Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En ikG1473 wilG2309 nietG3756, broedersG80, dat gijG4771 onwetendeG50 zijt, dat onze vadersG3962 allenG3956 onderG5259 de wolkG3507 warenG1510, en allenG3956 door de zeeG2281 doorgegaanG1330 zijn;
En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
KJV
Moreover,3
brethren,6
I would2
not1
that ye
should be ignorant,5
how that7
all11
our
fathers9
were
under12
the cloud,14
and16
all17
passed21
through18
the sea;20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En allenG3956 in MozesG3475 gedooptG907 zijn in de wolkG3507 enG2532 in de zeeG2281;
En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
KJV
And1
were6
➔ all2
baptized
unto3
Moses5
in7
the cloud9
and10
in11
the sea;13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 allenG3956 dezelfde geestelijkeG4152 spijsG1033 gegetenG5315 hebben;
En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
KJV
And1
did7
➔ all2
eat
the same4
spiritual6
meat;5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En allenG3956 denzelfdenG846 geestelijkenG4152 drankG4188 gedronkenG4095 hebben; wantG1063 zij dronkenG4095 uitG1537 de geestelijkeG4152 steenrotsG4073, die volgdeG190; en de steenrotsG4073 wasG1510 ChristusG5547.
En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
KJV
And1
did7
➔ all2
drink8
the same4
spiritual6
drink:5
for9
they drank
of10
that spiritual11
Rock13
that followed them:12
and15
that Rock16
was
Christ.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
MaarG235 in het meerderG4119 deel van hen heeft GodG2316 geenG3756 welgevallenG2106 gehad; wantG1063 zij zijn inG1722 de woestijnG2048 ter nedergeslagenG2693.
Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
KJV
But1
with3
many
of them6
God9
was7
➔ not2
well pleased:
for11
they were overthrown10
in12
the wilderness.14
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG1161 dezeG3778 dingen zijn geschiedG1096 ons totG1519 voorbeeldenG5179, opdat wij geenG3361 lust tot het kwaadG2556 zouden hebben, gelijkerwijsG2531 als zij lust gehad hebben.
En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
Ook in dit vers
lustG1937
lustG1938
KJV
Now2
these things
were5
our
examples,3
to the intent6
we
should
not8
lust after evil12
things,11
as13
they also14
lusted.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En wordtG1096 geen afgodendienaarsG1496, gelijkerwijsG2531 als sommigenG5100 van henG846, gelijkG5613 geschrevenG1125 staat: Het volkG2992 zat nederG2523 om te etenG5315, enG2532 om te drinkenG4095, enG2532 zij stondenG450 op om te spelenG3815.
En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
KJV
Neither1
be ye3
idolaters,2
as4
were some5
of them;6
as7
it is written,8
The people11
sat down9
to eat12
and13
drink,14
and15
rose up16
to play.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En laat ons niet hoererenG4203, gelijk sommigenG5100 van henG846 gehoereerdG4203 hebben, enG2532 er vielenG4098 opG1722 eenG1520 dagG2250 drieG5140 en twintigG1501 duizendG5505.
En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.
KJV
Neither1
let us commit fornication,2
as3
some4
of them5
committed,6
and7
fell8
in9
one
day11
three
and twenty12
thousand.14
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En laat ons ChristusG5547 niet verzoekenG1598, gelijk ookG2532 sommigenG5100 van henG846 verzochtG3985 hebben, enG2532 werden vanG5259 de slagen vernieldG622.
En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.
Ook in dit vers
slangenG3789
KJV
Neither1
let us tempt2
Christ,4
as5
some7
of them8
also6
tempted,9
and10
were destroyed14
of11
serpents.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En murmureertG1111 niet, gelijk ookG2532 sommigenG5100 van henG846 gemurmureerdG1111 hebben, enG2532 werden vernieldG622 vanG5259 den verderverG3644.
En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
KJV
Neither1
murmur ye,2
as3
some5
of them6
also4
murmured,7
and8
were destroyed9
of10
the destroyer.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG1161 dezeG3778 dingen alleG3956 zijn hunlieden overkomenG4819 totG4314 voorbeeldenG5179; enG1161 zijn beschrevenG1125 tot waarschuwingG3559 van ons, opG1519 dewelke de eindenG5056 der eeuwenG165 gekomen zijn.
En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
KJV
Now2
all3
these things
happened5
unto them6
for ensamples:4
and8
they are written7
for9
our
admonition,10
upon12
whom13
the ends15
of the world17
are come.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zo dan, die meentG1380 te staanG2476, zieG991 toe, dat hij nietG3361 valleG4098.
Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
KJV
Wherefore1
let5
➔ him that thinketh3
he standeth4
take heed
lest6
he fall.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ulieden heeft geen verzoekingG3986 bevangenG2983 danG1161 menselijkeG442; doch GodG2316 is getrouwG4103, DieG3739 u niet zal latenG1439 verzochtG3985 worden boven hetgeenG3739 gij vermoogtG1410; maar Hij zal met de verzoekingG3986 ookG2532 de uitkomstG1545 geven, opdat gijG4771 ze kuntG1410 verdragenG5297.
Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.
KJV
There hath4
➔ no3
temptation1
taken
you
but
such as is common to man:7
but9
God11
is faithful,8
who12
will14
➔ not13
suffer
you
to be tempted16
above17
that18
ye are able;19
but20
will21
➔ with22
the temptation24
also25
make
a way to escape,27
that ye
may be able29
to bear31
it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Daarom, mijn geliefdenG27, vliedtG5343 vanG575 den afgodendienstG1495.
Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.
KJV
Wherefore,1
my
dearly beloved,2
flee4
from5
idolatry.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
AlsG5613 tot verstandigenG5429 spreekG3004 ik; oordeeltG2919 gijG4771, hetgeenG3739 ik zegG5346.
Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.
KJV
I speak3
as1
to wise men;2
judge4
ye
what6
I say.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De drinkbekerG4221 der dankzeggingG2129, dienG3739 wij dankzeggende zegenenG2127, is die niet een gemeenschapG2842 des bloedsG129 van ChristusG5547? Het broodG740, datG3739 wij brekenG2806, is dat niet een gemeenschapG2842 des lichaamsG4983 van ChristusG5547?
De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?
KJV
The cup2
of blessing4
which5
we bless,6
is it
not7
the communion8
of the blood10
of Christ?12
The bread15
which16
we break,17
is it
not18
the communion19
of the body21
of Christ?23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Want eenG1520 broodG740 is het, zo zijn wij velenG4183 eenG1520 lichaamG4983, dewijlG3754 wij allenG3956 eens broodsG740 deelachtigG3348 zijn.
Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
For1
we
➔ being many7
are
one2
bread,3
and one4
body:5
for10
we are16
➔ all11
partakers
of12
that one14
bread.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ziet IsraelG2474, dat naarG2596 het vleesG4561 isG1510: hebben niet degenen, die de offerandenG2378 etenG2068, gemeenschapG2844 met het altaarG2379?
Ziet Israel, dat naar het vlees is: hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?
KJV
Behold1
Israel3
after4
the flesh:5
are
➔ not6
they
which eat8
of the sacrifices10
partakers11
of the altar?13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WatG5101 zegG5346 ik dan? DatG3754 een afgodG1497 ietsG5100 isG1510, ofG2228 datG3754 het afgodenofferG1494 ietsG5100 isG1510?
Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
KJV
What1
say I3
then?2
that4
the idol5
is
any thing,6
or8
that9
which is offered in sacrifice to idols10
is
any thing?11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ja, ik zeg, dat hetgeenG3739 de heidenenG1484 offerenG2380, zij den duivelenG1140 offerenG2380, en nietG3756 GodeG2316; en ik wilG2309 nietG3756, dat gijG4771 met de duivelenG1140 gemeenschapG2844 hebt.
Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.
KJV
But1
I say, that2
the things which3
the Gentiles6
sacrifice,4
they sacrifice8
to devils,7
and9
not10
to God:11
and14
I would13
not12
that ye
should have19
fellowship16
with devils.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Gij kuntG1410 den drinkbekerG4221 des HeerenG2962 niet drinkenG4095, enG2532 den drinkbekerG4221 der duivelenG1140; gij kuntG1410 nietG3756 deelachtigG3348 zijn aan de tafelG5132 des HeerenG2962, enG2532 aan de tafelG5132 der duivelenG1140.
Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.
KJV
Ye cannot1
drink5
the cup3
of the Lord,4
and6
the cup7
of devils:8
ye cannot9
be partakers13
of the Lord's12
table,11
and14
of the table15
of devils.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
OfG2228 tergenG3863 wij den HeereG2962? ZijnG1510 wij sterkerG2478 dan HijG846?
Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?
KJV
Do we provoke2
➔1
the Lord4
to jealousy?
are we
stronger than5
he?7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Alle dingen zijn mijG1473 geoorloofdG1832, maarG235 alle dingen zijn nietG3756 oorbaarG4851; alleG3956 dingen zijn mijG1473 geoorloofdG1832, maarG235 alleG3956 dingen stichtenG3618 nietG3756.
Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
KJV
All things1
are lawful3
for me,
but4
all things6
are7
➔ not5
expedient:
all things8
are lawful10
for me,
but11
all things13
edify14
not.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
NiemandG3367 zoekeG2212 dat zijns zelfsG1438 is; maarG235 een iegelijkG1538 zoekeG2087 dat des anderen is.
Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
KJV
Let4
➔ no man1
seek
his own,3
but5
every man9
another's8
wealth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
EetG2068 alG3956 wat inG1722 het vleeshuisG3111 verkochtG4453 wordt, nietsG3367 ondervragendeG350, omG1223 des gewetensG4893 wil;
Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;
KJV
Whatsoever1
is sold5
in3
the shambles,4
that eat,6
asking8
➔ no7
question
for9
➔ conscience11
sake:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 de aardeG1093 is des HeerenG2962, enG2532 de volheidG4138 derzelve.
Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
KJV
For2
the earth5
is the Lord's,3
and6
the fulness8
thereof.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En indienG1487 u iemandG1536 van de ongelovigenG571 noodtG2564, en gij daar gaan wiltG2309, eetG2068 alG3956 wat ulieden voorgesteldG3908 wordt, nietsG3367 ondervragendeG350, omG1223 des gewetensG4893 wil.
En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.
KJV
If any
of them that believe not7
bid4
you
to a feast, and8
ye be disposed9
to go;10
whatsoever11
is set before13
you,
eat,15
asking17
➔ no16
question
for18
➔ conscience20
sake.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
MaarG1161 zoG1437 iemandG5100 tot ulieden zegtG2036: DatG3778 isG1510 afgodenofferG1494; eetG2068 het nietG3361, omG1223 desgenen wil, die uG4771 dat te kennen gegevenG3377 heeft, en om des gewetensG4893 wil. WantG1063 de aardeG1093 is des HeerenG2962, en de volheidG4138 derzelve.
Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
KJV
But2
if1
any man3
say
unto you,
This
is
offered in sacrifice unto idols,7
eat10
not9
for11
his sake12
that shewed it,14
and15
for conscience sake:17
for19
the earth22
is the Lord's,20
and23
the fulness25
thereof:26
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Doch ikG1473 zegG3004: om het gewetenG4893, niet van uzelven, maar des anderen; wantG1063 waaromG5101 wordt mijn vrijheidG1657 geoordeeldG2919 vanG5259 een anderG243 gewetenG4893?
Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?
KJV
Conscience,1
I say,3
not4
thine own,6
but7
of the other:10
for13
why
is17
➔ my
liberty15
judged
of18
another19
man's conscience?20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG1161 indienG1487 ikG1473 door genadeG5485 der spijze deelachtigG3348 ben, waaromG5101 word ik gelasterdG987 over hetgeen, waarvoorG3739 ikG1473 dankzegG2168?
En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?
KJV
For2
if1
I3
by grace4
be a partaker,5
why6
am I evil spoken of7
for that8
for which9
I10
give thanks?11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Hetzij danG3767 dat gijlieden eetG2068, hetzij dat gij drinktG4095, hetzij dat gij ietsG5100 anders doetG4160, doet het alG3956 ter ereG1391 GodsG2316.
Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
KJV
Whether1
therefore2
ye eat,3
or4
drink,5
or6
whatsoever7
ye do,8
do13
all9
to10
the glory11
of God.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Weest zonder aanstootG677 te geven, enG2532 den JodenG2453, enG2532 den GriekenG1672, enG2532 der GemeenteG1577 GodsG2316.
Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.
KJV
Give2
none offence,1
neither3
to the Jews,4
nor5
to the Gentiles,6
nor7
to the church9
of God:11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
GelijkerwijsG2531 ik ook in allesG3956 allen behaagG700, nietG3361 zoekendeG2212 mijn eigenG1683 voordeelG4851, maarG235 het voordeel van velenG4183, opdatG2443 zij mochten behoudenG4982 worden.
Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.
KJV
Even as1
I2
please5
all3
men in all4
things, not6
seeking7
mine own9
profit,10
but11
the profit8
of many,14
that15
they may be saved.16
onze vaders allen
Namelijk die met Mozes uit Egypte zijn getrokken.
Hertaald:
onze vaders allen
Namelijk zij die met Mozes uit Egypte getrokken zijn.
de wolk waren,
Namelijk die zich zette tussen het leger der Egyptenaars en dat der Israelieten, en die de Israelieten bedauwde en beschermde toen zij door de Rode zee trokken; Ex. 14:19 , enz; Ps. 105:39 . Hetwelk Paulus hier betuigt een tegenbeeld geweest te zijn van onzen doop, gelijk Petrus spreekt van de verlossing van Noach in de ark uit het midden van den zondvloed; 1 Petr. 3:21 .
Hertaald:
de wolk waren,
Namelijk de wolk die zich tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten plaatste, en die de Israëlieten koelte gaf en beschermde toen zij door de Rode Zee trokken; Ex. 14:19, enzovoort; Ps. 105:39. Paulus betuigt hier dat dit een voorafbeelding van onze doop geweest is, zoals Petrus spreekt over de verlossing van Noach in de ark uit de zondvloed; 1 Petr. 3:21.
in Mozes
Dat is, door Mozes, of door Mozes' dienst. Of, in de leer van Mozes, gelijk Hand. 19:3 gezegd wordt dat sommigen gedoopt zijn in den doop van Johannes, dat is, in de leer van Johannes, die door zijn doop werd bevestigd.
Hertaald:
in Mozes
Dat is: door Mozes, of door de dienst van Mozes. Of: in de leer van Mozes, zoals in Hand. 19:3 gezegd wordt dat sommigen gedoopt zijn in de doop van Johannes, dat is: in de leer van Johannes, die door zijn doop bevestigd werd.
dezelfde
Namelijk in de tekenen, of, die een zelfde zaak betekenden, en dat niet alleen met elkander, maar ook met ons, hetwelk daaruit blijkt, dat Paulus hier den naam van den doop gebruikt, en hierna zegt dat de steenrots was Christus, en omdat anderszins de sluitreden van Paulus niet vast zou zijn, ten ware zij enerlei spijs in de betekenis met ons hadden gegeten.
Hertaald:
dezelfde
Namelijk dezelfde in de tekenen, of: die dezelfde zaak betekenden — en dat niet alleen onderling, maar ook met ons. Dat blijkt eruit dat Paulus hier de naam van de doop gebruikt en hierna zegt dat de steenrots Christus was, en ook omdat de gevolgtrekking van Paulus anders niet zou opgaan, tenzij zij in de betekenis dezelfde spijs met ons gegeten hadden.
geestelijke
Namelijk het manna, hetwelk een geestelijke spijs genaamd wordt, omdat het den Israelieten diende niet alleen tot een lichamelijk voedsel, maar ook om te zijn tot een buitengewoon teken van Christus' vlees, en derhalve een geestelijke beduiding op Christus had, gelijk Christus in het brede verklaart, Joh 6 , en gelijk hierna, om dezelfde reden, de steenrots geestelijk genaamd wordt.
Hertaald:
geestelijke
Namelijk het manna, dat een geestelijke spijs genoemd wordt omdat het de Israëlieten niet alleen tot lichamelijk voedsel diende, maar ook als een buitengewoon teken van Christus' vlees, en dus een geestelijke verwijzing naar Christus had, zoals Christus uitvoerig verklaart in Joh. 6 — en zoals hierna om dezelfde reden de steenrots geestelijk genoemd wordt.
die volgde,
Namelijk den Israelieten, met de stromen of beken die uit haar vloten, nadat zij van Mozes was geslagen; Num. 20:8 ; Ps. 105:41 .
Hertaald:
die volgde,
Namelijk de Israëlieten, met de stromen of beken die eruit vloeiden nadat zij door Mozes geslagen was; Num. 20:8; Ps. 105:41.
was Christus
Dat is, was een teken en voorbeeld van Christus, die van den Vader ter dood om onzentwil geslagen zijnde, ons de stromen des levenden waters zou uitgeven; Joh. 7:38 . En dit is ene wijze van spreken, gebruikelijk in de sacramenten, gelijk het brood en den wijn in het Avondmaal het lichaam en bloed van Christus worden genaamd, omdat zij daarvan een teken en zegel zijn. Dat sommigen willen zeggen, dat de zin zou zijn: Christus was de steenrots, strijdt niet alleen met de orde der woorden van den tekst, maar ook met de zaak zelve, overmits al de Israelieten niet kunnen gezegd worden uit Christus gedronken te hebben, alzo velen van hen niet geloofden, en God in hen geen welgevallen gehad heeft, vs.5, en Hebr. 4:2 .
Hertaald:
was Christus
Dat is: was een teken en voorafbeelding van Christus, Die door de Vader om onzentwil ter dood geslagen is en Die ons de stromen van het levende water zou geven; Joh. 7:38. Dit is een manier van spreken die bij de sacramenten gebruikelijk is, zoals het brood en de wijn in het Avondmaal het lichaam en bloed van Christus genoemd worden omdat zij daarvan een teken en zegel zijn. Dat sommigen willen zeggen dat de betekenis zou zijn: Christus was de steenrots, strijdt niet alleen met de woordvolgorde van de tekst, maar ook met de zaak zelf, aangezien niet van alle Israëlieten gezegd kan worden dat zij uit Christus gedronken hebben — velen van hen geloofden namelijk niet, en God heeft in hen geen welgevallen gehad, vers 5, en Hebr. 4:2.
terneder geslagen
Namelijk om huns ongeloofs wil, gelijk Paulus verklaart Hebr. 3:17-19 .
Hertaald:
terneder geslagen
Namelijk vanwege hun ongeloof, zoals Paulus verklaart in Hebr. 3:17-19.
tot voorbeelden,
Dat is, tot voorbeelden en waarschuwingen, namelijk dat wij, zo wij dergelijke zonden navolgen, niettegenstaande wij deze heilige tekenen ook zullen deelachtig geweest zijn, delzefde straf, die hun daarom overkomen is, ook niet zullen ontgaan. Zie van dit woord vs.11; Fil. 3:17 ; 1 Tim. 4:12 ; Tit. 2:7 .
Hertaald:
tot voorbeelden,
Dat is: tot voorbeelden en waarschuwingen, namelijk dat wij, wanneer wij dezelfde zonden navolgen, dezelfde straf die hun daarom overkomen is niet zullen ontgaan — ook al zullen wij deel gehad hebben aan deze heilige tekenen. Zie over dit woord vers 11; Filipp. 3:17; 1 Tim. 4:12; Tit. 2:7.
geen lust
Gr. geen begeerders zijn van kwade dingen; namelijk van afgoderij, hoererij en dergelijke, welke hierna verhaald worden.
Hertaald:
geen lust
Grieks: geen begeerders van kwade dingen zijn; namelijk van afgoderij, hoererij en dergelijke, die hierna opgesomd worden.
sommigen van
Dat is, een groot deel van hen, namelijk die met het gegoten kalf afgoderij bedreven.
Hertaald:
sommigen van
Dat is: een groot deel van hen, namelijk zij die met het gegoten kalf afgoderij bedreven.
om te spelen
Dat is, om te dansen, lachen en reien, gelijk de afgodendienaars, en hun afgodische maaltijden, gemeenlijk plachten te doen; Ex. 32:6 .
Hertaald:
om te spelen
Dat is: om te dansen, te lachen en reidansen te houden, zoals de afgodendienaars bij hun afgodische maaltijden gewoonlijk plachten te doen; Ex. 32:6.
gehoereerd hebben,
Namelijk in het land der Midianieten, door den raad van Bileam tot afgoderij en hoererij verlokt zijnde; Num 25 .
Hertaald:
gehoereerd hebben,
Namelijk in het land van de Midianieten, toen zij door de raad van Bileam tot afgoderij en hoererij verleid waren; Num. 25.
drie en twintig
Num. 25:9 wordt gezegd vier en twintig duizend. Doch het kan zijn dat er tussen de drie en vier en twintig duizend gebleven zijn, waarvan de apostel het minder getal heeft gehouden. Anderen menen dat er drie en twintig duizend met het zwaard zouden gedood zijn, naar het voorbeeld van den ijver van Pinehas, en dat de andere duizend van de voornaamsten daarna zouden gehangen zijn door het bevel van Mozes.
Hertaald:
drie en twintig
In Num. 25:9 wordt gezegd: vierentwintigduizend. Maar het kan zijn dat er tussen de drie- en vierentwintigduizend omgekomen zijn, waarvan de apostel het kleinste getal aangehouden heeft. Anderen menen dat er drieëntwintigduizend met het zwaard gedood zouden zijn, naar het voorbeeld van de ijver van Pinehas, en dat de andere duizend, uit de voornaamsten, daarna op bevel van Mozes opgehangen zouden zijn.
verzoeken,
Dat is, tergen, of zijne macht in het straffen der ondankbaren in twijfel trekken, gelijk de Israelieten, Num. 21:5 , als zij met het manna niet tevreden waren, noch met de wateren, die hun de Heere wonderbaarlijk verleende; en gelijk de Corinthiërs, die de maaltijden der afgodendienaren, die vol aanstoot en gevaar waren, liever volgden dan den eenvoudigen kost, dien de Heere hun tehuis verleende.
Hertaald:
verzoeken,
Dat is: tergen, of Zijn macht in het straffen van de ondankbaren in twijfel trekken, zoals de Israëlieten deden in Num. 21:5, toen zij niet tevreden waren met het manna en met het water dat de Heere hun op wonderbare wijze gaf. Zo deden ook de Korinthiërs, die de maaltijden van de afgodendienaars, die vol aanstoot en gevaar waren, liever volgden dan de eenvoudige kost die de Heere hun thuis gaf.
verzocht hebben,
Namelijk Christus, dien hij terstond genoemd had. Want het was de engel des verbonds, de eeuwige Zoon Gods, die hen in de woestijn geleidde, en dien zij tergden. Zie Ex. 14:19 , en Ex. 23:20 , en Jes. 63:9 .
Hertaald:
verzocht hebben,
Namelijk Christus, Die hij zojuist genoemd had. Want het was de Engel van het verbond, de eeuwige Zoon van God, Die hen in de woestijn leidde en Die zij tergden. Zie Ex. 14:19 en Ex. 23:20; Jes. 63:9.
gemurmureerd hebben,
De Israelieten hebben in de woestijn menigmaal tegen God gemurmureerd, wanneer hun iets ontbrak, of wanneer zij niet tevreden waren met de weldaden, die God hun deed; maar hier wordt inzonderheid gezien op de geschiedenissen, Num. 11:4 , Num. 11:33 , wanneer zij vlees begeerden en daarover van God door verscheidene plagen vernield werden; en Num. 16:1-2 , wanneer Korach met zijnen hoop tegen Mozes en Aäron murmureerden en sommigen zijn verbrand, sommigen verzonken in de aarde.
Hertaald:
gemurmureerd hebben,
De Israëlieten hebben in de woestijn vaak tegen God gemord, wanneer hun iets ontbrak of wanneer zij niet tevreden waren met de weldaden die God hun bewees. Maar hier wordt vooral gedoeld op de geschiedenissen in Num. 11:4, Num. 11:33, toen zij vlees begeerden en daarover door God met verscheidene plagen getroffen werden, en Num. 16:1-2, toen Korach met zijn aanhang tegen Mozes en Aäron morde en sommigen verbrand werden en anderen in de aarde wegzonken.
van den verderver
Deze naam wordt wel in deze geschiedenis niet gevonden, maar wordt van Paulus daarbij gevoegd, òf om de strengheid van God zelf in deze straffen hierdoor te verstaan, òf een engel, dien God tot deze vernieling heeft gebruikt, gelijk Hij gedaan heeft Ex. 12:23 , en Jes. 37:36 .
Hertaald:
van den verderver
Deze naam komt in die geschiedenis niet voor, maar wordt door Paulus toegevoegd — óf om daarmee de strengheid van God Zelf in deze straffen aan te duiden, óf om een engel aan te duiden die God tot deze vernietiging gebruikt heeft, zoals Hij gedaan heeft in Ex. 12:23 en Jes. 37:36.
tot voorbeelden
Dat is, voorbeelden der straffen over de zodanigen. Zie vs.6.
Hertaald:
tot voorbeelden
Dat is: voorbeelden van de straffen over zulke mensen. Zie vers 6.
de einden der
Dat is, de laatste tijden, in welke de genade Gods krachtiger is en de boosheid meerder; waarom wij ons door de genade Gods te meer moeten wachten; 1 Tim. 4:1 ; 2 Petr. 3:3 .
Hertaald:
de einden der
Dat is: de laatste tijden, waarin de genade van God krachtiger is en de boosheid groter — waarom wij ons door de genade van God des te meer moeten hoeden; 1 Tim. 4:1; 2 Petr. 3:3.
gekomen zijn
Gr. ontmoeten, of ontmoet zijn.
Hertaald:
gekomen zijn
Grieks: ontmoeten, of: ontmoet zijn.
die meent te staan,
Dat is, die zich laat dunken zo vast te zijn in het geloof, dat hij in zulke zonden niet zou vervallen.
Hertaald:
die meent te staan,
Dat is: wie zich verbeeldt zo vast te staan in het geloof dat hij niet in zulke zonden zou vervallen.
zie toe
Dat is, zij zorgvuldig dat hij daar door niet worde ten val gebracht, om die zonden en ergernissen te begaan, waarover God de Israelieten gestraft heeft. Waaruit blijkt dat de apostel de gelovigen niet vermaant tot vertwijfeling aan hunne zaligheid, tegen zijn eigen leer, Rom. 5:1 , en Rom. 8:31 , maar dat hij de eigendunkelijken alleen waarschuwt, om op zichzelven niet te steunen en de oorzaken te vlieden, waardoor zij ten val mochten gebracht worden. Want de ware gelovigen, wanneer zij uit zwakheid zouden mogen vallen, hebben de belofte van wederoprichting. Zie Ps. 37:24 , en het volgende vs. alhier.
Hertaald:
zie toe
Dat is: laat hij zorgvuldig zijn dat hij daardoor niet ten val gebracht wordt en de zonden en ergernissen begaat waarover God de Israëlieten gestraft heeft. Daaruit blijkt dat de apostel de gelovigen niet tot twijfel aan hun zaligheid vermaant — dat zou tegen zijn eigen leer ingaan, Rom. 5:1 en Rom. 8:31 — maar dat hij alleen de eigenzinnigen waarschuwt om niet op zichzelf te steunen en de oorzaken te mijden waardoor zij ten val gebracht zouden kunnen worden. Want wanneer de ware gelovigen uit zwakheid zouden vallen, hebben zij de belofte van weer opgericht te worden. Zie Ps. 37:24 en het volgende vers hier.
geen verzoeking
Namelijk waardoor gij gebracht zijt tot de gemeenschap der afgodendienaars en van hunne maaltijden.
Hertaald:
geen verzoeking
Namelijk de verzoeking waardoor u tot de gemeenschap met de afgodendienaars en hun maaltijden gebracht bent.
dan menselijke;
Dat is, die uit uw menselijke zwakheid en uit vrees van de ongenade der afgodendienaars, welken u daartoe verzocht hebben, gesproten is. Hij troost hen hiermede, en vermaant hen in het toekomende tot meerdere standvastigheid, dewijl God ons deze belofte doet, dat Hij de Zijnen niet zal laten verzoeken boven hun vermogen.
Hertaald:
dan menselijke;
Dat is: een verzoeking die voortgekomen is uit uw menselijke zwakheid en uit vrees voor de ongenade van de afgodendienaars, die u daartoe verleid hebben. Hij troost hen daarmee en vermaant hen voor de toekomst tot grotere standvastigheid, aangezien God ons de belofte doet dat Hij de Zijnen niet zal laten verzoeken boven hun vermogen.
boven hetgeen
Dat is, boven de kracht, die gij door Gods Geest alrede hebt ontvangen. Want uit onszelven vermogen wij niets; Joh. 15:5 ; 2 Kor. 3:5 ; Fil. 4:13 .
Hertaald:
boven hetgeen
Dat is: boven de kracht die u door Gods Geest al ontvangen hebt. Want uit onszelf vermogen wij niets; Joh. 15:5; 2 Kor. 3:5; Filipp. 4:13.
met de verzoeking
Namelijk die Hij over u zal laten komen, alwaar zij vrij meerder dan tot nog toe geschied is; Joh. 16:33 .
Hertaald:
met de verzoeking
Namelijk de verzoeking die Hij over u zal laten komen, ook al zou die veel zwaarder zijn dan tot nu toe gebeurd is; Joh. 16:33.
geven, opdat
Gr. maken.
Hertaald:
geven, opdat
Grieks: maken.
Daarom, mijn
Dat is, dewijl wij dan deze voorbeelden van Gods straf aan de ene zijde en van Gods trouwe belofte aan de andere zijde hebben.
Hertaald:
Daarom, mijn
Dat is: aangezien wij deze voorbeelden van Gods straf aan de ene kant en van Gods trouwe belofte aan de andere kant hebben.
den afgodendienst
Namelijk niet alleen die inderdaad zodanig is, maar ook die daartoe aanleiding of vermoeden zouden geven, of die tekenen daarvan zijn; van welke hij tot nog toe gesproken heeft.
Hertaald:
den afgodendienst
Namelijk niet alleen de afgodendienst die werkelijk zo is, maar ook alles wat daartoe aanleiding of verdenking zou kunnen geven, of wat daarvan een teken is — waarover hij tot nu toe gesproken heeft.
verstandigen spreek ik,
Dat is, als tot degenen, die in de verborgenheden onzes geloofs ervaren en onderricht zijn.
Hertaald:
verstandigen spreek ik,
Dat is: als tot mensen die in de verborgenheden van ons geloof ervaren en onderwezen zijn.
De drinkbeker der
Of, de drinkbeker der zegening. Want het Griekse woord Eulogia betekent beide, dankzegging en zegening. Doch alzo de apostel hierna, 1 Kor. 11:24 , het woord dankzeggen, of danken gebruikt, gelijk ook de Evangelisten, Matt. 26:27 ; Marc. 14:23 ; Luc. 22:17 , zo wordt daarom dit woord dankzegging hier ook in den tekst behouden.
Hertaald:
De drinkbeker der
Of: de drinkbeker van de zegening. Want het Griekse woord eulogia betekent beide: dankzegging en zegening. Maar aangezien de apostel hierna in 1 Kor. 11:24 het woord danken gebruikt, evenals de evangelisten in Matth. 26:27; Mark. 14:23; Luk. 22:17, wordt het woord dankzegging hier ook in de tekst aangehouden.
dankzeggende zegenen,
Gr. Eulogoumen; welk woord beide zegenen en dankzeggen betekent. Doch moet hier zegenen en niet dankzeggen overgezet worden, overmits niet gezegd kan worden dan wij den drinkbeker dankzeggen, gelijk Griekse samenvoeging der woorden, of constructie, zou vereisen; maar wel den drinkbeker zegenen. En wordt door dit zegenen verstaan, niet door kracht van enige woorden den wijn veranderen in het wezenlijke bloed van Christus maar met gebeden, dankzegging en verhaal van de instelling en het doel des Heiligen Avondmaals heiligen, of van anderen algemenen drank afzonderen en tot dit heilige gebruik toeeigenen, gelijk het woord zegenen ook gebruik wordt Gen. 2:3 ; Ex. 20:11 , waar God gezegd wordt den zevenden dag gezegend en geheiligd te ehbben, omdat Hij dien van andere gemene dagen heeft afgezonderd en tot een heilig gebruik toegeëigend. Zie hiervan de verklaring in de aantekening Matt. 26:26 .
Hertaald:
dankzeggende zegenen,
Grieks: eulogoumen, welk woord zowel zegenen als danken betekent. Maar hier moet het met zegenen en niet met danken vertaald worden, omdat niet gezegd kan worden dat wij de drinkbeker danken, zoals de Griekse zinsbouw zou vereisen, maar wel dat wij de drinkbeker zegenen. Onder dit zegenen wordt niet verstaan dat de wijn door de kracht van bepaalde woorden in het wezenlijke bloed van Christus veranderd wordt, maar dat hij met gebeden, dankzegging en het vermelden van de instelling en het doel van het Heilig Avondmaal geheiligd wordt, of van andere gewone drank afgezonderd en aan dit heilige gebruik toegewijd. Zo wordt het woord zegenen ook gebruikt in Gen. 2:3 en Ex. 20:11, waar van God gezegd wordt dat Hij de zevende dag gezegend en geheiligd heeft, omdat Hij die van de andere gewone dagen afgezonderd en aan een heilig gebruik toegewijd heeft. Zie hierover de verklaring in de aantekening bij Matth. 26:26.
een gemeenschap des bloeds
Dat is, een teken en onderpand van de geestelijke gemeenschap, die wij met Christus' bloed en lichaam hebben, gelijk vs.20, dat degenen, die afgodenoffer aten, gemeenschap hadden met de duivelen; ene wijze van spreken in de sacramenten gebruikelijk. Zie vs.4, en 1 Kor. 11:24-25 .
Hertaald:
een gemeenschap des bloeds
Dat is: een teken en onderpand van de geestelijke gemeenschap die wij met het bloed en lichaam van Christus hebben — zoals in vers 20 gezegd wordt dat zij die van het afgodenoffer aten gemeenschap met de duivelen hadden. Het is een manier van spreken die bij de sacramenten gebruikelijk is. Zie vers 4 en 1 Kor. 11:24-25.
een brood is het, zo
Namelijk dat gebroken wordt en waaraan wij gemeenschap hebben. Of, want wij velen zijn een brood en een lichaam.
Hertaald:
een brood is het, zo
Namelijk het brood dat gebroken wordt en waaraan wij gemeenschap hebben. Of: want wij, velen, zijn één brood en één lichaam.
een lichaam,
Dat is, een geestelijk lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Zie Rom. 12:5 ; 1 Kor. 6:15 , en 1 Kor. 12:12 , enz.
Hertaald:
een lichaam,
Dat is: een geestelijk lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Zie Rom. 12:5; 1 Kor. 6:15 en 1 Kor. 12:12, enzovoort.
dat naar het vlees is;
Dat is, het Joodse volk, afkomstig naar het vlees van Israel, die toen ter tijd hun tempel en godsdienst nog hadden, hoewel de kracht daarvan door Christus' komst was teniet gedaan.
Hertaald:
dat naar het vlees is;
Dat is: het Joodse volk, dat naar het vlees van Israël afstamt en dat in die tijd zijn tempel en eredienst nog had, hoewel de kracht daarvan door de komst van Christus tenietgedaan was.
gemeenschap met het
Dat is, met den godsdienst, die op het altaar en daarbij van hen werd gepleegd, en dien zij betuigden daarmede nog voor goed te houden.
Hertaald:
gemeenschap met het
Dat is: met de eredienst die op en bij het altaar door hen verricht werd en waarmee zij betuigden die nog voor goed te houden.
den duivelen offeren,
Want vele van de heidense afgoden, die zij door hunne beelden eerden, waren boze geesten. Zie Lev. 17:7 , en Deut. 32:17 . En hoewel zij somwijlen enige gestorvene mensen en andere creaturen daardoor wilden eren, of ook zelfs den Schepper des hemels en der aarde, gelijk Hand. 17:23 ; Rom. 1:21 te zien is, zo worden zij nochtans gezegd den duivelen die eer aan te doen, omdat de duivel van zulken beeldendienst een ingever en insteller was, waardoor God niet geëerd maar onteerd werd; Jes. 40:18 , en Jes. 42:8 .
Hertaald:
den duivelen offeren,
Want veel van de heidense afgoden, die zij door hun beelden eerden, waren boze geesten. Zie Lev. 17:7 en Deut. 32:17. En hoewel zij daarmee soms bepaalde gestorven mensen en andere schepselen wilden eren, of zelfs de Schepper van hemel en aarde, zoals te zien is in Hand. 17:23 en Rom. 1:21, wordt toch gezegd dat zij die eer aan de duivelen bewijzen, omdat de duivel de ingever en insteller van zo'n beeldendienst was, waardoor God niet geëerd maar onteerd werd; Jes. 40:18 en Jes. 42:8.
Gij kunt den drinkbeker
Namelijk met recht en behoorlijkheid, alzo dat gij, zulks doende, ook Gode zoudt kunnen behagen. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 6:24 ; 2 Kor. 6:14 .
Hertaald:
Gij kunt den drinkbeker
Namelijk niet met recht en op behoorlijke wijze, zo dat u God daarmee ook zou kunnen behagen. Zie een soortgelijke manier van spreken in Matth. 6:24; 2 Kor. 6:14.
tafel des Heeren
Dat is, der spijs en des dranks van de tafel des Heeren, die tot een teken van de gemeenschap met Christus van de Christenen wordt genoten.
Hertaald:
tafel des Heeren
Dat is: van de spijs en de drank van de tafel van de Heere, die genoten wordt als een teken van de gemeenschap van de christenen met Christus.
der tafel der duivelen
Dat is, der spijs en des dranks van de maaltijden, die tot een teken van de gemeenschap met de duivelen wordt genoten.
Hertaald:
der tafel der duivelen
Dat is: van de spijs en de drank van de maaltijden die genoten worden als een teken van de gemeenschap met de duivelen.
tergen wij den
Dat is, willen wij hem tot toorn verwekken door ons doen, en dienvolgens zijne straf ons over den hals halen; Deut. 32:21 . Het Griekse woord betekent eigenlijk tot jaloersheid verwekken.
Hertaald:
tergen wij den
Dat is: willen wij Hem door ons doen tot toorn verwekken en daarmee Zijn straf over ons halen? Deut. 32:21. Het Griekse woord betekent eigenlijk: tot jaloersheid verwekken.
Zijn wij sterker
Namelijk om zijn straffende hand van ons te weren, wanneer die ons zal treffen.
Hertaald:
Zijn wij sterker
Namelijk om Zijn straffende hand van ons af te weren wanneer die ons zal treffen.
Alle dingen zijn mij
Namelijk die middelmatig zijn, in zichzelven van God niet geboden in het Nieuwe Testament, gelijk onder anderen was het eten van allerlei spijs, als het zonder ergernis kon geschieden. De apostel handelt nu voorts van twee andere gevallen, die hij onder zekere bepalingen in het vervolg toelaat.
Hertaald:
Alle dingen zijn mij
Namelijk alle dingen die middelmatig zijn en die in het Nieuwe Testament op zichzelf niet door God geboden zijn — waaronder het eten van allerlei spijs, als het zonder aanstoot kan gebeuren. De apostel behandelt nu verder twee andere gevallen, die hij in het vervolg onder bepaalde voorwaarden toestaat.
niet oorbaar;
Namelijk voor mijzelven.
Hertaald:
niet oorbaar;
Namelijk voor mijzelf.
stichten niet
Namelijk voor mijnen naaste.
Hertaald:
stichten niet
Namelijk voor mijn naaste.
dat zijns zelfs is,
Namelijk alleen, of met nadeel en ontstichting zijns naasten; Rom. 15:2 .
Hertaald:
dat zijns zelfs is,
Namelijk alleen het zijne, of met nadeel en afbraak voor zijn naaste; Rom. 15:2.
dat des anderen is
Dat is, zoeke ook dat des anderen is, want wij moeten onzen naasten liefhebben als onszelven; wij mogen dan onszelven ook wel liefhebben, maar niet tegen de liefde onzes naasten.
Hertaald:
dat des anderen is
Dat is: laat hij ook zoeken wat van de ander is. Want wij moeten onze naaste liefhebben als onszelf; wij mogen onszelf dus ook wel liefhebben, maar niet ten koste van de liefde tot onze naaste.
al wat in het
Dat is, allerlei. Hier laat dan de apostel vooreerst toe dát alles, wat ter markt komt, van ons mag worden gebruikt tot spijs, hoewel het nochtans menigmaal geschiedde, dat een deel van hetgeen den afgoden geofferd was, daar ook werd verkocht, wanneer het in maaltijden of offeranden niet werd gebezigd. Doch wanneer het ter markt of in de vleeshuizen werd gebracht, zo werd de afgod daar niet meer mede geëerd, maar werd het voor gemene spijs gehouden.
Hertaald:
al wat in het
Dat is: allerlei. Hier staat de apostel dan allereerst toe dat alles wat op de markt komt door ons als spijs gebruikt mag worden. Het gebeurde namelijk vaak dat een deel van wat aan de afgoden geofferd was daar ook verkocht werd, wanneer het niet voor maaltijden of offeranden gebruikt was. Maar wanneer het naar de markt of naar de vleeshallen gebracht werd, werd de afgod daarmee niet meer geëerd, maar werd het voor gewone spijs gehouden.
niets ondervragende
Of, geen onderscheid makende; namelijk of het tevoren geofferd was of niet, want beide betekent het Griekse woord.
Hertaald:
niets ondervragende
Of: geen onderscheid makend; namelijk of het tevoren geofferd was of niet, want het Griekse woord betekent beide.
de aarde is des Heeren
Dat is, al is het dat het tevoren van de afgodendienaars was misbruikt, nochtans houdt het niet op te blijven een schepsel des Heeren, die het geschapen heeft om met dankzegging te gebruiken; 1 Tim. 4:4 .
Hertaald:
de aarde is des Heeren
Dat is: ook al is het tevoren door de afgodendienaars misbruikt, het houdt daarom niet op een schepsel van de Heere te zijn, Die het geschapen heeft om met dankzegging gebruikt te worden; 1 Tim. 4:4.
van de ongelovigen
Namelijk te zijnen huize, zonder dat de maaltijd ter ere van den afgod is toegericht, gelijk de heidenen het overschot van al zulke geofferde beesten of spijzen tot bijzondere en burgerlijke maaltijden dikmaals gebruikten.
Hertaald:
van de ongelovigen
Namelijk bij hem thuis, zonder dat de maaltijd ter ere van de afgod aangericht is — zoals de heidenen het overschot van zulke geofferde dieren of spijzen vaak voor gewone en burgerlijke maaltijden gebruikten.
daar gaan wilt
Dat is, oorbaar acht te gaan om burgerlijke gemeenschap of gebuurschap te onderhouden. Waardoor de apostel te kennen geeft dat men ook, eer men daar gaat, wel moet overwegen waartoe men daar genood wordt.
Hertaald:
daar gaan wilt
Dat is: het nuttig acht te gaan om de burgerlijke omgang of het goede nabuurschap te onderhouden. Daarmee geeft de apostel te kennen dat men ook, voordat men gaat, goed moet overwegen waarvoor men daar uitgenodigd wordt.
al wat ulieden
Dat is, van alles.
Hertaald:
al wat ulieden
Dat is: van alles.
niets ondervragende,
Of, geen onderscheid makende.
Hertaald:
niets ondervragende,
Of: geen onderscheid makend.
zo iemand tot
Namelijk van den zwakgelovigen, die daardoor aanstoot zou mogen lijden; of ook van den ongelovige, die met u aanzit, en daardoor u zou mogen aanzien voor een mens, die zonder godsdienst of van hun heidense religie zou zijn, zo gij, vermaand zijnde, evenwel daarvan zoudt eten.
Hertaald:
zo iemand tot
Namelijk door de zwakgelovige, die daardoor aanstoot zou kunnen nemen; of ook door de ongelovige die met u aanzit en die u daardoor zou kunnen aanzien voor iemand zonder godsdienst, of voor iemand van hun heidense godsdienst, wanneer u er na die waarschuwing toch van zou eten.
de aarde is des Heeren,
Deze zelfde plaats, genomen uit den 24sten Psalm, brengt de apostel hier wederom voort, om te bewijzen dat men zulke spijs wel kan laten, dewijl er meer spijzen zijn, die God op de aarde geschapen heeft tot ons gebruik.
Hertaald:
de aarde is des Heeren,
Deze zelfde plaats, ontleend aan Psalm 24, voert de apostel hier opnieuw aan, om te bewijzen dat men zulke spijs best kan laten staan, aangezien er nog meer spijzen zijn die God op de aarde tot ons gebruik geschapen heeft.
des anderen;
Namelijk die u zulks vermaant, en daardoor aanstoot lijdt, om de reden tevoren verhaald.
Hertaald:
des anderen;
Namelijk het geweten van hem die u daarop wijst en die daardoor aanstoot neemt, om de reden die tevoren genoemd is.
mijn vrijheid
Dat is, waarom zal ik met het ergerlijk gebruik van vrijheid oorzaak geven, dat eens anders conscientie mijn doen veroordele of het lastere. Of, dewijl ik weet uit Gods Woord, dat mij dit nu vrijstaat, waarom zal ik het oordeel van mijne conscientie het oordeel van eens anders conscientie, die nog zwak is, onderwerpen, of mij van zulke laten lasteren; het is mij genoeg, dat ik het eten van zulke spijs voor dien tijd om hunnentwil nalaat, en evenwel in mijn gemoed de vrijheid behoud om op een anderen tijd zonder aanstoot zulks te doen en God daarvoor te danken.
Hertaald:
mijn vrijheid
Dat is: waarom zou ik door een aanstootgevend gebruik van mijn vrijheid aanleiding geven dat het geweten van een ander mijn doen veroordeelt of belastert? Of: aangezien ik uit Gods Woord weet dat mij dit nu vrijstaat, waarom zou ik het oordeel van mijn geweten onderwerpen aan het oordeel van het geweten van een ander, dat nog zwak is, of mij door zulke mensen laten belasteren? Het is mij genoeg dat ik het eten van zulke spijs om hunnentwil voor die keer nalaat, terwijl ik in mijn gemoed toch de vrijheid behoud om dat op een andere keer zonder aanstoot wél te doen en God daarvoor te danken.
door genade
Namelijk des Evangelies, in hetwelk ons Christus van het juk der ceremoniën en het onderscheid der spijzen heeft vrijgesteld.
Hertaald:
door genade
Namelijk de genade van het Evangelie, waarin Christus ons vrijgesteld heeft van het juk van de ceremoniën en van het onderscheid tussen de spijzen.
en den Joden, en den
Onder deze drie soorten begrijpt de apostel alle mensen, die òf Joden waren, òf heidenen, òf Christenen, van wie gene voor ons moeten geërgerd worden door het gebruik van onze vrijheid; wel verstaande, indien het zodanige personen zijn, waar men hoop van heeft dat zij daardoor van ons kunnen gewonnen worden.
Hertaald:
en den Joden, en den
Onder deze drie soorten vat de apostel alle mensen samen: zij waren óf Joden, óf heidenen, óf christenen. Geen van hen mag door het gebruik van onze vrijheid aanstoot krijgen — welteverstaan wanneer het mensen zijn van wie men hoop heeft dat zij daardoor door ons gewonnen kunnen worden.
in alles
Dat is, zoekt te behagen. Dit moet verstaan worden gelijk het volgende, namelijk ten aanzien van het gebruik of nalaten der Christelijke vrijheid, niet ten aanzien van de leer of andere zaken, die van God geboden of verboden zijn. Zie Gal. 1:8 , Gal. 1:10 .
Hertaald:
in alles
Dat is: ik probeer te behagen. Dit moet, evenals het vervolg, opgevat worden met het oog op het gebruiken of nalaten van de christelijke vrijheid, niet met het oog op de leer of andere zaken die door God geboden of verboden zijn. Zie Gal. 1:8, Gal. 1:10. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De Korinthiërs menen dat zij veilig zijn omdat zij gedoopt zijn en aan het Avondmaal gaan. Paulus houdt hun een spiegel voor die zij niet verwachten: het volk in de woestijn had ook alles mee — en viel toch. Paulus zegt dat de vaderen dezelfde geestelijke spijs aten en dezelfde drank dronken, en hij noemt de rots waaruit zij dronken met name. Vijf keer staat er allen: allen onder de wolk, allen door de zee doorgegaan, allen in Mozes gedoopt, allen dezelfde geestelijke spijs gegeten, allen denzelfden geestelijken drank gedronken. En dan komt het zesde woord dat alles kantelt: maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn in de woestijn ternedergeslagen. Het wonder van de uittocht bewaart dus niemand vanzelf. Midden in dat betoog staat de zin die dit register raakt: zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus. De kanttekening legt precies uit hoe dat gelezen moet worden. De rots wás een teken en voorafbeelding van Christus, Die door de Vader om onzentwil ter dood geslagen is en Die ons de stromen van het levende water zou geven. En zij voegt eraan toe dat dit een manier van spreken is die bij de sacramenten gebruikelijk is: zoals het brood en de wijn in het Avondmaal het lichaam en bloed van Christus heten. Daar staat dus geen legende over een rots die achter Israël aan rolde, maar iets veel groters: wat hen veertig jaar in leven hield, kwam van Hem. De toepassing is streng en troostrijk tegelijk. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle. En dan: God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven. In het Nieuwe Testament: Johannes 7:37-38; Johannes 4:14; Hebreeën 3:16-19; Openbaring 22:17
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt. 1 Korinthe 10:12 Ik ben al meer dan vijfenzestig jaar christen. Lang geleden ging ik op… Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt. 1 Korinthe 10:12 Het is eigenlijk best bijzonder dat iemand trots kan zijn op genade. Want… Of u dus eet of drinkt of iets anders doet, doe alles tot eer van God. 1 Korinthe 10:31 Beperken wij soms ons beeld van wat het betekent… Doe alles tot eer van God. 1 Korinthe 10:31 Een andere keer was Spurgeon weer op vakantie in Italië. Deze keer had hij niet alleen zijn vrienden bij… Wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing. (2 Korinthe 5:7) Lees verder Spreuken 31:10—31. We lezen in de Schrift vaak van mensen die door het geloof grote daden… Zo dan, die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. 1 Korinthe 10:12 Verder lezen: Hebreeën 10:19-25 Deze sterke mensen zullen soms de genademiddelen niet gebruiken… Maar voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad.… En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. Mattheüs 10:22 Je ziet in de… Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 1 Korinthe 10:12 Een oud spreekwoord zegt: ‘Weilanden kunnen af en toe onder water komen te… Meer dan een menselijke verzoeking is u niet overkomen. En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt. 1 Korinthe 10 vers 12 Het is heel vreemd… En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben en werden vernield van de verderver. 1 Korinthe 10:10 Beproevingen maken ons dankbaar voor zegeningen die ons voorheen onverschillig… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 10
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
En de steenrots was Christus — 10:1-13
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Volmaakt?
Kijk uit voor opscheppen
Werk als voor de Heere
Leven als een christen
Alles door geloof
Een waarschuwing voor arrogante mensen
De Heilige Schrift
Volharding
Wees op uw hoede
Troost voor degenen die in verzoeking zijn
Wie meent te staan, ziet toe dat hij niet valt!
Beproeving wekt dankbaarheid


1 Korinthe 10
1 Korinthe 10:1-4
KruisverwijzingenExodus 14:29→Deuteronomium 8:3→Exodus 17:6→Nehemia 9:11→Exodus 16:35→Nehemia 9:20→Nehemia 9:15→Numeri 20:11→— En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
U ziet dan, geliefde broeders, dat het bezitten van voorrechten niet alles is. Paulus wilde ons niet in onwetendheid laten dat allen die met Mozes in de woestijn waren, voorrechten van zeer hoge orde hadden. Gingen zij niet allen door de Rode Zee, en ontkwamen zij zo niet aan hun machtige en wrede vijanden? Dronken zij niet allen van het water dat uit de keirots stroomde? Werden zij niet allen gevoed met manna uit de hemel? Toch redden hun voorrechten hen niet, want terwijl zij deze voorrechten hadden, vielen zij in de grote zonden waarover wij zo dadelijk zullen lezen. Zo verzwaarden hun voorrechten, in plaats van hun tot zegen te zijn, alleen maar hun veroordeling. De geschiedenis van Israël dat uit Egypte trok, was een zeer leerzaam voorbeeld van de geschiedenis van de zichtbare Kerk van Christus. Zij waren slaven in Egypte, zoals alle mensen slaven zijn van de zonde en de satan. Zij werden uit Egypte geleid, zoals alle verlosten door de almachtige genade van God bevrijd worden. Met een sterke hand en een uitgestrekte arm leidde de Heere Israël uit het diensthuis; en door een zeer wonderlijke doop, “in de wolk en in de zee”, begonnen zij hun loop als Gods afgezonderde volk. Daarna hadden zij allen deel aan dezelfde geestelijke instellingen: zij aten allen dezelfde geestelijke spijs, en dronken allen dezelfde geestelijke drank. Toch waren zij daarom niet allen werkelijk Gods volk; zij waren dat naar de naam en uiterlijk, maar niet allen werkelijk. En zoals er een gemengde menigte met het ware zaad van de belofte uit Egypte optrok, zo is er ook in elke gemeente van vandaag een vreemd element aanwezig. Onder hen die in Christus gedoopt zijn, zijn er nog altijd sommigen die de geestelijke spijs eten en de geestelijke drank drinken. Toch zijn zij niet werkelijk in gemeenschap met Christus gebracht en kennen zij de Heere in werkelijkheid niet.
1 Korinthe 10:5-6
KruisverwijzingenHebreeën 3:17→Judas 1:5→Numeri 14:28→Numeri 26:64→Numeri 11:4→Psalmen 106:26→Numeri 14:37→1 Korinthe 10:11→— Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
Er was bij velen van hen geen bewijs van geloof, en “zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.” Is het niet treurig dat er bij een volk dat zo hoog begunstigd was als zij, zo’n groot deel was dat het geloof miste dat mensen welbehaaglijk maakt voor God? Zo kwamen zij letterlijk de woestijn in om daar te sterven, en gingen nooit in de rust van God in. Wij, belijdende christenen, wij gemeenteleden, wij gaven toe aan onze vleselijke begeerten; wij hunkerden naar vlees, terwijl God ons al engelenspijs had gegeven. Handelen wij zo, dan kunnen wij God niet behagen.
1 Korinthe 10:7
KruisverwijzingenExodus 32:6→Deuteronomium 9:16→Exodus 32:4→Exodus 32:17→Psalmen 106:19→Deuteronomium 9:12→Exodus 32:19→1 Korinthe 5:11→— En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
Dat wil zeggen: die onreine riten en plechtigheden voor hun afgoden doorlopen, die hier “spelen” genoemd worden. Ach, geliefde vrienden, moge God ons bewaren voor de verering van iets dat wij met onze ogen kunnen zien of met onze oren kunnen horen! Laten wij nooit afgodendienaars worden. U weet, wij kunnen heel gemakkelijk afgoden maken van onze kinderen; wij kunnen afgoden maken van onszelf, van onze talenten, van ons aanzien, en zo meer. Maar het maakt niet uit wat de afgod is; hij is voor God niet welbehaaglijker als hij van zilver en goud is dan wanneer hij van rivierslijk gemaakt is.
1 Korinthe 10:8
KruisverwijzingenNumeri 25:1→1 Korinthe 6:18→Psalmen 106:29→1 Korinthe 6:9→Openbaring 2:14→— En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.
Hoererij onder Gods volk is bijzonder zwart en vuil. Bij een gewoon wereldmens is het al erg genoeg. Maar wanneer iemand belijdt christen te zijn, moet hij zelfs de gedachte eraan ontvluchten en zichzelf rein bewaren, want zijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Moge geen van ons ooit ergens bij deze grote zonde in de buurt komen, maar mogen wij in reinheid van hart voor onze God wandelen!
1 Korinthe 10:9
KruisverwijzingenNumeri 21:5→Exodus 17:7→Exodus 17:2→Psalmen 78:18→Psalmen 106:14→Psalmen 78:56→Hebreeën 3:8→Deuteronomium 6:16→— En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.
Ik kan niet alle manieren noemen waarop wij Christus kunnen verzoeken, maar wij kunnen het nog altijd gemakkelijk doen. Wat een verschrikkelijk lot was het, door slangen verdelgd te worden! Toch is het niet zeer merkwaardig dat, in verband met deze grote zonde en haar vreselijke straf, de koperen slang hoog verheven werd, opdat wie ernaar keek, zou leven? En nu, als iemand Christus verzocht heeft door moedwillige zonde, door uitstel of ongeloof, laat hij God zegenen dat hij nog niet door slangen verdelgd is. Dat is omdat Christus verhoogd is, evenals de koperen slang boven het leger van Israël verhoogd werd. Denk aan de woorden van onze Heere tot Nicodémus: “Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Johannes 3:14-15).
1 Korinthe 10:10-12
KruisverwijzingenRomeinen 15:4→Romeinen 11:20→Exodus 12:23→2 Samuël 24:16→Mattheüs 26:40→1 Kronieken 21:15→Numeri 16:41→1 Korinthe 9:10→— En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver. En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
Het is een verschrikkelijke gewoonte om in te vervallen, dat murmureren tegen God. Af en toe murmureren is ongetwijfeld zondig, maar gewoontematig murmureren wordt een zeer groot kwaad. Ik vrees dat sommigen zo lang kritiek leveren op Gods voorzienigheid en op Zijn Woord, dat zij niets anders meer worden dan vitters. En wat voor nut heeft een mens die niets anders kan dan vitten en kritiseren? Deze dingen waren voor hen als een boek waarin wij onze eigen geschiedenis in grote letters kunnen lezen. Wij zien onszelf in hen afgebeeld, en wij lezen ons geluk of onze ellende in hun gedrag. Begint iemand te menen dat hij staat, dan kan het zijn dat dit slechts zijn eigen verbeelding is; er is misschien geen werkelijk staan bij. En er is geen zekerder teken dat iemands inschatting van zichzelf onjuist is, dan het feit dat zij hoog is. Wie zichzelf goed acht, is nog niet begonnen goed te zijn, want de deur van het paleis van de wijsheid is nederigheid, en de poort van de tempel van de deugd is ootmoed.
1 Korinthe 10:13-14
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:9→2 Timotheüs 4:18→1 Petrus 5:8→Lukas 22:46→1 Thessalonicenzen 5:24→Hebreeën 12:4→Efeze 6:12→Daniël 3:17→— Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.
Dit vers zou ik graag boven elke avondmaalstafel in elke gemeente in Engeland willen zien staan: “Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.” Werd deze tekst goed begrepen, dan zou elk kruisbeeld in stukken gebroken worden. De altaren zelf zouden weggeruimd worden om plaats te maken voor wat daar behoort te staan: de tafel van de Heere. Dan zouden wij geen verering meer hebben van zichtbare dingen, wat afgoderij is. O u die de zeer geliefden van God bent, vlied ervan! Blijf er zo ver mogelijk vandaan. God heeft gezegd: “Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God”, en Hij zal niets dulden dat tussen ons en de zuivere, eenvoudige verering van Zijn onzichtbare Zelf komt.
1 Korinthe 10:15-19
KruisverwijzingenRomeinen 12:5→1 Korinthe 8:4→Handelingen 2:42→Mattheüs 26:26→1 Korinthe 12:12→Kolossenzen 3:15→1 Korinthe 12:27→1 Korinthe 8:1→— Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg. De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus? Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn. Ziet Israel, dat naar het vlees is: hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
Nadat men de dieren als offer aan hun afgoden had gebracht, was het de gewoonte de karkassen in het vleeshuis te verkopen. Christenen die naar de markt gingen om vlees te kopen en geen vragen stelden, kochten en aten delen van deze offers zonder enig kwaad te doen. Maar er waren sommigen in de gemeente die zeer teergevoelig van geweten waren, en die zeiden: eten wij vlees dat aan afgoden geofferd is, dan worden wij daardoor deelgenoten van de afgodendienaars. Daarom schreef Paulus:
1 Korinthe 10:20-21
KruisverwijzingenOpenbaring 9:20→Mattheüs 6:24→2 Korinthe 4:4→Psalmen 106:37→2 Kronieken 11:15→Deuteronomium 32:16→Jesaja 65:11→1 Koningen 18:21→— Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.
Het kan niet; er moet een scheiding zijn tussen deze twee dingen. Wij kunnen geen behagen scheppen in afgodenverering en toch de Christus van God aanbidden.
1 Korinthe 10:22-28
Kruisverwijzingen1 Korinthe 6:12→Deuteronomium 32:21→1 Korinthe 8:9→Psalmen 24:1→1 Korinthe 10:33→Filippenzen 2:21→1 Korinthe 13:5→1 Korinthe 8:7→— Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij? Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is. Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil; Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve. En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil. Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
U mag het vlees dus best eten, want de afgod is helemaal niets. Maar wordt u erop gewezen dat het vlees aan afgoden geofferd is, en zou u door het te eten schijnbaar deelnemen aan de afgodenverering, onthoud u er dan van — niet omwille van uzelf, maar omwille van hem die daardoor tot struikelen gebracht zou kunnen worden. Dit is een veilige regel voor christelijk gedrag op nog vele andere terreinen. Er kunnen dingen geoorloofd zijn, zowel in drank als in spijs, die iemand zonder te zondigen tot zich mag nemen. Maar weet hij dat zijn voorbeeld anderen op een dwaalspoor brengt, laat hij er dan voor waken zo’n voorbeeld niet te geven. Zegt iemand tot u: “Dat is afgodenoffer”, “eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil: want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.”
1 Korinthe 10:29
Kruisverwijzingen1 Korinthe 9:19→1 Korinthe 8:9→2 Korinthe 8:21→Romeinen 14:15→1 Korinthe 10:32→1 Thessalonicenzen 5:22→— Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?
Die man kan het misschien niet doen zonder zichzelf schade te berokkenen, maar ik wel, en ik heb de vrijheid het te doen. Toch behoor ik, als christen, rekening te houden met zijn onvermogen, en behoor ik mijn vrijheid niet te gebruiken uit vrees mijn broeder te schaden.
1 Korinthe 10:30-31
KruisverwijzingenKolossenzen 3:17→Kolossenzen 3:23→1 Petrus 4:11→Romeinen 14:6→1 Timotheüs 4:3→Lukas 11:41→Deuteronomium 12:18→Deuteronomium 12:7→— En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg? Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
Zou iets wat u zou kunnen doen God niet verheerlijken, doe het dan niet.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En ik wil niet, broeders, om u de zo-even besproken waarheid, dat wel vele geroepenen maar weinigen uitverkorenen zijn, uit het leven van Israël duidelijk te maken, dat u onwetend bent (Rom. 1: 13; 11: 25), dat onze vaders allen onder de wolk waren, die hen beschermde tegen Egypte’s koning en leger en b) allen door de zee doorgegaan zijn, waarvan het water ter rechter en linker kant als muren stond (Ex. 14: 19 vv.).
Exod. 13: 21. Num. 9: 18. Deut. 1: 33. Neh. 9: 12, 19. Ps. 78: 14; 105: 39. b) Exod. 14: 22. Joz. 4: 23. Ps. 78: 13.
En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, omdat zij aan hem als de middelaar van het Oude Verbond (Gal. 3: 19), door God als Zijn vrijgemaakte gemeente werden overgegeven tot verdere leiding en verzorging en ook verplicht waren hem te volgen (Ex. 14: 31);
En allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben (Ex. 16: 13 vv. Ps. 78: 23 vv. Wijsh. 16: 20 v.
En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben (Ps. 78: 13 vv.) in het water, dat de Heere op wonderbare manier schonk; want zij dronken zo vaak zij zo uit de rotssteen gedrenkt werden (Ex. 17: 6. Num. 20: 11. Ps. 78: 15 v. Jes. 48: 21), uit de geestelijke steenrots, die volgde 1); en de steenrots was Christus en nu gaat ons, die Christenen zijn, die gebeurenis zo veel temeer aan, omdat wij met diezelfde Heer te doen hebben als zij.
Deze uitdrukking is zeer onderscheidelijk opgevat. Onzes erachtens zegt het woord volgens de bekende stijl van de LXX gehoorzamen; de rotssteen in Rafidim werd door Mozes geslagen, om op een wonderdadige manier water op te leveren en hij volgde of gehoorzaamde Mozes, zodat er meteen een stroom van water uit voortkwam.
Maar in het merendeel van hen, namelijk in allen, die ook uit Egypte waren getrokken, uitgezonderd alleen de twee mannen (Num. 14: 20 vv. ; 26: 65, heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn allen, met uitzondering van die twee, in de woestijn neer geslagen (Ps. 106: 26. Hebr. 3: 17).
De apostel is in Hoofdstuk 9: 23 vv. ertoe overgegaan om te spreken van het bedwingen van zichzelf, dat de roeping van de Christen is, als hij zijn Christelijke loopbaan zo wil volbrengen dat hij de zegeprijs behaalt. Hij heeft zichzelf als een voorbeeld voorgesteld, evenals vroeger ten opzichte van zijn afstand doen van datgene, waarop hij recht had, zo ook nu, wat het bedwingen van zichzelf aangaat. Nu blijft hij in dezelfde zamenhang van gedachten, als hij van Hoofdstuk 10 af feiten herinnert uit de gebeurenis van het volk van God, dat op de weg van Egypte naar Kanaän was, gebeurtenissen die bewijzen dat men zonder die betoming van het lichaam en van zijn behoeften en begeerten, vrezen moet om verwerpelijk bevonden te worden, ja zelfs op de weg van het heil nog verloren kan gaan. Hij gebruikt de vorm, of hij een ontzaglijke mogelijkheid wil bevestigen, die hij zelf voor ogen houdt. Hij wijst op die feiten, met een “ik wil niet, dat u onwetend bent” die inleidend. Omdat die feiten de lezers zelf bekend waren, is die inleiding alleen daardoor te verklaren dat hij ze, zowel wat de genadestaat, als wat het lot van Gods volk aangaat, wil overbrengen op het Nieuw Testamentische en dus wil toegepast hebben op de lezers, op de Christelijke gemeente. Paulus noemt het volk, dat uit Egypte naar Kanaän trok, “onze vaders” in geen andere zin, dan waarin hij ook Abraham “onze vader” noemt (Rom. 4: 1; 12 en 16), namelijk in zoverre de Nieuw Testamentische gemeente, de in haar ingelijfde heidenen ook ingesloten, in het Oud Testamentische volk van God zijn voorvaderen heeft (Gal. 3: 29). Hij wil nu ook duidelijk maken, die inwendige verwantschap er bestaat tussen de genade, die aan die vaderen, allen zonder onderscheid en die de Christenen, eveneens allen zonder onderscheid zijn overkomen. Daarom denkt Paulus er aan hoe de eersten onder de wolk zijn geplaatst, die beschermend en leidend boven hen zweefde en aan hun wonderbare redding door de zee. Hij voegt daar dadelijk bij dat zij hierdoor in Mozes gedoopt zijn. Hij spreekt van hun wonderbare spijziging en drenking in de woestijn en noemt voedsel en drank geestelijk, terwijl hij Christus als Degene voorstelt die hun de wonderbare drank heeft toegedeeld. De uitdrukking “zij werden in Mozes gedoopt”, is alleen verstaanbaar als wij in het oog houden dat zij aan de Christelijke doop moet doen denken. Wat de Israëlieten toen gebeurde en te vergelijken was met de Christelijke doop, plaatste hen in een gelijke verhouding tot de persoon van Mozes, als deze de Christenen tot de persoon van Christus, omdat dit hen verbond gehoor te geven aan zijn leiding. In hoeverre het voorgevallene zelf een dopen kan worden genoemd, is af te leiden uit hetgeen het volk daarmee gebeurde, dat de wonderbare wolk het onder zijn bescherming nam en de zee een ruimte gaf om door te trekken. Het zijn onder de wolk en het uitgaan uit de zee komt overeen met die overstroming met water bij de doop, die, omdat zij overstroming met de Heilige Geest afbeeldt, de dopeling overbrengt uit de staat van de Adamitische mensheid in de gemeenschap van Christus. Niet alleen met de doop, maar ook met het avondmaal van de Heere is iets afbeeldends de vaderen ten deel geworden en wel, evenals het eerste bij de uitvoering uit Egypte, zo ook dit op de weg van Egypte naar Kanaän. Zij hebben eten tot voedsel, drank tot verkwikking verkregen, die daarom geestelijk worden genoemd, omdat zij, hoewel in aard en werking van aardse natuur, toch hun oorsprong niet hadden in de orde van de schepping, maar in een daad van God ter zaligheid (vgl. Gal. 4: 29). Door de bijvoeging: “Zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde en de steenrots was Christus”, wordt die verklaring over het drenken in het bijzonder gerechtvaardigd. Het manna kwam zeker voor als wonderbrood, wat zijn gesteldheid aangaat, alsmede door de aard en de manier waarop het werd verkregen en omdat vroeger en later dusdanige voedsel niet had bestaan. Het water, dat uit de steenrots kwam na de aanraking van Mozes’ staf, was geen ander, dan dat de mensen ook anders dronken, maar de oorsprong ervan maakte het tot een geestelijke drank, omdat het niet de natuurlijke rots was, die aan haar plaats bleef en het ten gevolge van natuurlijke gesteldheid opleverde, maar een geestelijke rots, die volgde. De rots, die Israël geleidde, was de Heere, die de Schrift (Jes. 30: 29 vgl. Deut. 32: 15; Ps. 18: 30) de “rotssteen van Israël” noemt. De apostel zegt nu daarvoor, die was Christus en brengt daardoor dit toedienen van drank in verband met het Nieuw Testamentische, met het aanbinden van de drinkbeker van Christus, evenals het gebeurde bij Israëls verlossing uit Egypte door de uitdrukking: “zij werden gedoopt met de Christelijke doop” wordt in verband gebracht. Dat hij er zo toe dringt om in die rotssteen van Israël dadelijk Christus te zien, heeft zijn oorsprong in het feit, dat alle werk ter zaligheid van die God, die het Oude Testament predikt, een werk is van die God, die in de wereld komt en in zoverre van die Christus was, die de Nieuw Testamentische gemeente als haar Heer belijdt; want sinds Hij geopenbaard is, weten Zijn gelovigen Hem, die in de wereld is gekomen, die God is en de God, die Hem in de wereld gezonden heeft, te onderscheiden, terwijl te voren dit onderscheid in de éne naam van de Heere verborgen was geweest.
Paulus heeft een voorliefde voor de spreekwijze, waarmee hij hier de rij van zijn waarschuwende voorbeelden begint: “ik wil niet dat u onwetend bent” (vgl. Hoofdstuk 12: 1.
2 Kor. 1: 8. 1 Thess. 4: 13 Zij vestigt de aandacht nadrukkelijk op een waarheid, of nog niet voldoende erkend òf nog niet geheel toegepast. Zij komt nooit anders voor dan verbonden met de uitdrukking “broeders”, dat natuurlijk bedoelt niet alleen opmerkzaamheid te wekken, maar ook zich ingang te verschaffen.
Hij wil daardoor brengen tot toepassing van zijn eigen voorbeeld op de lezers, alsof hij wilde zeggen: “ik ben er voor bezorgd, dat ik niet zelf verwerpelijk wordt; draag gelijke zorg voor uzelf; denkt er aan, hoe aan Israël, ondanks alle genade die het heeft ontvangen, eindelijk het oordeel van de verwerping is uitgeoefend. Zeg niet, wij hebben doop en avondmaal, hoe kan de zaligheid ons ontgaan? Israël heeft ook iets dergelijks gehad en toch is ten slotte het grootste getal van zijn leden (die uitdrukking: “het merendeel” verkrijgt daardoor groot gewicht, dat aan de lezers het kleiner deel niet onbekend kon zijn) een prooi van het verderf geworden. ” De betoningen van genade, waarin Israël zich mocht verheugen en die de voorbeelden zijn voor de Nieuw Testamentische genade van de gemeente van God, worden nu door de apostel aangevoerd.
Van groter belang is de bij elkaar plaatsing van doop en avondmaal, als van de beide Nieuw Testamentische tekenen van gemeenschap, waarvoor Paulus’ Oud-Testamentische analogie opzoekt. Zij is een getuigenis voor de overtuiging van de Protestanten over het tweetal van de sacramenten.
Waarop de apostel bij het optellen van de goddelijke zegeningen aan de vaderen hoofdzakelijk wil drukken, toont het vijfmaal herhaalde “allen”, waarmee hij terugwijst op het gezegde in Hoofdstuk 9: 24 “allen goed lopen. ” Het slotwoord van het Septuagesima Evangelie, “velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” gaat samen met het einde van het Septuagesima-hoofdstuk: “allen hebben de daden van Gods genade, waardoor zij werden geroepen, ondervonden, maar aan de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad. ” Evenals nu Petrus in het water van de zondvloed, dat de reddingsark boven de veroordeelde wereld droeg, het doopwater afbeeldt, zo laat ons Paulus in de Rode zee, die door de wolk gewijd is tot reddingswater, een voorbeeld zien van onze doop. Het sacramentele voorbeeld van de doop, de besnijdenis, droegen de kinderen van Abraham, elk in het bijzonder aan hun lichaam, maar met wolk en zee werden zij tot een volk gedoopt, allen tot één lichaam (Hoofdstuk 12: 18). Daarom zegt Paulus: zij werden met de wolk en de zee gedoopt, in Mozes, de middelaar van het verbond van de wet en de leidsman, die met de staf van God ontvangen, het volk leidde en regeerde. Maar in Mozes was voor hen Christus aanwezig, in wie wij gedoopt zijn met water en geest, want begrepen in het woord en de daden van Mozes bood de Heiland en Overste van hun zaligheid Zich hun aan en het geloof van het volk vestigde zich door Mozes op Christus in het beginsel van het geloof van het hele volks, zodat het hele leger van de Heere op een dag uit Egypte trok en, zoals Melanchton zegt, in vertrouwen op het woord van Mozes in de zee daalde. Als Paulus verder het voedsel en de drank van de vaderen in de woestijn “geestelijk” noemt, dan doet hij het in de eerste plaats daarom, omdat het manna en het rotswater geen voortbrengselen van de natuur waren, maar gaven door het woord van God voortgebracht (zoals ook in Gal. 4: 29 Izaak gezegd wordt naar de Geest geboren te zijn); ook het brood, dat op aarde groeit, tot het water, dat men uit de put schept, zijn gaven van God, maar is het manna, dat van de hemel neerdaalde en in het water, dat uit de droge rotssteen sprong, aten en dronken de Israëlieten een voedsel en een drank, waardoor zij ook hun geestelijk leven voedden, want zij aten en dronken in geloof in het woord van de genade van God, die hen voedde in de woestijn (Deut. 8: 3). Daarom wordt hun voedsel en hun drank ook geestelijk genoemd, omdat de zegen van dit voedsel en van deze drank tevens voor de geest en niet slechts voor het lichaam een zegen bedoelde. Van de kant van God was nu voor allen, die aten en dronken geestelijke voedsel en geestelijke drank bereid tot het geestelijke, eeuwige leven. De ongelovigen daarentegen aten en dronken zichzelf daaraan het oordeel van de dood en als nu Paulus uitdrukkelijk zegt dat zij allen hetzelfde voedsel gegeten en dezelfde drank gedronken hebben, dan is eveneens het brood van het avondmaal, het lichaam van de Heere en de wijn van het avondmaal, het bloed van de Heere, in de mond van allen, die aan het avondmaal van de Heere deelnemen, gewerkt niet door het geloof van degenen die het ontvangen, maar door het woord van de Gever, hoewel dezelfde wonderbare voedsel en dezelfde wonderbare drank volgens Hoofdstuk 11: 27 alleen voor de gelovigen ten leven, voor de ongelovigen ten dode is.
De rots, waaruit het water kwam op het woord van Mozes, wordt ook een geestelijke genoemd, niet als was die, wat zijn gesteldheid aangaat, geen werkelijke, geen natuurlijke rots geweest, maar omdat daaraan de werking van God duidelijk werd, waardoor het water daaruit ontsprong. Nu gebeurde dit voortkomen van het water uit de rots niet eenmaal, maar voor zover ons verhaald is, tweemaal. Het was dus niet een enkele bepaalde rots, waaraan die wonderdaad verbonden was, maar zo vaak dezelfde behoefte terugkeerde, was ook de watergevende rots weer aanwezig, want elke kon dezelfde dienst doen door dezelfde werking. In die betekenis komt de rots voor als een, die de kinderen van Israël op hun tocht vergezelde. Ging de steenrots niet van haar plaats, zij vonden toch overal, waar zij het nodig hadden, de rots weer, die hun water gaf. De rots zelf is het veelbetekenende niet, de kracht, die water toedeelt, is de hoofdzaak en deze kan elke rots tot haar dienst gebruiken. Maar deze kracht is van God en wel van die God, die in Christus Jezus wordt gekend, van die God, die bij God was in het begin, die vlees is geworden en onze Verlosser. Hij wordt de rots genoemd, die volgde, omdat Hij het is, door wiens werking verschillende rotsen na elkaar dezelfde kracht verkregen, dat zij water konden geven.
Het is waar dat onze zaligheid niet in onze hand ligt, dat het aankomt op de daden en de leidingen van God en niet op ons gedrag, wanneer wij zalig worden. De zielzorgers moeten ook juist bij de nauwgezetste leden van de gemeente zeer vaak waarschuwen tegen te grote betekenis hechten aan eigen inwendig leven, eigen geestelijke ervaringen en toestanden. Vele Christenen dringen met een soort van wettelijkheid op inwendig leven aan en kwellen zichzelf en anderen, als zij bij zichzelf die hoogte en volkomenheid niet kunnen vinden, die zij zoeken. Dergelijke waarnemingen brengen hen soms niet tot verootmoediging en kleinheid, maar tot wanhopen aan hun zaligheid. Dan moet gepredikt worden dat God meer is dan ons hart en dat wij in de sacramenten dierbare onderpanden hebben van Zijn barmhartigheid, genade en lankmoedigheid en van Zijn redding aan het einde ten eeuwigen leven. Men kan in dergelijke gevallen vaak niet genoeg wijzen op de voldoening van de verdienste van Jezus Christus, omdat ieder ogenblik het hart wil overgaan tot wanhoop bij het gevoel van de diepte van de zonde. Wat zou men doen als men niet kon wijzen op de beloften van God? Nog een ander geval! Waarmee zouden de zielverzorgers zich troosten met het oog op de meesten, die aan hen zijn toevertrouwd? Wat uitwendig bij de meesten op te merken is, is zo armzalig en gering; zo weinig geestelijke vrucht en zegen wordt bij hen zichtbaar, dat men omwille van hen, vaak ook bij het sterven, zou moeten vrezen als men in de genademiddelen geen zo krachtige tekenen had van de onuitsprekelijke liefde van God en zulke onderpanden voor de verborgen, inwendige werking van de Heilige Geest aan de zielen, dat men zich daaraan kon in de hoogte richten. Hoe langer men in een bediening is, des te meer hoopt men op God, des te minder neigt men ertoe aan de mens het geluk van het eeuwige leven toe te kennen of te ontzeggen naar het uitwendige van zijn toestand. Gods genadewerk wordt te groter en heerlijker, naarmate men minder vertrouwen stelt op de staat van de mensen. Maar zo waar als dit is en zoveel vaster men kan vertrouwen op Gods onuitsprekelijke genade en haar krachtige middelen, dan op de zichtbare trap van het inwendig leven en van de heiligmaking, zo zeker is het toch ook dat de mens zelf alle reden heeft om zijn inwendig en uitwendig gedrag en de voortgang van zijn heiligmaking te beproeven en in het oog te houden. Of waarom zijns ondanks alle genade en alle wonderen zo vele duizende Israëlieten in de woestijn neergeslagen en begraven, dan omdat hun persoonlijk gedrag God niet behaagde. En waarom zijn van de vele duizenden Israëlieten in de tijden van het Nieuwe Testament zo weinigen slechts zalig geworden? Heeft het hen aan genade ontbroken? Is er voor hen geen opgang uit de hoogte, geen schijnsel van die zon, die Jezus Christus heet, geen prediking, geen uitnodiging ter zaligheid geweest? Zeker zal niemand dat kunnen zeggen: maar zij hebben niet gewild, evenals hun vaders zo ook zij en evenals daarom Jezus Christus in het begin van Zijn lijdensweek over hen heeft geweend, omdat zij Zijn genadige roeping niet wilden volgen, zo is ook nu nog voor ieder waar vriend van Israël de blindheid en verharding van het uitverkoren volk, het zelf de schuld is, beklagens- en bewenenswaardig. Evenals Israël zo ook wij! Wij mogen inderdaad al die vragen wel aan ons zelf doen, of niet de donkerrode, bloedige stroom, waarop het Israël van de Nieuw Testamentische tijd tot eeuwige verdoemenis is voortgevaren, ook het vaarwater is dat ons meesleurt en onze eeuwige ellende bevordert. Er ligt zoveel aan ons eigen gedrag gelegen dat niemand zich kan of mag verlaten op de hemelse roeping en de genademiddelen, die met eigen wil op de verkeerde baan volhardt.
Hoewel onze goede Christelijke werken Gods welgevallen niet kunnen verdienen, kunnen toch onze boze onchristelijke werken Gods welgevallen van ons verdrijven en ons de zegen ontroven, waarmee wij door de prediking van het Evangelie en door de sacramenten begiftigd zijn.
EPISTEL OP NEGENDE ZONDAG NA TRINITATIS
Dit epistel sluit zich dadelijk aan de voorgaande van de achtste zondag na Trinitatis aan (Rom. 8: 12 vv.). Hoe gemakkelijker het kindschap van God, daar besproken, door verkeerde verklaring zou kunnen verleiden tot een zeer bedenkelijk gevoel van gerustheid, des te noodzakelijker scheen het ter waarschuwing te wijzen op het volk van Israël, dat zich veilig waande in het trots gevoel Gods uitverkoren volk te zijn en daarom de goddelijke gerichten ten prooi werd.
De onrechtvaardige rentmeester in het Evangelie van dezen negende zondag na Trinitatis (Luk. 16: 1 vv.) handelde “voorzichtig” en werd om die sluwheid door zijn heer geprezen. Hij zorgde voor Zijn behoud en maakte zich de korte tijd, die hem gegeven was, ten nutte. Van hem moeten wij de ware voorzichtigheid leren, dat wij denken aan ons eeuwig leven en gebruik maken van de tijd van de genade. Dat heeft Israël niet gedaan, het heeft integendeel Gods genade moedwillig weerstaan en nu moeten wij aan hen een waarschuwend voorbeeld nemen.
Israëls overtredingen in de tijd van zijn reis: zij moeten ons dienen 1) tot een spiegel van onze schuld, 2) tot een beteugeling van onze zonde.
Israëls vallen in de woestijn een krachtige waarschuwing voor het reizende Christenvolk. Laat u terughouden 1) van Israëls afgoderij, 2) van Israëls vleselijke gezindheid, 3) van Israëls mopperen tegen God.
De bestrijding en de hulp bij onze pelgrimstocht: 1) Geef acht, vijf vijanden bestrijden u: 2) houd moed, een vriend zal ze overwinnen.
Twee valse toestanden van ons hart in de verzoekingen, die ons treffen 1) valse gerustheid, 2) valse angstvalligheid.
Wat moet ons bewaren voor vleselijke gerustheid? 1) de rijkdom van de goddelijke genade, 2) de ernst van de goddelijke oordelen, 3) de menigte van verzoekingen, die ons omringen en 4) de zwakheid van ons arm hart.
De gevaren, die op de weg door de woestijn van dit leven naar het beloofde land daarboven ons bedreigen: 1) welke zijn deze gevaren niet en welke zijn ze in waarheid? 2) hoe overwinnen wij de verzoekingen van de duivel, van de wereld en van ons vlees en hoe doorstaan wij de beproevingen van God. (EIG. ARB.).
En deze dingen, die, volgens het vroeger herinnerde, Israël ondervonden heeft van Gods genade en oordelen, zijn gebeurd om ons tot voorbeeld te strekken. Wij moeten opmerken, waarom de genade bij hen ten slotte tot een oordeel werd. Wij moeten onze voet bewaren, om niet op hun wegen te gaan. Het is ons beschreven, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals zij op zo velerlei manier lust gehad hebben.
Een voorbeeld is altijd iets geschiedkundigs (een persoon, een gebeurtenis, een zaak), dat op een lagere trap van ontwikkeling omtrent het rijk van God staande, de bestemming heeft iets toekomstigs vooraf te beelden, dat op hogere trap staat. Zo waren de voorvallen in Israëls gebeuren bestemd het daarmee overeenstemmende gedrag en lot van de Christenen in voorbeelden voor te stellen. De Christenen moeten uit het lot, dat Israël trof, zien wat zij na het ontvangen van dergelijke weldaden door gelijke ondank voor straffen te wachten hadden. Ja, de werkelijkheid zal het beeld overtreffen; en Chrysostomus merkt terecht op dat men uit de woorden van de apostel kan zien hoe de straf bij de Christenen nog groter zou zijn dan bij Israël, want, evenals ten opzichte van de genade, de werkelijkheid het voorbeeld overtreft, zo zal het ook ten opzichte van de straf zijn.
Deze dingen (het woord sluit beide in, zowel zaken, zoals de waterdoop en de wonderbare spijziging en drenking, als personen, namelijk de velen die in de woestijn zijn gevallen) moeten door ons niet worden beschouwd als een lering een vermaning een waarschuwing, maar de apostel zegt dat zij met een bepaald propadeutische, pedagogische bedoeling van God plaats hebben gehad. De apostel noemt ook het doel, dat God daarbij op het oog had, als Hij het alles juist zo plaats liet hebben, met de woorden “opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben. ” De uitdrukking, in de grondtekst daarvoor gekozen, die niet bestaat in een eenvoudig werkwoord, maar in een omschrijving, dat wij geen begeerders van kwade dingen zouden zijn, stelt de begeerte voor als een constante, blijvende gesteldheid.
Men mag dat niet beperken tot het begeren van de Israëlieten naar vlees (Num. 11: 4), het doelt integendeel op de boze lusten, die zij zo vaak en veelvuldig op hun tocht openbaarden, dat begeren niet uitgesloten. Na de algemene waarschuwing volgen dan in vs. 7-10 vier bijzondere waarschuwingen tegen verkeerdheden, waartoe de lust tot het kwade zo makkelijk kon.
Bij elk van de dingen, die de apostel aanhaalt, wordt gedacht aan een verkeerdheid bij de Korinthiërs.
En wordt, om hier nog nader te handelen over bijzondere openbaringen van hun boze begeerten, die in het bijzonder moeten worden opgemerkt, geen afgodendienaars door deel te nemen aan heidense offermaaltijden en de daarop volgende feestelijkheden (Hoofdstuk 8: 10), zoals sommigen van hen waren, zoals geschreven staat in Ex. 32: 6 : “Het volk zat neer om te eten en om te drinken en zij stonden op om te spelen.
En laat ons niet hoereren, a) zoals sommigen van hen, in het bijzonder de Simeonieten (“Nu 25: 1” en “Nu 26: 14” Hos. 9: 10) gehoereerd hebben en vielen op een dag ten gevolge van de door God beschikte plaag (Num. 25: 3 vv.) drieëntwintig duizend, waarbij nog een duizend kwamen, die onder de slagen van de rechters vielen (Num. 25: 4 v.).
En laat ons Christus (volgens een andere lezing “de Heere” vgl. vs. 4) niet verzoeken, doordat wij ons ontevreden betonen over onze tegenwoordige toestand als Christenen, omdat deze zo veel verloochening in zich sluit van zingenot, dat men vroeger in het heidendom had, a) zoals sommigen van hen, in de gebeurenis Num. 21: 4 vv. gemeld, verzocht hebben en werden van de slangen vernield.
Ps. 106: 14.
Het overeenkomstige van de drie eerste waarschuwingen (vs. 6, 7 en 8) is, dat de eerste waarschuwt tegen terugverlangen naar hetgeen tot het heidense verleden behoorde, de tweede tegen deelneming aan genietingen, met de heidense afgodendienst verbonden, de derde tegen een zonde, die in het bijzonder tot het heidense leven behoorde (1 Thess. 4: 5); alle drie doelen dus op heidens verloochenen van de Christelijke staat. Hoewel nu toch, zoals tevoren is opgemerkt, het “geen lust hebben tot het kwaad” in vs. 6 niet slechts een zo enkel geval bedoelt, als in Num. 11: 4 wordt bericht, zo is toch de uitdrukking klaarblijkelijk voortgevloeid uit een bijzonder zien op die gebeurtenis en wil hij de Korinthiërs ongeveer het volgende zeggen: een begeerte van de Israëlieten als die, waarvan op die plaats bericht is gegeven, was een begeerte naar hetgeen zij hadden gehad, voordat de Heere hen uit Egypte verloste. Hierin nu moesten de Christenen hen niet navolgen en terwijl zij het heil bezaten, dat hen in Christus was ten deel geworden, moesten zij zo’n lust niet voelen naar hetgeen voor hen had opgehouden waarde te hebben, sinds dat zij in Christus gemeenschap waren ingetreden. Was het door hun vereniging met Christus voor hen afgesloten, dan was het ook kwaad. Dit was ook het geval met alle lusten, die hun wortel hadden in de heidense afkerigheid van de mensen van God (1 Petr. 4: 3) en het was ook waar van het gezellig genot, dat met de heidense offerdienst verbonden was.
Het vlees, waarop het volk belust werd, is op zichzelf niets zondigs, maar met versmading van het door God hun aangewezen voedsel eigenzinnig begeerd, werd de middenzaak voor hen tot een kwade, evenals dit ook in ander opzicht bij de Korinthiërs plaats vond, in zoverre zij met verloochening van de liefde tot de Heere en tot de broeders het vlees van het afgodenoffer aten. Aan de lust, tot zonde gestegen, verbindt nu de apostel haar slechtste vrucht, de afgoderij, voor deze waarschuwend. De overgang van het “opdat wij geen lust zouden hebben tot het kwaad” in de eerste persoon tot de tweede in: “word geen afgodendienaars”, waardoor de toepassing tot de Korinthiërs beperkt wordt, is hier zeer juist, want hier is in de eerste plaats indirect afgodendienst bedoeld door deelneming aan maaltijden van afgodenoffer. Het “sommigen van hen” doelt wel op leiders en woordvoerders, die, evenals gewoonlijk bij zondige nieuwigheden zo ook hier te denken zijn, misschien de hardnekkigsten, die als offers vielen van de straffende ijver van de Levieten (Exod. 32: 25 vv.) en wel wordt op deze gedoeld niet zonder terzijde te zien naar de invloedrijke voorgangers onder de Korinthiërs. De parallel, die Paulus hier waarschuwend trekt, is te treffender, omdat de Israëlieten evenmin door die symbolische beeldendienst als de Korinthische Christenen bij het bezoeken van heidense offermalen en werkelijke afgodendienst meenden te vallen.
Als de apostel in de woorden van het 8ste. vers herinnert aan het voorgevallene in Num. 25, dan was er ook voor de Korinthiërs een dergelijk gevaar, daar in de afgodentempels van Artemis en Aphródite de hoererij mede tot de cultus behoorde De Korinthische gemeente droeg nog de duidelijkste sporen van de boezemzonde van haar vaderland. Wij zien dit daaruit, dat naar Hoofdstuk 5 in de gemeente de zonde van de mens, die met zijn stiefmoeder bloedschande bedreef, niet krachtig bestraft werd, zodat de apostel met al het gewicht van zijn apostolisch gezag moest ingrijpen om de gemeente van deze schandvlek te reinigen.
En mopper niet tegen de leraars en leidslieden, u door de Heere verleend, als hun bestraffing u onaangenaam is, a) zoals ook sommigen van hen tegen Mozes en Aärongemopperd hebben en werden, volgens de mededeling Num. 16: 21 v. omstreeks 14. 700 in getal, vernield door de verderver, door de engel waarvan God zich bediende tot het voltrekken van de straf (Ex. 12: 23. 2 Sam. 24: 16. 2 Kon. 19: 35.).
Ex. 16: 2; 17: 2.
Van andere aard dan de waarschuwingen in vs. 6-8 zijn die in vs. 9 en 10. Verzoeken is een proef met iemand nemen, wat men hem kan doen, zonder dat hij zondigt (hetzij opdat hij zondigt, hetzij om hem te bevestigen “Ge 22: 1, of wat men hem kan aandoen of van hem zeggen, zonder dat hij ophoudt, goed te zijn of begint boos te worden en te straffen (“De 6: 16. Mopperen is een uiting van mismoedigheid, tot welke men meent gerechtigd te wezen, zonder het te zijn. In hoeverre de apostel aanleiding vond voor beide te waarschuwen is te zien uit de manier op gelijksoortige verzondigingen van het Israël dat zich op weg naar Kanaän bevond. Dat het eerste de gebeurtenis, in Num. 21 bericht, op het oog heeft, is duidelijk uit de aard van de straf van deze zonde, die herinnerd wordt. Is het toen de ondankbaarheid over de Verlosser uit Egypte en Zijn wonderbaar voeden van de woestijnreizigers geweest, de ondankbaarheid die zich openbaarde bij het volk, dat Zijn wonderbare voedsel verachtte en Hem dwong Zijn gevoelige genadehand van hen af te trekken, dan kan de zonde, waarvoor de apostel waarschuwt, ook alleen daarin bestaan dat men de genade van Christus minacht om de ontbering, die men zich moet getroosten, als men uit de wereld verlost is en als een lid van Zijn gemeente de toekomstige verlossing tegemoet gaat. Minder twijfelachtig is het, aan welke gebeurtenis de apostel in vs. 10 herinnert met de woorden “werden vernield door de verderver. ” Daarmee moet een sterven bedoeld zijn, dat evenzeer verschillend is van een sterven door een zichtbare oorzaak, zoals daar door de slangen, als van het gewone lot van een gaandeweg wegsterven, zoals dat over Israël kwam tengevolge van het mopperen in Num. 14 bericht, een sterven dus dat door een ziekte bij menigten wegraapte, evenals dat van de menselijke eerstgeborenen van Egypte. Een sterven van die aard wordt in Num. 16 bericht als bestraffing van dat mopperen, waaraan het volk na de verschrikkelijke ondergang van Korach en zijn rot tegen Mozes en Aäron zich schuldig maakte. Daaruit zal dan ook moeten worden afgeleid waartegen zonde de apostel zijn lezers waarschuwt met de aanmaning: “mopper niet. ” Zij moeten de tucht, die in de naam van Christus in hun midden wordt uitgeoefend, niet houden voor een reden van ontevredenheid en er niet over mopperen als over iets onbehoorlijks, dat de gemeente overkwam. Is deze de mening, dan is het ook duidelijk, waarom er ditmaal niet staat “laat ons niet mopperen; ” want de apostel kan zichzelf niet uitsluiten in de mogelijkheid van deze zonde, nadat hij op het woord “word geen afgodendienaars” in vs. 7 een andere manier van spreken had laten volgen “opdat wij geen lust tot het kwaad hebben” en deze weer verwisseld had met de vorm van vermaning in het meervoud ook tot zichzelf gericht, in vs. 8 en 9: “laat ons niet hoereren, laat ons niet verzoeken”, die bewezen dat hij zichzelf van het gevaar van zulke zonde geenszins uitsloot en dit opzettelijk had laten volgen.
En al deze dingen zijn hen, de Joden, die nog in het begin van de gebeurtenis van het Godsrijk waren, overkomen tot voorbeelden, a) en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, b) op welke de einden van de eeuwen gekomen zijn Ac 2: 17.
Rom. 15: 4. 1 Kor. 9: 10. b) Filipp. 4: 5. Hebr. 10: 25.
Op een dergelijke manier als de apostel het waarschuwende van de Oud-Testamentische gebeurtenissen bij de Christenen heeft ingeleid (vs. 6) sluit hij ze nu ook. Hij beschouwt zijn tijd als de tijd van een crisis, als een tijd van zware beproevingen voor de gelovigen, waarin zij op hun hoede moeten zijn om zich met ernstig zelfverloochenen voor te bereiden en hij drukt het ook de Korinthiërs op het hart dat zij zich toch niet door gerustheid aan het grootste gevaar blootstellen.
Des te meer moeten wij deze gebeurtenissen met hun oordelen ter harte nemen, omdat wij niet meer midden in de tijd leven, waarin wij tijd en gelegenheid zouden hebben, om wat wij verzuimd hebben nog in te halen en zo het dreigend en voorafgeschaduwd gericht van God te ontgaan. Wij hebben, als wij deze tijd, waarin wij zijn, niet waarnemen, geen tijd meer om de zaligheid van onze zielen te bewerken, de tijd is integendeel kort, zeer nauw toegemeten (Hoofdstuk 7: 29); want het einde is nu gekomen.
Uit de gebeurenissen van het Oude Testament, vooral ook uit vele misstappen van de heiligen, zoekt men vaak voedsel voor het vlees; men moet daarbij echter veeleer denken aan Gods oordeel en straf. In plaats van de mensen voor te spiegelen alsof het had uitgediend, moest men liever opmerken, dat nu het gebruik eerst helderder van de en volkomener is dan vroeger.
Zo dan, als ik u de hoofdzaak van de gegeven vermaningen tenslotte nog kort voorleggen moet, die meent te staan, die zichzelf reeds acht in de staat van het ware Christendom te zijn en geen reden meer te hebben om nog eerst te strijden en te worstelen op de weg van zelfverloochening, zoals ik dat voor mijzelf doe (Hoofdstuk 9: 27), zie toe dat hij niet valt, dat hij niet uit hetgeen hij meent reeds bereikt te hebben weer in het oude heidendom terugkeert.
Het is een vreemde zaak, dat er zo iets bestaat als het hoogmoedig zijn op ontvangen genade. De een zegt: ik heb een groot geloof, ik zal niet vallen, dat kan met het arme klein geloof gebeuren, maar met mij zal dat nooit het geval zijn. Ik bezit vurige liefde, zegt een ander, ik kan staande blijven, voor mij is er geen vrees dat ik afdwaal. Hij, die zich op de genade verheft, heeft slechts weinig genade om er zich op te verheffen. Enigen, die zo doen, verbeelden zich dat hun genadegaven hen kunnen behouden, niet wetend dat de stroom zonder ophouden moet vloeien uit de hoofdbron, omdat anders de beek snel verdroogd zal zijn. Als er geen gedurige toevoer van olie in de lamp komt, hoewel zij helder brandt, zal zij morgen stomen en een schadelijke reuk verspreiden. Wacht er u voor dat u in uw gaven zou roemen, maar laat al uw roem en vertrouwen in Christus en in Zijn kracht zijn, want dan alleen kunt u voor vallen bewaard blijven.
Jullie heeft in die Christelijke toestand geen verzoeking bevangen dan menselijke, zoals ieder mens die ondervindt en als hij maar ernstig wil, die ook wel kan overwinnen (2 Sam. 7: 14. Hos. 11: 4); maar ook wat uw toekomst betreft zal uw staat niet bezwaarlijk zijn. a) God toch is getrouw, die u niet verzocht zal laten worden boven hetgeen u kan, maar Hij zal met de verzoeking telkens ook de uitkomst geven, zodat u onverwonnen en ongedeerd kunt uittreden (2 Petr. 2: 9). Hij zal dit zo maken, opdat u ze kunt verdragen.
1 Kor. 1: 8. 1 Thess. 5: 24.
Opzettelijk richt de apostel zijn vermaning tot hem, die meent te staan, omdat zo’n mening, waarmee men zichzelf vertroost, maar bij God geen verandering veroorzaakt, reeds het begin is van verderfelijke gerustheid. Zo algemeen als nu deze vermaning: “die meent te staan, zie toe dat hij niet valt” luidt, zo heeft zij toch door de aanleiding, die de apostel daartoe heeft gebracht, haar bijzondere bedoeling op het gevaar, waarin de Korinthische Christenen zich begaven, toen zij aan de godsdienstige maaltijden van hun heidense bloedverwanten of vrienden deelnemen. Hieruit is te verklaren, dat hij in onmiddellijke aansluiting aan deze vermaning, voordat hij in vs. 14 hen toeroept: “vlucht van de afgodendienst! ” van verzoeking spreekt, waartegen zij stand moeten houden. Niets maakte toch de breuk van de tot het Christendom bekeerden heiden met zijn verleden en met zijn vroegere omgeving zo openbaar, als wanneer hij weigerde verder gevolg te geven aan de uitnodigingen tot de maaltijden. En juist om de vijandschap en het nadeel, die hieruit konden ontstaan, te voorkomen, maakten de Korinthische Christenen zichzelf diets, dat zij zonder gevaar voor hun Christelijke staat aan deze konden deelnemen. Daarom voert de apostel hun tegemoet dat hun bezorgdheid om door gehele afbreking die gemeenschap met hun afgodische bloedverwanten en volksgenoten in al te zware verzoeking te komen tot afval van het Christendom, niet gerechtvaardigd kon zijn, noch met het oog op hun vroegere ervaringen, noch met het oog op hetgeen hen nog zou kunnen treffen. Dit mocht er hen dus niet toe verleiden om zich in een zo onmiddellijk gevaar te begeven tot deelneming aan de afgodendienst zelf, zoals die met de deelname aan die maaltijden verbonden was.
Ook in deze beide zinsneden (vs. 13 en 14) waarschuwt Paulus tegen hoogmoed en valse grootheid en ook tegen versaagdheid en vertwijfeling, die ook zo dicht aan elkaar grenzen. Een menselijke verzoeking schijnt een verzoeking te zijn die voornamelijk van menselijke krachten uitgaat, dus van het eigen vlees of van andere mensen en dit in tegenstelling met een verzoeking die voornamelijk van boze geesten uitgaat. Dezelfde tegenstelling komt voor Efeze. 6: 12. Vgl. de strijd van Paulus zelf 2 Kor. 12: 7 Intussen is dit altijd slechts te begrijpen met het rijk van het kwaad, tengevolge waarvan geen verzoeking zonder de satan te denken is. Uit die hoofde heten de geringere meer gewone verzoekingen menselijke, de zwaardere meer geestelijke, bovenal duivelse. De Korinthiërs hadden nog geen bange, nog geen hevige vervolgingen te lijden gehad. De apostel geeft hun nochtans te kennen dat zulke vervolgingen zouden kunnen volgen en hij wijst hen op de juiste vertroosting, die hen voor twijfel kan bewaren. God, die de verzoeking zond (d. i. niet de prikkel tot het kwaad, maar die hen plaatste in de omstandigheden waarin die ontwaakte (vgl. Matth. 6: 13. Jak. 1: 13, 14,) geeft met de verzoeking ook de gelukkige uitslag, wanneer wij ons daarbij geheel en al op Hem verlaten.
Het wijzen op de trouw van God, Zijn Zich steeds gelijk blijvende liefde, heeft betrekking op de goddelijke roeping (Hoofdstuk 1: 9), die als een onbetrouwbare zou kunnen voorkomen, als God over de geroepenen verzoekingen liet komen, die hun vermogen overtroffen. Evenals nu met de woorden: “die u niet verzocht zal laten worden boven hetgeen u kan” de maat van de verzoekingen is aangeduid, die steeds een zodanige is, dat die de kracht, door God verleend, niet te boven gaat, hetgeen tevens insluit dat hij voor latere zwaardere verzoekingen ook de krachten zal laten toenemen. Met de woorden: “maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen”, wordt gesproken over de duur van de verzoekingen en gezegd dat het veroorzaken van de verzoeking verbonden is met het geven van de uitkomst, dat God de verzoeking niet teweeg brengt zonder ook de uitkomst te geven, hetzij dat men dit in de zin van doen ophouden of van eindigen opvat (vgl. het “einde van de Heere” in Jak. 5: 11), of in de zin van uitweg of van ontkomen.
God is hier gedacht als degene, die de verzoeking teweeg brengt d. i. de verzoekende omstandigheden bewerkt (Matth. 6: 13), terwijl Hij vroeger wordt voorgesteld als degene, die verzocht laat worden. Beide zijn volgens Paulus’ beschouwing van de goddelijke werkzaamheid in het wezen van de zaak gelijk; de toelatende God is ook de werkende God, zodat beide voorstellingen elkaar kunnen afwisselen, zonder elkaar te weerspreken.
De verzoeking, die God duldt, die dus van zijn toelatende wil afhankelijk is, is daarom ook door Hem verordend. God regelt echter de verzoeking nooit voor zich alleen; Hij laat de mens niet verzocht worden om de verzoeking, zodat deze het doel en het einde van Zijn wegen zou zijn, maar zij is slechts een middel om tot het doel van alle wegen van God te komen. Daarom wordt met de gedurige verzoeking ook de uitkomst door God gegeven. Het best neemt men dit woord op in de zin van te voorschijn komen uit iets, van een gelukkig doorkomen.
God belooft ons niet dat de verzoekingen, terwijl wij in het vlees leven, voor altijd een einde zullen nemen, maar wel dit, dat wij met Zijn hulp zonder schade voor onze ziel door alle verzoekingen zullen heenkomen. De slotwoorden moeten zonder twijfel de bedoeling van God aanwijzen, waarom Hij met de verzoeking de uitkomst schenkt. Deed Hij dit niet, dan zouden wij in de verzoeking de moed verliezen, omdat wij niet wisten, dat alles tot een goed einde moest leiden en dus zeker vallen.
d. Vers 14 Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:7→1 Johannes 5:21→2 Korinthe 11:11→2 Korinthe 6:17→2 Korinthe 12:15→2 Korinthe 7:1→1 Petrus 2:11→Openbaring 2:14→
— Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.
– Hoofdstuk 11:1
Met krachtige ernst heeft Paulus in het vorige gewaarschuwd en met hartelijke liefde aan het slot van de afdeling vertroost. Nu grijpt hij de gewaarschuwden en vertroosten met tedere liefde aan om hen te bewegen tot het ontvluchten van al het afgodische en met een wijsheid ter verzorging van de zielen zoekt hij ze van hun dwaling terug te halen. Volgens hun mening bevlekten zich namelijk met afgodendienst het ergste die gasten bij de maaltijden van de afgoden, die het vlees van de afgodenoffers als afgodenoffer eten. Anderen, die de juiste kennis hadden van het nietige van de afgoden, aten echter niets dan vlees en daarom waren zij in die zaak vrij. De apostel wijst nu nader aan dat niet alleen de voorstelling, dat een afgod iets is, het deelnemen aan maaltijden van afgodenoffer tot een zonde van afgoderij maakte, maar dat de daad van deelname zelf in afgodische gemeenschap brengt; alhoewel niet in gemeenschap met afgoden, die toch niets zijn, maar wel in gemeenschap met de duivel, die het niets van de afgoden met zijn gruwelijk wezen vervult (vs. 14-22). Hierop keert Paulus terug tot het standpunt van beschouwing in Hoofdstuk 8: 8 vv. ingenomen. Hij stelt de praktische regels en grondstellingen voor, waarnaar de Korinthiërs in enkele concrete gevallen, zoals de zaak die voor ogen ligt, die aan de hand geeft, hun Christelijke vrijheid moeten bewaren en toch tot aan de ware zelfbeperking in liefde moeten onderwerpen (vs. 23-Hoofdst 11: 1).
Daarom, mijn geliefden, omdat u voor de verzoeking, die voor u uit het weigeren van deelname aan afgodische maaltijden zou kunnen voortkomen, niet hoeft te vrezen, als zou die voor u te zwaar zijn 1Co 10: 12vlucht van de afgodendienst; begeef u niet door deelnemen aan dergelijke maaltijden in het gevaar, dat u in de afgoderij zelf mee zou worden ingesleept.
Als tot verstandigen spreek ik, wanneer ik in hetgeen volgt, ten opzichte van dat deelnemen, gezichtspunten meedeel, die niet op de oppervlakte liggen en daarom gemakkelijk kunnen worden voorbijgezien. Oordeel u hetgeen ik zeg, of ik daarin gelijk heb.
De Korinthiërs mochten beweren dat hun deelnemen aan offermaaltijden van de heidenen (Hoofdstuk 8: 10) slechts een daad was van burgerlijke gemeenschap, slechts een deelname aan een maaltijd en met de godsdienst niets te maken had. De apostel wil hun bewijzen dat deze onderscheiding in de werkelijkheid niet gemaakt kon worden. Hij moet op diepere en juistere manier de zaak behandelen, waaraan de lezers, als zij niet welgezind waren, zich gemakkelijk konden onttrekken. Daarom laat hij een vriendelijk woord voorafgaan, dat hen gezind moet maken om zich te plaatsen boven de onderscheiding, die voor het oppervlakkig verstand onbetwistbaar was. Zij moeten zelf oordelen, of hij geen gelijk heeft, terwijl hij zich verzekerd houdt, dat zij hem gelijk zullen geven en daarmee zullen betonen zo bekwaam te zijn om te oordelen, als hij veronderstelt dat zij het zijn. Nu wijst hij in hetgeen volgt op de maaltijd van de Heere; zij moeten bedenken wat met het oog op de godsdienstige aard daarvan het deelnemen daaraan betekent, om daarnaar af te meten of de door hen gemaakte onderscheiding werkelijk waarheid bevatte.
De drinkbeker van de dankzegging, die wij dankzeggend zegenen, zo vaak bij onze Christelijke godsdienstoefeningen het heilig Avondmaal wordt gehouden, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij bij de uitdeling breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus?
In het heilig Avondmaal komt echter bij deze een gemeenschap, waarvan zo-even sprake was, nog een tweede: Want één brood is het, dat aan alle tafelgenoten wordt toegereikt, zo zijn wij velen a) één lichaam; wij vormeneen eenheid, die de veelheid van de leden insluit (Rom. 12: 5), omdat wij allen, die het Sacrament ontvangen, een brood krijgen, ieder zijn aandeel daaraan heeft.
1 Kor. 12: 27.
In deze afdeling bestrijdt de apostel, zoals blijkbaar is, een zogenaamd vrijzinnige mening, die uitging van de gedachte, dat de deelname aan heidense offermaaltijden alleen voor hem ter bevlekking was, die ze als offer at, zodat het verontreinigende geenszins gelegen was in de zaak zelf, die hij deed, maar alleen in de beschouwing, die men ervan had. Volgens die mening zou het dus geoorloofd zijn met de heidenen aan hun afgodische maaltijden deel te nemen, als men zich slechts vrij hield van de voorstelling, alsof men daarmee iets deed, dat op afgodendienst en afgodenoffer betrekking had. De apostel stelt zich tegenover deze mening, die alle deelgenootschap aan afgodische gemeenschap losscheurt van de handeling zelf, waardoor deze gemeenschap plaats vond en alleen stelt in de voorstelling van hen, die er aan deel neemt. Hij wijst op de gemeenschap, die door het Heilig Avondmaal wordt teweeggebracht, of welke ook in Israël reeds plaats had bij hen, die het offer aten, om te tonen, dat diensvolgens ook het eten van afgodenoffer zelf tot een gemeenschap bracht, die de Christen niet betaamde, dat dit niet de voorstelling, die men had van de hier besproken handeling, maar de daad zelf moest worden beschouwd, als de vraag werd behandeld of een Christen er zich mee mocht inlaten.
Paulus noemt in de eerste plaats de drinkbeker, omdat hij dan verder wil spreken van het brood en vooral het eten van Israëlitische offeranden, zoals dat met zijn thema van offervlees overeenkwam; daarom behandelt hij in het kort het punt van de drinkbeker.
De apostel noemt de drinkbeker die van de dankzegging of van de zegening. Het zijn namelijk heidense offermaaltijden, die hem nopen op het Avondmaal van de Heere te wijzen. Hij vergelijkt die echter niet wat het wezen betreft met deze, maar met het paasmaal van de Oud-Testamentische gemeente, waarbij de derde beker met wijn, die werd toegereikt, de drinkbeker van de zegening heette Nu 9: 5. Dat toch de apostel bij zijn naamgeving aan de drinkbeker van het avondmaal deze benaming bedoelde, kan moeilijk in twijfel worden getrokken. Daar nu echter de drinkbeker van het Pascha daarvan zijn naam had, dat zijn aanbieding met een verheerlijking van God was verbonden, zegt de bijvoeging: “die wij zegenen” iets van de drinkbeker van het avondmaal, dat meer is dan zijn aanwijzing van het paasmaal als van een drinkbeker van de dankzegging; en die van de drinkbeker van het Pascha onderscheidt en juist daardoor zoals vanzelf spreekt een betekenis geeft overeenstemmend met het “die wij zegenen. ” Een zegenen heeft bij het een zowel als bij het andere plaats; maar de ene keer is het een zegenen van de verheerlijking, die God en de andere keer een zegening van de wijding, die de drinkbeker zelf tot voorwerp heeft. De drinkbeker van het Pascha gaat alleen gepaard met een godsdienstige handeling daarvan onafhankelijk, de drinkbeker van het avondmaal daarentegen is bepaald een genade, daaraan verbonden. Bij het brood werd zo’n nadere bepaling behoefte; hierbij weidt echter de apostel verder uit op een wijze, dat hij herinnert, die gevolgen de eenheid van een en hetzelfde brood voor de zielen heeft, die het verkrijgen.
Het “wij” in de zinnen: “wij zegenen, wij breken”, wordt het best verklaard met hen, die het uitdelen en van hen, die het ontvangen. Bij de drinkbeker wordt de zegening of wijding door het gebed op de voorgrond gesteld, bij het brood wordt daarvan geen melding gemaakt, omdat het vanzelf sprak. Daarentegen wordt de functie van het breken genoemd, evenals ook in Hoofdstuk 11: 24 op deze handeling door Christus verricht, gewicht gelegd wordt. Ja de uitdrukking: “het broodbreken” was volgens Hand. 2: 42, 20: 7 de eerste vaste uitdrukking voor het Heilig Avondmaal.
Gemeenschap met de Heere en in de Heere, dat is in het algemeen de hoofdidee van het Heilig Avondmaal: Hij in ons en wij in Hem en wij zo onder elkaar verenigd leden van het een lichaam, die het geheel vormen van degenen die met Hem in gemeenschap staan. Deze gemeenschap is echter niet een zuiver geestelijke alleen, door het in geloof aangenomen woord van de Heere, waardoor Zijn Geest aan onze Geest getuigenis geeft dat wij kinderen van God zijn en het eigendom door Jezus verlost, in Hem rechtvaardig, uit de macht van de dood gerukt en met het recht van deelgenootschap aan Zijn hemels rijk begaafd. Zij is niet een zuiver geestelijke, zodat Jezus in de Geest woning in ons maakt door het geloof, maar zij is een, die bron en omvang van het lichamelijk leven omvat. Het is het leven voor ons ter verzoening geofferd, Zijn lichaam voor ons in de dood gegeven, Zijn voor ons vergoten bloed, dat wij door middel van brood en wijn in het Avondmaal deelachtig worden. Dit Zijn leven in zijn geheel wordt ons meegedeeld als voedend, versterkend en verfrissend ons leven, als voedsel en drank voor ons leven in zijn totaliteit, namelijk voor ons nieuw leven uit God, dat, in Christus begonnen, ook in de opstanding lichamelijk wordt voleindigd (Joh. 6: 54. Rom. 8: 11). Maar hoe heeft dit plaats? Dit is de vraag waarin de confessies van elkaar verschillen. Beschouwen wij de Paulinische uitdrukking “gemeenschap van het lichaams van Christus”, dan wordt geenszins aan de betekenis daarvan genoeg gedaan door de voorstelling dat door de kracht van het priesterlijk woord wijn en brood zouden ophouden te bestaan en dus alleen lichaam en bloed aanwezig zouden zijn; dan toch kan niet meer van gemeenschap worden gesproken. Maar ook dit is niet voldoende, als men alleen een symbolische betekenis aanneemt, of zich voorstelt dat het lichaam en bloed van Christus door brood en wijn aan het bewustzijn van het geloof wordt voorgesteld en zo een gemeenschap van het gelovige subject wordt teweeg gebracht, hetzij op die wijze, dat het aan het geofferde lichaam en het vergoten bloed deel heeft in zo verre de daardoor bevestigde vergeving van de zonden wordt verzekerd (ZWINGLI), of dat een geheime vereniging met het leven van Christus, die in de hemel verhoogd is, daarvan het gevolg is Het apostolisch woord “het brood, de wijn is een gemeenschap van het lichaam, van het bloed van Christus”, betekent toch zeker meer; is brood en wijn middel van de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus, dan ligt de onderstelling voor de hand dat het zelf daaraan deel heeft, zoals naar Joh. 11: 25 Christus Zichzelf de opstanding en het leven noemt, d. i. voor hen, door wie het leven weer hersteld en meegedeeld wordt, in zoverre Hij in Zijn persoon het leven is en het weer herstelde leven van de mensheid. Dit leidt dus tot de geheimvolle, door de kracht van Christus’ Geest in Zijn woord teweeg gebrachte vereniging van de elementen met Christus’ lichaam en bloed, met Zijn verzoenend leven, dat niet alleen geweest is, maar ook aanwezig is. Men zegt nu wel: hoe past dit bij de inzetting van het avondmaal? Daar kon die vereniging nog geen plaats vinden, er moest dus hier een onderscheid zijn tussen de eerste avondmaalsviering en al de volgende? Zeker, zo moeten wij zeggen en met Oetinger aannemen, dat ook hier evenals bij de doop een versterking plaats vond: “voordat Christus gestorven en weer levend geworden was, ontvingen de discipelen het vlees en bloed van Christus meer efficiënter (wat de werking aangaat) dan substantialiter (wat de substantie aangaat), na de hemelvaart echter substantialiter en efficienter. ” Door deze vereniging worden brood en wijn een geestelijke voedsel en drank, d. i. een voedsel van het nieuwe geestelijke leven, dat zeker bij onvatbaarheid van hem, die het geniet, niet voedend maar oordelend werkt, zoals het Evangelie voor de ene een reuk van de dood, voor de anderen een reuk van het leven wordt.
Niemand moet de bemiddeling of verwezenlijking van de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus, die in het heilig Avondmaal plaats vindt, uit de handeling van het mondeling eten en drinken verplaatsen in iets, dat naast het mondeling eten en drinken zou gebeuren; want alleen dan dient het heenwijzen op de maaltijd van de Heere tot hetgeen waartoe het moet dienen, namelijk om te bewijzen dat niet de voorstelling, die iemand van het afgodenoffer had, maar alleen het genieten van het afgodenoffer zelf verontreinigend was, als in deze maaltijd de gemeenschap van het lichaam en het bloed van de Heere op zo’n manier wordt teweeggebracht, dat de kracht even ver reikt als het uitreiken en het ontvangen van brood en wijn. Het hemelse goed zweeft niet boven de elementen, zodat iemand de elementen zou kunnen genieten zonder het hemelse goed deelachtig te worden; maar in brood en wijn wordt Christus’ lichaam en bloed gegeten en gedronken. Het hemelse goed wordt niet toegedeeld naast de elementen, zodat een dubbel ontvangen zou plaats vinden, het een lichamelijk, het andere geestelijk, maar in brood en wijn wordt Christus lichaam en bloed toegedeeld en ontvangen. Eindelijk niet zonder brood en wijn of alleen bij schijnbaar brood en wijn wordt de gemeenschap van Christus lichaam en bloed tot stand gebracht, maar met werkelijk onveranderd brood en wijn. Overeenkomstig de bedoeling van de tekst om de tafel van de Heere als heilige parallel te stellen tegenover de onreine tafel van de duivelen, voegt de apostel bij de gemeenschap van het lichaam en het bloed van Christus, die in het avondmaal plaats heeft voor allen, die eten en drinken, de vereniging, die het avondmaal tussen de deelhebbenden daaraan teweeg brengt. Evenals hier het ene brood alle deelgenoten aan de tafel van de Heere tot één lichaam verbindt, zo treden de gasten in het huis van de afgod en aan de tafel van de afgoden door het genieten van éne voedsel in een gemeenschap, die het tegendeel is van het verenigd worden aan de avondmaalstafel.
De deelgenoten van het avondmaal vormen een avondmaalsgemeente, zonder dat het van elk in het bijzonder afhangt of hij een lid daarvan wil zijn of niet; het brood dat hij eet, maakt hem daartoe, omdat niet alleen een ieder brood eet, maar allen tezamen het éne brood delen, dat hetzelfde is voor allen, daarom voor ieder, of hij wil of niet, dat brood, waarvan het breken en uitdelen ook deel geeft aan het lichaam van Christus. Eveneens verbindt de afgodische aard van de maaltijden van de afgodenoffers allen, die er aan deelnemen, tot een eenheid, zonder dat iemand zou kunnen zeggen dat hij slechts een maaltijd hield en niet een afgodische.
Ik wil er u nog meer van overtuigen dat het deelnemen aan heidense afgodenoffermaaltijden u werkelijk in aanraking brengt met de heidense afgodendienst. Zie Israël, dat naar het vlees is. Hebben niet degenen die de offeranden, die ophet altaar worden gebracht, eten, gemeenschap met het altaar, in zoverre zij door hun eten te kennen geven tot dat altaar te behoren?
Tegen de vergelijking van het heilig avondmaal met de heidense offermaaltijden zou iemand hebben kunnen aanvoeren dat toen het avondmaal geen offermaaltijd was; want Christus is wel op het altaar van het kruis geofferd en het aan het kruis gebroken lichaam, het aan het kruis vergoten bloed, nu in de heerlijkheid van het leven verhoogd, is het voedsel van het avondmaal en de drank van het avondmaal; maar de avondmaalsgemeente offert Christus niet om het geofferde lichaam en het geofferde bloed weer te ontvangen, ten einde het te genieten, maar Christus heeft Zich eenmaal geofferd. Ook brengt de gemeente niet brood en wijn ten offer, maar alleen brengt zij beide om te eten en te drinken, opdat de Heere onder zodanig eten en drinken Zijn lichaam en Zijn bloed geeft, getrouw aan Zijn woord. Omdat nu het avondmaal wel een godsdienstig maal is, maar niet in de eigenlijke zin een offermaal, wijst de apostel ook nog op de Joodse offermaaltijden, om de bedoelde vergelijking volledig te maken.
Hij brengt het hen, die uit Israël zijn bekeerd, tot levendige herinnering en aanschouwing doordat hij schrijft: “Zie Israël, dat naar het vlees is!”
De bijvoeging “naar het vlees” stelt Israël voor als het geschiedkundige, dat door vleselijke afkomst tot een volk verbonden is; want Paulus kent nog een ander Israël, waartoe de Christenen uit de heidenen behoren, het Israël van God (Gal. 6: 16); hij wil echter nog wijzen op de offergebruiken van het eerste Israël, om van daar over te gaan tot de gelijkvormigheid, die bij heidense offers gevonden wordt. Offer en altaar behoren, zoals die gelijkheid aanwijst, bij elkaar. Ook wat van het offer wordt gegeten wijst op het altaar. Juist omdat het een offer is, waarvan een deel op het altaar wordt gelegd. Daarom staan ook zij, die van het offer eten, ten gevolge van dit eten in betrekking tot het altaar. Dit hangt niet af van hun voorstelling, waarin zij het doen, maar die deel neemt aan de godsdienstige plechtigheid van het eten van het offer neemt daardoor deel aan het offer zelf en aan het altaar, door hetwelk het tot een offer is geworden, nademaal het daarop is gebracht.
Wat zeg ik dan? Welke gevolgtrekking kan uit het bovenstaande worden afgeleid? Zeg ik hiermee, in tegenspraak met hetgeen reeds in Hoofdstuk 8: 4 vv. door mij als het juiste is erkend, dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? Ik zeg dit geenszins, maar het blijft bij hetgeen op bovengenoemde plaats als onze wetenschap vaststaat.
Ja, ik zeg dat hetgeen de heidenen offeren, zij aan de duivels en de bozen geesten offeren en niet aan God (Deut. 32: 27. Ps. 106: 37. Baruch 4: 7); en ik wil niet, dat u met de duivels gemeenschap heeft. Ik verbied u daarom de deelname aan afgodische offermaaltijden.
Lev. 17: 7.
U kunt de drinkbeker van de Heere bij het Avondmaal niet drinken en tevens de drinkbeker van de duivels bij een heidens offermaal, zodat u evengoed het ene als het andere zou mogen houden. U kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heere, waar Hij u in het gezegende brood het teken aanbiedt van Zijn verbroken lichaam en aan de tafel van de duivels, waarvan u in het vlees van het afgodenoffer iets neemt, dat u plaatst in gemeenschap met de altaren van de afgoden en in het zondige van de heidense afgodendienst.
Om de bezorgdheid van de lezers, die zien waar de bewijsvoering van de apostel heen wilde, weg te nemen, alsof hij deelde in de voorstelling van de zwakken over de realiteit van de afgoden en van de kracht, die in het vlees van het afgodenoffer zou zijn (Hoofdstuk 8: 7 vv.), verklaart hij dat hij verre was van zo’n voorstelling en hij geeft daarmee te kennen, evenals reeds vroeger, dat er geen afgoden waren en in de afgodenoffers geen kracht was; maar daarom was toch de heidense dienst geenszins zonder invloed en zij dwaalden zeer als zij die voor volstrekt machteloos hielden. De fantasie-gedaanten van de goden bestaan wel niet, maar desalniettemin ligt aan het heidendom een macht ten grondslag, voor welke invloed men zich moet wachten. Vandaar de waarschuwing om geen deel te nemen aan de maaltijden in de tempel, alhoewel het gemis van offervlees in bijzondere kringen, zoals later volgt (vs. 25 v.), zonder bezwaar of bedenking kan plaats hebben. De apostel geeft nu ook nadere verklaring over de aard van de macht, die de heidenwereld beheerst, als hij verklaart dat de offers van de heidenen aan de demonen werden gebracht en men door deze met hen in gemeenschap kwam.
De heiden, die offert, kent wel alleen de afgoden en op deze is zijn gedachte gevestigd, als hij offert, maar hij volvoert daarmee een handeling, die in werkelijkheid niet een godsdienst is, dat zij van rechtswege moest zijn, maar in dienst van zodanige geestelijke wezens geschiedt, die, door hen niet gekend, op ongoddelijke en tegen-goddelijke manier in het leven van de volken hun gebied voeren. Is het nu niet mogelijk aan de maaltijden van de afgodenoffers op die wijze deel te nemen, alsof het slechts eten en drinken was, is deelnemen aan deze zonder deelname aan hun godsverering onmogelijk (vgl. vs. 15-18) dan brengt zij ook in gemeenschap met die God weerstrevende geesten, in welke dienst zo’n godsdienst werkelijk en zeker geschiedt. Daarom gaat de apostel voort: “ik wil niet dat u met de duivels gemeenschap heeft”, waarmee de zin met de beide ontkennende beweringen van vs. 21 in verband staan. Daar is gezegd wat de apostel wil verhoeden als hij vermaant, zich van de deelname aan de maaltijden van het afgodenoffer te onthouden. Hier gaat hij daarentegen voort om te tonen, dat het op die manier met de Christelijke staat niet kan samengaan, dat er een elkaar uitsluitende strijd is tussen het heilig avondmaal en het heidense offermaal, zoals hij dat op de sterkste manier uitdrukt.
Deze plaats is van het grootste gewicht voor de juiste beoordeling van het heidendom. Waren de valse goden van de heidenen elk op zichzelf, zoals de meeste kerkvaders beweerden, zovele boze geesten geweest, dan zou alle heidense godsdienst slechts een samenweefsel zijn geweest van leugen en boosheid. Naar de Heilige Schrift echter is wel alle heidense godsdienst ontstaan onder de invloed van de bozen, maar toch schemert daarin hier en daar het verlangen naar God door en herinnert zij nu en dan aan de gemeenschap met God, die de mens verloren heeft. Waren wijders de boze geesten op zichzelf bekwaam om zich als zo vele zelfstandige wezens aan de mensen te openbaren en een eredienst voor zich op aarde te grondvesten, dan zou hen daarmee een macht zijn toegekend, waarvan de Schrift hoegenaamd niets weet, omdat niet eens van een lichamelijke verschijning van de satan wordt gesproken. Desniettegenstaande staat het ganse heidendom, maar vooral de heidense eredienst, onder de onmiddellijke invloed van het rijk van de duisternis. Alle heidense godsdiensten zijn niet uit een steeds voortgezet zoeken van het hart van de mensen naar de waarachtige God voortgevloeid, maar zij zijn de vrucht van de afval van Hem door duivelse verleiding en daardoor zijn ze een eigenlijk gezegde dienst van de duivel. Daarom is een afgod niets, een afgodenoffer is niets op zichzelf beschouwd, maar terwijl het Joodse offermaal wegens de genadige belofte, die op offer en altaar rustte, zegen meedeelde, bracht het heidense offermaal vloek wegens de zin van het gemoed, dat naar het rijk van de satan neigde. Deze zin is niet enkel en niet zo zeer van elken offeraar op zichzelf, als wel in de hele offerdienst.
En hoe velen zijn er door alle tijden geweest, hoe velen worden er ook in onze dagen gevonden, die altijd weer willen delen, waar toch eigenlijk eens beslissend gekozen moest worden en niet aflaten kunnen op twee gedachten te hinken. Er is, wanneer wij nauwkeurig onderscheiden een vrij grove een meer verfijnde een zeer verfijnde vereniging van godsdienst en werelddienst in menig hart, die niet ernstig genoeg bestreden kan worden. Ook die zich aan de eerste niet schuldig maakt is vaak van de tweede niet vrij te pleiten; ja, ook waar de Christen door Gods genade uit het diensthuis van de wereld is uitgeleid, is er vaak nog een of ander zwak punt, waarin men met haar vrienden tezamen stemt en een stilzwijgende uitzondering op de wet van een onvoorwaardelijke toewijding maakt. Al zit men niet meer vooraan in de grote afgodstempel, toch heeft men vaak in een verborgen schuilhoek van het hart nog wel een kleine afgodskapel en ook wie de beker niet meer opheft voor de goden van de eeuw, heeft nog wel een enkele lonk of handkus voor de verborgen afgod gereed, waaraan zijn ziel is gekluisterd. Ach, hoe jammerlijk ongelijk is ook in dit opzicht zo menigeen aan zichzelf en van hoe velen mag het wellicht, zoals van die koning van Juda gezegd worden: hij diende de Heere, maar niet met een volkomen hart (2 Kron. 25: 2). Jammerlijke gesteldheid, hoezeer met allerlei verontschuldiging gedekt en bepleit; is het mogelijk, zo’n gemoedsbestaan juist te leren kennen, zonder het onbepaald te veroordelen? Maar in overeenstemming met het doorgaand onderwijs van de Heilige Schrift kan ons eigen geweten zo’n vereniging van het tegenstrijdige niet anders dan ongerijmd, onheilig en verderfelijk noemen. Ongerijmd, zo waarlijk het nu eenmaal volstrekt onmogelijk is twee heren gelijktijdig te dienen, wier bevelen, belangen en beloften onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Onheilig, omdat hij, die van ganser harte de beker van de zondige wereldvreugd drinkt, reeds daardoor toont dat er op dat ogenblik althans geen sprake kan zijn van waarachtige gemeenschap met de Heere, wiens naam hij beleden heeft en voor de wereld verheerlijken moet. Onze eigen voornemens en beloften aan de tafel van de Heere en zo vaak later herhaald, hoe luid getuigen zij tegen de houding, door ons niet zelden bij wereldse verstrooiingen aangenomen! Wat is daarvan anders de oorzaak dan die valse schaamte, die ons vaak lijnrecht tegen onze heiligste overtuiging doet handelen en beven voor het afkeurend oordeel van een wereld, waarvan wij zelf al de ijdelheid en jammerzaligheid kennen. Maar zo’n dubbelzinnigheid (want wat is het anders?) kan dan ook wel niet anders dan hoogst verderfelijk wezen. Zij is dodelijk voor de rust van ons hart, want geen waarachtige vrede is mogelijk, zonder eenparigheid van ons geestelijk leven en streven. Zij benadeelt de zaak van de Heere, omdat zij bij de wereld slechts minachting voor een Christendom wekt, dat zo karakterloze voorstanders telt; zij maakt ons bovenal het heilig misnoegen waardig van Hem, die lust aan waarheid in het binnenste heeft.
Als in de Schrift in het algemeen aan de duivelleer grote invloed wordt toegeschreven op de mensheid en de wereld, de menigte buiten God wordt voorgesteld als staande onder zijn macht en hij haar vorst is, dan is bij een zo ontzaglijke openbaring van menselijke verkeerdheid en menselijk verval, zoals het heidendom is, het verband met het rijk van de duisternis niet te miskennen, omdat de duivel de vijand en mededinger van God is (Matth. 4: 9); ja het is de vraag of het heidendom, hoewel in het zinnelijke en natuurlijke element weggezonken, zonder een bovennatuurlijke daarin werkende macht het tot zo’n heerschappij in de mensheid zou hebben kunnen brengen en zulke diepe wortels daarin zou hebben kunnen vestigen. Als duivelendienst treedt de afgodendienst òf direct op, zoals in de verering van boze godheden, geesten enz., zoals die in zovele dualistische godsdiensten is ingedrongen en in Afrika bijna de alleen heersende is, òf indirect, in zoverre de duivel door de afgodendienst God de eer ontrooft, die Hem alleen toekomt en deze zo zichzelf, de verleider tot deze valse dienst, aanmatigt (Openb. 9: 20). In elk geval kan men zeggen dat de afgodendienst een duivelendienst geweest is, alhoewel niet volgens de bedoeling van vele heidenen, als bijvoorbeeld van de Hellenen, toch in de werking. Verder plaatst Paulus in deze afdeling niet de naam van de éne vorst van de duisternis, van de duivel, maar van de boze geesten, de duivels, om de uitgebreide werking en macht van het rijk van de duisternis in de veel vertakte afgodendienst te kennen te geven.
Waarschijnlijk koos de apostel om het afschuwelijke van deelneming aan afgodendienst voor te stellen, opzettelijk een uitdrukking (demonen), die wel bij de heidenen op hun goden (vgl. Hand. 17: 18 in de grondtekst) maar tevens bij de Joden op de boze geesten wees.
Het genieten van het heilig avondmaal verplicht, omdat het de innigste verbindtenis met Christus is, tot de strengste afzondering van al wat onheilig is. Daarom kan de Christen na het genieten van de avondmaal zich niet ontdoen van een zekere ernstige vrees.
22. Of tergen wij de Heere? Willen wij door van beide drinkbekers te drinken, door ons aan de beide tafels te begeven, Hem trotseren, alsof Hij zo’n handelswijze Zich zou laten welgevallen? Zijn wij sterker dan Hij, dat wij Zijn straf daarvoor van ons zouden kunnen afwenden?
De Heere is een jaloers bruidegom van Zijn bruidgemeente (2 Kor. 11: 2) en Hem te tergen, of, zoals de grondtekst eigenlijk luidt, Hem tot jaloersheid te wekken (Deut. 32: 21), is gelijk aan de zonde van de kinderen van Israël, die Christus verzochten (vs. 9). Scherp dringt zich bij de mening van sterkte van de geest, die bij de Korinthische gemeente bestond, de vraag in: “zijn wij sterker dan Hij, durven wij het wagen, ons aan de toorn van Zijn ijverzucht bloot te stellen? ” En toch gaat Paulus juist bij deze scherpe woorden van het aanspreken in vs. 21 “u kunt niet enz. ” over tot de rede van de gemeenschap “wij” (vgl. Hoofdstuk 11: 31). Hij verbindt zich met zijn broeders tezamen, opdat zij eendrachtig met hem antwoorden: “nooit! ” Wij kunnen niet tegelijk zijn in de gemeenschap van de duivels en in de gemeenschap van de Heere. “Heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth.”
a) Niemand moet datgene wat voor zichzelf is zoeken, maar dat van de anderen. Dit is het gebod van de Christelijke liefde (Rom. 15: 2) en alleen een Christelijke vrijheid, die met dit aannemen van dit gebod in toepassing is gebracht een vrijheid, die graag van haarrechten afstand doet als het heil van anderen daardoor kan worden bevorderd, kan bestaan voor God.
1 Kor. 13: 5. Filipp. 2: 4.
Er is nu geen sprake meer van de eigenlijke offermaaltijden. Daarover is in vs. 14-22 1Co gesproken en het nodige gezegd. Van nu aan wordt gehandeld over het gebruik van offervlees, dat kan voorkomen buiten eigenlijke afgodische plechtigheden. Hier is dus de vraag over hetgeen werkelijk op het gebied van de Christelijke vrijheid valt en nu neemt de apostel dadelijk zijn stelling in Hoofdstuk 6: 12 weer op.
Hij spreekt zijn stelling over de vrijheid twee maal uit tot levendige bevestiging, evenals daar (Hoofdstuk 6: 12). Eveneens zijn het twee beperkende grondstellingen, die hij daartegenover stelt. De eerste is dezelfde als op die vroegere plaats, terwijl de tweede niet overeenstemt met hetgeen daar in de tweede plaats gezegd is, maar parallel er mee gaat, evenals met de eerste hier.
De lezers moeten bedenken dat niet alles wat op zichzelf geoorloofd is, ook te dulden is; zij moeten niet zozeer er op zien, wat voor hen geoorloofd is, maar op hetgeen tot bevordering van het heil van de naasten dient; met deze tweede zin keert de apostel terug tot hetgeen hij in Hoofdstuk 8: 1 zei: “de liefde sticht. “
Reeds vs. 23 houdt de grondstelling in, dat het in adiaphora (onverschillige zaken) niet alleen aankomt op de individuele vrijheid, maar dat ook op de broeder moet worden acht gegeven. Hier (vs. 24) komt nog de gedachte er bij, dat het adiaphoron zelfs zonde wordt als het gebruik maken van de individuele vrijheid ten opzichte daarvan de naaste nadelig is.
Het kon voorkomen een overdrijving te zijn, als de apostel zegt: “niemand moeten zoeken datgene wat van zichzelf is, maar dat van anderen. ” Deze stelling moet echter zeker worden genomen in de volste zin en wij moeten zeggen, werd die algemeen opgevolgd, dan zou voor ieder beter zijn gezorgd, dan als hij voor zich alleen zorgt, want die zuivere liefde beoefent, kan zeker wel in aardse zaken verlies lijden, maar in het eeuwige zal hij ook reeds in deze wereld winst hebben.
Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragend over de daar te koop neergelegde stukken, of het offervlees is of niet, omwille van het geweten, opdat u met een onbezwaard geweten (Rom. 13: 5) zou kunnen eten, dat het geval niet zou zijn als u van het gekochte had vernomen, dat het offervlees was.
a) Want “de aarde is van de Heere en de volheid van haar”, zo wordt in Ps. 24: 1 en 50: 1 Daarom behoort ook Hem het vlees, dat u koopt en eet en daaraan kan het gebruiken voor afgoderij, dat de heidenen ervan gemaakt hebben, niets veranderen.
Ex. 19: 5.
Een onderzoek, of het te koop aangebodene niet misschien van een offer afkomstig was, kon, zo wil Paulus zeggen, u het geweten bezwaren; want wist u, dat het werkelijk zo met het vlees gesteld was, dan zou dit het eten daarvan ongeoorloofd, of toch bezwaarlijk maken; het zou twijfel opwekken of u er wel recht aan deedt, als u eet. Het vlees, dat op de vleesmarkt gebracht is, heeft toch geen betrekking meer op het offer en behoort weer tot de categorie waarvan geschreven staat: “de aarde is van de Heere en wat daarop is. ” De afgoden, of liever de demonen, die bij de afgodendienst in aanmerking komen, hebben over geen schepsel van God een macht, in zoverre dit niet onder hun invloed wordt gesteld.
De zwakkere Christenen vreesden de mogelijkheid op de vleesmarkt offervlees te kopen, omdat zij nog niet waren geklommen tot de overtuiging dat het vlees van de offerdieren, wanneer het op de markt kwam, zijn wijding tot een offer had verloren en gewoon vlees was geworden (Hoofdstuk 8: 7); zij zullen daarom wel vaak genoeg bij het inkopen angstig hebben gevraagd of het offervlees was of niet. De sterken deden dat niet; dit billijkt Paulus en hij schrijft zelfs voor zo te handelen.
En als u, om aan het zo-even genoemde geval nog een tweede te voegen, dat daarmee verwant is, als u iemand van de ongelovigen ter maaltijd nodigt in zijn privaat huis en u daar gaan wilt, hetgeen ik u niet verbied, alhoewel het beter was dat u dergelijke uitnodigingen niet aannam, a) eet al wat jullie voorgesteld wordt, niets ondervragend over de vleesgerechten, of daartoe offervlees is gebruikt of niet, b) omwille van het geweten, want u zou niet zonder ergernis kunnen eten, als u wist, dat u vlees van afgodenoffer voor u had.
Luk. 10: 7. b) 1 Kor. 8: 7.
De apostel verbiedt de Christenen niet zonder meer om een heidens gastmaal bij te wonen, maar ook bij de meer betamelijk gehouden gastmalen, waarvan de herinnering uit de oudheid tot ons gekomen is, kwam veel voor, dat de Christen moest tegenstaan en hem in gevaar moest brengen door deelneming er aan, de trouw jegens zijn Heer te verloochenen. Daarom geeft hij hen door het toegevoegde “en u wilt daar heengaan” in bedenking, of dit in het algemeen wel voor hen passen zou.
Omdat het Christendom de banden van het familieleven en van het gezellig verkeer niet wilde wegnemen, maar heiligen, laat Paulus hier een zekere vrijheid, die ook, op waardige manier gebruikt, onder zekere omstandigheden kon leiden tot toebrenging van de ongelovigen tot het Christendom.
Als men een zaak aan ieders eigen nadenken overlaat, of en waarom hij wil, wekt men vaak meer vruchtbaar nadenken dan door een eigenlijk verbod.
Maar als iemand tot jullie zegt: “Dat is afgodenoffer; ” eet het niet, omwille van degenen die u dat te kennen gegeven heeft en omwille van het geweten. Want de aarde is van de Heere en de volheid daarvan (deze woorden zijn uit vs. 26 weer hier overgebracht).
Maar ik zeg, als ik hier weer, evenals in vs. 25 en 27, van het sparen van het geweten spreek, om het geweten, niet, zoals daar het geval was, van uzelf, die in het geval komt, dat een ander tot u zegt: “het is afgodenoffer”, maar van de andere, die u daarop wees. Integendeel, omdat uw eigen geweten u het eten van zulk vlees zou veroorloven, zo zou het zien alleen daarop u ook moeten dringen om werkelijk te eten; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld door het geweten van een ander, dat ik het daaronder gevangen zou geven en mij niets veroorloofde wat een ander niet eveneens voor geoorloofd houdt?
Een ander heeft ook zeker geen recht om naar de maatstaf van zijn geweten op die manier mijn vrijheid te oordelen, zoals hij het doet. En als ik door genade het voedsel krijg (liever “als ik met dankzegging het voedsel geniet, waarom word ik als een misdadiger tegen de Christelijke godsdienst, als iemand die tot afgoderij vervallen is, gelasterd overhetgeen waarvoor ik dankzeg. Niet dus om het eigen geweten, als moest zich dit vormen naar dat van een ander, maar laat het eten na om het geweten van een zwakke te sparen. (Hoofdstuk 8: 13).
Rom. 14: 6. 1 Tim. 4: 3.
Van vs. 28 af stelt de apostel een bijzonder geval, dat de afgodische bedoeling van een voedsel bij een maaltijd aan de Christen, die genodigd is, zonder zijn toedoen bekend wordt. Hierdoor wordt namelijk een bijzondere beperking veroorzaakt voor de toelating in vs. 27 : “eet al wat u wordt voorgezet. ” Onder het woord “iemand” moet een dienaar van het huis of een tafelgenoot, maar niet de gastheer verstaan worden. Het is echter de vraag of degene, die het te kennen geeft, als heiden of als Christen moet gedacht worden en dan beslissen de woorden: “eet het niet omwille van degene, die u dat te kennen gegeven heeft en omwille van het geweten” voor het laatste. Het geweten van een heiden kon toch wel niet daardoor geërgerd worden, dat een Christen van het afgodenoffer at, zodat wij dus bij het “iemand” ons een zwakke broeder, hetzij een Christen uit de Joden, of een nog meer vreesachtige Christen uit de heidenen moeten voorstellen. Het geval, dat ook een streng denkend Christen aan een maaltijd bij heidenen deel nam, kon zeer goed voorkomen. Er konden bij hen botsingen plaats hebben tussen zijn grondstellingen en zijn omstandigheden, waarbij hij voor de laatste besliste, vooral wanneer hij zich daarbij een streng waken tegen alle bevlekking met afgoderij ten plicht stelde. Een uitvloeisel van zijn nauwgezetheid zou nu dat zijn, dat hij zijn mede-Christenen opmerkzaam maakt op hetgeen hij (waarschijnlijk door een ondervragen, zoals Paulus dat in vs. 27 niet wil hebben, maar zoals hij zelf voor zijn plicht hield) zelf heeft vernomen “dat is afgodenoffer. ” Hier staan nu het geweten van de zwakke broeder, die de aanwijzing deed en het geweten van de sterke, tot wie de apostel spreekt en die de aanwijzing heeft ontvangen, tegenover elkaar en zo moet het bij de laatste komen tot een verzoening tussen de grondstelling van vrijheid en die van de liefde (vs. 23 v.). De zaak is nu zo gelegen: het geweten van de Christen zelf, die zich van zijn vrijheid bewust is, kan door het eten niet meer worden geërgerd; hij ziet in het vlees, dat op de tafel is gedragen, geen offervlees meer, omdat hier geen offermaal wordt gehouden, hij zou dit, als hij zijn geweten raadpleegt, zonder enige bedenking eten. Tegenover het eigen geweten staat dat van een ander, die met zijn gedachten nog niet kan loskomen van het vlees als offervlees, dat het vroeger geweest is en het genieten daarvan ook in een bijzonder huis aanziet voor een deelnemen aan een afgodenoffer. Aan dat zwakke en dwalende geweten moet de sterke zijn meer verlicht geweten geenszins ten offer brengen, dat hij het daaronder gevangen zou geven en zich door zulke vreesachtigheden zou laten beheersen, zoals velen hun Christendom maken tot een bepaald jacht maken op gewetensbezwaren alsof daarin de ware Christelijke deugd gelegen was. Paulus treedt integendeel met de beide vragen, die hij opwerpt, zeer krachtig op voor de vrijheid van het eten. Het dankgebed, dat is uitgesproken over hetgeen vroeger vlees van afgodenoffer was, maakt het nu tot een soort van dienen van de ware God (de dankzegging, zegt Bengel, heiligt elke voedsel, loochent de autoriteit van de afgoden en spreekt die van de Heere uit). Hiermee bestraft hij tevens op scherpe manier de liefdeloosheid, waaraan de zwakken zich schuldig maken door hun oordelen (Rom. 14: 3 v.). Maar wel moet het niet eten een dragen zijn van het gebrek van de zwakken (Rom. 15: 1), een verschonen van hun geweten. Uit onze plaats blijkt verder dat het voor Paulus vanzelf sprak dat de Christen zijn tafelgebed deed ook aan de tafel van een ongelovige gastheer.
Het zij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, of bij gastmalen of in het gewone dagelijkse leven, hetzij dat u iets anders doet, in uw helen wandel, wat het ook zij, doe het al ter eer van God (Kol. 3: 11. 1 Petr. 4: 11. Matth. 5: 16).
a) Wees in elk opzicht zonder aanstoot te geven en de Joden en de Grieken, die beide delen van de nog ongelovige wereld en van de gemeente van God (Hoofdstuk 11: 22.
Rom. 14: 13.
Zoals ik ook in alles allen behaag, niet zoekend mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij behouden mogen worden (Hoofdstuk 9: 19 vv.).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel