdert; omdat ook nu Samuel zich nog niet daar bevindt en het gevaar van allen te verliezen schijnt te dreigen, overtreedt hij het gebod, en gaat hij zelf tot de offerande over. Te midden van deze daad komt Samuel; Saul verontschuldigt zich bij hem over zijn gedrag, en moet uit zijn mond horen, dat zijn rijk niet zal bestaan. Hierop trekt de koning met de hem trouw gebleven schaar van krijgslieden, die echter slechts 600 man telt, onder geleide van Samuel naar Gibea terug.
Saul was één jaar in zijn regering geweest, toen hij (11 en 12) de Ammonieten sloeg en de bevestiging te Gilgal ontving, en het tweede jaar regeerde hij over Israël. De eigenlijke vertaling van vs.1 zou moeten zijn: En Saul was een jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren over Israël. Dezelfde uitdrukking, die hier gebezigd wordt, wordt ook gebruikt in de boeken der Koningen, waarin telkens van de koningen wordt gezegd, hoe oud zij waren, toen zij aan de regering kwamen, en hoe lang zij geregeerd hebben. Deze tijdsbepaling kan hier natuurlijk niet, en daarom verenigen wij ons met de mening van Nagelsbach en Keil (1 Samuel 13: 2) dat er een paar letters bij het overschrijven zijn uitgevallen, die het juiste getal èn van zijn ouderdom èn van de duur van zijn regering aangeven.
Toen 1) verkoos zich Saul drieduizend mannen uit Israël, om de strijd tegen de Filistijnen te beginnen. Deze waren in de 18 jaar na hun nederlaag te Eben-Haëzer (7: 3-14) weer in het land ingedrongen en hadden hun voorposten tot Gibea (10: 5) en onlangs 1 ½ uur meer noordoostelijk tot aan Geba (vs.3) vooruitgeschoven. Hij verdeelde deze schaar van uitgelezen strijders in twee afdelingen, die hij deels vóór, deels achter de vijandelijke voorpost plaatste. En er waren bij Saul tweeduizend te Michmas, dat recht tegenover Geba, waar de Filistijnen waren, lag, door een diepe pas, de tegenwoordige Wady Suweinit, daarvan gescheiden, en op het gebergte van Bethel, dat 1 ½ uur noordwestelijk daarvan ligt, en duizend waren er bij Jonathan (= gift van de HEERE), Sauls oudste zoon (14: 49) te Gibea-Benjamins, het tegenwoordige Tuleil el Saul (Jud 19: 13); en het overige van het volks liet hij gaan, een ieder naar zijn tent. 2)
Deze laatste zin verbindt deze geschiedenis onmiddellijk aan de in 11 vertelde gebeurtenis. Toen Saul na de overwinning op de Ammonieten te Gilgal tot koning van Israël bevestigd was, en alle krijgslieden, die hij tegen Nahas opgeroepen had, nog om hem verzameld waren, verkoos hij zich de 3000 man die hij deels tussen Michmas en Bethel, deels in de plaats van zijn woning in Gibea plaatste, terwijl hij de overigen naar huis liet gaan. Dadelijk na het eerste gelukkige gevolg van zijn werkzaamheid had hij het besluit genomen, de strijd tegen de Filistijnen te beginnen, wier overmacht sinds de laatste jaren dat Samuel richter was (van 1095-1077 v. C.) weer zwaar op het land drukte (vs.19vv.). Hij voelde zich echter nog niet sterk genoeg, om een algemene oorlog tegen deze vijanden, bij wier leger een gedeelte van zijn eigen volk was (14: 21), te beginnen; daarom was zijn doel om allereerst een verder voortdringen van de Filistijnen te beletten. Hieruit blijkt; dat de voorstelling van het eerste vers volgens deze vertaling niet juist is, omdat volgens dit vers de voor ons liggende onderneming van Saul van die tegen de Ammonieten door de tijdruimte van een geheel jaar gescheiden zou zijn. Ook de voorafgaande opgaaf, dat tussen de koningskeuze (11: 1vv.) eveneens een jaar ligt, kan niet juist zijn; want de eis van een koning van de zijde van Israël’s oudsten had volgens 12: 12 haar aanleiding juist in de bedoelingen van deze Nahas, die zich tot de strijd tegen Israël gereed maakte. Zakelijk heeft het daarom veel voor zich, zoals de Septuaginta 11 begint: “En het geschiedde ongeveer een maand daarna (nadat Saul te Mizpa tot koning gemaakt was, (10: 17vv.), dat Nahas de Ammoniet optrok en Jabes in Gilead belegerde.” Deze vertaling rust echter op een verkeerde opvatting van de beide laatste woorden in 10: 27: (maar hij, Saul, was als doof. d.i. hij deed alsof hij niets hoorde). De Septuaginta leest in de plaats daarvan: en het geschiedde ongeveer een maand daarvan (Genesis38: 24), en voegt deze woorden bij het volgend hoofdstuk. Maar hoe kan, zo vraagt men, de Heilige Schrift opgaven bevatten, die elkaar zo tegenspreken. De Statenvertalers, evenals Luther, v.d.Palm, enz. hebben een verklaring willen geven van de in de grondtekst zeer moeilijke en onvolledige woorden. De woordelijk nauwkeurige vertaling namelijk heeft niet voldoende betekenis, zij luidt:
Zoon van….jaren (dat is…. jaren oud; Genesis5: 32) was Saul, toen hij koning werd (2 Samuel .2: 10; 5: 4) en regeerde twee….. jaar over Israël.
Toen verkoos zich Saul drieduizend enz. Op de beide door….aangeduide plaatsen zijn zonder twijfel getallen weggevallen; want wanneer de Vulgata zonder meer vertaalt…Een jaar was Saul oud, toen hij begon te regeren, hij nu regeerde twee jaren over Israël, zo zal hierbij moeilijk iemand op de gedachte komen, die de Chaldeeër daarin vindt: “Saul was als een onschuldig kind; toen hij koning werd.” Wat nu de uitgevallen getallen zijn, daarover kunnen wij slechts gissingen maken. Nagelsbach meent, dat in de eerste plaats het getal 50 moet ingevuld worden, het woord Nb d.i. zoon, waarop het getal moest volgen sluit met de letter Hun en deze is tevens het getalteken voor “vijftig”, zodat een tweede Hun, die daar oorspronkelijk gestaan zou hebben, door de afschrijver over het hoofd gezien zou zijn. Deze gedachte heeft veel voor, omdat Saul reeds toen in Jonathan een zoon had, die een strijdbaar, dapper held was; 40 jaar moet hij dus reeds op z’n minst geweest zijn, op vijftigjarige leeftijd was hij nog altijd een man in de krachtigste, bloeiendste leeftijd (9: 2) ten minste naar de toestand van die tijden. Op de tweede plaats vult Keil bij het getal “twee” nog het getal “twintig”, zodat de gehele tijd van Sauls regering 22 jaar bedragen zou hebben. Daarmee schijnt de opgave in Hand.13: 21 in strijd te zijn: “Van toen aan begeerden zij een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaar.” Deze opgaaf steunt echter alleen op de wijze van rekenen, die bij de Joden ten tijde van de apostelen in gebruik was; deze namen de tijd van Sauls regeren op 40 jaar, of omdat David en Salomo zo lang geregeerd hebben (1 Koningen .2: 11; 11: 42), en men hetzelfde getal ook op Saul overdroeg, of omdat volgens 2 Samuel .10 Isboseth op een leeftijd van 40 jaar in de plaats van zijn vader Saul de regering over die stammen verkreeg, die na Sauls dood niet tot David kwamen; omdat nu in 1 Samuel .14: 49 Isboseth nog niet onder de zonen van Saul genoemd wordt, zo scheen hieruit te volgen, dat hij geboren was na het begin van het koningschap, en Saul dus 40 jaar zou moeten geregeerd hebben. Intussen zijn op de laatste plaats slechts die zonen genoemd, die reeds toen strijdbare mannen waren en later in de slag tegen de Filistijnen vielen (31: 2 Isvi = Abinadab); de jongste daarentegen Isboseth of, zoals hij 1 Kronieken 8: 33; 9: 39 heet, Esbaäl wordt nog buiten beschouwing gelaten; uit meerdere omstandigheden, die wij hier niet in het bijzonder kunnen opgeven, blijkt bovendien, dat Saul slechts 21-22 jaar geregeerd kan hebben; Paulus houdt zich op de plaats in de Handelingen aan de gewone traditie, omdat het bij zijn rede niet op wetenschappelijke zaken aankwam, integendeel een correctie van de eenmaal gewoon geworden wijze van rekenen tegenspraak zou hebben verwekt, die zijn gehele doel verijdeld zou hebben; bovendien had het getal 40 in zoverre recht, als de rechterlijke werkzaamheid van Samuel, die een overgang tot het koningschap was (18 jaar), gevoeglijk met de koninklijke werkzaamheid van Saul (22 jaar) als één geheel beschouwd kunnen worden.
Het laten gaan van de overigen naar hun huizen veronderstelt, dat het gehele strijdbare volk tezamen was. Omdat vroeger van een andere oproep van het volk sprake is geweest, als van die tot de oorlog tegen de Ammonieten bij Jabes, ligt de veronderstelling voor de hand, dat Saul daarom te Gilgal, na de vernieuwing van het koningschap, terstond het besluit tot de oorlog tegen de Filistijnen heeft opgevat, en tot dat doel uit het verzamelde volk zich 3000 strijders heeft uitgekozen en de overigen naar huis heeft laten gaan.
Maar Jonathan, een jongeling vol geloofsmoed en dapperheid, kon niet lang ledig op zijn standplaats blijven, en sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te Geba was, wat de Filistijnen hoorden. De reeds in 10: 5 vermelde post, was van Gibea verder noordoostelijk tot Geba, het tegenwoordige Dscheba (Jud 19: 13) voortgerukt; toen de vorsten van de Filistijnen, die zich nog in hun vijf hoofdsteden, Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron bevonden, Jonathans overwinning vernamen, zagen zij, dat de kinderen van Israëlbeproefden het juk af te schudden en trokken hun krijgslegers tezamen. Die heldendaad van zijn zoon wilde de koning van Israël zich tot nut maken, om het volk tot de strijd op te wekken. Daarom blies Saul met de bazuin in het gehele land door zijn boden, terwijl hij tevens door hen liet bekend maken, zeggende: Laat het de Hebreeën horen,
wat Jonathan gedaan heeft en moed vatten; dit gelukkig gevolg is een zeker teken.
Hiermee bedoelt Saul niet alleen, om aan Israël een vreugdebericht te doen toekomen, maar bovenal, opdat het zich achter hem zou verzamelen, om de Filistijnen geheel en al uit het land te verdrijven, en een einde te maken aan hun opperheerschappij over Israël. Het woord horen hier heeft de betekenis van, ter harte nemen. In die zin komt het o.a. ook voor in Jes.1: 2.
Toen hoorde geheel Israël zeggen: Saul heeft, door de hand van zijn dappere zoon, de bezetting van de Filistijnen, hun verst voorgedrongen voorpost geslagen,en zoals dit de harten aan de ene zijde met vreugde vervulde, zo ook aan de andere zijde met ene zekere bezorgdheid, dat het nu tot een beslissende strijd zou komen; want men voegde erbij: ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen, het is in kwade reuk gekomen doordat Jonathan hun voorposten geslagen heeft, en wij kunnen zeker verwachten, dat zij met een sterke legermacht tot ons zullen komen. Toen werd 1)het volk van Israël, omdat er niets anders overbleef dan zich tegen een vijandelijke uitval gereed te houden, samengeroepen achter Saul, om daar een leger te organiseren, en wel naar Gilgal, in de vlakte van de Jordaan, 4 à 5 mijl van het oorlogstoneel verwijderd (Jos 9: 6).
Of, toen liet het volk zich samen roepen achter Saul naar Gilgal. De heldendaad van Jonathan had daarom het voor Saul gewenste gevolg.
En de Filistijnen werden, zodra het te Geba (vs.3) gebeurde bekend geworden was, verzameld, om te strijden tegen Israël, en die nederlaag te wreken, dertigduizend wagens, 1) en zesduizend ruiters en het voetvolk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is, in talloze menigte (Joz.11: 4 (Richteren 7: 12), en zij trokken op, en legerden zich te Michmas, noordelijk van Geba, tegen het oosten van Beth-aven 2) (Joz.7: 2).
Zo’n buitengewoon getal van krijgswagens komt overigens nergens in de geschiedenis voor, ook niet bij volken die veel machtiger dan de Filistijnen waren; bovendien staat het getal in geen verhouding tot het genoemde getal van de ruiters, omdat dat van de strijdwagens altijd kleiner is, dan dat van de ruiters (2 Samuel .10: 18; 1 Koningen .10: 26; 2 Kronieken 12:
. Evenals wij nu in vs.1 aangenomen hebben, dat door weglating van een tweede Hun na het woord Nb een schrijffout in de tekst gekomen is, zo nemen wij hier het omgekeerde geval aan; na de woorden larvy-Me is bij vergissing nog een tweede Lamed, het getalteken voor 30 bijgekomen, dat dan een later afschrijver in het overeenkomend getal opgenomen heeft. Mogen wij dus het laatste woord weglaten, dan verkrijgen wij slechts 1000 krijgswagens, wat met de boven aangevoerde verhoudingen overeenstemt.
De Syrische en de Arabische vertalingen hebben 3000, door schloschiem te veranderen in Scheloscheth. Ook dit kan, maar beter en eenvoudiger is de bovenstaande verandering, ook door Keil voorgestaan.
Beth-aven lag volgens Joz.7: 2 ten oosten van Michmas. Nu kan het woord in de grondtekst, dat hier vertaald is door tegen het oosten Kidmath ook betekenen, op de voorzijde, en dan zou het hier zijn, aan de westzijde van Beth-aven.
Kruisverwijzingen1 Koningen 3:4→Deuteronomium 12:6→2 Samuël 24:25→Psalmen 37:7→1 Samuël 15:21→1 Samuël 13:12→1 Samuël 14:18→Spreuken 21:27→— Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.
Toen zei Saul, die vreesde dat bij een langer toeven alle moed zou verloren gaan, allen hem zouden verlaten, en de Filistijnen tenslotte hem met zijn weinige manschappen zouden overvallen: Brengt tot mij hierheen een brandoffer en dankoffers: omdat Samuël niet komt ben ik genoodzaakt zelf de offerande te doen; en hij offerde brandoffer, 1) hij liet door de priesters, die hij bij zich had, een begin maken.
Het is niet zeer waarschijnlijk, dat Saul alleen uit hoogmoed tegen God is opgestaan en de aangeboden genade heeft verworpen. Want door de noodzakelijkheid, die hij zichzelf voorstelde, is hij gedreven en nog duidelijker is het dat hij van alle eerzucht en aanmatiging vreemd was inderdaad, en van alle verachting van de priesterlijke waardigheid. Maar toch hij heeft daarmee geen enkele verontschuldiging kunnen maken. Waaruit wij leren, dat al onze verontschuldigingen nutteloos en zonder doel zijn voor Gods aangezicht, indien wij de maat overschrijden, die Hij ons zeker heeft voorgeschreven, en dat wij nooit met geen enkel voorwendsel onze ongehoorzaamheid bij God kunnen bedekken. Want zo groot acht God de ongehoorzaamheid, dat hemel noch aarde, kortom de gehele wereld niet, de zondaar de ongehoorzaamheid voor Gods aangezicht kan rechtvaardigen, of wat wij ook als voorwendsel mogen aanvoeren. Want welke verontschuldiging had meer reden van bestaan, dan die, waarmee Saul zich hij Samuel wilde dekken: Ik heb zeven dagen gewacht en gij zijt niet gekomen. Ja, ook zou ik tien dagen op u gewacht hebben, maar toen ik merkte, dat het volk van mij verstrooide, verkeerde ik in de grootste angst, enz. Waaruit blijkt, dat Saul in deze ongehoorzaamheid gehoorzamer heeft willen schijnen dan velen, die gewoonlijk in alles geredelijk zich aan God onderwerpen. Ja, Saul kon bij de mensen geen groter en heerlijker eretitel verworven hebben, dan toen hij, na op Samuel gewacht te hebben, God door het brengen van het offer, aanriep. Want indien hij niet tot de offerande was overgegaan, zou hij door de tong van velen beschuldigd zijn, alsof hij slechts hoop op Gods hulp veinsde en echter niet bemerkte, dat de vijand hem binnen weinige uren onvoorbereid zou vinden en verslaan. Want met de dag vermeerderden de krachten van de vijanden en Saul was nog niet gereed.
Gewoonlijk zoeken de uitleggers Sauls zonde daarin, dat hij zelf het offer verricht en daardoor buiten zijn ambt gegaan is, of men geeft hem de schuld, dat hij graag naar zijn eigen wil had willen leven, zoals de koningen van de heidenen; daarom heeft het hem heimelijk verdriet gedaan, dat een profeet in zijn regering durfde spreken. Deze zijn verkeerde opvattingen, waarvan dan opnieuw het gevolg is, dat men Samuel geheel verkeerd beoordeelt en hem (zoals bijv. Schiller, Neue Thalia IV 94 vv.) voor een trots, heerszuchtig man aanziet, die de koning in voortdurende voogdijschap wilde houden. Dat Saul met eigen hand het offer gebracht heeft, staat niet in de tekst (1 Samuel 14: 3); ook Samuel liet, naar het schijnt, de Aäronitische priesters in hun ambt en had bij de offermaaltijden, die hij hier en daar in het land hield, alleen de voorzittersstoel als vader (9: 13). Wat het tweede betreft, dat Saul niet onder voogdij van Samuel zou hebben willen staan, zo is er geen spoor van zo’n vijandschap bij deze man te vinden tegen de opperheerschappij van God door de profeten; tot hiertoe hebben wij hem slechts als een ootmoedig man leren kennen. Waarin zijn huidige zonde bestaan heeft, blijkt uit de verklaring van Disselhoff; later zullen wij die zonde bij Saul veel meer ontwikkeld vinden, de vergiftige worm is dan uitgekropen, terwijl wij die nu nog slechts als een pop voor ons hebben. Die verklaring is de volgende: “Om een einde te maken aan het gejammer van zijn volk, dat door de onbesnedenen steeds meer gesmaad werd, en zich ook altijd lafhartiger onder de onheilige voeten liet vertreden, behoudt Saul 3000 man uitgelezen krijgslieden bij zich; duizend stelt hij onder de hand van Jonathan; met twee duizend trekt hij naar Michmas; het andere volk laat hij gaan, want met zijn God en met de 3000 hoopt hij Israël uit de hand van de Filistijnen te verlossen (9: 16). Toen nu Jonathan op die tijd een wachtpost van de Filistijnen succesvol verjaagd had, liet Saul de bazuinen in het gehele land blazen en zeggen: “Laat het de Hebreeën horen.” Dit schoon begin zal, meent hij, hen uit hun slaap wakker schudden en hen doen beseffen, wie zij zijn. Ook nu, evenals bij de strijd tegen de koning van de Ammonieten, Nahas, viel een vrees over het volk. Zij verhieven zich maar niet vrijwillig; zijn krijgsknechten volgden naar Gilgal, maar morrende, dat hij de schandelijke vrede verstoord en een opstand tegen de Filistijnen gemaakt had. Te midden van die golven, die op hem aansloegen, blijft Saul onbeweeglijk, geen gedachte van vrees, alleen de zekere hoop dat hij ook met dit volk zijn werk verrichten zal, vervult hem. “En de Filistijnen werden verzameld om te strijden dertigduizend wagens en zesduizend ruiters, en het volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij trokken op en legerden zich te Michmas. Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in te spelonken, in de doornbossen, in de steenklippen, in de vestingen en in de putten.” Enige Hebreeën, kinderen van Abraham, de vader van de gelovigen, vluchtten in de landen aan de overzijde van de Jordaan en lieten Saul alleen; anderen liepen over naar de Filistijnen en dienden in het vreemde leger tegen hun broeders (14: 21). Toch stond Saul altijd nog zonder te beven, te Gilgal, op de heilige grond van de gedenkplaatsen van Gods wondermacht, in het midden van die tweeduizend, die geen wapens hadden (vs.19vv.); hij stond daar vertrouwende op de hulp van God, stil getroost, vrolijk en zijn gehele persoon riep uit: “wie gelooft, vlucht niet.” Op de tweeduizend was iets van zijn moed, van zijn hoop, van zijn gerustheid overgegaan; maar, toen zij de macht van de Filistijnen zagen, werd ook dit volk achter hem bevreesd. Men weet hoe aanstekelijk de vrees en de lafhartigheid is; verderfelijker dan de schadelijkste pest velt zij, in het donkere voortsluipende, de ene man na de andere. Men weet ook, dat een leger, dat door lafhartigheid en vrees verteerd wordt, nog nooit over de vijand gezegevierd heeft. Wat zal Saul nu doen? Moet hij niet aanstonds op de vijand losstormen, vóórdat de angst verder om zich heen vreet? Eist het verstand dit niet gebiedend? Menselijk nadenken moge dit eisen, wat vraagt Saul naar menselijke berekeningen? Hij vraagt wat God, wat gehoorzaamheid eisen. En deze eis? “Gij zult”, zo heet het (10: 8), “voor mij afgaan naar Gilgal; zie, ik zal tot u afkomen, om brandoffers te offeren, om te offeren offeranden van de dankzegging, zeven dagen zult gij daar wachten, totdat ik tot u kom, en u bekend maak wat gij doen zult.” Hij houdt vast aan het geloof, dat hij, die hem van de ezelinnen gehaald en tot koning gezalfd heeft, ook met deze eis slechts zegen bedoelt. In de kracht van dit geloof wachtte hij in die wanhopige toestand zeven dagen, de tijd door Samuel bepaald. Zeven dagen! dat was wel een week, zoals gij en ik die nog nooit doorleefd hebben. De Hebreeën in de spelonken weggekropen, de anderen over de Jordaan gevlucht, nog anderen zelfs bij de Filistijnen, in het gehele land morren en aanklagen, zijn laatste tweeduizend ook bevreesd, vóór zich de trotse, roemzuchtige Filistijnen zo wacht hij van dag tot dag onwankelbaar als een rots in de zee. Eindelijk moet toch de zevende morgen komen, en met deze de hulp van de bergen van de eeuwigheid. De zevende morgen breekt aan, de zon stijgt hoger, geen ster van hoop. Samuel blijft uit! Het verlangend oog zoekt de hoge gestalte, nergens een spoor! “Toen verstrooide het volk van hem.” De een na de ander van de tweeduizend neemt de vlucht; en Samuel? Wie weet wat hem overkomen is. Saul! laat gij ook de laatste zich verstrooien, dan is alles verloren, dan is er geen redding, geen hulp meer; Israël gaat te gronde; de Filistijnen behalen voor de overwinning; God en Zijn heilige naam worden geschandvlekt. En gij wacht hier rustig en ledig. Kom op! er is nog slechts een ogenblik tijd, het is het laatste! Daar overtreedt hij het gebod van de Heren, en laat toch zich brandoffers en dankoffers brengen, om daarna volgens eigen keus de strijd te beginnen. Thans ziet gij duidelijk in de inwendige bron, waaruit Sauls overtreding voortgevloeid is. Het is niet de zonde van eigenbaat, van trots, van lust van de ogen van vleselijke begeerlijkheid; niet de grootsheid van het leven; niet de hoofse gedachte: “Ik heb God niet nodig, ik ben alleen sterk genoeg!” niet de begeerte naar roem, die alle eer tot zich trekken wil; het is het diep verborgen ongeloof dat daar, waar de nood tot een toppunt stijgt, waar alle hulp van God schijnt uit te blijven, plotseling te voorschijn komt en de koning aan het wankelen brengt. Had hij geloof behouden, daar waar voor mensenogen alles verloren was, had hij gehoopt op hoop tegen hoop, had hij eenvoudig zich aan het goddelijk woord vastgeklemd, zich aan het vaste anker van de onwankelbare belofte vastgehouden en luid geroepen: “Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk,” hij was een rots gebleven, ook al waren de bergen aanstonds midden in de zee gezonken, en al had de zee aanstonds nog duizend malen meer gewoed, zodat door haar woeden de bergen waren ingestort. Maar nu kwam in de nood, toen er geen uitweg te zien was, een zaadkorreltje ongeloof, en met en uit het ongeloof, vrees voor de Filistijnen en voor het vluchten van het volk, en met die vrees ongeduld en kwellende onrust, en met die onrust een haastig aangrijpen van middelen door het eigen blinde verstand aan de hand gegeven, en met dit aangrijpen een vertrouwen op vlees en bloed, en door dat alles een openlijke ongehoorzaamheid, de werkelijke overtreding van het goddelijk gebod. Zo wordt het verborgen ongeloof in het hart van de knecht van de Heere tot die bittere wortel die, wanneer hij opschiet, gal en alsem draagt en allerlei boze vruchten. Het geloof is het zwaartepunt in de mens; zolang hij daarop rust, staat hij vast. Het ongeloof ontrukt de mens zijn zwaartepunt; dan kan hem al was hij een rots, zelfs een strohalm aan het wankelen brengen. Is het ook niet het ongeloof, dat zelfs bij Mozes, de man van God, aan het twistwater was ingedrongen, zodat hij ongehoorzaam werd tegen de Heere, zijn God, en hij niet in het beloofde land mocht trekken. En Jakob? was hij niet een vroom man, zoals de Schrift (Genesis25: 27) zegt? Wat heeft hem dan tot Jakob, tot die arglistige, bedrieglijke, vreesachtige man gemaakt? En Rebekka, die godzalige vrouw tot een leugenares, een bedriegster en verleidster? Is het niet weer het ongeloof? Dat dreef haar, om de zegen en de belofte voor haar jongste zoon te verkrijgen, tot die eigen vleselijke middelen en sleepte Jakob mede weg in de schuld. Wie gelooft, vreest niet, maar wie niet gelooft, neemt zijn toevlucht tot zijn verstand, zijn kracht en sterkte, die acht zich geroepen met zijn hoofd de ingewikkelde knoop los te maken, die God gelegd heeft!”.
Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:7→Psalmen 66:3→Amos 8:5→1 Samuël 21:7→1 Koningen 12:26→— Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.
Zo zei ik tegen mijzelf: Nu zullen de Filistijnen tot mij komen te Gilgal om mij aan te vallen, en ik heb het aangezicht van de HEERE niet ernstig aangebeden, mij nog niet door offerande en gebed van de goddelijke bijstand verzekerd, om hun aanval getroost tegemoet te gaan; zo dwong ik mijzelf 1) in die hoogste nood, want het was mij moeilijk uw gebod te overtreden, en ik heb brandoffer geofferd, het dankoffer is niet gebracht, zodat gij nog bijtijds gekomen zijt om dit zelf te verrichten.
In het Hebreeuws Ethàphak. Ik deed mijzelf geweld aan. Saul doet het hier voorkomen, dat hij zich in zijn geweten bedwong. Wat is zijn zonde, en waarom wordt hij zo zwaar gestraft? God had het koningschap over Israël ingesteld, maar niet een koningschap, dat losgemaakt was van de theocratie, integendeel dat juist in die theocratie wortelde. Daarom had de Heere de stand van de profeten verwekt, opdat het koningschap door het profetisme zou worden voorgelicht en gesteund. Saul krijgt nu ook het bevel om niet eerder op te rukken van Gilgal dan wanneer Samuel, als de mond van God, er was geweest en hem en het volk de weg tot de overwinning had aangewezen. Hij wacht echter wel enige tijd, maar niet zolang totdat Samuel komt. Nu geeft hij zelf bevel tot de offerande. Wat doet hij nu feitelijk? Het koningschap losmaken van het theocratisch beginsel. Niet rekenen met God, de hoogste Koning van Israël, maar zichzelf stellen in Diens plaats.
Hij stelt zich voor het volk gelijk met de heidense koningen, die ook niet rekenen met de Almachtige God. Daarom wordt hem geboodschapt als Samuel komt, dat zijn koningschap geen erfelijk koningschap zal zijn. Verworpen wordt hij nog niet. Dit zal pas later plaats hebben, maar wel wordt hier de straf aangekondigd, dat de Heere een ander in zijn plaats heeft uitverkoren, wiens koningschap bevestigd zou worden. En omwille van hemzelf en van het volk is de straf zeer streng, hoewel niet te hard.
KruisverwijzingenHandelingen 13:22→1 Samuël 15:28→Handelingen 7:46→1 Samuël 2:30→Hebreeën 2:10→2 Koningen 20:5→1 Samuël 9:16→1 Samuël 16:1→— Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.
Maar nu zal uw rijk niet op de duur bestaan. De HEERE heeft integendeel van dit ogenblik van uw ongehoorzaamheid af Zich een man gezocht naar Zijn hart, hoewel ik nog niet weet, wie deze is (16: 1vv.), ende HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt wat U de HEERE geboden had en daardoor bewezen hebt geen man naar Zijn hart te zijn. Hoe invloedrijker het in Israël ontstane koningschap voor alle volgende tijden moest zijn, des te noodzakelijker was het, dat zich van begin af aan op een wijze ontwikkelde, die overeenkomstig de bestemming van het volk van God was. Terwijl de kinderen van Israël in verkeerde gezindheid een koning verlangden, zoals alle heidenen hadden, moest deze juist als het tegenovergestelde van alle heidense koningen verschijnen en tegenover hen een bijzondere plaats innemen, die aan het volk, dat hij beheerste, onder al de natiën der aarde aangewezen was. Het doel van een Israëlitische koning kon geen ander zijn, dan die van een plaatsbekleder van God, die in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid de wil van de hoogste Koning volbrengt, en ver van elke willekeur en elke eigenzinnigheid zich ootmoedig buigt onder de goddelijke wet, en daardoor een voorbeeld van zijn volk is. Israël’s eerste koning was in het bijzonder geroepen om een staatsinrichting te geven, die het algemene welzijn verzekerde. Hij vond die reeds en wel als een goddelijke, door Mozes vastgestelde orde, die alle betrekkingen van het leven regelde en het kwam er slechts op aan, dat hij, de koning, vóór alles zichzelf binnen de perken van deze heilige orde voegde, en met des te vaster hand en groter trouw zijn volk op de weg van de goddelijke wet terugvoerde, hoe groter de afval was, waaraan het zich schuldig gemaakt had.
De aan Saul gestelde tijd van 7 dagen en het toeven van Samuel, dat deze niet opzettelijk had gewild, maar in het wachten van de Heere lag, die hem niet eerder Zijn opdracht aan de koning meedeelde, was voor de bijzondere roeping en de eigenaardige plaats van Saul een even overeenkomstige geloofsbeproeving, als Gods gebod aan Abraham: “Neem uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, en ga naar het land van Moria, en offer hem Mij aldaar, op een van de bergen, die Ik u wijzen zal,” voor de roeping en de plaats van deze vader van de gelovigen, door wiens nageslacht alle volkeren der aarde gezegend zouden worden. Nu Saul de proef niet doorstaat, is de aangekondigde goddelijke straf geenszins te hard, zoals dit bij de eerste blik zou schijnen; deze is integendeel het natuurlijke gevolg, dat vanzelf spreekt. Hij kan de stichter niet zijn van een geslacht, dat voor altijd op de troon van Israël zal zitten, er moet een ander geslacht in de plaats van het zijn komen; want de idee van het rijk van God en van de vorst over het volk van de Heere kan niet opgeofferd worden aan het bijzonder belang van een mens; deze moet werkelijkheid worden door een koning van de toekomst, omdat de tegenwoordige het niet gedaan heeft. Daarbij is bovendien aan Saul tijd gelaten, om zich tot God te bekeren, om ook voor zijn geslacht, ten minste voor een tijd, de koningskroon te verkrijgen, zo niet voor altijd; pas zijn volgende eigenlijke verwerping (15) doet hem die geheel verliezen; toch blijft hij voor zijn persoon koning tot aan zijn zo beklagenswaardig einde.
Mensen zijn zeer onbevoegde rechters over de goddelijke oordelen, omdat zij weinig kunnen zien van de Majesteit van de beledigde God en van de vreselijke aard en de verzwarende omstandigheden van de overtreding. Wij zien niet, dan Sauls uitwendig bedrijf, dat gering schijnt, maar God zag met hoe boos een hart hij dat pleegde, met hoeveel weerspannigheid tegen het licht van zijn geweten, zoals zijn eigen woorden tonen, met hoe groot een ongeloof en wantrouwen aan de hemelse voorzienigheid, met welke verachting van het gezag van de Heere en gerechtigheid, en uit welke andere boze beginselen en bewegingen van zijn geest, die de mensen onbekend zijn. God bespeurde duidelijk de goddeloosheid, die in Sauls hart verborgen lag, en voorzag al de andere misdaden, die hij begaan zou, en had daarom meer reden tot vaststelling van dit vonnis, dan wij ons verbeelden kunnen. Bovendien straft God soms geringe zonden zeer streng om verscheidene gewichtige redenen, namelijk opdat alle mensen zouden zien, wat de minste van hun overtredingen verdient en hoeveel zij verschuldigd zijn aan de vrije en overvloedige genade van de Heere, in voorbijgaan van hun grote zonden, opdat ieder ter harte zou nemen, dat hij zich niet moet toegeven in geringe zonden, op het ijdel vertrouwen van Gods barmhartigheid, waardoor zij lichtelijk tot grote misdaden vervallen. Eindelijk moet men zich herinneren, dat het koninkrijk van Israël nog in zijn kindsheid was, en dat dit het eerste bevel is geweest, dat Saul van God ontvangen had. Nu is het altijd in alle wetgevers voor grote wijsheid gerekend, de eerste overtreding van hun wetten streng te straffen, opdat de eerbied en gehoorzaamheid jegens deze bewaard, en de overtreders voor het vervolg gewaarschuwd en afgeschrikt zouden worden. Overeenkomstig hiermee heeft God gehandeld met Kaïn, de eerste moordenaar, met Israël over de eerste afgoderij met het kalf, met de eerste overtredende priesters (Lev.10), met de eerste sabbatschender (Num.15: 35) en met de eerste grote geveinsden in de Christelijke kerk (Hand.5: 5,10).
Gezegende Verlosser! laat ons nooit onze geringe offeranden brengen als Saul, zonder te zien op uw dierbaar genoegzaam offer. Dit is het alleen. O Heere, dat kan maken of gemaakt heeft onze vrede in het bloed van het kruis.
Kruisverwijzingen1 Samuël 13:2→1 Samuël 14:2→1 Samuël 13:6→— Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
Toen dit was voorgevallen, en naar het schijnt ook nog het dankoffer gehouden was, maakte Samuel zich op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins, want vandaar zouden de ondernemingen tegen de Filistijnen beginnen! en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, terwijl hij de profeet volgde en bevond, dat het getal van zijn krijgsknechten omtrent zeshonderd man was; hij had dus met zijn te vroeg offeren zijn doel niet bereikt, om de verstrooiing van het volk te voorkomen.
Kruisverwijzingen1 Samuël 13:3→— En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.
Toen dit was voorgevallen, en naar het schijnt ook nog het dankoffer gehouden was, maakte Samuel zich op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins, want vandaar zouden de ondernemingen tegen de Filistijnen beginnen! en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, terwijl hij de profeet volgde en bevond, dat het getal van zijn krijgsknechten omtrent zeshonderd man was; hij had dus met zijn te vroeg offeren zijn doel niet bereikt, om de verstrooiing van het volk te voorkomen.
II. Vs. 16-23.KruisverwijzingenNehemia 11:34→2 Koningen 24:14→Jesaja 10:28→Jozua 18:23→Jozua 18:13→Jeremia 24:1→Richteren 5:8→1 Samuël 14:1→ — En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual; En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet. En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken. Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen. En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden. En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas. Voordat de heldendaad van Jonathan bericht wordt, die aan de Israëlieten een schitterende overwinning over hun vijanden gaf (14), vernemen wij vooraf iets naders van de standplaats van de beide legers tegenover elkaar, over de onderneming van de Filistijnen, waardoor zij de manschappen van Saul en van zijn zoon uit hun voordelige positie probeerden te lokken, als ook over de hoogst gebrekkige wapening van de laatsten, waardoor het dezen onmogelijk was de Filistijnse strooptochten te verhinderen als ook een aanval op het vijandelijke hoofdleger te Michmas te ondernemen. Tenslotte wordt melding gemaakt van de post, die de Filistijnen naar de zijde van Geba verlegd hadden om een heimelijke aanval voor te bereiden; hiermee is de overgang gemaakt tot de hierboven vermelde daad van Jonathan, waardoor hij aan de gevaarlijke toestand van zijn volk opeens een einde maakte.
En Saul en zijn zoon Jonathan en het krijgsvolk, de 600 man (vs.15 14: 2 14.2), dat bij hen gevonden was, bleven te Geba-Benjamins hadden een plaats ingenomen op de heuvel van Benjamin, dus op dezelfde plaats, waaruit Jonathan door zijn eerste aanval (vs.3) de voorposten van de Filistijnen verdreven had; het hoofdleger zelf bevond zich een uur meer zuidwestelijk op de noordzijde van Gibea (vs.15; 14: 2); maar de Filistijnen waren, zoals reeds in vs.5 vermeld is, te Michmas gelegerd, ten oosten van die stad, naar de streek van Beth-aven.
KruisverwijzingenJozua 18:23→1 Samuël 14:15→1 Samuël 11:11→Jozua 19:3→— En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;
En de verdervers, de uitgezondenen om overal verwoesting aan de richten, gingen uit het leger van de Filistijnen in drie groepen naar verschillende richtingen heen; de ene groep keerde zich noordoostelijk op de weg naar Ofra 1) een Duitse mijl ten oosten van Beth-el, naar het land Sual (= vossenland), waarschijnlijk hetzelfde als het in 9: 4 gemelde Sahalim.
Volgens de gedachte van Robinson lag Ofra op de plaats van het tegenwoordige Taybeh, maar naar alle waarschijnlijkheid was het verder naar het zuiden gelegen, niet ver van Michmas en Beth-aven (Jos 18: 23).
KruisverwijzingenRichteren 5:8→1 Samuël 17:50→1 Korinthe 1:27→1 Samuël 17:47→Zacharia 4:6→2 Korinthe 4:7→— En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
En het geschiedde op de dag van de strijd, toen het volk zich op Sauls roepstem ten strijde tegen de Filistijnen verzameld had, dat er zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het gehele volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden; 1) de overigen waren met bijlen en zeisen en dergelijke gewapend; er kon dus, vooral toen het getal van de krijgslieden zo klein was geworden, niets tegen de stropende benden noch tegen het hoofdleger van de Filistijnen ondernomen worden, en Saul moest een afwachtende positie aannemen.
Dit bericht schijnt in strijd met hetgeen in 11 over de krijgstocht vermeld wordt; ook daar is zeker de uitrusting van het leger zeer gebrekkig geweest; bovendien wordt hier slechts gesproken van dat gedeelte van dat land, waar de Filistijnen het zwaarst verdrukken, terwijl andere delen van het land daaronder minder te lijden hadden.
KruisverwijzingenJesaja 10:28→1 Samuël 14:1→1 Samuël 14:4→1 Samuël 13:5→1 Samuël 13:2→2 Samuël 23:14→— En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
En het leger van de Filistijnen, een afdeling van dat leger, trok naar de doortocht van Michmas 1) om dit punt tegen een heimelijke overrompeling door het leger van de Israëlieten te dekken.
Tussen Geba en Michmas stroomt de grote en diepe Wady Suwienit, die uit de landstreek van Bethel en Becroth komt, in de richting van het noordwesten naar het zuidoosten tot het dal van de Jordaan, en breekt de hoogte door, waarop beide plaatsen liggen. Naar het zuidoosten wordt die stroom steeds nauwer en wilder. Deze opening, waarvan de beide zijden steile rotsen vormen, is met de doortocht of pas van Michmas bedoeld. Robinson beschrijft de weg tussen Geba en Michmas als zo steil en de rotstappen als zo hoog, dat hij met zijn geleiders moest afstijgen en de lastdieren slechts met grote moeite verder konden komen. Links van de weg liggen in het dal twee heuvels van een kegel- of liever kogelvormige gedaante (v. Schubert noemt ze “Suikerbroodvorm), met steile rotswanden; deze zijn de in 14: 4vv. vermelde beide rotsen, waarover Jonathan zijn waagstuk uitvoerde, De ene (Bozes) ligt aan de zijde naar Geba en ziet noordoostelijk naar Michmas, de andere (Sene) aan de zijde van Michmas en ziet zuidwestelijk naar Geba.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
1 Samuël 13
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-15.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:13→1 Samuël 10:26→1 Samuël 10:5→Jozua 11:4→Richteren 6:2→1 Samuël 14:31→1 Samuël 13:5→Richteren 3:27→
— Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel. Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent. Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen. Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal. En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven. Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten. De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer. En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.
Na een opmerking over de leeftijd, waarop Saul koning werd, en de tijd, die hij geregeerd heeft (vs.1) begint de geschiedenis van zijn regering. Van Gilgal (Dschild Schilia) in Efraïm, waar hij in het koninkrijk was bevestigd, begeeft hij zich met 3000 man, die hij bij zich houdt van degenen, die de veldtocht tegen de Ammonieten meegemaakt hebben, naar zijn woning; om daar, zoals zijn roeping het meebrengt (9: 16), het volk van de Heere te verlossen uit de hand van de Filistijnen, die zich weer meester van het land gemaakt hadden. Met twee derde van zijn manschappen plaatst hij zich tussen Michmas en Bethel, terwijl zijn zoon Jonathan en de overige duizend man zich te Gilgal legert; tussen beide afdelingen van het leger bevindt zich Geba, een post van de Filistijnen. Als Jonathan door een moedige daad de bezetting gedood heeft, wordt het bericht van de overwinning door alarmsignalen in het gehele land bekend gemaakt, opdat Israël tegen zijn vijanden opsta en zich om zijn koning schare te Gilgal, in het dal van de Jordaan, het middelpunt van het nog vrij gebleven land. De Filistijnen trekken, om de smaad van de nederlaag van hun bezetting te wreken met een sterk leger uit. Voordat Saul iets tegen hen kan ondernemen, moet hij volgens de van Samuel (10:
ontvangen aanwijzing zeven dagen wachten, opdat de profeet door een offer het werk heiligt en de koning een antwoord van God brengt omtrent hetgeen hij doen moet. Saul wacht ook tot de zevende dag, hoewel van zijn krijgslieden de een na de ander de moed verliest en zich verwijdert; omdat ook nu Samuel zich nog niet daar bevindt en het gevaar van allen te verliezen schijnt te dreigen, overtreedt hij het gebod, en gaat hij zelf tot de offerande over. Te midden van deze daad komt Samuel; Saul verontschuldigt zich bij hem over zijn gedrag, en moet uit zijn mond horen, dat zijn rijk niet zal bestaan. Hierop trekt de koning met de hem trouw gebleven schaar van krijgslieden, die echter slechts 600 man telt, onder geleide van Samuel naar Gibea terug.
Saul was één jaar in zijn regering geweest, toen hij (11 en 12) de Ammonieten sloeg en de bevestiging te Gilgal ontving, en het tweede jaar regeerde hij over Israël. De eigenlijke vertaling van vs.1 zou moeten zijn: En Saul was een jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren over Israël. Dezelfde uitdrukking, die hier gebezigd wordt, wordt ook gebruikt in de boeken der Koningen, waarin telkens van de koningen wordt gezegd, hoe oud zij waren, toen zij aan de regering kwamen, en hoe lang zij geregeerd hebben. Deze tijdsbepaling kan hier natuurlijk niet, en daarom verenigen wij ons met de mening van Nagelsbach en Keil (1 Samuel 13: 2) dat er een paar letters bij het overschrijven zijn uitgevallen, die het juiste getal èn van zijn ouderdom èn van de duur van zijn regering aangeven.
Toen 1) verkoos zich Saul drieduizend mannen uit Israël, om de strijd tegen de Filistijnen te beginnen. Deze waren in de 18 jaar na hun nederlaag te Eben-Haëzer (7: 3-14) weer in het land ingedrongen en hadden hun voorposten tot Gibea (10: 5) en onlangs 1 ½ uur meer noordoostelijk tot aan Geba (vs.3) vooruitgeschoven. Hij verdeelde deze schaar van uitgelezen strijders in twee afdelingen, die hij deels vóór, deels achter de vijandelijke voorpost plaatste. En er waren bij Saul tweeduizend te Michmas, dat recht tegenover Geba, waar de Filistijnen waren, lag, door een diepe pas, de tegenwoordige Wady Suweinit, daarvan gescheiden, en op het gebergte van Bethel, dat 1 ½ uur noordwestelijk daarvan ligt, en duizend waren er bij Jonathan (= gift van de HEERE), Sauls oudste zoon (14: 49) te Gibea-Benjamins, het tegenwoordige Tuleil el Saul (Jud 19: 13); en het overige van het volks liet hij gaan, een ieder naar zijn tent. 2)
Deze laatste zin verbindt deze geschiedenis onmiddellijk aan de in 11 vertelde gebeurtenis. Toen Saul na de overwinning op de Ammonieten te Gilgal tot koning van Israël bevestigd was, en alle krijgslieden, die hij tegen Nahas opgeroepen had, nog om hem verzameld waren, verkoos hij zich de 3000 man die hij deels tussen Michmas en Bethel, deels in de plaats van zijn woning in Gibea plaatste, terwijl hij de overigen naar huis liet gaan. Dadelijk na het eerste gelukkige gevolg van zijn werkzaamheid had hij het besluit genomen, de strijd tegen de Filistijnen te beginnen, wier overmacht sinds de laatste jaren dat Samuel richter was (van 1095-1077 v. C.) weer zwaar op het land drukte (vs.19vv.). Hij voelde zich echter nog niet sterk genoeg, om een algemene oorlog tegen deze vijanden, bij wier leger een gedeelte van zijn eigen volk was (14: 21), te beginnen; daarom was zijn doel om allereerst een verder voortdringen van de Filistijnen te beletten. Hieruit blijkt; dat de voorstelling van het eerste vers volgens deze vertaling niet juist is, omdat volgens dit vers de voor ons liggende onderneming van Saul van die tegen de Ammonieten door de tijdruimte van een geheel jaar gescheiden zou zijn. Ook de voorafgaande opgaaf, dat tussen de koningskeuze (11: 1vv.) eveneens een jaar ligt, kan niet juist zijn; want de eis van een koning van de zijde van Israël’s oudsten had volgens 12: 12 haar aanleiding juist in de bedoelingen van deze Nahas, die zich tot de strijd tegen Israël gereed maakte. Zakelijk heeft het daarom veel voor zich, zoals de Septuaginta 11 begint: “En het geschiedde ongeveer een maand daarna (nadat Saul te Mizpa tot koning gemaakt was, (10: 17vv.), dat Nahas de Ammoniet optrok en Jabes in Gilead belegerde.” Deze vertaling rust echter op een verkeerde opvatting van de beide laatste woorden in 10: 27: (maar hij, Saul, was als doof. d.i. hij deed alsof hij niets hoorde). De Septuaginta leest in de plaats daarvan: en het geschiedde ongeveer een maand daarvan (Genesis38: 24), en voegt deze woorden bij het volgend hoofdstuk. Maar hoe kan, zo vraagt men, de Heilige Schrift opgaven bevatten, die elkaar zo tegenspreken. De Statenvertalers, evenals Luther, v.d.Palm, enz. hebben een verklaring willen geven van de in de grondtekst zeer moeilijke en onvolledige woorden. De woordelijk nauwkeurige vertaling namelijk heeft niet voldoende betekenis, zij luidt:
Zoon van….jaren (dat is…. jaren oud; Genesis5: 32) was Saul, toen hij koning werd (2 Samuel .2: 10; 5: 4) en regeerde twee….. jaar over Israël.
Toen verkoos zich Saul drieduizend enz. Op de beide door….aangeduide plaatsen zijn zonder twijfel getallen weggevallen; want wanneer de Vulgata zonder meer vertaalt…Een jaar was Saul oud, toen hij begon te regeren, hij nu regeerde twee jaren over Israël, zo zal hierbij moeilijk iemand op de gedachte komen, die de Chaldeeër daarin vindt: “Saul was als een onschuldig kind; toen hij koning werd.” Wat nu de uitgevallen getallen zijn, daarover kunnen wij slechts gissingen maken. Nagelsbach meent, dat in de eerste plaats het getal 50 moet ingevuld worden, het woord Nb d.i. zoon, waarop het getal moest volgen sluit met de letter Hun en deze is tevens het getalteken voor “vijftig”, zodat een tweede Hun, die daar oorspronkelijk gestaan zou hebben, door de afschrijver over het hoofd gezien zou zijn. Deze gedachte heeft veel voor, omdat Saul reeds toen in Jonathan een zoon had, die een strijdbaar, dapper held was; 40 jaar moet hij dus reeds op z’n minst geweest zijn, op vijftigjarige leeftijd was hij nog altijd een man in de krachtigste, bloeiendste leeftijd (9: 2) ten minste naar de toestand van die tijden. Op de tweede plaats vult Keil bij het getal “twee” nog het getal “twintig”, zodat de gehele tijd van Sauls regering 22 jaar bedragen zou hebben. Daarmee schijnt de opgave in Hand.13: 21 in strijd te zijn: “Van toen aan begeerden zij een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaar.” Deze opgaaf steunt echter alleen op de wijze van rekenen, die bij de Joden ten tijde van de apostelen in gebruik was; deze namen de tijd van Sauls regeren op 40 jaar, of omdat David en Salomo zo lang geregeerd hebben (1 Koningen .2: 11; 11: 42), en men hetzelfde getal ook op Saul overdroeg, of omdat volgens 2 Samuel .10 Isboseth op een leeftijd van 40 jaar in de plaats van zijn vader Saul de regering over die stammen verkreeg, die na Sauls dood niet tot David kwamen; omdat nu in 1 Samuel .14: 49 Isboseth nog niet onder de zonen van Saul genoemd wordt, zo scheen hieruit te volgen, dat hij geboren was na het begin van het koningschap, en Saul dus 40 jaar zou moeten geregeerd hebben. Intussen zijn op de laatste plaats slechts die zonen genoemd, die reeds toen strijdbare mannen waren en later in de slag tegen de Filistijnen vielen (31: 2 Isvi = Abinadab); de jongste daarentegen Isboseth of, zoals hij 1 Kronieken 8: 33; 9: 39 heet, Esbaäl wordt nog buiten beschouwing gelaten; uit meerdere omstandigheden, die wij hier niet in het bijzonder kunnen opgeven, blijkt bovendien, dat Saul slechts 21-22 jaar geregeerd kan hebben; Paulus houdt zich op de plaats in de Handelingen aan de gewone traditie, omdat het bij zijn rede niet op wetenschappelijke zaken aankwam, integendeel een correctie van de eenmaal gewoon geworden wijze van rekenen tegenspraak zou hebben verwekt, die zijn gehele doel verijdeld zou hebben; bovendien had het getal 40 in zoverre recht, als de rechterlijke werkzaamheid van Samuel, die een overgang tot het koningschap was (18 jaar), gevoeglijk met de koninklijke werkzaamheid van Saul (22 jaar) als één geheel beschouwd kunnen worden.
Het laten gaan van de overigen naar hun huizen veronderstelt, dat het gehele strijdbare volk tezamen was. Omdat vroeger van een andere oproep van het volk sprake is geweest, als van die tot de oorlog tegen de Ammonieten bij Jabes, ligt de veronderstelling voor de hand, dat Saul daarom te Gilgal, na de vernieuwing van het koningschap, terstond het besluit tot de oorlog tegen de Filistijnen heeft opgevat, en tot dat doel uit het verzamelde volk zich 3000 strijders heeft uitgekozen en de overigen naar huis heeft laten gaan.
Maar Jonathan, een jongeling vol geloofsmoed en dapperheid, kon niet lang ledig op zijn standplaats blijven, en sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te Geba was, wat de Filistijnen hoorden. De reeds in 10: 5 vermelde post, was van Gibea verder noordoostelijk tot Geba, het tegenwoordige Dscheba (Jud 19: 13) voortgerukt; toen de vorsten van de Filistijnen, die zich nog in hun vijf hoofdsteden, Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron bevonden, Jonathans overwinning vernamen, zagen zij, dat de kinderen van Israëlbeproefden het juk af te schudden en trokken hun krijgslegers tezamen. Die heldendaad van zijn zoon wilde de koning van Israël zich tot nut maken, om het volk tot de strijd op te wekken. Daarom blies Saul met de bazuin in het gehele land door zijn boden, terwijl hij tevens door hen liet bekend maken, zeggende: Laat het de Hebreeën horen,
wat Jonathan gedaan heeft en moed vatten; dit gelukkig gevolg is een zeker teken.
Hiermee bedoelt Saul niet alleen, om aan Israël een vreugdebericht te doen toekomen, maar bovenal, opdat het zich achter hem zou verzamelen, om de Filistijnen geheel en al uit het land te verdrijven, en een einde te maken aan hun opperheerschappij over Israël. Het woord horen hier heeft de betekenis van, ter harte nemen. In die zin komt het o.a. ook voor in Jes.1: 2.
Toen hoorde geheel Israël zeggen: Saul heeft, door de hand van zijn dappere zoon, de bezetting van de Filistijnen, hun verst voorgedrongen voorpost geslagen,en zoals dit de harten aan de ene zijde met vreugde vervulde, zo ook aan de andere zijde met ene zekere bezorgdheid, dat het nu tot een beslissende strijd zou komen; want men voegde erbij: ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen, het is in kwade reuk gekomen doordat Jonathan hun voorposten geslagen heeft, en wij kunnen zeker verwachten, dat zij met een sterke legermacht tot ons zullen komen. Toen werd 1)het volk van Israël, omdat er niets anders overbleef dan zich tegen een vijandelijke uitval gereed te houden, samengeroepen achter Saul, om daar een leger te organiseren, en wel naar Gilgal, in de vlakte van de Jordaan, 4 à 5 mijl van het oorlogstoneel verwijderd (Jos 9: 6).
Of, toen liet het volk zich samen roepen achter Saul naar Gilgal. De heldendaad van Jonathan had daarom het voor Saul gewenste gevolg.
En de Filistijnen werden, zodra het te Geba (vs.3) gebeurde bekend geworden was, verzameld, om te strijden tegen Israël, en die nederlaag te wreken, dertigduizend wagens, 1) en zesduizend ruiters en het voetvolk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is, in talloze menigte (Joz.11: 4 (Richteren 7: 12), en zij trokken op, en legerden zich te Michmas, noordelijk van Geba, tegen het oosten van Beth-aven 2) (Joz.7: 2).
Zo’n buitengewoon getal van krijgswagens komt overigens nergens in de geschiedenis voor, ook niet bij volken die veel machtiger dan de Filistijnen waren; bovendien staat het getal in geen verhouding tot het genoemde getal van de ruiters, omdat dat van de strijdwagens altijd kleiner is, dan dat van de ruiters (2 Samuel .10: 18; 1 Koningen .10: 26; 2 Kronieken 12:
. Evenals wij nu in vs.1 aangenomen hebben, dat door weglating van een tweede Hun na het woord Nb een schrijffout in de tekst gekomen is, zo nemen wij hier het omgekeerde geval aan; na de woorden larvy-Me is bij vergissing nog een tweede Lamed, het getalteken voor 30 bijgekomen, dat dan een later afschrijver in het overeenkomend getal opgenomen heeft. Mogen wij dus het laatste woord weglaten, dan verkrijgen wij slechts 1000 krijgswagens, wat met de boven aangevoerde verhoudingen overeenstemt.
De Syrische en de Arabische vertalingen hebben 3000, door schloschiem te veranderen in Scheloscheth. Ook dit kan, maar beter en eenvoudiger is de bovenstaande verandering, ook door Keil voorgestaan.
Beth-aven lag volgens Joz.7: 2 ten oosten van Michmas. Nu kan het woord in de grondtekst, dat hier vertaald is door tegen het oosten Kidmath ook betekenen, op de voorzijde, en dan zou het hier zijn, aan de westzijde van Beth-aven.
Toen zei Saul, die vreesde dat bij een langer toeven alle moed zou verloren gaan, allen hem zouden verlaten, en de Filistijnen tenslotte hem met zijn weinige manschappen zouden overvallen: Brengt tot mij hierheen een brandoffer en dankoffers: omdat Samuël niet komt ben ik genoodzaakt zelf de offerande te doen; en hij offerde brandoffer, 1) hij liet door de priesters, die hij bij zich had, een begin maken.
Het is niet zeer waarschijnlijk, dat Saul alleen uit hoogmoed tegen God is opgestaan en de aangeboden genade heeft verworpen. Want door de noodzakelijkheid, die hij zichzelf voorstelde, is hij gedreven en nog duidelijker is het dat hij van alle eerzucht en aanmatiging vreemd was inderdaad, en van alle verachting van de priesterlijke waardigheid. Maar toch hij heeft daarmee geen enkele verontschuldiging kunnen maken. Waaruit wij leren, dat al onze verontschuldigingen nutteloos en zonder doel zijn voor Gods aangezicht, indien wij de maat overschrijden, die Hij ons zeker heeft voorgeschreven, en dat wij nooit met geen enkel voorwendsel onze ongehoorzaamheid bij God kunnen bedekken. Want zo groot acht God de ongehoorzaamheid, dat hemel noch aarde, kortom de gehele wereld niet, de zondaar de ongehoorzaamheid voor Gods aangezicht kan rechtvaardigen, of wat wij ook als voorwendsel mogen aanvoeren. Want welke verontschuldiging had meer reden van bestaan, dan die, waarmee Saul zich hij Samuel wilde dekken: Ik heb zeven dagen gewacht en gij zijt niet gekomen. Ja, ook zou ik tien dagen op u gewacht hebben, maar toen ik merkte, dat het volk van mij verstrooide, verkeerde ik in de grootste angst, enz. Waaruit blijkt, dat Saul in deze ongehoorzaamheid gehoorzamer heeft willen schijnen dan velen, die gewoonlijk in alles geredelijk zich aan God onderwerpen. Ja, Saul kon bij de mensen geen groter en heerlijker eretitel verworven hebben, dan toen hij, na op Samuel gewacht te hebben, God door het brengen van het offer, aanriep. Want indien hij niet tot de offerande was overgegaan, zou hij door de tong van velen beschuldigd zijn, alsof hij slechts hoop op Gods hulp veinsde en echter niet bemerkte, dat de vijand hem binnen weinige uren onvoorbereid zou vinden en verslaan. Want met de dag vermeerderden de krachten van de vijanden en Saul was nog niet gereed.
Gewoonlijk zoeken de uitleggers Sauls zonde daarin, dat hij zelf het offer verricht en daardoor buiten zijn ambt gegaan is, of men geeft hem de schuld, dat hij graag naar zijn eigen wil had willen leven, zoals de koningen van de heidenen; daarom heeft het hem heimelijk verdriet gedaan, dat een profeet in zijn regering durfde spreken. Deze zijn verkeerde opvattingen, waarvan dan opnieuw het gevolg is, dat men Samuel geheel verkeerd beoordeelt en hem (zoals bijv. Schiller, Neue Thalia IV 94 vv.) voor een trots, heerszuchtig man aanziet, die de koning in voortdurende voogdijschap wilde houden. Dat Saul met eigen hand het offer gebracht heeft, staat niet in de tekst (1 Samuel 14: 3); ook Samuel liet, naar het schijnt, de Aäronitische priesters in hun ambt en had bij de offermaaltijden, die hij hier en daar in het land hield, alleen de voorzittersstoel als vader (9: 13). Wat het tweede betreft, dat Saul niet onder voogdij van Samuel zou hebben willen staan, zo is er geen spoor van zo’n vijandschap bij deze man te vinden tegen de opperheerschappij van God door de profeten; tot hiertoe hebben wij hem slechts als een ootmoedig man leren kennen. Waarin zijn huidige zonde bestaan heeft, blijkt uit de verklaring van Disselhoff; later zullen wij die zonde bij Saul veel meer ontwikkeld vinden, de vergiftige worm is dan uitgekropen, terwijl wij die nu nog slechts als een pop voor ons hebben. Die verklaring is de volgende: “Om een einde te maken aan het gejammer van zijn volk, dat door de onbesnedenen steeds meer gesmaad werd, en zich ook altijd lafhartiger onder de onheilige voeten liet vertreden, behoudt Saul 3000 man uitgelezen krijgslieden bij zich; duizend stelt hij onder de hand van Jonathan; met twee duizend trekt hij naar Michmas; het andere volk laat hij gaan, want met zijn God en met de 3000 hoopt hij Israël uit de hand van de Filistijnen te verlossen (9: 16). Toen nu Jonathan op die tijd een wachtpost van de Filistijnen succesvol verjaagd had, liet Saul de bazuinen in het gehele land blazen en zeggen: “Laat het de Hebreeën horen.” Dit schoon begin zal, meent hij, hen uit hun slaap wakker schudden en hen doen beseffen, wie zij zijn. Ook nu, evenals bij de strijd tegen de koning van de Ammonieten, Nahas, viel een vrees over het volk. Zij verhieven zich maar niet vrijwillig; zijn krijgsknechten volgden naar Gilgal, maar morrende, dat hij de schandelijke vrede verstoord en een opstand tegen de Filistijnen gemaakt had. Te midden van die golven, die op hem aansloegen, blijft Saul onbeweeglijk, geen gedachte van vrees, alleen de zekere hoop dat hij ook met dit volk zijn werk verrichten zal, vervult hem. “En de Filistijnen werden verzameld om te strijden dertigduizend wagens en zesduizend ruiters, en het volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij trokken op en legerden zich te Michmas. Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in te spelonken, in de doornbossen, in de steenklippen, in de vestingen en in de putten.” Enige Hebreeën, kinderen van Abraham, de vader van de gelovigen, vluchtten in de landen aan de overzijde van de Jordaan en lieten Saul alleen; anderen liepen over naar de Filistijnen en dienden in het vreemde leger tegen hun broeders (14: 21). Toch stond Saul altijd nog zonder te beven, te Gilgal, op de heilige grond van de gedenkplaatsen van Gods wondermacht, in het midden van die tweeduizend, die geen wapens hadden (vs.19vv.); hij stond daar vertrouwende op de hulp van God, stil getroost, vrolijk en zijn gehele persoon riep uit: “wie gelooft, vlucht niet.” Op de tweeduizend was iets van zijn moed, van zijn hoop, van zijn gerustheid overgegaan; maar, toen zij de macht van de Filistijnen zagen, werd ook dit volk achter hem bevreesd. Men weet hoe aanstekelijk de vrees en de lafhartigheid is; verderfelijker dan de schadelijkste pest velt zij, in het donkere voortsluipende, de ene man na de andere. Men weet ook, dat een leger, dat door lafhartigheid en vrees verteerd wordt, nog nooit over de vijand gezegevierd heeft. Wat zal Saul nu doen? Moet hij niet aanstonds op de vijand losstormen, vóórdat de angst verder om zich heen vreet? Eist het verstand dit niet gebiedend? Menselijk nadenken moge dit eisen, wat vraagt Saul naar menselijke berekeningen? Hij vraagt wat God, wat gehoorzaamheid eisen. En deze eis? “Gij zult”, zo heet het (10: 8), “voor mij afgaan naar Gilgal; zie, ik zal tot u afkomen, om brandoffers te offeren, om te offeren offeranden van de dankzegging, zeven dagen zult gij daar wachten, totdat ik tot u kom, en u bekend maak wat gij doen zult.” Hij houdt vast aan het geloof, dat hij, die hem van de ezelinnen gehaald en tot koning gezalfd heeft, ook met deze eis slechts zegen bedoelt. In de kracht van dit geloof wachtte hij in die wanhopige toestand zeven dagen, de tijd door Samuel bepaald. Zeven dagen! dat was wel een week, zoals gij en ik die nog nooit doorleefd hebben. De Hebreeën in de spelonken weggekropen, de anderen over de Jordaan gevlucht, nog anderen zelfs bij de Filistijnen, in het gehele land morren en aanklagen, zijn laatste tweeduizend ook bevreesd, vóór zich de trotse, roemzuchtige Filistijnen zo wacht hij van dag tot dag onwankelbaar als een rots in de zee. Eindelijk moet toch de zevende morgen komen, en met deze de hulp van de bergen van de eeuwigheid. De zevende morgen breekt aan, de zon stijgt hoger, geen ster van hoop. Samuel blijft uit! Het verlangend oog zoekt de hoge gestalte, nergens een spoor! “Toen verstrooide het volk van hem.” De een na de ander van de tweeduizend neemt de vlucht; en Samuel? Wie weet wat hem overkomen is. Saul! laat gij ook de laatste zich verstrooien, dan is alles verloren, dan is er geen redding, geen hulp meer; Israël gaat te gronde; de Filistijnen behalen voor de overwinning; God en Zijn heilige naam worden geschandvlekt. En gij wacht hier rustig en ledig. Kom op! er is nog slechts een ogenblik tijd, het is het laatste! Daar overtreedt hij het gebod van de Heren, en laat toch zich brandoffers en dankoffers brengen, om daarna volgens eigen keus de strijd te beginnen. Thans ziet gij duidelijk in de inwendige bron, waaruit Sauls overtreding voortgevloeid is. Het is niet de zonde van eigenbaat, van trots, van lust van de ogen van vleselijke begeerlijkheid; niet de grootsheid van het leven; niet de hoofse gedachte: “Ik heb God niet nodig, ik ben alleen sterk genoeg!” niet de begeerte naar roem, die alle eer tot zich trekken wil; het is het diep verborgen ongeloof dat daar, waar de nood tot een toppunt stijgt, waar alle hulp van God schijnt uit te blijven, plotseling te voorschijn komt en de koning aan het wankelen brengt. Had hij geloof behouden, daar waar voor mensenogen alles verloren was, had hij gehoopt op hoop tegen hoop, had hij eenvoudig zich aan het goddelijk woord vastgeklemd, zich aan het vaste anker van de onwankelbare belofte vastgehouden en luid geroepen: “Bij de mensen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk,” hij was een rots gebleven, ook al waren de bergen aanstonds midden in de zee gezonken, en al had de zee aanstonds nog duizend malen meer gewoed, zodat door haar woeden de bergen waren ingestort. Maar nu kwam in de nood, toen er geen uitweg te zien was, een zaadkorreltje ongeloof, en met en uit het ongeloof, vrees voor de Filistijnen en voor het vluchten van het volk, en met die vrees ongeduld en kwellende onrust, en met die onrust een haastig aangrijpen van middelen door het eigen blinde verstand aan de hand gegeven, en met dit aangrijpen een vertrouwen op vlees en bloed, en door dat alles een openlijke ongehoorzaamheid, de werkelijke overtreding van het goddelijk gebod. Zo wordt het verborgen ongeloof in het hart van de knecht van de Heere tot die bittere wortel die, wanneer hij opschiet, gal en alsem draagt en allerlei boze vruchten. Het geloof is het zwaartepunt in de mens; zolang hij daarop rust, staat hij vast. Het ongeloof ontrukt de mens zijn zwaartepunt; dan kan hem al was hij een rots, zelfs een strohalm aan het wankelen brengen. Is het ook niet het ongeloof, dat zelfs bij Mozes, de man van God, aan het twistwater was ingedrongen, zodat hij ongehoorzaam werd tegen de Heere, zijn God, en hij niet in het beloofde land mocht trekken. En Jakob? was hij niet een vroom man, zoals de Schrift (Genesis25: 27) zegt? Wat heeft hem dan tot Jakob, tot die arglistige, bedrieglijke, vreesachtige man gemaakt? En Rebekka, die godzalige vrouw tot een leugenares, een bedriegster en verleidster? Is het niet weer het ongeloof? Dat dreef haar, om de zegen en de belofte voor haar jongste zoon te verkrijgen, tot die eigen vleselijke middelen en sleepte Jakob mede weg in de schuld. Wie gelooft, vreest niet, maar wie niet gelooft, neemt zijn toevlucht tot zijn verstand, zijn kracht en sterkte, die acht zich geroepen met zijn hoofd de ingewikkelde knoop los te maken, die God gelegd heeft!”.
Zo zei ik tegen mijzelf: Nu zullen de Filistijnen tot mij komen te Gilgal om mij aan te vallen, en ik heb het aangezicht van de HEERE niet ernstig aangebeden, mij nog niet door offerande en gebed van de goddelijke bijstand verzekerd, om hun aanval getroost tegemoet te gaan; zo dwong ik mijzelf 1) in die hoogste nood, want het was mij moeilijk uw gebod te overtreden, en ik heb brandoffer geofferd, het dankoffer is niet gebracht, zodat gij nog bijtijds gekomen zijt om dit zelf te verrichten.
In het Hebreeuws Ethàphak. Ik deed mijzelf geweld aan. Saul doet het hier voorkomen, dat hij zich in zijn geweten bedwong. Wat is zijn zonde, en waarom wordt hij zo zwaar gestraft? God had het koningschap over Israël ingesteld, maar niet een koningschap, dat losgemaakt was van de theocratie, integendeel dat juist in die theocratie wortelde. Daarom had de Heere de stand van de profeten verwekt, opdat het koningschap door het profetisme zou worden voorgelicht en gesteund. Saul krijgt nu ook het bevel om niet eerder op te rukken van Gilgal dan wanneer Samuel, als de mond van God, er was geweest en hem en het volk de weg tot de overwinning had aangewezen. Hij wacht echter wel enige tijd, maar niet zolang totdat Samuel komt. Nu geeft hij zelf bevel tot de offerande. Wat doet hij nu feitelijk? Het koningschap losmaken van het theocratisch beginsel. Niet rekenen met God, de hoogste Koning van Israël, maar zichzelf stellen in Diens plaats.
Hij stelt zich voor het volk gelijk met de heidense koningen, die ook niet rekenen met de Almachtige God. Daarom wordt hem geboodschapt als Samuel komt, dat zijn koningschap geen erfelijk koningschap zal zijn. Verworpen wordt hij nog niet. Dit zal pas later plaats hebben, maar wel wordt hier de straf aangekondigd, dat de Heere een ander in zijn plaats heeft uitverkoren, wiens koningschap bevestigd zou worden. En omwille van hemzelf en van het volk is de straf zeer streng, hoewel niet te hard.
Maar nu zal uw rijk niet op de duur bestaan. De HEERE heeft integendeel van dit ogenblik van uw ongehoorzaamheid af Zich een man gezocht naar Zijn hart, hoewel ik nog niet weet, wie deze is (16: 1vv.), ende HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt wat U de HEERE geboden had en daardoor bewezen hebt geen man naar Zijn hart te zijn. Hoe invloedrijker het in Israël ontstane koningschap voor alle volgende tijden moest zijn, des te noodzakelijker was het, dat zich van begin af aan op een wijze ontwikkelde, die overeenkomstig de bestemming van het volk van God was. Terwijl de kinderen van Israël in verkeerde gezindheid een koning verlangden, zoals alle heidenen hadden, moest deze juist als het tegenovergestelde van alle heidense koningen verschijnen en tegenover hen een bijzondere plaats innemen, die aan het volk, dat hij beheerste, onder al de natiën der aarde aangewezen was. Het doel van een Israëlitische koning kon geen ander zijn, dan die van een plaatsbekleder van God, die in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid de wil van de hoogste Koning volbrengt, en ver van elke willekeur en elke eigenzinnigheid zich ootmoedig buigt onder de goddelijke wet, en daardoor een voorbeeld van zijn volk is. Israël’s eerste koning was in het bijzonder geroepen om een staatsinrichting te geven, die het algemene welzijn verzekerde. Hij vond die reeds en wel als een goddelijke, door Mozes vastgestelde orde, die alle betrekkingen van het leven regelde en het kwam er slechts op aan, dat hij, de koning, vóór alles zichzelf binnen de perken van deze heilige orde voegde, en met des te vaster hand en groter trouw zijn volk op de weg van de goddelijke wet terugvoerde, hoe groter de afval was, waaraan het zich schuldig gemaakt had.
De aan Saul gestelde tijd van 7 dagen en het toeven van Samuel, dat deze niet opzettelijk had gewild, maar in het wachten van de Heere lag, die hem niet eerder Zijn opdracht aan de koning meedeelde, was voor de bijzondere roeping en de eigenaardige plaats van Saul een even overeenkomstige geloofsbeproeving, als Gods gebod aan Abraham: “Neem uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, en ga naar het land van Moria, en offer hem Mij aldaar, op een van de bergen, die Ik u wijzen zal,” voor de roeping en de plaats van deze vader van de gelovigen, door wiens nageslacht alle volkeren der aarde gezegend zouden worden. Nu Saul de proef niet doorstaat, is de aangekondigde goddelijke straf geenszins te hard, zoals dit bij de eerste blik zou schijnen; deze is integendeel het natuurlijke gevolg, dat vanzelf spreekt. Hij kan de stichter niet zijn van een geslacht, dat voor altijd op de troon van Israël zal zitten, er moet een ander geslacht in de plaats van het zijn komen; want de idee van het rijk van God en van de vorst over het volk van de Heere kan niet opgeofferd worden aan het bijzonder belang van een mens; deze moet werkelijkheid worden door een koning van de toekomst, omdat de tegenwoordige het niet gedaan heeft. Daarbij is bovendien aan Saul tijd gelaten, om zich tot God te bekeren, om ook voor zijn geslacht, ten minste voor een tijd, de koningskroon te verkrijgen, zo niet voor altijd; pas zijn volgende eigenlijke verwerping (15) doet hem die geheel verliezen; toch blijft hij voor zijn persoon koning tot aan zijn zo beklagenswaardig einde.
Mensen zijn zeer onbevoegde rechters over de goddelijke oordelen, omdat zij weinig kunnen zien van de Majesteit van de beledigde God en van de vreselijke aard en de verzwarende omstandigheden van de overtreding. Wij zien niet, dan Sauls uitwendig bedrijf, dat gering schijnt, maar God zag met hoe boos een hart hij dat pleegde, met hoeveel weerspannigheid tegen het licht van zijn geweten, zoals zijn eigen woorden tonen, met hoe groot een ongeloof en wantrouwen aan de hemelse voorzienigheid, met welke verachting van het gezag van de Heere en gerechtigheid, en uit welke andere boze beginselen en bewegingen van zijn geest, die de mensen onbekend zijn. God bespeurde duidelijk de goddeloosheid, die in Sauls hart verborgen lag, en voorzag al de andere misdaden, die hij begaan zou, en had daarom meer reden tot vaststelling van dit vonnis, dan wij ons verbeelden kunnen. Bovendien straft God soms geringe zonden zeer streng om verscheidene gewichtige redenen, namelijk opdat alle mensen zouden zien, wat de minste van hun overtredingen verdient en hoeveel zij verschuldigd zijn aan de vrije en overvloedige genade van de Heere, in voorbijgaan van hun grote zonden, opdat ieder ter harte zou nemen, dat hij zich niet moet toegeven in geringe zonden, op het ijdel vertrouwen van Gods barmhartigheid, waardoor zij lichtelijk tot grote misdaden vervallen. Eindelijk moet men zich herinneren, dat het koninkrijk van Israël nog in zijn kindsheid was, en dat dit het eerste bevel is geweest, dat Saul van God ontvangen had. Nu is het altijd in alle wetgevers voor grote wijsheid gerekend, de eerste overtreding van hun wetten streng te straffen, opdat de eerbied en gehoorzaamheid jegens deze bewaard, en de overtreders voor het vervolg gewaarschuwd en afgeschrikt zouden worden. Overeenkomstig hiermee heeft God gehandeld met Kaïn, de eerste moordenaar, met Israël over de eerste afgoderij met het kalf, met de eerste overtredende priesters (Lev.10), met de eerste sabbatschender (Num.15: 35) en met de eerste grote geveinsden in de Christelijke kerk (Hand.5: 5,10).
Gezegende Verlosser! laat ons nooit onze geringe offeranden brengen als Saul, zonder te zien op uw dierbaar genoegzaam offer. Dit is het alleen. O Heere, dat kan maken of gemaakt heeft onze vrede in het bloed van het kruis.
Toen dit was voorgevallen, en naar het schijnt ook nog het dankoffer gehouden was, maakte Samuel zich op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins, want vandaar zouden de ondernemingen tegen de Filistijnen beginnen! en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, terwijl hij de profeet volgde en bevond, dat het getal van zijn krijgsknechten omtrent zeshonderd man was; hij had dus met zijn te vroeg offeren zijn doel niet bereikt, om de verstrooiing van het volk te voorkomen.
Toen dit was voorgevallen, en naar het schijnt ook nog het dankoffer gehouden was, maakte Samuel zich op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins, want vandaar zouden de ondernemingen tegen de Filistijnen beginnen! en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, terwijl hij de profeet volgde en bevond, dat het getal van zijn krijgsknechten omtrent zeshonderd man was; hij had dus met zijn te vroeg offeren zijn doel niet bereikt, om de verstrooiing van het volk te voorkomen.
II. Vs. 16-23.KruisverwijzingenNehemia 11:34→2 Koningen 24:14→Jesaja 10:28→Jozua 18:23→Jozua 18:13→Jeremia 24:1→Richteren 5:8→1 Samuël 14:1→
— En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual; En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet. En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken. Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen. En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden. En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.
Voordat de heldendaad van Jonathan bericht wordt, die aan de Israëlieten een schitterende overwinning over hun vijanden gaf (14), vernemen wij vooraf iets naders van de standplaats van de beide legers tegenover elkaar, over de onderneming van de Filistijnen, waardoor zij de manschappen van Saul en van zijn zoon uit hun voordelige positie probeerden te lokken, als ook over de hoogst gebrekkige wapening van de laatsten, waardoor het dezen onmogelijk was de Filistijnse strooptochten te verhinderen als ook een aanval op het vijandelijke hoofdleger te Michmas te ondernemen. Tenslotte wordt melding gemaakt van de post, die de Filistijnen naar de zijde van Geba verlegd hadden om een heimelijke aanval voor te bereiden; hiermee is de overgang gemaakt tot de hierboven vermelde daad van Jonathan, waardoor hij aan de gevaarlijke toestand van zijn volk opeens een einde maakte.
En Saul en zijn zoon Jonathan en het krijgsvolk, de 600 man (vs.15 14: 2 14.2), dat bij hen gevonden was, bleven te Geba-Benjamins hadden een plaats ingenomen op de heuvel van Benjamin, dus op dezelfde plaats, waaruit Jonathan door zijn eerste aanval (vs.3) de voorposten van de Filistijnen verdreven had; het hoofdleger zelf bevond zich een uur meer zuidwestelijk op de noordzijde van Gibea (vs.15; 14: 2); maar de Filistijnen waren, zoals reeds in vs.5 vermeld is, te Michmas gelegerd, ten oosten van die stad, naar de streek van Beth-aven.
En de verdervers, de uitgezondenen om overal verwoesting aan de richten, gingen uit het leger van de Filistijnen in drie groepen naar verschillende richtingen heen; de ene groep keerde zich noordoostelijk op de weg naar Ofra 1) een Duitse mijl ten oosten van Beth-el, naar het land Sual (= vossenland), waarschijnlijk hetzelfde als het in 9: 4 gemelde Sahalim.
Volgens de gedachte van Robinson lag Ofra op de plaats van het tegenwoordige Taybeh, maar naar alle waarschijnlijkheid was het verder naar het zuiden gelegen, niet ver van Michmas en Beth-aven (Jos 18: 23).
En het geschiedde op de dag van de strijd, toen het volk zich op Sauls roepstem ten strijde tegen de Filistijnen verzameld had, dat er zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het gehele volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden; 1) de overigen waren met bijlen en zeisen en dergelijke gewapend; er kon dus, vooral toen het getal van de krijgslieden zo klein was geworden, niets tegen de stropende benden noch tegen het hoofdleger van de Filistijnen ondernomen worden, en Saul moest een afwachtende positie aannemen.
Dit bericht schijnt in strijd met hetgeen in 11 over de krijgstocht vermeld wordt; ook daar is zeker de uitrusting van het leger zeer gebrekkig geweest; bovendien wordt hier slechts gesproken van dat gedeelte van dat land, waar de Filistijnen het zwaarst verdrukken, terwijl andere delen van het land daaronder minder te lijden hadden.
En het leger van de Filistijnen, een afdeling van dat leger, trok naar de doortocht van Michmas 1) om dit punt tegen een heimelijke overrompeling door het leger van de Israëlieten te dekken.
Tussen Geba en Michmas stroomt de grote en diepe Wady Suwienit, die uit de landstreek van Bethel en Becroth komt, in de richting van het noordwesten naar het zuidoosten tot het dal van de Jordaan, en breekt de hoogte door, waarop beide plaatsen liggen. Naar het zuidoosten wordt die stroom steeds nauwer en wilder. Deze opening, waarvan de beide zijden steile rotsen vormen, is met de doortocht of pas van Michmas bedoeld. Robinson beschrijft de weg tussen Geba en Michmas als zo steil en de rotstappen als zo hoog, dat hij met zijn geleiders moest afstijgen en de lastdieren slechts met grote moeite verder konden komen. Links van de weg liggen in het dal twee heuvels van een kegel- of liever kogelvormige gedaante (v. Schubert noemt ze “Suikerbroodvorm), met steile rotswanden; deze zijn de in 14: 4vv. vermelde beide rotsen, waarover Jonathan zijn waagstuk uitvoerde, De ene (Bozes) ligt aan de zijde naar Geba en ziet noordoostelijk naar Michmas, de andere (Sene) aan de zijde van Michmas en ziet zuidwestelijk naar Geba.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel