Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En ik, broedersG80, als ik totG4314 uG4771 ben gekomen, ben nietG3756 gekomen met uitnemendheidG5247 van woordenG3056, ofG2228 van wijsheidG4678, uG4771 verkondigendeG2605 de getuigenisG3142 van GodG2316.
En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.
KJV
And I,1
brethren,5
when I came2
to3
you,
came6
not7
with8
excellency9
of speech10
or11
of wisdom,12
declaring13
unto you
the testimony16
of God.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantG1063 ik heb niet voorgenomenG2919 ietsG5100 te wetenG1492 onderG1722 uG4771, dan JezusG2424 ChristusG5547, enG2532 Dien gekruisigdG4717.
Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.
KJV
For2
I determined3
not1
to know5
any thing6
among7
you,
save
Jesus11
Christ,12
and13
him
crucified.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En ikG1473 wasG1096 bijG4314 ulieden in zwakheidG769, enG2532 inG1722 vrezeG5401, enG2532 inG1722 veleG4183 bevingG5156.
En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.
KJV
And1
I2
was12
with13
you
in3
weakness,4
and5
in6
fear,7
and8
in9
much11
trembling.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En mijn redeG3056, enG2532 mijn predikingG2782 was nietG3756 inG1722 bewegelijkeG3981 woordenG3056 der menselijkeG442 wijsheidG4678, maarG235 inG1722 betoningG585 des geestesG4151 enG2532 der krachtG1411;
En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht;
KJV
And1
my
speech3
and5
my
preaching7
was not9
with10
enticing11
words14
of man's12
wisdom,13
but15
in16
demonstration17
of the Spirit18
and19
of power:20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
OpdatG2443 uw geloofG4102 nietG3361 zou zijnG1510 inG1722 wijsheidG4678 der mensenG444, maarG235 inG1722 de krachtG1411 GodsG2316.
Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
KJV
That1
your
faith3
should
➔ not5
stand
in7
the wisdom8
of men,9
but10
in11
the power12
of God.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En wij sprekenG2980 wijsheidG4678 onderG1722 de volmaaktenG5046; dochG1161 een wijsheidG4678, nietG3756 dezer wereldG165, noch der overstenG758 dezer wereldG165, dieG3778 te niet worden;
En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;
KJV
Howbeit2
we speak3
wisdom1
among4
them that are perfect:6
yet8
not9
the wisdom7
of this
world,11
nor13
of the princes15
of this
world,17
that come to nought:20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaarG235 wij sprekenG2980 de wijsheidG4678 GodsG2316, bestaande inG1722 verborgenheidG3466, die bedektG613 was, welke GodG2316 te voren verordineerd heeft totG1519 heerlijkheidG1391 van ons, eerG4253 de wereldG165 was;
Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;
Ook in dit vers
tevoren verordineerdG4309
KJV
But1
we speak2
the wisdom3
of God4
in5
a mystery,6
even the hidden8
wisdom, which9
God12
ordained10
before13
the world15
unto16
our
glory:17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WelkeG3739 niemandG3762 van de overstenG758 dezer wereldG165 gekendG1097 heeft; wantG1063 indienG1487 zij ze gekendG1097 hadden, zo zouden zij den HeereG2962 der heerlijkheidG1391 nietG3756 gekruistG4717 hebben.
Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.
KJV
Which1
none2
of the princes4
of this
world6
knew:8
for9
had they known11
it, they13
would18
➔ not12
have crucified
the Lord15
of glory.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
MaarG235 gelijk geschrevenG1125 is: HetgeenG3739 het oogG3788 nietG3756 heeft gezienG3708, enG2532 het oorG3775 nietG3756 heeft gehoordG191, enG2532 in het hartG2588 des mensenG444 nietG3756 is opgeklommenG305, hetgeenG3739 GodG2316 bereidG2090 heeft dien, die HemG846 liefhebbenG25.
Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.
KJV
But1
as2
it is written,3
Eye5
hath
➔ not6
seen,
nor8
ear9
heard,11
neither12
have entered17
into13
the heart14
of man,15
the things which4
God21
hath prepared19
for them that love23
him.24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DochG1161 GodG2316 heeft het ons geopenbaardG601 doorG1223 Zijn GeestG4151; wantG1063 de GeestG4151 onderzoektG2045 alleG3956 dingen, ookG2532 de dieptenG899 GodsG2316.
Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
KJV
But2
God4
hath revealed5
them unto us
by6
his9
Spirit:8
for11
the Spirit12
searcheth14
all things,13
yea,15
the deep things17
of God.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 wieG5101 van de mensenG444 weetG1492, hetgeen des mensenG444 is, dan de geestG4151 des mensenG444, die inG1722 hemG846 is? AlzoG3779 weetG1492 ookG2532 niemandG3762, hetgeen GodsG2316 is, dan de GeestG4151 GodsG2316.
Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
KJV
For2
what1
man4
knoweth3
the things5
of a man,7
save
the spirit11
of man13
which6
is in15
him?16
even18
so17
the things10
of God21
knoweth23
no man,22
but
the Spirit27
of God.29
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Doch wij hebben nietG3756 ontvangenG2983 den geestG4151 der wereldG2889, maar den GeestG4151, Die uitG1537 GodG2316 is, opdatG2443 wij zouden wetenG1492 de dingen, die ons vanG5259 GodG2316 geschonkenG5483 zijn;
Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
KJV
Now2
we
have received,8
not3
the spirit5
of the world,7
but9
the spirit11
which4
is of13
God;15
that16
we might know17
the things that are freely given22
to us
of19
God.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Dewelke wij ookG2532 sprekenG2980, nietG3756 met woordenG3056, dieG3739 de menselijkeG442 wijsheidG4678 leert, maarG235 met woorden, die de HeiligeG40 GeestG4151 leert, geestelijkeG4152 dingen met geestelijkeG4152 samenvoegendeG4793.
Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
Ook in dit vers
leertG1318
leertG1722
KJV
Which things1
also2
we speak,3
not4
in5
the words9
which man's7
wisdom8
teacheth,6
but10
which the Holy14
Ghost13
teacheth;11
comparing18
spiritual things15
with spiritual.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 de natuurlijkeG5591 mensG444 begrijptG1209 nietG3756 de dingen, die des GeestesG4151 GodsG2316 zijn; want zij zijn hem dwaasheidG3472, en hij kanG1410 ze nietG3756 verstaanG1097, omdatG3754 zij geestelijkG4153 onderscheidenG350 worden.
Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
KJV
But2
the natural1
man3
receiveth5
not4
the things6
of the Spirit8
of God:10
for12
they are
foolishness11
unto him:13
neither15
can17
he know18
them, because19
they are spiritually20
discerned.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
DochG1161 de geestelijkeG4152 mens onderscheidtG350 wel alleG3956 dingen, maarG1161 hij zelfG846 wordt vanG5259 niemandG3762 onderscheidenG350.
Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
KJV
But2
he that is spiritual3
judgeth5
all things,6
yet8
he himself7
is judged4
of9
no man.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 wie heeft den zinG3563 des HeerenG2962 gekendG1097, dieG3739 HemG846 zou onderrichtenG4822? MaarG1161 wij hebbenG2192 den zinG3563 van ChristusG5547.
Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.
KJV
For2
who1
hath known3
the mind4
of the Lord,5
that6
he may instruct7
him?8
But10
we
have13
the mind11
of Christ.12
uitnemendheid
Gr. uitnemendheid van woord; of rede; dat is, een opgepronkte manier van spreken, door welke ik boven anderen wijs zocht te schijnen, of uit te munten; of, om u te overreden. Zie 1 Kor. 4:19 .
Hertaald:
uitnemendheid
Grieks: uitnemendheid van woord of rede; dat is: een opgesmukte manier van spreken waarmee ik boven anderen wijs probeerde te lijken of uit te munten; of: om u over te halen. Zie 1 Kor. 4:19.
de getuigenis
Dat is, het Evangelie, hetwelk ons van God is geopenbaard, en getuigt van den wil Gods tot onze zaligheid; 1 Kor. 1:6 .
Hertaald:
de getuigenis
Dat is: het Evangelie, dat ons door God geopenbaard is en dat getuigt van de wil van God tot onze zaligheid; 1 Kor. 1:6.
niet voorgenomen
Gr. geoordeeld. Want al was de apostel in vele andere zaken ervaren, zo had hij evenwel niet willen voordragen dan hetgeen tot hunne zaligheid nodig was.
Hertaald:
niet voorgenomen
Grieks: geoordeeld. Want al was de apostel in veel andere zaken bedreven, hij wilde toch niets anders voordragen dan wat voor hun zaligheid nodig was.
iets te weten
Dat is, van enige andere wetenschap bij u te spreken.
Hertaald:
iets te weten
Dat is: over enige andere wetenschap bij u te spreken.
dien gekruisigd
Dat is, die door Zijn dood en volgende opstanding ons van onze zonden verlost en de eeuwige zaligheid deelachtig heeft gemaakt; Rom. 4:25 , en Rom. 10:9-10 .
Hertaald:
dien gekruisigd
Dat is: Die ons door Zijn dood en de opstanding die daarop volgde van onze zonden verlost heeft en de eeuwige zaligheid deelachtig gemaakt heeft; Rom. 4:25 en Rom. 10:9-10.
in zwakheid,
Deze dingen kunnen verstaan worden, òf van den nederigen stand, waarin zich de apostel gehouden heeft toen hij te Corinthe was, opdat niet hij, maar alleen zijne leer in aanzien zou wezen bij hen, tegen de opgeblazenheid dergenen, die deze scheuringen veroorzaakten; òf van de voorzichtigheid en beschroomdheid, die hij gebruikt heeft in het voorstellen van de leer der zaligheid, om niets menselijks daaronder te vermengen, opdat de kracht derzelve niet aan zijne wijsheid of welsprekendheid, maar alleen aan den aard der leer, die hij predikte, en aan de medewerking van den Geest Gods zou worden toegeschreven: hetwelk met het volgende best overeenkomt.
Hertaald:
in zwakheid,
Deze dingen kunnen opgevat worden óf van de nederige staat waarin de apostel zich gehouden heeft toen hij in Korinthe was — opdat niet hij, maar alleen zijn leer bij hen in aanzien zou zijn, tegenover de opgeblazenheid van hen die deze scheuringen veroorzaakten — óf van de voorzichtigheid en schroom die hij gebruikt heeft bij het voorstellen van de leer van de zaligheid, om daar niets menselijks onder te mengen, opdat de kracht daarvan niet aan zijn wijsheid of welsprekendheid toegeschreven zou worden, maar alleen aan de aard van de leer die hij predikte en aan de medewerking van de Geest van God. Dat komt met het vervolg het beste overeen.
betoning des
Dat is, betoning der geestelijke kracht, die uiterlijk door wonderen en inwendig door de werking des Heiligen Geestes bij zijn woord was gevoegd, 2 Kor. 3:3 .
Hertaald:
betoning des
Dat is: het betonen van de geestelijke kracht die uiterlijk door wonderen en innerlijk door de werking van de Heilige Geest bij zijn woord gevoegd was, 2 Kor. 3:3.
niet zou zijn
Dat is, zijn oorzaak of fondament niet zou hebben.
Hertaald:
niet zou zijn
Dat is: zijn oorzaak of grondslag niet zou hebben.
in wijsheid der
Dat is, in redenen of woorden, die de menselijke wijsheid bedenkt.
Hertaald:
in wijsheid der
Dat is: in redeneringen of woorden die de menselijke wijsheid bedenkt.
in de kracht
Dat is, in de goddelijkheid der leer, door de kracht des Geestes Gods aan onze harten betuigd; Hand. 16:14 .
Hertaald:
in de kracht
Dat is: in de goddelijkheid van de leer, die door de kracht van Gods Geest aan onze harten betuigd wordt; Hand. 16:14.
wijsheid onder
Dat is, de zwaarste verborgenheden van Gods Woord, gelijk vs.7. Anderszins heeft hij ook de zwakken en tederen met melk gespijsd. Zie 1 Kor. 3:2 ; Hebr. 5:12 .
Hertaald:
wijsheid onder
Dat is: de zwaarste verborgenheden van Gods Woord, zoals vers 7. Overigens heeft hij ook de zwakken en de tere gelovigen met melk gevoed. Zie 1 Kor. 3:2; Hebr. 5:12.
de volmaakten;
Dat is, die in de zaken des geloofs meer toegenomen zijn, en nu niet meer in de eerste beginselen behoeven onderricht te worden. Zie Rom. 14:1-2 , en Rom. 15:1 ; Fil. 3:15 ; Hebr. 5:14 . Dezen worden bij vergelijking van anderen, volmaakten genoemd: anderszins is hier niemand volmaakt in kennis zolang hij leeft; 1 Kor. 13:9 .
Hertaald:
de volmaakten;
Dat is: zij die in de zaken van het geloof verder gevorderd zijn en niet meer in de eerste beginselen onderwezen hoeven te worden. Zie Rom. 14:1-2 en Rom. 15:1; Filipp. 3:15; Hebr. 5:14. Dezen worden in vergelijking met anderen volmaakten genoemd; overigens is hier niemand volmaakt in kennis zolang hij leeft; 1 Kor. 13:9.
dezer wereld,
Dat is, die van het menselijke vernuft bedacht en groot geacht wordt.
Hertaald:
dezer wereld,
Dat is: de wijsheid die door het menselijke vernuft bedacht wordt en die hoog geacht wordt.
der oversten
Dat is, der wijzen en machtigen, gelijk vs.8.
Hertaald:
der oversten
Dat is: van de wijzen en machtigen, zoals vers 8.
teniet worden
Namelijk met al hunne wijsheid en macht, overmits die buiten deze wereld geen gebruik heeft.
Hertaald:
teniet worden
Namelijk met al hun wijsheid en macht, aangezien die buiten deze wereld geen nut heeft.
de wijsheid Gods,
Dat is, die God ons tot onze zaligheid heeft geopenbaard.
Hertaald:
de wijsheid Gods,
Dat is: de wijsheid die God ons tot onze zaligheid geopenbaard heeft.
verborgenheid,
Zo noemt de apostel de leer des Evangelies, omdat dezelve door geen menselijke wijsheid ooit is gevonden, maar was voor haar bedekt, totdat God die door Zijne profeten en apostelen heeft geopenbaard.
Hertaald:
verborgenheid,
Zo noemt de apostel de leer van het Evangelie, omdat die door geen menselijke wijsheid ooit gevonden is, maar voor haar bedekt was totdat God die door Zijn profeten en apostelen geopenbaard heeft.
welke God
Namelijk wijsheid Gods; waardoor verstaan wordt òf de persoon van Christus, die 1 Kor. 1:24 ook de wijsheid Gods genaamd wordt; òf de verborgenheden onzer zaligheid, in Christus bij God voorgenomen, en daarna in het Evangelie geopenbaard tot onze heerlijkheid; Luc. 2:32 . Beide komt met het volgende wel overeen.
Hertaald:
welke God
Namelijk de wijsheid van God. Daaronder wordt verstaan óf de persoon van Christus, Die in 1 Kor. 1:24 ook de wijsheid van God genoemd wordt, óf de verborgenheden van onze zaligheid, die in Christus bij God voorgenomen zijn en daarna in het Evangelie geopenbaard tot onze heerlijkheid; Luk. 2:32. Beide komt goed overeen met wat volgt.
eer de wereld
Gr. voor de eeuwen.
Hertaald:
eer de wereld
Grieks: vóór de eeuwen.
niemand van
Namelijk uit hun natuurlijke rede of verstand, hoe groot en hoe kloek hetzelve ook was. Hoedanige Herodes, Pilatus, Kajafas en andere machtigen in deze wereld geweest zijn, alsook de wijsgeren, schriftgeleerden en dergelijken. Anderszins heeft Abraham ook door Gods Geest en openbaring zijnen dag gezien, Joh. 8:56 , en David heeft zich daarin verheugd, Ps. 16:9 , met anderen godzalige koningen en profeten, Luc. 10:24 , en ook sommigen van de oversten der Joden, gelijk Nikodemus en Jozef van Arimathea, hebben hem gekend; dan deze waren weinigen, en hebben in Zijnen dood niet gestemd; Luc. 23:51 . Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 3:32 .
Hertaald:
niemand van
Namelijk uit hun natuurlijke rede of verstand, hoe groot en hoe scherp dat ook was — zoals Herodes, Pilatus, Kajafas en andere machtigen in deze wereld geweest zijn, en ook de wijsgeren, schriftgeleerden en dergelijken. Overigens heeft ook Abraham door Gods Geest en openbaring Zijn dag gezien, Joh. 8:56, en David heeft zich daarin verheugd, Ps. 16:9, samen met andere godzalige koningen en profeten, Luk. 10:24. Ook sommigen van de oversten van de Joden, zoals Nicodemus en Jozef van Arimathea, hebben Hem gekend; maar dat waren er weinigen, en zij hebben niet met Zijn dood ingestemd; Luk. 23:51. Zie een soortgelijke manier van spreken in Joh. 3:32.
den Heere der
Namelijk die het hoofdstuk is van deze wijsheid Gods. Zo wordt Christus genaamd ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, Ps. 24:7 ; Hand. 7:2 , die gekruisigd is naar Zijn menselijke natuur. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 3:13 ; Hand. 3:15 , en Hand. 20:28 .
Hertaald:
den Heere der
Namelijk Hij Die het hoofdstuk van deze wijsheid van God is. Zo wordt Christus genoemd met het oog op Zijn goddelijke natuur, Ps. 24:7; Hand. 7:2, terwijl Hij naar Zijn menselijke natuur gekruisigd is. Zie een soortgelijke manier van spreken in Joh. 3:13; Hand. 3:15 en Hand. 20:28.
in het hart des
Deze woorden voegt de apostel, tot nadere verklaring van de voorgaande profetische woorden, daartussen, om te tonen dat de verborgenheden des Evangelies, en de grootte der heerlijkheid, die God Zijnen gelovigen hiernamaals bereid heeft, zo waardig zijn, dat niet alleen geen oog en geen oor, maar zelfs geen vernuft die ooit heeft kunnen van zichzelven bedenken of ook verstaan. Zie 1 Petr. 1:10-12 .
Hertaald:
in het hart des
Deze woorden voegt de apostel er ter nadere verklaring van de voorgaande profetische woorden tussen, om te laten zien dat de verborgenheden van het Evangelie en de grootte van de heerlijkheid die God Zijn gelovigen hierna bereid heeft zo voortreffelijk zijn, dat niet alleen geen oog en geen oor, maar zelfs geen vernuft die ooit uit zichzelf heeft kunnen bedenken of begrijpen. Zie 1 Petr. 1:10-12.
ons geopenbaard
Namelijk die God liefhebben. Want dat de apostel niet alleen van de apostelen spreekt, maar ook van degenen, die door hun woord in Christus geloven, blijkt uit het volgende.
Hertaald:
ons geopenbaard
Namelijk aan hen die God liefhebben. Dat de apostel niet alleen over de apostelen spreekt maar ook over hen die door hun woord in Christus geloven, blijkt uit het vervolg.
Zijn Geest;
Namelijk welke door het Woord en met het Woord in ons krachtig is. Zie 2 Kor. 3:8 ; 1 Joh. 2:27 .
Hertaald:
Zijn Geest;
Namelijk de Geest, Die door het Woord en met het Woord krachtig in ons is. Zie 2 Kor. 3:8; 1 Joh. 2:27.
onderzoekt alle
Dit zegt de apostel, niet omdat de Heilige Geest, die in ons woont, van enige goddelijke zaak onwetend zou zijn, die Hij zou moeten zoeken te weten, maar omdat Hem ook de allerdiepste zaken Gods, als eenzelfde God met den Vader en met den Zoon, klaarlijk bekend zijn; gelijk God wordt gezegd de harten en nieren te doorzoeken omdat zij voor Hem bloot en bekend zijn; Rom. 8:27 ; Openb. 2:23 .
Hertaald:
onderzoekt alle
Dit zegt de apostel niet omdat de Heilige Geest, Die in ons woont, van enige goddelijke zaak onwetend zou zijn en die zou moeten proberen te weten te komen, maar omdat ook de allerdiepste zaken van God Hem helder bekend zijn, als één en dezelfde God met de Vader en de Zoon — zoals van God gezegd wordt dat Hij de harten en nieren doorzoekt, omdat die voor Hem open en bekend zijn; Rom. 8:27; Openb. 2:23.
de diepten Gods
Dat is, den allerverborgensten raad Gods. Zie Jes. 40:13 .
Hertaald:
de diepten Gods
Dat is: de allerverborgenste raad van God. Zie Jes. 40:13.
de geest des
Dat is, de redelijke ziel en het verstand des mensen weet wat in hem is. Zie 1 Joh. 3:20 .
Hertaald:
de geest des
Dat is: de redelijke ziel en het verstand van de mens weet wat in hem is. Zie 1 Joh. 3:20.
niemand hetgeen
Namelijk onder de schepselen. Want de Zoon kent den Vader, en de Vader den Zoon, Matt. 11:27 , en hier ook de Heilige Geest, als een enig God met den Vader en den Zoon; Rom. 8:27 .
Hertaald:
niemand hetgeen
Namelijk niemand onder de schepselen. Want de Zoon kent de Vader en de Vader de Zoon, Matth. 11:27, en hier ook de Heilige Geest, als één enig God met de Vader en de Zoon; Rom. 8:27.
der wereld,
Dat is, die wereldse dingen leert en in wereldse dingen zijn vermaak heeft, of geluk stelt.
Hertaald:
der wereld,
Dat is: de geest die wereldse dingen leert en die zijn vermaak of geluk in wereldse dingen zoekt.
die uit God is,
Dat is, die van God uitgaat en Zijnen kinderen beloofd en gegeven wordt; Joh. 14:16 ; Rom. 8:15 .
Hertaald:
die uit God is,
Dat is: de Geest Die van God uitgaat en Die aan Zijn kinderen beloofd en gegeven wordt; Joh. 14:16; Rom. 8:15.
geschonken zijn;
Namelijk tot onzen troost en onze zaligheid, dat is, Christus en Zijne weldaden; Rom. 8:32 ; Kol. 2:9-10 .
Hertaald:
geschonken zijn;
Namelijk tot onze troost en onze zaligheid, dat is: Christus en Zijn weldaden; Rom. 8:32; Kol. 2:9-10.
woorden,
Of, redenen, bewegingen.
Hertaald:
woorden,
Of: redeneringen, argumenten.
die de Heilige Geest
Namelijk in Zijne goddelijke ingevingen en schriften, niet opgepronkt met menselijk welsprekendheid, maar krachtig in hun geestelijke eenvoudigheid.
Hertaald:
die de Heilige Geest
Namelijk in Zijn goddelijke ingevingen en geschriften, niet opgesmukt met menselijke welsprekendheid, maar krachtig in hun geestelijke eenvoud.
samenvoegende
Of, vergelijkende. Gr. tezamen oordelende; dat is, gelijk de leer geestelijk is, zo stellen wij ook die voor, niet met wereldse, maar met geestelijke woorden.
Hertaald:
samenvoegende
Of: vergelijkend. Grieks: samen beoordelend; dat is: zoals de leer geestelijk is, zo stellen wij die ook voor, niet met wereldse maar met geestelijke woorden.
de natuurlijke mens
Gr. de ziellijke mens; dat is, die geen andere hogere wijsheid heeft, dan die hem het licht der natuur en het menselijke vernuft leert. Zie Jud. 1:19 .
Hertaald:
de natuurlijke mens
Grieks: de ziellijke mens; dat is: iemand die geen hogere wijsheid heeft dan wat het licht van de natuur en het menselijke vernuft hem leren. Zie Judas 1:19.
begrijpt niet de
Namelijk om dezelve aan te nemen en zichzelven tot zaligheid toe te eigenen; Rom. 8:5 . Zie een voorbeeld Hand. 17:18 , en Hand. 25:19 .
Hertaald:
begrijpt niet de
Namelijk om die aan te nemen en zich tot zaligheid toe te eigenen; Rom. 8:5. Zie een voorbeeld in Hand. 17:18 en Hand. 25:19.
dwaasheid, en hij
Zie 1 Kor. 1:21-23 .
Hertaald:
dwaasheid, en hij
Zie 1 Kor. 1:21-23.
kan ze niet
Namelijk dan door de genade en kracht van Gods Geest, die het verstand verlicht en de harten opent; Hand. 16:14 .
Hertaald:
kan ze niet
Namelijk alleen door de genade en de kracht van Gods Geest, Die het verstand verlicht en de harten opent; Hand. 16:14.
onderscheiden worden
Gr. geoordeeld; dat is van menselijke en wereldse leringen met oordeel onderscheiden.
Hertaald:
onderscheiden worden
Grieks: geoordeeld; dat is: met oordeel onderscheiden van menselijke en wereldse leringen.
de geestelijke mens
Dat is, die door den Geest Gods is verlicht en wedergeboren.
Hertaald:
de geestelijke mens
Dat is: hij die door de Geest van God verlicht en wedergeboren is.
alle dingen, maar
Namelijk ter zaligheid nodig. Want ook de gelovigen dwalen somtijds wel in sommige zaken, maar die ter zaligheid zo nodig niet zijn; of wanneer zij deze gave der onderscheiding niet genoeg opwekken door naarstigheid en gebeden. Zie Joh. 10:4 , Joh. 10:27 ; 1 Thess. 5:21 ; 1 Joh. 4:1 .
Hertaald:
alle dingen, maar
Namelijk alle dingen die voor de zaligheid nodig zijn. Want ook de gelovigen dwalen soms in sommige zaken, maar die zijn voor de zaligheid niet zo noodzakelijk; of het gebeurt wanneer zij deze gave van onderscheiding niet voldoende opwekken door naarstigheid en gebed. Zie Joh. 10:4, Joh. 10:27; 1 Thess. 5:21; 1 Joh. 4:1.
niemand
Namelijk die niet wedergeboren of geestelijk is; anderszins moet ook de geest der profeten den profeten onderworpen zijn; 1 Kor. 14:29 , 1 Kor. 14:32 .
Hertaald:
niemand
Namelijk niemand die niet wedergeboren of geestelijk is. Overigens moet ook de geest van de profeten aan de profeten onderworpen zijn; 1 Kor. 14:29, 1 Kor. 14:32.
onderscheiden
Of, geoordeeld; dat is met oordeel onderscheiden; gelijk vs.14.
Hertaald:
onderscheiden
Of: geoordeeld; dat is: met oordeel onderscheiden, zoals vers 14.
den zin des Heeren
Of, den Geest des Heeren, gelijk Jes. 40:13 , waar deze woorden staan, uitgedrukt wordt; dat is, den zin of de mening van den Geest des Heeren; Rom. 8:27 .
Hertaald:
den zin des Heeren
Of: de Geest van de Heere, zoals in Jes. 40:13 uitgedrukt wordt, waar deze woorden staan; dat is: de zin of de bedoeling van de Geest van de Heere; Rom. 8:27.
den zin van Christus
Dat is, de mening van Christus is ons bekend gemaakt door Zijn woord en door Zijnen Geest, gelijk hier voren verklaard is, vs.10, 12.
Hertaald:
den zin van Christus
Dat is: de bedoeling van Christus is ons bekendgemaakt door Zijn Woord en door Zijn Geest, zoals hiervoor verklaard is in vers 10 en 12. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus komt in Korinthe aan na Athene, waar hij op de Areopagus met de wijsgeren gesproken had en werd uitgelachen. Korinthe is een havenstad die dol is op welsprekendheid. En daar zet hij zichzelf meteen op achterstand. Hij besluit vooraf om maar één ding te weten, en dat ene is het aanstootgevendste dat hij te vertellen had. **Wat hij niet meebracht.** “En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.” In een stad die op redenaars afkwam, is dat geen bescheidenheid maar een keuze. **Het besluit.** “Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.” Dat laatste woord is het zwaarste. Een gekruisigde was voor een Romein een geëxecuteerde misdadiger en voor een Jood een vervloekte, want er stond geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. Paulus zet dat woord er met opzet achter. **Hoe hij eraan toe was.** “En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.” Hij verzwijgt niet dat hij bang was. **De verborgenheid.** “Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was.” Eer de wereld was. Het offer was geen noodgreep achteraf; het lag vast voordat er iets bestond. **De scherpste zin.** “Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.” Daar staan twee dingen tegen elkaar in één regel: de Heere der heerlijkheid — de naam van de wolk boven de tabernakel — en het kruis, het schandelijkste dat een mens kon overkomen. **Waarom dit in de offerlijn thuishoort.** Die lijn loopt van vellen in de hof, langs een lam in Egypte en een bok in de woestijn, naar Iemand Die buiten de poort leed. Hier zegt de man die hem het verst heeft doorgedacht wat hij ervan overhoudt als hij een stad binnenkomt: één ding, en dat ene met dat woord erachter. **En hoe het dan toch overkomt.** Niet door welsprekendheid: “Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.” Wat het oog niet gezien heeft en in het hart van de mens niet is opgeklommen, heeft God geopenbaard door Zijn Geest. In het Nieuwe Testament: Deuteronomium 21:23; Galaten 3:13; Jesaja 64:4; Handelingen 18:9; 1 Korinthiers 1:23; Efeziers 1:4 Hoever dit reikt: Wie met de oversten dezer wereld bedoeld worden, wordt verschillend uitgelegd. De aanhaling in vers 9 komt het dichtst bij Jesaja 64 maar is niet woordelijk; Paulus zegt zelf alleen dat het geschreven is. Deze post volgt de lijn van het offer en gaat op die vragen niet in.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas En mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht. 1 Korinthe 2:4 Spurgeon werd door… En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. Johannes 12:32 Verder lezen: 1 Korinthe 2:1-5 Christus leerde Zijn eigen… Hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. (Romeinen 8:30) Lees verder Openbaring 21:22—22:5 Als ik haast had en moest zeggen waaruit deze heerlijkheid bestaat, denk… Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem… Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was. 1 Korinthe 2:7… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Jezus Christus, en Dien gekruisigd — 2:1-5, 7-10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Duidelijke woorden
Christus verhoogd
Rechtvaardiging en heerlijkheid
In datzelfde water duiken
Alles te boven gaande grootheid


1 Korinthe 2
1 Korinthe 2:9-10
KruisverwijzingenJesaja 64:4→Jakobus 1:12→Psalmen 31:19→Jesaja 65:17→Johannes 3:16→Romeinen 8:28→1 Petrus 1:12→Jakobus 2:5→— Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
Hoe vaak wordt er een Schriftwoord verkeerd aangehaald! Hoe vaak horen wij gelovigen de hemel beschrijven als een plaats die wij ons niet kunnen voorstellen. Zij halen vers negen aan, en houden daar op, zonder te zien dat de kern van heel het gedeelte in vers tien ligt. De apostel had het hier helemaal niet over de hemel. Hij zei alleen dat de wijsheid van deze wereld niet in staat is de dingen van God te ontdekken. Het louter vleselijke verstand kan de diepe geestelijke dingen van ons allerheiligst geloof niet kennen, zoals de volgende verzen duidelijk maken. Deze tekst leert dat de dingen van God niet met het oog, het oor of het hart waargenomen kunnen worden, maar alleen geopenbaard door de Geest van God, zoals aan alle ware gelovigen.
1 Korinthe 2:14-16
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:18→Mattheüs 13:11→Romeinen 8:5→Johannes 15:15→1 Johannes 2:27→1 Korinthe 15:46→Johannes 6:44→Judas 1:19→— Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.
Paulus kende maar twee soorten mensen. Onder de term “de natuurlijke mens” rekende de apostel allen die geen deelgenoot zijn van de Geest van God, hoe voortreffelijk, achtenswaardig, verstandig of ontwikkeld zij ook mogen zijn. Heeft de Geest van God hun geen nieuwe, hogere natuur gegeven dan zij van nature bezitten? Dan rekent Paulus hen allen zonder uitzondering tot de mensen zonder de Geest: zij zijn wat zij van nature zijn. Aan de andere kant rekent Paulus allen in wie de Geest van God is gekomen, en die door Hem een nieuw en goddelijk leven ademen, tot degenen die geestelijk zijn. Zij mogen nog maar kinderen in de genade zijn; hun geloof mag nog zwak zijn, hun liefde nog maar in de eerste knop. Hun geestelijke zintuigen mogen nog weinig geoefend zijn, en hun gebreken overtreffen zelfs hun deugden. Maar omdat de wortel van de zaak in hen aanwezig is, en zij van de dood tot het leven zijn overgegaan, rekent hij hen tot de geestelijke mensen. Vervolgens verklaart hij dat wie zonder de Geest zijn, de dingen van God, die geestelijk zijn, niet ontvangen en niet kunnen ontvangen. Het is volstrekt onmogelijk dat zij zulke geestelijke waarheden ooit zouden ontvangen, tenzij zij uit die groep worden weggenomen en door het werk van de Geest tot geestelijke mensen worden omgevormd. Is die verandering eenmaal tot stand gebracht, dan zullen zij de dingen van de Geest niet alleen ontvangen. Zij zullen ze ook met vreugde omhelzen, zich ermee voeden met innige voldoening, en ten slotte opklimmen tot die staat van heerlijkheid die uitgaat boven de staat van genade.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
b. Vers 1-16KruisverwijzingenJesaja 64:4→Jakobus 1:12→Psalmen 31:19→Jesaja 65:17→Johannes 3:16→Romeinen 8:28→1 Petrus 1:12→Jakobus 2:5→
— En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd. En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving. En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods. En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden; Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was; Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
Na hetgeen de apostel in Hoofdstuk 1: 17 van zijn zending gezegd heeft, had hij achter een uitgebreide zakelijke uiteenzetting zijn persoon ten eerste op de achtergrond laten treden. Deze stelt hij nu weer op de voorgrond, terwijl hij de vervulling van zijn roeping te Corinthiërs beschrijft als een, waardoor hij het eigenaardige van het hem opgedragen woord in zijn volle betekenis voor ogen stelt (vs. 1-5). Hierop wijst hij op treffende wijze aan hoe de dragers van het woord van het kruis, hoewel de wereld het voor dwaasheid houdt, toch een bijzondere wijsheid bezitten, waarvoor haar ook allen erkennen, die het hebben aangenomen. Dit woord is namelijk de verborgen wijsheid van God, die God voor de wereld heeft verordend, om hen, die haar deelachtig worden tot heerlijkheid te leiden. Hij heeft dat aangekondigd door de profetie van het Oude Testament, als een zaligheid in zich sluitend, die ver verheven is boven alle menselijke gedachten. Nu heeft Hij het geopenbaard door Zijn Geest. Zoals Hij die zaligheid Zijn gezanten inwendig te ervaren geeft, zo laat Hij die ook voordragen in een geestelijke vorm, die met de geestelijke inhoud overeenstemt, door hen, die Hij tot deze verkondiging heeft geroepen (vs. 6-13). Tegenover zo’n voordracht staat nu echter de natuurlijke mens geheel onvermogend tot de juiste opvatting; hij ziet niets dan dwaasheid in hetgeen hier wordt voorgehouden. Die echter zelf geestelijk is geworden en de zin van Christus ten gevolge van de prediking, die tot hem is gekomen, heeft aangenomen, staat weer ver boven allen, die het niet verstaan, zodat hij wel alles onderscheidt, maar zelf van niemand onderscheiden wordt. (vs. 14-16).
En ik, broeders, toen ik vierenenhalf jaar hiervoor de eerste keer (Hand. 18: 1 vv.) tot u ben gekomen, ben niet gekomen, in mijn roeping als prediker van het Evangelie (Hoofdstuk 1: 17), met uitnemendheid van woorden of van wijsheid, niet met bijzondere welsprekendheid en dialectische kunst, u verkondigend de getuigenis van God, over hetgeen Hij in Christus tot zaligheid van de wereld heeft gedaan (1 Joh. 5: 9).
Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, hoewel ik ook met wetenschap van andere aard u had kunnen dienen, als dat nodig geweest was, dan Jezus Christus en die gekruisigd (Gal. 6: 14), die u zozeer nodig had te kennen.
Die wijsheid en de kracht van zijn prediking zocht Paulus in niets anders dan in hetgeen voor de wonderzucht van de Joden de grootste ergernis en voor de Griekse wijsheid de grootste dwaasheid was, in het kruis van Christus. Van de zoendood van Christus moest alles uitgaan, wat als eeuwige waarheid en Goddelijke wijsheid de mensen verlichten moet. Alle prediking van het Evangelie, waarvan Christus’ kruis het middenpunt niet is, waaruit alles wordt afgeleid, is niet apostolisch. Daarmee is echter volstrekt niet gezegd, dat geen leer, uit deze grondwaarheid afgeleid, verkondigd mag worden. De reden in de brieven van de apostelen bewijzen hoe rijk, hoe menigvuldig, hoe alle menselijke betrekkingen omvattende de wijsheid was, die zij uit deze bron putten, maar hoe makkelijk zij ook tot dit middelpunt konden terugkeren. Zie vooral Hoofdstuk 5: 7; 6: 23; 8: 11. 2 Kor. 5: 14, 15. Efeze 4: 32. Fil. 2: 1-3. 1 Petrus 1: 18, 19; 2: 13, 25 Hoe krachtig moest deze herinnering werken, terwijl toch allen, die hier door de apostel werden aangesproken, aan deze prediking van de gekruisigde Christus hun heil moesten toeschrijven (Hoofdstuk 3: 9; 4: 2). Maar welk een afdwaling in de Corinthische gemeente, dat hij, aan wie zij alles verschuldigd waren, zijn prediking, waaruit hun heil was voortgevloeid, tegen hen verdedigen moest.
a) En ik was in het begin naar de stemming van mijn gemoed bij jullie in zwakheid en in vrees en in vele beving (Hand. 18: 1 en 9).
2 Kor. 10: 10.
De apostel doelt hier op het gebrek aan natuurlijke wilskracht en beslistheid, die hem na de weinige vrucht, die hij te Athene had gezien en tegenover de openbare vijandschap van de Corinthische Joden het uitoefenen van zijn roeping zo zwaar maakte, dat de Heere voor hem die wonderbare aanmoediging, die wij in Hand. 18: 9 v. meegedeeld vinden, nodig achtte. In de vele noden en verdrukkingen, waarover hij in 1 Thessalonicenzen. 3: 7 spreekt, onder de ontaarde en boze mensen, waarvan hij in 2 Thessalonicenzen. 3: 2 verlost wil worden, had hij liever gezwegen, als zijn roeping hem niet tot spreken had verplicht. Hij was er dus ver van verwijderd om een werkzaamheid van de prediking zichzelf op te leggen, waartoe hem het bewustzijn van bijzondere begaafdheid en begeerte om die te tonen, dwingen zou. Opdat ook dit en niet alleen redekunstige en filosofische verkondiging van het Evangelie zou zijn uitgesloten; herinnert hij de toestand, waarin hij zich gedurende zijn verblijf te Corinthiërs bevond.
Het is de vraag of wij onze zwakheid, vrees en beving niet te veel bedekken en ontveinzen en de leemten, die er vaak zijn, te vlijtig door natuurlijke krachten proberen aan te vullen, ook te veel vrezen voor het oordeel van de wereld, die het niet goedkeurt als het niet altijd met dezelfde moed, bereidvaardigheid en geschiktheid voortgaat. Maar waar leven is, daar zijn ook afwisselingen, waar leven is moet de groei door hinderpalen zich een weg banen.
En mijn rede en mijn prediking a) was, toen ik vervolgens moed en opgeruimdheid kreeg en mijn werk onder u met zegen verrichtte Ac 18: 5, niet in beweeglijke, zuiver verstandelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar integendeel in betoning van de geest en van de kracht, zodat deze, die zich in mijn prediking openbaarde, u overwonnen.
1 Kor. 1: 17; 2: 1. 2 Petrus 1: 16.
Zowel bij gesprekken als zielverzorger en bij het onderwijs, als bij zijn openbare prediking versmaadde Paulus de kunst van de wijzen van de wereld, die door woorden van wijsheid en redekunst voor hun woorden toejuiching zoeken. Verstandige woorden op overreding berekend, zoals menselijke wijsheid die aan de hand geeft, heeft de dienaar van het Goddelijke woord niet nagejaagd. Er is een soort van schitterende en overrompelende bewijsvoering, die de Christelijke leerstellingen bij het verstand probeert in te smokkelen. Daarvoor zouden de Corinthiërs open oren hebben gehad, maar Paulus heeft dergelijke pronkerij ver van zich afgewezen. Hij heeft niemand gevangen door bedrevenheid in het disputeren, redeneren en gevolgtrekkingen maken, noch ook op de zenuwen gewerkt en geestelijke bedwelming als een middel tot opwekking gebruikt, zoals heden ten dage de methodisten doen. Overtuiging van het hart, door bondige, onomstotelijke bewijsvoering was zijn doel en oogmerk. Maar tot zo’n bewijsvoering hield hij overredende woorden van wijsheid of wegslepende woorden van gevoel noch geschikt noch dienstig; zijn leer en prediking gingen vergezeld van betoning van de Geest en van de kracht.
De betekenis van deze laatste woorden kan of deze zijn: “zodat ik Geest en kracht verkondigde”, of “zo dat Geest en kracht zich door mij vertoonden”, of ook “zo dat Geest en kracht het bewijs gaven. ” Het laatste komt het meest overeen met de gekozen uitdrukking.
Paulus bedoelt de Heilige Geest die Zich in deze meedeelt en de kracht van God, die door zijn prediking op de harten werkte en ze overtuigde van de waarheid.
Het bewijs van de Geest staat tegenover een bewijs door de letter, het bewijs van de kracht tegenover een bewijs door logische demonstratie. Het is het getuigenis van de Heilige Geest, dat Paulus hier alleen wil laten gelden.
Opdat uw geloof, dat ik van uw kant moest opwekken (Rom. 10: 17), niet zou zijn in wijsheid van de mensen, a) maar in de kracht van God (1 Thessalonicenzen. 1: 5).
2 Kor. 4: 7.
Hiermee is uitgesproken, wat het Goddelijk doel was bij de leiding van de apostel in de wijze van zijn prediking, een doel, dat ook in de gedachte van die apostel zelf was opgenomen. De prediking is het toch, die het geloof in Christus teweeg brengt. Steunde dat op menselijke wijsheid en op overtuigende woorden, die slechts oppervlakkige indrukken teweeg brengen, dan zou het geloof op een onvaste grondslag rusten en gemakkelijk weer bezwijken bij de aanvallen van de menselijke wijsheid. Wanneer daarentegen de prediking rust op de betoning van Geest en kracht, dan rust het geloof op Gods kracht, op een onwrikbare grondslag, zodat het de bestrijdingen, die van menselijke macht, kunst en wetenschap uitgaan, zegevierend kan doorstaan. Dat was de bedoeling: daarom moest ik, wil Paulus zeggen, op zo’n manier prediken.
a) En wij spreken wijsheid, namelijk het woord van het kruis, dat anderen als een dwaasheid voorkomt (Hoofdstuk 1: 18, 23), onder de volmaakten, onder ons gelovigen (Fil. 3: 15); maar een wijsheid, b) niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, van de machthebbenden en toongevers, c) die teniet gedaan worden, die met al hun macht en al hun invloed toch vergaan en daarmee hun wijsheid zelf te schande maken.
Job 28: 21. b) Jak. 3: 15. c) 1 Kor. 15: 24.
Maar wij spreken de wijsheid a) van God, bestaande b) in verborgenheid, een wijsheid, die alleen door bijzondere goddelijke openbaring tot kennis van de mensen komt en in de onpeilbare diepte van Zijn raadsbesluit besloten ligt een wijsheid, die bedekt was en die vanwege haar zaligmakende kracht God te voren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was. Nog vóór het begin van de tijd (Efez. 1: 4) heeft Hij bepaald, dat wij door haar tot heerlijkheid zouden worden geleid (Kol. 1: 25 vv. 1 Petrus 1: 20.
Rom. 16: 25. b) 1 Kor. 4: 1.
Maar wij spreken de wijsheid a) van God, bestaande b) in verborgenheid, een wijsheid, die alleen door bijzondere goddelijke openbaring tot kennis van de mensen komt en in de onpeilbare diepte van Zijn raadsbesluit besloten ligt een wijsheid, die bedekt was en die vanwege haar zaligmakende kracht God te voren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was. Nog vóór het begin van de tijd (Efez. 1: 4) heeft Hij bepaald, dat wij door haar tot heerlijkheid zouden worden geleid (Kol. 1: 25 vv. 1 Petrus 1: 20).
Rom. 16: 25. b) 1 Kor. 4: 1.
a) Welke wijsheid niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft (Joh. 1: 11), b) want als zij ze gekend hadden, dan zouden zij de Heere der heerlijkheid, Jezus Christus, de bezitter van de heerlijkheid, waaruit Hij kwam en waartoe Hij vervolgens terugkeerde (Joh. 17: 5. Luk. 24: 26. Jak. 2: 1. Efeze. 1: 17), niet gekruisigd hebben (Hand. 3: 17. 13: 27).
MATTHEUS. 11: 25. Joh. 7: 48. 2 Kor. 3: 14. b) Joh. 16: 3. 1 Tim. 1: 13.
De eerste vraag, die bij deze laatste verzen ons voorkomt, is, die wijsheid hier bedoeld wordt, of hetzelfde dat in vs. 4 bedoeld is, in verband met Hoofdstuk 1: 21-25, of iets anders, een tot hiertoe nog niet genoemd onderwerp van de prediking, dat slechts de volmaakten kon worden voorgehouden. Die het laatste aannemen beroepen zich daarbij op 1 Kor. 3: 1-3 Zij menen, dat de Evangelische prediking ook bestanddelen bevat, die recht hebben wijsheid te worden genoemd, dat deze echter niet dadelijk aan ieder kan worden verkondigd, maar een rijpere kracht van bevatting, een hogere trap van kennis vereisen, dan die nog bij hen, die beginnen, bij jonge kinderen in Christus aanwezig is. De inhoud van deze wijsheid zouden dan de in vs. 9 genoemde geheimen zijn van de volmaking van het Godsrijk. Het is evenwel niet moeilijk op te merken dat deze verklaring in het verband, waarin onze plaatsing voorkomt, weinig past. De gedachte, die in Hebr. 5: 11 v. onweersprekelijk volgens het verband ligt, dat vele diepere ontsluieringen van de Christelijke openbaring niet meteen voor ieder toegankelijk zijn, heeft op onze plaats reeds daarom geen grond, omdat zodanige bijzondere, diepere mededelingen noch hier noch in Hoofdstuk 3: 4 v. worden voorgedragen en over hetgeen met het citaat in vs. 9 bedoeld is, nog eerst de samenhang zelf moet beslissen. Het komt daarom onaannemelijk voor dat volgens de uitdrukkelijke betuiging in Hoofdstuk 1: 24 v. en 1Co Hoofdstuk 2: 2, 5, dat juist in het woord van het kruis de diepte van de Goddelijke kracht en wijsheid zich openbaart, hier onder de wijsheid bij de volmaakten iets anders te verstaan, iets dat boven het woord van het kruis is en zich daarvan als wijsheid onderscheidt. Daarentegen verzet zich de gehele voortgang van de rede, die echter juist sluit, als de apostel van vs. 6 aanwijst, dat toch werkelijk zijn prediking een prediking van de wijsheid is, wel niet in de kring van Joden en Grieken, die oordelen, zoals in Hoofdstuk 1: 23 staat en tot deze wereld behoren (vs. 6 en 8); maar wel in de kring van hen, die volmaakten genoemd mogen worden. Het is wijsheid voor hen, voor wie het Christendom ernst is, die zich met geen zuivere schijn of met de naam alleen vergenoegen, maar die werkelijk in de gemeenschap van Christus staan door het geloof (vgl. Kol. 1: 28, dus in de kring van de uitverkorenen, zoals zij in Hoofdstuk 1: 26-28 worden gekarakteriseerd. Dat deze wijsheid een andere is, dan wat de wereld en haar oversten daarvoor houden, wordt in de tweede helft van het zesde vers nog nadrukkelijk herhaald (vgl. Hoofdstuk 1: 22 v.) en in vs. 8 bevestigd, als door de daad bewezen. Daarom hebben echter deze oversten en de wereld, waartoe zij behoren, met hun wijsheid geen kans op voortduring en bestendigheid, maar zij vergaan, zij zijn naar hun natuur nergens geschikt toe dan om ten onder te gaan, terwijl de wijsheid van God volgens vs. 7 haar discipelen ter heerlijkheid geleidt.
Voor en aleer de mens de Goddelijke wijsheid als wijsheid kan erkennen, moet eerst de kracht van God zich aan hem betonen. Zij moet de gewaande veiligheid en de overmoed van de natuurlijke mens schokken en neerwerpen; zij moet hem overtuigen van de zonde; zij moet hem een nieuw leven schenken. Dan erkent hij de hoogste wijsheid daar, waar hij vroeger niets dan dwaasheid zag. (V.).
Met de oversten van deze wereld worden bedoeld de groten van de wereld in wetenschap en staat. Zij worden beschreven als degenen die de Heere der heerlijkheid kruisigden. Deze uitdrukking mag intussen niet van de Joden alleen verklaard worden. In Pilatus zag de apostel
de vertegenwoordiger van de heidense overheden en hij bedoelde dus evenzeer de heidenen als de Joden, in hun wetenschappelijke als staatkundige vertegenwoordigers.
In de verwerping van de Heere Jezus door de oversten van de Joden, in de veroordeling door de Romeinse landvoogd van Hem, die de heidenen was overgeleverd, wordt openbaar hoe de wereld, niet alleen het ruwe gemeen, maar juist de beschaafde en voorname wereld, verduisterd is in onwetendheid en vijandschap tegen God, zodat zij door de misdaad van haar onwetendheid het raadsbesluit van de wijsheid van God heeft moeten volvoeren.
Maar het is met deze wijsheid, wat haar inhoud aangaat, voor alle mensen, zoals in Jes. 64: 4 geschreven is: “Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor die, die Hem liefhebben (Rom. 8: 28).
In een hoge verheffing van woord en gedachte zet Paulus een heilig zegel van de Schrift op zijn bewering, dat zijn getuigenis Goddelijke openbaring bevat, verheven boven alle menselijke wijsheid. Het citaat komt onverwacht en afgebroken, zonder eigenlijk zinsverband voor, evenals dat in Hoofdstuk 1: 31 Bovendien ligt er wat de bron aangaat zeer grote duisterheid en moeilijkheid op. Reeds verscheidene van de voornaamste uitleggers onder de vaderen nemen, omdat zij geen plaats van het Oude Testament, geheel met de onze overeenstemmende, konden vinden, aan, dat het een citaat is uit een ander geschrift, terwijl de ene dat nader noemt, de ander niet; zo noemt men als bron de apocrieve apocalyps van Elia. Daarmee is in strijd de wijze van aanhaling: “zoals geschreven is”, die alleen voor canonieke schriften, van de Heilige Schrift zelf gebruikelijk is; er is dan ook niets tegen de gewoon gedachte, dat het citaat uit Jes. 64: 4 is. De plaats is wel wat woorden en zin aangaat, zeer vrij behandeld, maar toch wel kenbaar. Daaruit ziet men de vrijheid van de Geest jegens de letter van de Schrift bij de apostel, die hier zo zeer door de Geest is vervuld; toch is de vrijheid niet zonder regel.
a) Maar God heeft hetgeen volgens het zo-even aangehaalde profetische woord voor de natuurlijke mensen onbegrijpelijk en ondoorgrondelijk was, ons, die in Christus zijn en tot de volmaakten (vs. 6) behoren, geopenbaard door Zijn Geest, die Hij ons gegeven heeft, zodat het ons nu inwendig helder en duidelijk is (Gal. 1: 16). Want de Geest van God onderzoekt alle dingen, ook de diepten van God.
MATTHEUS. 13: 11. 2 Kor. 3: 18.
Evenals Johannes. (Joh. 1: 18) zegt: “Niemand heeft ooit God gezien; de eengeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem ons verklaard”, zo schrijft Paulus aan de Heilige Geest, de openbaarder van de zaligheid in het menselijk hart, Goddelijke wetenschap toe als eigenschap van Zijn Goddelijke waardigheid. Hij doorzoekt alle dingen (“tel het getal van de kleinste zandkorrels, peil de diepste afgronden van de zee, niet om van onkunde tot kennis te komen, maar omdat het Hem eigen is, met persoonlijk werkzaam weten alles krachtig te doorzien, ook de diepten van God. Onderscheiden van God, wiens diepten Hij doorzoekt, is Hij toch niet gescheiden van het wezen van God, welks alwetendheid zich in Zijn onderzoeken werkzaam betoont. De diepten van God zijn de volheid van de rijkdom van de verborgen wijsheid van God (Rom. 11: 33) en Paulus kiest deze uitdrukking om de bron van de wijsheid van het kruis uit het gebied van de wereld in de schoot van de eeuwige, drie-enige van God te plaatsen.
Daaruit dat de Geest van God alles doorzoekt, volgt echter niet, dat Hij de mensen ook alles openbaart; de apostel wijst in vs. 12 dat, wat Hij openbaart, aan met de woorden “die ons door God geschonken zijn.”
a) Want wie van de mensen weet hetgeen van de mensen is, wat in mij of in u plaats heeft, dan de geest van de mensen, die in hem is, d. i. mijn of uw geest, die eerst aan anderen door woord of gebaren bekend moet maken wat zij uit zichzelf niet kunnen weten (Spr. 20: 27). Zo weet ook niemand hetgeen van God is dan de Geest van God en die, aan wie Hij het door Zijn inwonen en verlichten openbaart (MATTHEUS. 11: 27).
Spr. 27: 19. Jer. 17: 9.
De Geest van de Vader en van de Zoon is die Goddelijke persoon, die de eeuwige eenheid is van de Vader, als de erkennende en scheppende en van de Zoon als de erkende en de ontvangende en even daarom ook weer de indirect alles scheppende. In de Geest zo voltooit zich het Goddelijk zelfbewustzijn als van de enig eeuwige God. Daarom wordt dan ook aan de Heilige Geest bij uitnemendheid het doorgronden van de diepte van de Godheid, het kennen van het meest inwendige wezen van God, toegeschreven. Het onderzoeken duidt hier niet aan, het aan het licht brengen van het te voren onbekende, maar het altijd levende en werkzame in het Goddelijk kennen, het zelfbewust worden van alle gedachten van God van eeuwigheid tot eeuwigheid, zoals ook God de harten van de mensen onderzoekt en proeft (Psalm 89: 1, 23. Rom. 8: 27. Openbaring 2: 23). Zoals het in God zelf de Geest is, die de diepten doorzoekt, zo is Hij het ook, wanneer Hij de mens wordt meegedeeld. Om dit en het vroeger gesprokene aanschouwelijk te maken, vergelijkt Paulus daarmee de mens. Ook de mens kan zichzelf aanschouwen en erkennen en het bewustzijn van zichzelf verenigt de erkennende en de erkende met zichzelf. Maar dit is iets wat voor het oog van andere mensen verborgen is en slechts dan wanneer de Geest van de mensen de diepte van het binnenste heeft ontsloten, wordt het tien anderen openbaar, wat in hem is. Zo ook steunt alle kennis van God alleen op de mededeling van Zijn Geest. Wat in de mens, als in het afbeeldsel zich in één persoon verenigt en toch gescheiden vertoont, dat is in God persoonlijk (als de Geest van de Vader en van de Zoon) gescheiden en toch in één wezen verenigd. Zij, aan wie God het geopenbaard heeft, die de apostel vs. 10 ons noemt, zijn niet de apostelen of de volkomenen alleen, maar alle Christenen. Ook dat zij jonge kinderen zijn in Christus (Hoofdstuk 3: 1), is het werk van deze Geest maar het nog zeer machtige vlees in hen verhindert in hen de klare kennis van deze openbaring. (V.).
Waar alleen de geest van de wereld is, daar is volstrekt onbekend wat ons God geopenbaard heeft door de Geest, die wij ontvangen hebben en die uit God is. Als het binnenste van de mens voor zijn medemensen, die toch zijn gelijken zijn, zo gesloten en verborgen is, hoeveel temeer dan het inwendige van God voor ieder, die niet “hij zelf” is.
Maar wij, die in de Christelijke gemeenschap zijn (vs. 10), hebben niet ontvangen de geest van de wereld, als hadden wij die nog nodig, zoals velen onder u zichzelf wijs maken, maar de Geest, die uit God is, opdat wij in de kracht van Zijn openbaring, die volkomen en voldoende is en dat alleen teweegbrengt, zouden weten de dingen, die ons door God geschonken zijn.
Hadden de apostel en de leraren, die met hem van dezelfde gezindheid waren, voornamelijk en als de eerstelingen deel aan de hier beschreven zegen, dan is die toch niet aan hen gegeven, opdat die alleen voor hen blijft, maar opdat die ook anderen ten dienste zij. Voor zover dit gebeurd was, strekt zich ook de omvang uit van dit “wij” en de tegenstelling, waarin dit vers ons plaatst. “Wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld”; want deze hadden wij niet eerst hoeven te ontvangen; door deze zijn wij vanzelf omringd en beheerst.
In plaats van hier enkel het slot bij te voegen: “Maar wij hebben deze Geest ontvangen, ten gevolge van die erkennen en doorgronden wij de diepte van de Godheid”, stelt de apostel nog een tegenstelling daartussen: “wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld”; omdat, om tot diepere wijsheid te komen, de Corinthiërs de wijsbegeerte en wereldse welsprekendheid nodig achtten. Daarmee wil hij dus zeggen: “u kunt dus niet verlangen, dat u de diepten van de Godheid worden ontsloten op de manier en in de vormen van de wereld. ” Veeleer is de Christenen de van God zelf uitgaande Geest geschonken, opdat zij erkennen mochten wat God hun geschonken heeft, de verlossing door Christus. Iets dergelijks zegt hij in Rom. 8: 15. (V.).
Waarde lezer, heeft u de Geest ontvangen, die uit God is, in uw ziel uitgestort in de Heilige Geest? Tot de noodzakelijkheid van het werk van de Heilige Geest in het hart kan men besluiten uit het feit, dat al wat gedaan is door God de Vader en door God de Zoon, voor ons tevergeefs moet blijven, tenzij de Geest deze dingen aan onze zielen openbaart. Welke uitwerking heeft de leer van de verkiezing op een mens, voordat de Geest van God bij hem binnentreedt? Die uitwerking is voor mijn bewustzijn een dode letter, totdat Gods Geest mij uit de duisternis roept tot Zijn wonderbaar licht. Dan zie ik door mijn roeping mijn uitverkiezing; mij door God geroepen wetend, erken ik mijzelf als uitverkoren van eeuwigheid. Een verbond werd er met de Heere Jezus opgericht door Zijn Vader. Maar wat baat ons dat verbond, voordat de Heilige Geest ons de zegeningen ervan aanbrengt en onze harten opent om die te ontvangen? De zegeningen van het heil zijn ons verworven in Jezus Christus; maar zonder de Heilige Geest zijn zij buiten ons bereik. De zegeningen van het Verbond zijn als het manna in de hemel. Wij kunnen het van daar niet door onze menselijke kracht doen neerdalen, maar de Geest van God opent de vensters van de hemel en strooit het levend brood rondom het leger van het geestelijk Israël. Christus is de ware wijnstok, maar door de Geest alleen kunnen wij als levende ranken Hem worden ingeënt. Zonder de Geest zijn wij zo werkelijk dood in de zonde, als had de Vader ons nooit verkregen met Zijn dierbaar bloed. De Heilige Geest is onmisbaar nodig voor ons geestelijk welzijn. Laat ons dan in heilige liefde jegens Hem wandelen en zelfs voor de gedachte sidderen om Hem te bedroeven.
De geest van de wereld is het principe van leven en denken, dat de wereld of de onwedergeboren mensheid beheerst en doordringt, dat het ijdele, veranderlijke, bedrieglijke zoekt, of, daarvan uitgaande, ook zelfs in hetgeen het voortbrengt ijdel, veranderlijk, bedrieglijk is, een principe van eigen wijsheid, dat de natuurlijke krachten om iets te leren kennen, verhoogt, opwekt, doordringt, maar hun zwakheid niet overwint en aan zichzelf overgelaten, van God afgekeerd, niet alleen met zwakheid en onwetendheid, maar ook met verkeerdheid en dwaling (1 Joh. 4: 6) besmet blijft.
De Christenen zijn geen prooi van deze geest (en dat moet de Corinthiërs nu duidelijk worden), maar zij worden geleid door de Geest van God, die weet wie God is (vs. 11), die hier nu voorkomt als Geest uit God, omdat hier gesproken wordt van de Geest door God meegedeeld en wonend in de harten van de gelovigen, van de Geest, die de mens leidt tot de kennis van de in Christus hun uit genade geschonken goederen van de zaligheid. De uitdrukking, “die ons door God geschonken zijn”, vat kort tezamen wat in vers 9 en Hoofdstuk 1: 30 beschreven is.
Die (namelijk de dingen, die ons door God geschonken zijn, vs. 9 en 6) wij, de bewaarders van Gods geheimen (Hoofdstuk 4: 1) ook spreken a) niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, niet met een welsprekendheid, voortgekomen uit de scholen van menselijke redekunst en geleerdheid (Hoofdstuk 1: 17), maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegend, met de geestelijke inhoud van onze prediking ook verbindend een vorm, die geestelijk is en door de Geest van God is gegeven.
1 Kor. 2: 4. 2 Petrus 1: 16.
Evenals iedere profetie met het geloof moet overeenstemmen (Rom. 12: 7), zo voegt zich de taal van de predikers, die door de Geest van God gedreven worden tot overeenstemming met de geestelijke zaken, die zij spreken. Niet met woorden, die menselijke wijsheid kan leren, niet naar aangeduide regels van wereldse welsprekendheid en kunst van denken, maar met woorden, die de Heilige Geest leert. Deze geeft naar de belofte van de Heere (MATTHEUS. 10: 19 v.) beide wat en hoe de getuigen van Christus moeten spreken. Zo spraken wij, zegt Paulus van zichzelf en van zijn medegetuigen tot beschaming van de Corinthiërs, die de taal van diezelfde éne geest in de mond van hun leermeesters Paulus en Apollos miskenden en aan de mens toegeschreven wat van God is. Met recht hebben onze ouden hier een voorname bewijsplaats gevonden voor de woordelijke inspiratie van de profetische en apostolische leer in woord en schrift. Wat zou ook aan de Kerk een Heilige Schrift baten, waarvan wel de zin door God was ingegeven, maar niet de woorden? Alleen uit de juiste woorden kunnen wij toch de juiste bedoeling leren kennen. Wij vermeten ons niet de wijze van de Goddelijke ingeving te bestrijden; het is genoeg dat wij weten, wat en hoe de apostelen hebben gesproken, dat is juist zoals het er staat, Gods woord, door de Heilige Geest hun gegeven om uit te spreken (Hand. 2: 4. 2 Petrus 1: 21 De heilige tact en het tedere gevoel van welvoeglijkheid, waarmee de door de Geest geleerde mensen hebben gesproten, drukt Paulus uit met de woorden: “geestelijke dingen met geestelijke samenvoegend.”
Maar de natuurlijke mens, die naar zijn ziel leeft en de Geest niet heeft (Judas 1: 19), begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn; hij neemt niet met verstand en toegenegenheid op wat van de Geest van God is, wat Hem toebehoort en naar vorm en inhoud van Hem afkomstig is (vs. 12 en 13); want zij zijn voor hem dwaasheid (Hoofdstuk 1: 18 en 23) en hij kan ze niet begrijpen Om 3: 2 omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Alleen dan kunnen zij in hun ware betekenis en bedoeling worden begrepen, als hij, die daarover oordeelt, zelf onder de leiding van die Geest staat, die ze geopenbaard heeft en door de verkondiger (vs. 13) heeft meegedeeld.
Dat de apostolische leer, die wat inhoud, oorsprong en wijze van voordracht betreft het Goddelijk stempel heeft, door velen niet wordt aangenomen, verklaart de apostel uit de toestand van de mensen waartoe hij zich wendt, die mensen in een even verkeerde houding tot haar staan, als zij in ieder opzicht met zichzelf harmonisch is. Deze toestand wordt uitgedrukt door “psychisch mens”, “ziele-mens”, hetgeen hier door “natuurlijke mens” is vertaald.
Het Griekse oor hoorde in het woord “ziele-mens” hetzelfde, dat ons oor in het woord “natuurlijk” (vleselijk of menselijk Judas 1: 19. Jak. 3: 15) hoort. Daarin treedt vooral de kant van de verdorven natuur op de voorgrond, volgens welke ons verstand verduisterd is voor bovennatuurlijke, geestelijke dingen. Dat de mens van oorsprong een geestelijk wezen is (vs. 11) maakt hem niet geschikt om de geestelijke goederen aan en op te nemen, omdat de menselijke geest, naar God geschapen, door de val geworden is tot een tegen God strijdende geest van de wereld (vs. 12). In de natuurlijke mens is de geest psychisch, gebonden door de ziel en dienstbaar aan het vlees. Niet alsof de natuurlijke mens tot een dier geworden zou zijn, waarmee hij de levende ziel gemeen heeft; de persoonlijke, zelfbewuste menselijke ziel behoudt de vreselijke voorrang boven de ziel van het dier, dat zij een zondige ziel is of een onheilige geest heeft. Maar daarin is de mens, die de Heilige Geest mist, aan het vee gelijk (Psalm 49: 21. 2 Petrus 2: 12, dat hij in dit leven, in deze wereld, op de aarde zijn ziel weidt en verzadigt, overgegeven aan de lusten en begeerten van het vlees, zonder te luisteren of begerig te zijn naar de wijsheid, die van boven komt (Jak. 3: 15). Het is onze natuur, de aard van onze ziel, die in het natuurlijke leven verzonken is, dat wij niet opnemen (met zachtmoedigheid, Jak. 1: 21), maar met afkeer en verzet van ons wijzen, wat van de Geest van God is, Hem toebehoort en van Hem komt. Krachtiger kan de apostel de trots van het verstand niet terneer slaan. Hij verwacht van de natuurlijke mens niets anders, dan dat deze het woord van de Geest weerspreekt. Het is toch voor hem, die naar de wijsheid van deze wereld vraagt een dwaasheid, het zijn onzinnige reden en fabelachtige mededelingen uit een wereld, die voor hem verborgen is; hij kan ze niet begrijpen, zoals in Rom. 8: 7 van het willen van de natuurlijke mens is gezegd, dat hij van de wet van God niet gehoorzaam kan zijn.
De erkentenis, waarvan gezegd wordt, dat de natuurlijke mens er niet kan komen, is niet voor een voor waar houden van geloofsstukken te houden, want daartoe kan men zeker door natuurlijke inspanning komen, maar moet opgevat worden als inzicht uit inwendige ervaring, als een bevatten.
Met zuiver natuurlijke inspanning van het verstand zal nooit een inzicht in de Goddelijke waarheden van het Christendom mogelijk zijn. Daartoe is de vernieuwing van de hele mens noodzakelijk. De Heilige Geest moet ons geheel en al verlichten en heiligen. Dan ontstaat een geheel nieuw licht van kennis in ons. (V.).
De natuurlijke mens is de dierlijke mens, de mens onder de macht van het verderf, die nog niet verlicht is door de Geest van God. Die ongeheiligd zijn begrijpen de dingen van God niet. Het verstand is door het verderf van de natuur, door de val en door zondige gewoonten geheel ongeschikt om het licht van God te ontvangen. De mens ziet op de waarheid van God als welke geen nadenken waardig is. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen (Joh. 1: 5). Niet dat de natuurlijke geschiktheid van onderscheiden verloren is maar boze neigingen en verkeerde beginselen maken de mens onwillig om zich in geestelijke zaken te begeven en zich te onderwerpen aan haar invloed en kracht. De vertroostende stralen van de Geest van de waarheid en van de heiligheid moesten het gemoed behulpzaam zijn om de heerlijkheid op te merken en de overtuiging te voelen van de waarheid, zodat men ze van harte ontving en omhelsde. De mens, ontbloot van de Heilige Geest kan ze niet zien, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. De natuurlijke mens is de wijze man van de wereld, de mens, die niet wil aannemen door het geloof, noch de noodzakelijkheid erkennen van bovennatuurlijke hulp; zo iemand begrijpt de dingen van Gods Geest niet. Openbaring is voor hem geen bron van kennis; hij ziet daarop als overdrijving. Het is geen weg tot wijsheid bij de meesters van deze wereld. En daarom kan hij geen kennis hebben van zaken van de openbaring; omdat die alleen bekend worden door de ontdekking van de Geest, die een bron van kennis is, wil hij niet toegeven. Onder een natuurlijk mens moeten wij verstaan een onwedergeborene, hoewel verstandig, geleerd, of vrij van toegeven aan zinnenlust. Hij toch is geplaatst in tegenstelling tegen de geestelijke mens en de hoogmoed van het vleselijk onderzoek is zoveel mogelijk gekant tegen het geestelijke. Niemand, die niet is wedergeboren (Joh. 3: 5) kan in ongeloof en liefde de geestelijke geheimen bevatten van de verlossing door het bloed van het kruis.
a) Maar de geestelijke mens, die met Gods Geest begaafd is en onder de invloed van die Geest staat, onderscheidt wel alle dingen; hij kan alles, wat hem voorkomt, door de kracht van zijn oordeel, dat door GodsGeest verlicht en bestuurd wordt, juist waarderen, maar hij zelf wordt van niemand anders, dan die ook zelf geestelijk is, onderscheiden.
Spr. 28: 5.
Want, om met de profeet (Jes. 40: 13) te spreken, wie heeft de zin van de Heere gekend, die Hem zou onderrichten? (vgl. Rom. 11: 34). Maar wij, die Christus waarlijk toebehoren (1 Joh. 2: 20), hebben de zin van Christus. Zo kan niemand God onderscheiden, die niet dezelfde zin heeft; wij staan daar als kennende de gedachten en de bedoeling van de wil van de Heere en als deelgenoten van Zijn zaligheid onbereikbaar voor het verstand en het trotse oordeel van degenen die op eigen kennis roemen, maar niets anders hebben dan een psychische zin, die van God vervreemd en tegen God vijandig is.
De apostel zegt wat bij in vs. 15 v. heeft uitgesproken, zonder twijfel in het bijzonder ziende op die Corinthiërs die zich op de voorgrond stelden, om hem te beoordelen.
Het treurige en overmoedige van de harten van de menselijke wijsheid, die zelfs Gods wijsheid en Zijn openbaring en de organen van Deze durft berispen, is in deze treffende zinnen zeer juist getekend.
De geestelijke mens heeft de juiste kritische blik van het onderzoek voor alles, wat hem ter beoordeling voorkomt (1 Thessalonicenzen. 5: 21). Hoe vaak heeft Paulus zelf dit geestelijk oordeel ook jegens zaken, die de leer niet aangingen, getoond onder verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld als hij gebruik maakte van omstandigheden bij vervolging en verantwoording op zijn laatste zeereis (Hand. 27) in zijn oordeel over huwelijkszaken, rechtszaken, slavernij, collecten en andere dingen, waarbij hij alles op de weegschaal van een hoger, geestelijk gezichtspunt met bewonderenswaardige juistheid, helderheid, vol tact weet te leggen. In zijn waardering van de verschillende personen, in zijn gebruik maken van gegeven omstandigheden, in zijn grootse oordelen, zoals in Hoofdstuk 3: 22, in zijn krachtig getuigen over zichzelf (2 Kor. 6: 4 v.), in de edele onafhankelijkheid van al het aardse (Hoofdstuk 7: 29 v. Fil. 4: 11 v.).
Mits de Christen de Geest van God ontvangt, die ook de diepten van de Godheid onderzoekt, bestaat er voor hem niets, dat hem geheel en ten allen tijde verborgen moest blijven. Veeleer ontsluit zich voor hem op elk standpunt waarop hij zich bevindt, het ganse rijk van de kennis. Zoals bij alles, zo kan hem niemand beoordelen, die niet dezelfde Geest heeft gekregen. Maar om die Geest te krijgen moet de mens zijn eigen menen en oordelen opgeven en aan de Goddelijke gedachte volkomen ruimte laten. De Heilige Geest leert hem uit het woord van God en daaraan moet hij zich laten toetsen. Daarom is de verblinding het grootst en verderfelijkst voor hen, die hun eigen gekozen wegen met het aanmatigend woord verontschuldigen, dat zij Geest-mensen zijn, die door niemand dan hun gelijken begrepen kunnen worden. (V.).
Wat de apostel hier in het algemeen van de geestelijke mens zegt heeft natuurlijk in concreto zijn begrenzing naar de maat en de trap van de volmaaktheid van het geestelijk leven.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel