Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 ikG1473, broedersG80, konG1410 tot uG4771 nietG3756 sprekenG2980 alsG5613 tot geestelijkenG4152, maarG235 alsG5613 tot vleselijkenG4559, alsG5613 tot jonge kinderenG3516 inG1722 ChristusG5547.
En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
KJV
And1
I,2
brethren,3
could5
not4
speak6
unto you
as8
unto spiritual,9
but10
as11
unto carnal,12
even as13
unto babes14
in15
Christ.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik heb uG4771 met melkG1051 gevoedG4222, enG2532 nietG3756 met vaste spijsG1033; wantG1063 gij vermochtG1410 toen nog niet; ja, gij vermoogtG1410 ook nu nog niet.
Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.
KJV
I have fed3
you
with milk,1
and4
not5
with meat:6
for8
hitherto7
➔ ye were9
➔ not
able14
to bear it, neither10
yet12
now13
are ye able.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want gij zijt nog vleselijkG4559; wantG1063 dewijl onderG1722 uG4771 nijdG2205 is, enG2532 twistG2054, enG2532 tweedrachtG1370, zijt gij niet vleselijkG4559, enG2532 wandeltG4043 gij niet naarG2596 den mensG444?
Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?
KJV
For2
ye are
yet1
carnal:3
for6
whereas5
there is among7
you
envying,9
and10
strife,11
and12
divisions,13
are ye
not14
carnal,15
and17
walk20
as18
men?19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 als de een zegtG3004: IkG1473 benG1510 van PaulusG3972; enG1161 een anderG2087: IkG1473 ben van ApollosG625; zijt gij niet vleselijkG4559?
Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?
KJV
For2
while1
one4
saith,3
I5
am7
of Paul;8
and10
another,9
I11
am of Apollos;12
are
ye not13
carnal?14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Wie is dan PaulusG3972, en wie is ApollosG625, andersG235 dan dienaarsG1249, doorG1223 welkenG3739 gij geloofdG4100 hebt, en dat, gelijkG5613 de HeereG2962 aan een iegelijkG1538 gegevenG1325 heeft?
Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?
KJV
Who1
then2
is
Paul,4
and6
who5
is Apollos,7
but8
ministers10
by11
whom12
ye believed,13
even14
as16
the Lord18
gave19
to every man?15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
IkG1473 heb geplantG5452, ApollosG625 heeft natG4222 gemaakt; maarG235 GodG2316 heeft den wasdom gegevenG837.
Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.
KJV
I1
have planted,2
Apollos3
watered;4
but5
God7
gave the increase.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo isG1510 dan noch hij, die plantG5452, ietsG5100, noch hij, die nat maaktG4222, maarG235 GodG2316, Die den wasdom geeftG837.
Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.
KJV
So1
then neither2
is
he that planteth4
any thing,6
neither7
he that watereth;9
but10
God13
that giveth the increase.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En die plantG5452, en die nat maaktG4222, zijnG1510 een; maarG1161 een iegelijkG1538 zal zijn loonG3408 ontvangenG2983 naarG2596 zijn arbeidG2873.
En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.
KJV
Now3
he that planteth2
and4
he that watereth6
are
one:7
and10
every man9
shall receive14
his own12
reward13
according15
to his own17
labour.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 wij zijnG1510 GodsG2316 medearbeidersG4904; GodsG2316 akkerwerkG1091, GodsG2316 gebouwG3619 zijtG1510 gij.
Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.
KJV
For2
we are
labourers together4
with God:1
ye are
God's5
husbandry,6
ye are God's7
building.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
NaarG2596 de genadeG5485 GodsG2316, die mij gegevenG1325 is, heb ik alsG5613 een wijsG4680 bouwmeesterG753 het fondamentG2310 gelegdG5087; en een anderG243 bouwtG2026 daarop. MaarG1161 een iegelijkG1538 zieG991 toe, hoeG4459 hij daarop bouweG2026.
Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.
KJV
According1
to the grace3
of God5
which2
is given7
unto me,
as9
a wise10
masterbuilder,11
I have laid13
the foundation,12
and15
another14
buildeth16
thereon. But18
let19
➔ every man17
take heed
how20
he buildeth21
thereupon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 niemandG3762 kanG1410 een anderG243 fondamentG2310 leggenG5087, dan hetgeen gelegdG2749 is, hetwelkG3739 isG1510 JezusG2424 ChristusG5547.
Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.
KJV
For2
other3
foundation1
can5
no man4
lay6
than7
that is laid,9
which10
is
Jesus12
Christ.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG1161 indienG1487 iemandG1536 opG1909 ditG3778 fondamentG2310 bouwtG2026: goudG5557, zilverG696, kostelijkeG5093 stenenG3037, houtG3586, hooi, stoppelenG2562;
En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;
KJV
Now2
if any man
build4
upon5
this
foundation7
gold,9
silver,10
precious12
stones,11
wood,13
hay,14
stubble;15
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Eens iegelijksG1538 werkG2041 zal openbaarG5318 wordenG1096; want de dagG2250 zal het verklarenG1213, dewijlG3754 het doorG1722 vuurG4442 ontdektG601 wordt; enG2532 hoedanigG3697 eens iegelijksG1538 werkG2041 isG1510, zal het vuurG4442 beproevenG1381.
Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.
KJV
Every man's1
work3
shall be made5
manifest:4
for7
the day8
shall declare9
it, because10
it shall be revealed13
by11
fire;12
and14
the fire21
shall try22
every man's15
work17
of what sort18
it is.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZoG1487 iemandsG1536 werkG2041 blijftG3306, datG3739 hij daarop gebouwdG2026 heeft, die zal loonG3408 ontvangenG2983.
Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.
KJV
If any man's
work4
abide5
which6
he hath built7
thereupon, he shall receive9
a reward.8
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zo iemandsG1536 werkG2041 zal verbrandG2618 worden, die zal schade lijdenG2210; maar zelfG846 zal hij behoudenG4982 worden, dochG1161 alzoG3779 alsG5613 doorG1223 vuurG4442.
Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.
KJV
If any man's
work4
shall be burned,5
he shall suffer loss:6
but8
he himself7
shall be saved;9
yet11
so10
as12
by13
fire.14
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WeetG1492 gij nietG3756, datG3754 gij GodsG2316 tempelG3485 zijtG1510, enG2532 de GeestG4151 GodsG2316 inG1722 ulieden woontG3611?
Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?
KJV
Know ye2
not1
that3
ye are
the temple4
of God,5
and7
that the Spirit9
of God11
dwelleth12
in13
you?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
ZoG1487 iemandG1536 den tempelG3485 GodsG2316 schendtG5351, dien zal GodG2316 schendenG5351; wantG1063 de tempelG3485 GodsG2316 isG1510 heiligG40, welke gijG4771 zijtG1510.
Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.
KJV
If any man
defile7
the temple4
of God,6
him
shall8
➔ God11
destroy;
for13
the temple14
of God16
is
holy,17
which19
temple ye
are.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
NiemandG3367 bedriegeG1818 zichzelvenG1438. ZoG1487 iemandG1536 onderG1722 uG4771 dunktG1380, dat hij wijsG4680 isG1510 inG1722 deze wereldG165, dieG3778 worde dwaasG3474, opdatG2443 hij wijsG4680 mogeG1096 worden.
Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
KJV
Let3
➔ no man1
deceive
himself.2
If any man
among9
you
seemeth6
to be
wise7
in11
this
world,13
let him become16
a fool,15
that17
he may be18
wise.19
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 de wijsheidG4678 dezer wereldG2889 is dwaasheidG3472 bij GodG2316; wantG1063 er isG1510 geschrevenG1125: Hij vatG1405 de wijzenG4680 inG1722 hunG846 arglistigheidG3834;
Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
KJV
For2
the wisdom3
of this
world5
is
foolishness7
with8
God.10
For13
it is written,12
He taketh15
the wise17
in18
their own21
craftiness.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 wederomG3825: De HeereG2962 kentG1097 de overleggingenG1261 der wijzenG4680, datG3754 zijG1510 ijdelG3152 zijn.
En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
KJV
And1
again,2
The Lord3
knoweth4
the thoughts6
of the wise,8
that9
they are
vain.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
NiemandG3367 dan roemeG2744 opG1722 mensenG444; wantG1063 allesG3956 isG1510 uwe.
Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.
KJV
Therefore1
let3
➔ no man2
glory
in4
men.5
For7
all things6
are
yours;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Hetzij PaulusG3972, hetzij ApollosG625, hetzij CefasG2786, hetzij de wereldG2889, hetzij levenG2222, hetzij doodG2288, hetzij tegenwoordigeG1764, hetzij toekomendeG3195 dingen, zij zijn alleG3956 uwe.
Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
KJV
Whether1
Paul,2
or3
Apollos,4
or5
Cephas,6
or7
the world,8
or9
life,10
or11
death,12
or13
things present,14
or15
things to come;16
all17
are
yours;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Doch gijG4771 zijt van ChristusG5547, enG1161 ChristusG5547 is GodsG2316.
Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
KJV
And2
ye
are Christ's;3
and5
Christ4
is God's.6
als tot geestelijken,
Dat is, als tot zodanigen die door Gods Geest uitnemend verlicht zijn en in de kennis zeer toegenomen. Zie Gal. 6:1 .
Hertaald:
als tot geestelijken,
Dat is: als tot mensen die door Gods Geest uitnemend verlicht zijn en die in de kennis ver gevorderd zijn. Zie Gal. 6:1.
als tot vleselijken,
Dat is, als tot zodanigen, in welken het vlees, of menselijke genegenheden zich nog te veel openbaren, gelijk in de kinderen pleegt te geschieden, die de genegenheden meer volgen dan de rede.
Hertaald:
als tot vleselijken,
Dat is: als tot mensen bij wie het vlees, of de menselijke neigingen, zich nog te veel laten zien — zoals dat bij kinderen pleegt te gebeuren, die meer hun neigingen volgen dan de rede.
jonge kinderen
Dat is, die nog zeer teder en onwetend zijn in de leer van Christus; en hiermede verklaart Hij het woord vleselijke, opdat het niet zou genomen worden voor mensen, die geheel vreemd zijn van den Geest van Christus, gelijk het dikmaals in de Heilige Schrift gebruikt wordt. Zie Rom. 8:8 .
Hertaald:
jonge kinderen
Dat is: mensen die nog zeer teer en onwetend zijn in de leer van Christus. Hiermee verklaart hij het woord vleselijk, opdat het niet opgevat zou worden als mensen die volstrekt vreemd zijn aan de Geest van Christus, zoals het in de Heilige Schrift vaak gebruikt wordt. Zie Rom. 8:8.
melk gevoed,
Dat is, met de eerste verklaringen der fondamenten der Christelijke leer, die met eenvoudige en naakte woorden voorgesteld worden. Gr. met melk gedrenkt.
Hertaald:
melk gevoed,
Dat is: met de eerste verklaringen van de grondslagen van de christelijke leer, die met eenvoudige en kale woorden voorgesteld worden. Grieks: met melk gedrenkt.
vaste spijs;
Dat is, de hogere verklaringen der Christelijke leer, die met hogere woorden en diepzinniger redenen worden voorgesteld. Zie breder Hebr. 5:12 , enz.
Hertaald:
vaste spijs;
Dat is: de hogere verklaringen van de christelijke leer, die met hogere woorden en diepzinniger redeneringen voorgesteld worden. Zie uitvoeriger Hebr. 5:12, enzovoort.
naar den mens?
Dat is, gelijk de natuurlijk mensen plegen, hetwelk voor u onbetamelijk is.
Hertaald:
naar den mens?
Dat is: zoals de natuurlijke mensen plegen te doen, wat voor u ongepast is.
vleselijk?
Dat is, nog door vleselijke of kinderlijke genegenheden gedreven in het onderscheiden van uwe leraars.
Hertaald:
vleselijk?
Dat is: nog gedreven door vleselijke of kinderlijke neigingen in het onderscheid dat u tussen uw leraars maakt.
door welken gij
Dat is, door wier dienst en prediking; Rom. 10:17 .
Hertaald:
door welken gij
Dat is: door wier dienst en prediking; Rom. 10:17.
een iegelijk
Namelijk Zijner dienaren, wien Hij Zijne gaven verscheidenlijk uitdeelt. Zie 1 Kor. 12:4 , enz.
Hertaald:
een iegelijk
Namelijk ieder van Zijn dienaars, aan wie Hij Zijn gaven op verschillende wijze uitdeelt. Zie 1 Kor. 12:4, enzovoort.
Ik heb geplant,
Dat is, den eersten grond der gemeente door mijne predikatie gelegd, gelijk hierna verklaard wordt, vs.10.
Hertaald:
Ik heb geplant,
Dat is: ik heb door mijn prediking de eerste grondslag van de gemeente gelegd, zoals hierna verklaard wordt in vers 10.
nat gemaakt;
Dat is, hetgeen ik begonnen had, heeft Hij door Zijne leer bevorderd en versterkt.
Hertaald:
nat gemaakt;
Dat is: wat ik begonnen was, heeft hij door zijn onderwijs bevorderd en versterkt.
den wasdom
Dat is, het Woord, dat uitwendig van ons was gepredikt, in de harten der toehoorders krachtig gemaakt tot hunne bekering. Zie Joh. 6:44 , Joh. 6:4465 ; Hand. 11:21 , en Hand. 16:14 , enz.
Hertaald:
den wasdom
Dat is: God heeft het Woord dat uiterlijk door ons gepredikt was krachtig gemaakt in de harten van de toehoorders, tot hun bekering. Zie Joh. 6:44, Joh. 6:65; Hand. 11:21 en Hand. 16:14, enzovoort.
iets, noch
Te achten of te roemen; hetwelk alzo niet is te verstaan, alsof Paulus de dienaars wilde geacht hebben [want 1 Kor. 4:1 zal hij het tegendeel zeggen]; maar omdat niemand zich op de gaven der dienaren, wie zij ook zijn, alzo moet vergapen, dat hij hun de eer zou geven, die den oppersten auteur van dit werk toekomt; alzo het God is die hen stelt, die hun bekwame gaven geeft, en door hun arbeid krachtig is in de harten der mensen; vs.5, en 1 Kor. 12:6 ; Gal. 3:5 .
Hertaald:
iets, noch
Namelijk niets om te achten of te roemen. Dat moet niet zo opgevat worden alsof Paulus zou willen dat de dienaars niet geacht werden — want in 1 Kor. 4:1 zal hij het tegendeel zeggen — maar zo, dat niemand zich zo op de gaven van de dienaars mag verkijken, wie zij ook zijn, dat hij hun de eer zou geven die de hoogste Bewerker van dit werk toekomt. Want God is het Die hen aanstelt, Die hun geschikte gaven geeft en Die door hun arbeid krachtig werkt in de harten van de mensen; vers 5, en 1 Kor. 12:6; Gal. 3:5.
zijn een;
Dat is, arbeiden in een zelfde zaak, en tot een zelfde einde, namelijk om een zelfde leer des Evangelies te verbreiden en de gemeente van Christus te stichten, hoewel met verscheidene gaven. Want hij spreekt hier nog van het ambt der trouwe leraars, gelijk hij en Apollos waren.
Hertaald:
zijn een;
Dat is: zij werken aan dezelfde zaak en met hetzelfde doel, namelijk om dezelfde leer van het Evangelie te verbreiden en de gemeente van Christus op te bouwen, hoewel met verschillende gaven. Want hij spreekt hier nog over het ambt van de trouwe leraars, zoals hij en Apollos waren.
naar zijnen arbeid
Dat is, nadat hij zich in dit zijn ambt wel zal hebben gekweten en benaarstigd; Matt. 25:20 , enz.
Hertaald:
naar zijnen arbeid
Dat is: naarmate hij zich in dit ambt goed gekweten en ingespannen zal hebben; Matth. 25:20, enzovoort.
wij zijn
Namelijk die dienaars van Gods Woord zijn.
Hertaald:
wij zijn
Namelijk wij die dienaars van Gods Woord zijn.
Gods medearbeiders
Namelijk die onder God aan den bouw der gemeente medearbeiden als werktuigen, die God heeft geliefd daartoe te gebruiken, hoewel het voornaamste werk van Hem komt en de bekwaamheid dezer werktuigen ook zelfs van Hem komt; 2 Kor. 3:5-6 .
Hertaald:
Gods medearbeiders
Namelijk wij die onder God aan de bouw van de gemeente meewerken als werktuigen die God daartoe heeft willen gebruiken — hoewel het voornaamste werk van Hem komt en ook de bekwaamheid van deze werktuigen van Hem komt; 2 Kor. 3:5-6.
Gods akkerwerk,
Dat is, gij als leden der gemeente Gods zijt degenen aan wie deze arbeid besteed wordt als aan een groot akkerwerk.
Hertaald:
Gods akkerwerk,
Dat is: u bent, als leden van de gemeente van God, degenen aan wie deze arbeid besteed wordt, als aan een groot akkerwerk.
Gods gebouw
Een andere gelijkenis, genomen van een groot gesticht, waar een groot meester het beleid van heeft, en waar hij zijne dienaars bezig aan houdt, welke gelijkenis hij daarna breder uitlegt en toeëigent.
Hertaald:
Gods gebouw
Een tweede vergelijking, ontleend aan een groot bouwwerk waarover een groot meester de leiding heeft en waaraan hij zijn dienaars bezighoudt. Die vergelijking legt hij daarna uitvoeriger uit en past hij toe.
Naar de genade
Namelijk door welke ik tot een apostel van Christus ben geroepen, en met welke Hij mij tot nu toe in mijne bediening heeft bijgestaan en vergezelschapt. Waarmede hij alles, wat hij is en doet, niet in zichzelven, maar God toeschrijft.
Hertaald:
Naar de genade
Namelijk de genade waardoor ik tot een apostel van Christus geroepen ben, en waarmee Hij mij tot nu toe in mijn bediening bijgestaan en vergezeld heeft. Daarmee schrijft hij alles wat hij is en doet niet aan zichzelf toe, maar aan God.
als een wijs
Dat is, gelijk een recht, voorzichtig, en getrouw bouwmeester betaamt.
Hertaald:
als een wijs
Dat is: zoals het een goed, voorzichtig en trouw bouwmeester betaamt.
het fondament
Namelijk benevens de andere apostelen in het eerste oprichten van de gemeente van Christus door de gehele wereld, en ik als de eerste die uwe gemeente heb opgericht; Rom. 15:20 ; Ef. 2:20 ; Openb. 21:14 .
Hertaald:
het fondament
Namelijk samen met de andere apostelen bij het eerste oprichten van de gemeente van Christus over de hele wereld, en ikzelf als de eerste die uw gemeente opgericht heeft; Rom. 15:20; Ef. 2:20; Openb. 21:14.
een ander bouwt daarop
Dit zegt hij van de gewone dienaren, die na de apostelen in de opgerichte gemeenten zijn geroepen en gesteld, en op der apostelen werk voortgingen; Rom. 15:20 .
Hertaald:
een ander bouwt daarop
Dit zegt hij over de gewone dienaars, die na de apostelen in de opgerichte gemeenten geroepen en aangesteld zijn en die op het werk van de apostelen voortbouwden; Rom. 15:20.
hoe hij daarop bouwe
Sommigen verstaan dit van de personen, die door de leraars op het fondament gebouwd worden, gelijk het woord werk alzo genoemd wordt; 1 Kor. 9:1 . Doch alzo de apostel hier zegt een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwt, en niet, wien hij daarop bouwt, zo wordt dit gemeenlijk en bekwamelijker verstaan, dat de apostel hier de leraars wil vermanen, dat zij toezien welke leer zij op het fondament, dat de apostelen gelegd hebben, voorstellen tot versterking en vermeerdering der opgerichte gemeenten.
Hertaald:
hoe hij daarop bouwe
Sommigen vatten dit op als de personen die door de leraars op het fundament gebouwd worden, aangezien die zo ook een werk genoemd worden; 1 Kor. 9:1. Maar aangezien de apostel hier zegt: laat ieder toezien HOE hij daarop bouwt, en niet: WIE hij daarop bouwt, wordt dit gewoonlijk en beter zo opgevat dat de apostel hier de leraars wil vermanen dat zij erop toezien welke leer zij voorstellen op het fundament dat de apostelen gelegd hebben, tot versterking en uitbreiding van de opgerichte gemeenten.
dan hetgeen
Of, behalve hetgeen; namelijk van mij en de andere apostelen.
Hertaald:
dan hetgeen
Of: behalve wat er gelegd is; namelijk door mij en de andere apostelen.
hetwelk is
Christus wordt het fondament der gemeente genoemd, òf ten aanzien van hem zelven, waar de zaligheid der gemeente op steunt, omdat Hij als waarachtig God en mens ons de zaligheid heeft verworven, en dezelve door Zijnen Geest toeëigent; Matt. 16:18 ; 1 Petr. 2:6 , òf ten aanzien van de leer, waardoor wij tot Hem als den enigen Zaligmaker worden gewezen en gebracht, en door het geloof in Hem ontvangen gerechtigheid, heiligheid en het eeuwige leven. Op deze leer ziet de apostel hier, en verklaart dat wij in de leer des Evangelies tot niemand anders mogen worden gewezen om zaligheid te vinden, dan tot zijn persoon en verdiensten. Zie Joh. 14:6 ; Hand. 4:12 ; Ef. 2:20 .
Hertaald:
hetwelk is
Christus wordt het fundament van de gemeente genoemd óf met het oog op Hemzelf, op Wie de zaligheid van de gemeente steunt, omdat Hij als waarachtig God en mens ons de zaligheid verworven heeft en die door Zijn Geest toe-eigent, Matth. 16:18; 1 Petr. 2:6, óf met het oog op de leer, waardoor wij tot Hem als de enige Zaligmaker gewezen en gebracht worden en door het geloof in Hem gerechtigheid, heiligheid en het eeuwige leven ontvangen. Op die leer doelt de apostel hier, en hij verklaart dat wij in de leer van het Evangelie naar niemand anders gewezen mogen worden om zaligheid te vinden dan naar Zijn persoon en Zijn verdiensten. Zie Joh. 14:6; Hand. 4:12; Ef. 2:20.
op dit fondament
Dat is, op deze leer van de zaligheid in Christus Jezus alleen te zoeken.
Hertaald:
op dit fondament
Dat is: op deze leer dat de zaligheid alleen in Christus Jezus gezocht moet worden.
goud, zilver,
Dat is, stichtelijke leringen, niet getrokken uit menselijke wijsheid, maar uit de rechte gronden van Gods Woord; 2 Tim. 1:13 .
Hertaald:
goud, zilver,
Dat is: stichtelijke leringen, niet ontleend aan menselijke wijsheid, maar aan de juiste gronden van Gods Woord; 2 Tim. 1:13.
hout, hooi,
Hierdoor worden verstaan, niet enige ketterijen of valse leringen, die het fondament omstoten, waardoor de gemeente van Christus verleid of gescheurd wordt, want zulke veroordeelt Gods woord als werken des vleesches, die de mensen van de zaligheid beroven, Hand. 20:30 ; Gal. 5:20 ; 1 Tim. 4:1-3 ; maar enige leringen, dwalingen, of inzettingen van minder gewicht, uit menselijk vernuft voortgebracht, die het fondament niet omstoten, of enige zonderlinge en onnodige geschillen, die niet stichten, en opgepronkte wijzen van spreken buiten Gods Woord, welke de apostel in deze eerste vier hoofdstukken doorgaans bestraft.
Hertaald:
hout, hooi,
Daaronder worden niet verstaan ketterijen of valse leringen die het fundament omverwerpen en waardoor de gemeente van Christus verleid of gescheurd wordt — want zulke leringen veroordeelt Gods Woord als werken van het vlees, die de mensen van de zaligheid beroven, Hand. 20:30; Gal. 5:20; 1 Tim. 4:1-3. Bedoeld worden leringen, dwalingen of inzettingen van minder gewicht, voortgekomen uit het menselijke vernuft, die het fundament niet omverwerpen; of bijzondere en onnodige geschillen die niet stichten; en opgesmukte manieren van spreken buiten Gods Woord om — wat de apostel in deze eerste vier hoofdstukken telkens bestraft.
iegelijks
Namelijk leraars. Want van die en hun werk spreekt hier de apostel alleen.
Hertaald:
iegelijks
Namelijk van iedere leraar. Want de apostel spreekt hier alleen over hen en over hun werk.
werk zal
Dat is, leer, die Hij voorstelt.
Hertaald:
werk zal
Dat is: de leer die hij voorstelt.
de dag zal het
Dat is, de tijd; of het licht der waarheid; Rom. 13:12-13 ; Ef. 5:13 ; 2 Petr. 1:19 .
Hertaald:
de dag zal het
Dat is: de tijd; of: het licht van de waarheid; Rom. 13:12-13; Ef. 5:13; 2 Petr. 1:19.
verklaren, dewijl
Namelijk of het hout, hooi, stro en stoppelen, dan of het goud, zilver en kostelijke stenen zijn.
Hertaald:
verklaren, dewijl
Namelijk of het hout, hooi, stro en stoppels zijn, dan wel goud, zilver en kostbare stenen.
vuur ontdekt
Door dit vuur kan hier niet verstaan worden een vagevuur, waardoor de mensen na dit leven van hunne zonden zouden gevaagd of gereinigd worden, overmits door dit vuur, waar Paulus hier van spreekt, niet alleen het werk, dat vergaat of verbrand wordt, maar ook dat blijft en beloond wordt, zal beproefd worden; maar wordt verstaan òf van het vuur des Heiligen Geestes, die door het licht van Gods Woord den vasten arbeid en trouwe leringen der leraren mettertijd ontdekt in de gemeente Gods, en die de onnodige of zonderlinge leer onderscheidt en doet verdwijnen; niet anders dan het goud door het vuur van zijne onreinheden wordt gezuiverd; Ps. 12:7 ; Jer. 23:29 . Of, het vuur van vervolging, zwarigheid en verzoeking, waardoor de oprechte leer gelijk als beproefd wordt, omdat zij alsdan ons een vasten troost geeft, hetwelk de andere niet doen kan; Jak. 1:2 ; 1 Petr. 1:6-7 .
Hertaald:
vuur ontdekt
Onder dit vuur kan hier geen vagevuur verstaan worden waardoor de mensen na dit leven van hun zonden gezuiverd zouden worden, aangezien door dit vuur waarover Paulus hier spreekt niet alleen het werk beproefd wordt dat vergaat of verbrandt, maar ook het werk dat blijft en beloond wordt. Bedoeld wordt óf het vuur van de Heilige Geest. Die brengt door het licht van Gods Woord de degelijke arbeid en de trouwe leringen van de leraars mettertijd in de gemeente van God aan het licht. Daarvan onderscheidt Hij de onnodige of bijzondere leer, en die laat Hij verdwijnen, net zoals het goud door het vuur van zijn onzuiverheden gereinigd wordt; Ps. 12:7; Jer. 23:29. Of het vuur van vervolging, moeite en verzoeking, waardoor de oprechte leer als het ware beproefd wordt, omdat zij ons dan een vaste troost geeft, wat de andere leer niet kan doen; Jak. 1:2; 1 Petr. 1:6-7.
blijft, dat hij
Dat is, leer door Gods Woord vast en bondig geoordeeld wordt; 1 Thess. 5:21 .
Hertaald:
blijft, dat hij
Dat is: wanneer zijn leer naar Gods Woord vast en deugdelijk beoordeeld wordt; 1 Thess. 5:21.
loon ontvangen
Namelijk ten uitersten dage, uit genade, ook in het bijzonder over dit zijn werk; Dan. 12:3 ; 1 Kor. 15:41-42 .
Hertaald:
loon ontvangen
Namelijk op de laatste dag, uit genade, ook in het bijzonder voor dit werk van hem; Dan. 12:3; 1 Kor. 15:41-42.
verbrand worden,
Dat is, zo iemands lering na gedane beproeving uit Gods Woord zal verdwijnen en ijdel geacht worden.
Hertaald:
verbrand worden,
Dat is: wanneer iemands leer na de beproeving aan Gods Woord zal verdwijnen en voor ijdel gehouden zal worden.
schade lijden;
Namelijk van dezen zijnen arbeid.
Hertaald:
schade lijden;
Namelijk van deze arbeid van hem.
behouden worden,
Namelijk omdat hij in zijne leer het fondament nog vast heeft behouden.
Hertaald:
behouden worden,
Namelijk omdat hij in zijn leer het fundament toch vastgehouden heeft.
als door vuur
Dat is, bezwaarlijk, gelijk iemand zichzelven uit den brand behoudt, daarin alles latende wat hij heeft; Jud. 1:23 .
Hertaald:
als door vuur
Dat is: met moeite, zoals iemand die zichzelf uit de brand redt en daarin alles achterlaat wat hij heeft; Judas 1:23.
gij Gods
Namelijk die in Christus gelooft; 1 Petr. 2:5 . Zie Ef. 2:21 .
Hertaald:
gij Gods
Namelijk u die in Christus gelooft; 1 Petr. 2:5. Zie Ef. 2:21.
Zo iemand den
Dat is, zo iemand de gemeente Gods door leringen der menselijke wijsheid, of door bijzonder aanhangen aan dezen of genen leraar, verdeelt of scheurt.
Hertaald:
Zo iemand den
Dat is: wanneer iemand de gemeente van God verdeelt of scheurt door leringen van menselijke wijsheid, of door zich in het bijzonder aan deze of gene leraar te hechten.
schenden; want
Gr. verderven; dat is te schande maken.
Hertaald:
schenden; want
Grieks: verderven; dat is: te schande maken.
bedriege
Of, verleide.
Hertaald:
bedriege
Of: misleide.
wijs is in
Dat is, begaafd met menselijke wijsheid.
Hertaald:
wijs is in
Dat is: begiftigd met menselijke wijsheid.
die worde dwaas,
Namelijk naar het oordeel van de wereldwijzen, wanneer hij de kennis van Christus' kruis en de nederigheid voor zijn hoogste wijsheid houdt, die de wereld houdt voor dwaasheid. Zie 1 Kor. 1:21-24 .
Hertaald:
die worde dwaas,
Namelijk naar het oordeel van de wereldwijzen, wanneer hij de kennis van Christus' kruis en de nederigheid voor zijn hoogste wijsheid houdt — wat de wereld voor dwaasheid houdt. Zie 1 Kor. 1:21-24.
wijs moge worden
Namelijk in God en in de zaken zijner zaligheid.
Hertaald:
wijs moge worden
Namelijk in God en in de zaken van zijn zaligheid.
vat de wijzen
Dat is, Hij verwart hun wereldse en listige raadslagen tegen God en de vromen, alzo, dat zij zelf daardoor vergaan.
Hertaald:
vat de wijzen
Dat is: Hij verwart hun wereldse en listige plannen tegen God en de vromen zo, dat zij daardoor zelf omkomen.
der wijzen,
Dat is, wereldwijzen, gelijk voren. De tekst Ps. 94:11 , heeft mensen, namelijk die op hunne wijsheid steunen.
Hertaald:
der wijzen,
Dat is: van de wereldwijzen, zoals hiervoor. De tekst in Ps. 94:11 heeft mensen, namelijk zij die op hun wijsheid steunen.
dat zij ijdel
Dat is, hunne wijsheid tevergeefs in het werk stellen tegen Gods wijsheid.
Hertaald:
dat zij ijdel
Dat is: dat zij hun wijsheid tevergeefs inzetten tegen Gods wijsheid.
roeme op mensen,
Dat is, vergape zich niet en vertrouwe op geen menselijke wijsheid.
Hertaald:
roeme op mensen,
Dat is: laat niemand zich verkijken op menselijke wijsheid of daarop vertrouwen.
uwe
Dat is, van God tot den dienst van uwe zaligheid geschikt en verordineerd; zelfs de voornaamsten onder de leraars zijn niet voor zichzelven, maar voor de gemeente. En daarom moeten zij alles richten niet tot hun eigen eer, maar tot de eer van Christus en uwe zaligheid.
Hertaald:
uwe
Dat is: door God geschikt en verordend tot de dienst van uw zaligheid. Zelfs de voornaamsten onder de leraars zijn er niet voor zichzelf, maar voor de gemeente. Daarom moeten zij alles richten, niet op hun eigen eer, maar op de eer van Christus en op uw zaligheid.
zijt van Christus,
Namelijk lichaam of bruid, als van uw hoofd.
Hertaald:
zijt van Christus,
Namelijk Zijn lichaam of bruid, als van uw Hoofd.
is Gods
Namelijk des Vaders welgeliefde Zoon en Gezant, om ons tot de eeuwige erve met Hem te brengen. Zie 1 Kor. 11:3 , en 1 Kor. 15:27-28 .
Hertaald:
is Gods
Namelijk de geliefde Zoon en Gezant van de Vader, om ons met Hem tot de eeuwige erfenis te brengen. Zie 1 Kor. 11:3 en 1 Kor. 15:27-28. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Te midden van een vermaning tegen partijschap in de gemeente vraagt Paulus: "Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?" (1 Kor. 3:16). Daarop volgt de ernstige waarschuwing dat wie deze tempel schendt, door God geschonden zal worden, "want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt" (1 Kor. 3:17). Hier is de gemeente als geheel bedoeld. Later, in een vermaning tegen hoererij, past Paulus hetzelfde beeld toe op het lichaam van de enkeling: "ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt" (1 Kor. 6:19), met de grond: "gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn" (1 Kor. 6:20). Bijbelse betekenis: Waar de tabernakel en de tempel (Ex. 25 en 1 Kon. 6, reeds behandeld) de plaats waren waar God onder Israël woonde, ligt die plaats nu ergens anders. Na de uitstorting van de Heilige Geest is zij verlegd naar de gemeente gezamenlijk én naar het lichaam van elke gelovige afzonderlijk. Beide toepassingen dringen aan op heiligheid — de een tegen verdeeldheid, de ander tegen onreinheid — juist omdat het geen eigen bezit meer is, maar Gods eigendom, gekocht met een prijs. Typologie: Efeze trekt dezelfde lijn door voor de gemeente als geheel: "het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere" (Ef. 2:21). 1 Kor. 3:16-17; 1 Kor. 6:19-20; Ex. 25; 1 Kon. 6 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Korinthe waren partijen ontstaan: de een noemde zich van Paulus, de ander van Apollos. Paulus vergelijkt zichzelf en de anderen daarom met arbeiders, en de gemeente met een bouwwerk in aanbouw. Er ligt maar één fundament, en het gebouw dat erop staat blijkt een tempel te zijn. Het beeld begint bij het bouwterrein. Paulus heeft als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop. Maar over dat fundament valt niets te kiezen: “Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.” De kanttekening onderscheidt twee manieren waarop Hij het fundament heet. Ten aanzien van Hemzelf, omdat de zaligheid van de gemeente op Hem steunt; en ten aanzien van de leer, waardoor men tot Hem als de enige Zaligmaker gewezen wordt. Hier gaat het volgens haar over dat tweede: in de prediking mag men naar niemand anders wijzen. Wat erop gebouwd wordt is van heel verschillende kwaliteit — goud, zilver, kostelijke stenen, of hout, hooi en stoppelen — en het vuur zal het uitmaken. Ook dat gaat volgens de kanttekening over leraars en hun leer, en niet over ieders levenswerk in het algemeen. En dan, alsof het niets is, de zin waar dit hoofdstuk om in dit register staat: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?” Het gebouw waarover hij het had, blijkt geen gewoon huis. Er staat tempel. Om te voelen hoe groot dat is, moet men de lijn ernaast leggen. God wandelde in de hof, en de mens werd uitgedreven. Daarna kwam er een tent, met een voorhangsel ervoor en een streep eromheen. Daarna een tempel van steen, waar één man één keer per jaar achter het gordijn mocht. Toen het Woord vlees werd, woonde God onder ons in één Persoon. En hier staat dat een groep ruziënde mensen in een havenstad samen de tempel van God is, omdat Zijn Geest in hen woont. Daarom is de waarschuwing die erop volgt ook zo scherp: “Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.” Wie in Jeruzalem het heiligdom ontwijdde, raakte aan iets waar de doodstraf op stond. Paulus zegt dat het scheuren van een gemeente van dezelfde orde is. En zo hangt alles hier aan elkaar. Het fundament is een Persoon, en het gebouw is een woonplaats. Wat de tabernakel afbeeldde en de tempel in steen zette, staat hier in mensen overeind. In het Nieuwe Testament: Jesaja 28:16; Exodus 25:8; Johannes 2:21; Efeziers 2:20-22; 1 Petrus 2:5; Ezechiël 36:27 Hoever dit reikt: Dat het hier over de gemeente als geheel gaat en niet over het lichaam van de enkele gelovige, blijkt uit het meervoud. De samenhang met de partijschappen in deze brief wijst dezelfde kant op. Elders schrijft Paulus dat laatste er wel bij. Wat het beproeven door vuur inhoudt, verklaart de kanttekening van de leer van de leraars, en zij onderscheidt dat uitdrukkelijk van dwalingen die het fundament omstoten.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen. (Lukas 13:24) Lees verder Lukas 12:15—21.… En toen Hij de hand van de blinde genomen had… en nadat Hij in zijn ogen gespuwd en de handen op hem gelegd had, vroeg Hij hem of… Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem. (Hooglied 2:16) Lees verder Galaten 2:15—21. Hoe is mijn Liefste van mij? Hij is van mij omdat Hij zich… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …jonge kinderen in Christus… 1 Korinthe 3 vers 1 Ben je bedroefd omdat je zo zwak bent in het leven voor… Aanschouw de heilige wapenkamer van de Zoon van David, daarin ligt uw strijdbijl en al uw andere oorlogswapens. In de voorraadkamer van Hem die groter is dan Aaron,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U echter bent van Christus… 1 Korinthe 3 vers 23 Je bent van Christus. Je bent van Hem door overgave, want… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt — 3:9-17
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Strijd om binnen te gaan
Weet wat God gedaan heeft
Voor jou, mijn ziel
Kleine kinderen in geloof
De volheid van Jezus
Je bent van Christus


1 Korinthe 3
1 Korinthe 3:1
Kruisverwijzingen1 Korinthe 2:14→1 Korinthe 2:6→Romeinen 7:14→Efeze 4:13→1 Korinthe 14:20→Hebreeën 5:13→Galaten 6:1→1 Johannes 2:12→— En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
De gemeente van Korinthe bestond uit mensen met veel opleiding en grote gaven. Het was een van die gemeenten die het één-mansysteem hadden losgelaten, waar iedereen sprak zoals hij zelf wilde — een zeer ontwikkelde gemeente, en ook een gemeente van christenen, maar toch: christenkinderen. En hoewel zij zichzelf zo groot vonden, zegt de apostel dat hij nooit tot hen sprak als tot geestelijke mensen. Hij hield het bij de eenvoudige beginselen, omdat het vleselijke deel nog te veel in hen aanwezig was om geestelijke dingen te kunnen verdragen.
1 Korinthe 3:2-3
KruisverwijzingenJohannes 16:12→1 Petrus 2:2→Hebreeën 5:11→1 Korinthe 11:18→1 Korinthe 1:11→Jakobus 3:16→Galaten 5:15→Jakobus 4:1→— Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet. Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?
Hoe dankbaar behoren wij te zijn dat er melk is, en dat deze melk de ziel voedt. De eenvoudigste waarheden van het christendom bevatten alles wat de ziel nodig heeft, zoals melk een voeding is waarop het lichaam in leven kan blijven, zonder iets anders. Toch behoren wij te verlangen te groeien, zodat wij niet altijd op een melkdieet blijven, maar de vaste spijs kunnen verteren: de hoge leer van de diepe dingen van God. Die zijn voor volwassenen, niet voor kleine kinderen. Laat de kleinen dankbaar zijn voor de melk, maar laten wij ernaar streven sterke mannen te worden, die zich met vaste spijs kunnen voeden. Een eensgezinde gemeente is een groeiende gemeente, misschien een volwassen gemeente; maar een verdeelde gemeente, uiteengevallen in partijen waarin ieder een positie zoekt en op wil vallen, is een gemeente van kleine kinderen. Zij zijn vleselijk en wandelen als gewone, onwedergeboren mensen.
1 Korinthe 3:4
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:12→1 Korinthe 3:3→1 Korinthe 4:6→— Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?
Is dit niet precies zoals gewone, alledaagse mensen zouden doen? Waar blijft uw geestelijke gezindheid als u zo handelt? In plaats daarvan hadden zij allen samen moeten strijden voor de verdediging van het gemeenschappelijke geloof in Jezus Christus. Er is geen groter teken van louter kinderlijke onvolwassenheid in de ware godsdienst dan het opwerpen van de namen van leiders, of de voorkeur voor deze of gene bijzondere leervorm. Beter is het te trachten de hele waarheid te vatten, waar men die ook vindt.
1 Korinthe 3:5-6
Kruisverwijzingen2 Korinthe 6:4→Handelingen 18:26→Handelingen 18:4→1 Korinthe 3:10→2 Korinthe 3:6→1 Korinthe 3:9→1 Korinthe 9:1→2 Korinthe 10:14→— Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft? Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.
Wie is Paulus dan, en wie is Apollos, anders dan dienaars? Merk op dat het Paulus zelf is die deze vraag stelt. Hij noemt hier zijn eigen naam om te tonen dat hij Apollos niet meer minacht dan hij zichzelf minacht. Laat God dan alle eer ontvangen. Wees dankbaar voor de planter, en dankbaar voor de besproeier — ja, wees ook dankbaar aan hen. Maar laat toch het zwaartepunt van uw dankbaarheid liggen bij Hem, zonder Wie besproeien en planten tevergeefs zouden zijn. Zij streefden hetzelfde doel na; Apollos en Paulus waren één van hart. Zij waren ware dienstknechten van één Meester.
1 Korinthe 3:7-9
KruisverwijzingenEfeze 2:20→Johannes 15:5→Romeinen 2:6→2 Korinthe 6:1→1 Petrus 2:5→Galaten 6:3→Johannes 4:36→1 Korinthe 3:16→— Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft. En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.
U bent Gods akkerland. Dan werkt de apostel dezelfde gedachte uit onder een ander beeld, van de landbouw naar de bouwkunst.
1 Korinthe 3:10
KruisverwijzingenRomeinen 15:20→1 Korinthe 3:11→Romeinen 12:3→1 Petrus 4:11→Openbaring 21:14→Mattheüs 24:45→1 Korinthe 15:10→Lukas 11:35→— Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.
Paulus begon de gemeenten; hij was de eerste prediker van het Evangelie te Korinthe, en ook op andere plaatsen, en andere predikers volgden in zijn voetsporen. Legt iemand een goed fundament, dan is hij altijd bezorgd dat wie na hem komen even degelijk zullen bouwen als hij begonnen is. Het is een groot verdriet voor iemand die een fundament van waarheid gelegd heeft, wanneer een ander daarna komt en er een dwaling bovenop bouwt. Helaas, dat gebeurt nog steeds.
1 Korinthe 3:11-15
KruisverwijzingenEfeze 2:20→Jesaja 28:16→Openbaring 20:12→1 Petrus 1:7→1 Korinthe 4:5→Judas 1:23→2 Timotheüs 2:19→1 Petrus 2:6→— Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen; Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.
Het is heel gemakkelijk om snel een gemeente op te bouwen. Heel gemakkelijk om veel opschudding in de godsdienst te veroorzaken en beroemd te worden als zielenwinner. Heel gemakkelijk. Maar de tijd beproeft alles. Al was er geen ander vuur dan het loutere vuur van de tijd, het zou al genoeg zijn om iemands werk te beproeven. Een gemeente kan afbrokkelen bijna zodra zij is samengebracht. Een gemeente kan afwijken van de leer die zij beleed te houden. Blijkt het onderwijs van de vooraanstaande leraar uiteindelijk vals en verkeerd in de praktische uitkomsten, dan komt wat hij gebouwd heeft tot niets! Ach, geliefde vrienden, hoe weinig wij ook doen, wij behoren te streven het te doen voor de eeuwigheid. Zult u nooit meer dan éénmaal de kwast op het doek zetten, maak dan een onuitwisbare streek. Komt er maar één werk uit de werkplaats van de beeldhouwer, laat het dan iets zijn dat door alle eeuwen heen zal blijven leven. Maar wij hebben altijd zo’n haast: wij maken veel dingen die met ons vergaan, kortstondige resultaten. Wij zijn niet zorgvuldig genoeg over waarmee wij bouwen. Moge God geven dat deze waarheid tot ons doordringt. Bedenk: is het al moeilijk te bouwen met goud en zilver, en nog moeilijker met kostbare stenen, toch zal wat gebouwd is het vuur doorstaan. Het is gemakkelijk te bouwen met hout, en nog gemakkelijker met hooi en stoppels, maar dan blijft er van een heel levenswerk maar een handvol as over, als wij daarmee bouwen. Meende hij het goed — deed hij zijn best God te dienen als werker, ook al heeft hij veel dwalingen geuit en zich vergist, en wie van ons heeft dat niet? — dan zal hij behouden worden, ook al wordt zijn werk verbrand.
1 Korinthe 3:16-17
Kruisverwijzingen1 Korinthe 6:19→Ezechiël 36:27→Romeinen 8:9→2 Korinthe 6:16→Efeze 2:21→Romeinen 8:11→1 Petrus 2:5→1 Johannes 4:15→— Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.
Weet u het? Hij zegt “weet gij niet,” maar ik zou dat woordje ‘niet’ weg kunnen laten en zeggen: weet u dat u de tempel Gods bent? Wat een wonderlijk feit is dat! Binnenin het lichaam van de gelovige woont God, als in een tempel. Hoe verwaarlozen sommige mensen hun lichaam, of verachten het zelfs volkomen. Zij zouden dat niet doen als zij begrepen dat zij de tempel Gods zijn en dat de Geest van God in hen woont. Vernielt iemand de tempel Gods, dan zal God hem vernielen. Breekt iemand af wat Paulus voor God gebouwd heeft, breekt iemand af wat een getrouwe dienstknecht van Christus vóór hem gebouwd heeft, dan zal God hem verderven.
1 Korinthe 3:18
KruisverwijzingenJesaja 5:21→Galaten 6:3→1 Korinthe 1:18→1 Korinthe 8:1→Jakobus 1:22→Spreuken 3:5→1 Korinthe 6:9→Jeremia 8:8→— Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
Want die soort dwaasheid is de drempel van de ware wijsheid. Laat niemand zich zelf bedriegen. Dunkt iemand onder u dat hij wijs is in deze wereld, laat hij dwaas worden, opdat hij wijs moge worden. Laat hij zich niet als wijs willen laten gelden door de wijsgeren van deze tijd, die altijd tegen de waarheid van God zijn. Laat hij zich veeleer een dwaas laten noemen; ja, laat hij in zijn eigen hart weten dat hij niet wijs is, en laat hij zich dan overgeven aan de wijsheid van God. Het besef van onwetendheid is het voorportaal van de kennis, en wie heel goed weet dat hij een dwaas is, is op weg een wijs man te worden. Wie de tempel van de wijsheid wil binnengaan, moet eerst zijn eigen onwijsheid belijden.
1 Korinthe 3:19-20
KruisverwijzingenJob 5:13→1 Korinthe 2:6→Psalmen 141:10→Romeinen 1:21→Psalmen 94:11→Jesaja 44:25→1 Korinthe 1:19→Psalmen 9:15→— Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid; En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
Wat is er, ten slotte, wonderlijk weinig verschil tussen de zeer ontwikkelde mens, die zichzelf daarvoor houdt, en de mens die daar helemaal geen aanspraak op maakt! De kennis van de wijste mens is voor het aangezicht van God ongeveer gelijk aan de kennis die een kind van drie jaar heeft boven een kind van twee. Voor God moeten wij allen bergen onwetendheid lijken. Bracht men alle geleerde genootschappen en alle doctoren in de godgeleerdheid bijeen, dan zouden de dingen die zij niet weten vele boekdelen vullen. De dingen die zij wél weten zouden niet ver reiken. “De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.”
1 Korinthe 3:21-23
KruisverwijzingenRomeinen 8:32→1 Korinthe 4:6→Galaten 3:29→Romeinen 8:28→1 Korinthe 11:3→2 Korinthe 10:7→Openbaring 21:7→1 Korinthe 15:23→— Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
Er is werkelijk niets in de mens om op te roemen. De besten onder de mensen zijn op hun best nog altijd mensen. Wij hoeven onszelf nooit te verhogen, noch anderen te verheerlijken: “Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.” Kinderen Gods, alle mensen zijn de uwe, om uw hoogste welzijn te dienen. Alle dienaren en voorgangers in Christus zijn de uwe, om het welzijn van uw ziel te zoeken. Behandel hen zoals bijen bloemen behandelen, en verzamel van allen honing. Ere zij Zijn heilige Naam, dat wij van Christus zijn, en Christus Gods is!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
c. Vers 1-23KruisverwijzingenJohannes 16:12→Efeze 2:20→1 Petrus 2:2→Hebreeën 5:11→1 Korinthe 2:14→1 Korinthe 2:6→Romeinen 7:14→1 Korinthe 11:18→
— En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet. Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens? Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk? Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft? Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven. Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft. En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.
Evenals de apostel aan het begin van het vorig hoofdstuk zijn wijze van leren rechtvaardigde met het oog op Rom. 1: 17, zo doet hij aan het begin van dit hoofdstuk zo ook, met aansluiting aan het uiteengezette in Hoofdstuk 2: 6 v. De omstandigheid, dat de Corinthiërs nog niet volkomen waren, maar nog jonge kinderen, nog niet geestelijk, maar slechts vleselijk, zoals zij ook nu nog door hun twisten bewezen, heeft hem verhinderd om bij het onderwijzen van hen in de Christelijke leer van de zaligheid die kant op de voorgrond te plaatsen, volgens welke zij in het oog valt als een Goddelijke wijsheid, die boven alle menselijke wijsheid ver verheven is (vs. 1-4). Hierop houdt Paulus de lezers voor, in welk licht zij de verhouding van hun leraars tot hen en de arbeid van deze moeten beschouwen. Eensdeels houdt hij zich bezig met de verhouding van de menselijk werktuigen tot de Heere, die Zich van de bedient bij de stichting en opvoeding van een Christelijke gemeente (vs. 5-9), aan de andere kant met de verantwoording, die zij op zich hebben geladen voor hun arbeid en de dag van de beslissing over de waarde of onwaarde van deze, die dag zij tegengaan (vs. 10-15). Nu maakt de apostel een snelle overgang, om de lezers ook die verhouding te doen kennen, die zij als gemeente, als tempel van God, tegenover hen, die aan hen arbeiden, moeten innemen. Zijn rede gaat voort in steeds meerdere levendigheid en verhevenheid. Zij stelt van de gemeente voor de waardigheid, waartoe God haar heeft verheven, aan de ene kant tot haar waarschuwing, aan de andere om haar haar verheven staat te doen kennen (vs. 16-23).
En ik, broeders, toen ik gedurende anderhalf jaar bij u was (Hand. 18: 11) en u, nadat u het geloof in Jezus Christus had aangenomen, in de Christelijke leer van de zaligheid nu verder onderwees (Hand. 2: 42), kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
Treurt u gelovige, omdat u zo zwak bent in het goddelijk leven, omdat uw geloof zo klein is, uw liefde zo gering. Heb goede moed, want u heeft reden van dankbaarheid. Bedenk dat u in sommige dingen gelijk staat met de verst gevorderde Christenen. U bent net als zij gekocht met het bloed van Jezus, God heeft u evenals elk ander gelovige als Zijn kind aangenomen. Een zuigeling is zowel het kind van zijn ouders als de volwassen man. U bent even volkomen gerechtvaardigd, want een rechtvaardigheid klimt niet bij trappen, uw kern van geloof heeft u geheel gereinigd, u heeft evenveel recht op de kostbare voorrechten van het verbond als de verst gevorderde Christenen, want uw recht op de verbondsgenade ligt niet in uw groei, maar in het verbond zelf en uw geloof in Jezus is niet de maat maar het bewijs van uwe erfenis in Hem. U bent zo rijk als de rijkste in de werkelijkheid bezit, al is het dat u er het genot niet van heeft. De kleinste ster, die blinkt staat toch aan de hemel, de geringste zonnestraal is toch verwant aan het grote licht van de dag. In het boek van het leven zijn de kleinen en de groten met dezelfde pen geschreven. U bent even dierbaar aan uw Vader als de grootste in het huisgezin. Jezus heeft u teder lief. U bent gelijk aan de rokende vlaswiek; een ruwere geest zou zeggen: blus die rokende vlaswiek uit, zij vervult de kamer met een onaangenamen reuk, maar Hij zal de rokende vlaswiek niet uitblussen. U bent gelijk aan het gekrookte riet, elke minder tedere hand dan die van de grote Meester, zou u vertreden of wegwerpen, maar Hij zal het gekrookte riet nooit verbreken. In plaats van u te laten ontmoedigen door hetgeen u bent, behoorde u in Christus te triomferen. Ben ik slechts een kleine in Israël, echter ben ik met Christus in de hemel gezet. Ben ik arm in geloof, toch ben ik in Christus een erfgenaam van alle dingen. Hoewel ik minder dan niets en aan de ijdelheid gelijk ben, toch, zo de wortel van de zaak in mij is, zal ik mij verblijden in de Heere en mij beroemen in de God van mijn heil.
a) Ik heb u toen in mijn prediking met melk gevoed en niet met vast voedsel, zoals men aan hen geeft, die “door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben” (Hebr. 5: 11); want u kon toen nog niet dat sterke voedsel verdragen, ja u kan dat ook nu nog niet (1 Petrus 2: 2).
Want u bent nog altijd, evenals te voren (vs. 1), vleselijk en behoort nog geenszins tot de volmaakten; a) want omdat, zoals ik heb vernomen (Hoofdstuk 1: 11), onder u nijd is en twist en tweedracht, bent u niet vleselijk (Gal. 5: 19 vv. Rom. 13: 13) en wandelt u niet naar de mens? Leidt u niet een ongeestelijk, een natuurlijk leven (1 Petrus 4: 2).
Jak. 3: 16.
Want als de een zegt: “Ik ben van Paulus” en een ander: “Ik ben van Apollos”, zoals dat onder u plaats heeft (Hoofdstuk 1: 12); bent u niet vleselijk? Zou u niet, als u geestelijk was, hetzelfde spreken en u dicht aan elkaar sluiten in een gezindheid en in enerlei mening (Hoofdstuk 1: 10)?
In Hoofdstuk 2: 1, waar de apostel spreekt evenals hier, spreekt hij over het begin, hier over de voortgang van zijn apostolisch onderwijs; hij wilde zich nog steeds verantwoorden over zijn prediking en wijze van prediken bij de Corinthiërs. Die hij voor Christus gewonnen heeft en tot de doop in Zijn naam heeft geleid door de prediking van het woord van het kruis waren nu geen zuiver natuurlijke mensen meer (vs. 14). Het krachtige, weder barende woord van God had hen gered uit de toestand van de natuurlijke mens, die niets van de Geest van God verneemt of aanneemt. Maar de nieuwe geestelijke mens in hen, die geestelijk hoort, oordeelt, wil, werkt en voelt, was nog zo door het vlees, d. i. door de oude mens gebonden, dat de apostel hen vleselijken moest noemen. Zij waren dat niet alleen in die zin, als ieder Christen eensdeels nog vleselijk, nog van de zwakheid van het vlees omgeven is, maar als degenen, die tegenover de drang van de Geest hier en daar de vleselijke zin volgden, in het vlees roemden en met vleselijke wijsheid omgingen tot schade van de Christelijke reinheid en zo was ook hun aanmerking, in het bijzonder van de kant van hen, die zich “van Apollos” noemden, dat Paulus anders, op meer verheven toon met hen had moeten spreken, onverstandig en onchristelijk.
Paulus kon de Corinthiërs nog niet als geestelijken behandelen; zij waren nog vlees, hoogstens door de adem van de goddelijke Geest in zo verre aangeraakt, dat hij ze als jeugdige kinderen in Christus kon beschouwen en noemen. Daarom was en is nog steeds hun vatbaarheid gebrekkig, hun inzicht zwak en behoeftig en wat in Hoofdstuk 2: 15 van geestelijken is gezegd, op hen niet toepasselijk. Daarnaar moest zich noodwendig ook de leerwijze van de apostel richten. Hij moest te eerder alles vermijden, waaraan hun vleselijke gezindheid zich hechten kon ten koste van de inhoud van zijn prediking. Wat het heerlijk onderwerp van zijn prediking alleen waardig was (Hoofdstuk 1: 17, 21, 25); wat om de uitwerking, die zij moest hebben, alleen doelmatig was (Hoofdstuk 2: 4 vv,), dat eiste ook de toestand van zijn hoorders zelf. Zij zouden volstrekt geen andere voordracht van de leer hebben kunnen volgen, die hen dadelijk in al de diepte van de goddelijke raad ter zaligheid had willen inleiden. Des te minder hebben zij reden om zich te beklagen, dat hij hen juist zo heeft onderwezen als hij heeft gedaan. Hij zegt: u kon het vaste voedsel nog niet verdragen, daarom heb ik u melk te drinken gegeven (vgl. 1 Petrus 2: 2). Het verband eist niet, dat het onderscheid tussen melk en voedsel zou doelen op de onderscheiden inhoud van de prediking, evenmin als het beeld, hier gebruikt, dat vordert. De voortgang, voor de Corinthiërs nodig, bestond niet daarin, dat zij iets nieuws leerden, maar dat zij het oude, dat Paulus hun reeds gepredikt had, beter waardeerden en vollediger begrepen, het als de wijsheid erkenden, zoals zij dat is voor de volmaakten en daardoor te betonen, dat zij werkelijk tot de volkomenen behoorden.
Paulus noemt hier van de vier partijen, in Hoofdstuk 1: 12 aangehaald, de beide eerste, omdat hij in deze gehele afdeling handelt, over de tegenstand van de partij van Apollos tegen hem en tegen degenen, die zich tegen zijn wil naar hem noemden (vgl. Hoofdstuk 4: 6).
Om uw partijschappen moet ik een vraag u voorleggen, waarvan de beantwoording de dwaasheid en verwerpelijkheid van de scheuring onder u aanwijzen zal. Het is de vraag: Wie is dan Paulus? en wie is Apollos? Wat zijn zij anders dan dienaars, waardoor u geloofd heeft? Zij zijn dus geen meesters, waaraan u zich als aan hoofden met uw geloof moet vasthouden. Zij zijn dienaars, die de middelen zijn geworden voor u, om tot het geloof te komen en dat, zoals de Heere aan een ieder gegeven heeft, zodat hun dienst in een tweevoudige gedaante te voorschijn treedt, die een zekerverschillende wijze van hun werkzaamheid teweeg bracht.
Ik heb het gewas van uw gemeente als een Christelijke geplant, Apollos heeft nat gemaakt (Hand. 18: 1-18 en 27 v.); maar God heeft de groei gegeven en zo komt dat verschil weer meteen tot een eenheid, die bij beiden bestaat.
Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt (Joh. 3: 27), zodat men recht zou hebben zich naar zijn naam te noemen, maar God, die de groei geeft, is alles in allen (Kol. 3: 11. Ps. 115: 1). Hij moest het uitgezaaide vruchtbaar maken, zodat het groeide en het nat maken, zegenen, opdat Hij de groei veroorzaakte.
De apostel beschouwt de gemeente te Corinthiërs als een planting, die haar oorsprong aan hem, aan Paulus, haar groei, die ook uitbreiding naar buiten in zich sluit, aan Apollos te danken heeft, maar beide slechts in zoverre dit menselijke werkzaamheden waren, die God dienden, die de groei bewerkte, zonder wie noch planten noch begieten het tot een gewas zou hebben gebracht. Daardoor wordt de verdienste, dat een gemeente te Corinthiërs bestond, aan die beiden ontnomen, die daartoe op menselijke wijze werkzaam waren geweest en alleen tot God terug geleid.
Hoe moest de Corinthiërs, die door de arbeid van de apostel in die anderhalf jaar (van de herfst van het jaar 52 tot de lente van 54, Hand. 18: 11) uit de woestijn van het Jodendom en de wildernis van de heidenen in de tuin van de kerk waren overgeplant, het hart kloppen bij zijn woorden: “ik heb geplant. ” “Hij leerde hun het woord van God” zegt Lukas eenvoudig van het planten van Paulus te Corinthiërs; en wij hebben in het tweede hoofdstuk gelezen hoe hij hun het woord van God leerde, hen inplantend in de vruchtbare grond van de liefde van God, aan het kruis van Christus geopenbaard. Als nu de broeders te Efeze van het planten van de apostel te Corinthiërs hoorden, zonden zij Apollos over; en deze “heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden, door de genade” (Hand. 18: 26). De Heere had hem de schone gave van de genade geschonken het Evangelie van Christus door de gehele Schrift te zien en krachtig in het bewijs voeren, de tegenspraak van de ongelovige Joden te overwinnen, dus het wortel schieten van de planten van de Heere (Jes. 61: 3) in de geestelijke grond van de Schrift en hun ontwikkelen uit de zaden van het woord tot stengels, bladeren, bloesems en vruchten te bevorderen. Daarvan zegt Paulus met blijde erkenning van de gave aan zijn broeder verleend: “Apollos heeft nat gemaakt. ” Met hem treedt hij nu echter terug achter Hem, die door het planten en nat maken van Zijn werktuigen alleen het leven van het geplante en natgemaakte heeft teweeg gebracht, namelijk het leven van het geloof – “God heeft groei gegeven.”
Volgens hun mening verhieven de partijmannen de door hen tot partijhoofden gemaakte mannen zeer hoog; maar inderdaad verlaagden zij hen; want door die mensen boven hetgeen behoorlijk is te verheffen, beroven zij hen van hun werkelijke waarde, daar al hun voorrang alleen daarin bestaat, dat zij dienaars van het geloof zijn en niet voor zich, maar voor Christus tot discipelen te winnen.
Niet dat is onrecht, dat de schapen van Christus, die Zijn stem kennen, liever geestelijke en wedergeborene dan vleselijke predikers horen; maar wel moeten die toehoorders vleselijk worden genoemd, als zij bij verschillende gaven van rechtschapen dienaars de ene aanhangen en de andere verachten, ze in het geheel niet of toch zelden horen, waardoor zij zich niet slechts tegen dezen, maar ook tegen God zelf en tegen Zijn woord bezondigen.
Harmonie heeft altijd iets, dat ons treft en bekoort, maar waar blinkt zij ons heerlijker tegen dan wanneer wij het rijk van de natuur en het rijk van de genade opmerkend samen vergelijken? Zowel in het een als in het ander blijkt uit talloze proeven de waarheid van het woord, waarvan de herinnering, zeker niet alleen in de eerste eeuwen van de Christenheid noodzakelijk was. “Zo is dan noch hij die plant iets noch hij, die nat maakt, maar God, die de groei geeft. ” – Vergelijken wij het geestelijk akkerwerk van God met wat ons de heerlijke schepping doet aanschouwen, weldra blijkt het ons, dat God in beide dezelfde kracht openbaart. In beide rijken wordt groei gezien; zoals het daarbuiten voortstreeft, van zaaitijd tot bloeitijd, van bloeitijd tot oogst, zo is ook in het Godsrijk niet stilstand, veel minder teruggang, maar gedurige groei de leus en hij vindt dan ook werkelijk plaats, waar eenmaal het goede werk in een zondig hart is begonnen. die groei kunnen intussen beide rijken zichzelf niet geven. Zeker zowel op de akker van het veld als op de akker van het hart hangt er niet weinig van af, of de grond met overleg is bewerkt, of er werkelijk goed zaad is gestrooid, of het gezaaide met voldoende zorg bewaakt, gekweekt en besprengd wordt. Maar met dat al, de groei zelf komt enkel en uitsluitend van boven en het was meer dan een vrome verzuchting, het was beide de uitspraak van geloof en van de diepste levenservaring, die in het woord van Paulus ons tegenklinkt: “die het zaad de zaaier verleent, die vermenigvuldigt ook u gezaaisel en vermeerdert de vruchten van uw gerechtigheid! ” (2 Kor. 9: 10). Het is daarbij ongetwijfeld van grote betekenis, dat de grote Gever van de groei beide in het rijk van de natuur en van de genade dezelfde regels volgt. In beiden geeft God groei, maar alleen waar eerst in diepe afhankelijkheid van Hem, geplant en natgemaakt is. De middelen van de genade worden bij het verlenen van de groei niet buiten werking gesteld, maar veeleer verondersteld en gevorderd. Al baden vrome ouders van de morgen tot de avond om het eeuwig heil van hun kroost, dat bidden zou spotten zijn als zij hun kinderen niet tevens opvoedden in de lering en vermaning van de Heere. Alleen bij het gebruik van de middelen geeft God voorts de groei onmerkbaar, langzamerhand en met trapsgewijze voortgang. Niet op eenmaal wordt het spruitje een plant en de eikel een eik; niet als door een toverslag staat daar opeens het nieuwe schepsel in Jezus Christus tot goede werken geschapen. De aanvang van het geestelijk leven is doorgaans voor anderen, vaak voor onszelf bedekt; vaders in Christus worden wij niet, als wij niet eerst mannen, mannen niet, als wij niet eerst jongelingen en kinderen in Hem zijn geweest. Daarbij, God geeft de groei, maar op Zijn eigen tijd en op Zijn bijzondere wijze. Evenmin in het rijk van de natuur als in dat van de genade laat Hij op dit punt Zich de wet door één van Zijn schepselen voorschrijven: Hij is de Heer, die doet wat goed is in Zijn ogen. De kracht van alle mensen kan de zomer niet uit een koude lente te voorschijn drijven, maar ook het verstand van alle wijzen de oogstdag niet uitstellen, als hoger wijsheid wil, dat het graan reeds betrekkelijk vroeg gerijpt zal zijn. De ene heester groeit in de zon, de andere in de donkere schaduw; de groei gaat voort in de stilte, maar straks weer wordt hij voorwaarts gestuwd door de storm, die wij meenden dat alles bederven zou en die juist van achteren blijkt, van onberekenbare zegen geweest te zijn. Wij denken vaak dat de boom van ons geestelijk leven zorgvuldig moet worden ontzien en gekoesterd, maar God besnoeit hem zo hard, dat hij geheel schijnt ontluisterd, opdat hij juist zo te rijker vruchten zou dragen. Genoeg, God geeft groei, maar na tijdelijke teleurstelling straks in te overvloediger mate. Misgewas kan er zijn op het gebied beide van de natuur en de geest, maar straks wordt het vervangen door te overvloediger oogst, want daar en hier kan men zeggen, dat Hij, die de groei geeft, die ook werkelijk wil, omdat Hij de God van het leven en van de goedertierenheid is, die onmogelijk kan laten varen het werk van Zijn handen. Behoeft het nog gezegd te worden dat Hij, die zo op tweeërlei grondgebied Zijn heerlijkheid openbaart, dan ook op beide dezelfde hulde verdient? God is het, die de groei geeft! Wat een krachtige roepstem tot danken en bidden, waar dan ook tot werken en wachten. Beschouwingen als deze zijn goed geschikt om ons klein te maken en ons voor onze God in de diepste ootmoed te houden. Met al onze wijsheid en kracht kunnen wij niets doen buiten Hem, die slechts het “groeit en vermenigvuldigt” van het kostbaarst zaad heeft terug te houden en het is verstikt in de aarde. Maar wat een verheffend uitzicht ook daar tegenover en wat een prikkel tot ijverig werken! Hij, die de groei moet geven, Hij wil en zal het ook, waar met een oog op Hem geplant en nat gemaakt is; op teleurstellingen moeten wij altijd voorbereid zijn, maar ook op verrassingen mogen Zijn dienaren rekenen en straks in Zijn naam elkaar toeroepen: “Hef uw hoofden op en aanschouw de landen, want zij zijn al wit om te oogsten! “
En die plant en die nat maakt zijn één, namelijk niets anders dan dienaren van God; a) maar een ieder, de een zowel als de ander, zal in de dag van de vergelding zijn loon ontvangen naar zijn arbeid, naar mate van de moeite en inspanning, van de trouw en nauwgezetheid, die hij heeft betoond in hetgeen hem was bevolen.
Ps. 62: 13. Jer. 17: 10; 32: 19. 2 Kor. 5: 10. 22: 12.
“Die plant en die nat gemaakt zijn een” er is geen onderscheid onder hen wat de verhouding aangaat tot Hem, die ze als Zijn werktuigen gebruikt; zij zijn beide niet meer en niet minder dan Zijn dienaren, daarin een, dat zij juist daarin gelijk zijn.
Hoewel alle werkers in het akkerwerk van God gelijk zijn in dat opzicht, dat niemand meer en niemand minder is dan dienaar en werktuig van God en dus dat onderscheid verkeerd is, dat partijschap onder hen maakt, zo is er toch onderscheid onder hen voor God: een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. Bij gelijke zaligheid, die dezelfde Christus voor allen verdiend heeft en aan alle gelovigen, die tot dezelfde hoop geroepen zijn, toekent, zullen de dienaren van God velerlei beloning ontvangen, de een hoger dan de andere, ieder naar zijn werk, macht over tien en over vijf steden (Luk. 19: 15 v.), eergestoelten, erekronen, hemelglans, lof van de Heere (MATTHEUS. 19: 28. 1 Kor. 9: 25. 1 Petrus 5: 4. Dan. 12: 3. 1 Kor. 4: 5. Vertroostend is daarbij dit, dat het loon is afgemeten naar de arbeid, niet naar de uitkomst, ook de bijna vruchteloze arbeid van Paulus te Athene en zijn zo moeilijke, maar vergeefse arbeid te Jeruzalem heeft zijn loon in de hemel. Maar waarom spreekt hij hier van het loon van de dienaren van God? Omdat hij het ware loon, dat zij van God zullen ontvangen, elk naar zijn arbeid, tegenover het valse loon wil stellen, dat de partijen te Corinthiërs uitdeelden naar vleselijke waardering. Wee de dienaren van God, die naar mensenlof en kronen van partijen jagen. Zij hebben hun loon al. Maar die getrouw dienen en werken zonder te vragen naar menselijk oordeel, zullen een vol loon ontvangen.
Wat de verlossing aangaat kan van verdienste geen sprake zijn; het is echter de vraag hoe getrouw iemand gebruik maakt van de genade door hem ontvangen en daarin arbeidt. Dan is het: “die zal gegeven worden;” dat is het wat Paulus loon noemt.
Verder zeggen wij dat de goede werken waarlijk verdienen, niet dat zij voor ons vergeving van zonden zouden verdienen of ons voor God rechtvaardig maken, want zij behagen God niet, als zij niet geschieden door Hem, door wie de zonden reeds vergeven zijn. Zo zijn zij ook het eeuwige leven niet waard; maar zij verdienen andere gaven, die in dit en na dit leven worden gegeven. De zaligen zullen beloning hebben, de een meer dan de ander. Zo’n onderscheid maakt de verdienste, naardat die voor God welbehaaglijk is en is verdienste, omdat zij die goede werken doen, die God tot kinderen en erfgenamen heeft aangenomen. Zo hebben zij dan eigen en bijzondere verdienste, evenals het een kind boven het andere.
Want wij, uw leraars, zijn Gods a) medewerkers; wij arbeiden met Hem in Zijn werk. Gods akkerwerk, dat voltooid moet worden, Gods b) gebouw, dat opgebouwd moet worden (Efez. 2: 21 v.), bent u, Christelijke gemeenten.
2 Kor. 6: 1. b) Kol. 2: 7. 1 Petrus 2: 5.
Met bijzondere kracht en verhevenheid staat vooraan het woord “Gods”, dat de heilige adel van de leraars en van de gemeente uitspreekt. Het komt telkens in de drie leden voor, in een schone opklimming leraars en gemeente aan elkaar verbindend. De eersten, die reeds boven vs. 5) met de eervolle, maar steeds nog ootmoedige uitdrukking “dienaars” werden genoemd, worden nu hier met veel hogere naam genoemd: “Gods medewerkers” en daardoor evenals door de gelijke heiligheid van de gemeente verheven boven het nietig menselijk, vleselijk oordelen en boven partijschappen.
Gods medewerkers of medehelpers (2 Kor. 6: 1) staan met hun arbeid en hun hulp niet naast God als degenen, met wie de Meester de arbeid deelt; hier is niet mensenkracht en Gods kracht aaneen verbonden, alsof God een helper nodig had, maar het werken van de dienaars is doortrokken van de werking van God (2 Kor. 5: 20), evenals omgekeerd ook de Heere hun Medewerker wordt genoemd (Mark. 16: 20). De Heere heeft het ambt van de Geest niet uit Zijn hand weggegeven toen Hij het Zijn medewerkers gaf; maar wel heeft hij hen tot Zijn hand gemaakt.
De gemeente is Gods akkerwerk; zij behoort Hem toe. Hij is het, die dit veld bebouwt, uitwendig door de prediking van de leraars, inwendig door Zijn Geest. Wat de leraars doen is planten en nat maken; maar het woord, dat wordt uitgezaaid, is het Zijne; alle geschiktheid, die zich in het eerste planten, zowel als in de verdere verzorging vertoont, is Zijn gave; van Hem hangt alle groei af; zonder Zijn zegenende kracht kan geen planten of nat maken iets teweeg brengen. Maar wat zo Goddelijk is, dat is een heiligdom, dat voor Hem moet worden bewaard. Een ander als mede-eigenaar te willen invoeren is een misdadige miskenning en verachting van Zijn recht. De gemeente is Gods gebouw, een beeld verwant met de uitdrukking “tempel van God. ” In beide namen ligt de inhoud van de werkzaamheid van Gods medewerkers opgesloten: bewerking van het akkerveld, optrekken van het gebouw.
Als de apostel bij het “Gods akkerwerk”, tot welk beeld de uitdrukkingen “planten en nat maken” had geleid, nog het “Gods gebouw” voegt, heeft hij niet de bedoeling dit nieuwe beeld verder uiteen te zetten; hij wil tot een verklaring overgaan, waarvoor dit tweede beeld een geschikter aanknopingspunt aanbiedt dan dat eerste.
Naar de genade van God, die mij tot mijn apostolisch ambt tot stichting van gemeenten gegeven is Ro 15: 24, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd. Ik heb mijn ambt volbracht, door in de goddelijke prediking zo te verkondigen als in Hoofdstuk 2: 1-5 gezegd is; en een ander, niet alleen één enkele, maar menigeen, die na mij tot in als leraar komt (Hoofdstuk 4: 15), bouwt daarop. Maar een ieder van hen, die zo verder bouwen, zie toe, hoe en met welk materiaal (vs. 12) hij daarop bouwt.
Nadat de apostel in de vorige verzen heeft aangetoond hoe verkeerd het is als enigen aan zijn of aan een andere persoon hangen, of voor de persoon van de ene partij kiezen tegenover de andere, dan wordt de slotzin van deze afdeling: “u bent Gods gebouw” tot uitgangspunt van een waarschuwing voor hen, die zich onderwinden, in zijn werk van opbouwing van de gemeente te treden. Van Zijn eigen arbeid spreekt hij niet met het oog op het loon, waarop hij mag hopen, maar alleen om te zeggen wat na hem aan de gemeente bleef te doen. Aan hem heeft God gegeven om als bouwmeester de grondslag te leggen. Elk ander werk nu is een daarop bouwen en dan drukt hij ieder op het hart wel toe te zien, dat hij daarop goed bouwt. Niemand van hen kan een ander fundament leggen naast dat en met terzijde stelling van dat, dat er reeds ligt. Allen, die te Corinthiërs na de apostel komen, zijn geroepen daarop te bouwen, omdat zij het fundament, het enige, dat gelegd kan worden, waar een Christelijke gemeente zal worden gevormd, reeds gelegd vinden.
Paulus neemt de inhoud van het woord “ik heb geplant” (vs. 6) in het beeld van het gebouw op (Jer. 18: 9) en spreekt nog eens nadrukkelijk uit, die zijn arbeid is, hem door de Heere toegewezen. Hij belijdt daar, dat hem de gave tot het leggen van het fundament, die voorname apostolische genade (Rom. 1: 5; 15: 20) gegeven was en dat hij met deze gave de Corinthiërs als een wijs bouwmeester had gediend. Niet zonder het Griekse vlees te treffen, noemt hij zich juist een wijs bouwmeester. Hij heeft het fundament gelegd, omdat hij de prediking van Jezus Christus, die voor de wijzen van deze wereld een dwaasheid is, naar Corinthiërs overbracht en met deze dwaze prediking aanhield tot die vast werd in een gemeente van geroepene heiligen, die hun geloof eendrachtig belijden met aanroeping van de naam van onze Heere Jezus Christus (Hoofdstuk 1: 2 en 6). Vroeger was Paulus een van de dwaze bouwlieden geweest, die de kostelijke steen van Zion hadden verworpen; maar nadat hij door genade de Christus had leren kennen, die tot hoeksteen geworden was, werd hij tot een wijs werkman, ja, een wijze bouwmeester (architect) met het bestek van het hele gebouw, als Gods medewerker, vertrouwd. Hij werd leidsman van het werk en aanvanger van de arbeid, zo het fundament leggend, dat het daarop te plaatsen gebouw vast gegrondvest staat; niet op menselijke wijsheid, maar op de kracht van God (Hoofdstuk 2: 5). Toen hij dan van Corinthiërs afscheid nam, had hij de arbeid volbracht, waartoe hij gezonden was. De haard van het Evangelische vuur stond daar, de bron van levend water was gegraven, de grond was gelegd. “Een ander bouwt daarop”, zegt hij, omdat hij weet, dat de rij van Gods medewerkers, geopend door de apostelen, zich zal uitstrekken, het ene lid na het andere, tot de dag van het laatste vuur van de beproeving. Het werk van al deze volgende bouwlieden kan geen ander zijn dan een opbouwend en tot deze allen richt hij vervolgens zijn waarschuwing: “een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt! ” Het verder opbouwen nu bestaat in het voortgaan met de prediking van het Evangelie en in de gehele dienst, waardoor de gemeente in hetgeen begonnen is, gesterkt wordt en in Christus Jezus opgebouwd, beide in leer en in leven. In het verband van de vier eerste hoofdstukken van onze brief waarschuwt de apostel niet tegen het invoeren van vreemde leer, maar alleen voor vleselijk en werelds oordelen over geestelijke zaken, voor misbruik van de ware evangelische leer tot onderwerp van menselijke redeneerkunst en wijsheid en dientengevolge tot een twistappel van verschillende partijen. Het is van belang om dit in gedachte te houden, om het oordeel te verstaan, dat in vs. 15 wordt aangekondigd.
Ieder, wiens werk het is om verder op te bouwen, zo vermaant de apostel, moet erop letten dat het op de juiste wijze, met het juiste bouwmateriaal gebeurt, dat de ontwikkeling van de gemeente niet in plaats van bevorderd, benadeeld wordt door leringen of leerwijzen, die niet passen bij de fundamentele leer, daarmee niet in overeenstemming zijn.
Want niemand van degenen die verder bouwen, kan een ander fundament leggen, dan hetgeen eens voor altijd door God zelf (MATTHEUS. 21: 42. Hand. 4: 10 v. Efeze. 2: 20) en dienovereenkomstig ook bij u door mij a) gelegd is, dat is Jezus Christus. Wilde iemand dat doen, hij zou niet meer een opbouwer zijn, maar een verstoorder en verwoester.
Jes. 28: 16. MATTHEUS. 16: 18.
Dit wijzen op het een fundament van de Christelijke kerk en leer wijst op een sterk indirect bestrijden van die leraars, die met voorbijgaan van de ware Christus, te ver van het fundament afdwaalden en gevaar liepen om het verder bouwen te veranderen in het leggen van een tweede, maar vals fundament.
Ik heb ondervonden en in alle geschiedenissen van de gehele Christenheid opgemerkt, dat allen, die het hoofdartikel van Jezus Christus goed hebben opgevat en vastgehouden, vast gebleven zijn in het waar Christelijke geloof en hoewel zij afgedwaald en gezondigd hebben, zijn zij toch ten slotte behouden, want die hierin recht en vast staat, dat Jezus Christus waarachtig God en mens is, voor ons gestorven en opgestaan, voor die worden meer en meer alle andere artikelen duidelijk en zeker. Weer heb ik ook opgemerkt, dat alle dwaling, ketterij, afgoderij, ergernis, misbruik en boosheid in de kerk oorspronkelijk daaruit zijn voortgekomen, dat dit artikel of geloofsstuk van Jezus Christus is veracht en verloren. En als men het goed bij het licht beschouwt, dan waren alle ketterijen in strijd met het heerlijke artikel van Jezus Christus, zoals Simeon (Luk. 2: 34) van Hem zegt, dat Hij gesteld is tot een val en tot een opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken zal worden.
En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen,
Ieders werk zal openbaar worden, a) want de dag (Rom. 13: 12. Hebr. 10: 25 b) zal het verklaren, of men goud, zilver of edelsteen, of dat men hout, stro, stoppels heeft opgebouwd, omdat het door vuur ontdekt wordt. Daardoor wordt het ontdaan van aardse omgeving en verduistering, die hier nog de eigenlijke gesteldheid verbergen en duidelijk zichtbaar gemaakt (volgens andere verklaring: want hij, de dag van de Heere, wordt in vuur geopenbaard, zijn openbaring zal plaats hebben in het element van het vuur (2 Thessalonicenzen. 1: 8). En hoe ieders werk is zal het vuur beproeven. Het zal daardoor blijken of het inbeelding is geweest wat hij gesproken en gezocht heeft, of goddelijke wijsheid, of kunstwerk, of krachtige woorden, of uitgedrukte meningen, of onbedriegelijke waarheid.
Jes. 8: 20; 48: 10.
De verschillende voorbeelden van bouwstoffen, in een levendig asyndeton (zonder verbindingswoorden) naast elkaar geplaatst, duiden de verschillende leerstoffen aan, die door leraars worden aangewend en met het geloof in Christus in verbintenis worden gesteld, om de Christelijke vorming van de gemeente te ontwikkelen en te voltooien. Treffend is daarom de glosse van Luther: “Dit is gezegd van prediking en leer, die geleerd worden tot versterking of tot afbreuk van het geloof. Die prediking en leer zijn of als goud, zilver en kostelijke stenen, van grote waarde en onvergankelijke duur, of als hout, hooi, stoppels van weinig waarde en vergankelijk, zodat zij, terwijl de eerste bij de openbaring van Christus in hun eeuwige waarde zijn gebleken, tot niet zijn geworden, d. i. openbaar worden, als niet behorend tot de eeuwig blijvende waarheid en geen bestanddeel uitmaken van de volmaakte kennis, die dan wezen zal” (Hoofdstuk 13: 12). Bij deze verklaring moeten twee zaken worden in het oog gehouden: 1) dat de bijzondere materialen niet mogen verklaard worden van bepaald te noemen geloofstellingen, hoewel in het algemeen het trapsgewijs verschillende van de bestanddelen van de beide klassen niet te miskennen is; 2) dat de tweede klasse geen rechtstreeks anti-Christelijke leerstellingen in zich bevat. Het eerste zou slechts tot willekeurige bepalingen aanleiding geven, die geen grond in de tekst hebben; tegen het laatste zou dit, dat het op het fundament gebouwd wordt, alsmede het apostolische woord in vs. 15 : “zelf zal hij behouden worden” strijden. Het ligt voor de hand het “hout, hooi, stoppelen” met zodanige leerstellingen te verklaren, waaronder verzwakkende en misvormende voortbrengsels van menselijke wijsheid en kunst, filosofische en Joodse meningen van de goddelijke waarheid worden vermengd. In het algemeen zijn alle leerstellingen, speculaties. enz., bedoeld, die, hoewel in het tijdelijke gebouw ingevoegd, toch hij de laatste openbaring op de dag van de Heere niet zullen blijven en niet als bestanddelen van de volmaakte kennis mee zullen bestaan, maar dan in plaats van in de laatste catastrofe proefhoudend te blijken, zoals de leerstellingen, die met het goud, enz. worden vergeleken, openbaar worden, als niet behorend tot de goddelijke waarheid en daarom verworpen worden. Dergelijke stukken heeft ook in meerdere of mindere mate elke kerk mee in het gebouw van haar door mensen vastgestelde leer en deze hoe langer hoe meer te leren kennen en terzijde te stellen volgens de Schrift, is het doel van de verdere ontwikkeling, aan welke geen kerk tot aan de dag van die laatste crisis zich mag onttrekken, het allerminst onze Protestantse met haar centraal Schrift-principe, dat haar karakter bepaalt en regelt.
Er is een grote ruimte opengelaten voor de keuze van de stof, voor het verband, waarin die wordt gesteld, voor de wijze, waarop de bijzondere stukken worden voorgesteld, voor de orde, waarin zij worden behandeld enz. Dezelfde waarheid kan op vruchtbare wijze worden voorgesteld, of door zuiver verstandige, droge behandeling kan haar kracht worden verminderd; de vorm kan ten koste van de inhoud met zorg worden behandeld, met redekunstige opsiering de eenvoudigheid van het kruis van Christus worden bedekt, door wettisch drukken op uitwendige zaken, het gemoed worden afgeleid van de toewijding aan kern en middelpunt van het Evangelie; het woord van God kan recht worden gesneden of door eenzijdig op de voorgrond plaatsen van de ene waarheid boven de andere de kracht van deze worden verzwakt en gemaakt worden, dat zij zonder uitwerking blijft, of ten minste niet op de juiste wijze zich werkzaam betoont – kortom, in de menselijke behandeling, voorstelling en toepassing van de door God gegeven waarheid ligt de mogelijkheid om daaruit voor de gemeente goud, zilver, kostelijke stenen of hout, hooi, stoppels te maken. Als men voorbeelden wil zoeken, geeft de geschiedenis van de kerk die veelvuldig. Men beschouwt de tijd van de strijd tot vaststelling van de Christelijke leer in de eerste vijf eeuwen, of de arbeid van de scholastieken in de middeleeuwen, of de ontwikkeling van de Evangelische kerk na de reformatie en reeds nu zal veel kunnen worden voorgesteld als goud en veel als stro, naardat nu reeds meer licht is opgegaan; de laatste eigenlijke beslissing is echter eerst in de toekomst te wachten.
Zoals het werk van bouwlieden door vuur het best ontdekt wordt, omdat men dan kan zien welke stoffen duurzaam zijn en welke geheel verteerd worden, zo zal ook het vuur, als het ware, in de grote dag van de algemene verantwoording beproeven en openbaar maken, hoe het werk van elke leraar is. Dan zal de waarde van elks werk even duidelijk openbaar worden als de bouwstoffen van een huis ontdekt worden, wanneer het in de brand raakt. Het werk van elke leraar zal in die dag net zo gestreng onderzocht worden, als de bouwstoffen van een huis, wanneer zij aan de vlammen worden blootgesteld. Dan zal men de ijdelheid zien van de trotse verbeelding, die sommige leraars van zichzelf hebben en van de toejuiching, die sommigen gegeven wordt, even gelijk een felle brand het onderscheid tussen een marmeren en lemen wand openbaar maakt.
Als onder dat vuur, dat verteert al wat niet deugt, iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen, als een, die zich waarlijk verdienstelijk gemaakt heeft jegens het gebouw van God (vs. 8).
Als iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden, want hij ziet niet alleen zijn werk teniet gaan, maar hij verliest ook het loon voor zijn werk, waarop hij had gerekend. Maar zelf zal hij, als hij op het juiste fundament heeft gebouwd en daarvan niet is afgeweken (Hand. 2: 21; 13: 39; 16: 31, behouden worden, maar zoals door vuur. Hij moet door veel angst en door vele gevaren heen en zal ook gevoelige verliezen en smarten niet ontgaan. Hij zal zijn als een koopman, die schipbreuk leed en wel levend uit de wateren wordt gered, maar toch waren en winst verliest (MATTHEUS. 5: 19).
De edele grondstoffen, die niet vernietigd kunnen worden, zijn de eeuwige waarheid, die met het fundament, het woord van het kruis overeenstemmen en op de juiste manier uit deze eeuwige grondwaarheid zijn afgeleid. Aan deze zijn eeuwige, onvernietigbare, heerlijke werkingen verbonden, namelijk de ware leden van de gemeente, die door ware lering worden opgewekt en gevormd. Omgekeerd, de vergankelijke bouwstoffen zijn de afdwalingen van de waarheid, die wel de hoofd- en grondleer niet omverstoten, maar toch een ver achterblijven veroorzaken en in de gehele gemeente de vermenging van vele valse en dode leden ten gevolge hebben. De dag, die over de deugdelijkheid van de bouwstof beslist, is de oordeelsdag van de Heere, de dag van de beslissing en volmaking, wanneer het vuur het wereldgebouw versmelten zal en het geestelijk vuur van de beproeving de ware leden van de Heere openbaar zal maken. Hier ontvangt dan de getrouwe werker zijn loon daardoor, dat zijn werk behouden wordt, hem tot vreugde en eer, dat een menigte van ware leden van de Heere, die hij heeft opgewekt en doen opgroeien, met Hem in de zaligheid ingaat, die alleen datgene in zich opneemt, wat eeuwig blijft. Maar hij, die waarheid met dwaling heeft vermengd, zonder toch de grond zelf te vervalsen, ziet zich met droefenis zijn loon ontgaan, omdat de leringen, die hij verkondigd heeft en de mensen, die hij ermee gewonnen meent te hebben, in de beproeving niet bestaan en hij zelf ternauwernood gered wordt. (V.).
Als Christus Zich openbaart als degene, aan wie het gehele oordeel is overgegeven, als Hij met Zijn rechterlijke majesteit, die alles afzondert en verteert, dat het Zijne niet is, alles doorzoekt en beproeft, zal hetgeen het stempel van Zijn Geest niet draagt, maar uit een andere, een menselijke geest is voortgekomen, een product van menselijke kunst en menselijk denken en menen is, hoe hoog het ook door mensen werd geacht, toch niet proefhoudend bevonden worden. Het vuur van Zijn gericht zal het teniet doen. Zo is dan de arbeid van zo een verloren; hij kan niet worden onderscheiden als een, die heeft medegewerkt tot het Godsgebouw; hij kan niet met vreugde de Heere als Rechter verwachten, die zijn trouw zal belonen; hij moet bevreesd zijn voor Hem te verschijnen als een, die tevergeefs gearbeid heeft, die zo goed als niets heeft teweeggebracht, die het werk van God niet in waarheid heeft bevorderd. Evenals iemand werkelijk nog blij mag zijn, als hij uit een vuur, dat zijn gebouw heeft aangegrepen, nog maar alleen zijn leven mag redden, zo gaat het ook zo een, dat hij voor zijn persoon nog wel gered wordt, maar van al zijn arbeid niets overhoudt, zodat zijn werken hem niet navolgen.
In onze plaats ligt de belangrijke waarheid, die de Protestantse kerk op de meest besliste wijze heeft vastgehouden, dat de zaligheid zelf slechts tot voorwaarde heeft het geloof, waarmee de fundamentlegging van Christus verbonden is, maar de graad van zaligheid staat in verhouding tot de trap van heiligheid, die de mens verkrijgt. Hij, wiens werk in het oordeel van God zal bestaan met het fundament in Hem, heeft een hoger loon dan die zijn werk verliest, al is het ook dat hij zelf nauwelijks zalig wordt.
Vaker laat de Heere Zijn knechten reeds in het gezicht van de dood zien en wel op de gevoeligste wijze en tot diepe beschaming, wat echt en wat onecht is, wat aan hun werk genade en wat natuur is. Menige aangewende, levenslang gekoesterde inbeelding gaat teniet in de gloed van het licht van de eeuwigheid, dat in de stervensuren schijnt. Maar ook in noden en bestrijdingen nog in deze tijd kan reeds de kracht van het vuur ons aangrijpen, dat eindelijk de wereld zal verbranden; en wel van ons als wij van dag tot dag ter verbranding overgeven wat niet zuiver Gods woord en daad is in ons Christendom, voordat de dag komt, die in vuur openbaar wordt!
a) Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat wel daarom, omdat de Geest van God in jullie woont (Ezechiël. 36: 27. Rom. 8: 9 en 11. 2 Tim. 1: 14).
1 Kor. 6: 19. 2 Kor. 6: 16. 1 Petrus 2: 5.
Als iemand de tempel van God schendt, die zal in rechtvaardige wedervergelding God schenden (MATTHEUS. 10: 28. Openbaring 22: 18 v.); want de tempel van God is als Zijn woning of plaats van Zijn tegenwoordigheid, heilig. Die is dus onschendbaar en niet te schenden zonder zware, goddelijke straf, die tempel u bent, omdat ieder lid van de gemeente, als behorend tot de kerk, voor zijn deel is wat de kerk in het geheel is (1 Kor. 6: 19. Efeze. 2: 21 v.).
Tot hiertoe heeft Paulus de gemeente beschouwd als een gebouw aan God toebehorend en de grote verantwoordelijkheid aangetoond van de werkzaamheid van verder opbouwen daaraan. Nu gaat hij voort tot nadere aanwijzing van haar heilig karakter als van een tempel van God, bewoond door de Geest van God, terwijl het schenden daarvan een dienovereenkomstig goddelijk gericht na zich zal slepen. Met de vraag: “weet u niet? ” doet hij een beroep op hun Christelijk bewustzijn en geeft te kennen, dat in de partijgeest, die de gemeente ondermijnt en tot haar oplossing, dus tot verwoesting van de tempel van God leidt, zich een verduistering van dit bewustzijn openbaart zodat zij zich zo gedragen, als wisten zij dat niet.
Aan de stelling in vs. 9 : “u bent Gods gebouw”, dat hem aanleiding heeft gegeven om over het bouwen te spreken, dat na hem alleen mogelijk is, sluit de apostel nu de andere aan: “u bent de tempel van God”, om vervolgens voor de verderver van deze tempel te waarschuwen. Vs. 10-15 was bestemd voor hen, die het makkelijk opnamen met een voortzetting van zijn arbeid. Het volgende daarentegen is bestemd voor hen, die zich niet ontzagen de vrucht van zijn arbeid te gronde te richten (in het bijzonder is het gezegd voor de partijhoofden van die sekten, die het “ik ben van Céfas – ik ben van Christus” in de mond hadden en die zich niet stelden als die stichters of grondleggers, Paulus en Apollos (vs. 5), die tegen hun wil tot partijhoofden waren verheven, maar die in tegenstelling tot hen als “dienaars”, als verdervers konden worden gekarakteriseerd. Wat hij tot deze te zeggen heeft moet de gemeente zich laten gezeggen, om daarnaar haar gedrag jegens hen te richten; daarom begint hij met een herinnering aan haar zelf gericht.
Onder het verderven van de tempel is iets anders en ergers verstaan, dan de bijvoeging van slechte bouwstoffen, van onechte, menselijke leer en leerwijze (vs. 12); er wordt hier gesproken over beschadiging van het gebouw, omverstoten van het fundament door anti-christelijke leraars, verscheuring van de gemeente door partijgeest en door deze teweeggebrachte gevaarlijke bewegingen. Paulus wekt daar, in wederaanknoping aan de algemene erenamen van de Christenen in Hoofdstuk 1: 2, het ware, heilige eergevoel en de heilige gemeenschap van de Corinthiërs op, in tegenstelling met de onwaardige dienstbaarheid in de onderwerping onder verwoestend menselijk gezag en laat de ernstige toepassing van hetgeen hij zegt aan henzelf over.
a) Niemand moet zichzelf bedriegen (Hoofdstuk 6: 9; 15: 33). Als iemand onder u, die volgens het zo-even gezegde Gods tempel en woning bent, dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die moet dwaas worden, opdat hij niet meer naar eigen inbeelding, maar inderdaad in waarheid wijs moge worden.
Spr. 3: 7. Jes. 5: 21.
Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, voor Gods ogen en in het oordeel van God (Rom. 2: 13) en zo kan niemand met de wijsheid van deze wereld in de gemeente van God een wijze zijn. Want er is geschreven (Job 5: 13): “Hij vat de wijzen in hun arglistigheid. Hij laat hen niet komen tot het doel, dat zij met listigheid proberen te bereiken, maar maakt dat hun slimheid op hun eigen verderf uitloopt en daarmee tot het tegendeel van wijsheid wordt”.
En weer staat er geschreven in Ps. 94: 11 : “De Heere kent de overleggingen van de wijzen (in de Psalm staat: “mensen”), dat zij ijdel zijn; zij zijn reeds door Hem geoordeeld en teniet gedaan, nog voordat zij bij hen zich verhieven.
In het voorgaande heeft de apostel de gemeente onderscheiden van hen, die haar verderven: nu gaat hij in vs. 18 tot de waarschuwing over, dat niemand zichzelf bedriegt en met een wijsheid, die dat in deze tegenwoordige wereldloop is, zich in de gemeente als wijzen willen voorstellen. De zelfmisleiding, waarvoor hij waarschuwt, bestaat dus daarin, dat iemand ten onrechte zich verbeeldt iets te zijn (Gal. 6: 3). De eigenlijke nadruk van de waarschuwing ligt dus op de nu volgende tegenstellingen “onder u” en “in deze wereld”. Wijs zijn in de gemeente en wijs zijn in deze wereld sluiten elkaar wederzijds uit. Die dus meent het eerste te zijn, is het juist daarom niet, maar hij moet het eerste worden en hij moet tot dat doel een dwaas in de wereld worden. Zijn wijsheid, waarop hij zich beroemt, is toch een wijsheid van deze wereld. Als zodanig is zij dwaasheid in Gods ogen; met datgene echter, dat in Gods ogen dwaasheid is, zich in Zijn gemeente voor wijs houden en voor een wijze uitgeven, moet genoemd worden Gods tempel verderven, want wat ongeschikt is om die te bouwen, kan geen nut geven, maar alleen te gronde richten. Zo moet niemand zichzelf bedriegen, alsof hij de wijsheid, die hij zich toekent, in de gemeente zou kunnen doen gelden; hij bedenkt wat de Schrift van de wijze in eigen ogen zegt!
De bedwelming van het zelfbedrog wordt weggenomen, als alle inbeelding van wijsheid wordt opgegeven, alle gedachte aan wereldse wijsheid wordt verworpen, als iemand een dwaas wordt, d. i. zich van die wijsheid ontbloot voor de eenvoudigheid van het geloof, die men voor dwaasheid houdt en die men tot hiertoe zelf ervoor gehouden heeft. De apostel heeft ook hier, evenals in het algemeen, wanneer hij van de wijsheid van deze wereld spreekt, hoofdzakelijk de partij van Apollos op het oog, die, zoals zij de retorisch-dialectische bekwaamheid en de geleerdheid van Apollos roemde en daaraan gehecht was, die ook wel op haar wijze nabootste en dus zichzelf openbaarde als alle waarde te hechten aan wereldse wijsheid.
Het citaat uit Job is wel is waar een woord van Elifaz, die ook zelf niet in het gericht van de goddelijke wijsheid, wat het geheel betreft, kon bestaan, maar het behoort, evenals zo menige spreuk in die reden, tot de stem van de wijsheid op de straat, zoals Salomo Spr. 1: 20 zegt en wordt daarom hier met de stempel van de goddelijke waarheid getekend en bezegeld.
Niemand onder u dan roemt, omdat het is zoals ik van vs. 5 uiteen heb gezet, op mensen, zoals u nu doet, als de een zegt: “ik ben van Paulus”, de ander: “ik ben van Apollos” en een derde: “ik ben van Céfas” (Hoofdstuk 1: 12). Men verheft er zich toch niet op tot de ene of andere man van God als partij te behoren; want alles ja het uwe, alles wat die mannen van God bezitten en niet alleen wat deze hebben, maar ook wat al het andere buiten u en om u en naast u in zich bevat, het behoort alles u toe.
Het zij Paulus, het zij Apollos (2 Kor. 4: 5), hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle van u en moeten, als u toebehorend, u ook dienen (Rom. 8: 28 en 38).
Maar u bent allen tezamen van Christus, zodat niemand recht heeft om van zich in het bijzonder of in de voornaamste plaats te zeggen: ik ben van Christus, of”behoor Christus toe” (Hoofdstuk 1: 12) en christus is van God (Hoofdstuk 11: 3. Luk. 9: 20).
Het woord “dan” of “daarom” aan het begin van vs. 21 heeft niet slechts betrekking op het naast voorgaande, maar op de gehele afdeling, die nu ten einde loopt. De apostel keert tot de aanvang van het Hoofdstuk terug en begint daarna uiteen te zetten hoe de gemeente zich houden moet jegens de dienaars van het Woord. “Die roemt, roemt in de Heere”, zo riep hij in Hoofdstuk 1: 31 zijn lezers toe, toen hij verklaarde waarom hij hen Christus gepredikt had zonder de middelen te gebruiken van een wijsheid, die tot de natuur behoorde. Nu hij als reden waarom hij de wijsheid, die hij werkelijk bezat, onder hen had teruggehouden, hun onmondigheid in het Christendom heeft genoemd (vs. 1-4) beveelt hij ze geen mensen te maken tot voorwerp van roem. Die men tot een voorwerp van zijn roemen maakt, die toe te behoren acht men een zegen en men is er trots op. Daarom houdt de apostel hen voor dat al wat er is, hen toebehoort. In drie tegenstellingen legt hij dit neer. Beginnend met Paulus en Apollos en Cefas, aan wier personen zij zich hechten, terwijl die toch slechts dienaars zijn van God, wier handelen hun zo of anders ten goede gekomen is, stelt hij tegenover deze dienaars van God de wereld, waaraan datgene vreemd is, waarom die drie hun iets zijn. Zij, de wereld, dient om het geloof door bestrijding te bevestigen, die het door Paulus en Apollos en Cefas gepredikte woord heeft gewerkt. Van deze tegenstelling tussen hetgeen is gaat de apostel verder tot die van de bestaanswijze, leven en dood en tot die van de tijd, heden en toekomst. De dood verlost de Christenen uit de ellende van het aardse, terwijl het leven hen gelegenheid geeft vrucht voort te brengen. Het heden is echter een vorm van de dingen, die oefent in het hopen op die toekomst, die het tegenspel van het tegenwoordige zal zijn of aanbrengen.
De waarschuwing voor het zich overgeven aan menselijke autoriteit, voor het zich afhankelijk maken van mensen bevestigt de apostel door de waarde van de apostelen op de voorgrond te stellen als een, die in hun deelgenootschap aan Christus en door Hem van God ontheven is van alle dergelijke afhankelijkheid, integendeel er aanspraak op hebben, dat alles wat van God en Christus afhankelijk is, hen dient en bevorderlijk is in het bereiken van hun bestemming. In plaats van in partijdige eenstemmigheid te zeggen: deze en die behoort mij toe als mijn meester en leidsman, moesten zij zich allen daarvan bewust zijn, dat alles en allen hen toebehoren. Dit wordt nu gespecificeerd en wel zo, dat ten eerste, zoals het doel van de hele rede meebracht, de verschillende leraars, die men als partijhoofden stempelde, op de voorgrond worden gesteld. Hij wil zeggen dat zij zich ieder van deze naar de bijzondere gaven ten nutte moesten maken, in plaats van uitsluitend aan de ene of andere te blijven hangen. In hoge verheffing breidt hij vervolgens de gedachte verder uit, dan het naaste doel eiste; hij noemt ook de wereld en vervolgens leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingen.
Bij de tweemaal uitgesproken zin “alles is het uwe” heeft de apostel een vorm van partij belijdenis op het oog, als bijvoorbeeld: “Paulus is de mijne” of “Cefas is mijn man! ” Nadat hij nu in vs. 22 de actieve eigendomsbetrekking van de Christenen, aan wie alles dienstbaar is, heeft uitgesproken een verhouding, die naar haar algemeenheid het verheffen op menselijk gezag moet weren, voegt hij er in vs. 23 ook haar passieve eigendomsbetrekking bij, die evenzeer met die verzekerdheid in strijd is, zodat dus ook in dit opzicht het roemen op een mens (vs. 21) niet dan verkeerd kan zijn. Als hij bij de zin: “maar u bent van Christus” nog voegt: “en Christus is van God”, hoewel het tot bevestiging van het verbod “niemand roemt op mensen” niet nodig was, heeft het plaats, omdat, zo hij met de eerste had gesloten, hij schijnbaar recht zou hebben gegeven aan hen, die zeiden: “ik ben van Christus” en zich daardoor als Christus eigendom noemden, om op geen mens te roemen. Dit nu wilde hij niet, want de belijdenis van deze partij, hoewel wat het denkbeeld aangaat, juist, was toch door schismatisch misbruik verwerpelijk. Hij klimt daarom tot het hoogste, tot de absolute instantie op, waaraan Christus onderworpen is, om hier, als hij drie partijen verwerpt die op menselijk gezag steunen, ook die “van Christus” haar onrecht te laten voelen. Hij wilde zeggen: Christus is geen partijhoofd, waartoe velen Hem zouden willen maken, maar behoort voor God en is er dus verre boven verheven, dat Hij in partijschappen zou worden ingehaald. Evenals namelijk de Godgelijkheid van Christus en Zijn goddelijke heerlijkheid vóór de menswording, hoewel wezenlijk toch een afgeleide was (Kol 1: 15), zo is de goddelijke glorie, die hij verkregen heeft door Zijn verhoging, om Zijn gehoorzaamheid tot in de dood van het kruis betoond een, die Hem weer verleend is (Joh. 17: 5) en Zijn heerschappij is volgens Hoofdstuk 15: 28 1Co bestemd, om aan God te worden teruggegeven.
Een Christen is als het kind in het huis van de vader, dat alles wat hem omringt met blijde blik overzien en onder het oog van de vaders gebruiken kan met het denkbeeld: het is in beginsel het mijne, omdat het mijn vaders eigendom is. Ook de wereld is de zijne, want hij mag die “gebruiken als niet misbruikend”. Het leven is het zijne, want het werd hem verleend en verlengd, opdat hij het naar de vrijen drang van de liefde aan de hoogste Eigenaar wijden zou; maar de zijne is ook de dood, want die bode van de verschrikking voor de zondaar is zijn vriend, ja in Christus de overwonneling, die hem naar het land van de heerlijkheid overbrengt. Tegenwoordige en toekomende dingen, zij moeten beiden tot zijn zaligheid medewerken en kunnen niets opleveren, dat hem wezenlijk schaden zou. Alles in één woord heeft, goed gebruikt, hem iets te geven; wel verstaan hem iets te leren; wel beschouwd, hem iets nader te brengen aan het einddoel van zijn aardse en hemelse roeping. Altijd natuurlijk, het kan er niet te ernstig bijgevoegd worden, onder de stilzwijgende voorwaarde, dat hij waarlijk van Christus is, zoals Christus van God. Bent u de Zijne niet, zelfs wat u uw eigendom noemt, het is dit niet echt; het is ten hoogste geleend goed, dat u ieder ogenblik kan ontvallen, of zelfs als het al in uw hand blijft berusten, u tot geestelijke schade kan strekken. Hoe duidelijk staat het ook hier weer te lezen en hoe krachtig wordt het door de ervaring van iedere dag meer gestaafd. Alleen de Christen is rijk en de mens buiten Christus, hij is voor God de armste van de armen, al ware ook hier beneden de ruimste schatkist te klein om Zijn goud of zilver te bergen. Maar ook van de andere kant: ieder Christen is rijk om het even of hem een hut of een paleis ter woning verstrekt; die van Christus zijn, zij zijn mede deelgenoten van al wat Hij het Zijne kan noemen. Acht u rijkdom geluk, welnu, gelukkiger mens is er niet dan de Christen, want zijn rijkdom heeft ruimere omvang, vastere grond, hogere waarde en bestendigere duur dan al de schatten van de wereld.
U bent van Christus. U bent de Zijne door overgave, want de Vader gaf u aan de Zoon; de Zijne door Zijn bloedig rantsoen, want Hij heeft de prijs voor uw verlossing betaald; de Zijne door toewijding, want u heeft uzelf aan Hem overgegeven; de Zijne door verwantschap, want u bent naar Zijn naam genoemd en tot een van Zijn broeders en medeërfgenamen gemaakt. Toon de wereld door uw leven dat u een dienstknecht, de vriend, de bruid van de Heere Jezus bent. Wordt u tot zonde verleid, antwoord: Hoe zou ik zo’n groot kwaad doen, want ik ben van Christus. Onvergankelijke beginsels verbieden de vriend van Christus te zondigen. Wordt u enige rijkdom aangeboden, die door zonde te verkrijgen is, zeg dat u van Christus bent en raak het niet aan. Bent u aan moeilijkheden en gevaren blootgesteld, sta vast in de kwade dag, wetend dat u van Christus bent. Bent u geplaatst daar, waar andere lui en nutteloos zitten, neem uw arbeid op met al uw macht en al staat u het op uw voorhoofd, zodat u in verzoeking gebracht wordt om te vertragen, roep uit: Nee, ik kan niet stilstaan, want ik ben van Christus. Was ik niet door bloed vrijgekocht, dan zou ik zoals Issaschar zijn, onder een dubbele last bukkend; maar ik ben van Christus en kan niet vertragen. Wil het syrene gezang van wereldse vreugde u van het juiste pad afbrengen, antwoord: uw muziek kan mij niet bekoren, ik ben van Christus. Als Gods zaak u roept, wijd er u geheel aan; als de armen uw hulp inroepen geef van uw goed en geef uzelf, want u bent van Christus. Doe uw belijdenis nooit oneer aan. Gedraag u altijd als een Christen, spreek als een Nazareeër en laat uw gedrag en uw omgang zó hemels zijn, dat allen die u zien zeggen mogen: u behoort de Zaligmaker toe en in u Zijn voetstappen, druipende van liefde en Zijn heilig aangezicht herkennen. Ik ben een Romein, was vanouds een reden tot rechtschapenheid: laat nog oneindig meer uw drijfveer tot heiligheid zijn: Ik ben van Christus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel