Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
AangaandeG4012 nuG1161 de verzamelingG3048, die voor de heiligenG40 geschiedtG5618, gelijk als ik aan de GemeentenG1577 in GalatieG1053 verordendG1299 heb, doetG4160 ookG2532 gijG4771 alzoG3779.
Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo.
KJV
Now2
concerning1
the collection4
for6
the saints,8
as9
I have given order10
to the churches12
of Galatia,14
even16
so15
do18
ye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
OpG2596 elken eerstenG3391 dag der weekG4521, leggeG5087 eenG1520 iegelijkG1538 van uG4771 iets bij zichzelvenG1438 wegG5087, vergaderende een schatG2343, naar dat hij welvaren verkregenG2137 heeft; opdatG2443 de verzamelingenG3048 alsdanG5119 nietG3361 eerst geschiedenG1096, wanneer ik gekomenG2064 zal zijn.
Op elken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.
KJV
Upon1
the first
day of the week3
let8
➔ every one4
of you
lay
by6
him7
in store,9
as12
God hath prospered him,13
that
➔ there be20
no
gatherings19
when16
I come.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG1161 wanneerG1437 ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gijG4771 zult bekwaamG1381 achten doorG1223 brievenG1992, zendenG3992, om uw gaveG5485 naarG1519 JeruzalemG2419 over te dragenG667.
En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.
KJV
And2
when1
I come,3
whomsoever4
ye shall approve6
by7
your letters,8
them
will I send10
to bring11
your
liberality13
unto15
Jerusalem.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG1161 indien het der moeite waardigG514 mocht zijnG1510, dat ik ook zelf reizenG4198 zou, zo zullen zij met mijG1473 reizenG4198.
En indien het der moeite waardig mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.
KJV
And2
if1
it be
meet4
that I go7
also,6
they shall go10
with8
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DochG1161 ik zal totG4314 uG4771 komenG2064, wanneer ik MacedonieG3109 zal doorgegaanG1330 zijn, (wantG1063 ik zal door Macedonie gaan);
Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonie zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonie gaan);
KJV
Now2
I will come1
unto3
you,
when5
I shall pass through7
Macedonia:6
for9
I do pass through10
Macedonia.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En ik zal mogelijkG5177 bijG4314 uG4771 blijven, ofG2228 ookG2532 overwinterenG3914, opdatG2443 gijG4771 mijG1473 moogt geleidenG4311, waar ik zal henenreizenG4198.
En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen.
KJV
And3
it may be4
that I will abide,5
yea,6
and7
winter8
with1
you,
that9
ye
may bring12
➔ me
on my journey
whithersoever13
I go.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 ik wilG2309 uG4771 nu nietG3756 zienG1492 inG1722 het voorbijgaanG3938, maarG1161 ik hoopG1679 enigenG5100 tijdG5550 bijG4314 uG4771 te blijven, indienG1437 het de HeereG2962 zal toelatenG2010.
Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.
KJV
For3
I will2
not1
see
you
now5
by6
the way;7
but10
I trust9
to tarry13
a while12
with14
you,
if16
the Lord18
permit.19
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
MaarG1161 ik zal te EfezeG2181 blijven tot den pinksterG4005 dag.
Maar ik zal te Efeze blijven tot den pinkster dag.
KJV
But2
I will tarry1
at3
Ephesus4
until5
Pentecost.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 mijG1473 is een groteG3173 en krachtigeG1756 deurG2374 geopendG455, enG2532 er zijn veleG4183 tegenstandersG480.
Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.
KJV
For2
a great5
door1
and6
effectual7
is opened4
unto me,
and8
there are many10
adversaries.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZoG1437 nuG1161 TimotheusG5095 komtG2064, ziet, datG2443 hij buiten vrezeG870 bijG4314 uG4771 zij; wantG1063 hij werktG2038 het werkG2041 des HeerenG2962, gelijk als ikG1473.
Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik.
KJV
Now2
if1
Timotheus4
come,3
see5
that6
he may be8
with9
you
without fear:7
for12
he worketh15
the work13
of the Lord,14
as16
I18
also17
do.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dat hem dan niemandG3361 verachteG1848; maarG1161 geleidtG4311 hemG846 inG1722 vredeG1515, opdatG2443 hij totG4314 mij komeG2064; wantG1063 ik verwachtG1551 hemG846 met de broederenG80.
Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.
KJV
Let5
➔ no1
man2
therefore3
despise
him:4
but7
conduct6
➔ him8
forth
in9
peace,10
that11
he may come12
unto13
me:
for16
I look for15
him17
with18
the brethren.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En wat aangaatG4012 ApollosG625, den broederG80, ik heb hem zeer gebedenG3870, datG2443 hijG846 metG3326 de broederenG80 totG4314 uG4771 komenG2064 zou; maar het was ganselijkG3843 zijnG1510 wilG2307 nietG3756, datG2443 hij nu zou komenG2064; doch hij zal komenG2064, wanneer het hem wel gelegenG2119 zal zijn.
En wat aangaat Apollos, den broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.
KJV
As2
touching1
our brother5
Apollos,3
I7
➔ greatly6
desired
him8
to9
come10
unto11
you
with13
the brethren:15
but16
his will20
was
not18
at all17
to21
come23
at this22
time; but25
he will come24
when26
he shall have convenient time.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WaaktG1127, staatG4739 inG1722 het geloofG4102, houdt u mannelijk, zijt sterkG2901.
Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.
Ook in dit vers
houdt mannelijkG407
KJV
Watch ye,1
stand fast2
in3
the faith,5
quit you like men,6
be strong.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Dat alG3956 uw dingen inG1722 de liefdeG26 geschiedenG1096.
Dat al uw dingen in de liefde geschieden.
KJV
Let5
➔ all1
➔ your
things
be done
with3
charity.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En ik bidG3870 uG4771, broedersG80, gij kentG1492 het huisG3614 van StefanasG4734, datG3754 het isG1510 de eerstelingG536 van AchajeG882, en dat zij zichzelvenG1438 den heiligenG40 ten dienstG1248 hebben geschiktG5021;
En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienst hebben geschikt;
KJV
I beseech1
you,
brethren,4
(ye know5
the house7
of Stephanas,8
that9
it is
the firstfruits11
of Achaia,13
and14
that they have addicted19
themselves20
to15
the ministry16
of the saints,)18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DatG2443 gij ook u aan de zodanigenG5108 onderwerptG5293, enG2532 aan een iegelijkG3956, die medewerktG4903 enG2532 arbeidtG2872.
Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.
KJV
That1
ye
submit yourselves4
unto such,6
and2
to every one8
that helpeth10
with us, and7
laboureth.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ik verblijdeG5463 mij overG1909 de aankomstG3952 van StefanasG4734, en FortunatusG5415, en AchaikusG883, wantG3754 dezenG3778 hebben vervuldG378 hetgeen mij aan uG4771 ontbrakG5303;
En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak;
KJV
I am glad1
of3
the coming5
of Stephanas6
and7
Fortunatus8
and9
Achaicus:10
for that11
which was lacking14
on your part
they15
have supplied.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 zij hebben mijnG1699 geestG4151 verkwiktG373, en ook den uwen. ErkentG1921 danG3767 de zodanigenG5108.
Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zodanigen.
KJV
For2
they have refreshed1
my4
spirit5
and6
yours:
therefore10
acknowledge ye9
them that are such.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
U groetenG782 de GemeentenG1577 van AzieG773. UG4771 groetenG782 zeer inG1722 den HeereG2962 AquilaG207 enG2532 PriscillaG4252, met de GemeenteG1577, die te hunnenG846 huizeG3624 is.
U groeten de Gemeenten van Azie. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is.
KJV
The churches4
of Asia6
salute1
you.
Aquila12
and13
Priscilla14
salute7
you
much11
in9
the Lord,10
with15
the church20
that is in17
their19
house.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
UG4771 groetenG782 alG3956 de broedersG80. GroetG782 elkanderG240 metG1722 een heiligenG40 kusG5370.
U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.
KJV
All5
the brethren4
greet1
you.
Greet ye6
one another7
with8
an holy10
kiss.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De groetenisG783 met mijnG1699 handG5495 van PaulusG3972.
De groetenis met mijn hand van Paulus.
KJV
The salutation2
of me Paul6
with mine own4
hand.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
IndienG1487 iemandG1536 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 nietG3756 liefheeftG5368, die zijG1510 een vervloekingG331; Maran-athaG3134!
Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
KJV
If any man
love4
not3
the Lord6
Jesus7
Christ,8
let him be
Anathema10
Maranatha.11
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
De genadeG5485 van den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uG4771.
De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.
KJV
The grace2
of our Lord4
Jesus5
Christ6
be with7
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Mijn liefdeG26 zij met uG4771 allenG3956 inG1722 ChristusG5547 JezusG2424. AmenG281.
Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.
KJV
My
love2
be with4
you
all5
in7
Christ8
Jesus.9
Amen.10
[fn]
De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
de verzameling
Namelijk der penningen, die vergaderd worden uit de gemeente.
Hertaald:
de verzameling
Namelijk de inzameling van het geld dat in de gemeente bijeengebracht wordt.
die voor de heiligen
Dat is, voor de arme gelovigen te Jeruzalem zijnde, onder wie groot gebrek was, zo vanwege den duren tijd, van Agabus voorzegd, Hand. 11:28 , alsook om de harde vervolging tegen deze gemeente, die daardoor genoodzaakt was bijstand te verzoeken bij de Griekse gemeenten, die toen bloeiden. Van deze inzameling, zie ook Rom. 15:25-26 ; 2 Kor. 8:1 ; Gal. 2:10 .
Hertaald:
die voor de heiligen
Dat is: voor de arme gelovigen in Jeruzalem, onder wie groot gebrek heerste — zowel vanwege de dure tijd die door Agabus voorzegd was, Hand. 11:28, als vanwege de harde vervolging tegen die gemeente, waardoor zij gedwongen was hulp te vragen bij de Griekse gemeenten, die toen bloeiden. Zie over deze inzameling ook Rom. 15:25-26; 2 Kor. 8:1; Gal. 2:10.
aan de gemeente
Zie van deze gemeenten Gal. 1:2 .
Hertaald:
aan de gemeente
Zie over deze gemeenten Gal. 1:2.
verordineerd heb,
Namens op welke wijze en tijd deze inzameling bekwamelijk kan aangesteld en gedaan worden.
Hertaald:
verordineerd heb,
Namelijk op welke wijze en op welk moment deze inzameling het beste ingesteld en gehouden kan worden.
doet ook gij alzo
Dat is, volgt haar voorbeeld na, zo in het mildelijk geven, Rom. 12:13 , als in het onderhouden van de orde in het inzamelen, die in vs.2 beschreven wordt.
Hertaald:
doet ook gij alzo
Dat is: volg hun voorbeeld na, zowel in het mild geven, Rom. 12:13, als in het aanhouden van de orde bij het inzamelen die in vers 2 beschreven wordt.
eersten dag
Gr. enen. Hebr. Zie dergelijke wijze van spreken Gen. 1:5 ; Dan. 9:1 . Zie ook Matt. 28:1 ; Marc. 16:9 ; Luc. 24:1 .
Hertaald:
eersten dag
Grieks: één. Een Hebreeuwse manier van spreken; zie iets dergelijks in Gen. 1:5; Dan. 9:1. Zie ook Matth. 28:1; Mark. 16:9; Luk. 24:1.
der week, legge
Gr. der sabbaten, waardoor de gehele week dikwijls wordt genoemd. Zie Marc. 16:9 ; Joh. 20:1 . Deze eerste dag wordt van Johannes genaamd des Heeren dag, Openb. 1:10 , omdat de Heere Christus op dien dag van de doden is opgestaan. Op dezen dag plegen de apostelen hunne vergaderingen te houden; Joh. 20:19 , Joh. 20:26 ; Hand. 20:7 .
Hertaald:
der week, legge
Grieks: van de sabbatten, waarmee vaak de hele week aangeduid wordt. Zie Mark. 16:9; Joh. 20:1. Deze eerste dag wordt door Johannes de dag van de Heere genoemd, Openb. 1:10, omdat de Heere Christus op die dag uit de doden opgestaan is. Op deze dag plachten de apostelen hun samenkomsten te houden; Joh. 20:19, Joh. 20:26; Hand. 20:7.
een iegelijk van u
Namelijk lidmaat uwer gemeente, die enige middelen heeft.
Hertaald:
een iegelijk van u
Namelijk ieder lid van uw gemeente dat enige middelen heeft.
iets bij zichzelven
Namelijk om tot de nooddruft der armen gegeven te worden. Want altemet wat weg te leggen, bezwaart zozeer niet, en veel kleine maken een grote.
Hertaald:
iets bij zichzelven
Namelijk om aan de armen in hun nood gegeven te worden. Want telkens iets wegleggen valt niet zo zwaar, en veel kleine bedragen maken een groot bedrag.
vergaderende een schat,
Dat is, alzo mettertijd gelijk een schat bijeenbrengende. Of, verzekerd zijnde dat gij u daarmede een schat zult vergaderen in den hemel; Matt. 6:20 .
Hertaald:
vergaderende een schat,
Dat is: zo mettertijd als het ware een schat bijeenbrengend. Of: verzekerd dat u zich daarmee een schat in de hemel zult vergaderen; Matth. 6:20.
welvaren verkregen
Het Griekse woord betekent eigenlijk een goeden weg of reis hebben, gelijk Rom. 1:10 , en wordt bij gelijkenis voor allerlei voorspoed genomen. Elkeen moet dan geven naar dat hem de Heere gezegend heeft; 2 Kor. 8:12 .
Hertaald:
welvaren verkregen
Het Griekse woord betekent eigenlijk: een goede weg of reis hebben, zoals Rom. 1:10, en wordt bij wijze van vergelijking gebruikt voor allerlei voorspoed. Ieder moet dus geven naar de mate waarin de Heere hem gezegend heeft; 2 Kor. 8:12.
alsdan niet eerst
Namelijk hetwelk alsdan inderhaast zo bekwamelijk en vruchtbaar voor de armen niet zal kunnen geschieden.
Hertaald:
alsdan niet eerst
Namelijk aangezien het dan in der haast niet zo geschikt en zo vruchtbaar voor de armen zal kunnen gebeuren.
die gij zult bekwaam
Namelijk om de vergaderde aalmoezen getrouw over te brengen.
Hertaald:
die gij zult bekwaam
Namelijk geschikt om de ingezamelde aalmoezen trouw over te brengen.
door brieven
Dit door brieven kan gevoegd worden bij het voorgaande woord bekwaam acht, in dezen zin: die gij door brieven aan mijzelven zult noemen en te kennen geven, dat gij die daartoe bekwaam en getrouw acht. Of, met het volgende woord zal ik zenden, namelijk met mijne brieven van aanbeveling aan de gemeente van Jeruzalem.
Hertaald:
door brieven
Deze woorden door brieven kunnen gevoegd worden bij het voorgaande die u geschikt acht, in deze zin: die u mij per brief zult noemen en van wie u mij te kennen zult geven dat u hen daartoe geschikt en betrouwbaar acht. Of zij kunnen gevoegd worden bij het volgende die zal ik zenden, namelijk met mijn aanbevelingsbrieven aan de gemeente van Jeruzalem.
gave naar Jeruzalem
Gr. uwe genade; dat is, uw aalmoes, die gij hun zult geven uit enkele goedheid en barmhartigheid, door de genade Gods. Zie 2 Kor. 8:1 .
Hertaald:
gave naar Jeruzalem
Grieks: uw genade; dat is: uw aalmoes, die u hun zult geven uit louter goedheid en barmhartigheid, door de genade van God. Zie 2 Kor. 8:1.
waardig mocht zijn,
Of, nodig is.
Hertaald:
waardig mocht zijn,
Of: nodig is.
dat ik ook zelf
De apostel biedt zijn dienst aan om die moeite gaarne te nemen, zo het nodig geacht werd; hetwelk hij ook gedaan heeft, gelijk blijkt Hand. 24:17 , en Rom. 15:25 .
Hertaald:
dat ik ook zelf
De apostel biedt zijn dienst aan om die moeite graag op zich te nemen wanneer dat nodig geacht zou worden. Dat heeft hij ook gedaan, zoals blijkt uit Hand. 24:17 en Rom. 15:25.
wanneer ik Macedónië
Zo was dan de apostel toen, als hij dezen brief schreef, nog niet in Macedonië gekomen, maar het blijkt uit vs.8, 19, dat hij toen nog te Efeze was. Waaruit volgt dat het niet zeker gaat, hetgeen onder dezen brief gesteld wordt, dat dezelve zou geschreven zijn te Filippi, welke ene stad was in Macedonië gelegen Hand. 16:12 .
Hertaald:
wanneer ik Macedónië
De apostel was dus, toen hij deze brief schreef, nog niet in Macedonië gekomen; uit vers 8 en 19 blijkt dat hij toen nog in Efeze was. Daaruit volgt dat het onzeker is wat onder deze brief geschreven staat, namelijk dat hij in Filippi geschreven zou zijn — een stad die in Macedonië lag, Hand. 16:12.
mogelijk bij u
Dat is, indien het de Heere zal toelaten. Zie vs.7; Jak. 4:15 .
Hertaald:
mogelijk bij u
Dat is: indien de Heere het zal toelaten. Zie vers 7; Jak. 4:15.
overwinteren,
Dat is, den gansen winter over bij u blijven, opdat gij mijn dienst genoegzaam moogt gebruiken.
Hertaald:
overwinteren,
Dat is: de hele winter bij u blijven, opdat u voldoende van mijn dienst gebruik zult kunnen maken.
gij mij moogt geleiden
Dat is, enigen uit uwe gemeente, die gij daartoe bestemmen zult.
Hertaald:
gij mij moogt geleiden
Dat is: enkelen uit uw gemeente die u daartoe zult aanwijzen.
waar ik zal heenreizen
Namelijk hetzij naar Jeruzalem, zo het nodig gevonden wordt, dat ik dezen dienst zelf zal doen, of ergens elders zal reizen om het Evangelie te verbreiden.
Hertaald:
waar ik zal heenreizen
Namelijk hetzij naar Jeruzalem, wanneer het nodig geacht wordt dat ik deze dienst zelf zal doen, hetzij ergens anders heen om het Evangelie te verbreiden.
in het voorbijgaan,
Of, als doorreizende, zonder bij u te blijven.
Hertaald:
in het voorbijgaan,
Of: als doorreizende, zonder bij u te blijven.
indien het de
Dewijl Hij bijzonder door Zijn Geest onze reizen bestuurt, waar Hij ons wil heenzenden, en door denzelven ook somtijds verhindert, dat wij niet mogen gaan waar wij voorgenomen hadden. Zie daarvan een voorbeeld Hand. 16:7 . Zie ook Jer. 10:23 ; Rom. 1:10 ; Jak. 4:15 .
Hertaald:
indien het de
Aangezien Hij door Zijn Geest in het bijzonder onze reizen bestuurt en bepaalt waarheen Hij ons wil zenden, en door diezelfde Geest ook soms verhindert dat wij gaan waarheen wij ons voorgenomen hadden. Zie daarvan een voorbeeld in Hand. 16:7. Zie ook Jer. 10:23; Rom. 1:10; Jak. 4:15.
te Éfeze
Waar hij al twee jaren geweest was; Hand. 19:10 .
Hertaald:
te Éfeze
Waar hij al twee jaar geweest was; Hand. 19:10.
den pinkster- dag.
Zie van dit woord de aantekeningen Hand. 2:1 , en Hand. 20:16 .
Hertaald:
den pinkster- dag.
Zie over dit woord de aantekeningen bij Hand. 2:1 en Hand. 20:16.
krachtige
Ten aanzien van den krachtigen zegen, dien de Heere geeft tot verbreiding des Evangelies en veler bekering.
Hertaald:
krachtige
Met het oog op de krachtige zegen die de Heere geeft tot verbreiding van het Evangelie en tot bekering van velen.
deur geopend,
Dat is, goede gelegenheid wordt mij hier gegeven, om het Evangelie te verbreiden. Zie Hand. 14:27 ; 2 Kor. 2:12 ; Openb. 3:8 .
Hertaald:
deur geopend,
Dat is: mij wordt hier een goede gelegenheid gegeven om het Evangelie te verbreiden. Zie Hand. 14:27; 2 Kor. 2:12; Openb. 3:8.
vele tegenstanders
Namelijk die den loop des Evangelies zoeken te verhinderen; waarom mijne tegenwoordigheid hier nog nodig is, om dezelve tegen te staan en de gemeente tegen dezelve te sterken.
Hertaald:
vele tegenstanders
Namelijk mensen die de voortgang van het Evangelie proberen te verhinderen. Daarom is mijn aanwezigheid hier nog nodig, om hen te weerstaan en de gemeente tegen hen te versterken.
Timótheüs
Zie van hem Hand. 16:1 ; 1 Tim. 1:2 . Dezen had Paulus gezonden om met Erastus de gemeenten te bezoeken; Hand. 19:22 .
Hertaald:
Timótheüs
Zie over hem Hand. 16:1; 1 Tim. 1:2. Paulus had hem samen met Erastus gezonden om de gemeenten te bezoeken; Hand. 19:22.
buiten vrees
Namelijk van de vijanden des Evangelies, zo der heidenen als der valse broeders, die den vromen leraars des Evangelies veel verdriet aandeden en in gevaar brachten.
Hertaald:
buiten vrees
Namelijk zonder vrees voor de vijanden van het Evangelie, zowel de heidenen als de valse broeders, die de vrome leraars van het Evangelie veel verdriet aandeden en in gevaar brachten.
het werk des
Namelijk van de predikatie des Evangelies; 1 Tim. 3:1 .
Hertaald:
het werk des
Namelijk het werk van de prediking van het Evangelie; 1 Tim. 3:1.
gelijk als ik
Die met gelijke naarstigheid en trouw het Evangelie verkondigd, en den dienst des Woords bedient als ik, Fil. 2:20 , hoewel hij geen apostel was, maar een evangelist; 2 Tim. 4:5 .
Hertaald:
gelijk als ik
Namelijk hij die met dezelfde nauwgezetheid en trouw het Evangelie verkondigt en de dienst van het Woord bedient als ik, Filipp. 2:20 — hoewel hij geen apostel was, maar een evangelist; 2 Tim. 4:5.
verachte
Namelijk om zijner jonkheid wil; 1 Tim. 4:12 .
Hertaald:
verachte
Namelijk vanwege zijn jeugdige leeftijd; 1 Tim. 4:12.
in vrede, opdat
Dat is, dat hij zeker en voorspoedig zonder zwarigheid en gevaar tot mij mag komen.
Hertaald:
in vrede, opdat
Dat is: dat hij veilig en voorspoedig, zonder moeite en gevaar, bij mij mag komen.
Apollos,
Zie van dezen Apollos Hand. 18:24 , enz., en Hand. 19:1 ; 1 Kor. 1:12 , en 1 Kor. 3:6 , 1 Kor. 3:22 .
Hertaald:
Apollos,
Zie over deze Apollos Hand. 18:24, enzovoort, en Hand. 19:1; 1 Kor. 1:12 en 1 Kor. 3:6, 1 Kor. 3:22.
zeer
Gr. veel.
Hertaald:
zeer
Grieks: veel.
gebeden dat hij
Of, vermaand.
Hertaald:
gebeden dat hij
Of: vermaand.
ganselijk zijn
Daarvan heeft hij zonder twijfel gewichtige redenen gehad; enigen menen om met zijne tegenwoordigheid niet te stijven de partij, die zeide: ik ben van Apollos; 1 Kor. 1:12 .
Hertaald:
ganselijk zijn
Daarvoor heeft hij ongetwijfeld gewichtige redenen gehad. Sommigen menen dat het was om met zijn aanwezigheid de partij niet te versterken die zei: ik ben van Apollos; 1 Kor. 1:12.
Waakt,
Namelijk tegen de listen en lagen des satans; 1 Petr. 5:8 .
Hertaald:
Waakt,
Namelijk tegen de listen en lagen van de satan; 1 Petr. 5:8.
staat in het geloof,
Dat is, blijft standvastig; 1 Kor. 15:58 .
Hertaald:
staat in het geloof,
Dat is: blijf standvastig; 1 Kor. 15:58.
houdt u mannelijk,
Namelijk in alle zwarigheden en gevaren, dat gij kloekmoedig dezelve overwint.
Hertaald:
houdt u mannelijk,
Namelijk in alle moeilijkheden en gevaren, zo dat u die moedig overwint.
zijt sterk
Namelijk naar de ziel met een geestelijke sterkte aangedaan, om daardoor alle verzoekingen tegen te staan en te overwinnen.
Hertaald:
zijt sterk
Namelijk naar de ziel met een geestelijke sterkte bekleed, om daardoor alle verzoekingen te weerstaan en te overwinnen.
Dat al uwe
Deze vermaning heeft de apostel tevoren in het brede voorgesteld, 1Co 13 , en hij verhaalt dezelve hier wederom in het besluit van den brief, overmits zij zeer nodig is om alle tweespalt en scheuring weg te nemen, die gemeenlijk ontstaan uit gebrek aan liefde.
Hertaald:
Dat al uwe
Deze vermaning heeft de apostel tevoren uitvoerig voorgesteld in 1 Kor. 13, en hij herhaalt haar hier aan het slot van de brief, omdat zij zeer nodig is om alle tweedracht en scheuring weg te nemen, die gewoonlijk uit gebrek aan liefde ontstaan.
het huis van
Dat is, het huisgezin.
Hertaald:
het huis van
Dat is: het huisgezin.
Stefanas,
Zie van dezen 1 Kor. 1:16 . Het schijnt dat hij diaken geweest is van de gemeente te Corinthe en een man van aanzien.
Hertaald:
Stefanas,
Zie over hem 1 Kor. 1:16. Het lijkt erop dat hij diaken van de gemeente in Korinthe geweest is en een man van aanzien.
de eersteling van
Dat is, dat hetzelve onder de eerste in Achaje geweest is, die het Evangelie heeft aangenomen en tot Christus bekeerd is, en van mijzelven gedoopt; 1 Kor. 1:16 . Epenetus wordt ook alzo genaamd, Rom. 16:5 , omdat hij mede een van de eersten geweest is; die daarom te meer te prijzen en in achting te houden zijn.
Hertaald:
de eersteling van
Dat is: dat dit huisgezin een van de eersten in Achaje geweest is die het Evangelie aangenomen hebben en tot Christus bekeerd zijn, en die door mijzelf gedoopt zijn; 1 Kor. 1:16. Epenetus wordt ook zo genoemd, Rom. 16:5, omdat ook hij een van de eersten geweest is. Zulke mensen zijn daarom des te meer te prijzen en in ere te houden.
den heiligen ten
Om de arme gelovigen te dienen met vergaderen en uitdelen der aalmoezen, en anderen handreiking te bewijzen; Hand. 6:1 ; Rom. 15:25 .
Hertaald:
den heiligen ten
Namelijk om de arme gelovigen te dienen door aalmoezen in te zamelen en uit te delen en anderen hulp te bieden; Hand. 6:1; Rom. 15:25.
geschikt;
Gr. verordineerd; dat is, hebben zichzelven vrijwillig en geheel tot dien dienst begeven, welverstaande als zij daartoe wettig zijn beroepen geweest; Hand. 6:3 , Hand. 6:5 .
Hertaald:
geschikt;
Grieks: verordend; dat is: zij hebben zich vrijwillig en geheel aan die dienst gewijd — welteverstaan nadat zij daartoe wettig geroepen waren; Hand. 6:3, Hand. 6:5.
onderwerpt,
Namelijk niet alleen door gehoorzaamheid in de zaken hunnen dienst aangaande, maar ook door eerbieding om huns diensten wil; Ef. 5:21 .
Hertaald:
onderwerpt,
Namelijk niet alleen door gehoorzaamheid in de zaken die hun dienst betreffen, maar ook door eerbied vanwege hun dienst; Ef. 5:21.
medewerkt en
Namelijk met hen, in denzelfden of gelijken dienst, die men alle, om hunnen dienst in ere moet houden; 1 Thess. 5:13 .
Hertaald:
medewerkt en
Namelijk met hen, in dezelfde of een soortgelijke dienst. Zij allen moet men vanwege hun dienst in ere houden; 1 Thess. 5:13.
over de aankomst
Deze drie waren van Corinthe naar Paulus gereisd, om hem den staat van de gemeente aldaar bekend te maken, die hij, om hen van alle kwaad nadenken te bevrijden, prijst, en verklaart hunne komst hem aangenaam geweest te zijn.
Hertaald:
over de aankomst
Deze drie waren van Korinthe naar Paulus gereisd om hem de toestand van de gemeente daar bekend te maken. Hij prijst hen, om hen van alle kwade verdenking te vrijwaren, en verklaart dat hun komst hem aangenaam geweest is.
hetgeen mij
Namelijk uw afwezen; dat is, ik ben door hunne komst zo vermaakt geweest, alsof ik in deze weinigen alle andere lidmaten der gemeente van Corinthe bij mij gehad had.
Hertaald:
hetgeen mij
Namelijk uw afwezigheid; dat is: ik ben door hun komst zo verkwikt geweest alsof ik in deze weinigen alle andere leden van de gemeente van Korinthe bij mij gehad had.
mijn geest
Dat is, mijne ziel, mijn hart.
Hertaald:
mijn geest
Dat is: mijn ziel, mijn hart.
verkwikt, en
Of, rust gegeven; namelijk door hunne samensprekingen en onderrichtingen van de gelegenheid uwer kerk.
Hertaald:
verkwikt, en
Of: rust gegeven; namelijk door hun gesprekken en hun berichten over de toestand van uw gemeente.
ook den uwen
Namelijk omdat ik verzekerd ben, als gij zult verstaan dat mijne ziel verkwikt is, dat ook de uwe daarmede verkwikt zal worden.
Hertaald:
ook den uwen
Namelijk omdat ik ervan overtuigd ben dat ook uw geest verkwikt zal worden wanneer u zult vernemen dat mijn ziel verkwikt is.
Erkent dan de
Dat is, houdt hen in goede achting, waarde en liefde.
Hertaald:
Erkent dan de
Dat is: houd hen in goede achting, waardering en liefde.
van Azië
Zo is dan de apostel toen in Azië geweest en niet in Macedonië. Zie vs.5, 8.
Hertaald:
van Azië
De apostel was toen dus in Azië en niet in Macedonië. Zie vers 5 en 8.
Aquila
Zie van deze Rom. 16:3 . Deze waren met Paulus van Corinthe naar Efeze vertrokken; Hand. 18:2 .
Hertaald:
Aquila
Zie over hen Rom. 16:3. Zij waren met Paulus van Korinthe naar Efeze vertrokken; Hand. 18:2.
de gemeente,
Zie ook Rom. 16:5 .
Hertaald:
de gemeente,
Zie ook Rom. 16:5.
met een heiligen kus
Zie de aantekeningen Rom. 16:16 .
Hertaald:
met een heiligen kus
Zie de aantekeningen bij Rom. 16:16.
met mijne hand,
Namelijk met welke ik dezen brief heb ondertekend. Het schijnt dat de apostel een bijzondere wijze gehad heeft om zijne hand te tekenen, die de gemeente bekend was; met mijne hand Paulus. Zie Kol. 4:18 ; 2 Thess. 3:17 , opdat zijne brieven te beter van andere zouden onderkend worden; en dat hij den volgenden apostolischen wens, vs.23, ook met zijn eigen hand onder al de zendbrieven placht te stellen.
Hertaald:
met mijne hand,
Namelijk de hand waarmee ik deze brief ondertekend heb. Het lijkt erop dat de apostel een eigen manier had om zijn handtekening te zetten, die bij de gemeente bekend was: met mijn hand, Paulus. Zie Kol. 4:18; 2 Thess. 3:17. Zo konden zijn brieven beter van andere onderscheiden worden. Ook lijkt hij de volgende apostolische wens, vers 23, in al zijn brieven eigenhandig geschreven te hebben.
een vervloeking;
Gr. Anathema; van welk woord, zie Rom. 9:3 ; Gal. 1:8 .
Hertaald:
een vervloeking;
Grieks: anathema; zie over dit woord Rom. 9:3; Gal. 1:8.
Maranatha
Dit is een Chaldeeuws of Syrisch woord, hetwelk toen gebruikelijk schijnt geweest te zijn, om een zeer grote vervloeking, die bij de Hebreën Cherem genaamd wordt, uit te drukken; en betekent, gelijk sommigen menen, de Heere komt, of onze Heere komt. Dezen vloek spreekt de apostel uit over de onbekeerlijke mensen, niet uit een kwade beweging des gemoeds, maar uit een apostolischen geest en heiligen ijver. Zie Jud. 1:14-15 .
Hertaald:
Maranatha
Dit is een Chaldeeuws of Syrisch woord dat toen kennelijk gebruikelijk was om een zeer zware vervloeking uit te drukken, die bij de Hebreeën cherem genoemd wordt. Volgens sommigen betekent het: de Heere komt, of: onze Heere komt. De apostel spreekt deze vloek uit over de onbekeerlijke mensen, niet uit een kwade beweging van het gemoed, maar uit een apostolische geest en heilige ijver. Zie Judas 1:14-15.
De genade van den
Dit is het gewone besluit van al de zendbrieven des apostels.
Hertaald:
De genade van den
Dit is het gewone slot van alle brieven van de apostel.
Mijne liefde
Dewijl de apostel sommigen dingen in dezen brief wat hard voorstelt, zo verklaart hij hier dat zulks niet uit kwaadwilligheid, maar uit liefde tot hen geschied is.
Hertaald:
Mijne liefde
Aangezien de apostel sommige dingen in deze brief nogal hard voorgesteld heeft, verklaart hij hier dat dit niet uit kwaadwilligheid gebeurd is, maar uit liefde tot hen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het hoofd van een huisgezin dat Paulus zelf gedoopt heeft, en dat door hem 'de eerstelingen van Achaje' genoemd wordt (1 Kor. 1:16; 16:15); een andere naam en andere persoon dan Stefanus de martelaar, een van de zeven diakenen (Hand. 6-7). Een gelovige uit Korinthe die samen met Stefanas en Achaïkus Paulus te Efeze bezocht en zijn geest verkwikte (1 Kor. 16:17-18). Een gelovige uit Korinthe die samen met Stefanas en Fortunatus Paulus te Efeze bezocht en zijn geest verkwikte (1 Kor. 16:17-18). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 16
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden


1 Korinthe 16
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
E. Het slot van de brief geeft een tijdelijke en plaatselijke verordening, die zich met juistheid aansluit aan het slotvers van het vorige hoofdstuk en waarmee weer de aankondiging van het reisplan, zoals Paulus dat in zijn gedachte had, in zoverre in verband staat, als toch de gemeente moet weten, wanneer zij hem kon verwachten, om zich daarnaar te regelen (vs. 1-9). Daarop volgen vermaningen over het gedrag van de Corinthiërs tegenover Timotheus, die reeds tot hen is gezonden en mededelingen daarover, waarom Apollos, hoewel de gemeente hem graag bij zich gehad had, niet mede onder de overbrengers van de brief behoorde. Die mededelingen liggen indirect verborgen in het woord, dat onmiddellijk volgt, waarmee de apostel bij de Corinthiërs aandringt op volharden in het geloof en op het wandelen in de liefde (vs. 10-14). Al is het dat Apollos niet komt, zijn het toch anderen en wel leden van de gemeente, die zich over haar zeer verdienstelijk hebben gemaakt, die de brief overbrengen, de zodanige, die ook nu weer, terwijl zij bij Paulus zijn geweest, de Corinthiërs een grote dienst hebben bewezen en daarom door hen in bijzondere eer moeten worden gehouden (vs. 15-18). Het eigenlijk slot van de hele zendbrief bestaat, zoals gewoonlijk, uit groeten, die de schrijver heeft over te brengen en aan welke hij vervolgens de zijne toevoegt. Hij doet het echter hier met bijzondere ernst en in een eigenaardige vorm (vs. 19-24).
Aangaande nu de verzameling, de collecte Ac 20: 6, die voor de heiligen geschiedt, ten behoeve van de armen in de gemeente te Jeruzalem, zal zijn (Rom. 15: 26) (om tenslotte ook over deze zaak, die ik bij u bevorderd heb (2 Kor. 8: 10), een woord te zeggen) zoals als ik aan de gemeenten in Galatië, waarmee ik door Silas in bestendige betrekking sta, verordend heb, doet ook u zo, namelijk, zoals ik nu zal zeggen.
Op elke eerste dag van de week, of Zondag, legt een ieder van u iets bij zichzelf in huis weg, vergaderend een schat, naardat bij welvaren verkregen heeft (Hand. 11: 29. 2 Kor. 8: 12), opdat de verzamelingen dan niet pas gebeurt, wanneer ik gekomen zal zijn, maar ten gevolge van het reeds in gereedheid liggen, zonder veel moeite volbracht zullen kunnen worden.
De apostel is nu met alles aan het einde, wat hij van de gemeente, hetzij uit zichzelf, of naar aanleiding van hun vragen en mededelingen in de brief uit de schat van zijn Christelijke kennis ter berisping, of vermaning, of lering had aan te bieden. Zij had hem echter, zoals de overgang “aangaande nu de verzameling” (vgl. Hoofdstuk 7: 1, 25; 8: 1; 12: 1 te kennen geeft, ook verder over een door hem (op de reis, die in de Handelingen niet wordt vermeld en in de zomer van het jaar 56 “1Co 1: 2 aangedrongen collecte ondervraagd, hoe die gehouden moest worden en toen hij in Hoofdstuk 15: 58 schreef: “bent altijd overvloedig in het werk van de Heere”, had hij zeker wel reeds in de gedachte, tot beantwoording van die vraag over te gaan. Dat de apostel echter zijn aanwijzing, hoe die verzameling moest worden gehouden, niet geeft, zonder erbij te voegen dat hij in de gemeente van Galatië dezelfde verordeningen heeft gegeven, kan slechts ten doel hebben, de lezers te doen opmerken, dat hij daarmee niet een ogenblikkelijke gedachte volgt, maar zijn goede reden moest hebben, waarom hij wilde, dat die zo en niet anders gehouden werd. De opbrengt van de verzameling in Galatië gehouden, was zeker reeds ingekomen (en dit had de belangstelling van de Corinthiërs om Silas, die door hen naar Galatië was gezonden en daar zo goede resultaten van zijn werk verkregen had, in bijzondere mate opgewekt). Op elke eerste dag van de week, zo luidt de verordening, moet ieder iets bij zichzelf wegleggen, wat hem gelukt te besparen of te winnen. Men moet dus hetgeen voor de verzameling bestemd wordt, niet opeens geven, zodat het, als hij zelf iets nodig mocht hebben, niet meer ter zijner beschikking zou staan, maar hij moet slechts zorgen, dat bij de komst van de apostel het bespaarde bij elkaar gebracht is en het dan niet meer nodig is een som tezamen te brengen, door daar eerst inzamelingen te gaan houden.
Al is hier ook niet, zoals in Hand. 20: 7 uitdrukkelijk sprake van een godsdienstige samenkomst op Zondag (want “bij zichzelf” moest ieder wat wegleggen en verzamelen), zo kan men toch opmerken, dat juist de Zondag een collectedag voor de gemeente was. Evenals men op deze dag van vergadering de openbare kas bedacht, zo moesten op diezelfde dag thuis, misschien in een bus voor Jeruzalem, de Corinthiërs een penning inleggen; want op deze dag, zegt Chrysostomus, zijn de hemelse goederen openbaar geworden en is de wortel van ons leven ontsproten.
En wanneer ik overeenkomstig mijn reisplan in vs. 5 vv., daar, tot u, te Corinthiërs, gekomen zal zijn, zal ik hen, die u bekwaam zult achten om overbrengers te zijn en mij als zodanige aangewezen worden, door meegegeven brieven zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen. Ik zelf wens hen te zenden, als die de aanleiding tot die collecten gegeven heb en mij daardoor te kwijten van een plicht, die ik op mij heb genomen (Gal. 2: 10).
En als hetgeen de gemeenten, door mij gesticht, bij deze verzameling opbrengen, wat het bedrag aangaat, de moeite waard mocht zijn, dat ik ook zelf naar Jeruzalem reizen zou, dan zullen ook zij, die u afvaardigt, met mij reizen, want daaraan is mij in elk geval veel gelegen, om lastering te voorkomen (2 Kor. 8: 20 v.).
Vs. 3 zou wellicht beter vertaald kunnen worden met: als ik daar zal gekomen zijn, zal ik degenen, die u bekwaam zult achten, met brieven (d. i. ik zal hun aanbevelingsbrieven of met een begeleidend schrijven voor deze en gene personen van de Jeruzalemse gemeente) zenden enz. ” Bij een verbinding van de woorden als de leestekens in onze vertaling aangeven, is de zin minder juist. Evenals de apostel daardoor, dat hij nog gedurende zijn afwezigheid de verzameling liet voorbereiden, de verdenking afweerde, alsof hij door zijn aanzien het geld van de gemeenten had afgeperst, zo wilde hij daardoor, dat hij aan hen de keuze van de overbrengers overliet, hun vertrouwen verhogen; want verstand en liefde geven graag waarborgen, ook daar waar anderen niet dadelijk met een reeds aanwezig wantrouwen tegenover hen staan. Nog staat, zoals wij hier lezen, nu, omstreeks pasen van het jaar 57, het voornemen, dat Paulus in Hand. 19: 21 enige weken later, bij het naderen van het pinksterfeest uitspreekt, niet vast. Het is integendeel eerst, zoals hij te kennen geeft een gedachte, die bij hem oprijst, die later tot een vast besluit wordt en zelfs ten slotte tot een goddelijk moeten zich ontwikkelt (Hand. 21: 10 v.). Dat hij nu hier de reis naar Jeruzalem wil doen, ingeval de collecte voor de heiligen daar rijkelijk genoeg is, daarin spreekt zich een voorgevoel uit, dat in het later werkelijk gevolgde persoonlijke overbrengen door de apostel de voorspelling in Mal. 1: 11 vervuld zou worden Ac 20: 6. Alleen bij een rijkelijke opbrengst kon Paulus met de verzameling, die bij zijn Christelijke gemeente uit de heidenen had plaats gehad, op het pinksterfeest van het jaar 58 zich als een zodanige te Jeruzalem bevinden, die het daar geprofeteerde, “reine spijsoffer” van de kant van de heidenen ook in een uitwendige gave aanbracht en is nu zijn woord aan de Corinthiërs een tedere vermaning, om een rijkelijke verzameling voor hem gereed te maken.
Maar ik zal, met verandering van mijn oorspronkelijk reisplan (2 Kor. 1: 15 v.), zoals ik u in mijn vorige brieven (Hoofdstuk 5: 9) heb meegedeeld, tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgegaan zal zijn, om naar Achaje te komen (want ik zal, zoals ik mij nu heb voorgenomen, door Macedonië gaan (Hand. 19: 21), in plaats van dat ik u van hier vroeger wilde bezoeken).
En ik zal mogelijk, als de omstandigheden het toelaten, bij u blijven, mij langer bij u ophouden en niet in Macedonië, dat ik slechts denk door te reizen. Of wellicht zal ik zelfs ook bij u overwinteren (vgl. Tit. 3: 12 en de uiteenzetting van het overzicht over de gebeurtenissen van de apostolische tijd in het 2de aanhangsel), opdat u mij daarna, bij het aanbreken van de lente, mag geleiden (Hand. 20: 28), waar ik zal heenreizen en voor het geval in vs. 4 genoemd, naar Jeruzalem (Hand. 19: 21. Rom. 15: 25).
Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, zoals de vorige maal, toen ik bij u was, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Heere het zal toelaten (Jak. 4: 13 vv. Hand. 20: 2).
De woorden: “ik zal door Macedonië gaan” en “ik zal mogelijk bij u blijven of ook overwinteren” staan tot elkaar in tegenstelling en moeten de Corinthiërs het voorrecht doen voelen, dat hij hun daarmee geeft. Het “mogelijk” maakt zijn voornemen zelf niet twijfelachtig, maar moet alleen te kennen geven, dat de omstandigheden op de manier van uitvoering nog invloed zullen hebben. In de zin: “opdat u mij mag geleiden” heeft het “u” de nadruk: zij moeten de eer genieten, hem deze liefdedienst te betonen, omdat hij bij hen wil vertoeven; ook dit is een trek om hen te winnen, die van zijn bijzondere liefde tot hen getuigt.
Dat de Christenen verder trekkende leraars en een deputatie van de gemeente uit achting en liefde verder geleidden, wijzen meerdere plaatsen aan. Hand. 15: 3; 17: 15.
Als Paulus zegt: “ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven”, schijnt dat te veronderstellen, dat hij ze vroeger eens in het voorbijgaan had gezien, hetgeen niet past voor zijn verblijf te Corinthiërs gedurende anderhalf jaar, dat in Hand. 18: 1-18 is meegedeeld; men zal dus nauwelijks mogen betwijfelen of hier wordt gedoeld op een bezoek, dat Lukas in de Handelingen evenzo is voorbijgegaan, als nog andere zaken uit het leven van de apostel.
De woorden in vs. 5 : “want ik zal door Macedonië gaan”, zijn in de grondtekst door de tegenwoordige tijd, het praesens van het werkwoord uitgedrukt: “door Macedonië ga ik. ” Deze vorm geeft te kennen, dat het in zijn voorstelling tegenwoordig is, d. i. als volkomen zeker gedacht wordt. Terwijl men de woorden ten onrechte opvatte, als wilde Paulus zeggen: “ik ben op dit ogenblik op reis door Macedonië” is daaruit de verkeerde opgaaf ontstaan in het daaronder geplaatste, dat de brief uit Filippi zou zijn geschreven.
Maar ik zal hier, te Efeze (Hoofdstuk 5: 32), blijven tot de pinksterdag, dus nog 7-8 weken.
Want mij is op deze plaats een grote en krachtige deur geopend. Mij is gelegenheid gegeven tot een zo ver zich uitstrekkend en krachtig werken, dat ik mij zoveel mogelijk ten nutte moet maken (2 Kor. 2: 12. Kol. 4: 3) en er zijn daarentegen ook vele tegenstanders, wier bestrijding ik zolang mogelijk moet voortzetten, om de vrucht van mijn tot hiertoe volbrachte arbeid te bewaren en te bevestigen (Hand. 20: 18 vv.)
Ware Christenen letten op de tijd van de Heere: een voortreffelijke oefening, ten einde men steeds leert in afhankelijkheid te blijven! Hij, die zijn eigen meester niet is, wendt zijn tijd noch zijn goederen aan, zoals hij zelf wil, maar zoals de Heere wil, op wiens wenk hij let.
Als op volkrijke plaatsen door rechtschapen leraars de volle raad van God krachtig wordt voorgedragen, deze ook door de wandel van de predikers zelf wordt bekrachtigd en hun God daar een deur opent tot bekering van vele zielen, werkt de satan gewoonlijk daartegen met zijn werktuigen. Daardoor wordt de geopende deur eerder nog verwijd, omdat de tegenspraak eerder navraag en opmerkzaamheid opwekt en deze weer overtuiging aanbrengt (Fil. 1: 12 vv.). Een getrouw dienaar moet niet wijken voor vijanden. Hij, die zich verwondert over de tegenstand en de vervolgingen, vergeet dat hij een dienaar is van de Gekruisigde.
Zo nu Timotheus komt, die ik tot u gezonden heb, zoals ik reeds in Hoofdstuk 4: 17 heb gezegd en die wel snel na het ontvangen van deze brief bij u zal zijn, zie, dat hij buiten vrees bij u is. Gedraag u niet zo tegenover de jeugdige broeder alsof u hem voor te gering aanzag, waardoor hij toch met vrees zou worden vervuld. Behandel hem met achting, want hij werkt het werk van de Heere, zoals ik en moet als een dienaar van Christus in ere worden gehouden (Fil. 2: 20 vv. en “Ac 16: 3).
Dat hem dan niemand onder u om zijn jeugd (1 Tim. 4: 12) veracht, omdat hij nog pas 26 jaren telt, maar denk er liever aan hoe hij dadelijk van het begin aan tot stichting van deze gemeente te Corinthiërs mee behulpzaam geweest is (Hand. 18: 5. 2 Kor. 1: 19). Maar geleidt hem zodra mogelijk in vrede, opdat hij tot mij komt en houd hem niet onnodig op door hem in strijdvragen te wikkelen; want ik verwacht hem met de broeders, die behalve Erastus hem terzijde staan (Hand. 19: 22).
Een gemakkelijke gedachtegang leidt de apostel van zijn eigen bezoek te Corinthiërs tot dat, dat zij als een voorloper van het zijne, van zijn plaatsvervanger Timotheus te wachten hebben; hij scherpt hun daar de regels in van een waardige en broederlijke ontvangst en verhouding tegenover hen, terwijl hij in de eerste plaats achting en verschoning verlangt. Het “buiten vrees bij u zij”, wijst op een zeker weerstaan, op een terrorisme, dat hartstochtelijke partijhoofden en hun blinde aanhangers konden uitroepen en dat geheel overeenkomt met hun vaak berispte verkeerdheid. Misschien denkt de apostel ook aan de bescheidenheid en vreesachtigheid, waarmee zijn jonge vriend optrad (vgl. 2 Tim. 1: 6 vv.), zodat de tegenstanders hem makkelijk gering konden achten, waartegenover Paulus nu opmerkt, dat niet alleen het werk van zijn roeping Timotheus eert, maar ook de manier waarop hij het volvoert. Daarna eist hij een positief bewijs van hun hoogachting en liefde jegens hem bij het afscheid, namelijk de dienst van de ere en van de liefde van een vriendelijk geleide.
En wat Apollos betreft, de broeder, waarover u de wens heeft uitgesproken, dat u hem snel weer bij u mocht zien, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broeders tot u komen zou, die u op hun terugreis naar Corinthiërs deze brief overbrengen (vs. 17); maar het was geheel zijn wil niet, dat hij nu zou komen; maar hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn, als hij gelegen tijd daarvoor zal hebben gevonden.
Te oordelen naar de wijze, waarop Paulus volgens de grondtekst de rede op Apollos overbrengt (vgl. bij vs 1) antwoordt hij hier op een begeerte, die de gemeente hem heeft meegedeeld, dat hij Apollos beweegt, dat die naar Corinthiërs komt. Men ziet uit zijn antwoord, in welk een eensgezindheid hij met deze was. Hij heeft hem dringend aangezocht om de wens van de gemeente te vervullen, zo zeker was hij ervan dat zijn invloed op haar slechts heilzaam zou zijn. Waarom hij echter nu volstrekt onwillig was om naar Corinthiërs te komen, laat de apostel zijn lezers raden 1Co 1: 12; en nu zal het wel niet toevallig zijn, dat hij van dit bericht tot de vermaning, die volgt, overgaat. Het was er de gemeente zeker om te doen de geestvolle, geleerde en welbespraakte man weer in haar midden te hebben en genot te hebben van zijn krachtige schriftverklaring en toepassing. In plaats daarvan wijst de apostel haar op hetgeen meer noodzakelijk is en in hun eigen macht staat. Als zij wakend en standvastig in het geloof zijn, hun hart mannelijk en hun kracht sterk laten worden, zoals de toespraak van hen eist, dan hebben zij wat zij nodig hebben om tegen alle verzoeking, die van buiten komt, beveiligd te zijn. En als aan de andere kant liefde de drijfveer is van al hun handelen, dan zal ook het leven van de gemeente, hun verkeer onder elkaar in de juiste verhouding zijn.
Waak, sta in het geloof, houd u mannelijk, wees sterk door de Geest van God in uw inwendige mens (Efeze. 3: 16).
Dat al uw dingen in de liefde geschieden.
Het noemen van Apollos in vs. 12 moest de lezers de inhoud van de vier eerste hoofdstukken van deze brief levendig herinneren; daarom laat de apostel het bericht over de broeder vergezeld gaan van een dubbele vermaning, waarop Apollos zeker Ja en Amen zei.
De vermaning ziet op de twee hoofdpunten, geloof en liefde: het staan in het geloof, de standvastigheid daarin, heeft tot veronderstelling het waken, de Christelijke vastheid, die voor alle aanvallen van de verleidende, inwendige en uitwendige vijand op de hoede is, zich aan geen zorgeloosheid overgeeft, daarop acht geeft, dat de verzoeking niet in- en uitwendig schade veroorzaakt (Hoofdstuk 10: 12 vv.) en staat in verband met het wakkere, moedige en mannelijke gedrag en met het krachtig optreden van de sterkte, die de vijand overmeestert. Aan het geheel ligt het beeld van de geestelijke strijd ten grondslag: het staan in het geloof is het vaststaan, waarbij men zich van het geloof, de basis van het Christelijk leven, niet laat wegdringen, maar onverschrokken daarbij volhardt.
Een Christen is een soldaat, die aan alle kanten door vijanden omgeven is; hij moet waken, als hij niet overrompeld wil worden, hij mag zijn post van het geloof niet verlaten, moet mannelijk strijden, zich versterken en de leemten na de aanval weer aanvallen, opdat hij een nieuwe kan doorstaan. De liefde nu geeft boven alles aan onze handelingen de juiste geest en bij de mensen het juiste gevolg, evenals het geloof in deze voor God het juiste gewicht geeft (vgl Gal. 5: 6).
En ik bid u, broeders, behalve dat ik vroeger in vs. 13 v. in het algemeen tot een Christelijk leven heb aangespoord, nog om iets bijzonders. U kent het huis van Stefanas, dat ik ook zelf heb gedoopt (Hoofdstuk 1: 16), dat het is de eersteling van Achaje (vgl. Rom. 16: 5). Naast dit, dat zij als het ware de baan hebben gebroken, zodat bij u een Christelijke gemeente tot stand gekomen is, hebben zij nog meerdere verdiensten jegens de Christelijke gemeente en haar leden. U weet, dat zij zichzelf de heiligen ter dienst hebben geschikt; dit moet u beide op dankbare manier erkennen en u dienvolgens gedragen.
Dat u ook zich aan zulke onderwerpt, evenals zij zich aan u met hun dienen onderwerpen en eveneens aan een ieder, die medewerkt en arbeidt, die in het zo-even genoemde werk behulpzaam zijn en dezelfde moeite als deze zich getroosten.
De apostel voelt behoefte Stefanas, die de brief van de Corinthiërs (Hoofdstuk 7: 1) naar Efeze had gebracht en nu omgekeerd die van Paulus naar Corinthiërs overbrengt, aan de lezers aan te bevelen; misschien was er tegen hem als onpartijdig man door de partijen te Corinthiërs (Hoofdstuk 1: 10 vv.) enige bitterheid getoond.
Stefanas had, zoals het schijnt, tegen de Apostel geklaagd over een onaangename ongezindheid van de Corinthiërs, om zich door hem en de zijnen te laten terechtwijzen. Vandaar de vermaning, om het aan die ondergeschiktheid, die de Christenen in het algemeen in hun gedrag jegens elkaar betaamt (Efez. 5: 21) en hier nog in het bijzonder plicht was, niet te laten ontbreken, Paulus heeft echter een dubbele verdienste genoemd, voordat hij zijn vermaning uitspreekt; een verdienste die het huis of de familie van Stefanas bij de gemeente heeft. Het heeft door zijn bekering de weg gebaand om Achaje tot een gebied van het Christendom te maken en het heeft het dienen van de gemeente vrijwillig tot zijn bijzondere taak gemaakt.
Evenals de familie zich onderscheidde ten opzichte van het geloof, zo ook wat de liefde aangaat (vs. 13 vv.). Datgene, waartoe zij zichzelf gesteld had, bestond waarschijnlijk in liefdediensten aan bijzondere personen, armen, zieken en het herbergen van broeders, die de gemeente bezochten en in het op zich nemen van hetgeen voor de gemeente te doen was, zoals de reis van Stefanas tot de apostel te Efeze. Het “zich onderwerpen”, dat Paulus van de gemeente tegenover “de zodanige” vraagt, met welke uitdrukking hij de zo-even gekarakteriseerde bedoelt, is zoveel als zich naar hen richten, zich aan hun raad en invloed onderwerpen.
Met de woorden “en aan een ieder, die meewerkt en arbeidt”, maakt Paulus de vermaning zo-even over het huis van Stefanas uitgesproken, meer algemeen, maar leidt die tevens over tot de beide volgende verzen, omdat hij zeker wel Fortunatus en Achaïcus in het bijzonder op het oog heeft. De overbrengers van zijn brief, Stefanas in gemeenschap met Fortunatus en Achaïcus, kregen zeker de opdracht om de vermaningen, onderwijzingen en verordeningen daarin vervat, nog mondeling aan te dringen en dan moest de gemeente hun onderdanig zijn.
En ik verblijdt mij over de aankomst, over hun tegenwoordigheid bij mij, van Stefanas en Fortunatus en Achaïcus, het drietal, dat mij te Efeze heeft bezocht, want deze hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak. U kon mij niet allen tezamen te Efeze opzoeken, zoals ik het liefst u allen bij mij had gezien, maar door middel van hen heb ik ten minste naar de geest onder u en met u kunnen verkeren.
Want zij hebben door hetgeen zij voor mij geweest zijn; mijn geest verkwikt en ook de uwe; ik vertrouw ten minste van u allen, dat mijn vreugde uw aller vreugde is (2 Kor. 2: 3). Erken dan de zodanige in de grote waarde, die zij hebben (1 Thessalonicenzen. 5: 12), namelijk tot instandhouding van een wederkerig vriendelijke verhouding en behandelt hen nu met de hun toekomende achting en onderwerping (vs. 16).
Over Fortunatus en Achaïcus is niets naders bekend. Zij kunnen niet gerekend worden tot de familie van Stefanas, waarover reeds gesproken is.
Zij waren zeker wel aan hem als de hoofdpersoon meegegeven. Paulus spreekt nu uit, hoe hun tegenwoordigheid de afwezigheid van de Corinthiërs vergoedt en roept hen op tot dankbaarheid jegens hen.
De waarde, die het verschijnen van deze drie bij hem in naam van de gemeente voor hem had, spreekt hij in een eenvoudige maar krachtige uitdrukking van de liefde uit. Het ontbreken, het missen van hen, van hun tegenwoordigheid, het verlangen naar hen, werd door deze afgezondenen, die hen vertegenwoordigden, vervuld. Hij zag en begroette de hele gemeente in hen. Zij brachten zijn gemoed, dat door zware zorgen over hen gedrukt ging, tot kalmte en verlichtten hem; zij deden hem goed door de levendige tekenen van de liefde en de bewijzen, dat bij grote gebreken en gevaren toch de Geest van de Heere niet van hen geweken was, tekenen, die hem in de zending en de komst van zulke waardige leden van de gemeente, in de brief, die deze met hun vragen overbrachten, gegeven waren, als ook in de mondelinge berichten, die veel ophelderden en in een zachter licht plaatsten. De gedachte aan de geruststelling en vreugde, die de apostel door hun bezoek ten deel werd, moest ook voor henzelf, volgens hun hartelijke liefde tot hem, weldoende werken; het bewustzijn, dat de band van de gemeenschap en wederkerige mededeling tussen de apostel en de gemeente door hen bevestigd en vernieuwd was, moest ook voor hen, de Corinthiërs, geruststellend en verkwikkend zijn.
U groeten de gemeenten van Azië, in alle steden van het kustland van Klein-Azië “Ro 16: 16. U groeten zeer in de Heere, als die een bijzonder warme belangstelling in de Heere (Rom. 16: 22) voor u voelen (Hand. 18: 2 v. ; 26 v.), Aquila en Priscilla met de gemeente, die bij hen thuis is, met diegenen van de Christelijke gemeente hier te Efeze, die in hun huis de godsdienstige samenkomsten hebben, zoals ook ik bij hen gehuisvest ben (Rom. 16: 4).
U groeten al de broeders, ook al de overigen, die tot de gemeente hier behoren, buiten de reeds genoemde. Groet elkaar met een heilige kus (Rom. 16: 16. 2 Kor. 13: 12. 1Thess. 5: 26. 1 Petrus 5: 14).
Paulus brengt groeten over, die hem gedeeltelijk zijn opgedragen, deels niet door de personen zelf. Niet opgedragen is de groet, die hij overbrengt van alle gemeenten van Azië; hij kan alleen bedoeld hebben, dat hij het in hun naam deed. Opgedragen daarentegen is de groet van Aquila en Priscilla, het echtpaar, dat vroeger te Corinthiërs woonde en van dat deel van de Efezische gemeente, dat in hun huis samen kwam, waarop nog een groet van de gehele gemeente volgt.
Met de heilige kus, zo vermaant vervolgens de apostel, moeten de Korinthiers elkaar na het voorlezen van de brief begroeten en daarmee ieder aan de ander zijn broederliefde openbaren; want het is de heilige kus, die het teken was van Christelijke broederliefde en dus het specifiek karakter had van Christelijke wijding. Zonder twijfel geschiedde dit wederzijds groeten in stilte, waarbij in plaats van het woord de kus plaats had.
De groet met mijn hand van Paulus. Wat ik anders doe, om aan een door mij gedicteerde brief een bewijs van echtheid te geven (2 Thessalonicenzen. 3: 17 Kol. 4: 17), doe ik nu ter verzekering van mijnvoortdurende liefde jegens u (Gal. 6: 11), maar deze betuiging van liefde geldt u niet zonder enige uitzondering en onder elke voorwaarde.
Integendeel voeg ik er dadelijk bij, voordat ik het slot vs. 23 v. laat volgen: Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking, die wordt in de ban gedaan (Gal. 1: 8 v.). Maranatha, dat is: de Heere komt en zeker zal Hij ieder, die Hem niet liefheeft, uit Zijn gemeente uitsluiten.
Nadat ik u zo de bedoeling van mijn groet verklaard heb en wie geen recht hebben die op zichzelf toe te passen, zegen ik u met het woord: De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u (Rom. 16: 20, 24. Efez. 6: 24).
Mijn liefde zij (of misschien beter “is met u allen in Christus Jezus; zo velen als er in Hem zijn, met zo velen is ook mijn liefde. Amen.
Het slotwoord in vs. 24 is alleen aan de eerste brief aan de Corinthiërs eigen en wordt niet in de andere brieven van Paulus gevonden. De liefde, waarvoor hij in dit boek het kostbaar lied heeft gezongen (Hoofdstuk 13), de liefde, die niet verbitterd wordt, alles verdraagt, gelooft, hoopt, duldt, de liefde, die nooit eindigt – zij brandde in het hart van Paulus en zo omvat hij met zijn liefde allen, allen tezamen in Christus Jezus; en wat zou hij liever willen dan dat zij, die gescheiden waren en tot het onchristelijke waren afgeweken, door zijn liefde zich lieten bewegen en dat zij tot de Heere Jezus zich zouden laten bekeren. Daartoe moet dan ook het belangrijk woord in vs. 22 dienen. Als de apostel daar de pen wilde vatten om de gewone groet van zijn hand neer te schrijven, onder de door hem gedicteerde brief Ro 16: 22, schrok hij in zijn gedachte terug van hen, die misschien na het lezen van zijn vermaningen zonder berouw te gevoelen, zijn groet zich zouden toe-eigenen, die toch een groet in de Heere en een teken van gemeenschap in de Heere is.
Anathema betekent “vloek” d. i. verbanning uit de gemeenschap van God en de Zijnen. In de Christelijke gemeente behoort niemand te zijn, die Christus niet liefheeft; hij is hier en ginds uitgesloten van de zaligheid. “Maranatha” beduidt in het Aramees: de Heere komt. ” De Apostel wilde met eigen hand nog een kort en krachtig woord ten besluite van de brief neerschrijven en hij voegde er in de hem gemeenzame, maar heilig en plechtig klinkende taal deze ernstige herinnering bij aan van de Heere nabij zijnde komst ten gerichte. Met de wens dat de genade van Jezus Christus hen steeds moge leiden en bewaren en de verzekering, dat zijn liefde in zoverre zij beiderzijds standvastig bleven in de gemeenschap met Christus steeds met hen zou zijn, sluit deze brief, die van zoveel wijsheid en liefde getuigt. (V.).
De brief aan “de gemeente van God, die te Corinthiërs is”, is voltooid. Al wat de Apostel, die bijna achttien maanden in hun midden verkeerd heeft, de broeders in Achaje van uit Klein-Azië te zeggen heeft, is gezegd. De laatste vermaningen zijn gegeven, de verzochte groetenissen zijn gedaan. Niets ontbreekt dan de groetenis van Paulus zelf met zijn eigen hand, dat een teken is in iedere brief. Opdat dit werk van echtheid ook op deze brief gedrukt wordt, gaat de pen uit de hand van “Sosthenes, de broeder”, die de brief geschreven heeft, over in de hand van de steller. Het is een plechtig ogenblik, het penseel van een gewijde kunstenaar wel waardig en waarvan al het gewicht moet worden gevoeld door een ieder, die iets voelt van de heilige ernst, die het hart van een apostel vervullen moest bij het drukken van het zegel van de voltooiing op een arbeid van deze betekenis. Nog een pennenstreek, nog een enkel woord en de brief, die zo vele vragen beantwoorden, in zo velerlei behoeften voorzien, zo menige verkeerdheid sluiten, zo menige dwaling terecht brengen en in het midden van de talrijke, maar helaas onenige gemeente van God te Corinthiërs een krachtig middel ter bevordering van geloof en hoop en liefde wezen moet, wordt opgerold, wordt in de hand van Stefanas gesteld en reist over zee en land, om te doen (God geve het!), waartoe hij biddend geschreven is en biddend gezonden wordt. Nog is hij niet gezonden; nog is hij niet opgerold; nog ligt hij open voor de blik van de apostel; nog is er tijd, nog is er plaats, voor zijn handtekening niet slechts, voor zijn liefdegroet niet alleen, maar ook voor een laatst, een allerlaatst woord van – wat zal het zijn? – vermaning of vertroosting? Mij dunkt, ik zie de apostel stilstaan, zich beraden, het oog ten hemel heffen. Daar grijpt hij de pen en met een hart brandende van de heiligste ijver voor zijn Heer en tegelijk vervuld van de tederste bekommering voor de zielen, waaraan hij die Heer gepredikt heeft, schrijft hij zijn naam en daarachter dit ontzaglijk woord: Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft die zij een vervloeking. Maranatha. Een ogenblik, dunkt mij, vertoeft hij als om uit te rusten van de gemoedsbeweging, waarin een woord als dit, geschreven heeft moeten worden, bij een hart als het zijne. De schaduw van heilige ernst, die zijn wenkbrauwen neergedrukt, zijn voorhoofd gerimpeld, zijn lippen samengeklemd heeft, gaat over in iets zachters. Er komt een glimlach, er komt een onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde en vriendelijkheid en vertedering. Weer wordt de pen opgevat en nu met vochtige ogen toegevoegd: De genade van de Heere Jezus Christus zij met jullie! Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus. Amen. -Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking. Maranatha. Hoe plechtig weergalmt na achttienhonderd jaren het woord van de heilige apostel nog steeds in de zielen, waartoe het gebracht wordt. Hoe plechtig! hoe vreselijk! Als een donderslag. Ja, als een donderslag, want ook donderslagen verkondigen liefde. Ook is het niet anders dan liefde, wat ons beweegt, met de heiligste ernst anderen te bepalen bij hetgeen ons voor onszelf met de heiligste ernst vervullen moet. Gelukkig dat hart, waarin bij het herhalen van een woord als dit die liefde leeft, die de vrees buiten sluit; de ziel, die in eenvoudigheid betuigen kan: Heere, U weet alle dingen; U weet dat ik U lief heb. Maar ook voor deze kan het zijn vrucht hebben, met heilige siddering stil te staan bij het ontzettend oordeel, waarmee het apostolisch woord hier dreigt, bij de vreselijkheid van de misdaad, die niet te bezitten, zo misdadig maakt en in zo’n oordeel vallen doet. Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking, zo schrijft de apostel; en hij gebruikt hier dezelfde uitdrukking, die wij ook in de brief aan de Galatiërs lezen, als hij aan deze schrijft: “Al was het ook dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt”. De uitdrukking geeft te kennen dat hij, op wie ze met het hoogst en heiligst gezag wordt toegepast van de gemeenschap van Christus wordt uitgesloten, hier op aarde, zolang hij in de zonde blijft, die hem deze ban heeft op de hals gehaald, hierna, voor eeuwig, als hij die ban niet nog hier op aarde door ootmoed en berouw van zijn schuldig hoofd heeft weten af te wenden. Ach, hoe wenselijk, hoe dringend noodzakelijk is het, dat waar het geschieden moet, dit geen ogenblik wordt uitgesteld! Maranatha laat de apostel volgen en het welbekend en plechtig klinkend Syrisch woord heeft geen andere betekenis dan deze: De Heere komt. Zijn komen ten oordeel wordt bedoeld. Door dit komen wordt aller lot beslist. En voor de ongelukkigen, die Jezus Christus gekend hebben, maar Hem niet hebben liefgehad, zal een oneindige rampzaligheid de zin toelichten, maar nooit uitputten van dat woord: Vervloeking; van dat leed: Uitsluiting van de gemeenschap van Christus. Wij zullen ons in de voorstelling van dit oneindige leed niet verdiepen. De schildering van een ontzettende straf verbetert niet, maar verbittert, zo lang verstand en geweten van haar rechtvaardigheid niet overtuigd zijn. Maar deze overtuiging wordt geboren, wanneer het ontzettende van de misdaad, waarvan deze straf de vergelding is, met onpartijdigheid overwogen en ootmoedig erkend wordt. Zien wij dan af van de onvruchtbare poging de vlammen van de hel met doodverf te evenaren, of de akeligheden van de buitenste duisternis te peilen met de maatstaf van aardse jammeren. Het is genoeg als een heilzame huivering door de ziel vaart op het horen van dat ene woord: Vervloeking. Sterken wij ons slechts in de overtuiging, dat, wat dit woord ook in heeft, het zeker niets in heeft dat te hard of onrechtvaardig is voor die strafwaardige, die Jezus Christus kent en hem niet bemint.
Dat woord, hoe kan het anders, draagt een ernstig ontrustend karakter. Immers, het is bekleed met hoog gezag, het spelt de diepste ellende, het komt volstrekt algemeen over iedereen, die Christus niet liefheeft, al was hij zelfs in aller schatting de onberispelijkheid of lofwaardigheid zelf. Toch is dat vloekwoord volkomen rechtmatig, want wie heeft hoger aanspraak op de vurigste liefde van zijn verlosten dan Jezus en wat is ook, wel beschouwd, een Christendom, waaraan het levensbeginsel van de dankbare liefde tot de Redder van onze zielen ontbreekt? Er is dan ook geen twijfelen aan, of het is een waarachtig woord, dat de apostel hier neerschrijft; ja waarlijk, er is een vloek aan de liefdeloosheid jegens Christus verbonden; een vloek, die reeds hier wordt gedragen in gedurig klimmende mate en eindelijk in zijn volle kracht openbaar wordt aan de andere kant van het graf. Hoe dan is het hart, hoe onvruchtbaar het leven, hoe zwaar het lijden, hoe donker het sterven van de naam-Christen zonder liefde tot Jezus en wat kan hij anders dan het ergste verwachten, ten dage dat de verborgen dingen aan het licht gebracht worden! Met ontroering wenden wij het oog van de voorstelling af en toch, wij mogen voor dat vloekwoord de oren niet sluiten, omdat het nog altijd, ja zelfs in onze dagen, vooral zo uitnemend tijdig mag heten. Of laat het zich ernstig ontkennen, dat het heilig vuur van de liefde tot Christus op menig altaar verdoofd is, zelfs waar het vroeger helder gegloord heeft en dat meerderen dan wij kunnen tellen, met ons het hoofd moeten buigen voor het diep beschamend verwijt: ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde heeft verlaten.
CHRISTUS REMUNERATOR
Van de toren, Luid en schel, Doet het klingelend klokkenspel. ‘t Plechtig middernachtsuur horen. ‘t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: “Maranatha, Jezus komt!”
Daar ruist bij nachten en bij dagen Een duizendstemmig geestenkoor, Een smachtend fluisteren en vragen de moederschoot der aarde door. Het ritselt in de groene bladeren, Het murmelt in de ontroerde baren, Het zwerft in het koeltjen op en neer. En alle heuvelen en dalen, De donders en de nachtegalen, Al het schepsel zucht: “Hoe lang nog, Heer?”
Zou de Aarde, o Koning! U vergeten, Al bent Ge uit haar gezicht verhoogd? Uw voetspoor is niet weggesleten, Al is Uw zoenbloed opgedroogd! Haar heugt het kloppen van Uw harte, Uw liefdetrouw en liefdesmarte, Uw worstlen van de kreb naar het kruis, Ze is aan Uw Hemel vastgeschakeld: U heeft in haar getabernakeld, Zij beidt U als Uw eeuwig Huis!
Zo blijft een woning eenzaam achter, Verreist de Heer naar verre kust: Zijn Geest, onzichtbre dorpelwachter, Omzweeft de wandlaar, die er rust. Maar het onkruid wortelt in de scheuren, De poort blijft op haar hengsels treuren, Tot – eindlijk! – de oude stem haar groet, Die het licht weer door de venster schijnen, De doornen van het vervals verdwijnen, En liefde en leven keren doet!
Wanneer, o u verouderde aarde, Wier vreemd geworden kind ik ben! Wordt u opnieuw de levensgaarde, Waar ik mijn Vaderland herken? Wanneer zal ik de pelgrimsblikken Aan het Tweede Paradijs verkwikken. Waarvan u het Eerste een schaduw gaf? Godlof! wij zijn niet lang gescheiden! – Eén heuvel ligt nog tussenbeide: De groene heuvel van mijn graf!
Zo waak, mijn ziel! En waakt, u bozen, Die onbezorgd in zwijmel zeegt! U zult verwelken voor uw rozen, Verdwijnen eer ge uw beker leegt! De proeftijd klimt – nog moogt ge kiezen! Wat wilt ge winnen, wat verliezen, Het kort genot? de langen schrik? Ziet de uchtend der vergelding krieken! Uwe eeuwigheid rust op de wieken Van het tegenwoordig ogenblik!
Waai op, u sluier van Gods heemlen! Ziet, alle dingen zijn gereed: Tien duizenden, reisvaardig, weemlen In het nieuw ontvangen gloriekleed! Reeds hoor ik de optochtsliedren menglen: Reeds houdt de machtigste uit de Aartsenglen Nabij de Koning van het heelal De richtbazuin omhoog geheven, Die op één wenk het teken geven En ‘s werelds loop voleinden zal!
Van de toren Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel. ‘t Plechtig middernachtsuur horen. ‘t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren. “Maranatha”, Jezus komt!
‘t Zal geschieden! ‘t Is voorzeid! Aarde en hemel zullen vlieden Voor des Konings heerlijkheid! Wat ontwaken Op dien dag, Als van het aardrijks diepten kraken. Op de laatsten klepelslag! Als met losgereten slinger ‘t Zonne-uurwerk stil zal staan, Waar de Koning met Zijn vinger Sterren wegwist van heur baan! Als in afgrond en vulkaan Heilge vlammen zich bereiden, Om het ingeroeste slijk Van de wereld af te scheiden, Tot ze een luister zal verspreiden Aan gelouterd goud gelijk! Plotsling staat, ten tweeden male, ‘s Mensen Zoon Voor de aard ten toon: Valle nu wat ademhale Bevend neer voor Zijn troon! Ziet, de teeknen Zijner wonden! Ja, Hij is dezelfde wel, Die gebonden Voor de zonden, De overwinning van de hel In Zijn sterven heeft verslonden, God met ons, Immanuel! Maar om de eens bebloede slapen Speelt een goddelijke glans, En de doornen zijn herschapen In de paarlen Zijner krans! Heerlijke omkeer – Toen en Thans! Bethlehems zuigling, zwak en teder En die Hemeltroonbekleder! De aardworm in Gethsemane En die Richter op de wolken! Eeuwig Wel, of eeuwig Wee Brengt Hij op Zijn weegschaal mee. Wat benauwdheid bij de volken! Wat rumoer in ‘s aardrijks kolken! Wat ontroering in de zee!
Waarom splijt ge uw marmren deuren, Stad der doden! dus van een, Dat de slapers daar beneden ‘t Licht zien scheemren door de scheuren Van den kranken tombesteen? Waarom werpt ge, ontzette golven! Onder huilend angstgeluid Al die bleke beendren uit. In uw woestenij bedolven? Al dat stof, als Alpensneeuw Opgehoopt van eeuw tot eeuw? ‘t Is gesproken, ‘t Dagingswoord! Roepende englen dragen het voort: “De eeuwigheid is aangebroken – “Rijst, gestorvenen! komt en hoort! ” En zij rijzen En zij komen, Opgevaren uit hun as, Dwazen, wijzen, Bozen, vromen, Al wat leefde en – stervling was! Beelden, die wij lang vergaten, Zie ik door elkaar kruisen: Alle kluizen Zijn verlaten, De eerste groef, de laatste kist! ‘t Is een leger van geslachten: En geen natie laat zich wachten, En geen zuigling wordt gemist! Maar bij millioenentallen, Spraakloos luistrend, staan zij allen Voor de ontzaggelijken troon – Tot het woord van de splitsing klinke: “Tot Mijn rechte! Tot Mijn slinke! “Kiest uw plaatse! Neemt Uw loon!”
Van de toren, Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel. ‘t Plechtig middernachtsuur horen. ‘t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: “Maranatha, Jezus komt!”
Sidderend heir, in de schaduw gegroept! U, eens op aarde Vooraan geschaarde! Hoe nu zo traag, nu de hemel u roept?
Held, voor wien het volk, dat Uw voetschabel was, Zaam? is gekrompen! Purperen lompen Dekken uit schaamte uw doorluchtig karkas! Geessel der aarde, eindt uw almacht zo ras?
Oproerprofeet, die in naam van het volk Tronen en steden Plat heeft getreden! Preek nu gelijkheid met fakkel en dolk! Bons dezen Vorst van Zijn lichtende wolk!
Trotse Verachter van het Hoogste Gebod! Die Gods genade Honend versmaadde, Die met uw moeders gebed heeft gespot! Vrijgeest, u bidt?, U gelooft aan een God?
Huichlende vrome, zo vriendlijk en fijn! Teedre hyenen Leerden u wenen: Hang voor uwe ogen een tranengordijn! Achter dat floers mag de Richter niet zijn!
Rijke, om wiens sterven geen wees heeft gerouwd! Proef, of millioenen De Almacht verzoenen! Zie nu, wat hemel ge uit slijk heeft gebouwd! Koop, zo ge kunt, nu uw ziel voor uw goud!
Slaaf van uw vlees, nu in spinrag gehuld! Kom en bevredig ‘t Eeuwige ledig, Dat in uw hart om verzadiging brult, Immer vergrotend en nimmer gevuld!
Sidderend heir in de schaduw gegroept! Gij, eens op aarde Vooraan geschaarde! Hoe nu zo traag, nu de hemel u roept?
En waarom zouden zulke geesten Dan ingaan tot de grote rust? Daar zijn de minsten de allermeesten En ‘s Heeren lof is al hun lust! ‘t Hart, dat Gods liefde niet deed rijpen, Zou dat Gods zaligheid begrijpen? De nachtuil haat de zonneschijn: De hemel met Zijn uitverkoornen Zou voor ‘t geweten van de verloornen Een zevendubble helle zijn!
Zij deinzen voor de blik van de Heere, Die als richtzwaard hen doordringt. Zij storten neer naar lager sferen. Op het onbedrieglijkst ziels-instinkt. Zij dwarlen, waar geen heilige ogen Hun pelgrimaadje volgen mogen, Zelfs die van de ware deernis niet! En bij hun sporeloos verdwijnen, Daar heft een wolk van serafijnen Het voorspel aan van het nieuwe lied.
Van de toren, Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel ‘t Plechtig middernachtsuur horen. het Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren “Maranatha, Jezus komt! “
Jezus komt! Hij is gekomen! Altijd voller wordt het licht: Heiligende stralen stromen Van Zijn vriendlijk aangezicht. Boven het smeltend harpgeluid Klinkt Zijn stem vertroostende uit, Met een moederlijk erbarmen: “Komt, vermoeiden, in Mijn armen! “
Herwaarts! aan Zijn rechterzijde, Magdalene! Omhoog dat hoofd! Diepstbedroefde! hoogstverblijde, Die geboet heeft en geloofd! Zoudt u twijflen aan uw kroon? Liefde is liefdes heerlijk loon: In de Liefde is het Eeuwig Leven. ‘t Werd gevonden, het is gegeven!
Herwaarts! nader, altijd nader, Dolend maar hervonden lam! ‘t Hart zal juichen bij de Vader, Dat er schreiend wederkwam. U de volle kinderrang! U der broedren welkomstzang! Eer ge uw zwerftocht hadt begonnen, Lag uw feestkleed reeds gesponnen!
Herwaarts! dichter, altijd dichter, Saulus, die een Paulus werdt! Zie, Uw Redder is de Richter, Die u – plaats geeft aan Zijn hart! Dood, waar is uw prikkel thans? Helle, waar uw zegekrans? ‘t Beste was: “met Jezus wezen: ” ‘t Is den besten uitgelezen!
Ziet! daar staat Hij In hun reien, het Beeld van d’ Ongezienen God! Zeegnend gaat Hij Langs de meijen, Die zij voor Zijn voeten spreien, Overstelpt van heilgenot!
Welkom, leger van Profeten! Welkom, hoge Apostelschaar. Midden in den kring gezeten, Met de martelpalm om het haar! Welkom, adelijk geslachte! Heilige adelaars der gedachte, Met de koningskroon gehuld, Die des hemels hierarchijen. Machten, krachten, heerschappijen Richten en regeren zult!
Sluit u aan in hun kreits, o gij leraars van de wet! En u, blijde gezanten van het goede! Die zo menige ziel van het verderf heeft gered en zo menig geredde behoedde! Elke blik, die u dankte, is een straal in uw glans, Die de starren beschaamt aan de weemlenden trans!
Stille weldadigen! Zegenende braven! Laat u verzadigen, Troosten en laven! Viert in uw hoogtijkleed ‘t Feest, van Gods ere: Wat u den minste deedt, Deedt u de Heere!
Ware zachtmoedigen! Juichende strijders! Blijde rampsnelen! Vorstlijke lijders! Hier is de smart geheeld! Christus is Koning: Heeft ge eens Zijn kruis gedeeld, Deelt nu Zijn kroning;
Pelgrims, wier bedevaart Nooit mocht verpozen! Hier bloeit uw vredegaard: Rust in zijn rozen! Hier drukt uw eerste stap ‘t Land der geboorte: ‘t Heimwee van de vreemdlingschap Sterft in Zijn poorte!
Moeders! die zingend en Kozend regeerde, Vriendelijk dringend en Spelende leerde! Buigt naast uw kindren nu Dankend de knieen De Englen begroeten u, Heilge Marieen!
Schuldloze kinderkens! Zalige wichtjens! Hemelse vlinderkens! Cherubsgezichtjens! Mengt, waar ge fladderwiekt, Jezus uw loflied: ‘t Groen waar uw krans van riekt, Bloeide in het stof niet!
Neen! heel het aardrijk is herboren Tot een jonge Hemelbruid: Sarons rozen botten uit: Ziet de Paradijsvrucht gloren Tussen het kruid, Waar de Levensboom ontspruit! Duizend koren Jubelschateren. Als een stemme veler wateren: “Hij regeert “Van sfeer tot sferen! ” Opgerold is het luchtgordijn, Waar geen starren nodig zijn: ‘t Zalig aangezicht des Heeren Is een eeuwge lenteschijn! Lam en tijger dartlen zamen. ‘t Knaapjen streelt de drakenmuil In der basilisken kuil, Waar de duifjens nestlen kwamen. Op de berg van de heiligheid Woont de vrede. En des Konings majesteit Deelt heur gloed aan alles mede. Zoals eens de zonneglans Sneeuw lei op de lelieknoppen. Zilver op de regendroppen, Purper op de morgentrans! Elke zalige bewoner Van het eeuwig koninkrijk Is de anderen gelijk: De Oude Broeder slechts is schoner! En toch zwemen zij naar Hem In die reinheid zonder vlekken, In dien adeldom van de trekken, In die zilverklank van de stem, In die rijkdom aller deugden, Aller gaven, aller vreugden, ‘t Erfdeel van Jeruzalem! Stad des hemels! trek uw straten, Schiet uw stralen van kristal Overal, Tot geen plek is leeggelaten In het Heelal! En nu – boven en beneden, U die ‘s Heeren huis bevolkt Die daar aan Zijn voeten wolkt, Als het stof van onze schreden! Duizenden tien duizend keer! Valt ontroerd op het aanschijn neer! Werpt de kronen uwer hoofden Voor den troon des Hooggeloofden! d’ Alverzoener, d’ Alvergelder, zij alleen en eeuwig de eer!
Van de toren. Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel. ‘t Plechtig middernachtsuur horen. ‘t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: “Maranatha, Jezus komt!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel