Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 vanG4012 de geestelijkeG4152 gaven, broedersG80, wilG3756 ik niet, dat gijG4771 onwetendeG50 zijt.
En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.
KJV
Now2
concerning1
spiritual4
gifts, brethren,5
I would7
➔ not6
have
you
ignorant.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gij weetG1492, datG3754 gij heidenenG1484 waartG2258, totG4314 de stommeG880 afgodenG1497 heengetrokkenG520, naar dat gij geleidG71 werdt.
Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt.
KJV
Ye know1
that2
ye were
Gentiles,3
carried away13
unto5
these dumb9
idols,7
even as10
ye were led.12
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Daarom maakG1107 ik uG4771 bekendG1107, datG3754 niemandG3762, die doorG1722 den GeestG4151 GodsG2316 spreektG2980, JezusG2424 een vervloekingG331 noemtG3004; enG2532 niemandG3762 kanG1410 zeggenG2036, JezusG2424 den HeereG2962 te zijn, dan doorG1722 den HeiligenG40 GeestG4151.
Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
KJV
Wherefore1
I give2
➔ you
to understand,
that4
no man5
speaking9
by6
the Spirit7
of God8
calleth10
Jesus12
accursed:11
and13
that no man14
can15
say
that Jesus18
is the Lord,17
but
by21
the Holy23
Ghost.22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En er is verscheidenheidG1243 der gavenG5486, dochG1161 het isG1510 dezelfde GeestG4151;
En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;
KJV
Now2
there are
diversities1
of gifts,3
but6
the same7
Spirit.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En er is verscheidenheidG1243 der bedieningenG1248, enG2532 het isG1510 dezelfde HeereG2962;
En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;
KJV
And1
there are
differences2
of administrations,3
but5
the same7
Lord.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En er is verscheidenheidG1243 der werkingenG1755, dochG1161 het isG1510 dezelfde GodG2316, Die allesG3956 inG1722 allen werktG1754.
En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
KJV
And1
there are
diversities2
of operations,3
but6
it is
the same7
God9
which5
worketh11
all13
in14
all.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaarG1161 aan een iegelijkG1538 wordt de openbaring des GeestesG4151 gegevenG1325 totG4314 hetgeen oorbaarG4851 is.
Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.
KJV
But2
the manifestation5
of the Spirit7
is given3
to every man1
to8
profit withal.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 dezenG3739 wordt door den GeestG4151 gegevenG1325 het woordG3056 der wijsheidG4678, enG1161 een anderG243 het woordG3056 der kennisG1108, door denzelfdenG846 GeestG4151;
Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;
KJV
For3
to one1
is given7
by4
the Spirit6
the word8
of wisdom;9
to another10
the word12
of knowledge13
by14
the same16
Spirit;17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En een ander het geloofG4102, doorG1722 denzelfdenG846 GeestG4151; enG1161 een ander de gavenG5486 der gezondmakingenG2386, doorG1722 denzelfdenG846 GeestG4151.
En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.
Ook in dit vers
anderG243
anderG2087
KJV
To another1
faith3
by4
the same6
Spirit;7
to another8
the gifts10
of healing11
by12
the same14
Spirit;15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En een ander de werkingenG1755 der krachtenG1411; en een ander profetieG4394; en een ander onderscheidingenG1253 der geestenG4151; en een ander menigerleiG1085 talenG1100; enG1161 een ander uitleggingG2058 der talenG1100.
En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen.
Ook in dit vers
anderG243
anderG243
anderG243
anderG243
anderG2087
KJV
To another1
the working3
of miracles;4
to another5
prophecy;7
to another8
discerning10
of spirits;11
to another12
divers kinds14
of tongues;15
to another16
the interpretation18
of tongues:19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
DochG1161 dezeG3778 dingen alleG3956 werktG1754 eenG1520 en dezelfde GeestG4151, delendeG1244 aan een iegelijkG1538 in het bijzonderG2398, gelijkerwijsG2531 HijG846 wilG1014.
Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.
KJV
But2
all1
these
worketh4
that one6
and7
the selfsame9
Spirit,10
dividing11
to every man13
severally12
as14
he will.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG1063 gelijk het lichaamG4983 eenG1520 isG1510, en veleG4183 ledenG3196 heeftG2192, en alG3956 de ledenG3196 van dit ene lichaamG4983, veleG4183 zijnde, maarG1161 eenG1520 lichaamG4983 zijnG1510, alzoG3779 ookG2532 ChristusG5547.
Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus.
KJV
For2
as1
the body4
is
one,5
and7
hath9
many10
members,8
and12
all11
the members14
of that one18
body,16
being
many,19
are
one21
body:23
so24
also25
is Christ.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 ookG2532 wij allenG3956 zijn doorG1722 een GeestG4151 totG1519 eenG1520 lichaamG4983 gedooptG907; hetzij JodenG2453, hetzij GriekenG1672, hetzij dienstknechtenG1401, hetzij vrijenG1658; enG2532 wij zijn allenG3956 totG1519 eenG1520 GeestG4151 gedrenktG4222.
Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.
KJV
For2
by3
one4
Spirit5
are11
➔ we
all7
baptized
into8
one9
body,10
whether12
we be Jews13
or14
Gentiles,15
whether16
we be bond17
or18
free;19
and1
have been25
➔ all21
made to drink
into22
one23
Spirit.24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantG1063 ookG2532 het lichaamG4983 isG1510 nietG3756 eenG1520 lidG3196, maarG235 veleG4183 leden.
Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden.
KJV
For2
the body4
is
not5
one7
member,8
but9
many.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
IndienG1437 de voetG4228 zeideG2036: DewijlG3754 ik de handG5495 nietG3756 ben, zo ben ik van het lichaamG4983 nietG3756; isG1510 hij daarom nietG3756 van het lichaamG4983?
Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
If1
the foot4
shall say,
Because5
I am7
not6
the hand,8
I am10
not9
of11
the body;13
is
it therefore14
not17
of19
the body?21
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 indienG1437 het oorG3775 zeideG2036: DewijlG3754 ik het oogG3788 nietG3756 ben, zo ben ik van het lichaamG4983 nietG3756; isG1510 het daarom nietG3756 van het lichaamG4983?
En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam?
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
And1
if2
the ear5
shall say,
Because6
I am8
not7
the eye,9
I am11
not10
of12
the body;14
is
it therefore15
not18
of20
the body?22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WareG1487 het gehele lichaamG4983 het oogG3788, waar zou het gehoorG189 zijn? WareG1487 het gehele lichaam gehoorG189, waar zou de reukG3750 zijn?
Ware het gehele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het gehele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn?
KJV
If1
the whole2
body4
were an eye,5
where6
were the hearing?8
If9
the whole10
were hearing,11
where12
were the smelling?14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Maar nu heeft GodG2316 de ledenG3196 gezetG5087, eenG1520 iegelijkG1538 van dezelveG846 inG1722 het lichaamG4983, gelijk Hij gewildG2309 heeft.
Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.
KJV
But2
now1
hath5
➔ God4
set
the members7
every9
one8
of them10
in11
the body,13
as14
it hath pleased him.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Waren zij alleG3956 maarG1161 eenG1520 lidG3196, waar zou het lichaamG4983 zijn?
Waren zij alle maar een lid, waar zou het lichaam zijn?
KJV
And2
if1
they were
all5
one6
member,7
where8
were the body?10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar nu zijn er wel veleG4183 ledenG3196, doch maar eenG1520 lichaamG4983.
Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar een lichaam.
KJV
But2
now1
are they many3
members,5
yet but7
one6
body.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG1161 het oogG3788 kanG1410 nietG3756 zeggenG2036 tot de handG5495: Ik heb uG4771 nietG3756 van nodeG5532; ofG2228 wederomG3825 het hoofdG2776 tot de voetenG4228: Ik hebG2192 uG4771 nietG3756 van nodeG5532.
En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.
KJV
And3
the eye4
cannot1
say
unto the hand,7
I have11
no10
need8
of thee:
nor12
again13
the head15
to the feet,17
I have21
no20
need18
of you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Ja veeleerG4183, de ledenG3196, die ons dunkenG1380 de zwaksteG772 des lichaamsG4983 te zijn, die zijn nodigG316.
Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig.
KJV
Nay,1
much2
more3
those members6
of the body,8
which seem5
to be10
more feeble,9
are
necessary:11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG2532 die ons dunkenG1380 de minst eerlijkeG820 leden des lichaamsG4983 te zijnG1510, denzelven doen wij overvloedigerG4055 eerG5092 aan; enG2532 onze onsierlijkeG809 leden hebben overvloedigerG4055 versieringG2157.
En die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.
Ook in dit vers
[leden]G2192
KJV
And1
those2
members of the body,7
which we think3
to be
less honourable,4
upon these
we bestow11
more abundant
honour;9
and12
our
uncomely14
parts have18
more abundant
comeliness.16
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Doch onze sierlijkeG2158 hebben het nietG3756 van nodeG5532; maar GodG2316 heeft het lichaamG4983 alzo samengevoegdG4786, gevendeG1325 overvloedigerG4055 eerG5092 aan hetgeen gebrekG5302 aan dezelve heeft;
Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam alzo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft;
KJV
For2
our
comely3
parts have7
no5
need:6
but8
God10
hath tempered11
➔ the body13
together,
having given17
more abundant
honour18
to that part which lacked:15
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
OpdatG2443 geenG3361 tweedrachtG4978 inG1722 het lichaamG4983 zijG1510, maarG235 de ledenG3196 voor elkanderG240 gelijkeG846 zorg zouden dragen.
Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.
Ook in dit vers
zorg dragenG3309
KJV
That
➔ there should be
no
schism4
in5
the body;7
but8
that the members15
should have13
➔ the same10
care
one for11
another.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En hetzij dat eenG1520 lidG3196 lijdtG3958, zo lijdenG4841 alG3956 de ledenG3196 mede; hetzij dat eenG1520 lidG3196 verheerlijktG1392 wordt, zo verblijdenG4796 zich alG3956 de ledenG3196 mede.
En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.
KJV
And1
whether2
one4
member5
suffer,3
all7
the members9
suffer with it;6
or10
one12
member13
be honoured,11
all15
the members17
rejoice with it.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En gijliedenG4771 zijtG1510 het lichaamG4983 vanG1537 ChristusG5547, en ledenG3196 in het bijzonderG3313.
En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.
KJV
Now2
ye
are
the body4
of Christ,5
and6
members7
in8
particular.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
EnG2532 GodG2316 heeft er sommigenG3303 inG1722 de GemeenteG1577 gesteldG5087, ten eersteG4412 apostelenG652, ten tweedeG1208 profetenG4396, ten derdeG5154 leraarsG1320, daarna krachtenG1411, daarna gavenG5486 der gezondmakingenG2386, behulpselsG484, regeringenG2941, menigerleiG1085 talenG1100.
En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
KJV
And1
God6
hath set4
some3
in7
the church,9
first10
apostles,11
secondarily12
prophets,13
thirdly14
teachers,15
after that16
miracles,17
then18
gifts19
of healings,20
helps,21
governments,22
diversities23
of tongues.24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Zijn zij allen apostelenG652? Zijn zij allenG3956 profetenG4396? Zijn zij allenG3956 leraarsG1320? Zijn zij allenG3956 krachtenG1411?
Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?
KJV
Are all1
apostles?3
are all4
prophets?6
are all7
teachers?9
are all10
workers of miracles?12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
HebbenG2192 zij allenG3956 gavenG5486 der gezondmakingenG2386? SprekenG2980 zij allenG3956 met menigerlei talenG1100? Zijn zij allenG3956 uitleggersG1329?
Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?
KJV
Have1
all2
the gifts3
of healing?5
do all7
speak6
with tongues?8
do10
all11
interpret?12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
DochG1161 ijvertG2206 naarG2596 de besteG2909 gavenG5486; en ik wijsG1166 uG4771 een wegG3598, die nog uitnemenderG5236 is.
Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.
KJV
But2
covet earnestly1
the best6
gifts:4
and7
yet8
shew I13
unto you
a more9
excellent10
way.11
de geestelijke gaven,
Hij verstaat daardoor niet zozeer de inwendige geestelijke gave des geloofs en der wedergeboorte, als de uitwendige en wonderbaarlijke gaven, die met oplegging der handen toentertijd sommigen door den Heiligen Geest gegeven werden, en hier genaamd worden gaven, vs.4, en werkingen, vs.6, en verhaald worden vs.8-10.
Hertaald:
de geestelijke gaven,
Daaronder verstaat hij niet zozeer de innerlijke geestelijke gave van het geloof en de wedergeboorte, als wel de uiterlijke en wonderbare gaven die destijds met oplegging van de handen door de Heilige Geest aan sommigen gegeven werden. Die worden hier gaven genoemd, vers 4, en werkingen, vers 6, en zij worden opgesomd in vers 8 tot 10.
dat gij onwetende
Namelijk vanwaar die komen, tot welk einde die gegeven worden, en hoe zij gebruikt moeten worden.
Hertaald:
dat gij onwetende
Namelijk onwetend waar die vandaan komen, met welk doel zij gegeven worden, en hoe zij gebruikt moeten worden.
tot de stomme
Om die te dienen en hen van toekomende dingen te vragen, die noch leven, noch verstand, noch spraak hebben; zie Ps. 115:4-7 ; Hab. 2:18 .
Hertaald:
tot de stomme
Om die te dienen en hun naar toekomstige dingen te vragen — terwijl zij geen leven, geen verstand en geen spraak hebben; zie Ps. 115:4-7; Hab. 2:18.
heengetrokken,
Namelijk als domme beesten u latende verleiden door allerlei leugens en bedriegerijen. Zie dergelijke 2 Tim. 2:26 .
Hertaald:
heengetrokken,
Namelijk terwijl u zich als redeloze dieren liet verleiden door allerlei leugens en bedriegerijen. Zie iets dergelijks in 2 Tim. 2:26.
naardat gij geleid
Namelijk van de afgodische papen, waarzeggers en andere instrumenten des duivels, de ene tot den enen, de andere tot den anderen afgod.
Hertaald:
naardat gij geleid
Namelijk door de afgodische priesters, waarzeggers en andere werktuigen van de duivel: de een naar deze, de ander naar die afgod.
door den Geest Gods
Gr. in.
Hertaald:
door den Geest Gods
Grieks: in.
een vervloeking
Gr. Anathema; van welk woord zie Hand. 23:12 ; Rom. 9:3 ; Gal. 1:8-9 . Dit deden de heidenen en vijanden van den Christelijken godsdienst. Zie Plin. ad Trajan. lib. 10, Epist 97.
Hertaald:
een vervloeking
Grieks: anathema; zie over dit woord Hand. 23:12; Rom. 9:3; Gal. 1:8-9. Dat deden de heidenen en de vijanden van de christelijke godsdienst. Zie Plinius aan Trajanus, boek 10, brief 97.
den Heere te zijn
Dat is, erkennen en belijden dat Hij is de ware Zoon Gods, de beloofde Messias en Zaligmaker der wereld.
Hertaald:
den Heere te zijn
Dat is: erkennen en belijden dat Hij de ware Zoon van God is, de beloofde Messias en Zaligmaker van de wereld.
door den Heiligen Geest
Gr. in.
Hertaald:
door den Heiligen Geest
Grieks: in.
verscheidenheid
Gr. daar zijn verscheidenheden; dat is, de gaven zijn velerhande, de ene treffelijker dan de andere, en ook verscheidenlijk gedeeld, aan dezen en niet aan genen, en dat met verscheidene mate. Zie vs.8, enz.
Hertaald:
verscheidenheid
Grieks: er zijn verscheidenheden; dat is: de gaven zijn velerlei, de ene voortreffelijker dan de andere, en zij zijn ook verschillend verdeeld — aan dezen wel en aan genen niet, en in verschillende mate. Zie vers 8, enzovoort.
der gaven, doch
Namelijk van profeteren, met vreemde talen spreken en dergelijke, die hierna verhaald worden.
Hertaald:
der gaven, doch
Namelijk de gaven van profeteren, van het spreken in vreemde talen en dergelijke, die hierna opgesomd worden.
dezelfde Geest;
Namelijk die al deze gaven werkt en uitdeelt, en daarom behoort degene, die de treffelijkste ontvangen heeft, zich daarover niet te verhovaardigen, of dengene, die mindere heeft, te verachten, alzo Hij aan denzelven immers zo treffelijke gaven had kunnen geven als aan den anderen.
Hertaald:
dezelfde Geest;
Namelijk dezelfde Geest, Die al deze gaven werkt en uitdeelt. Daarom behoort wie de voortreffelijkste ontvangen heeft zich daarop niet te verhovaardigen, en wie mindere gaven heeft niet te verachten — aangezien Hij aan die ander evengoed zulke voortreffelijke gaven had kunnen geven.
der bedieningen,
Dat is, kerkelijke diensten, die verhaald worden vs.28.
Hertaald:
der bedieningen,
Dat is: kerkelijke diensten, die opgesomd worden in vers 28.
dezelfde Heere;
Namelijk Jezus Christus, die ze heeft ingesteld, en die den enen beroept tot dezen dienst, en den anderen tot een anderen, alzo het hem belieft. Zie Ef. 4:11 .
Hertaald:
dezelfde Heere;
Namelijk Jezus Christus, Die ze ingesteld heeft en Die de een tot deze en de ander tot een andere dienst roept, zoals het Hem behaagt. Zie Ef. 4:11.
der werkingen, doch
Dat is, der wonderbaarlijke gaven van gezondmakingen en andere mirakelen. Zie vs.9,10.
Hertaald:
der werkingen, doch
Dat is: de wonderbare gaven van genezing en andere wonderen. Zie vers 9 en 10.
dezelfde God, die
Namelijk de Vader door zijn Zoon en Heiligen Geest, wien de werkingen dezer gaven mede toegeschreven worden; Joh. 5:19 , Joh. 5:21 , en hier, vs.11.
Hertaald:
dezelfde God, die
Namelijk de Vader, door Zijn Zoon en de Heilige Geest, aan Wie de werkingen van deze gaven eveneens toegeschreven worden; Joh. 5:19, Joh. 5:21, en hier vers 11.
de openbaring des
Of, betoning; dat is, de gave, waardoor betoond en bekend wordt dat de Geest zulks in hem gewrocht heeft.
Hertaald:
de openbaring des
Of: betoning; dat is: de gave waardoor betoond en bekend wordt dat de Geest dit in hem gewerkt heeft.
tot hetgeen oorbaar is
Namelijk tot stichting der gemeente, en tot algemenen dienst van allen. En daarom moeten zij ook tot geen ander einde gebruikt worden, niet tot verhovaardiging, of tot verachting van anderen.
Hertaald:
tot hetgeen oorbaar is
Namelijk tot opbouw van de gemeente en tot dienst van allen. Daarom mogen zij ook met geen ander doel gebruikt worden: niet om zich te verhovaardigen of om anderen te verachten.
het woord der wijsheid,
Dat is, de gave van uitnemend wel te verstaan de goddelijke dingen, en dezelve tot zaligheid en dienst der mensen voorzichtig te kunnen toepassen en gebruiken.
Hertaald:
het woord der wijsheid,
Dat is: de gave om de goddelijke dingen uitnemend goed te begrijpen en die verstandig te kunnen toepassen en gebruiken tot zaligheid en dienst van de mensen.
het woord der kennis,
Dat is, de gave van wel ervaren te zijn in de Heilige Schrift, en den rechten zin derzelve grondig te verstaan; welke gave sommigen wel hebben, al is het dat zij daarbij niet hebben bekwaamheid om deze kennis, òf anderen mede te delen, òf tot gebruik wel toe te passen.
Hertaald:
het woord der kennis,
Dat is: de gave om goed thuis te zijn in de Heilige Schrift en de juiste betekenis daarvan grondig te begrijpen. Sommigen hebben die gave wel, hoewel zij daarbij niet de bekwaamheid hebben om deze kennis aan anderen mee te delen of goed toe te passen.
door denzelfden Geest;
Of, naar denzelfden Geest.
Hertaald:
door denzelfden Geest;
Of: naar dezelfde Geest.
het geloof,
Namelijk van wonderen te doen, hetwelk is een bijzonder vertrouwen, dat God hierin ons zal geven, hetgeen wij van Hem in Christus' naam zullen bidden, te boven gaande den loop der natuur. Zie Matt. 17:20 ; Hand. 14:8 ; 1 Kor. 13:2 .
Hertaald:
het geloof,
Namelijk het geloof om wonderen te doen. Dat is een bijzonder vertrouwen dat God ons hierin zal geven wat wij in de naam van Christus van Hem zullen bidden, boven de loop van de natuur uit. Zie Matth. 17:20; Hand. 14:8; 1 Kor. 13:2.
door denzelfde Geest
Gr. in denzelfden Geest.
Hertaald:
door denzelfde Geest
Grieks: in dezelfde Geest.
der gezondmakingen
Namelijk niet door gewone middelen van medicijnen, maar met een woord, met aanraken of anderszins bij wonder, gelijk Petrus, Hand. 3:6 , Paulus, Hand. 28:8 . Zie ook Hand. 14:3 , en Hand. 19:11-12 ; Jak. 5:14-15 .
Hertaald:
der gezondmakingen
Namelijk niet door de gewone middelen van de geneeskunde, maar met een woord, met een aanraking of anderszins bij wonder, zoals Petrus deed, Hand. 3:6, en Paulus, Hand. 28:8. Zie ook Hand. 14:3 en Hand. 19:11-12; Jak. 5:14-15.
door denzelfden Geest;
Gr. in.
Hertaald:
door denzelfden Geest;
Grieks: in.
de werkingen der krachten;
Hierdoor wordt verstaan de gave om wonderen te doen, niet alleen tot hulp en dienst der mensen, maar ook tot straf der huichelaars of vijanden van Christus en van Zijne leer. Zie Hand. 5:5 , in Petrus, en Hand. 13:11 , in Paulus.
Hertaald:
de werkingen der krachten;
Daaronder wordt de gave verstaan om wonderen te doen, niet alleen tot hulp en dienst van de mensen, maar ook tot straf van de huichelaars of vijanden van Christus en Zijn leer. Zie Hand. 5:5 bij Petrus en Hand. 13:11 bij Paulus.
profetie; en een
Dat is om toekomende dingen zekerlijk tevoren te zeggen, welke gave gehad hebben Agabus, Hand. 11:27-28 , en Hand. 21:10 ; de vier dochters van Filippus, Hand. 21:9 , of ook om de profetische schriften uit te leggen, tot stichting, vermaning en vertroosting, 1 Kor. 14:3 ; zie Rom. 12:7 . Dan, hier schijnt het voor de eerste soort van profeteren genomen te worden.
Hertaald:
profetie; en een
Dat is: de gave om toekomstige dingen met zekerheid van tevoren te zeggen. Die gave hadden Agabus, Hand. 11:27-28 en Hand. 21:10, en de vier dochters van Filippus, Hand. 21:9. Of ook de gave om de profetische geschriften uit te leggen tot opbouw, vermaning en vertroosting, 1 Kor. 14:3; zie Rom. 12:7. Maar hier lijkt het in de eerste betekenis opgevat te worden.
onderscheidingen der geesten;
Dat is, de gave om de oprechte en valse leraars te onderkennen, en de gemeente voor de valse te waarschuwen. Zie 1 Joh. 4:1 .
Hertaald:
onderscheidingen der geesten;
Dat is: de gave om de oprechte en de valse leraars te onderscheiden en de gemeente voor de valse te waarschuwen. Zie 1 Joh. 4:1.
menigerlei talen;
Gr. soorten van tongen; namelijk die zij niet geleerd hebben, maar die zij door een bijzonder wonder en goddelijke onderwijzing en ingeven kunnen spreken. Zie Marc. 16:17 , en Hand. 2:4 .
Hertaald:
menigerlei talen;
Grieks: soorten van tongen; namelijk talen die zij niet geleerd hebben, maar die zij door een bijzonder wonder en door goddelijk onderwijs en ingeving kunnen spreken. Zie Mark. 16:17 en Hand. 2:4.
der talen
Gr. der tongen; dat is, die hetgeen in een onbekende taal geschreven of gesproken was, met een bekende taal duidelijk konden uitleggen en anderen, die dezelve niet verstaan, verklaren.
Hertaald:
der talen
Grieks: van de tongen; dat is: zij die wat in een onbekende taal geschreven of gesproken was in een bekende taal duidelijk konden uitleggen en aan anderen die het niet verstonden konden verklaren.
een en dezelfde Geest,
Zie vs.4.
Hertaald:
een en dezelfde Geest,
Zie vers 4.
gelijkerwijs Hij wil
Namelijk de Heilige Geest, die aan niemand gehouden of door niemands bekwaamheid bewogen zijnde, deze gaven geeft naar zijn vrij believen en welbehagen.
Hertaald:
gelijkerwijs Hij wil
Namelijk de Heilige Geest, Die aan niemand gebonden is en door niemands bekwaamheid bewogen wordt, en Die deze gaven geeft naar Zijn vrije wil en welbehagen.
Want gelijk
Deze gelijkenis gebruikt ook de apostel, Rom. 12:4-5 ; Ef. 4:12 , Ef. 4:16 , en is zeer bekwaam om de leden van een geestelijk lichaam tot vrede en enigheid te vermanen.
Hertaald:
Want gelijk
Deze vergelijking gebruikt de apostel ook in Rom. 12:4-5; Ef. 4:12, Ef. 4:16. Zij is heel geschikt om de leden van een geestelijk lichaam tot vrede en eenheid te vermanen.
een is
Dat is, niet in vele lichamen verdeeld, zo is ook de algemene Christelijke Kerk maar een geestelijk lichaam, Hoogl. 6:9 ; Rom. 12:5 ; Ef. 2:14 , en Ef. 4:4-5 , welke enigheid niemand door twist of scheuringen moet verbreken.
Hertaald:
een is
Dat is: niet in veel lichamen verdeeld. Zo is ook de algemene christelijke kerk maar één geestelijk lichaam, Hoogl. 6:9; Rom. 12:5; Ef. 2:14 en Ef. 4:4-5 — welke eenheid niemand door twist of scheuring mag verbreken.
vele leden heeft,
Namelijk hebbende verscheidene gaven, waardigheid en bediening.
Hertaald:
vele leden heeft,
Namelijk leden met verschillende gaven, waardigheid en bediening.
alzo ook Christus
Namelijk heeft maar een lichaam, waarvan hij het hoofd is, en dat vele en verscheidene leden heeft. Of, alzo ook Christus, dat is het lichaam van Christus, namelijk de gemeente, die alzo van hun hoofd genaamd wordt.
Hertaald:
alzo ook Christus
Namelijk zo heeft ook Christus maar één lichaam, waarvan Hij het Hoofd is en dat veel verschillende leden heeft. Of: zo is het ook met Christus, dat is: met het lichaam van Christus, namelijk de gemeente, die zo naar haar Hoofd genoemd wordt.
wij allen
Namelijk gelovigen, die tot dit lichaam van Christus als leden behoren.
Hertaald:
wij allen
Namelijk wij gelovigen, die als leden tot dit lichaam van Christus behoren.
zijn door eenen Geest
Gr. in enen Geest; dat is, door den Geest der wedergeboorte, die maar een is, en dienvolgens ons ook tot enigheid vermaant en verbindt.
Hertaald:
zijn door eenen Geest
Grieks: in één Geest; dat is: door de Geest van de wedergeboorte, Die maar één is en Die ons dientengevolge ook tot eenheid vermaant en verbindt.
tot een lichaam
Namelijk de gemeente van Christus, die wij ingelijfd worden door den doop, welke het bad der wedergeboorte is, Ef. 5:26 ; Tit. 3:5 , en ons ook tot enigheid verbindt.
Hertaald:
tot een lichaam
Namelijk de gemeente van Christus, waarin wij ingelijfd worden door de doop, die het bad van de wedergeboorte is, Ef. 5:26; Tit. 3:5, en die ons ook tot eenheid verbindt.
hetzij Joden,
Dat is, van wat afkomst, staat, of rang wij zijn.
Hertaald:
hetzij Joden,
Dat is: van welke afkomst, stand of rang wij ook zijn.
tot eenen Geest
Of, door een Geest.
Hertaald:
tot eenen Geest
Of: door één Geest.
gedrenkt
Dat is, ook het Avondmaal des Heeren, in hetwelk wij allen eenen drank uit eenen drinkbeker drinken, vermaant en verbindt ons dat wij, alle verdeeldheden vermijdende, naar enigheid staan om een geestelijk lichaam en eensgezind te zijn. Dergelijke rede gebruikt de apostel 1 Kor. 10:17 , dat gelijk wij in het Avondmaal allen eens broods deelachtig zijn, wij alzo ook daardoor vermaand worden, dat wij velen een lichaam zijn.
Hertaald:
gedrenkt
Dat is: ook het Avondmaal van de Heere, waarin wij allen één drank uit één drinkbeker drinken, vermaant en verbindt ons om alle verdeeldheid te vermijden en te streven naar eenheid, om één geestelijk lichaam en eensgezind te zijn. Een soortgelijke redenering gebruikt de apostel in 1 Kor. 10:17: zoals wij in het Avondmaal allen deel hebben aan één brood, zo worden wij daardoor ook vermaand dat wij, hoevelen wij ook zijn, één lichaam vormen.
een lid,
Namelijk alleen, of bestaat niet uit een lid alleen, maar uit vele en verscheidene, alzo bestaat ook het lichaam der gemeente uit vele leden, die verscheidene gaven en bedieningen hebben, van welke sommigen regeren, anderen geregeerd worden, sommigen leren, anderen geleerd worden, sommigen in de gemeente spreken, en anderen toehoren.
Hertaald:
een lid,
Namelijk niet uit één lid alleen, maar uit veel verschillende leden. Zo bestaat ook het lichaam van de gemeente uit veel leden, die verschillende gaven en bedieningen hebben: sommigen regeren, anderen worden geregeerd; sommigen onderwijzen, anderen worden onderwezen; sommigen spreken in de gemeente en anderen luisteren.
van het lichaam niet;
Gr. uit het lichaam niet. Bij den voet en het oor vergelijkt de apostel hier dengen, die mindere gaven of bedieningen hebben in de gemeente, en bij de hand en het oog, die meerdere en treffelijker hebben; en vermaant daarmede de eersten, dat zij den anderen hun grote gaven en bedieningen niet moeten misgunnen, maar met hun staat en toestand tevreden zijn; Deut. 28:13 .
Hertaald:
van het lichaam niet;
Grieks: niet uit het lichaam. Met de voet en het oor vergelijkt de apostel hier hen die mindere gaven of bedieningen in de gemeente hebben, en met de hand en het oog hen die grotere en voortreffelijker gaven hebben. Daarmee vermaant hij de eersten dat zij de anderen hun grote gaven en bedieningen niet moeten misgunnen, maar tevreden moeten zijn met hun eigen staat en toestand; Deut. 28:13.
Ware het gehele lichaam
De apostel wijst hiermede aan, hoe nodig het is dat in de gemeente deze verscheidenheid der gaven en bedieningen is, tot welstand derzelve.
Hertaald:
Ware het gehele lichaam
Daarmee wijst de apostel erop hoe noodzakelijk het voor het welzijn van de gemeente is dat deze verscheidenheid van gaven en bedieningen er is.
in het lichaam,
Elk namelijk op zijne plaats, en elk tot zijn bijzonder gebruik en dienst voor het gehele lichaam; zo doet hij ook aangaande de leden der gemeente, die hij schikt elk tot zijn bijzonderen dienst, en daartoe elk zijne gaven mededeelt.
Hertaald:
in het lichaam,
Namelijk elk op zijn plaats, en elk tot zijn eigen gebruik en dienst voor het hele lichaam. Zo doet Hij ook met de leden van de gemeente, die Hij elk tot zijn eigen dienst plaatst en aan wie Hij daartoe elk zijn gaven meedeelt.
gelijk Hij gewild heeft
Zie tevoren vs.11.
Hertaald:
gelijk Hij gewild heeft
Zie hiervoor vers 11.
Waren zij allen maar
Dat is, hadden de leden der gemeente allen enerlei bediening en gaven.
Hertaald:
Waren zij allen maar
Dat is: wanneer de leden van de gemeente allen dezelfde bediening en gaven hadden.
waar zou het
Dat is, hoe zou de gemeente kunnen bestaan, en gesticht worden? Want een lid kan dat niet alleen doen.
Hertaald:
waar zou het
Dat is: hoe zou de gemeente dan kunnen bestaan en opgebouwd worden? Want één lid kan dat niet alleen doen.
vele leden,
Namelijk hebbende verscheidene beroepingen, gaven en werkingen.
Hertaald:
vele leden,
Namelijk leden met verschillende roepingen, gaven en werkingen.
doch maar een lichaam
Namelijk tot wier nut en stichting elk het zijne moet besteden en toebrengen.
Hertaald:
doch maar een lichaam
Namelijk het lichaam tot wiens nut en opbouw ieder het zijne moet besteden en bijdragen.
het oog kan niet
Dat is, degenen, die de treffelijkste beroepingen, gaven of bedieningen hebben, gelijk mede door het hoofd verstaan worden de voorstanders en regeerders der gemeente.
Hertaald:
het oog kan niet
Dat is: zij die de voortreffelijkste roepingen, gaven of bedieningen hebben — zoals met het hoofd ook de voorgangers en bestuurders van de gemeente bedoeld worden.
de hand
Ik heb Dat is, tot degenen, die ook wel treffelijke gaven of bedieningen hebben, maar zo uitnemend niet als het oog. Zie Deut. 28:13 .
Hertaald:
de hand
Dat is: tot hen die ook wel voortreffelijke gaven of bedieningen hebben, maar niet zo uitnemend als het oog. Zie Deut. 28:13.
die zijn nodig
Namelijk tot onderhouding en dienst des gehelen lichaams, want het oog kan niets krijgen of aangrijpen zonder de hand, en het hoofd niet wandelen zonder de voeten.
Hertaald:
die zijn nodig
Namelijk nodig voor het onderhoud en de dienst van het hele lichaam. Want het oog kan niets pakken of grijpen zonder de hand, en het hoofd kan niet lopen zonder de voeten.
ons dunken de minst
Gene ledematen, aan het lichaam van God geschapen, zijn in zichzelven onaanzienlijk; maar dat sommige daarvoor gehouden worden, dat geschiedt naar het dunken der mensen, volgens het gebruik dat zij in het lichaam hebben.
Hertaald:
ons dunken de minst
Geen enkel lid van het lichaam dat God geschapen heeft is op zichzelf onaanzienlijk. Dat sommige daarvoor gehouden worden, gebeurt naar het oordeel van de mensen, op grond van het gebruik dat zij in het lichaam hebben.
doen wij overvloediger
Gr. denzelven omzetten wij overvloediger eer; namelijk met dezelve te dekken en dezelve met eerbaarheid te noemen.
Hertaald:
doen wij overvloediger
Grieks: die omkleden wij met overvloediger eer; namelijk door ze te bedekken en ze met eerbare namen aan te duiden.
onsierlijke leden
Namelijk die mismaakt, verdraaid of verkort zijn, of enig ander gebrek hebben, of die om der eerbaarheid wille moeten gedekt worden.
Hertaald:
onsierlijke leden
Namelijk de leden die misvormd, verdraaid of verkort zijn, of enig ander gebrek hebben, of die om der eerbaarheid wil bedekt moeten worden.
overvloediger versiering
Alzo men dezelfde gebreken zoekt te dekken of met enig sieraad van kleding te verschonen. Zo behoort men ook te doen de eenvoudigen lidmaten der gemeente, die men daarom niet moet verachten, maar veel meer vereren en hunne gebreken dekken.
Hertaald:
overvloediger versiering
Namelijk aangezien men diezelfde gebreken probeert te bedekken of met enig sieraad van kleding te verbloemen. Zo behoort men ook te doen met de eenvoudige leden van de gemeente, die men daarom niet moet verachten, maar veel meer eren, terwijl men hun gebreken bedekt.
hebben het niet van node;
Namelijk om meer versierd te worden, zijnde sierlijk genoeg van zichzelven.
Hertaald:
hebben het niet van node;
Namelijk zij hebben het niet nodig om meer versierd te worden, aangezien zij op zichzelf sierlijk genoeg zijn.
samengevoegd
Gr. tezamen gemengd, of getemperd.
Hertaald:
samengevoegd
Grieks: samengemengd, of samengevoegd.
gevende overvloediger eer
Dat is, ons lerende en bevelende door de natuurlijke eerbaarheid zulke leden te eren.
Hertaald:
gevende overvloediger eer
Dat is: ons door de natuurlijke eerbaarheid lerend en bevelend zulke leden te eren.
aan hetgeen dezelve
Dat is, aan zulk een lid, dat deze eer van doen heeft. Hetwelk ons dan moet vermanen, dat wij hetzelve ook behoren te doen aan de onaanzienlijke lidmaten der gemeente.
Hertaald:
aan hetgeen dezelve
Dat is: aan zo'n lid dat deze eer nodig heeft. Dat moet ons er dan toe vermanen dat wij hetzelfde behoren te doen met de onaanzienlijke leden van de gemeente.
geen tweedracht
Gr. scheuring; namelijk die noodzakelijk zou ontstaan indien het ene lid het andere niet zou willen dienen naar behoren; en hetzelve zou noodzakelijk strekken tot ondergang des gehelen lichaams. Alzo ook in de gemeente.
Hertaald:
geen tweedracht
Grieks: scheuring; namelijk de scheuring die noodzakelijk zou ontstaan wanneer het ene lid het andere niet naar behoren zou willen dienen. Dat zou onvermijdelijk uitlopen op de ondergang van het hele lichaam. Zo is het ook in de gemeente.
gelijke zorg zouden dragen
Gr. dezelve.
Hertaald:
gelijke zorg zouden dragen
Grieks: dezelfde.
zo lijden al de
Dat is, tonen metterdaad, dat het hem mede aangaat, en alles toebrengen om het lijdende lid van het lijden te bevrijden. Zo moeten ook doen de leden der gemeente Hebr. 13:3 .
Hertaald:
zo lijden al de
Dat is: zij tonen metterdaad dat het hen ook aangaat, en dragen alles bij om het lijdende lid van zijn lijden te bevrijden. Zo moeten ook de leden van de gemeente doen; Hebr. 13:3.
gijlieden zijt het
De apostel past nu de voorgaande gelijkenis op de gemeente, die het geestelijk lichaam van Christus is, waarvan elk gelovige in het bijzonder een lidmaat is, die zich derhalve tegen zijne medelidmaten alzo behoort te gedragen, gelijk in de gelijkenis aangewezen is, dat de uiterlijke lidmaten eens lichaams tegen elkander doen.
Hertaald:
gijlieden zijt het
De apostel past nu de voorgaande vergelijking toe op de gemeente, die het geestelijke lichaam van Christus is en waarvan iedere gelovige in het bijzonder een lid is. Die behoort zich dus tegenover zijn medeleden zo te gedragen als in de vergelijking aangewezen is dat de uiterlijke leden van een lichaam tegenover elkaar doen.
in het bijzonder
Gr. uit een deel; dat is, elk gelovige is een bijzonder lid en deel van hetzelfde lichaam, hetwelk bestaat uit alle delen en lidmaten samengevoegd; zo moet dan elk deel in zijne orde aangezien en geacht worden, en alles toebrengen tot dienst en nut van het geheel.
Hertaald:
in het bijzonder
Grieks: uit een deel; dat is: iedere gelovige is een afzonderlijk lid en deel van hetzelfde lichaam, dat uit alle delen en leden samengevoegd bestaat. Zo moet dan ieder deel in zijn eigen orde beschouwd en geacht worden, en moet ieder alles bijdragen tot dienst en nut van het geheel.
in de gemeente gesteld,
Namelijk om in dezelve enige diensten te bedienen. Van welke bedieningen hij nu verder handelt, tot verklaring van vs.5.
Hertaald:
in de gemeente gesteld,
Namelijk gesteld om in de gemeente bepaalde diensten te bedienen. Over die bedieningen handelt hij nu verder, ter verklaring van vers 5.
ten eerste apostelen,
Van het woord apostelen, zie Luc. 6:13 . Dezen wordt de eerste en voornaamste plaats toegeschreven onder de kerkedienaars des Nieuwen Testaments, omdat zij van Christus zelf zonder middel van mensen geroepen waren, Gal. 1:1 , in het leren niet konden dwalen, door de gehele wereld gezonden werden om te prediken, en met bijzondere macht om wonderen te doen en de ongehoorzamen te straffen, voorzien waren.
Hertaald:
ten eerste apostelen,
Zie over het woord apostelen Luk. 6:13. Aan hen wordt de eerste en voornaamste plaats toegekend onder de kerkendienaars van het Nieuwe Testament, omdat zij door Christus Zelf geroepen waren zonder tussenkomst van mensen, Gal. 1:1, in hun onderwijs niet konden dwalen, door de hele wereld uitgezonden werden om te prediken, en voorzien waren van bijzondere macht om wonderen te doen en de ongehoorzamen te straffen.
ten tweede profeten,
Zie vs.10, en Rom. 12:7 ; Ef. 4:11 .
Hertaald:
ten tweede profeten,
Zie vers 10 en Rom. 12:7; Ef. 4:11.
leraars, daarna
Dat is, die gewoonlijk geroepen zijn om de Schrift tot stichting der gemeente uit te leggen, en de leer derzelve tegen de valse leraars voor te staan en te verdedigen. Zie Ef. 4:11 .
Hertaald:
leraars, daarna
Dat is: zij die gewoonlijk geroepen zijn om de Schrift uit te leggen tot opbouw van de gemeente en om haar leer tegenover de valse leraars voor te staan en te verdedigen. Zie Ef. 4:11.
krachten, daarna
Dat is, die begaafd zijn met de gave om door wonderen de leer te bevestigen, en met macht om de hardnekkigen wonderbaarlijk te straffen.
Hertaald:
krachten, daarna
Dat is: zij die begiftigd zijn met de gave om de leer door wonderen te bevestigen, en met de macht om de hardnekkigen op wonderbare wijze te straffen.
gaven der gezondmakingen,
Die zulke gave hebben om door wonderen ongeneeslijke en alle andere ziekten te genezen. Zie vs.9.
Hertaald:
gaven der gezondmakingen,
Zij die zo'n gave hebben om door wonderen ongeneeslijke en alle andere ziekten te genezen. Zie vers 9.
behulpsels,
Dat is, die de armen en kranken bezorgen en helpen.
Hertaald:
behulpsels,
Dat is: zij die de armen en zieken verzorgen en helpen.
regeringen,
Dat is, die gesteld zijn, om de gemeente in goed orde te houden en te bestieren, welke zijn de ouderlingen; Rom. 12:8 ; 1 Tim. 5:17 .
Hertaald:
regeringen,
Dat is: zij die aangesteld zijn om de gemeente in goede orde te houden en te besturen; dat zijn de ouderlingen; Rom. 12:8; 1 Tim. 5:17.
menigerlei talen
Gr. soorten van tongen. Zie vs.10.
Hertaald:
menigerlei talen
Grieks: soorten van tongen. Zie vers 10.
Zijn zij allen apostelen?
Dat is, dewijl dan de dienaars der kerk niet alle enerlei, noch evenwaardige bedieningen hebben, zo behoren degenen, die de hoogste hebben, niet te verachten degenen, die een mindere hebben; noch deze behoren de anderen zulks niet te misgunnen, en alzo onder elkander te twisten, maar hun dienst, elk in het zijne, te besteden tot stichting en vrede.
Hertaald:
Zijn zij allen apostelen?
Dat is: aangezien de dienaars van de kerk niet allen dezelfde of gelijkwaardige bedieningen hebben, behoren zij die de hoogste hebben hen die een mindere hebben niet te verachten; en dezen behoren de anderen dat niet te misgunnen en daarover onderling te twisten, maar ieder moet zijn dienst in het zijne besteden tot opbouw en vrede.
uitleggers?
Of, vertalers, namelijk van vreemde talen. Zie vs.10;
Hertaald:
uitleggers?
Of: vertalers, namelijk van vreemde talen. Zie vers 10.
31
Gr. de betere; dat is, hoewel de gaven verscheiden zijn, de ene treffelijker dan de andere, en dat elk met het zijne tevreden zijnde, hoe gering het ook is, hetzelve moet zien te besteden tot het meeste nut en stichting der gemeente, zo is het nochtans ook prijselijk, dat men daarna door behoorlijke middelen trachte, dat men de beste en treffelijkste moge bekomen.
Hertaald:
31
Grieks: de betere; dat is: hoewel de gaven verschillend zijn, de een voortreffelijker dan de ander, en hoewel ieder tevreden moet zijn met het zijne — hoe gering ook — en dat moet besteden tot het grootste nut en de opbouw van de gemeente, is het toch ook prijzenswaardig dat men daarna langs behoorlijke wegen probeert de beste en voortreffelijkste te verkrijgen.
een weg, die nog
Gr. een weg naar uitnemendheid; namelijk die hij in het volgende hoofdstuk 1Co 13 . aanwijst, welke is, dat wij alle twisting, hovaardigheid en verachting nalatende, uit en naar liefde al ons doen aanstellen.
Hertaald:
een weg, die nog
Grieks: een weg naar uitnemendheid; namelijk de weg die hij in het volgende hoofdstuk 13 aanwijst, die hierin bestaat dat wij alle twist, hoogmoed en verachting nalaten en al ons doen inrichten uit en naar de liefde.
de beste gaven;
Gr. de betere; dat is, hoewel de gaven verscheiden zijn, de ene treffelijker dan de andere, en dat elk met het zijne tevreden zijnde, hoe gering het ook is, hetzelve moet zien te besteden tot het meeste nut en stichting der gemeente, zo is het nochtans ook prijselijk, dat men daarna door behoorlijke middelen trachte, dat men de beste en treffelijkste moge bekomen. een weg, die nog Gr. een weg naar uitnemendheid; namelijk die hij in het volgende hoofdstuk 1 Cor. 13. aanwijst, welke is, dat wij alle twisting, hovaardigheid en verachting nalatende, uit en naar liefde al ons doen aanstellen.
Hertaald:
de beste gaven;
Grieks: de betere; dat is: hoewel de gaven verschillend zijn, de een voortreffelijker dan de ander, en hoewel ieder tevreden moet zijn met het zijne — hoe gering ook — en dat moet besteden tot het grootste nut en de opbouw van de gemeente, is het toch ook prijzenswaardig dat men daarna langs behoorlijke wegen probeert de beste en voortreffelijkste te verkrijgen. En bij de uitnemender weg: Grieks een weg naar uitnemendheid, namelijk de weg die hij in het volgende hoofdstuk 13 aanwijst, die hierin bestaat dat wij alle twist, hoogmoed en verachting nalaten en al ons doen inrichten uit en naar de liefde. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest" (1 Kor. 12:4): het woord der wijsheid, het woord der kennis, geloof, gaven van gezondmaking, werkingen van krachten, profetie, onderscheiding der geesten, menigerlei talen en de uitlegging daarvan (1 Kor. 12:8-10) — "deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil" (1 Kor. 12:11). Paulus verbindt dit onmiddellijk aan het beeld van het lichaam: "gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus" (1 Kor. 12:12), "gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder" (1 Kor. 12:27), met de eenheidsgrond: "wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen" (1 Kor. 12:13). Bijbelse betekenis: Geestelijke gaven zijn geen bezit om mee te pronken of om zichzelf boven anderen te verheffen, maar een uitdeling van de ene Geest, gegeven "tot hetgeen oorbaar is" (1 Kor. 12:7) — tot nut van het geheel. De verscheidenheid van gaven weerspiegelt zo de eenheid en onderlinge afhankelijkheid van het lichaam, en sluit zowel eenvormigheid als jaloezie tussen de leden uit. Typologie: Dit vult aan wat bij Rom. 12 al kort aan de orde kwam, waar dezelfde gedachte van het ene lichaam met vele leden en verscheidene gaven staat (reeds behandeld). Efeze voegt de bewaring van de eenheid als opdracht toe: "U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes. Een lichaam is het, en een Geest" (Ef. 4:3-4). 1 Kor. 12:4,7-13,27; Ef. 4:3-4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas En Ik zal Mijn Geest geven In het binnenste van u. Ezechlël 3b:27 Verder lezen: 1 Korinthe 12:1-13 Toen ik op een dag in gesprek was met iemand… En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node. Ja… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 12
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
De noodzaak van het werk van de Geest
Jouw plekje


1 Korinthe 12
1 Korinthe 12:1-2
Kruisverwijzingen1 Korinthe 14:37→1 Petrus 4:3→1 Thessalonicenzen 1:9→Psalmen 115:5→1 Korinthe 12:4→1 Korinthe 6:11→Habakuk 2:18→Efeze 2:11→— En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt. Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt.
Al waren de leden van de gemeente te Korinthe rijk bedeeld met geestelijke gaven, zij schenen niet te weten hoe zij die moesten gebruiken. Paulus wijst deze door gaven verwende Korinthiërs erop hoe onwetend zij waren aangaande de gaven die zij zelf bezaten. Zij wisten ze niet op de juiste wijze te gebruiken in de dienst van God. De apostel herinnert hen eraan dat zij nog maar kort tevoren heidenen waren, meegesleept door leugen en bijgeloof, en stomme afgoden dienend. Zij hadden dus niets om zich op te beroemen; en zien ook wij terug naar de kuil waaruit wij gegraven zijn, dan zullen ook wij weinig reden tot roemen vinden.
1 Korinthe 12:3
Kruisverwijzingen1 Johannes 4:2→Johannes 13:13→1 Korinthe 8:6→Romeinen 9:3→Johannes 15:26→2 Korinthe 3:5→1 Korinthe 16:22→Mattheüs 22:43→— Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
Ik veronderstel dat er in hun samenkomsten, waar ieder sprak die maar wilde, sommigen waren die zelfs godslastering spraken. Zij beweerden onder de leiding van de Geest van God te staan, en toch stonden zij op en noemden Jezus vervloekt. Waar geen regel of orde is, zal er spoedig iets zeer schadelijks gebeuren. Weet iemand werkelijk dat Jezus zijn Heere is, en verklaart hij die waarheid, dan mag u dat volkomen aanvaarden als in overeenstemming met de leer van de Geest van God.
1 Korinthe 12:4-7
Kruisverwijzingen1 Korinthe 12:28→Hebreeën 2:4→Romeinen 12:4→1 Korinthe 14:19→Efeze 4:4→1 Petrus 4:10→Kolossenzen 3:11→1 Korinthe 15:28→— En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.
De gave wordt gegeven opdat hij die haar ontvangt er zelf profijt van heeft, en ook opdat hij tot profijt mag zijn van hen die hem horen.
1 Korinthe 12:8-9
Kruisverwijzingen2 Korinthe 8:7→2 Korinthe 4:13→1 Korinthe 1:5→1 Korinthe 2:6→1 Korinthe 12:30→1 Korinthe 13:2→Efeze 1:17→1 Korinthe 1:30→— Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest; En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.
Hij is voorzichtig, een ervaren man, geschikt om de jongeren, de zwakken en de minder onderwezenen te leiden. Hij heeft een breed praktisch inzicht in Gods Woord; en al is hij misschien niet zo voorzichtig als de zojuist genoemde broeder, hij is toch een man van kennis. Paulus bedoelt hier waarschijnlijk een bijzondere soort geloof, misschien het geloof dat degene die het bezat in staat stelde wonderen te doen.
1 Korinthe 12:9-11
KruisverwijzingenMarkus 16:17→1 Johannes 4:1→1 Korinthe 14:39→2 Korinthe 4:13→Galaten 3:5→1 Korinthe 12:30→1 Korinthe 13:2→1 Korinthe 12:4→— En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest. En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen. Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.
Zo is hij in staat de bedriegers te ontmaskeren die zelfs in de naamchristelijke Kerk van Christus binnendringen. Zij kwamen toen al, en zij zullen tot het einde toe blijven komen. Welke gaven wij ook hebben, als gemeente of als individuen, zij komen alle van dezelfde Geest. Dit behoort de eenheid onder ons te bevorderen. Laten wij elke gave die wij hebben terugvoeren tot de hand die haar gaf en tot de Geest die haar werkte. Laten wij voelen dat wij zovele pijpleidingen zijn, verbonden met één bron. Al het goede dat wij doorgeven komt uit die ene bron; laten wij daarom alle eer en heerlijkheid ervan geven aan de Geest van God, van Wie het komt.
1 Korinthe 12:12-13
Kruisverwijzingen1 Korinthe 12:27→1 Korinthe 10:17→Johannes 7:37→Kolossenzen 3:11→Galaten 3:28→Kolossenzen 2:19→Kolossenzen 3:15→Efeze 4:12→— Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus. Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.
Wat een heilige eenheid bestaat er tussen al de kinderen van de Heere! Wij zijn niet slechts broeders, maar wij zijn één. Wij zijn niet door verwantschap verbonden, maar door werkelijke identiteit; wij zijn delen van hetzelfde lichaam. Wij zijn gebracht tot een geestelijk lidmaatschap van elkaar, even werkelijk en werkzaam als het lidmaatschap dat bestaat tussen de verschillende delen van het lichaam. Toch zijn wij niet allen gelijk, hoewel wij allen tot één lichaam behoren: sommigen zijn Joden, sommigen heidenen, sommigen dienstknechten, sommigen vrijen. En toch zijn wij in sommige dingen allen gelijk, want wij zijn allen door één Geest gedoopt. Bovendien zijn wij allen tot één Geest gedrenkt: wij hebben één geestelijke doop gehad, en één geestelijke drenking. Gaf God maar dat wij ons meer één voelden, dat onze harten meer met elkaar meeklopten. Gaf Hij maar dat wij meeleefden met elkaar in nood en lijden, dat wij een medegevoel hadden met allen die de Heere liefhebben, en te allen tijde konden wenen met wie wenen, evengoed als ons verblijden met wie zich verblijden.
1 Korinthe 12:14-15
Kruisverwijzingen1 Korinthe 12:19→1 Korinthe 12:12→Efeze 4:25→1 Korinthe 12:27→2 Koningen 14:9→Richteren 9:8→— Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden. Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?
Vergelijk uzelf niet met anderen, en zeg niet: ach, was ik zus of zo iemand, dan zou ik mijzelf een deel van Christus’ lichaam mogen achten. Nee, dat zou u niet, al was u precies als hij. Zoals er in het lichaam van een mens slechts bepaalde soorten leden zijn, zo zal het ook in het geestelijke lichaam zijn: niet meer dan een bepaald aantal gelijke leden. Bent u anders dan anderen, dan vervult u juist daardoor een ander ambt in het lichaam. Uit dat feit mag u eerder troost putten dan droefheid en moedeloosheid. Al zou u zeggen: “dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet”, bent u daarom niet van het lichaam? Nee! U bent nog altijd van het lichaam, ook al denkt u van niet.
1 Korinthe 12:16-17
KruisverwijzingenFilippenzen 2:3→1 Korinthe 12:22→Romeinen 12:10→Romeinen 12:3→1 Samuël 9:9→1 Korinthe 12:21→Spreuken 20:12→Psalmen 94:9→— En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam? Ware het gehele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het gehele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn?
Waren wij allen predikers, konden wij allen Gods waarheid doorzien en die in het openbaar naar voren brengen, waar zouden wij dan onze gemeenten vandaan halen? Er moeten verschillende leden zijn om verschillende ambten te vervullen. Waren wij zo één dat er geen enkel onderscheid meer was, waren wij allen van dezelfde rang, dezelfde leeftijd, dezelfde stand, dan zou het lichaam onvolledig zijn.
1 Korinthe 12:18-21
Kruisverwijzingen1 Korinthe 12:28→1 Korinthe 12:11→Romeinen 12:3→1 Korinthe 3:5→Lukas 12:32→Efeze 1:9→Jona 1:14→Lukas 10:21→— Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. Waren zij alle maar een lid, waar zou het lichaam zijn? Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar een lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.
Broeders, soms denkt u dat er sommigen tot de gemeente behoren die wij best zouden kunnen missen; maar er is niet één overbodig lid in het hele lichaam. Zijn zij werkelijk met Christus verenigd, dan hebben zij allen hun ambt, allen hun plaats. Er is geen arme oude vrouw, die al jaren niet meer naar het huis van het gebed kan komen, die niet van enig nut is voor de gemeente. Want zij ligt op haar bed, en daar bidt zij voor Gods volk. Er is geen lid van de gemeente zo gering, zo ongeletterd, zo onopgeleid, of hij of zij kan van wezenlijke dienst zijn voor het hele lichaam. Er is een klein deel, mijn broeder, dat u te vervullen hebt in de grote Kerk van Christus. U kunt misschien niet altijd zeggen wat dat is, maar er is toch een plaats die u moet innemen. Aan een rijtuig zit een luns; wie denkt daar veel aan, wie bedankt dat pinnetje? Het is zo klein en onbeduidend, wie zou denken dat het nodig is voor de voortbeweging? De wielen dragen het mee rond, maar wie zou vermoeden dat, werd het weggenomen, het wiel eraf zou vliegen? Misschien bent u als zo’n klein lunsje, dat het wiel op zijn plaats houdt. U weet misschien niet waartoe u dient, maar wellicht voorkomt u dat een ander uit de koers raakt. Laat ieder van ons op zijn plaats blijven, en trachten, met Gods hulp, de invloed uit te oefenen die Hij ons gegeven heeft.
1 Korinthe 12:22-24
KruisverwijzingenPrediker 9:14→Spreuken 14:28→Genesis 2:25→Genesis 3:11→Titus 2:9→2 Korinthe 1:11→Prediker 4:9→Prediker 5:9→— Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig. En die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam alzo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft;
Een ogenblik nadenken zal u leren dat de tederste delen van ons lichaam de meest noodzakelijke delen zijn. De leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, die bekleden wij overvloediger, en zo geven wij hun overvloediger eer; onze onsierlijke leden krijgen zo overvloediger sierlijkheid. Onze sierlijke delen hebben immers geen bekleding nodig, en laten wij die dus onbedekt. Hier ligt een les voor ons over de gemeenschap van de gemeente. Wij moeten altijd het meest letten op wie het minst opvallen, en het zachtst zijn voor wie de meeste tederheid nodig hebben. U weet dat er onder onze medeleden sommigen zijn die niet helemaal zijn zoals wij hen zouden willen. Wij geloven dat zij Gods kinderen zijn, maar zij zijn op de een of andere manier ‘dwars gesneden’; zij zijn eigenzinnig en op vele manieren zwak. Nu behoren wij, zo goed als wij kunnen, ons aan hen aan te passen. Hebt u ooit erge jicht gehad, dan weet u dat u het voelt als iemand te zwaar door de kamer loopt. Zegt u dan tegen uw vader, wanneer hij daardoor is neergeveld: “u kunt niet verwachten dat ik daar rekening mee houd”? Of zou u tegen wie dan ook zo wreed zijn te zeggen: “heeft hij een jichtige voet, dan kan ik het niet helpen, en trap ik er af en toe op”? Nee, zo grof bent u niet. Is er dan een lid van het lichaam dat teerder is dan de rest, vooral als die tederheid het gevolg is van ziekte? Laten wij dan trachten het te dienen zoveel wij maar kunnen. Laten wij “overvloediger eer” geven aan “hetgeen gebrek aan dezelve heeft.”
1 Korinthe 12:25
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:10→Johannes 17:21→2 Korinthe 13:11→2 Korinthe 8:16→1 Korinthe 3:3→2 Korinthe 7:12→— Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.
Wij hebben deze tekst weleens horen aanvoeren door mensen uit de staatskerk, als bewijs dat wij verkeerd doen door daarvan af te wijken. Zij zeggen dat er geen scheuring in het lichaam mag zijn. Wij antwoorden dat er, voor zover wij weten, geen scheuring is in hét lichaam. Wij behoren niet tot hun kerkgenootschap, en dus veroorzaken wij geen scheuring in dat lichaam; wij hebben er part noch deel aan. Verdelen zij zichzelf in verschillende richtingen, dan maken zíj een scheuring in hun eigen lichaam. Maar zolang wij, als leden van een gemeente, eensgezind samen optrekken, is er geen scheuring in het lichaam. Wij zijn geheel andere lichamen. Zij zeggen dat een scheurmaker is wie zich van een kerk afscheidt en er een breuk in maakt; dat is niet zo, een scheurmaker is wie een breuk erín maakt, niet ervan af. Wie tot een kerk behoort en het toch niet eens is met haar grondbeginselen, die is een scheurmaker; wij niet.
1 Korinthe 12:26
KruisverwijzingenRomeinen 12:15→Hebreeën 13:3→2 Korinthe 11:28→1 Petrus 3:8→Galaten 6:2→— En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.
Is dat waar van onze gemeenten? Ik vrees van niet. De leden van de ene Kerk van Christus zijn nog niet gebracht tot die eenheid van gevoel en medeleven die zij zouden behoren te hebben.
1 Korinthe 12:27-31
Kruisverwijzingen1 Korinthe 14:39→Hebreeën 13:24→Kolossenzen 1:24→Romeinen 12:5→Efeze 1:23→Efeze 4:12→Hebreeën 13:17→Efeze 4:11→— En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers? Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.
God heeft gewild dat er verschillende ambten in Zijn Kerk zouden zijn; laten wij elkaar zien als verschillend, en toch verenigd in het gemeenschappelijke geloof van Christus. Ik zou niet willen, broeder, dat u uw verlangen naar deze zegeningen zou onderdrukken. Ik verlang er juist vurig naar dat u ernstig zult begeren en trachten een ruim deel van al deze geestelijke gaven te bezitten — namelijk door de waarheid in liefde vast te houden, en in liefde met elkaar te wandelen. God geve ons dan genade, dat wij overvloedig mogen zijn in deze allervoortreffelijkste genade van een waarachtig christelijk leven. Die genade is oneindig meer wezenlijk dan de hoogste gaven of de merkwaardigste talenten die God ons zou kunnen schenken.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
c. Vers 1Kruisverwijzingen1 Korinthe 14:37→1 Korinthe 12:4→2 Korinthe 1:8→1 Korinthe 10:1→1 Thessalonicenzen 4:13→Efeze 4:11→1 Korinthe 14:1→2 Petrus 3:8→
— En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.
-Hoofdstuk 14:40
De apostel wil zich nu niet uitspreken over de “overige dingen”, zoals hij in Hoofdstuk 11: 34 heeft gezegd. Nu gaat hij over tot een ander punt, dat het leven van de Christelijke gemeente betreft. Hij acht dat belangrijk genoeg om daarover de gemeente niet in de onzekerheid te laten, die zij getoond had in haar daarop betrekkelijke vraag. Het betreft de geestelijke gaven of de onderscheiden krachten en openbaringen van het door de Heilige Geest opgewekte en bestuurde geloofsleven, zoals die in de apostolische kerk op wonderbare manier aanwezig waren, om haar heerlijkheid te openbaren en haar groei te bevorderen (“Ro 12: 8. Onder de bewegelijke Grieken, met name te Corinthiërs, openbaarden zich deze gaven van de Geest het krachtigst. Alle vormen en openbaringen daarvan schijnen hier te voorschijn te zijn getreden en in sterke opwekking zich te hebben geopenbaard. Omdat intussen zij, die deze heilige gaven bezaten, nog niet geheel geheiligd waren, omdat zelfs velen onder hen hun menselijke zwakheid van invloed lieten zijn op de geestelijke kracht, die hen vervulde, kon het zijn dat de aanwending van de gaven tot vele misbruiken aanleiding gaf. Zo was het in het bijzonder met de gave van de talen, van die in het oog vallende schitterende uiting de Corinthiërs haar waarde te hoog deed stellen. Paulus gaat bij zijn beschouwing uit van dit misbruik, dat hij zich had voorgenomen te bestraffen, terwijl zijn beschouwing, in drie hoofdstukken vervat, naar deze ook in drie hoofddelen is verdeeld.
a. Over de verschillende gaven van de Geest in het algemeen.
EPISTEL OP DE TIENDE ZONDAG NA TRINITATIS
Het epistel over de geestelijke gaven en de velerlei ambten en krachten, die ondanks hun menigvuldige werkingen van een en dezelfde Geest zijn, is een voortzetting van het vorige epistel-onderricht, maar toch een nieuw hoofdstuk. Nadat namelijk over de doop, het afsterven van de zonde, de dienst van de gerechtigheid en het door de getuigenis van de Heilige Geest gewaarborgde kindschap van God was gesproken en daarbij ook gewaarschuwd was tegen het vermetel roemen daarop, keert zich het epistel-onderricht tot de praktische werkingen van de Heilige Geest in de Christenheid en wel in de eerste plaats in een algemeen summarisch overzicht, zoals dit in dit epistel voor ons ligt.
“Daarom, dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend heeft” (Luk. 19: 44): dat zijn de woorden, waarmee de mond van de waarheid in het Evangelie van deze dag de grond en de oorzaak aangaf van al het onuitsprekelijk leed, dat over Jeruzalem zou komen en ook gekomen is. Jeruzalem erkende zijn bezoeking niet, daarom ging het op verschrikkelijke manier ten onder. Als nu Jeruzalems bestraffing ons ten voorbeelde en ter waarschuwing plaats had, zoals wij niet zullen kunnen ontkennen, dan is voor alles de vraag, wat dan bezoeking is en het antwoord op de vraag is duidelijk in het Evangelie. Jeruzalem was bezocht, aangezien, genade en ontferming was het als aangedragen door de tegenwoordigheid van de Heere, door Zijn gedurig bezoeken, door Zijn prediking en Zijn wonderen, die Hij voor al het volk deed. Onze bezoeking is anders: de Heere wandelt niet meer zichtbaar op de wereld, spreekt niet meer met eigen lippen, maar Hij heeft Zijn Heilige Geest en diens werkingen achtergelaten, evenals Elia zijn mantel; Zijn bezoeking is bij ons niet anders dan de betoning en de gave van Zijn Geest. Over deze bezoeking spreekt de epistel en plaatst dus naast de bezoeking van Jeruzalem, opmerkelijk de bezoeking van de wereld, zoals die sinds het eerste pinksterfeest aanwezig was.
Over de geestelijke gaven, die de Christen nodig heeft; wij zien 1) hoe ze gegeven worden door de Heilige Geest, om welke reden wij om dezen moeten bidden; 2) hoe zij zich kenmerken door de belijdenis van Jezus, waarom wij door leer en leven Jezus moeten verheerlijken; 3) hoe zij de gemeente van de Heere opbouwen, waarom wij onze broeders ootmoedig daarmee moeten dienen. Hoe moet een Christen de geestelijke gaven gebruiken, die hem zijn gegeven? 1) in ootmoed, want zij zijn Gods geschenk; 2) in liefde, want zij zijn ook voor de broeders bestemd; 3) in vertrouwen, want God kan ook het kleine groot maken.
Hoe leidt de apostel de Corinthiërs tot ootmoedige liefde? Daardoor, dat hij 1) aan de ellende herinnert, waarin zij allen waren; 2) op de Helper wijst, die hen allen gered heeft; 3) de genadegaven aantoont, die zij allen door één Geest tot één doel hebben ontvangen.
Over de uitdeling van de geestelijke gaven: wij letten 1) op het verheven doel; 2) op de grote menigvuldigheid; 3) op de juiste maat, die daarbij plaats vindt.
De juiste waardering van de geestelijke gaven: 1) Heeft u veel, laat het u niet verleiden; 2) heeft u weinig, mopper niet; 3) wat u heeft, gebruik dat!
Over de geestelijke gaven: 1) waar zij gevonden worden? 2) hoe zij zich openbaren?
En van de geestelijke gaven, die door de Heilige Geest worden gewerkt en welker werkzaamheid in het leven van de gemeente openbaar wordt, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. Hoewel ik veel, waarop u graag geantwoord zag, nog onbeantwoord laat (Hoofdstuk 11: 34), acht ik het toch nodig voor u te bespreken, hoe het ermee is en hoe met deze moet worden gehandeld (Hoofdstuk 10: 1. 1 Thessalonicenzen. 4: 13).
Dit hoofdstuk is aan het voorgaande zó verbonden, dat Paulus wel met de overige verordeningen zou wachten totdat hij bij hen was gekomen, maar over de geestelijke gaven zich dadelijk wil verklaren, om door zijn vermaningen dadelijk misbruiken te doen ophouden.
Hij wil de broeders niet verbergen wat hem gegeven was te weten. Hij zou geen trouwe zielzorger zijn geweest, als hij hen in onwetendheid had gelaten over het wezen, de waarde en het juiste gebruik van de geestelijke gaven, waarmee de drie-enige God Zijn huis opbouwt en versiert.
Dat deze behandeling van een casuele zaak in zulke bijzonderheden haar aanleiding had in vragen, voorkomend in de brief uit Corinthiërs (Hoofdstuk 7: 1; 8: 1) wordt met recht aangenomen.
Als de apostel met de woorden “ik wil niet dat u onwetend bent” het veelbetekenende van hetgeen hij nu gaat behandelen en met het belangrijke ervan tevens het duistere daarvan en het noodzakelijke van opheldering aankondigt, dan heeft hij daarbij niet de zaak en haar realiteit op zichzelf in het oog, want de lezers waren zich maar al te zeer bewust van de geestelijke gaven; maar hij wil hen leiden tot het bewustzijn van het wezen, de oorsprong, de waarde en het gebruik ervan. Hoezeer hij zich nu op deze klassieke plaats beijvert op opheldering en uiteenzetting van de leer van deze gaven, zoals nergens elders, toch blijft voor ons op dit gebied nog altijd veel in het duistere; en zeer diep is dit duistere, dat in het verschil van de tijden van de eerste Christelijke tijd en van de volgende tijden, die reeds ver verwijderd zijn van die, waarin de buitengewone invloeden van de geest zichtbaar waren, reeds gevoeld door de kerkvaders, die nog meer nabij waren aan de frisse oorsprong van het goddelijk leven van de Geest in het Christendom.
Dit gehele gebied is zeer duister. Die duisterheid heeft haar oorsprong in de onkunde en het gemis van zaken, welk veel toen plaats hadden, maar nu niet geschieden.
U weet, dat u vóór uw bekering tot Christus, zo velen als er van u bij hetgeen, waarvan wij nu spreken, in aanmerking komen, heiden was, volgens uw vroegere godsdienst tot de stomme afgoden (Habakuk. 2: 18 v. Ps. 115: 4 vv.) heengetrokken, naardat u geleid werd, blindelings de macht die u leidde volgend, waarvan u zich zeker geen rekenschap kon geven, maar meegesleept door krachten, die zeker van de duisternis waren.
Daarom, omdat u daaraan denkend over die bevreemdende Geestesopenbaringen in een verkeerde angst bent gekomen, maak ik u bekend a) dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt. En verder zeg ik in verband hiermee, degenen onder u, die alleen schitterende, bijzonder in het oog vallende werkingen van de Geest, voor zodanige willen erkennen en de overige niet tellen: niemand kan zeggen Jezus de b) Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. Ook daar moeten daarom werkingen van de Geest erkend worden, waar over Christus en voor Hem getuigenis wordt afgelegd (Joh. 15: 26 v.).
Mark. 9: 39. b) Joh. 13: 13. 1 Kor. 8: 6.
De apostel spreekt in deze grote afdeling van zijn brief wel niet uitsluitend over de gave van het spreken in talen (vgl. bij vs. 10); hij geeft over de rijke verscheidenheid van de geestesgaven, over de volheid van de charismata Ro 12: 8 in het algemeen opheldering. Uit Hoofdstuk 13: 1; 14: 1, 5, 12 vv. blijkt intussen, dat de Corinthiërs vóór alle dingen verklaring nodig hadden en begeerden over het spreken met talen. Die gave van de Geest was het, die in de gemeente te Corinthiërs op bijzondere manier op de voorgrond trad; zij domineerde onder de velerlei gaven en nu was de gehele gemeente hierover in het duistere, zelfs in strijd. Want terwijl het ene gedeelte deze gave van de talen hoog boven alle andere gaven verhief, zodat zij allen begeerden in talen te spreken, wilde het andere deel van dit charisma volstrekt niets weten. Dit deel verachtte het en wilde het in het godsdienstige volstrekt niet tot toepassing laten komen. Met de verachting van het spreken in talen, ging dan van de kant van de laatsten parallel een geringschatting van het profeteren bij de eersten, omdat men in deze gave de buitengewone uitwendige verschijningen, waarvan de eerste vergezeld was, miste. Van deze staat van zaken gaat de apostel bij zijn behandeling uit, zoals hij ook aan het slot daarvan (Hoofdstuk 14: 39) daarop weer terugkomt en de onderwijzing, door de Corinthiërs gevraagd, in een korte aanwijzing samenvat. Wat nu het spreken in talen aangaat, Paulus stelt het tot zijn latere bespreking uit de te grote waardering van deze gave van de Geest te bestrijden. Hij begint integendeel met de geringschatting daarvan en stelt zich gelijktijdig aan het slot van vs. 3 tegenover de geringschatting van het profeteren, waarvan hij later nog in het bijzonder de hoge waarde wil aanwijzen (Hoofdstuk 14: 1 vv.). Hij kan, zo geeft hij in vs. 2 te kennen, het zich wel verklaren, waarom zo velen in de gemeente te Corinthiërs ten opzichte van het spreken in talen zo grote bedenkingen hadden, ja zelfs daarover angst en schrik voelden en die in de godsdienst van de gemeente niet wilden dulden. In hun vorige heidense toestand waren zij, zoals zij zich nu wel daarvan bewust waren (Hoofdstuk 8: 4), alleen tot dode, stomme afgoden gegaan, alsof het werkelijke goden waren, wanneer zij tot de tempels en de daar opgerichte beelden kwamen. Een vreemde macht, een macht van de duisternis, zo heeft de apostel zelf in Hoofdstuk 10: 20 hun verklaard (vgl. Efeze. 2: 2) en zo hebben zij zelf toen wel gevoeld, al was het ook niet ten volle, dat zij tot die godsdienst waren geleid op een manier, waarbij zij nog ter nauwernood het gebruik van hun eigen verstand en van hun vrije wil meester waren. Kon nu niet in hen, die met talen spraken, terwijl bij hen openbaringen kwamen, die vaak aan de heidense mantiek (1 Kon. 18: 26 vv. “Nu 11: 25″en “1Sa 7: 2” en “1Sa 10: 10 deed denken een eveneens duistere macht bij de Christelijke godsdienst tegenover hen staan en haar kunsten zo beproeven, dat hun zielen van Christus werden afgeleid en weer tot de duivels gevoerd? Aan hen, die zo’n vrees koesterden en daarom het spreken met talen geheel uit de Christelijke godsdienst wilden verbannen hebben, maakt Paulus bekend dat niemand Jezus een vervloeking noemt, die door de Geest van God spreekt en hij betuigt hun daarmee dat ieder, die in de Geest van God spreekt, zoals het in de grondtekst luidt, die dus de Geest van God als levenselement in zich heeft en zich in Hem bij Zijn spreken beweegt, onmogelijk iets zou kunnen zeggen dat tot lastering van de naam van de Heere was, als was hij niet de Christus van God, maar een, die men moest vloeken, omdat God Hem vervloekt had, al was het ook, dat men niet verstond wat hij zei (Hoofdstuk 14: 16). Integendeel mocht men gerust veronderstellen dat hij met God sprak en bad en de grote daden van de verlossing door Jezus Christus tot onderwerp van zijn loven en danken maakte (Hoofdstuk 14: 2, 13 vv.) en dat dienvolgens de Geest ook in hem, die de gave van de menigerlei talen verleend werd, niet moest worden uitgedoofd (1 Thessalonicenzen. 5: 19). Verder zegt de apostel dat niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. Hier bestrijdt hij de geringschatting van de gave van de profetie (1 Thessalonicenzen. 5: 20). Ook de eenvoudigste belijdenis van Jezus als de Heere (Fil. 2: 11) is alleen mogelijk voor zo een, in wie de Heilige Geest woont en zo doet men onrecht als men een rede, die deze belijdenis in zich bevat en die de naam van Christus verheerlijkt, daarom beschouwt als buiten de Geest en als onbeduidend, omdat zij niet met grote woorden en onder buitengewone openbaringen van de Geest wordt voorgedragen. Deze uitlegging, zoals die in het bijzonder door v. Hofmann en Nebe wordt gegeven, wijkt af van de gewone. Deze behandelt de tekst van het derde vers zo, als werd in het eerste deel gezegd: die Jezus vervloekt, die spreekt niet door de Geest van God en in het tweede deel, die Jezus niet belijdt als de Heere, die spreekt ook niet door de Heilige Geest, terwijl omgekeerd gezegd wordt, die door de Geest van God spreekt, die vervloekt Jezus niet en alleen, die door de Heilige Geest spreekt, kan Jezus Heere heten, waarom het aanwezig zijn van het eerste ook altijd een teken van het aanwezig zijn van het laatste is. Het is echter duidelijk, dat het gezegde in de eerste helft van het vers gericht is tegen de beangstheid voor een spreken, dat de hoorder onverstaanbaar is en dat de Geest van God, die in de gemeente op wonderbare wijze werkt, teweeg brengt. De uitspraak in de tweede helft is gericht tegen de geringschatting van een spreken, dat van Christus en voor Christus getuigt, dat wel zonder iets in het oog vallend wonderbaars plaats heeft, maar dat desalniettemin toch door de Geest van God moet zijn teweeggebracht, zoals de inhoud duidelijk aanwijst.
Men noemde iemand een banvloek, anathema (het Hebr. cherém), die voor het algemene welzijn opgeofferd moest worden, door wiens dood de vloek van land en volk afgekeerd moest worden; in welke zin Paulus dit woord ook gebruikt, Rom. 9: 3 Er schijnen mensen in de Korintische gemeente geweest te zijn, die wel de dood van Jezus voor noodzakelijk hielden om de vloek van het mensdom af te wenden; maar die in Zijn opstanding en verheerlijking niet geloofden (Hoofdstuk 15) en aldus aan de blijvende betrekking van Jezus tot Zijn gemeente weinig waarde hechtten, zodat zij Hem enkel voor een anathema hielden. Neemt men deze verklaring aan, dan staat daar rechtstreeks tegenover, te zeggen dat Jezus de Heer was, de verheerlijkte, de Heer van Zijn gemeente, die de door Hem verlosten besturen en zaligen moest, waardoor deze spreekwijze in dit verband haar bepaalde en gepaste betekenis verkrijgt.
En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest.
Rom. 12: 6. 1 Petrus 4: 10.
En er is verscheidenheid van bedieningen, (Grieks diaconieën, “Ro 12: 8 en het is dezelfde Heere, die aan ieder het gebied aanwijst, waarop hij werkzaam moet zijn.
En er is verscheidenheid van de werkingen, van de betoningen van macht, maar het is dezelfde God, die alles, wat van zodanige uitingen van kracht voortkomt, in allen werkt.
De apostel verwerpt hier de gedachte dat de Heilige Geest, die het levensbeginsel is in alle gelovigen, Zich op dezelfde manier zou openbaren. Nee, deze Heilige Geest, die in het Oude Testament als een rijke Geest wordt beschreven (Jes. 11: 2), openbaart Zich ook naar buiten in een zeldzame rijkdom, in een rijke menigvuldigheid. Er is slechts één Geest, maar er zijn, zoals in de grondtekst staat, verdelingen van de charismata of genadegaven. Deze worden nooit aan één individu in alle volheid, als een ongedeeld geheel meegedeeld, maar de Heilige Geest, die over alle gelovigen Zich uitstort, deelt de ene dit, de andere dat charisma mee (vs. 11).
Hoewel alle genadegiften hetzelfde hoofdkarakter hebben, zo zijn er toch, evenals de stam van een boom in velerlei takken uitloopt, verdelingen, zodat in de ene Christen deze, in de anderen die buitengewone werkzaamheid is. De onderscheiden verdeling hindert echter geenszins het gemeenschappelijk principe waaruit al deze gaven voortkomen; het is een en dezelfde Geest, waardoor zij allen worden gegeven. Eveneens heeft een verdeling plaats van uitwendige ambten of bedieningen. De ene is de gave toegedeeld van zieken-, de anderen van arm-verzorging enz. ; maar het is één en dezelfde Heere, die ter bevordering van Zijn rijk aan ieder zijn bijzonder arbeidsveld aanwijst. Op gelijke manier bestaan er verdelingen van betoningen van krachten, maar het is een en dezelfde God, die de krachten verleent ter verkrijging van zodanige gevolgen. Met recht is deze plaats vanouds gebruikt ten bewijze voor de Triniteit.
Gaven, bedieningen en krachten zijn wel geen drie verschillende namen voor dezelfde zaak, maar ook niet van drieërlei zaken die elkaar uitsluiten, de gaven maken bekwaam tot de bedieningen en openbaren zich in krachtige werkingen. Alle drie zijn dus, hoewel te onderscheiden, toch in de grond één, zoals de Geest, die ze geeft, de Heere, die ermee gediend wordt en God, van wie de werking uitgaat, wel drie, maar niet drieërlei, d. i. : onderscheiden personen, maar één wezen zijn.
Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot hetgeen oorbaar is. Bij ieder, die gaven ontvangt, heeft de openbaring van de krachten, die in hen zijn, het welzijn van de gemeente, haar opbouwing ten doel (Hoofdstuk 14: 12).
Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, te spreken met woorden, waarin zich wijsheid openbaart en een ander het woord van de kennis, te spreken op een wijze, dat daardoor de kennis wordt bevorderd, door dezelfde Geest. De Heilige Geest is de bewerker van het spreken en geeft de regel aan, volgens welken het plaats heeft.
En een ander wordt gegeven het geloof, die vastheid van wil, die op enige zaak gericht is en ten gevolge heeft, dat hetgeen men begeert ook werkelijk gebeurt (Hoofdstuk 13: 2. MATTHEUS. 21: 21), door dezelfde Geest en een andere de gaven van de gezondmakingen door dezelfde Geest.
En een ander wordt gegeven de werkingen van de krachten en een ander profetie en een ander onderscheidingen van de geesten en een ander menigerlei talen en een ander het vermogen tot uitlegging van de talen.
Maar deze dingen alle a) werkt de een en dezelfde Geest, die niet alleen over het geheel van de gemeente, maar ook over elk van de leden, die tot haar behoort, gebied voert, b) delend van een ieder in het bijzonder, zoals Hij wil. Hij schenkt ieder die gave, die hij moet bezitten om het geheel te dienen.
Efeze. 4: 7. b) 1 Kor. 7: 7. 2 Kor. 10: 13.
Slechts in één persoon woonde de gehele volheid van de Godheid lichamelijk, slechts bij één kan geen sprake zijn van een gebroken lichtstraal, van een mate van de Heilige Geest. Die één is de Heere (Joh. 3: 34); maar onder de gelovigen wordt de ene dit, de anderen dat charisma toegedeeld. De Heilige Geest verlicht niet een enkele Christen met het ongedeelde licht van boven, maar op ieder afzonderlijk valt slechts één straal van dit stralen afwerpend licht en van die ene straal vaak slechts een gedeelte.
Zelfs de apostelen hadden niet eens de volle werkelijkheid meer, maar in hen reeds verdeelt zich Christus. Petrus is meer koning, Paulus meer profeet, Johannes meer priester. Nog verder breiden de apostolische gaven zich in de gemeente uit (Rom. 12: 4 vv.); maar de eenheid van deze onderscheiden gaven bestaat in het samenwerken tot het algemeen welzijn – wat iemand boven anderen heeft, dat heeft hij ook ten behoeve van anderen.
Evenals de Heilige Geest met al Zijn werken Jezus als de Heere wil verheerlijken, zo heeft ook de werking van de geestelijke gaven alleen de heiligmaking en verheerlijking van het lichaam, waarvan Christus het hoofd is, tot haar doel.
Wat de verdeling van de charismata betreft, heeft men ze veelal onderscheiden in bovennatuurlijke, in de strenge zin en in natuurlijke, dat echter minder juist is, omdat aan de ene kant allen op een natuurlijke basis rusten, zelfs de gave van de wonderen (namelijk op de heerschappij van de geest over het lichaam, van de wil over de stof), aan de andere kant allen bovennatuurlijk zijn en juist door het supranaturele, goddelijke element eerst tot charismata worden. Ook de verdeling in permanente, die tot de kerk in alle tijden behoren en in transitore, die alleen tot de apostolische periode beperkt zijn, kan niet streng worden doorgevoerd. Wij slaan daarom een psychologische verdeling voor volgens de verschillende krachten van de ziel, terwijl deze allen voor heiliging vatbaar zijn en die nodig hebben en de Heilige Geest ook inderdaad geen van deze onaangeroerd heeft gelaten, maar ze allen heeft gebruikt tot opbouw van de kerk. Daarmee correspondeert dan de verdeling volgens de verschillende takken van het kerkelijk leven, waarin de een of de andere kracht in deze bovennatuurlijke verheffing bijzonder werkzaam is. Daarnaar zouden wij drie klassen van charismata krijgen: 1) degenen, die vooral op het gevoel en de cultus. 2) degenen, die op de kennis en de theologie, 3) degenen, die op de wil en de kerkinrichting betrekking hebben. Tot de gave van het gevoel rekenen wij het spreken met talen, de uitlegging en de profetie, of de toespraak vol profetische geestdrift (vs. 10), tot de theoretische gaven of die van de kennis, de charismata van de wijsheid en van de kennis (vs. 8) van onderwijzing en onderscheiding van de geesten (vs. 28 v. Rom. 12: 7. 1 Joh. 4: 1, tot de praktische gaven of die van de wil, de charismata van de bedieningen (vs. 28. Rom. 12: 7), van de regering (vs. 28. Rom. 12: 8) en de wonderbare krachten van de genezing (vs. 9 v. Rom. 15: 19).
Op de plaats, die voor ons ligt, zijn de beide charismata (die van wijsheid en van kennis, vs. 8) van intellectuelen, de drie volgende (het geloof, de gave van de gezondmaking en van werkingen van krachten of wondergaven, vs. 9 vv.) van ethische aard. Zoals die twee hun bestaan te danken hebben aan een bekrachtigen van ons kenvermogen, zo deze aan een verhoging van onze wilskracht. De vier nog overige charismata, waarvan telkens twee bij elkaar behoren (de gave van de profetie en die van onderscheiding van de geesten, de gave van velerlei talen en die van uitlegging van de talen) zijn daarin verbonden en van de andere afgescheiden, dat bij deze noch het verstand, noch de wil, maar in de eerste plaats het gevoel tot werking is gebracht. Dat nu verder de charismata van wijsheid en kennis zeer nauw met elkaar verwant zijn, daarop wijzen reeds de uitdrukkingen van de apostel, die ze beide met de uitdrukking “het woord” verbindt. Maar hoe onderscheiden zij zich van elkaar, het woord van de wijsheid en dat van de kennis? Luther spreekt van dogmatiek en ethiek, van Christelijk geloof en Christelijk leven, als hij verklaart: “het woord van de wijsheid wordt de leer genoemd, zodat men God leert kennen en aanwijst wat Zijn wil, at Zijn raad en Zijn mening is. Hij omvat alle artikelen, wat men moet geloven en hoe men voor God rechtvaardig wordt. Het woord van de kennis is de leer, die spreekt van het uitwendig leven en het wezen van de Christenen, hoe men zich daarin jegens ieder moet houden. ” Terwijl van de nieuwere uitleggers nog vele bij deze onderscheiding blijven, is bij anderen de verhouding juist omgekeerd, zodat de kennis theoretisch, de wijsheid daarentegen praktisch zou zijn en inderdaad kunnen voor beide opvattingen plaatsen worden aangehaald, zodat men daarmee niet in het reine komt. Volgens Osiander is daarentegen de wijsheid de opvatting van de goddelijke waarheid en haar totaliteit, van het doel en raadsbesluit van God, van het verlossingsplan en genadewerk, daarom van de openbaring van God in Christus en haar samenhang, in haar goddelijk systeem en organisme; kennis is echter de kennis van het bijzondere, van hetgeen God gegeven heeft met inwendige toe-eigening en ervaring. De eerste zou dus meer de objectieve, extensieve, de grootse totale zijde of vorm van kennis zijn; de tweede, de subjectieve, intensieve, bijzondere. Op gelijke manier onderscheidt v. Hofmann de beide begrippen zo, dat wijsheid een eigenschap van het subject is; kennis daarentegen een verhouding tot een object en stelt nu de eerste voor als de eigenschap, die tot een juist oordeel in het algemeen bekwaam maakt, de andere als het doordringen van een voorwerp, dat in het bepaalde geval de werkzaamheid van het leren kennen eist en op zich bepaalt. Evenals daar de openbaring door het woord bestaat in de werkzaamheid van een geschiktheid van beoordelen, die het gebied van het geestelijk leven in het algemeen beheerst, zo hier in de werkzaamheid van het vermogen, om een bijzonder voorwerp, dat zich aan ons aanbiedt, op de juiste prijs te stellen. Volgens anderen is wijsheid meer het eigendom van hem, die een diepe blik op het geheel slaat; kennis daarentegen meer van hen, die over de bijzonderheden nadenken. Beide gaven hebben echter betrekking, omdat niet van deze zelf, maar van het woord van de wijsheid en het woord van de kennis sprake is, dus van het uiten van deze, op het leren in de gemeente, dat bij de een, die met de geest begaafd is, het karakter van wijsheid, bij de ander dat van kennis draagt, zoals te Corinthiërs Apollos gesproken had van de kennis naar dezelfde Geest, waardoor Paulus van de wijsheid gesproken had. De tweede rij begint met het geloof. Omdat hier gehandeld wordt over een bijzondere gave van de Geest naast de overige (vgl. Gal. 5: 22) is hier niet het zaligmakend geloof bedoeld, dat als de voorwaarde van alle gemeenschap met de Heere en zo ook van elke toedeling van de Geests wordt verondersteld, maar zo’n werking van de Geest, die tot een bepaald, krachtig aangrijpen van de belofte en van de toezegging van God en zo tot daden van het geloof en getuigenissen van het geloof bekwaam maakt, die de Kerk in het algemeen, of een gemeente in het bijzonder ten dienste zijn. Wij kunnen het noemen het geloof, dat wonderen werkt, dat bestaat in een toestand van het wilsvermogen, dat bij de Christen meer of minder kan worden gevonden, zonder dat daarnaar de waarde van zijn verhouding tot God, of de zekerheid van zijn zaligheid is af te meten (Matth. 7: 22 vv.). Er moet nu echter wel worden onderscheiden, of een Christen in een bijzonder gevoel door zijn roeping gedrongen is, zo’n geloof te bezitten of dat voor zich af te bidden (Luk. 17: 5 vv.), of dat dit hem op zo bijzondere manier eigen is, dat daaruit een bijzondere roeping zich ontwikkelt, om die in het leven van de gemeente te volbrengen. Op onze plaats heeft de apostel het laatste in het oog en dan noemt hij naast de Christen, die met geloof begaafd is, wiens begenadiging zich in bijzondere kracht en verhoring van het gebed openbaarde een ander, die de gave van de gezondmakingen en weer een ander, die de gave van werkingen van de krachten verleend is. Men zou kunnen menen, zo merkt v. Hofmann op, dat de eerste gave in de laatste zou zijn opgesloten en in deze als de meer algemene reeds mee vervat zou zijn. Maar terwijl bij hem, die met de gezondmaking begaafd is, zich deze altijd alleen tot het bepaalde voorkomende geval beperkt en het aanwezige kwaad die werking te voorschijn roept, die het tot wegneming nodig heeft, is bij hem, die de werkingen van de kracht bezit, het hem inwonend vermogen even menigvuldig als de aanleiding om die gave te tonen; hij is in staat wat hij wil te verwezenlijken, zonder aan enige uitwendige voorwaarde gebonden, of tot die bepaald te zijn. Zien wij op Paulus, die zelf de hier genoemde drie gaven van de Geest bezat, dan heeft hij die nooit in zijn bijzonder belang aangewend, maar zich steeds bij het gebruik door het doel van de verheerlijking van Christus en van de bevordering van Zijn rijk laten leiden (Hand. 13: 9 vv. ; 14: 8 vv; 16: 16 vv. ; 19: 11 vv. ; 20: 7 vv. ; 28: 3 vv. ; 8 vv.). Daarom heeft hij de doodzieke Epaphroditus, zijn helper en medearbeider, niet door de gave van de genezing gezond gemaakt, maar alleen de barmhartige goedheid van God over de zieke ingeroepen (Fil. 2: 25 vv. Jak. 5: 14 vv.), aan de zieken Timotheus een natuurlijk geneesmiddel aanbevolen (1 Tim. 5: 23), Trofimus ziek te Milete achtergelaten (2 Tim. 4: 20), maar te Athene, waar het heidendom meer in filosofische vorm optrad en waar zijn Epicurische en Stoïcijnse toehoorders de betoning van kracht zeker als goochelarijen bespot zouden hebben, in het geheel geen tekenen en wonderen gedaan (Hand. 17: 16 vv. ; vgl. Luk. 23: 8 vv.). – Op het gebied van het gevoelsleven hebben wij met de beide gaven van profetie en van menigerlei talen te doen. Zij zijn nauw aan elkaar verwant en treden daarom ook gewoonlijk in vereniging met elkaar op (Hand. 8: 17; 10: 46; 19: 6 Wordt het spreken in talen vooraan geplaatst, dan zullen wij goed doen, als wij daarop in de eerste plaats de aandacht vestigen en vervolgens het tweede daarvan onderscheiden. Het “in (met) talen spreken”, zoals het in de vroeger aangehaalde plaatsen uit de Handelingen genoemd wordt, is een verkorte uitdrukking voor de oorspronkelijke, volledige, met nieuwe (door de Heilige Geest ingegeven), of met andere (dan de gewone) tongen of talen spreken (Mark. 16: 17. Hand. 2: 4). Volgens de andere mening, die nog veel wordt vastgehouden, zou men op onze plaats, evenals in Hand. 2: 4 moeten denken aan een spreken van vreemde talen, dat niet op de natuurlijke weg geleerd zou zijn en waarmee de Heilige Geest eerst de apostelen op het pinksterfeest en later nog andere gelovigen tot snelle uitbreiding van het Evangelie heeft toegerust. Daartegen zijn echter onoverwinnelijke moeilijkheden. 1) De Griekse taal, die niet zonder besturing van de Voorzienigheid sinds de overwinningstocht van Alexander de Grote ook in de Voor-Aziatische landen de heersende schrijf- en spreektaal was geworden, was bijna overal in het Romeinse rijk verspreid, ten minste in de steden en was dienstbaar aan de verkondiging van het Evangelie. In deze taal schreven dan ook de Nieuw-Testamentische schrijvers allen hun werken en zelfs dan, als zij, zoals Jakobus, in Palestina en voor Christenen uit de Joden, of, zoals Paulus, aan de Romeinen of te Rome schreven. 2) Het is tegen de manier van handelen van de Heilige Geest Zijn getuigen van moeilijkheden te ontheffen, die met hun werk verbonden zijn, integendeel zijn deze middelen tot ontwikkeling en oefening van zelfverloochening, van geduld en volharding. Hij heeft dan ook de zendelingen, die zich tot de barbaarse volken wendden, waarbij het Evangelie in de eerste eeuw nog in het geheel geen vaste voet verkreeg, het moeilijk aanleren van vreemde talen, niet geheel bespaard, al heeft Hij dat ook verlicht. 3) Wij vinden sporen daarvan, dat de apostelen inderdaad niet alle talen verstonden; zo schijnen bijvoorbeeld Paulus en Barnabas onbekend met het Lykaonisch geweest te zijn, omdat daar zij het afgodisch voornemen van de bewoners van Lystra niet opmerkten uit hun spreken, maar eerst uit hun toebereidselen tot het offer (Hand. 14: 11 vv.) en wat Petrus aangaat een zeer oude overlevering noemt de evangelist Markus als zijn tolk, wat wellicht in het bijzonder op het Latijn betrekking heeft, dat deze evangelist machtig was. 4) Paulus plaatst in Hoofdstuk 14: 14 v. het spreken in een vreemde taal niet tegenover de moedertaal, maar als de taal van de Geest tegenover die van het verstand, tegenover die van het gewone leven, hetzij die de Hebreeuwse, of Griekse of Romeinse taal was. Was het een spreken in vreemde talen geweest, dan had hij het zeker niet vergeleken met de onduidelijke woorden van een fluit of citer (14: 7 vv.), noch voor iets verklaard, dat zonder de gave van de uitlegging voor alle toehoorders onverstaanbaar was, omdat in ene talrijke vergadering zich ten minste enigen moesten bevinden, die deze talen kenden. De onverstaanbaarheid had dus geen betrekking op de afwijking van het spreken in talen van de moedertaal, maar van alle talen, ook van buitenlandse, zelfs, terwijl de apostel het met de laatsten vergelijkt (Hoofdstuk 14: 10 v.), onderscheidt hij het tevens van die. Wij moeten dus zeggen, het spreken in talen was, zoals reeds de uitdrukking in Mark. 16: 17, “met nieuwe tongen spreken” daarop wijst, een spreken dat van alle toen gebruikelijke dialecten afweek een taal van de nieuwe Geest, die over de discipelen was uitgestort. Die nieuwe Geest brak door de beperkingen van de natuur heen, nam om zo te zeggen van de menselijke geest met geweld bezit en wijdde de menselijke tong tot een orgaan van het Evangelie, schiep zich een nieuwe taal, zoals ook in het algemeen het inwendige en uitwendige, ziel en lichaam, gedachte en vorm nauw met elkaar samenhangen. Wij moeten nu onderscheiden wat het eigenlijke wezen uitmaakt van het spreken met tongen als een gave van de apostolische kerk in het algemeen en de bijzonderen vorm, waarin zij bij haar eerste te voorschijn treden op het pinksterfeest zich vertoont. Wat de algemene aard daarvan aangaat is het een onwillekeurig pneumatisch spreken in een extatische toestand van de hoogst verhevene godsvrucht, waarbij de mens wel niet buiten zichzelf wordt geplaatst, maar in het hoogste gemoedsleven verheven is, daar, waar hij bepaald met het goddelijke wezen in vereniging is, waar het dagelijkse wereld- en zelfbewustzijn en dus ook de gewone manier van spreken op de achtergrond treedt, de spreker geheel door het Godsbewustzijn beheerst wordt en een orgaan wordt zonder eigen wil, een orgaan van de objectieve Geest van God, die hem vervult. Uit de woorden in Hand. 2: 4 “zij begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken”, blijkt dat bij het spreken met tongen (glossolalie) een inspiratie plaats had, die op inhoud en vorm, gedachte en stijl tevens betrekking had. De inhoud was de lof van de grote daden van Gods verlossende liefde, de vorm gebed, dankzegging en gezang. Wat de gedachte aangaat had het met de uitwendige zending niets in de eerste plaats te maken, het was geen prediking, geen verkondiging aan de buitenwereld, maar een inwendige cultusacte, een extatische dialoog van de ziel met God; en nu geschiedde dit wat de stijl aangaat in een bijzondere, onmiddellijk door de Geest geïnspireerde verheven, maar duistere, desultorische taal, die, naardat, het spreken een bidden of psalmzingen (Hoofdstuk 14: 15) was, wellicht ook, naar de moedertaal van de redenaar en de verschillende graden van zijn opgewektheid een grote onderscheidenheid toeliet, waarom de apostel in vs. 10 en 28 van “menigerlei talen” en in Hoofdstuk 13: 1 van een spreken met de talen van de mensen en van de engelen gewaagt. Het eerste doelt waarschijnlijk op een geheel nieuwe pneumatische spraak, die zich van alle gewone spraken onderscheidde in dezelfde graad, waarin de gemoedstoestand van hem; die met tongen sprak, verheven was boven het alledaagse bewustzijn en de verstandelijke reflectie. Door de Geest met kracht voortgesleept, de wereld en zichzelf vergetend en de onmiddellijke gemeenschap van de Godheid genietend, sprak de spreker met tongen de lof uit van de grote daden van de eeuwige liefde. Alleen voor hem, die zelf zich in die extase bevond, waren die hooggeestelijke, feestelijke, als uit de engelenwereld overklinkende tonen verstaanbaar; de oningewijden kwamen zij echter voor als de onduidelijke tonen van een muziekinstrument, of van een vreemde taal, of zelfs van een waanzinnige, vooral als velen zich op dezelfde tijd op zo’n manier met God onderhielden (Hoofdstuk 14: 23). Die glossolalie diende niet in de eerste plaats tot stichting van de gemeente, maar haar hoofddoel was de stichting van de spreker zelf; de inwendige verrukking, de ongewone verheffing van de geest, die zichzelf niet meer meester was in het goddelijk leven, drukte zich ook onwillekeurig uit in de aard en de manier van de mededeling, zodat in Hand. 2: 43 een deel van de vergaderde menigte met de apostelen spot en wat zij van hen zien, als gevolg van dronkenschap verklaart. Ook bij de apostelen op de pinksterdag is het spreken met tongen in de eerste plaats een spreken met God en niet met mensen een godsdienstige acte van de discipelen, de extatische uitdrukking van hun lofzegging en hun dankgebed en behoort dus tot het inwendige leven van de kerk. Het begon toch reeds voordat de menigte zich vergaderde en kon aldus op de toehoorders een vreemde verwondering, de indruk van een door God gewerkt wonder teweeg brengen en de wens opwekken om nadere opheldering te ontvangen, die hun dan ook niet door een nieuwe daad van glossolalie, maar door de duidelijke, in de taal van het dagelijkse leven vervatte prediking van Petrus ten deel werd. Terwijl nu in Hand. 8: 17; 10: 46 en 19: 6 8. 17 10. 46, evenals in de Paulinische gemeenten de extatische mededeling van hem, die met tongen sprak, zich zonder twijfel in het wezenlijke aansloot aan diens moedertaal, geschiedde het spreken met tongen door de apostelen op de pinksterdag zeker in de vreemde talen van de buitenlanders, die op het feest te Jeruzalem aanwezig waren. Dat wekte juist hun verwondering op, dat de ongeleerde Galileërs in talen spraken, die kennis men niet van hen kon verwachten; deze moest hun echter plotseling op wonderbare manier meegedeeld zijn. Dienvolgens vond bij het eerste te voorschijn treden van de gave van de talen en voor een uit alle oorden van de wereld samengestroomde menigte een verheffing daarvan in die zin plaats, dat de Heilige Geest de discipelen tijdelijk bekwaam maakte om in hun toestand van extatische geestdrift, in de verschillende toen juist vertegenwoordigde talen zich uit te drukken en daardoor een des te diepere indruk op het vatbare deel van de toehoorders te maken. Het is ook niet moeilijk de symbolische betekenis van deze gebeurtenis te vinden; zij moest aan de ene kant persoonlijk voor de apostelen een goddelijke verzekering en bevestiging zijn, dat zij tot getuigen van Christus in de hele wereld geroepen waren, aan de andere kant voor alle aanwezigen een duidelijk profetisch wijzen op de universaliteit van het Christendom, waarom ook Lukas onder de titel “al volk van degenen, die onder de hemel zijn” de namen van de volken in het bijzonder noemt. Zo staat het spreken met tongen op de geboortedag van de kerk, zoals deze dag zelf enig en zonder voorbeeld in de geschiedenis. Dadelijk bij haar eerste begin is het einde van haar ontwikkeling, dat niets anders is dan de eind-oplossing van de Babylonische spraakverwarring en de vereniging van de volken en talen door de Heilige Geest, profetisch geanticipeerd en voor afgebeeld. Later daarentegen is het spreken met tongen slechts een onwillekeurig, psalmachtig bidden of zingen in de toestand van pneumatische verrukking en diep indringen in de geheimen van het goddelijk leven, waarbij de menselijke geest zichzelf niet meer machtig, een meer of minder passief orgaan van de Heilige Geest is, als het ware het instrument, waarop deze Zijn bovenaardse melodieën speelt. Van een wonderbare mededeling en handhaving van talen van vreemde volken is daar geen spoor meer. Zou nu echter de gemeente van dit spreken met tongen enige winst hebben, dan moest of hij, die met tongen sprak, zelf de inhoud van zijn rede later, als hij uit die toestand van verrukking in die van bezadigdheid was teruggekeerd, ons de zondagstaal in die van de werkdagen vertalen of er moest, omdat er volgens Hoofdstuk 16: 28 ook sprekers met tongen waren, die de uitlegging niet machtig waren, een ander aanwezig zijn, die, zoals wij op onze plaats horen, het charisma bezat van uitlegging van de talen. Dit bestond daarin, dat hij, die dit bezat, de taal van de extase of van de Geest in de taal van het gewone bewustzijn overdroeg en voor de gehele gemeente verstaanbaar maakte. Is er nu zaak een uitlegger niet aanwezig, dan moet volgens de aanwijzing van de apostel de spreker met talen zich niet in het openbaar laten horen, maar zich in stilte met God onderhouden. Nauw verwant met de gave van de talen is, zoals reeds boven is opgemerkt, de gave van de profetie. Ook deze is een spreken door de Geest, in een toestand van verlichting en openbaring van boven; dit heeft echter niet plaats, zoals bij het spreken met tongen, in de eigenlijke extase, maar in helder zelfbewustzijn en evenzo is het niet een verkeren met God in geheimvolle, voor oningewijden onverstaan haar tonen, maar richt zich onmiddellijk tot de gemeente, haar opwekkende, vermanende en vertroostende, zonder dat deze een uitlegger nodig heeft om te verstaan wat gezegd wordt. Ja, niet alleen dienden de reden van opwekking en vertroosting door de profeten om de gelovigen te versterken, te verkwikken en opnieuw te verlevendigen (Hand. 4: 36), vooral konden vatbare Joden en heidenen, die de godsdienst van de Christenen soms bijwoonden, krachtig daardoor worden aangegrepen, bestraft en tot bekering gedrongen (Hoofdstuk 14: 24 vv.), zodat de gave van de profetie voor de uitbreiding van de kerk van grote betekenis was. In de Christelijke gemeente was zeker ook een profetie in engere zin, waardoor toekomstige zaken, die met het rijk van God direct of indirect samenhingen, voorspeld werden (Hand. 11: 28; 21: 4, 10 vv. Over deze bijzondere gave van voorspellen wordt hier niet gesproken; het zijn tegenwoordige zaken, waarop de profetie, door de apostel bedoeld, betrekking heeft, de raadsbesluiten van God, de diepten van de Heilige Schrift, de verborgen toestanden van het menselijk hart, de afgronden van de zonde te ontdekken, in bijzondere gevallen ook wel de keuze van God en de roeping tot een bepaald ambt of werk in Zijn rijk bekend te maken (Hand. 13: 2. 1 Tim. 1: 18; 4: 14 Zo staat de gave van de profetie aan de andere kant in nauw verband met de gave van de onderwijzing (vgl. bij vs. 28). Toch onderscheidt zij zich daardoor van deze, dat zij niet zozeer uitgaat van het stil ontwikkelend denken, als van het onmiddellijk aanschouwen en het diep bewogen gevoel en zich niet zozeer tot het verstand als tot het gevoel van de toehoorden keert en daarom op hen ook een wegslepende, sterke indruk uitoefent. De profeet is evenmin als de leraar een zuiver passief orgaan van de Geest. Hij heeft een zekere vrijheid in de uitoefening van zijn gave en daarom ook een bepaalde verantwoording voor haar gebruik (Hoofdstuk 14: 32). Evenals er nu niet alleen ware, door Gods Geest gedreven profeten waren, maar ook valse, die door menselijke of zelfs satanische geestvervoering gedreven werden, kon zelfs in de voordracht van een echte profeet de waarheid met deze of gene dwaling vermengd zijn. Als een heilzaam correctief tegen verkeerdheden en misbruiken staat, evenals de gave van de uitlegging tegenover het spreken met tongen, naast de profetie de gave van onderscheiding van de geesten. Deze onderscheiding van de geesten is een zaak van de gelovigen in het algemeen (1 Thessalonicenzen. 5: 21). In eerste vergadering van de gemeente is het nodig, dat ogenblikkelijk tegenstand wordt geboden als een geest, aan de waarheid vreemd, zich voor de Heilige Geest wil uitgeven, of dwaling door de waarheid heen vlechten wil; en dan is er zo’n gave nodig, die hem, die ze bezit, het onderscheid tussen de ene en de andere geest onmiddellijk doet voelen, zonder dat hij eerst op de weg van nadenken en overpeinzen zich een oordeel over het door de profeet gesprokene behoeft te vormen, dat, omdat het later verkregen wordt, meestal te laat zou komen. Als de apostel aan het einde van deze optelling van de velerlei gaven nog zegt: “deze dingen alle werkt dezelfde Geest” en daarmee terugkomt op een gedachte, waarvan hij reeds boven (vs. 4) was uitgegaan, dan wil hij aan de gemeente, waarin schoot zich alle deze gaven zo krachtig betoonden, de aanwijzing geven dat zij zich om deze niet moesten scheiden en verdelen, maar de eenheid en eensgezindheid, kon door deze zelfde gaven aan de hand gegeven, bewaren. En als hij daarop voortgaat: “delend aan een ieder in het bijzonder, zoals Hij wil” dan wil hij verhoeden, dat iemand zijn gave te hoog schattend, zich boven een ander verheft en iemand, gering achtend wat hem ten dele is geworden, een ander het hogere, dat hem verleend is, misgunt. Ieder moet ontvangen wat hem gegeven wordt en alle gaven afmeten naar de maatstaf, dat de ene gave zowel als de andere een gave van de genade en van de Geest is en zij allen dus met elkaar volkomen gelijk staan. De Heilige Geest heeft bij Zijn verdeling van de gaven een bepaald plan, een vaste wil. Hij handelt niet als duistere, blinde natuurkracht, maar als goddelijk vrije, zichzelf bewuste en wijs regelende persoonlijkheid. Alleen als wij ons aan de beschikkingen, die Hij maakt, met gewilligheid onderwerpen, onze gave erkennen en de bestemming van deze vervullen, zullen wij werkelijk iets volbrengen, dat tot eer van God en tot uitbreiding van Zijn rijk, als ook tot onze eigen vrede en onze welvaart zal dienen. Het verlaten daarentegen van de ons voorgeschreven weg en het zich indringen in de roeping van een ander brengt slechts verwarring aan voor het geheel en doet ons onze zegen en onze erfenis verliezen. Verder moeten wij opmerken hoe beslist in de uitspraak van dit vers zowel de Godheid als de persoonlijkheid van de Heilige Geest op de voorgrond treedt. De eerste, omdat Hij doet wat volgens vs. 6 werk van God is, de tweede, omdat Hij het doet krachtens een willen door raad en wijsheid bepaald.
En niet alleen behoren die gaven van de Geest bij elkaar volgens haar oorsprong, waarvan ik zo-even (vs. 11) sprak, a) maar ook volgens haar bedoeling en bestemming. Want zoals bij ieder van ons, wat het uitwendige aangaat, het lichaam een is en het toch vele leden heeft, zodat de eenheid de veelheid niet uitsluit en al de leden van dit ene lichaam, hoewel vele zijnde, maar één lichaam zijn, zodat weer de veelheid de eenheid niet in de weg staat, zo ook Christus, van wie wij als het lichaam, dat hier in aanmerking komt (Efeze 1: 23; 5: 29 v.), wij Christenen de leden zijn (Rom. 12: 4 v.).
Efeze. 4: 16.
Op dezelfde wijze als Paulus in Gal. 3: 16 het ene zaad van de belofte “Christus” heet en toch daarna (vs. 29) degenen, die Christus in de doop hebben aangedaan, in het zaad van Abraham insluit, noemt hij hier de Christenheid Christus, omdat in haar Christus Zijn zichtbare tegenwoordigheid heeft en Zijn aanzijn in haar werkzaam maakt door de genademiddelen en de genadegaven van Zijn Geest. Wat in het burgerlijke een “zedelijk lichaam” is, dat rechten als corporatie heeft, dat is op de bodem van de Geest de Kerk en haar naam, die alle leden insluit, is Christus. Zij is onderscheiden van Jezus Christus, de eengeboren Zoon van God, maar onafgescheiden van Hem heet zij zoals Hij naar Zijn ambt heet en zij is èn als ontvangster èn als bestuurster van Zijn goederen en gaven wat Hij is. Dit geheim is aan Paulus duidelijk geworden op de weg naar Damascus, toen hij de stem van de Heere hoorde: “Saul! Saul! wat vervolgt u Mij? ” en in het huis van Judas te Damascus, toen de Heere met hem sprak en handelde door de mond en de hand van Ananias (Hand. 9: 4, 17 vv.). Van die tijd af stond het voor hem vast als een rots, dat de ten hemel verhoogde Jezus leefde in Zijn kerk op aarde als de plaats van Zijn genadige tegenwoordigheid.
De leden tezamen met het hoofd zijn één Christus; het woord “Christus” staat er in de plaats van die allen, die de gemeente uitmaken (vgl. Efeze. 2: 20 v.).
Had de Apostel geschreven: “zo ook de gemeente van Christus”, dan zou de Kerk voorkomen als een op zichzelf staand lichaam, waartoe de Christenen elk in het bijzonder behoren. Hij wil echter niet dat zij daarvoor worden gehouden, maar de gelovigen moeten zichzelf voor leden van Christus houden, die door hun toebehoren aan Hem ertoe verenigd zijn om één lichaam, namelijk Zijn lichaam, uit te maken.
Want ook wij allen zijn door één Geest, die wij bij onze opname in het Christendom ontvingen, tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen (Gal. 3: 28. Kol. 3: 11); en wij zijn allen door het water van de doop (1 Petrus 3: 20 v.) tot één Geest (Efeze. 4: 4) gedrenkt, omdat bij die doop de Heilige Geest op ons werd uitgestort (Tit. 3: 6) en ons aan elkaar verbond tot een eenheid van begiftigden met de Geest en van begenadigden met Zijn zalving (1 Joh. 2: 20 vv.).
Het blijkt uit deze plaats hoe Paulus de eenheid van de Kerk beschouwt niet als iets, dat van buitenaf is aangebracht, maar als iets, dat van binnen uit zich heeft gevormd.
Ook in Efeze. 4: 6 stelt de Apostel de éne doop voor als een van de sterkste banden van vereniging voor de Kerk. Schoon plaatst hij op onze plaats de veelheid tegenover het geheel: “Wij allen” tussen de eenheid van de meegedeelde genade en van haar doel en werk, de vereniging tot één organisch geheel: “tot één lichaam” en drukt nu de tegenstelling in de veelheid zeer sterk door te specificeren die door volkszegen en verschil van stand uitwendig scherp gescheiden zijn “hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen”, maar alleen om wat door “hetzij, hetzij” gescheiden is, te laten voorkomen als een des te sterkere eenheid. De toepassing is zeer praktisch, overeenkomstig tijd en plaats, omdat deze tegenstellingen in de elementen van de gemeenten met zo’n sterke wrijving en afstoting van de hogere tegen de lager staanden, van de Joden tegen de heidenen, van de vrijen tegen de slaven op de voorgrond traden. Terwijl hij probeert de eenheid van de Geest, de gemeenschap van de gelovigen zo sterk mogelijk uit te drukken, laat hij nog de parallelzin volgen: “en wij zijn allen tot (volgens een andere lezing “met één Geest gedrenkt)”. Dit “gedrenkt” doet Chrysostomus denken aan het tweede Sacrament, dat zozeer als Sacrament van vereniging en liefde voorkomt en als zodanig ook in Hoofdstuk 10: 17 is opgevat. Het is echter natuurlijker het woord te verklaren als een figuurlijke uitdrukking, om de rijke mededeling van de Heilige Geest te kennen te geven (vgl. Joh. 7: 38 v. en Sir. 15: 3
Alleen de plechtigheid, waarmee het deelgenootschap aan de gemeente begint, dus de doop, kan in beide delen van het vers bedoeld zijn. Het is alleen de vraag, die reden er voor bestaat, dat de Apostel die met deze twee uitdrukkingen noemt. Duidelijk komt die plechtigheid de ene keer voor als een uitstorting van de Geest, die de mens als een bad overstroomt en hem in de gemeente inlijft (Efeze. 5: 26), de andere keer als een drenken met Hem, zodat Hij in de mens ingaat en Zijn inwendig opwekkende en bewegende werking uitoefent in al de openbaringen van de Geest, waarvan hier sprake is.
Dat echter, wat de individuele begiftiging of de bijzondere genadegave, die ieder ontvangen heeft, ons toch van elkaar onderscheiden, doet aan onze eenheid geen schade en heft die op generlei manier op; want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden, die in vereniging met elkaar het geheel uitmaken en daarom ook in hun verhouding tot het geheel overeenstemmen met de aan een ieder gegeven bestemming.
Als de voet ontevreden was, dat zij beneden aan het lichaam een plaats had ontvangen en in miskenning van haar bestemming, daarin uitgedrukt, zei: “Omdat ik mij niet boven aan het lichaam bevind en bijvoorbeeld de hand niet ben, dan ben ik van het lichaam niet”, is hij daarom, om die zelfverachting, die verdrietelijke mening, niet van het lichaam? Zou daarom de voet werkelijk niet meer tot het lichaam behoren?
En als het oor zich beklaagde slechts aan de kant van het hoofd geplaatst te zijn en niet tot het voorste deel van het aangezicht te behoren en daarom zei: “Omdat ik het oog niet ben, ben ik van het lichaam niet; ” is het daarom, om die zichzelf minachtende, uit verstoordheid voortkomenderede, niet van het lichaam? Zou het aangezicht het gehele hoofd zijn en alleen dat, wat zich daaraan bevindt, aanspraak hebben tot het geheel te behoren?
Was het gehele lichaam het oog, zoals in de grond zij verlangen, die daarvan afhankelijk schijnen te willen maken, of men tot het lichaam behoort, waar zou het gehoor zijn, dat toch niet minder noodzakelijk is dan het gezicht? En verder, als iemand het behoren tot het lichaam afhankelijk zou willen maken daarvan dat men oor was, was het gehele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn, die even onontbeerlijk is?
Maar nu heeft, zoals de zaak tegenover al die ongerijmdheden werkelijk is, God de leden gezet, een ieder van deze op de bepaalde, onveranderlijke plaats in het lichaam, zoals Hij gewild heeft. Zo moet ieder de hem aangewezen plaats en bestemming gewillig erkennen en mag hij geenszins tot ontevredenheid overslaan.
Waren zij alle, al die leden, uit welker samenvoeging volgens de regeling van God een lichaam bestaat, maar één enkel lid, waar zou het lichaam zijn, dat toch eigenlijk alleen daardoor lichaam is, dat het uit verschillende organen is samengesteld?
Maar nu, zoals Gods wijsheid het geregeld heeft, zijn er wel vele leden, maar slechts één lichaam. In de aaneenvoeging van de verschillende leden tot één geheel wordt de eenheid vertegenwoordigd, die de eigenschap vormt, die de zijne is.
In de woorden aan het eind van het twaalfde vers: “zo ook Christus” liggen in verband met de voorafgaande woorden, waarop zij betrekking hebben, twee waarheden, 1) dat het met Christus is evenals met het lichaam, dat ondanks de vele leden één is, waarbij volgens de woorden: “al de leden van dat ene lichaam, vele zijnde, zijn maar een lichaam”, de veelheid van de leden, de eenheid van het lichaam niet in de weg staat. Deze eerste waarheid heeft de apostel bewezen met hetgeen hij in vs. 13 zei: alle, hoe onderscheiden zij ook waren volgens hun godsdienstig-nationale en politiek-sociale positie, hebben toch, toen zij Christenen werden, die ene Geest ontvangen en zijn zo tot één lichaam aan elkaar verbonden. In die korte uitspraak lag echter ook nog een tweede waarheid, 2) dat het met Christus is als met het lichaam, dat zonder zijn eenheid te verliezen, toch in vele leden verdeeld is. Het “want” waarmee vs. 14, dat de nadere aanwijzing van die waarheid inleidt, begint, wijst terug op hetgeen aan het begin van vs. 12 staat “zoals het lichaam een is en vele leden heeft. ” Het neemt de gedachte, die daarin ligt, nu weer op in deze vorm “ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. ” Zo moet nu worden aangewezen, dat zij, die tot Christus behoren, evenals zij volgens de vroeger genoemde overstroming en vervulling, met een en dezelfde Geest, allen tezamen een eenheid vormen, ook door de menigvuldige gaven, die de Geest van God hun toedeelt een veelheid zijn, omdat zij in dat opzicht verschillen van elkaar en ieder iets anders zijn aan het lichaam van Christus. Hier hebben wij dan de volgende drie gedachten, die elk in een tweetal verzen worden uitgedrukt, a) vs. 15 en 16: geen lid moet, omdat het niet is, wat een ander is, verdrietig zijn, omdat zijn positie hem geringer voorkomt en met minachting van zijn bestemming, loochenen dat hij tot het lichaam behoort. Het tegenovergestelde is waar en geenszins is het, zoals men zich voorstelt, dat men bij de andere leden is achtergesteld. De apostel stelt zich daarmee tegenover diegenen in de gemeente, die ontevreden zijn met hun gave en de positie, die zij hebben ontvangen, alsof die in vergelijking met andere te laag en te gering zou zijn. b) In vs. 17 en 18 : er zou geen gehoor zijn, als het lichaam geheel oog was en geen reuk, als het geheel gehoor was. Zo is het dan ook niet, maar God heeft de gedachte van Zijn welbehagen over een op velerlei wijzen begaafd geheel op die manier verwezenlijkt, dat Hij het lichaam met een veelheid van leden vormde, waarvan elk tot vervulling van de hem gegeven bestemming de juiste plaats aan het lichaam heeft verkregen. Daarmee wijst de apostel op de dwaasheid van hen, die deze of gene geestesgave, die alleen als van grote betekenis werd geacht, mochten bezitten en aan God toeschreven, wat Hij iets deed, wat Zijn heerlijk welbehagen zou weerspreken. Hij moest de gemeente in plaats van tot een goed ingericht lichaam, tot een ongeordende klomp maken, wilde Hij de begeerte van dergelijke dwazen vervullen. Deze moeten integendeel hun eigen dwaze begeerte laten varen en zich naar de gedachte van God schikken, dan zullen zij ook erkennen, dat de positie en gave hun verleend, even belangrijk en even groot van waarde is als elke andere, waarnaar zij tot hiertoe hebben verlangd. c) Vs. 19 en 20 : Er zou geen lichaam zijn, als de leden alle een en hetzelfde lid waren; er zou dan slechts dit ene lid zijn. Zo is het ook niet; integendeel zijn de leden vele en ten gevolge van zodanige veelheid zijn zij onder elkaar onderscheiden, hoewel het lichaam, dat uit deze bestaat, een is en een geheel vormt. De apostel keert zich duidelijk tot de anderen, die ook wel, evenals die tevoren werden beantwoord, op één soort van gave uitsluitend waarde legden, maar nu, omdat zij wisten die te bezitten, allen die met hen onafscheidelijk verbonden waren, minachtten en door zo’n minachting er hen toe verleidden om hun eigen gave te miskennen, zo niet geheel weg te werpen. Zo was het in de gemeente te Corinthiërs, dat alle leden één lid wilden zijn, ten minste had dit plaats bij hen, die zich er aan schuldig maakten, dat zij het spreken met tongen te hoog stelden, of dat zij er op roemden, als zij deze gaven bezaten, of dat zij ontevreden waren, als zij niet deze, maar een andere gave bezaten.
En om het gebruikte beeld toe te passen naar die zijde, waar het voor hen, die in gave en plaats bevoorrecht zijn, van bijzondere betekenis is, het oog kan niet zeggen tot de hand: “Ik heb u niet nodig, of weer het hoofd kan niet zeggen tot de voeten: “Ik heb u niet nodig.”
In vs. 14-20 handelde de apostel bij de ontwikkeling van zijn beeld over hen, die ontevreden waren over de gaven van de Geest die hen toegedeeld was, die zij voor minder hielden en dan de gaven van anderen ook voor zich begeerden. In zoverre zo’n begeerte juist door de anderen, die zich op hun gave verhieven en de overdreven waardering van deze zelf eerst in zwang hadden gebracht, teweeggebracht of ten minste te gevoed was, hadden zij (vs. 19 en 20) eveneens reeds een bestraffing van hun verkeerdheid ontvangen, maar van vs. 21 wendt Paulus zich nu in het bijzonder tot hen en doet hen voelen hoe onverstandig het is om zich, zoals in hun gedrag is te zien, op de gaven te verheffen en op minder begaafden met minachting neer te zien. Het oog, zegt hij, mag niet denken dat het de hand en het hoofd mag niet menen, dat het de voet zou kunnen missen, omdat toch, wat niet nader uiteengezet hoeft te worden, het zien van een voorwerp zonder de mogelijkheid het te grijpen en het willen van een doel, zonder de mogelijkheid het te bereiken, nooit voldoende zou zijn.
Zij, die een helder inzicht hebben in goddelijke zaken, kunnen hen niet missen, die uitwendige bezigheden in de kerk verrichten; de regeerder kan niet missen, die voor anderen lasten en bezwaren ten behoeve van de kerk dragen.
En die ons dunken de minst eerlijke, de minst in ere zijnde leden Pr 19: 11 van het lichaam te zijn, zoals buik, lenden en benen enz., dezen doen wij overvloediger eer aan, omdat men ze op een manier bekleedt, dat zij even schoon zijn als de lichaamsdelen, die men ontbloot laat en onze onsierlijke leden, die wij niet mogen laten zien, hebben overvloediger versiering, omdat men ze niet slechts op dezelfde manier verbergt als de minst eerlijke, maar ook zich toelegt, aan deze bijzondere welvoeglijkheid te geven.
Maar onze sierlijke, zoals het hoofd met zijn delen en onze handen, hebben het niet nodig dat men ze bekleedt en zodanig versiert; maar God, die bij hetgeen wij op de hier besproken wijze doen, daartoe door Zijn regeling de drang in onze natuur heeft gelegd, heeft het lichaam zo samengevoegd, heeft de verschillende leden harmonisch tot een geheel verbonden, gevend overvloediger eer aan hetgeen gebrek daaraan heeft, aan de onaanzienlijke leden (1 Sam. 2: 8).
Door dit alles geeft Paulus te kennen dat de mindere gaven in de gemeenteniet worden veracht of verwaarloosd, naar dat die bijzondere opmerkzaamheid en zorgvuldigheid waardig geacht moeten worden, omdat die voor het geheel onontbeerlijk zijn en de eer van de gemeente daarvan evenzeer afhangt, als de eer van het lichaam afhangt van het versieren van de onaanzienlijke en het verbergen van de onwelvoegelijke delen.
De voorstelling van de apostel heeft duidelijk nauwe betrekking op de omstandigheden te Corinthiërs, waar men een valse menselijke voorstelling had van de waarde van de verschillende geestesgaven. Terwijl men de werkelijke gaven om hun onaanzienlijkheid verachtte, stelde men bijvoorbeeld de gave van de talen en haar uitwendige glans te hoog en toch had de Heere aan deze alleen daarom een bijzondere glans gegeven, omdat zij op zichzelf tot de mindere gaven te rekenen was (vgl. Hoofdstuk 14: 1 vv.)
De Heere heeft dit zo beschikt, opdat geen tweedracht in het lichaam zij, van die aard, als in vs. 21 voor een ogenblik werd aangenomen, zonder dat die ook in werkelijkheid zou kunnen voorkomen, maar opdat de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen en elk in het bijzonder dit zou op het oog hebben, dat de andere zich wel mochten bevinden, zoals bijvoorbeeld, als de hand iets verstorends of pijnverwekkends van het oog wegneemt.
En hoe volkomen is Gods doel bereikt in de wederkerige sympathie van de leden van het lichaam! Want hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mee; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, in het volkomen van het daaraan eigenaardige leven door bijzondere ontwikkeling gebracht wordt, zo verblijden zich al de leden mee (vgl. Rom. 12: 15).
Zoals het voor het hoofd onmogelijk is, zich niet te bekreunen om het lijden van de voeten, omdat in beide één leven is en zoals zijn welstand het gehele lichaam tot vreugde strekt, zo moet ook deze natuurlijke noodzakelijkheid, waaraan het lichaam gehoorzamen moet, ons op die hogere noodwendigheid wijzen, waaraan de verloste mens zich vrijwillig moet onderwerpen. (V.).
In de gemeente te Corinthiërs was verdeeldheid; de eendrachtige zorg, die alle leden van de kerk moet bezielen, dat zij alle met en door elkaar opgroeien in Christus, was verdrongen door partijzucht en om in bijzondere gaven erkend te worden, die de één boven de ander had. Paulus loochent noch het onderscheid van de geestelijke gaven noch de graden ervan, wat betreft de meerdere of mindere waarde; integendeel bevestigt hij beide door het geheim van het lichaam en de leden; maar de scheuring bestraft hij; die wil God niet hebben; zij is zonde. Opdat er geen scheuring zij in het lichaam van de kerk, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen, heeft God juist de gaven ter stichting ongelijk verdeeld, zowel onder de Christenen in het bijzonder, als onder de verschillende gemeenten en door die verdeling leidt Hij de verschillende delen van de kerk ertoe om elkaar te erkennen en zich te betonen als delen van één geheel, als leden van één lichaam.
a) En u bent, bedenk dat, als u alles, wat ik hier van het lichaam en zijn leden heb geschreven, gelezen en overdacht heeft, wat uw geheel aangaat, het lichaam van Christus en wat uw bijzondere gaven en uw staat aangaat, leden in het bijzonder. Als u dit bedenkt zult u daarvan ook de juiste toepassing op uzelf maken.
Rom. 12: 5. Efeze. 1: 23; 4: 12; 5: 23.
Voegen wij bij hetgeen de apostel in vs. 21-26 heeft uiteengezet wat aan deze uiteenzetting is voorafgegaan, het bewijzen dat allen evenzeer tot het geheel behoren, hoe onderscheiden ook de begaafdheid of de roeping van de bijzondere personen is, in tegenstelling met de ontevredenheid van hen, die zouden willen zijn wat anderen zijn en de voorstelling van de noodzakelijkheid van een menigvuldigheid van gaven tegenover de geneigdheid, om slechts begaafdheden te laten gelden, of in waarde te houden, zo zou geen dwaling op dit gebied van het menselijk leven kunnen voorkomen, die niet door de apostel met de ontwikkeling van zijn beeld was bestreden. De toepassing daarvan te maken is nu de zaak van de lezers, die hij dit woord van vs. 27 toeroept.
In elke Christelijke gemeente wordt het lichaam van Christus voorgesteld, evenals in elke tempel van God (Hoofdstuk 3: 16); maar niet elke gemeente is een afzonderlijk lichaam van Christus, alsof de gemeenten lichamen van Christus waren en dus deze verscheidene lichamen had, maar wat de kerk in het groot en het algemeen is, dat is ook de bijzondere gemeente voor haar deel. Is nu de gemeente als geheel het lichaam van Christus, zo zijn de bijzondere personen leden (vgl. Hoofdstuk 6: 15), maar dit niet zonder onderscheid, zodat ieder elk lid kan zijn, maar ieder voor zijn deel, naardat ieder in het gehele organisme van de gemeente zijn bijzondere plaats en werkkring heeft, die hem tot zijn deel is gegeven.
En wel mag u overtuigd zijn, dat ieder in het bijzonder niet alles hoeft te hebben en te zijn, maar er voor andere zaken weer anderen in de gemeenten zijn. Merk slechts op: God heeft er sommigen in de gemeenten, niet in een enkele gemeente, maar in de gehele kerk, gesteld, ten eerste apostelen, a) ten tweede profeten, ten derde leraars (vgl. Efeze. 4: 11), daarna krachten, daarna bezitters van de gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen en verder degenen die vele talen kennen (vgl. vs. 8-10 en Rom. 12: 7 v.).
Efez. 2: 20.
Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?
Hebben zij allen gaven van de gezondmakingen? Spreken zij allen met vele talen? Zijn zij allen uitleggers? Nee, niet allen hebben en zijn slechts één; maar ook niemand heeft alles tezamen; de gaven en ambten zijn onder de verschillenden verdeeld.
Paulus ontwikkelt in deze verzen verder wat hij aan het slot van het vorige vers (vs. 27) “leden in het bijzonder” had gezegd, en wel zo, dat hij eerst een zekere orde van rang omtrent hen, die met ambt, gave of krachten (vs. 4-6) begiftigd zijn, voorstelt en vervolgens door zijn vraag doet voelen, dat niet allen één zijn of één gave hebben. Zo verklaart hij zich nogmaals tegen de waardering van de een of andere gave, waarbij anderen worden uitgesloten.
De optelling in vs. 28 en vs. 29 v. is dezelfde, uitgezonderd dat in het laatste de behulpsels en regeringen ontbreken en dat in het eerste geen lid wordt genoemd overeenkomende met “uitleggers”. Dat zijn ongelijkheden, die te kennen geven dat het niet te doen is om een beperkt getal van zekere gaven of genadegiften van bijzondere aard, maar om alle zonder uitzondering, die naam zij ook mogen dragen.
Eerst telt Paulus hier drie hoofdbedieningen (evenals Efeziers 4: 11), de apostelen, de grondvesters en opperste leidslieden van de hele Christelijke gemeente (want deze en niet enkel de Corinthische is onder het lichaam te verstaan) met betrekking tot leer en wandel. Voorts in de gemeente eerst de profeten, die daarom vóór de leraren genoemd worden, omdat zij, ofschoon in andere opzichten minder belangrijk, toch Gods onmiddelbare bevelen aan de Christelijke gemeente ontvingen. Verder de leraren, die de gave van de kennis (vs. 8) bezaten. Onder de mindere ambten of bedieningen in de gemeenten staan nu weer de beide wonderdadige vooraan. De “wonderdoeners” waren onderscheiden van hen, die de gave bezaten om gezond te maken, waarschijnlijk daarom, omdat men onder de eersten verstond degenen, die buitengewone daden ook aan tegenstanders verrichtten tot grote verschrikking van gelovigen en ongelovigen, zoals Petrus, Hand. 5: 5, 10, 11 en Paulus, Hand. 13: 8 Daartoe zal ook wel te brengen zijn het uitdrijven van de duivels, zoals door Paulus, Hand. 16: 18 om gezond te maken daarentegen werkte in stilte op degenen, die zich met een gelovig hart overgaven, zoals de meeste zieken, die Christus en die Paulus genas, Hand. 19: 11 en 12. Vgl. Jak. 5: 14, 15 Voor “helpers”, “regeerders” staat (Grieks) “hulpen”, “leidingen”, de gave om helpers en regeerders te zijn. Het eerste had betrekking op de verpleging van armen en zieken en het laatste op het bestuur van de gemeente. In zoverre dit meer op de uiterlijke staat van de gemeente betrekking had, komt het hier na de andere gaven voor, waarbij de apostel tevens een te hoog door de Corinthiërs gewaardeerde gave enigszins wilde achteruitzetten. Ten aanzien van de ouderlingen verlangde de apostel dat zij niet alleen nogmaals, maar ten allen tijde de gave van de leer mochten bezitten (1 Tim. 5: 17. 1 Kor. 3: 2. In die laatste plaats noemt de apostel de gave van de talen, waarop men in Corinthiërs een overdreven prijs stelde en die door de apostel daarom geringer werd geacht, omdat zij meer enkelen in het bijzonder bevoordeelde en een teken was voor ongelovigen, maar niet zozeer tot opbouw van de gemeente diende (Hoofdstuk 14: 1, 12, 19 enz. (V.).
Ook Hoofdstuk 14 wijst aan dat de apostel de gave van de profetie zeer hoog stelt, ten eerste wel alleen in verhouding tot het spreken met talen; maar de toestand van de apostolische kerk was van die aard, dat de profetie toen ook op zichzelf beschouwd van de grootste betekenis moest zijn; het was de gave van opwekking, waarvan de uitbreiding van de jeugdige kerk afhing. De leraars waren meer voor de kerk, die toenam in geloof en in kennis; haar toestand werd daarom pas echt veelbetekenend toen de kerk als geheel bevestigd was en haar inwendige ontwikkeling in wetenschap en leven begon.
Volgens de heersende mening komt de gave van onderwijzen overeen met het in vs. 8 1Co vermelde woord van de kennis, zodat woord van wijsheid en woord van de kennis slechts twee bijzondere takken van de gave van de leraars zouden zijn. Deze sluit weliswaar altijd de gave van kennis in zich, maar niet omgekeerd; integendeel kan men zich denken, dat iemand een zeer hoge graad van geestelijke kennis en toch zeer weinig talent van mededelen en voorstellen bezit. Het eigenaardige van de leraarsgave bestaat dus in de geschiktheid om de schatten van het woord van God en van de Christelijke ervaring in duidelijke samenhangende voordracht tot lering en opbouwing van de gemeente uit te leggen en te ontwikkelen. Terwijl de profetische toespraak in de gloed van de geestverrukking uit het gevoel tot het gevoel spreekt en hoofdzakelijk opwekking en opnieuw levend maken bedoelt, zo keert zich het woord van de onderwijzing meer in de vorm van uiteenzetting tot het verstand en dient tot bevordering en tot opbouwing van de reeds gestichte gemeente. De gave van inwendig hulpbetoon en verzorging (behulpsels) bevat zeker wel de verschillende werkzaamheden van het ambt van de diakenen in zich, dus in de eerste plaats de armen- en ziekenverpleging, het stille en eenvoudige, maar daarom met minder noodzakelijke en eerwaardige werken van de zelfverloochenende liefde, die of have en goed, of wat meer is, alle tijd en kracht aan de dienst door behoeftigen en de gemeente wijdt. De gave van regering en zielenzorg hebben alle opzieners en herders van de gemeente nodig, of om ze met hun gewone ambtstitel te noemen, de presbyters (oudsten) of bisschoppen (oversten), wier werk het is om de kudde, hen door de Heilige Geest toevertrouwd, te weiden; in de hoogste mate echter de apostelen, die niet alleen een enkele gemeente maar de gehele Kerk hadden te leiden; want hoe uitgebreider en ingewikkelder de werkkring was, des te meer was ook de gave van regeling en besturing vereiste.
Maar als u, behalve de gaven, die u reeds bezit, nog andere wenst, ijver naar de beste gaven 1), die voor het welzijn van de gemeente de meeste waarde hebben en de nodigste zijn en zoekt niet zozeer naar die, die daarvoor weinig nuttig zijn. En ik wijs u in het hoofdstuk, dat nu volgt, een weg, die nog uitnemender is 2), die meer dan alle zaken uitnemend mag worden genoemd en moet worden bewandeld. Bewandel die, dan zult u mensen zijn, voor wie de gaven van de Geest nuttig zijn, terwijl zij u anders eigenlijk slechts schadelijk zouden wezen (Hoofdstuk 13: 1-3).
Met hetgeen in vs. 11 gezegd is: “de Heilige Geest deelt aan een ieder in het bijzonder, zoals Hij wil”, strijdt niet het “ijveren” hier, omdat de wil van de mededelende Geest geen willekeur is, maar zich ook bepaalt naar de vatbaarheid en de geestelijke richting van het individu. Het ijverig streven naar de beste gaven bestaat dus negatief daarin, dat men zodanige charismata, die minder algemene noodzakelijkheid en waarde voor de gemeente hebben, als bijvoorbeeld de glossolalie, die velen probeerden te verkrijgen om ermee te pronken, zich ook minder ten doel stelt om die te verkrijgen. Positief bestaat het daarin, dat men daarentegen die betere gaven het voorwerp laat zijn van zijn ernstig begeren en het doel waarnaar men met ernstige inspanning streeft, zodat men de bepaalde ontvangbaarheid probeert te verkrijgen, die ervoor nodig is om het orgaan te zijn van die werkzaamheid van de Geest en zo door de vrije wil van de Geest de betere gave deelachtig te worden.
Vroeger drong de apostel er op aan, dat ieder tevreden zou zijn met die plaats, die hij in de gemeente innam. Hij wil echter niet, dat dit zou worden verstaan, alsof de lezers slechts moesten blijven, wat zij nu eenmaal waren, hij roept ze zelfs op om te streven naar gaven, die zij nog niet bezitten, waarbij nu volgens vs. 7 en 11 vanzelf spreekt, dat men naar hetgeen God door de Heilige Geest schenkt niet anders ijveren kan, dan doordat men het afbidt.
De Heilige Geest begiftigt de mens niet als een dode zak, maar als een, die de mond opendoet en drinkt. Die bidt, die ontvangt, die zoekt, die vindt, dat is in het bijzonder waar omtrent hen, die de geestelijke gaven ontvangen.
Voordat de apostel de gedachte, zo-even uitgesproken, dat men onder de gaven van de Geest vooral naar die moet ijveren, die tot opbouwing van de gemeente dienen, in Hoofdstuk 14 verder uitwerkt, richt hij eerst het oog op de liefde, die alle gaven bezielen en besturen moet en zonder welke zij niets zijn. (V.).
De sterke uitdrukking, die gekozen is: “een weg, die nog uitnemender is”, die superlatieve of als de sterkste positieve uitdrukking van de onvergelijkelijke waarde moet worden opgevat, kondigt reeds aan dat het gemoed zich gaat verheffen tot de hoog verheven sfeer van de liefde, en de grote en ware hyperbool, waarin hij haar heerlijkheid prijst.
Evenals in het lichamelijk organisme de algemene levenskracht alle leden samenbindt en samen laat werken, zo is de liefde, die God naar Zijn wezen zelf is (1 Joh. 4: 16), de macht, die aan het lichaam van Christus leven en eenheid geeft, ja het principe van de eeuwigheid in haar openbaring in de tijd. Naar haar te jagen is daarom nog belangrijker dan gaven te zoeken. Zonder haar zijn alle gaven slechts schijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel