Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

1 Samuël 10

1 Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 Toen namH3947 SamuelH8050 een oliekruikH6378, en gootH3332 ze uit opH5921 zijn hoofdH7218, en kusteH5401 hem, en zeideH559: Is het nietH3808 alzo, datH3588 de HEEREH3068 u tot een voorgangerH5057 overH5921 Zijn erfdeelH5159 gezalfdH4886 heeft? Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?

KJV Then Samuel2 took1 a vial4 of oil,5 and poured6 it upon his head,8 and kissed9 him, and said,10 Is it not because the LORD14 hath anointed13 thee to be captain17 over his inheritance?16

1 וַיִּקַּ֨ח H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 2 שְׁמוּאֵ֜ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 3 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 פַּ֥ךְ H6378 oliekruik box, vial 5 הַשֶּׁ֛מֶן H8081 olie, olieachtige, Olie anointing, [idiom] fat (things), [idiom] fruitful, oil(-ed), ointment, olive, [phrase] pine 6 וַיִּצֹ֥ק H3332 goot, gieten, gegoten cast, cleave fast, be (as) firm, grow, be hard, lay out, molten, overflow, pour (out), run out, set down, stedfast 7 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 8 רֹאשׁ֖וֹ H7218 hoofd, hoofden, hoogte band, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top 9 וַיִּשָּׁקֵ֑הוּ H5401 kuste, kussen, gekust armed (men), rule, kiss, that touched 10 וַיֹּ֕אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 11 הֲל֗וֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 12 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 13 מְשָׁחֲךָ֧ H4886 gezalfd, zalven, zalfde anoint, paint 14 יְהוָ֛ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 15 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 16 נַחֲלָת֖וֹ H5159 erfenis, erfdeel, erve heritage, to inherit, inheritance, possession. Compare H5158 (נַחַל) 17 לְנָגִֽיד H5057 voorganger, overste, vorst captain, chief, excellent thing, (chief) governor, leader, noble, prince, (chief) ruler
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 Als gij hedenH3117 van mij gaatH3212, zo zult gij tweeH8147 mannenH582 vindenH4672 bijH5973 het grafH6900 van RachelH7354, aan de landpaleH1366 van BenjaminH1144, te ZelzahH6766; die zullen totH413 u zeggenH559: De ezelinnenH860 zijn gevondenH4672, dieH834 gij zijt gaan zoekenH1245, en zieH2009, uw vaderH1 heeft de zakenH1697 der ezelinnenH860 verlatenH5203, en hij is bekommerdH1672 voor ulieden, zeggendeH559: Wat zal ik om mijn zoonH1121 doenH6213? Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?

KJV When thou art departed1 from me3 to day,2 then thou shalt find4 two5 men by Rachel's9 sepulchre8 in the border10 of Benjamin11 at Zelzah;12 and they will say13 unto thee, The asses16 which thou wentest18 to seek19 are found:15 and, lo, thy father22 hath left21 the care24 of the asses,25 and sorroweth26 for you, saying,28 What shall I do30 for my son?31

1 בְּלֶכְתְּךָ֤ H3212 ging, ga, gaan [idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak 2 הַיּוֹם֙ H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 3 מֵעִמָּדִ֔י H5978 met, bij against, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.) 4 וּמָצָאתָ֩ H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 5 שְׁנֵ֨י H8147 twee, twaalf, beide both, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two 6 אֲנָשִׁ֜ים H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 7 עִם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 8 קְבֻרַ֥ת H6900 graf, begrafenis, ezelsbegrafenis burial, burying place, grave, sepulchre 9 רָחֵ֛ל H7354 Rachel, Rachels Rachel 10 בִּגְב֥וּל H1366 landpale, landpalen, palen border, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space 11 בִּנְיָמִ֖ן H1144 Benjamin, Benjamins, Benjaminieten Benjamin 12 בְּצֶלְצַ֑ח H6766 Zelzah Zelzah 13 וְאָמְר֣וּ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 14 אֵלֶ֗יךָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 15 נִמְצְא֤וּ H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 16 הָאֲתֹנוֹת֙ H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 17 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 18 הָלַ֣כְתָּ H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 19 לְבַקֵּ֔שׁ H1245 zoeken, zoekt, zocht ask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for) 20 וְהִנֵּ֨ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 21 נָטַ֤שׁ H5203 verlaten, varen, verlaat cast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer 22 אָבִ֨יךָ֙ H1 vader, vaderen, vaders chief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-' 23 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 24 דִּבְרֵ֣י H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 25 הָאֲתֹנ֔וֹת H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 26 וְדָאַ֤ג H1672 bekommerd, zorgt, bevreesd be afraid (careful, sorry), sorrow, take thought 27 לָכֶם֙ 28 לֵאמֹ֔ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 29 מָ֥ה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 30 אֶעֱשֶׂ֖ה H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 31 לִבְנִֽי H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 Als gij u van daar en verder aan begeeftH2498, en zult komenH935 tot aan Elon-ThaborH436, daarH8033 zullen u drieH7969 mannenH582 vindenH4672, opgaandeH5927 tot GodH430 naarH413 Beth-ElH1008; eenH259, dragendeH5375 drieH7969 bokjesH1423, en eenH259, dragendeH5375 drieH7969 bollenH3603 broodsH3899, en eenH259, dragendeH5375 een flesH5035 wijnH3196. Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.

KJV Then shalt thou go on1 forward3 from thence, and thou shalt come4 to the plain6 of Tabor,7 and there shall meet8 thee three10 men going up12 to God14 to Bethel,15 one17 carrying18 three19 kids,20 and another21 carrying22 three23 loaves24 of bread,25 and another26 carrying27 a bottle28 of wine:29

1 וְחָלַפְתָּ֨ H2498 veranderen, veranderd, veranderde abolish, alter, change, cut off, go on forward, grow up, be over, pass (away, on, through), renew, sprout, strike through 2 מִשָּׁ֜ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 3 וָהָ֗לְאָה H1973 voortaan, verre weg, gene back, beyond, (hence,-) forward, hitherto, thence, forth, yonder 4 וּבָ֨אתָ֙ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 5 עַד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 6 אֵל֣וֹן H436 eikenbossen, eik, Elon-thabor plain. See also H356 (אֵילוֹן) 7 תָּב֔וֹר H8396 Thabor Tabor 8 וּמְצָא֤וּךָ H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 9 שָּׁם֙ H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 10 שְׁלֹשָׁ֣ה H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 11 אֲנָשִׁ֔ים H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 12 עֹלִ֥ים H5927 optrekken, toog, opkomen arise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work 13 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 14 הָאֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 15 בֵּֽית H1008 Beth-el, huis Gods Beth-el 16 אֵ֑ל H1008 Beth-el, huis Gods Beth-el 17 אֶחָ֞ד H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 18 נֹשֵׂ֣א H5375 dragen, hief, droegen accept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield 19 שְׁלֹשָׁ֣ה H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 20 גְדָיִ֗ים H1423 bokje, geitenbokje, geitenbok kid 21 וְאֶחָד֙ H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 22 נֹשֵׂ֗א H5375 dragen, hief, droegen accept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield 23 שְׁלֹ֨שֶׁת֙ H7969 drie, driehonderd, dertien [phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ) 24 כִּכְּר֣וֹת H3603 talenten, talent, vlakte loaf, morsel, piece, plain, talent 25 לֶ֔חֶם H3899 brood, broods, spijze (shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals 26 וְאֶחָ֥ד H259 een, ene, enerlei a, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together, 27 נֹשֵׂ֖א H5375 dragen, hief, droegen accept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield 28 נֵֽבֶל H5035 luiten, luit, flessen bottle, pitcher, psaltery, vessel, viol 29 יָֽיִן H3196 wijn, wijns, Wijn banqueting, wine, wine(-bibber)

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 En zij zullen u naar uw welstandH7965 vragenH7592, en zij zullen u tweeH8147 brodenH3899 gevenH5414; die zult gij van hun handH3027 nemenH3947. En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.

KJV And they will1 salute3 thee, and give4 thee two6 loaves of bread;7 which thou shalt receive8 of their hands.9

1 וְשָׁאֲל֥וּ H7592 vraagde, vragen, begeerd ask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish 2 לְךָ֖ 3 לְשָׁל֑וֹם H7965 vrede, welstand, vredes [idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly 4 וְנָתְנ֤וּ H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 5 לְךָ֙ 6 שְׁתֵּי H8147 twee, twaalf, beide both, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two 7 לֶ֔חֶם H3899 brood, broods, spijze (shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals 8 וְלָקַחְתָּ֖ H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 9 מִיָּדָֽם H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 DaarnaH310 zult gij komenH935 op den heuvelH1389 GodsH430, waar der FilistijnenH6430 bezettingenH5333 zijn; en het zal geschiedenH1961, als gij aldaarH8033 in de stadH5892 komtH935, zoH3651 zult gij ontmoetenH6293 een hoopH2256 profetenH5030, van de hoogteH1116 afkomendeH3381, en voor hun aangezichtenH6440 luitenH5035, en trommelenH8596, en pijpenH2485, en harpenH3658, en zijH1992 zullen profeterenH5012. Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.

KJV After1 that thou shalt come3 to the hill4 of God,5 where is the garrison8 of the Philistines:9 and it shall come to pass, when thou art come thither11 to the city,13 that thou shalt meet14 a company15 of prophets16 coming down17 from the high place18 with a psaltery,20 and a tabret,21 and a pipe,22 and a harp,23 before19 them; and they shall prophesy:25

1 אַ֣חַר H310 na, achter, daarna after (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with 2 כֵּ֗ן H3651 daarom, alzo, zo [phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you 3 תָּבוֹא֙ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 4 גִּבְעַ֣ת H1389 heuvelen, heuvel, heuvels hill, little hill 5 הָאֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 6 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 7 שָׁ֖ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 8 נְצִבֵ֣י H5333 bezettingen, bezetting, bestelmeester garrison, officer, pillar 9 פְלִשְׁתִּ֑ים H6430 Filistijnen, Filistijn, Filistijns Philistine 10 וִיהִי֩ H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 11 כְבֹאֲךָ֨ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 12 שָׁ֜ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 13 הָעִ֗יר H5892 stad, steden, vrijstad Ai (from margin), city, court (from margin), town 14 וּפָגַעְתָּ֞ H6293 reikt, val, ontmoet come (betwixt), cause to entreat, fall (upon), make intercession, intercessor, intreat, lay, light (upon), meet (together), pray, reach, run 15 חֶ֤בֶל H2256 snoer, koorden, landstreek band, coast, company, cord, country, destruction, line, lot, pain, pang, portion, region, rope, snare, sorrow, tackling 16 נְבִיאִים֙ H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet 17 יֹרְדִ֣ים H3381 nederdalen, neder, nedergedaald [idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down 18 מֵֽהַבָּמָ֔ה H1116 hoogten, hoogte, Bamoth height, high place, wave 19 וְלִפְנֵיהֶ֞ם H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 20 נֵ֤בֶל H5035 luiten, luit, flessen bottle, pitcher, psaltery, vessel, viol 21 וְתֹף֙ H8596 trommelen, trommel tabret, timbrel 22 וְחָלִ֣יל H2485 pijpen, fluiten pipe 23 וְכִנּ֔וֹר H3658 harp, harpen harp 24 וְהֵ֖מָּה H1992 zij, die, hun it, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye 25 מִֽתְנַבְּאִֽים H5012 profeteren, profeteer, profeteerde prophesy(-ing), make self a prophet
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 En de GeestH7307 des HEERENH3068 zal vaardigH6743 worden overH5921 u, en gij zult metH5973 hen profeterenH5012; en gij zult in een anderen manH376 veranderdH2015 worden. En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.

KJV And the Spirit3 of the LORD4 will come1 upon thee, and thou shalt prophesy5 with them, and shalt be turned7 into another9 man.8

1 וְצָלְחָ֤ה H6743 voorspoedig, vaardig, gedijen break out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously) 2 עָלֶ֨יךָ֙ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 3 ר֣וּחַ H7307 geest, Geest, wind air, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y) 4 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 5 וְהִתְנַבִּ֖יתָ H5012 profeteren, profeteer, profeteerde prophesy(-ing), make self a prophet 6 עִמָּ֑ם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 7 וְנֶהְפַּכְתָּ֖ H2015 veranderd, omgekeerd, keerde [idiom] become, change, come, be converted, give, make (a bed), overthrow (-turn), perverse, retire, tumble, turn (again, aside, back, to the contrary, every way) 8 לְאִ֥ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 9 אַחֵֽר H312 ander, anders, aarde (an-) other man, following, next, strange
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 En het zal geschiedenH1961, alsH3588 u dezeH428 tekenenH226 zullen komenH935, doeH6213 gij, watH834 uw handH3027 vindenH4672 zal, wantH3588 GodH430 zal metH5973 u zijn. En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.

KJV And let it be, when these signs4 are come3 unto thee, that thou do7 as occasion10 serve11 thee; for God13 is with thee.

1 וְהָיָ֗ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 כִּ֥י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 3 תָבֹ֛אנָה H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 4 הָאֹת֥וֹת H226 teken, tekenen mark, miracle, (en-) sign, token 5 הָאֵ֖לֶּה H428 deze, dit, dezen an-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m) 6 לָ֑ךְ 7 עֲשֵׂ֤ה H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 8 לְךָ֙ 9 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 10 תִּמְצָ֣א H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 11 יָדֶ֔ךָ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 12 כִּ֥י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 13 הָאֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 14 עִמָּֽךְ H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 Gij nu zult voor mijn aangezichtH6440 afgaanH3381 naarH413 GilgalH1537, en zieH2009, ikH595 zal tot u afkomenH3381, om brandofferenH5930 te offeren, om te offeren offerandenH2077 der dankzeggingH8002; zevenH7651 dagenH3117 zult gij daar beidenH3176, totdatH5704 ik tot u komeH935, en u bekendH3045 make, watH834 gij doenH6213 zult. Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.

Ook in dit vers offerenH2076 offerenH5927

KJV And thou shalt go down1 before2 me to Gilgal;3 and, behold, I will come down6 unto thee, to offer8 burnt offerings,9 and to sacrifice10 sacrifices11 of peace offerings:12 seven13 days14 shalt thou tarry,15 till I come17 to thee, and shew19 thee what thou shalt do.23

1 וְיָרַדְתָּ֣ H3381 nederdalen, neder, nedergedaald [idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down 2 לְפָנַי֮ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 3 הַגִּלְגָּל֒ H1537 Gilgal Gilgal. See also H1019 (בֵּית הַגִּלְגָּל) 4 וְהִנֵּ֤ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 5 אָֽנֹכִי֙ H595 ik, mij I, me, [idiom] which 6 יֹרֵ֣ד H3381 nederdalen, neder, nedergedaald [idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down 7 אֵלֶ֔יךָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 8 לְהַעֲל֣וֹת H5927 optrekken, toog, opkomen arise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work 9 עֹל֔וֹת H5930 brandoffer, brandofferen, brandoffers ascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל) 10 לִזְבֹּ֖חַ H2076 offeren, offerde, offerden kill, offer, (do) sacrifice, slay 11 זִבְחֵ֣י H2077 slachtoffer, dankoffer, slachtofferen offer(-ing), sacrifice 12 שְׁלָמִ֑ים H8002 dankofferen, dankoffer, dankoffers peace offering 13 שִׁבְעַ֨ת H7651 zeven, zevenhonderd, zevenmaal ([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה) 14 יָמִ֤ים H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 15 תּוֹחֵל֙ H3176 hopen, gehoopt, hope (cause to, have, make to) hope, be pained, stay, tarry, trust, wait 16 עַד H5704 tot, totdat, aan against, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet 17 בּוֹאִ֣י H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 18 אֵלֶ֔יךָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 19 וְהוֹדַעְתִּ֣י H3045 weten, weet, bekend acknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot 20 לְךָ֔ 21 אֵ֖ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 22 אֲשֶׁ֥ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 23 תַּעֲשֶֽׂה H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuel te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 Het geschiedde nu, toen hij zijn schouderH7926 keerdeH6437, om van SamuelH8050 te gaanH3212, veranderdeH2015 GodH430 hem het hartH3820 in een anderH312; en alH3605 dieH428 tekenenH226 kwamenH935 ten zelvenH1931 dageH3117. Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuel te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.

KJV And it was so, that when he had turned2 his back3 to go4 from Samuel,6 God9 gave7 him another11 heart:10 and all those signs14 came12 to pass that day.16

1 וְהָיָ֗ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 כְּהַפְנֹת֤וֹ H6437 keerde, keerden, ziende appear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early) 3 שִׁכְמוֹ֙ H7926 schouder, schouderen, Sichem back, [idiom] consent, portion, shoulder 4 לָלֶ֨כֶת֙ H3212 ging, ga, gaan [idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak 5 מֵעִ֣ם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 6 שְׁמוּאֵ֔ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 7 וַיַּהֲפָךְ H2015 veranderd, omgekeerd, keerde [idiom] become, change, come, be converted, give, make (a bed), overthrow (-turn), perverse, retire, tumble, turn (again, aside, back, to the contrary, every way) 8 ל֥וֹ 9 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 10 לֵ֣ב H3820 hart, harten, harte [phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom 11 אַחֵ֑ר H312 ander, anders, aarde (an-) other man, following, next, strange 12 וַיָּבֹ֛אוּ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 13 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 14 הָאֹת֥וֹת H226 teken, tekenen mark, miracle, (en-) sign, token 15 הָאֵ֖לֶּה H428 deze, dit, dezen an-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m) 16 בַּיּ֥וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 17 הַהֽוּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Toen zij daarH8033 aan den heuvelH1389 kwamenH935, zieH2009, zo kwam hem een hoopH2256 profetenH5030 tegemoetH7125; en de GeestH7307 des HEERENH430 werd vaardigH6743 overH5921 hem, en hij profeteerdeH5012 in het middenH8432 van hen. Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.

KJV And when they came1 thither to the hill,3 behold, a company5 of prophets6 met him; and the Spirit10 of God11 came8 upon him, and he prophesied12 among13 them.

1 וַיָּבֹ֤אוּ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 2 שָׁם֙ H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 3 הַגִּבְעָ֔תָה H1389 heuvelen, heuvel, heuvels hill, little hill 4 וְהִנֵּ֥ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 5 חֶֽבֶל H2256 snoer, koorden, landstreek band, coast, company, cord, country, destruction, line, lot, pain, pang, portion, region, rope, snare, sorrow, tackling 6 נְבִאִ֖ים H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet 7 לִקְרָאת֑וֹ H7122 wedervaren, geval, ontmoette befall, (by) chance, (cause to) come (upon), fall out, happen, meet 8 וַתִּצְלַ֤ח H6743 voorspoedig, vaardig, gedijen break out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously) 9 עָלָיו֙ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 10 ר֣וּחַ H7307 geest, Geest, wind air, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y) 11 אֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 12 וַיִּתְנַבֵּ֖א H5012 profeteren, profeteer, profeteerde prophesy(-ing), make self a prophet 13 בְּתוֹכָֽם H8432 midden, middelste, binnenste among(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
11 En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

11 En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te vorenH865 gekendH3045 had, zagH7200, dat hij, zietH2009, profeteerdeH5012 metH5973 de profetenH5030, zo zeideH559 het volkH5971, een ieder totH413 zijn metgezelH7453: WatH4100 is ditH2088, dat den zoonH1121 van KisH7027 geschiedH1961 is? Is SaulH7586 ookH1571 onder de profetenH5030? En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?

KJV And it came to pass, when all that knew3 him beforetime4 saw6 that, behold, he prophesied10 among the prophets,9 then the people12 said11 one13 to another,15 What is this that is come unto the son19 of Kish?20 Is Saul22 also among the prophets?23

1 וַיְהִ֗י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 3 יֽוֹדְעוֹ֙ H3045 weten, weet, bekend acknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot 4 מֵאִתְּמ֣וֹל H865 gisteren, voren, eertijds [phrase] before (that) time, [phrase] heretofore, of late (old), [phrase] times past, yester(day) 5 שִׁלְשׁ֔וֹם H8032 eergisteren, gisteren, voren [phrase] before (that time, -time), excellent things (from the margin), [phrase] heretofore, three days, [phrase] time past 6 וַיִּרְא֕וּ H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 7 וְהִנֵּ֥ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 8 עִם H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 9 נְבִאִ֖ים H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet 10 נִבָּ֑א H5012 profeteren, profeteer, profeteerde prophesy(-ing), make self a prophet 11 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 12 הָעָ֜ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 13 אִ֣ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 14 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 15 רֵעֵ֗הוּ H7453 naaste, naasten, vriend brother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other 16 מַה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 17 זֶּה֙ H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 18 הָיָ֣ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 19 לְבֶן H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 20 קִ֔ישׁ H7027 Kis, broeders Kish 21 הֲגַ֥ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 22 שָׁא֖וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 23 בַּנְּבִיאִֽים H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
12 Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

12 Toen antwoorddeH6030 een manH376 van daarH8033, en zeideH559: WieH4310 is toch hun vaderH1? DaaromH3651 is het tot een spreekwoordH4912 geworden: Is SaulH7586 ookH1571 onder de profetenH5030? Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?

KJV And one2 of the same place answered1 and said,4 But who is their father?6 Therefore it became a proverb,10 Is Saul12 also among the prophets?13

1 וַיַּ֨עַן H6030 antwoordde, antwoorden, antwoordden give account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת) 2 אִ֥ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 3 מִשָּׁ֛ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 4 וַיֹּ֖אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 5 וּמִ֣י H4310 wie, wien, wiens any (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God 6 אֲבִיהֶ֑ם H1 vader, vaderen, vaders chief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-' 7 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 8 כֵּן֙ H3651 daarom, alzo, zo [phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you 9 הָיְתָ֣ה H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 10 לְמָשָׁ֔ל H4912 spreekwoord, spreuk, spreuken byword, like, parable, proverb 11 הֲגַ֥ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 12 שָׁא֖וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 13 בַּנְּבִאִֽים H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
13 Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

13 Toen hij nu voleindH3615 had te profeterenH5012, zo kwamH935 hij op de hoogteH1116. Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.

KJV And when he had made an end1 of prophesying,2 he came3 to the high place.4

1 וַיְכַל֙ H3615 geeindigd, voleind, verteerd accomplish, cease, consume (away), determine, destroy (utterly), be (when... were) done, (be an) end (of), expire, (cause to) fail, faint, finish, fulfil, [idiom] fully, [idiom] have, leave (off), long, bring to pass, wholly reap, make clean riddance, spend, quite take away, waste 2 מֵֽהִתְנַבּ֔וֹת H5012 profeteren, profeteer, profeteerde prophesy(-ing), make self a prophet 3 וַיָּבֹ֖א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 4 הַבָּמָֽה H1116 hoogten, hoogte, Bamoth height, high place, wave
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
14 En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuel.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

14 En SaulsH7586 oomH1730 zeideH559 totH413 hem en totH413 zijn jongenH5288: Waar zijt gijlieden heengegaanH1980? Hij nu zeideH559: Om de ezelinnenH860 te zoekenH1245; toen wij zagenH7200, datH3588 zij er nietH369 waren, zo kwamenH935 wij totH413 SamuelH8050. En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuel.

KJV And Saul's3 uncle2 said1 unto him and to his servant,6 Whither7 went8 ye? And he said,9 To seek10 the asses:12 and when we saw13 that they were no where,15 we came16 to Samuel.18

1 וַיֹּאמֶר֩ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 דּ֨וֹד H1730 Liefste, oom, ooms (well-) beloved, father's brother, love, uncle 3 שָׁא֥וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 4 אֵלָ֛יו H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 5 וְאֶֽל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 6 נַעֲר֖וֹ H5288 jongen, jongeling, jongens babe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man) 7 אָ֣ן H575 Hoe, waarhenen, lang [phrase] any (no) whither, now, where, whither(-soever) 8 הֲלַכְתֶּ֑ם H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 9 וַיֹּ֕אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 10 לְבַקֵּשׁ֙ H1245 zoeken, zoekt, zocht ask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for) 11 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 12 הָ֣אֲתֹנ֔וֹת H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 13 וַנִּרְאֶ֣ה H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 14 כִי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 15 אַ֔יִן H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 16 וַנָּב֖וֹא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 17 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 18 שְׁמוּאֵֽל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

15 Toen zeideH559 SaulsH7586 oomH1730: GeefH5046 mij tochH4994 te kennenH5046, watH4100 heeft SamuelH8050 ulieden gezegdH559? Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd?

KJV And Saul's3 uncle2 said,1 Tell4 me, I pray thee, what Samuel10 said8 unto you.

1 וַיֹּ֖אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 דּ֣וֹד H1730 Liefste, oom, ooms (well-) beloved, father's brother, love, uncle 3 שָׁא֑וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 4 הַגִּֽידָה H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 5 נָּ֣א H4994 toch, doch, Och I beseech (pray) thee (you), go to, now, oh 6 לִ֔י 7 מָֽה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 8 אָמַ֥ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 9 לָכֶ֖ם 10 שְׁמוּאֵֽל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
16 Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuel gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

16 SaulH7586 nu zeideH559 totH413 zijn oomH1730: Hij heeft ons voorzekerH5046 te kennenH5046 gegeven, dat de ezelinnenH860 gevondenH4672 waren; maarH3588 de zaakH1697 des koninkrijksH4410, waarvan SamuelH8050 gezegdH559 had, gaf hij hem nietH3808 te kennenH5046. Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuel gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.

KJV And Saul2 said1 unto his uncle,4 He told5 us plainly6 that the asses10 were found.9 But of the matter12 of the kingdom,13 whereof Samuel19 spake,18 he told15 him not.

1 וַיֹּ֤אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 שָׁאוּל֙ H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 דּוֹד֔וֹ H1730 Liefste, oom, ooms (well-) beloved, father's brother, love, uncle 5 הַגֵּ֤ד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 6 הִגִּיד֙ H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 7 לָ֔נוּ 8 כִּ֥י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 9 נִמְצְא֖וּ H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on 10 הָאֲתֹנ֑וֹת H860 ezelinnen, ezelin, ezelen (she) ass 11 וְאֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 12 דְּבַ֤ר H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 13 הַמְּלוּכָה֙ H4410 koninkrijk, koninklijk, koninkrijks kingsom, king's, [idiom] royal 14 לֹֽא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 15 הִגִּ֣יד H5046 kennen, verkondigen, bekend bewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter 16 ל֔וֹ 17 אֲשֶׁ֖ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 18 אָמַ֥ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 19 שְׁמוּאֵֽל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
17 Doch Samuel riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

17 Doch SamuelH8050 riepH6817 het volkH5971 te zamen totH413 den HEEREH3068, te MizpaH4709. Doch Samuel riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.

KJV And Samuel2 called1 the people4 together unto the LORD6 to Mizpeh;7

1 וַיַּצְעֵ֤ק H6817 riep, riepen, roepen [idiom] at all, call together, cry (out), gather (selves) (together) 2 שְׁמוּאֵל֙ H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 3 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 הָעָ֔ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 5 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 6 יְהוָ֖ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 7 הַמִּצְפָּֽה H4709 Mizpa Mitspah. (This seems rather to be only an orthographic variation of H4708 (מִצְפֶּה) when 'in pause'.)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
18 En hij zeide tot de kinderen Israels: Alzo heeft de HEERE, de God Israel, gesproken: Ik heb Israel uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

18 En hij zeideH559 totH413 de kinderenH1121 IsraelsH3478: AlzoH3541 heeft de HEEREH3068, de GodH430 IsraelH3478, gesprokenH559: IkH595 heb Israel uit EgypteH4714 opgebrachtH5927, en Ik heb ulieden van de handH3027 der EgyptenarenH4714 geredH5337, en van de handH3027 van alleH3605 koninkrijkenH4467, die u onderdruktenH3905. En hij zeide tot de kinderen Israels: Alzo heeft de HEERE, de God Israel, gesproken: Ik heb Israel uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.

Ook in dit vers IsraelsH3478

KJV And said1 unto the children3 of Israel,4 Thus saith6 the LORD7 God8 of Israel,9 I brought up11 Israel13 out of Egypt,14 and delivered15 you out of the hand17 of the Egyptians,18 and out of the hand19 of all kingdoms,21 and of them that oppressed22 you:

1 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 3 בְּנֵ֣י H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 4 יִשְׂרָאֵ֗ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 5 כֹּֽה H3541 zo, alzo, aldus also, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder 6 אָמַ֤ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 7 יְהוָה֙ H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 8 אֱלֹהֵ֣י H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 9 יִשְׂרָאֵ֔ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 10 אָנֹכִ֛י H595 ik, mij I, me, [idiom] which 11 הֶעֱלֵ֥יתִי H5927 optrekken, toog, opkomen arise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work 12 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 13 יִשְׂרָאֵ֖ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 14 מִמִּצְרָ֑יִם H4714 Egypte, Egyptenaren, Egyptenaars Egypt, Egyptians, Mizraim 15 וָאַצִּ֤יל H5337 redden, gered, red [idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out) 16 אֶתְכֶם֙ H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 17 מִיַּ֣ד H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 18 מִצְרַ֔יִם H4714 Egypte, Egyptenaren, Egyptenaars Egypt, Egyptians, Mizraim 19 וּמִיַּד֙ H3027 hand, handen, dienst ([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves 20 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 21 הַמַּמְלָכ֔וֹת H4467 koninkrijk, koninkrijken, koninkrijks kingdom, king's, reign, royal 22 הַלֹּחֲצִ֖ים H3905 dringt, drongen, klemde afflict, crush, force, hold fast, oppress(-or), thrust self 23 אֶתְכֶֽם H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
19 Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

19 MaarH3588 gijlieden hebt hedenH3117 uw GodH430 verworpenH3988, Die u uit alH3605 uw ellendenH7451 en uw nodenH6869 verlostH3467 heeft, en hebt tot Hem gezegdH559: ZetH7760 een koningH4428 overH5921 ons; nu dan, steltH3320 u voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068, naar uw stammenH7626 en naar uw duizendenH505. Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.

KJV And ye have this day2 rejected3 your God,5 who himself saved8 you out of all your adversities11 and your tribulations;12 and ye have said13 unto him, Nay, but set17 a king16 over us. Now therefore present20 yourselves before21 the LORD22 by your tribes,23 and by your thousands.24

1 וְאַתֶּ֨ם H859 gij, gijlieden, u thee, thou, ye, you 2 הַיּ֜וֹם H3117 dagen, dag, dage age, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger 3 מְאַסְתֶּ֣ם H3988 verworpen, verwerpen, versmaad abhor, cast away (off), contemn, despise, disdain, (become) loathe(some), melt away, refuse, reject, reprobate, [idiom] utterly, vile person 4 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 5 אֱלֹהֵיכֶ֗ם H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 6 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 7 ה֣וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 8 מוֹשִׁ֣יעַ H3467 verlossen, verlost, behouden [idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory 9 לָכֶם֮ 10 מִכָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 11 רָעוֹתֵיכֶ֣ם H7451 kwaad, kwade, boze adversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.) 12 וְצָרֹֽתֵיכֶם֒ H6869 benauwdheid, benauwdheden, nood adversary, adversity, affliction, anguish, distress, tribulation, trouble 13 וַתֹּ֣אמְרוּ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 14 ל֔וֹ 15 כִּי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 16 מֶ֖לֶךְ H4428 koning, konings, koningen king, royal 17 תָּשִׂ֣ים H7760 stellen, gesteld, zetten [idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work 18 עָלֵ֑ינוּ H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 19 וְעַתָּ֗ה H6258 nu, dan henceforth, now, straightway, this time, whereas 20 הִֽתְיַצְּבוּ֙ H3320 stelde, stellen, stelt present selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up) 21 לִפְנֵ֣י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 22 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 23 לְשִׁבְטֵיכֶ֖ם H7626 stammen, stam, roede [idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe 24 וּלְאַלְפֵיכֶֽם H505 duizend, duizenden, twee duizend thousand
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
20 Toen nu Samuel al de stammen van Israel had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

20 Toen nu SamuelH8050 alH3605 de stammenH7626 van IsraelH3478 had doen naderenH7126, zo is de stamH7626 van BenjaminH1144 geraaktH3920. Toen nu Samuel al de stammen van Israel had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.

KJV And when Samuel2 had caused all the tribes5 of Israel6 to come near,1 the tribe8 of Benjamin9 was taken.7

1 וַיַּקְרֵ֣ב H7126 offeren, naderen, naderde (cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take 2 שְׁמוּאֵ֔ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 3 אֵ֖ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 4 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 5 שִׁבְטֵ֣י H7626 stammen, stam, roede [idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe 6 יִשְׂרָאֵ֑ל H3478 Israel, Israels, Israelieten Israel 7 וַיִּלָּכֵ֖ד H3920 nam, ingenomen, gevangen [idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take 8 שֵׁ֥בֶט H7626 stammen, stam, roede [idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe 9 בִּנְיָמִֽן H1144 Benjamin, Benjamins, Benjaminieten Benjamin
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
21 Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

21 Toen hij den stamH7626 van BenjaminH1144 deed aankomenH7126 naar zijn geslachtenH4940, zo werd het geslachtH4940 van MatriH4309 geraaktH3920; en SaulH7586, de zoonH1121 van KisH7027, werd geraaktH3920. En zij zochtenH1245 hem, maar hij werd nietH3808 gevondenH4672. Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.

KJV When he had caused the tribe3 of Benjamin4 to come near1 by their families,5 the family7 of Matri8 was taken,6 and Saul10 the son11 of Kish12 was taken:9 and when they sought13 him, he could not be found.15

1 וַיַּקְרֵ֞ב H7126 offeren, naderen, naderde (cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take 2 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 3 שֵׁ֤בֶט H7626 stammen, stam, roede [idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe 4 בִּנְיָמִן֙ H1144 Benjamin, Benjamins, Benjaminieten Benjamin 5 לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו H4940 geslacht, geslachten, huisgezinnen family, kind(-red) 6 וַתִּלָּכֵ֖ד H3920 nam, ingenomen, gevangen [idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take 7 מִשְׁפַּ֣חַת H4940 geslacht, geslachten, huisgezinnen family, kind(-red) 8 הַמַּטְרִ֑י H4309 Matri Matri 9 וַיִּלָּכֵד֙ H3920 nam, ingenomen, gevangen [idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take 10 שָׁא֣וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 11 בֶּן H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 12 קִ֔ישׁ H7027 Kis, broeders Kish 13 וַיְבַקְשֻׁ֖הוּ H1245 zoeken, zoekt, zocht ask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for) 14 וְלֹ֥א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 15 נִמְצָֽא H4672 gevonden, vinden, vond [phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
22 Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

22 Toen vraagdenH7592 zij verder den HEEREH3068, of die manH376 nogH5750 derwaarts komenH935 zou? De HEEREH3068 dan zeideH559: ZietH2009, hijH1931 heeft zich tussen de vatenH3627 verstokenH2244. Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.

KJV Therefore they enquired1 of the LORD3 further, if the man7 should yet come4 thither.6 And the LORD9 answered,8 Behold, he hath hid12 himself among the stuff.14

1 וַיִּשְׁאֲלוּ H7592 vraagde, vragen, begeerd ask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish 2 עוֹד֙ H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 3 בַּֽיהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 4 הֲבָ֥א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 5 ע֖וֹד H5750 meer, nog, wederom again, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within) 6 הֲלֹ֣ם H1988 hier here, hither(-(to)), thither 7 אִ֑ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 8 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 9 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 10 הִנֵּה H2009 ziet, zie behold, lo, see 11 ה֥וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 12 נֶחְבָּ֖א H2244 verstoken, verborgen, verborg [idiom] held, hide (self), do secretly 13 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 14 הַכֵּלִֽים H3627 vaten, gereedschap, vat armour(-bearer), artillery, bag, carriage, [phrase] furnish, furniture, instrument, jewel, that is made of, [idiom] one from another, that which pertaineth, pot, [phrase] psaltery, sack, stuff, thing, tool, vessel, ware, weapon, [phrase] whatsoever
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
23 Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

23 Zij nu liepenH7323, en namenH3947 hem van daarH8033, en hij steldeH3320 zich in het middenH8432 des volksH5971; en hij was hogerH1361 dan alH3605 het volkH5971, van zijn schouderH7926 en opwaartsH4605. Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.

KJV And they ran1 and fetched2 him thence: and when he stood4 among5 the people,6 he was higher7 than any of the people9 from his shoulders10 and upward.11

1 וַיָּרֻ֨צוּ֙ H7323 liep, lopen, trawanten break down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post 2 וַיִּקָּחֻ֣הוּ H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 3 מִשָּׁ֔ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 4 וַיִּתְיַצֵּ֖ב H3320 stelde, stellen, stelt present selves, remaining, resort, set (selves), (be able to, can, with-) stand (fast, forth, -ing, still, up) 5 בְּת֣וֹךְ H8432 midden, middelste, binnenste among(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in) 6 הָעָ֑ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 7 וַיִּגְבַּהּ֙ H1361 hoger, hoog, verheffen exalt, be haughty, be (make) high(-er), lift up, mount up, be proud, raise up great height, upward 8 מִכָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 9 הָעָ֔ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 10 מִשִּׁכְמ֖וֹ H7926 schouder, schouderen, Sichem back, [idiom] consent, portion, shoulder 11 וָמָֽעְלָה H4605 opwaarts, hoogste, omhoog above, exceeding(-ly), forward, on ([idiom] very) high, over, up(-on, -ward), very
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
24 Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

24 Toen zeideH559 SamuelH8050 totH413 het ganseH3605 volkH5971: ZietH7200 gij, dienH834 de HEEREH3068 verkorenH977 heeft? WantH3588 gelijk hij, is er niemandH369 onder het ganseH3605 volkH5971. Toen juichteH7321 het ganseH3605 volkH5971, en zij zeidenH559: de koningH4428 leveH2421! Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!

KJV And Samuel2 said1 to all the people,5 See6 ye him whom the LORD10 hath chosen,8 that there is none like him among all the people?15 And all the people18 shouted,16 and said,19 God save20 the king.21

1 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 שְׁמוּאֵ֜ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 5 הָעָ֗ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 6 הַרְּאִיתֶם֙ H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 7 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 8 בָּֽחַר H977 verkoren, verkiezen, verkoos acceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require 9 בּ֣וֹ 10 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 11 כִּ֛י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 12 אֵ֥ין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 13 כָּמֹ֖הוּ H3644 gelijk, als according to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth 14 בְּכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 15 הָעָ֑ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 16 וַיָּרִ֧עוּ H7321 juichen, juichte, Juicht blow an alarm, cry (alarm, aloud, out), destroy, make a joyful noise, smart, shout (for joy), sound an alarm, triumph 17 כָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 18 הָעָ֛ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 19 וַיֹּאמְר֖וּ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 20 יְחִ֥י H2421 leven, leefde, levend keep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole 21 הַמֶּֽלֶךְ H4428 koning, konings, koningen king, royal
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
25 Samuel nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuel het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

25 SamuelH8050 nu sprakH1696 totH413 het volkH5971 het rechtH4941 des koninkrijksH4410, en schreefH3789 het in een boekH5612, en legde het voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068. Toen lietH7971 SamuelH8050 het ganseH3605 volkH5971 gaan, elk naar zijn huisH1004. Samuel nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuel het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.

Ook in dit vers leideH3240

KJV Then Samuel2 told1 the people4 the manner6 of the kingdom,7 and wrote8 it in a book,9 and laid it up10 before11 the LORD.12 And Samuel14 sent13 ➔ all the people17 away, every man18 to his house.19

1 וַיְדַבֵּ֨ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 2 שְׁמוּאֵ֜ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הָעָ֗ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 5 אֵ֚ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 6 מִשְׁפַּ֣ט H4941 recht, rechten, gericht [phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong 7 הַמְּלֻכָ֔ה H4410 koninkrijk, koninklijk, koninkrijks kingsom, king's, [idiom] royal 8 וַיִּכְתֹּ֣ב H3789 geschreven, schreef, beschreven describe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten) 9 בַּסֵּ֔פֶר H5612 boek, brieven, wetboek bill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll 10 וַיַּנַּ֖ח H3240 laten, leide, liet bestow, cast down, lay (down, up), leave (off), let alone (remain), pacify, place, put, set (down), suffer, withdraw, withhold. (The Hiphil forms with the dagesh are here referred to, in accordance with the older grammarians; but if any distinction of the kind is to be made, these should rather be referred to H5117 (נוּחַ), and the others here.) 11 לִפְנֵ֣י H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 12 יְהוָ֑ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 13 וַיְשַׁלַּ֧ח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 14 שְׁמוּאֵ֛ל H8050 Samuel, Samuels, Semuel Samuel, Shemuel 15 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 16 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 17 הָעָ֖ם H5971 volk, volks, volken folk, men, nation, people 18 אִ֥ישׁ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 19 לְבֵיתֽוֹ H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
26 En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

26 En SaulH7586 gingH1980 ookH1571 naar zijn huisH1004 te GibeaH1390, en van het heirH2428 gingenH3212 metH5973 hem, welker hartH3820 GodH430 geroerdH5060 had. En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.

KJV And Saul2 also went3 home4 to Gibeah;5 and there went6 with him a band of men,8 whose hearts12 God11 had touched.10

1 וְגַ֨ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 2 שָׁא֔וּל H7586 Saul, Sauls, sauls Saul, Shaul 3 הָלַ֥ךְ H1980 wandelt, gewandeld, wandelen (all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl 4 לְבֵית֖וֹ H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 5 גִּבְעָ֑תָה H1390 Gibea, Gibea-benjamins, heuvel Gibeah, the hill 6 וַיֵּלְכ֣וּ H3212 ging, ga, gaan [idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak 7 עִמּ֔וֹ H5973 met, bij, tegen accompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al) 8 הַחַ֕יִל H2428 heir, kloeke, vermogen able, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily) 9 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 10 נָגַ֥ע H5060 aangeroerd, aanroert, aanroeren beat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch 11 אֱלֹהִ֖ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 12 בְּלִבָּֽם H3820 hart, harten, harte [phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
27 Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

27 Doch de kinderenH1121 BelialsH1100 zeidenH559: WatH4100 zou ons dezeH2088 verlossenH3467? en zij verachttenH959 hem, en brachtenH935 hem geenH3808 geschenkH4503. Doch hij wasH1961 als doofH2790. Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.

KJV But the children1 of Belial2 said,3 How shall this man save5 us? And they despised7 him, and brought9 him no presents.11 But he held his peace.13

1 וּבְנֵ֧י H1121 kinderen, zoon, zonen [phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth 2 בְלִיַּ֣עַל H1100 Belials, Belialsstuk, Belial Belial, evil, naughty, ungodly (men), wicked 3 אָמְר֗וּ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 4 מַה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 5 יֹּשִׁעֵ֨נוּ֙ H3467 verlossen, verlost, behouden [idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory 6 זֶ֔ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 7 וַיִּבְזֻ֕הוּ H959 veracht, verachtte, verachten despise, disdain, contemn(-ptible), [phrase] think to scorn, vile person 8 וְלֹֽא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 9 הֵבִ֥יאוּ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 10 ל֖וֹ 11 מִנְחָ֑ה H4503 spijsoffer, geschenk, geschenken gift, oblation, (meat) offering, present, sacrifice 12 וַיְהִ֖י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 13 כְּמַחֲרִֽישׁ H2790 zwijg, zwijgen, ploegen [idiom] altogether, cease, conceal, be deaf, devise, ear, graven, imagine, leave off speaking, hold peace, plow(-er, man), be quiet, rest, practise secretly, keep silence, be silent, speak not a word, be still, hold tongue, worker
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Samuël 10:1 1 Samuël 16:13 Psalmen 78:71 Deuteronomium 32:9 Psalmen 2:12 1 Samuël 9:16 2 Samuël 19:39 1 Samuël 2:10 Jozua 5:14
1 Samuël 10:2 1 Samuël 9:3 Genesis 35:19 Jozua 18:28 1 Samuël 10:16 Jeremia 31:15
1 Samuël 10:3 Genesis 28:22 Genesis 35:1 Genesis 35:3 Genesis 28:19 Leviticus 23:13 Richteren 4:12 Numeri 15:5 Leviticus 3:6
1 Samuël 10:4 Richteren 18:15
1 Samuël 10:5 1 Samuël 13:3 1 Samuël 19:20 2 Koningen 3:15 1 Samuël 10:10 1 Kronieken 25:1 2 Koningen 2:3 2 Koningen 2:5 2 Koningen 2:15
1 Samuël 10:6 1 Samuël 10:10 1 Samuël 19:23 Numeri 11:25 Richteren 14:6 Richteren 3:10 1 Samuël 16:13 Mattheüs 7:22
1 Samuël 10:7 Richteren 6:12 Jozua 1:5 Lukas 2:12 Exodus 4:8 Jesaja 7:14 Mattheüs 28:20 Prediker 9:10 Hebreeën 13:5
1 Samuël 10:8 1 Samuël 11:14 1 Samuël 13:4 1 Samuël 15:33 1 Samuël 13:8
1 Samuël 10:9 Richteren 6:36 Richteren 7:11 Jesaja 38:7 Richteren 6:21 Markus 14:16 1 Samuël 10:2
1 Samuël 10:10 1 Samuël 10:5 1 Samuël 19:20
1 Samuël 10:11 Johannes 7:15 1 Samuël 19:24 Mattheüs 13:54 Handelingen 2:7 Johannes 9:8 Handelingen 3:10 Handelingen 4:13 Handelingen 9:21
1 Samuël 10:12 Jesaja 54:13 Johannes 6:45 Johannes 7:16 Jakobus 1:17
1 Samuël 10:14 1 Samuël 14:50 1 Samuël 9:3 2 Koningen 5:25
1 Samuël 10:16 1 Samuël 9:20 Spreuken 29:11 Exodus 4:18 1 Samuël 9:27 Richteren 14:6
1 Samuël 10:17 Richteren 20:1 1 Samuël 7:5
1 Samuël 10:18 Richteren 6:8 Nehemia 9:9 Richteren 2:1 Nehemia 9:27
1 Samuël 10:19 1 Samuël 12:12 Jozua 24:1 1 Samuël 8:19 Jozua 7:14 1 Samuël 12:17 Micha 5:2 Numeri 17:2 1 Samuël 8:6
1 Samuël 10:20 Jozua 7:16 1 Samuël 14:41 Handelingen 1:24
1 Samuël 10:22 Numeri 27:21 1 Samuël 23:11 Richteren 20:28 1 Samuël 15:17 1 Samuël 23:2 Richteren 20:23 1 Samuël 9:21 Lukas 14:11
1 Samuël 10:23 1 Samuël 9:2 1 Samuël 16:7 1 Samuël 17:4
1 Samuël 10:24 1 Koningen 1:25 1 Koningen 1:39 2 Samuël 21:6 Deuteronomium 17:15 2 Koningen 11:12 1 Koningen 1:21 Mattheüs 21:9 1 Koningen 1:34
1 Samuël 10:25 Deuteronomium 17:14 1 Samuël 8:11 Ezechiël 45:9 Ezechiël 46:16 Romeinen 13:1 Titus 3:1 1 Petrus 2:13 1 Timotheüs 2:2
1 Samuël 10:26 1 Samuël 11:4 1 Samuël 15:34 2 Samuël 21:6 Handelingen 13:48 Psalmen 110:3 Ezra 1:5 Richteren 19:12 Jozua 18:28
1 Samuël 10:27 Deuteronomium 13:13 2 Kronieken 17:5 1 Koningen 10:25 1 Samuël 2:12 2 Samuël 20:1 1 Samuël 11:12 Jesaja 36:21 Handelingen 7:51
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Samuël 10 vers 1

oliekruik, Of, olieflesje, olievaatje. Onder, 1 Sam. 16:13, waar van de zalving van David gesproken wordt, staat oliehoorn. Saul en Jehu [ 2 Kon. 9:1, 2 Kon. 9:3 ] zijn uit een oliekruik gezalfd geworden, maar David uit een hoorn.

Hertaald: oliekruik, Of: olieflesje, oliepotje. Hieronder, 1 Sam. 16:13, waar over de zalving van David gesproken wordt, staat oliehoorn. Saul en Jehu [2 Kon. 9:1, 2 Kon. 9:3] zijn uit een oliekruik gezalfd, maar David uit een hoorn.

goot ze uit op zijn hoofd, Er zijn in het Oude Testament drieërlei personen met zalving in hun ambten ingehuldigd geworden, hogepriesters, koningen en profeten.

Hertaald: goot ze uit op zijn hoofd, Er zijn in het Oude Testament drie soorten personen met een zalving in hun ambt ingehuldigd: hogepriesters, koningen en profeten.

kuste hem, Tot een teken van onderdanigheid, hem alzo erkennende voor zijn heer, dewijl hem God tot het koninklijke ambt geroepen had. Zie dergelijk exempel 1 Kon. 19:18, en vergelijk Ps. 2:12.

Hertaald: kuste hem, Tot een teken van onderdanigheid, waarmee hij hem als zijn heer erkende, omdat God hem tot het koninklijke ambt geroepen had. Zie zo'n voorbeeld 1 Kon. 19:18, en vergelijk Ps. 2:12.

over Zijn erfdeel gezalfd heeft? Dat is, over zijn volk van Israël, hetwelk Hij zich tot een erfdeel uit alle natiën heeft verkoren; Deut. 9:26, en Deut. 32:9.

Hertaald: over Zijn erfdeel gezalfd heeft? Dat is: over Zijn volk van Israël, dat Hij Zich uit alle volken tot een erfdeel heeft uitgekozen; Deut. 9:26, en Deut. 32:9.

1 Samuël 10 vers 2

graf van Rachel, Dit graf was bij Bethlehem Juda, gelijk te zien is Gen. 35:19-20, doch strekte die landpale aldaar aan de landpale van den stam Benjamins.

Hertaald: graf van Rachel, Dit graf lag bij Bethlehem-Juda, zoals te zien is in Gen. 35:19-20, maar de grens reikte daar tot aan de grens van de stam Benjamin.

Zelzah; Dit is de naam van een plaats, die nergens meer dan hier gevonden wordt, en betekent zoveel als een schone schaduw.

Hertaald: Zelzah; Dit is de naam van een plaats die nergens anders dan hier gevonden wordt, en betekent zoveel als een mooie schaduw.

1 Samuël 10 vers 3

Elon-thabor, Anders, het vlakke veld Thabors, of, aan den elk Thabbors. Er zijn verscheidene plaatsen Thabor genoemd.

Hertaald: Elon-thabor, Anders: het vlakke veld van Thabor, of: bij de eik van Thabor. Er zijn verschillende plaatsen die Thabor genoemd worden.

Beth-el; een, Sommigen zetten het over: in het huis Gods; te weten, te Kiriath-Jearim, gelijk boven, 1 Sam. 7:1-2, 1 Sam. 7:16, waar de ark in dien tijd was.

Hertaald: Beth-el; een, Sommigen vertalen het: in het huis van God; namelijk: te Kiriath-Jearim, zoals hierboven, 1 Sam. 7:1-2, 1 Sam. 7:16, waar de ark in die tijd was.

1 Samuël 10 vers 4

naar uw welstand vragen, Zie Gen. 43:27.

Hertaald: naar uw welstand vragen, Zie Gen. 43:27.

1 Samuël 10 vers 5

op den heuvel Gods, Dit is een hoogte geweest bij de stad Gibea, waar een school was van jonge profeten. In de stad zelve hadden de Filistijnen hun bezetting, gelijk straks volgt. Anders, te Gibea Gods

Hertaald: op den heuvel Gods, Dit is een hoogte geweest bij de stad Gibea, waar een school van jonge profeten was. In de stad zelf hadden de Filistijnen hun garnizoen, zoals verderop volgt. Anders: te Gibea van God.

bezettingen zijn; Dat is, garnizoen, de wacht houdende, gelijk onder, 1 Sam. 13:3.

Hertaald: bezettingen zijn; Dat is: garnizoen, dat de wacht hield, zoals hieronder, 1 Sam. 13:3.

hoop profeten, Hebreeuws, een zeel, of, snoer; dat is, een hoop mannen, die in orde gaan en als een linie, of koord trekken; en alzo vs.10.

Hertaald: hoop profeten, Hebreeuws: een koord, of snoer; dat is: een groep mannen die in rijen lopen en als een lijn of koord trekken; zo ook in vers 10.

luiten, trommelen, pijpen, harpen Met deze muziekinstrumenten verkwikten zij zich en verwekten hun geest om te profeteren. Zie een dergelijk exempel 2 Kon. 3:15. In het Hebreeuws staan deze woorden in het eenvoudig getal.

Hertaald: luiten, trommelen, pijpen, harpen Met deze muziekinstrumenten beurden zij zichzelf op en wekten zij hun geest op om te profeteren. Zie zo'n voorbeeld 2 Kon. 3:15. In het Hebreeuws staan deze woorden in het enkelvoud.

profeteren Dat is, van hemelse, goddelijke, heilige, stichtelijke dingen spreken en zingen.

Hertaald: profeteren Dat is: over hemelse, goddelijke, heilige, stichtelijke dingen spreken en zingen.

1 Samuël 10 vers 6

gij zult met hen profeteren; Dat is, gij zult een tijdlang de gave der profetie hebben. Zie Num. 11:25.

Hertaald: gij zult met hen profeteren; Dat is: u zult een tijdlang de gave van de profetie hebben. Zie Num. 11:25.

gij zult in een anderen man veranderd worden Dat is, gij zult het hart van een kloeken, verstandigen held krijgen, om te regeren en krijg te voeren, gelijk het een koning betaamt.

Hertaald: gij zult in een anderen man veranderd worden Dat is: u zult het hart van een dappere, verstandige held krijgen, om te regeren en oorlog te voeren, zoals het een koning past.

1 Samuël 10 vers 7

doe gij, Dat is, al wat de nood en de gelegenheid vereist, wat gedaan moet worden ten beste van het land. Doe dat als een wijs en kloekmoedig koning. Dit heeft Saul gedaan, toen hij uitgetrokken is om te strijden tegen de Ammonieten 1Sa 11, en de Filistijnen, 1Sa 13. Aangaande de manier van spreken, zie Richt. 9:33.

Hertaald: doe gij, Dat is: alles wat de nood en de gelegenheid vereist, wat gedaan moet worden ten beste van het land. Doe dat als een wijze en dappere koning. Dit heeft Saul gedaan toen hij uittrok om te strijden tegen de Ammonieten, 1 Sam. 11, en de Filistijnen, 1 Sam. 13. Zie over deze manier van spreken Richt. 9:33.

1 Samuël 10 vers 8

naar Gilgal, Versta, doch eerst naar Mizpa, gelijk te zien is vs.17, en 1 Sam. 11:14. Te Mizpa is Saul door het lot tot koning verkoren; doch te Gilgal is hij bevestigd geworden.

Hertaald: naar Gilgal, Versta: maar eerst naar Mizpa, zoals te zien is in vers 17, en 1 Sam. 11:14. Te Mizpa is Saul door het lot tot koning gekozen; maar te Gilgal is hij bevestigd.

om te offeren offeranden der dankzegging; Zie onder, 1 Sam. 23:8.

Hertaald: om te offeren offeranden der dankzegging; Zie hieronder, 1 Sam. 23:8.

1 Samuël 10 vers 9

schouder keerde, Dat is, rug.

Hertaald: schouder keerde, Dat is: rug.

1 Samuël 10 vers 10

zij daar aan den heuvel kwamen, Te weten, Saul en zijn jongen.

Hertaald: zij daar aan den heuvel kwamen, Namelijk: Saul en zijn knecht.

profeten tegemoet; Versta hier, door het woord profeten, de discipelen der profeten die zich oefenden en studeerden in de Heilige Schrift.

Hertaald: profeten tegemoet; Versta hier, met het woord profeten, de discipelen van de profeten die zich oefenden en studeerden in de Heilige Schrift.

1 Samuël 10 vers 11

van te voren gekend had, Hebreeuws, van gisteren, eergisteren

Hertaald: van te voren gekend had, Hebreeuws: van gisteren, eergisteren.

een ieder tot zijn metgezel Dat is, de een tot den ander.

Hertaald: een ieder tot zijn metgezel Dat is: de één tot de ander.

1 Samuël 10 vers 12

een man van daar, Vermoedelijk een uit het getal van die profeten.

Hertaald: een man van daar, Vermoedelijk iemand uit het aantal van die profeten.

Wie is toch hun vader? Alsof hij zeide: Even diezelfde God en Vader, die den anderen den Geest der profetie gegeven heeft, die is machtig dien ook Saul te geven. Eenigen nemen hier het woord vader voor leermeester; gelijk de discipelen der profeten genoemd worden zonen der profeten. Sommigen nemen het alzo: Wie is hunlieder vader? dat is, de anderen hebben zowel ongeleerde vaders als Saul, maar dit is een werk Gods.

Hertaald: Wie is toch hun vader? Alsof hij zei: diezelfde God en Vader die de anderen de Geest van de profetie gegeven heeft, is ook machtig om die aan Saul te geven. Sommigen nemen hier het woord vader voor leermeester; zoals de discipelen van de profeten zonen van de profeten genoemd worden. Anderen vatten het zo op: wie is hun vader? Dat is: de anderen hebben net zulke ongeleerde vaders als Saul, maar dit is een werk van God.

Is Saul ook onder de profeten? Dit spreekwoord gebruikt men wanneer men van iemand spreekt, die onverhoeds en onverwachts iets voortreffelijks, of iets bijzonders doet.

Hertaald: Is Saul ook onder de profeten? Dit spreekwoord gebruikt men wanneer men over iemand spreekt die onverwacht en onvoorzien iets voortreffelijks of iets bijzonders doet.

1 Samuël 10 vers 13

op de hoogte Te weten, in de school of synagoge, die op den heuvel Gods was, vs.5.

Hertaald: op de hoogte Namelijk: in de school of synagoge die op de heuvel van God was, vers 5.

1 Samuël 10 vers 16

voorzeker te kennen gegeven, Hebreeuws, te kennen gevende, te kennen gegeven

Hertaald: voorzeker te kennen gegeven, Hebreeuws: te kennen gevende, te kennen gegeven.

gaf hij hem niet te kennen Het schijnt dat Samuël hem zulks verboden had; en opdat het te geheimer blijven zou, had Samuël gezegd dat Saul zijn jongen zou doen vertrekken, 1 Sam. 9:27.

Hertaald: gaf hij hem niet te kennen Het lijkt erop dat Samuël hem dat verboden had; en opdat het des te geheimer zou blijven, had Samuël gezegd dat Saul zijn knecht weg zou laten gaan, 1 Sam. 9:27.

1 Samuël 10 vers 17

tot den HEERE, Te weten, om als voor den Heere, in de vergadering van Gods volk te verschijnen, tot verkiezing en bevestiging van een koning, of, naar sommiger mening, voor de ark des verbonds, vanwaar God de Heere antwoord gaf. Om deze zaak zou de ark daar gebracht zijn, doch hierna te Gilgal, gelijk af te nemen is onder, 1 Sam. 11:15.

Hertaald: tot den HEERE, Namelijk: om als voor de HEERE, in de vergadering van Gods volk te verschijnen, voor de verkiezing en bevestiging van een koning, of, naar de mening van sommigen, voor de ark van het verbond, vanwaar God de HEERE antwoord gaf. Voor deze zaak zou de ark daarheen gebracht zijn, maar later naar Gilgal, zoals af te leiden is uit hieronder, 1 Sam. 11:15.

1 Samuël 10 vers 19

ellenden en uw noden Hebreeuws, kwaden

Hertaald: ellenden en uw noden Hebreeuws: kwaden.

tot Hem gezegd Dat is, tot mij, die zijn profeet ben. Zie boven, 1 Sam. 8:19, en onder, 1 Sam. 12:12.

Hertaald: tot Hem gezegd Dat is: tot mij, die Zijn profeet ben. Zie hierboven, 1 Sam. 8:19, en hieronder, 1 Sam. 12:12.

naar uw duizenden De stammen der Israëlieten werden in zekere hopen, elk van duizend man, afgedeeld, gelijk Mi. 5:1 en elders te zien is.

Hertaald: naar uw duizenden De stammen van de Israëlieten werden ingedeeld in bepaalde groepen, elk van duizend man, zoals te zien is in Micha 5:1 en elders.

1 Samuël 10 vers 20

had doen naderen, Te weten, om het lot te werpen. Zie dergelijk exempel Joz. 7:14. Eer zij het lot wierpen, baden zij den Heere, vs.22; Hand. 1:24.

Hertaald: had doen naderen, Namelijk: om het lot te werpen. Zie zo'n voorbeeld Joz. 7:14. Voordat zij het lot wierpen, baden zij tot de HEERE, vers 22; Hand. 1:24.

geraakt Te weten, met het lot. Hebreeuws, gevat, getroffen; dat is, het lot viel op den stam van Benjamin, waarmede God de Heere wilde te kennen geven dat het een onder de huisgezinnen van dien stam was, welken Hij tot koning wilde zetten.

Hertaald: geraakt Namelijk: met het lot. Hebreeuws: gevat, getroffen; dat is: het lot viel op de stam van Benjamin, waarmee God de HEERE wilde aangeven dat het een van de families van die stam was die Hij tot koning wilde aanstellen.

1 Samuël 10 vers 22

vaten verstoken Dat is, onder de bagage des volks.

Hertaald: vaten verstoken Dat is: onder de bagage van het volk.

1 Samuël 10 vers 24

het ganse volk, Het grootste deel des volks; want daar waren er enigen, die hem verachtten, gelijk te zien is vs.27.

Hertaald: het ganse volk, Het grootste deel van het volk; want er waren er ook enkelen die hem verachtten, zoals te zien is in vers 27.

koning leve Zie 1 Kon. 1:25.

Hertaald: koning leve Zie 1 Kon. 1:25.

1 Samuël 10 vers 25

het recht des koninkrijks, Versta dit niet van de wijze, manier, of gewoonte van doen, die de koningen onwettiglijk somwijlen aannemen, [gelijk het Hebreeuwse woord genomen is boven 1 Sam. 8:9, 1 Sam. 8:11 ] , maar van de wetten, die Samuël door Gods ingeven stelde, aangaande de regering der koningen. Zie Deut. 17:18. Of van de ordonnantiën om zowel den koning als de onderzaten te leren, hoe zij zich tegen elkander gedragen zouden.

Hertaald: het recht des koninkrijks, Versta dit niet als de wijze, manier, of gewoonte van doen die koningen soms onwettig aannemen, [zoals het Hebreeuwse woord hierboven in 1 Sam. 8:9, 1 Sam. 8:11 gebruikt werd], maar als de wetten die Samuël door Gods ingeving vaststelde aangaande de regering van de koningen. Zie Deut. 17:18. Of als de verordeningen om zowel de koning als de onderdanen te leren hoe zij zich tegenover elkaar zouden moeten gedragen.

in een boek, Dit boek is niet meer voorhanden.

Hertaald: in een boek, Dit boek is niet meer voorhanden.

voor het aangezicht des HEEREN Dat is, voor den HEERE, die zijn tegenwoordigheid boven de ark openbaarde.

Hertaald: voor het aangezicht des HEEREN Dat is: voor de HEERE, Die Zijn tegenwoordigheid boven de ark openbaarde.

1 Samuël 10 vers 27

de kinderen Belials zeiden Zie Deut. 13:13.

Hertaald: de kinderen Belials zeiden Zie Deut. 13:13.

geen geschenk Gelijk de onderdanen plachten te doen tot een teken van gehoorzaamheid en dat zij hem erkenden voor hun koning. Zie 2 Kron. 17:5;; Matt. 2:11.

Hertaald: geen geschenk Zoals de onderdanen plachten te doen als teken van gehoorzaamheid en dat zij hem als hun koning erkenden. Zie 2 Kron. 17:5; Matt. 2:11.

als doof Of, als stom, als stilzwijgende.

Hertaald: als doof Of: als stom, als zwijgend.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Namen Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Samuël  — gehoord van God, of: van God gebeden

De langverwachte zoon van Elkana en Hanna, die zijn naam kreeg 'omdat ik hem van de HEERE gebeden heb' (1 Sam. 1:20). Na hem gespeend te hebben, bracht Hanna hem naar Eli om hem, zoals beloofd, zijn leven lang voor de HEERE af te zonderen (1 Sam. 1:24-28). Hij zou opgroeien tot de laatste en grootste van de richters, tevens profeet en priester, en zou later zowel Saul als David tot koning zalven.

Kis  — boog, of: strik

Een vermogend Benjaminiet uit Gibea, zoon van Abiël, de vader van Saul. Toen zijn ezelinnen zoekraakten, zond hij zijn zoon Saul met een knecht op zoek, wat Saul uiteindelijk bij de profeet Samuël bracht, die hem tot koning zalfde (1 Sam. 9:1-3; 9:15-10:1).

Saul  — gebeden, verzocht

De zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een opvallend lange en knappe jongeman. Terwijl hij de weggelopen ezelinnen van zijn vader zocht, kwam hij bij Samuël terecht, die door de HEERE al voorbereid was op zijn komst en hem tot de eerste koning van Israël zalfde (1 Sam. 9:1-2; 10:1). Ondanks een veelbelovend begin zou zijn regering eindigen in ongehoorzaamheid aan God en toenemende jaloezie op de jonge David.

Alle bijbelse namen in één overzicht →

Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas

Bijbelse Plaatsen Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Gilgal  — zie voor naam, ligging en de vroegere geschiedenis het artikel bij Jozua 3-4, waar de plaats voor het eerst in de Schrift genoemd wordt

Ligging: Zie het artikel bij Jozua 3-4.

Geschiedenis: Hier zou Saul, op Samuëls aanwijzing, zeven dagen wachten totdat de profeet zou komen om brandoffers te brengen en hem verder te onderrichten (1 Sam. 10:8) — een opdracht die Saul later, in zijn ongeduld, zou schenden en die tot zijn eerste ernstige verwijdering van de HEERE zou leiden (1 Sam. 13:8-14). Hier werd Sauls koningschap ook plechtig vernieuwd en bevestigd na zijn overwinning op de Ammonieten, met vreugdevolle dankoffers voor de HEERE (1 Sam. 11:14-15).

Bijbelse betekenis: Dezelfde plaats waar Israël ooit, bij de intocht onder Jozua, de smaad van Egypte van zich afgewenteld zag (Joz. 5:9), wordt nu het toneel van zowel de blijde bevestiging van Israëls eerste koning als, niet veel later, van diens eerste onbezonnen ongehoorzaamheid — een vroeg voorteken van de richting die Sauls koningschap zou inslaan.

Joz. 5:9-10; 1 Sam. 10:8; 11:14-15; 13:4-15; 15:33

Sauls omzwerving vóór zijn zalving  — een verzamelartikel voor de plaatsen die Saul en zijn knecht doorkruisten op zoek naar Kis' verloren ezelinnen

Ligging: Verspreid over het bergland van Efraïm en Benjamin; geen van deze plaatsen is met zekerheid te identificeren.

Geschiedenis: Op zoek naar de weggelopen ezelinnen van zijn vader Kis doorkruisten Saul en zijn knecht het land Salisa, het land Saälim en het land van Jemini (Benjamin), voordat zij in het land Zuf bij de stad van de ziener Samuël aankwamen — waar Samuël Saul, geheel onverwacht voor hemzelf, in het geheim tot koning over Israël zalfde (1 Sam. 9:3-10:1).

Bijbelse betekenis: Een van de meest verrassende roepingsverhalen van de Schrift: Saul zocht niets meer dan verdwaalde ezelinnen, en vond, buiten alle eigen streven om, een koninkrijk — een treffend voorbeeld van hoe de HEERE, in Zijn voorzienigheid, gewone, alledaagse omstandigheden gebruikt om Zijn grote plannen te verwezenlijken.

1 Sam. 9:3-10:1

Alle bijbelse plaatsen in één overzicht →

© Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Bijbelse Begrippen Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Is Saul ook onder de profeten? (Sauls verandering en verberging)  — nadat Samuel Saul in het geheim gezalfd heeft, wordt hij "in een anderen man veranderd" en profeteert onder een groep profeten, zodat het volk zich verwonderd afvraagt: "Is Saul ook onder de profeten?" (1 Sam. 10:9-12). Wanneer hij openlijk tot koning gekozen wordt, blijkt hij zich "tussen de vaten" verstoken te hebben (1 Sam. 10:22)

Samuel zalft Saul in het geheim met olie: "Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?" (1 Sam. 10:1). Hij geeft hem drie tekenen ter bevestiging, waarvan het laatste een ontmoeting is met een groep profeten: "de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden" (1 Sam. 10:2-6). Alle tekenen komen uit; "veranderde God hem het hart in een ander" (1 Sam. 10:9). Wie Saul van vroeger kende, ziet hem profeteren en vraagt verbaasd: "Is Saul ook onder de profeten?" — een vraag die tot spreekwoord wordt (1 Sam. 10:10-13). Aan zijn oom vertelt Saul alleen over de ezelinnen, niet over het koningschap (1 Sam. 10:14-16). Bij de openbare aanwijzing door het lot, te Mizpa, wordt Saul aangewezen — maar blijkt onvindbaar; de HEERE moet openbaren dat hij zich "tussen de vaten" (de bagage) verstoken heeft (1 Sam. 10:17-24). Het volk juicht: "de koning leve!" (1 Sam. 10:24). Sommige "kinderen Belials" verachten hem echter, en brengen hem geen geschenk — waarop Saul, opmerkelijk, zwijgt: "hij was als doof" (1 Sam. 10:26-27).

Bijbelse betekenis: Twee tekenen van dezelfde zaak: een innerlijke verandering (het profeteren, het nieuwe hart) en een uiterlijke terughoudendheid (het verbergen tussen de bagage, het zwijgen op de belediging). Beide tekenen een man die het koningschap niet zoekt maar ontvangt, en die aanvankelijk liever wegduikt dan zich naar voren dringt. Deze nederigheid aan het begin maakt zijn latere, hoogmoedige ongehoorzaamheid des te schrijnender: de Saul die zich tussen de vaten verstopte, is dezelfde Saul die later zijn eigen wil boven Samuels woord zal stellen.

Typologie: Petrus vat de les die uit dit begin te trekken is samen: "zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (1 Petr. 5:5). En Paulus wijst op hetzelfde patroon in de gemeente: "gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen" (1 Kor. 1:26, reeds mede behandeld bij Wijsheid der wereld en de dwaasheid der prediking) — God kiest, ook bij Saul, niet naar wat de wereld groot acht.

1 Sam. 10:1-27; 1 Petr. 5:5; 1 Kor. 1:26

Alle bijbelse begrippen in één overzicht →

© Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Christus in dit hoofdstuk Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk

Hij heeft zich tussen de vaten verstoken — 10:1, 6-7, 21-24

Het koninkrijk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding ambt

Israël heeft om een koning gevraagd, zoals al de volken. Samuël heeft gewaarschuwd wat dat kosten zal, en toch krijgt het volk zijn zin. Hier wordt de eerste koning gezalfd — nog in het verborgen, met een olieflesje.

De man die het volk zelf gekozen zou hebben, moet tussen de bagage vandaan gehaald worden.

**De zalving.** “Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem.” De kanttekening merkt op dat er in het Oude Testament drie soorten personen met olie in hun ambt bevestigd werden: hogepriesters, koningen en profeten. En zij ziet iets in het vaatwerk: Saul werd uit een kruik gezalfd, David later uit een hoorn.

**Wat hem beloofd wordt.** De Geest des HEEREN zal vaardig worden over hem, hij zal profeteren, en hij zal in een ander man veranderd worden. Er wordt hem niets onthouden.

**De aanwijzing in het openbaar.** Later wordt het lot geworpen, stam voor stam, geslacht voor geslacht — en de naam valt op Saul, de zoon van Kis. En dan volgt de zin die het hele koningschap van deze man tekent: “En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.”

Zij vragen het aan de HEERE, en het antwoord is bijna beschamend: “Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.”

De eerste koning van Israël wordt tussen de bagage vandaan gehaald.

**Waarop het volk let.** Als hij er eenmaal staat, wordt precies gezegd wat indruk maakt: hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts. Daar juicht men om: de koning leve!

Een kop groter dan de rest — dat is wat men zocht toen men vroeg om een koning zoals al de volken.

**Waar dit in de koningslijn staat.** Dit is het begin van het koningschap in Israël, en het begint met een keus naar het oog. Later wordt bij een andere zalving uitdrukkelijk gezegd dat God niet aanmerkt wat de mens aanmerkt: de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.

En zo loopt de lijn door: van een koning die zich verbergt, langs een herdersjongen die nog in het veld stond. En zij komt uit bij Iemand van Wie gezegd wordt dat Hij geen gedaante had die wij Hem zouden begeerd hebben.

Het volk kreeg wat het vroeg. God gaf later wat Hij beloofd had.

  1. 1 Samuël 8:5 — Het volk vraagt om een koning, gelijk al de volken.
  2. 1 Samuël 10:1 — Samuël zalft Saul in het verborgen, uit een oliekruik.
  3. 1 Samuël 10:22 — Bij de aanwijzing blijkt hij zich tussen de vaten te verbergen.
  4. 1 Samuël 10:23 — En wat het volk overtuigt is zijn lengte.
  5. 1 Samuël 16:7 — Bij de volgende zalving: de HEERE ziet het hart aan.
  6. Jesaja 53:2 — En de beloofde Koning had geen gedaante die men begeren zou.

In het Nieuwe Testament: 1 Samuël 8:5; 1 Samuël 16:7; Jesaja 53:2; 1 Samuël 16:13; Handelingen 13:21-22; Psalm 2:2

Hoever dit reikt: Dit hoofdstuk spreekt niet over de Messias; de verbinding loopt via de koningslijn als geheel en via de tegenstelling die de Schrift zelf maakt bij de zalving van David. Wat het verbergen tussen de vaten betekent, wordt niet uitgelegd — de tekst vermeldt het zonder oordeel. Dat Saul door God gegeven is, zegt Paulus in Handelingen 13.

Wat betekenen de niveaus?

Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.

  1. niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
  2. niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
  3. niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
  4. niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst

Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.

Alle heenwijzingen naar Christus in één overzicht →

© Teun van der Plas

1 Samuël 10

1 Samuël 10:1-2.Kruisverwijzingen1 Samuël 16:13Psalmen 78:71Deuteronomium 32:9Psalmen 2:121 Samuël 9:31 Samuël 9:16Genesis 35:192 Samuël 19:39
— Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?
Hij gaf Saul enkele tekenen waarmee hij de waarheid van alles wat hij tot hem gesproken had kon bevestigen. Het was goed van Samuël om Saul, met schitterende vooruitzichten die voor hem opengingen, naar het graf van de moeder van zijn stam te zenden. O, dat wij allen wijs genoeg waren vaak aan onze laatste uren te denken! Gemeenschap met het graf zou ons zelfs kunnen helpen tot gemeenschap met de hemel.

1 Samuël 10:2-3.Kruisverwijzingen1 Samuël 9:3Genesis 28:22Genesis 35:1Genesis 35:3Genesis 35:19Genesis 28:19Jozua 18:281 Samuël 10:16
— Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen? Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.
Zij gingen God een spijsoffer en een dankoffer brengen. Hoe had Samuël dit alles kunnen weten als God zijn ogen niet gezalfd had en hem een ziener gemaakt had die zien kon wat anderen niet zagen?

1 Samuël 10:4.KruisverwijzingenRichteren 18:15
— En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.
“Gij zult van hen uw eerste schatting als koning nemen. Zij zullen u twee broden geven, om u te leren alle overdaad te vermijden en geen koning te zijn die behagen heeft in fijne en keurige spijs. Gij zult het hebben zoals het volk het heeft.”

1 Samuël 10:5-6.Kruisverwijzingen1 Samuël 13:31 Samuël 19:202 Koningen 3:151 Samuël 19:23Numeri 11:251 Samuël 10:101 Kronieken 25:12 Koningen 2:3
— Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren. En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.
“Gij zult met vuur over God spreken; door een heilige drift bewogen zult gij spreken als een bezield mens.” Let erop dat Samuël niet tot Saul zei: “gij zult in een anderen man veranderd worden”, want dat is wat hij nooit geweest is. Hij werd voor een tijd een ánder mens, een mens verschillend van wat hij tevoren geweest was, maar hij werd nooit een begenadigd mens.

1 Samuël 10:22.KruisverwijzingenNumeri 27:211 Samuël 23:11Richteren 20:281 Samuël 15:171 Samuël 23:2Richteren 20:231 Samuël 9:21Lukas 14:11
— Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.
Wij zijn geneigd Saul de eer te geven dat hij werkelijk zo bescheiden was dat hij zich voor de eer verborg en dat de grootheid hem opgedrongen moest worden. Hij was groot van gestalte geboren, maar nu groot gemaakt te worden in ambt scheen hem een last die hij niet begeerde.

Hieruit mogen wij leren dat zonder de genade van God het schoonste leven toch vuil kan worden; en hoe fraai een jong mens zijn loopbaan ook begint, hij kan struikelen en vallen en het doel nooit bereiken. Er is maar één vorm van verzekering voor het zedelijk leven, en dat is de geestelijkheid: het komen tot Christus, wedergeboren worden, de inwonende Geest in het hart ontvangen, en de liefde zetten op het eeuwige.

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content