Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En RehabeamH7346toogH3212 naar SichemH7927, wantH3588 het ganseH3605IsraelH3478 was te SichemH7927gekomenH935, om hem koningH4427 te maken.En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
KJVAnd Rehoboam2went1to Shechem:3for all Israel8were come6to Shechem5to make him king.9
1וַיֵּ֥לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2רְחַבְעָ֖םH7346RehabeamRehoboam3שְׁכֶ֑םH7927Sichem, SichemsShechem4כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5שְׁכֶ֛םH7927Sichem, SichemsShechem6בָּ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9לְהַמְלִ֥יךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely10אֹתֽוֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
2Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Het geschiedde nu, als JerobeamH3379, de zoonH1121 van NebatH5028, dit hoordeH8085, daar hijH1931nogH5750 in EgypteH4714 was (want hij was van het aangezichtH6440 van den koningH4428SalomoH8010gevlodenH1272; en JerobeamH3379woondeH3427 in EgypteH4714),Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),
KJVAnd it came to pass, when Jeroboam3the son4of Nebat,5who was yet in Egypt,8heard2of it, (for he was fled10from the presence11of king12Solomon,13and Jeroboam15dwelt14in Egypt;)16
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּשְׁמֹ֣עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5נְבָ֗טH5028NebatNebat6וְהוּא֙H1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7עוֹדֶ֣נּוּH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)8בְמִצְרַ֔יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim9אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10בָּרַ֔חH1272vluchtte, vlood, gevlodenchase (away); drive away, fain, flee (away), put to flight, make haste, reach, run away, shoot11מִפְּנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13שְׁלֹמֹ֑הH8010SalomoSolomon14וַיֵּ֥שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry15יָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam16בְּמִצְרָֽיִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim
3Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Dat zij henen zondenH7971, en lieten hem roepenH7121; en JerobeamH3379 en de ganseH3605gemeenteH6951 van IsraelH3478kwamenH935 en sprakenH1696totH413RehabeamH7346, zeggendeH559:Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:
KJVThat they sent1and called2him. And Jeroboam5and all the congregation7of Israel8came,4and spake9unto Rehoboam,11saying,12
1וַֽיִּשְׁלְחוּ֙H7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2וַיִּקְרְאוּH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say3ל֔וֹ4וַיָּבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5יָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam6וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7קְהַ֣לH6951gemeente, vergadering, hoopassembly, company, congregation, multitude8יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9וַֽיְדַבְּר֔וּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11רְחַבְעָ֖םH7346RehabeamRehoboam12לֵאמֹֽרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet
4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Uw vaderH1 heeft ons jukH5923hardH7185 gemaakt; gijH859danH6258 nu, maakH7043 uws vadersH1hardenH7186dienstH4480, en zijn zwaarH3515jukH5923, datH834 hij ons opgelegdH5414 heeft, lichterH7043, en wij zullen u dienenH5647.Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
KJVThy father1made2➔ our yoke4grievous:now therefore make thou the grievous10service8of thy father,9and his heavy12yoke11which he put14upon us, lighter,7and we will serve16thee.
1אָבִ֖יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'2הִקְשָׁ֣הH7185hard, verhard, verharddebe cruel, be fiercer, make grievous, be ((ask a), be in, have, seem, would) hard(-en, (labour), -ly, thing), be sore, (be, make) stiff(-en, (-necked))3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4עֻלֵּ֑נוּH5923juk, juks, maaktet jukyoke5וְאַתָּ֡הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6עַתָּ֣הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas7הָקֵל֩H7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet8מֵעֲבֹדַ֨תH5656dienst, dienstwerk, dienstbaarheidact, bondage, [phrase] bondservant, effect, labour, ministering(-try), office, service(-ile, -itude), tillage, use, work, [idiom] wrought9אָבִ֜יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'10הַקָּשָׁ֗הH7186hard, harde, hardenchurlish, cruel, grievous, hard((-hearted), thing), heavy, [phrase] impudent, obstinate, prevailed, rough(-ly), sore, sorrowful, stiff(necked), stubborn, [phrase] in trouble11וּמֵעֻלּ֧וֹH5923juk, juks, maaktet jukyoke12הַכָּבֵ֛דH3515zwaar, zware, zwaren(so) great, grievous, hard(-ened), (too) heavy(-ier), laden, much, slow, sore, thick13אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15עָלֵ֖ינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16וְנַעַבְדֶֽךָּH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
5En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En hij zeideH559totH413 hen: GaatH3212 heen tot aan den derdenH7969dagH3117, komtH7725 dan weder totH413 mij. En het volkH5971gingH3212 heen.En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.
KJVAnd he said1unto them, Depart3yet for three5days,6then come again7to me. And the people10departed.9
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3לְכ֥וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak4עֹ֛דH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)5שְׁלֹשָׁ֥הH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)6יָמִ֖יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger7וְשׁ֣וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw8אֵלָ֑יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9וַיֵּלְכ֖וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak10הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
6En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En de koningH4428RehabeamH7346 hield raadH3289metH854 de oudstenH2205, die gestaanH1961 hadden voor het aangezichtH6440vanH854 zijn vaderH1SalomoH8010, als hij leefdeH1961, zeggendeH559: HoeH349raadtH3289gijliedenH859, dat men ditH2088volkH5971antwoordenH7725 zal?En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
KJVAnd king2Rehoboam3consulted1with the old men,5that stood8before10Solomon11his father12while he yet lived,14and said,15How do ye advise18that I may19answer23this people?21
1וַיִּוָּעַ֞ץH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose2הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3רְחַבְעָ֗םH7346RehabeamRehoboam4אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix5הַזְּקֵנִים֙H2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator6אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7הָי֣וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8עֹמְדִ֗יםH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry9אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10פְּנֵי֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you11שְׁלֹמֹ֣הH8010SalomoSolomon12אָבִ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'13בִּֽהְיֹת֥וֹH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14חַ֖יH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop15לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet16אֵ֚יךְH349hoehow, what17אַתֶּ֣םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you18נֽוֹעָצִ֔יםH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose19לְהָשִׁ֥יבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw20אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21הָֽעָםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people22הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)23דָּבָֽרH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work
7En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En zij sprakenH1696totH413 hem, zeggendeH559: IndienH518 gij hedenH3117knechtH5650 van ditH2088volkH5971 wezen zult, en hen dienenH5647, en hun antwoordenH6030, en totH413 hen goedeH2896woordenH1697sprekenH1696 zult, zo zullen zijH1961 te allenH3605dageH3117 uw knechtenH5650 zijn.En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
KJVAnd they spake1unto him, saying,3If thou wilt be a servant7unto this people8this day,5and wilt serve10them, and answer11them, and speak12good15words14to them, then they will be thy servants18for ever.20
1וַיְדַבְּר֨וּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֵלָ֜יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet5הַ֠יּוֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger6תִּֽהְיֶהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7עֶ֜בֶדH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant8לָעָ֤םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10וַֽעֲבַדְתָּ֔םH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,11וַעֲנִיתָ֕םH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)12וְדִבַּרְתָּ֥H1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work13אֲלֵיהֶ֖םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14דְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work15טוֹבִ֑יםH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)16וְהָי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use17לְךָ֛18עֲבָדִ֖יםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant19כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)20הַיָּמִֽיםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Maar hij verlietH5800 den raad der oudstenH2205, dienH834 zij hem geradenH3289 hadden; en hij hield raad metH854 de jongelingenH3206, dieH834metH854 hem opgewassenH1431 waren, dieH834 voor zijn aangezichtH6440stondenH5975.Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
Ook in dit vers
raadH3289
raadH6098
KJVBut he forsook1the counsel3of the old men,4which they had given6him, and consulted7with the young men9that were grown up11with him, and which stood14before15him:
1וַֽיַּעֲזֹ֛בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3עֲצַ֥תH6098raad, raadslag, raadslagenadvice, advisement, counsel(l-(or)), purpose4הַזְּקֵנִ֖יםH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6יְעָצֻ֑הוּH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose7וַיִּוָּעַ֗ץH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose8אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix9הַיְלָדִים֙H3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)10אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11גָּדְל֣וּH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower12אִתּ֔וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix13אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14הָעֹמְדִ֖יםH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry15לְפָנָֽיוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
9En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En hij zeideH559totH413 hen: Wat raadtH3289gijliedenH859, dat wij ditH2088volkH5971antwoordenH7725 zullen, die totH413 mij gesprokenH1696 hebben, zeggendeH559: MaakH7043 het jukH5923, dat uw vaderH1 ons opgelegdH5414 heeft, lichterH7043.En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.
KJVAnd he said1unto them, What counsel give5ye that we may6answer7this people,9who have spoken12to me, saying,14Make15➔ the yoke17which thy father20did put19upon us lighter?
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3מָ֚הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4אַתֶּ֣םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you5נֽוֹעָצִ֔יםH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose6וְנָשִׁ֥יבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw7דָּבָ֖רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people10הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12דִּבְּר֤וּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work13אֵלַי֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet15הָקֵל֙H7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet16מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with17הָעֹ֔לH5923juk, juks, maaktet jukyoke18אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection19נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield20אָבִ֖יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'21עָלֵֽינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
10En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En de jongelingenH3206, die metH854 hem opgewassenH1431 waren, sprakenH1696 tot hem, zeggendeH559: AlzoH3541 zult gij zeggenH559 tot dat volkH5971, die tot u gesprokenH1696 hebben, zeggendeH559: Uw vaderH1 heeft ons jukH5923zwaarH3513 gemaakt, maar maakH7043gijH859 het overH5921 ons lichterH7043; alzoH3541 zult gij tot hen sprekenH1696: Mijn kleinsteH6995 vinger zal dikkerH5666 zijn dan mijns vadersH1lendenH4975.En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
KJVAnd the young men3that were grown up5with him spake1unto him, saying,7Thus shalt thou speak9unto this people10that spake13unto thee, saying,15Thy father16made17➔ our yoke19heavy,but make thou it lighter21unto us; thus shalt thou say24unto them, My little26finger shall be thicker27than my father's29loins.28
1וַיְדַבְּר֣וּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֵלָ֗יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הַיְלָדִים֙H3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)4אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5גָּדְל֣וּH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower6אִתּוֹ֮H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix7לֵאמֹר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder9תֹאמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10לָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11הַזֶּ֡הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13דִּבְּר֨וּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work14אֵלֶ֜יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet16אָבִ֨יךָ֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'17הִכְבִּ֣ידH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop18אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19עֻלֵּ֔נוּH5923juk, juks, maaktet jukyoke20וְאַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you21הָקֵ֣לH7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet22מֵעָלֵ֑ינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with23כֹּ֚הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder24תְּדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work25אֲלֵיהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)26קָֽטָנִּ֥יH6995kleinstelittle finger27עָבָ֖הH5666dikker, dikbe (grow) thick(-er)28מִמָּתְנֵ֥יH4975lenden, lendenen, goede lenden[phrase] greyhound, loins, side29אָבִֽיH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'
11Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Indien nuH6258 mijn vaderH1 een zwaarH3515jukH5923opH5921 u heeft doen ladenH6006, zo zal ikH589bovenH5921 uw jukH5923 nog daartoe doen; mijn vaderH1 heeft u met geselenH7752gekastijdH3256, maar ikH589 zal u met schorpioenenH6137kastijdenH3256.Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
KJVAnd now whereas my father2did lade3you with a heavy6yoke,5I will add8to your yoke:10my father11hath chastised12you with whips,14but I will chastise16you with scorpions.18
1וְעַתָּ֗הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2אָבִי֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'3הֶעְמִ֤יסH6006laden, beladen, gedragenbe borne, (heavy) burden (self), lade, load, put4עֲלֵיכֶם֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5עֹ֣לH5923juk, juks, maaktet jukyoke6כָּבֵ֔דH3515zwaar, zware, zwaren(so) great, grievous, hard(-ened), (too) heavy(-ier), laden, much, slow, sore, thick7וַאֲנִ֖יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who8אוֹסִ֣יףH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield9עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10עֻלְּכֶ֑םH5923juk, juks, maaktet jukyoke11אָבִ֗יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'12יִסַּ֤רH3256gekastijd, kastijden, getuchtigdbind, chasten, chastise, correct, instruct, punish, reform, reprove, sore, teach13אֶתְכֶם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14בַּשּׁוֹטִ֔יםH7752gesel, geselen, zweepscourge, whip15וַאֲנִ֕יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who16אֲיַסֵּ֥רH3256gekastijd, kastijden, getuchtigdbind, chasten, chastise, correct, instruct, punish, reform, reprove, sore, teach17אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18בָּעַקְרַבִּֽיםH6137schorpioenenscorpion
12Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Zo kwamH935JerobeamH3379 en het ganseH3605volkH5971totH413RehabeamH7346 op den derdenH7992dagH3117, gelijk als de koningH4428gesprokenH1696 had, zeggendeH559: KomtH7725 weder totH413 mij op den derdenH7992dagH3117.Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.
KJVSo Jeroboam2and all the people4came1to Rehoboam6the third8day,7as the king11had appointed,10saying,12Come to me again13the third16day.15
1וַיָּב֨וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2יָרָבְעָ֧םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam3וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6רְחַבְעָ֖םH7346RehabeamRehoboam7בַּיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger8הַשְּׁלִישִׁ֑יH7992derde, derden, driejarigethird (part, rank, time), three (years old)9כַּאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10דִּבֶּ֤רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work11הַמֶּ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal12לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13שׁ֥וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw14אֵלַ֖יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15בַּיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger16הַשְּׁלִישִֽׁיH7992derde, derden, driejarigethird (part, rank, time), three (years old)
13En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En de koningH4428antwoorddeH6030 het volkH5971hardelijkH7186; want hij verlietH5800 den raadH6908 der oudstenH2205, dienH834 zij hem geradenH3289 hadden.En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.
KJVAnd the king2answered1the people4roughly,5and forsook6the old men's9counsel8that they gave11him;
1וַיַּ֧עַןH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)2הַמֶּ֛לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5קָשָׁ֑הH7186hard, harde, hardenchurlish, cruel, grievous, hard((-hearted), thing), heavy, [phrase] impudent, obstinate, prevailed, rough(-ly), sore, sorrowful, stiff(necked), stubborn, [phrase] in trouble6וַֽיַּעֲזֹ֛בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8עֲצַ֥תH6098raad, raadslag, raadslagenadvice, advisement, counsel(l-(or)), purpose9הַזְּקֵנִ֖יםH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator10אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11יְעָצֻֽהוּH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
14En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En hij sprakH1696 tot hen naar den raadH6098 der jongelingenH3206, zeggendeH559: Mijn vaderH1 heeft uw jukH5923zwaarH3513 gemaakt, maar ikH589 zal bovenH5921 uw jukH5923 nog daartoe doen; mijn vaderH1 heeft u met geselenH7752gekastijdH3256, maar ikH589 zal u met schorpioenenH6137kastijdenH3256.En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
KJVAnd spake1to them after the counsel3of the young men,4saying,5My father6made7➔ your yoke9heavy,and I will add11to your yoke:13my father14also chastised15you with whips,17but I will chastise19you with scorpions.21
1וַיְדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3כַּעֲצַ֤תH6098raad, raadslag, raadslagenadvice, advisement, counsel(l-(or)), purpose4הַיְלָדִים֙H3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)5לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אָבִי֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'7הִכְבִּ֣ידH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop8אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9עֻלְּכֶ֔םH5923juk, juks, maaktet jukyoke10וַאֲנִ֖יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who11אֹסִ֣יףH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield12עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13עֻלְּכֶ֑םH5923juk, juks, maaktet jukyoke14אָבִ֗יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'15יִסַּ֤רH3256gekastijd, kastijden, getuchtigdbind, chasten, chastise, correct, instruct, punish, reform, reprove, sore, teach16אֶתְכֶם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17בַּשּׁוֹטִ֔יםH7752gesel, geselen, zweepscourge, whip18וַאֲנִ֕יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who19אֲיַסֵּ֥רH3256gekastijd, kastijden, getuchtigdbind, chasten, chastise, correct, instruct, punish, reform, reprove, sore, teach20אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21בָּעַקְרַבִּֽיםH6137schorpioenenscorpion
15Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Alzo hoordeH8085 de koningH4428naarH413 het volkH5971nietH3808; wantH3588 deze omwendingH5438 was van den HEEREH3068, opdatH4616 Hij Zijn woordH1697bevestigdeH6965, hetwelkH834 de HEEREH3068 door den dienstH3027 van AhiaH281, den SilonietH7888, gesprokenH1696 had totH413JerobeamH3379, den zoonH1121 van NebatH5028.Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
KJVWherefore the king3hearkened2not unto the people;5for the cause8was from the LORD,10that he might perform12his saying,14which the LORD17spake16by18Ahijah19the Shilonite20unto Jeroboam22the son23of Nebat.24
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2שָׁמַ֥עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3הַמֶּ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people6כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7הָיְתָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8סִבָּה֙H5438omwendingcause9מֵעִ֣םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)10יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11לְמַ֜עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to12הָקִ֣יםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14דְּבָר֗וֹH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work15אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16דִּבֶּ֤רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work17יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)18בְּיַד֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves19אֲחִיָּ֣הH281AhiaAhiah, Ahijah20הַשִּׁילֹנִ֔יH7888Siloniet, SilonietenShilonite21אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)22יָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam23בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth24נְבָֽטH5028NebatNebat
16Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Toen gansH3605IsraelH3478zagH7200, datH3588 de koningH4428naarH413 hen nietH3808hoordeH8085, zo gaf het volkH5971 den koningH4428 weder antwoordH1697, zeggendeH559: WatH4100deelH2506 hebben wij aan DavidH1732? Ja, geenH3808erveH5159 hebben wij aan den zoonH1121 van IsaiH3448; naar uw tentenH168, o IsraelH3478! VoorzieH7200nuH6258 uw huisH1004, o DavidH1732! Zo gingH3212IsraelH3478 naar zijn tentenH168.Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
KJVSo9when all Israel3saw1that the king7hearkened6not unto them, the people10answered13the king,12saying,14What portion17have we in David?18neither have we inheritance20in the son21of Jesse:22to your tents,23O Israel:24now see26to thine own house,27David.28So Israel30departed29unto their tents.31
1וַיַּ֣רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4כִּ֠יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6שָׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness7הַמֶּלֶךְ֮H4428koning, konings, koningenking, royal8אֲלֵיהֶם֒H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9וַיָּשִׁ֣בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw10הָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13דָּבָ֣רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work14לֵאמֹ֡רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet15מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why16לָּנוּ֩17חֵ֨לֶקH2506deel, delen, stukflattery, inheritance, part, [idiom] partake, portion18בְּדָוִ֜דH1732David, DavidsDavid19וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without20נַחֲלָ֣הH5159erfenis, erfdeel, erveheritage, to inherit, inheritance, possession. Compare H5158 (נַחַל)21בְּבֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth22יִשַׁ֗יH3448IsaiJesse23לְאֹהָלֶ֨יךָ֙H168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent24יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael25עַתָּ֕הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas26רְאֵ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions27בֵיתְךָ֖H1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)28דָּוִ֑דH1732David, DavidsDavid29וַיֵּ֥לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak30יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael31לְאֹהָלָֽיוH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent
17Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Doch aangaande de kinderenH1121 van IsraelH3478, die in de stedenH5892 van JudaH3063woondenH3427, overH5921 die regeerdeH4427RehabeamH7346 ook.Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
KJVBut as for the children1of Israel2which dwelt3in the cities4of Judah,5Rehoboam8reigned6over them.
1וּבְנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3הַיֹּשְׁבִ֖יםH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4בְּעָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town5יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah6וַיִּמְלֹ֥ךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely7עֲלֵיהֶ֖םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8רְחַבְעָֽםH7346RehabeamRehoboam
18Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Toen zondH7971 de koningH4428RehabeamH7346AdoramH151, dieH834overH5921 de schattingH4522 was; en het ganseH3605IsraelH3478stenigdeH7275 hem met stenenH68, dat hij stierfH4191; maar de koningH4428RehabeamH7346 vervloekte zich om op een wagenH4818 te klimmenH5927, dat hij naar JeruzalemH3389vluchtteH5127.Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
Ook in dit vers
verkloekteH553
KJVThen king2Rehoboam3sent1Adoram,5who was over the tribute;8and all Israel11stoned9him with stones,13that he died.14Therefore king15Rehoboam16made speed17to get him up18to his chariot,19to flee20to Jerusalem.21
1וַיִּשְׁלַ֞חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2הַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3רְחַבְעָ֗םH7346RehabeamRehoboam4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5אֲדֹרָם֙H151AdoramAdoram6אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8הַמַּ֔סH4522cijnsbaar, schatting, uitschotdiscomfited, levy, task(-master), tribute(-tary)9וַיִּרְגְּמ֨וּH7275stenigen, stenigden, stenigde[idiom] certainly, stone10כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11יִשְׂרָאֵ֥לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12בּ֛וֹ13אֶ֖בֶןH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)14וַיָּמֹ֑תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15וְהַמֶּ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal16רְחַבְעָ֗םH7346RehabeamRehoboam17הִתְאַמֵּץ֙H553goeden moed, versterken, machtigerconfirm, be courageous (of good courage, stedfastly minded, strong, stronger), establish, fortify, harden, increase, prevail, strengthen (self), make strong (obstinate, speed)18לַעֲל֣וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work19בַּמֶּרְכָּבָ֔הH4818wagen, wagenen, wagenschariot. See also H1024 (בֵּית הַמַּרְכָּבוֹת)20לָנ֖וּסH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard21יְרוּשָׁלִָֽםH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem
19Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Alzo vielenH6586 de IsraelietenH3478 van het huisH1004DavidsH1732 af, totH5704 op dezenH2088dagH3117.Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.
KJVSo Israel2rebelled1against the house3of David4unto this day.6
1וַיִּפְשְׁע֤וּH6586overtreden, overtreders, vielenoffend, rebel, revolt, transgress(-ion, -or)2יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3בְּבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid5עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet6הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger7הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
20En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En het geschiedde, als gansH3605IsraelH3478hoordeH8085, datH3588JerobeamH3379wedergekomenH7725 was, dat zij henen zondenH7971, en hem in de vergaderingH5712riepenH7121, en hem overH5921gansH3605IsraelH3478koning maaktenH4427; niemandH3808volgdeH1961 het huisH1004DavidsH1732, dan de stamH7626 van JudaH3063 alleen.En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
KJVAnd it came to pass, when all Israel4heard2that Jeroboam7was come again,6that they sent8and called9him unto the congregation,12and made him king13over all Israel:17there was none that followed20the house21of David,22but23the tribe24of Judah25only.
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּשְׁמֹ֤עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)4יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6שָׁ֣בH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw7יָרָבְעָ֔םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam8וַֽיִּשְׁלְח֗וּH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)9וַיִּקְרְא֤וּH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say10אֹתוֹ֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)12הָ֣עֵדָ֔הH5712vergadering, gemeente, bijenzwermassembly, company, congregation, multitude, people, swarm. Compare H5713 (עֵדָה)13וַיַּמְלִ֥יכוּH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely14אֹת֖וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)17יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael18לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without19הָיָה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use20אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with21בֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)22דָּוִ֔דH1732David, DavidsDavid23זוּלָתִ֥יH2108behalve, uitgezonderdbeside, but, only, save24שֵֽׁבֶטH7626stammen, stam, roede[idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe25יְהוּדָ֖הH3063JudaJudah26לְבַדּֽוֹH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength
21Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Toen nu RehabeamH7346 te JeruzalemH3389gekomenH935 was, vergaderdeH6950 hij het ganseH3605huisH1004 van JudaH3063 en den stamH7626 van BenjaminH1144, honderdH3967 en tachtigH8084duizendH505uitgelezenenH977, geoefendH6213 ten oorlogH4421, om tegenH5973 het huisH1004IsraelsH3478 te strijdenH3898, opdat hij het koninkrijkH4410 weder aan RehabeamH7346, den zoonH1121 van SalomoH8010, brachtH7725.Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.
KJVAnd when Rehoboam2was come1to Jerusalem,3he assembled4all the house7of Judah,8with the tribe10of Benjamin,11an hundred12and fourscore13thousand14chosen men,15which were warriors,16to fight18against the house20of Israel,21to bring22➔ the kingdom24againto Rehoboam25the son26of Solomon.27
1וַיָּבֹ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2רְחַבְעָם֮H7346RehabeamRehoboam3יְרוּשָׁלִַם֒H3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem4וַיַּקְהֵל֩H6950vergaderden, vergaderde, verzameldeassemble (selves) (together), gather (selves) (together)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7בֵּ֨יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8יְהוּדָ֜הH3063JudaJudah9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10שֵׁ֣בֶטH7626stammen, stam, roede[idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe11בִּנְיָמִ֗ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin12מֵאָ֨הH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore13וּשְׁמֹנִ֥יםH8084tachtig, tachtigste, tweehonderdeighty(-ieth), fourscore14אֶ֛לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand15בָּח֖וּרH977verkoren, verkiezen, verkoosacceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require16עֹשֵׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use17מִלְחָמָ֑הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)18לְהִלָּחֵם֙H3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)19עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)20בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)21יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael22לְהָשִׁיב֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw23אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24הַמְּלוּכָ֔הH4410koninkrijk, koninklijk, koninkrijkskingsom, king's, [idiom] royal25לִרְחַבְעָ֖םH7346RehabeamRehoboam26בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth27שְׁלֹמֹֽהH8010SalomoSolomon
22Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Doch het woordH1697 van GodH430geschieddeH1961totH413SemajaH8098, den manH376GodsH430, zeggendeH559:Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:
KJVBut the word2of God3came unto Shemaiah5the man6of God,7saying,8
23Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23ZegH559totH413RehabeamH7346, den zoonH1121 van SalomoH8010, den koningH4428 van JudaH3063, en totH413 het ganseH3605huisH1004 van JudaH3063 en BenjaminH1144, en overigeH3499 des volksH5971, zeggendeH559:Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:
KJVSpeak1unto Rehoboam,3the son4of Solomon,5king6of Judah,7and unto all the house10of Judah11and Benjamin,12and to the remnant13of the people,14saying,15
1אֱמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3רְחַבְעָ֤םH7346RehabeamRehoboam4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5שְׁלֹמֹה֙H8010SalomoSolomon6מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal7יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah8וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11יְהוּדָ֖הH3063JudaJudah12וּבִנְיָמִ֑יןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin13וְיֶ֥תֶרH3499overige, overblijfsel, overgelaten[phrase] abundant, cord, exceeding, excellancy(-ent), what they leave, that hath left, plentifully, remnant, residue, rest, string, with14הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people15לֵאמֹֽרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet
24Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24ZoH3541zegtH559 de HEEREH3068: Gij zult nietH3808optrekkenH5927, nochH3808strijdenH3898tegenH5973 uw broederenH251, de kinderenH1121IsraelsH3478; een iederH376kereH7725 weder tot zijn huisH1004, wantH3588dezeH2088zaakH1697 is vanH854 Mij geschiedH1961. En zij hoordenH8085 het woordH1697 des HEERENH3068, en keerdenH7725 weder, om weg te trekken naar het woordH1697 des HEERENH3068.Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.
Ook in dit vers
weg trekkenH3212
KJVThus saith2the LORD,3Ye shall not go up,5nor fight7against your brethren9the children10of Israel:11return12every man13to his house;14for this thing18is17from me. They hearkened20therefore to the word22of the LORD,23and returned24to depart,25according to the word26of the LORD.27
1כֹּ֣הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3יְהוָ֡הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5תַעֲלוּ֩H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work6וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7תִלָּ֨חֲמ֜וּןH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)8עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)9אֲחֵיכֶ֣םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'10בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12שׁ֚וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw13אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14לְבֵית֔וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15כִּ֧יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16מֵאִתִּ֛יH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix17נִהְיָ֖הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use18הַדָּבָ֣רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work19הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)20וַיִּשְׁמְעוּ֙H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness21אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22דְּבַ֣רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work23יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)24וַיָּשֻׁ֥בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw25לָלֶ֖כֶתH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak26כִּדְבַ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work27יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
25Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25JerobeamH3379 nu bouwdeH1129SichemH7927 op het gebergteH2022 van EfraimH669, en woondeH3427 daarin, en toogH3318 van daarH8033 uit, en bouwdeH1129PenuelH6439.Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.
KJVThen Jeroboam2built1Shechem4in mount5Ephraim,6and dwelt7therein; and went out9from thence, and built11Penuel.13
1וַיִּ֨בֶןH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely2יָרָבְעָ֧םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שְׁכֶ֛םH7927Sichem, SichemsShechem5בְּהַ֥רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion6אֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites7וַיֵּ֣שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry8בָּ֑הּ9וַיֵּצֵ֣אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter10מִשָּׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither11וַיִּ֖בֶןH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13פְּנוּאֵֽלH6439Pnuel, Pniel, PenuelPeniel, Penuel
26En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26En JerobeamH3379zeideH559 in zijn hartH3820: NuH6258 zal het koninkrijkH4467 weder tot het huisH1004 van DavidH1732kerenH7725.En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.
KJVAnd Jeroboam2said1in his heart,3Now shall the kingdom6return5to the house7of David:8
1וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יָרָבְעָ֖םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam3בְּלִבּ֑וֹH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom4עַתָּ֛הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas5תָּשׁ֥וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw6הַמַּמְלָכָ֖הH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal7לְבֵ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8דָּוִֽדH1732David, DavidsDavid
27Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27ZoH518ditH2088volkH5971opgaanH5927 zal om offerandenH2077 te doenH6213 in het huisH1004 des HEERENH3068 te JeruzalemH3389, zo zal het hartH3820 dezes volksH5971 tot hun heerH113, totH413RehabeamH7346, den koningH4428 van JudaH3063, wederkerenH7725; ja, zij zullen mij dodenH2026, en totH413RehabeamH7346, den koningH4428 van JudaH3063, wederkerenH7725.Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.
KJVIf this people3go up2to do5sacrifice6in the house7of the LORD8at Jerusalem,9then shall the heart11of this people12turn again10unto their lord,15even unto Rehoboam17king18of Judah,19and they shall kill20me, and go again21to Rehoboam23king24of Judah.25
1אִֽםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2יַעֲלֶ֣הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work3הָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4הַזֶּ֗הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5לַעֲשׂ֨וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6זְבָחִ֤יםH2077slachtoffer, dankoffer, slachtofferenoffer(-ing), sacrifice7בְּבֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9בִּיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem10וְ֠שָׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw11לֵ֣בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom12הָעָ֤םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)14אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15אֲדֹ֣נֵיהֶ֔םH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'16אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)17רְחַבְעָ֖םH7346RehabeamRehoboam18מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal19יְהוּדָ֑הH3063JudaJudah20וַהֲרָגֻ֕נִיH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely21וְשָׁ֖בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw22אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)23רְחַבְעָ֥םH7346RehabeamRehoboam24מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal25יְהוּדָֽהH3063JudaJudah
28Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Daarom hieldH3289 de koningH4428 een raadH3289, en maakteH6213tweeH8147goudenH2091kalverenH5695; en hij zeideH559totH413 hen: Het is ulieden te veelH7227 om op te gaan naar JeruzalemH3389; zieH2009 uw godenH430, o IsraelH3478, dieH834 u uit EgyptelandH776opgebrachtH5927 hebben.Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
KJVWhereupon the king2took counsel,1and made3two4calves5of gold,6and said7unto them, It is too much9for you to go up11to Jerusalem:12behold thy gods,14O Israel,15which brought thee up17out of the land18of Egypt.19
1וַיִּוָּעַ֣ץH3289raad, beraadslaagd, geradenadvertise, take advise, advise (well), consult, (give, take) counsel(-lor), determine, devise, guide, purpose2הַמֶּ֔לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal3וַיַּ֕עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use4שְׁנֵ֖יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two5עֶגְלֵ֣יH5695kalf, kalveren, kalfsbullock, calf6זָהָ֑בH2091goud, gouden, goudsgold(-en), fair weather7וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲלֵהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9רַבH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)10לָכֶם֙11מֵעֲל֣וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work12יְרוּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem13הִנֵּ֤הH2009ziet, ziebehold, lo, see14אֱלֹהֶ֨יךָ֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty15יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17הֶעֱל֖וּךָH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work18מֵאֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world19מִצְרָֽיִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim
29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29En hij zetteH7760 het eneH259 te Beth-ElH1008, en het andere steldeH5414 hij te Dan.En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.
KJVAnd he set1the one3in Bethel,4and the other7put8he in Dan.9
1וַיָּ֥שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הָאֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,4בְּבֵֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el5אֵ֑לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הָאֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,8נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9בְּדָֽןH1835DanDaniel
30En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En dezeH2088zaakH1697werdH1961 tot zondeH2403; want het volkH5971gingH3212 heen voorH6440 het eneH259, tot Dan toe.En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
KJVAnd this thing2became a sin:4for the people6went5to worship before7the one,8even unto Dan.10
1וַיְהִ֛יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הַדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)4לְחַטָּ֑אתH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)5וַיֵּלְכ֥וּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7לִפְנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8הָאֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,9עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet10דָּֽןH1835DanDaniel
31Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Hij maakte ook een huisH1004 der hoogtenH1116; en maakteH6213priesterenH3548 van de geringstenH7098 des volksH5971, dieH834nietH3808warenH1961 uit de zonenH1121 van LeviH3878.Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.
KJVAnd he made1an house3of high places,4and made5priests6of the lowest7of the people,8which were not of the sons12of Levi.13
1וַיַּ֖עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4בָּמ֑וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave5וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6כֹּֽהֲנִים֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer7מִקְצ֣וֹתH7098einden, einde, geringstencoast, corner, (selv-) edge, lowest, (uttermost) participle8הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11הָי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use12מִבְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13לֵוִֽיH3878LeviLevi. See also H3879 (לֵוִי), H3881 (לֵוִיִּי)
32En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En JerobeamH3379maakteH6213 een feestH2282 in de achtsteH8066maandH2320, op den vijftiendenH2568dagH3117 der maandH2320, gelijk het feestH2282, datH834 in JudaH3063 was, en offerdeH5927opH5921 het altaarH4196; van gelijken deedH6213 hij te Beth-ElH1008, offerendeH2076 den kalverenH5695, dieH834 hij gemaaktH6213 had; hij steldeH5975 ook te Beth-ElH1008priesterenH3548 der hoogtenH1116, dieH834 hij gemaaktH6213 had.En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.
KJVAnd Jeroboam2ordained1a feast3in the eighth5month,4on the fifteenth6day8of the month,9like unto the feast10that is in Judah,12and he offered13upon the altar.15So did17he in Bethel,18sacrificing20unto the calves21that he had made:23and he placed24in Bethel19the priests28of the high places29which he had made.31
1וַיַּ֣עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2יָרָבְעָ֣םH3379Jerobeam, Jerobeams, jerobeamJeroboam3חָ֡גH2282feest, feesten, feestdag(solemn) feast (day), sacrifice, solemnity4בַּחֹ֣דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon5הַשְּׁמִינִ֣יH8066achtsten, achtsteeight6בַּחֲמִשָּֽׁהH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)7עָשָׂר֩H6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)8י֨וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9לַחֹ֜דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon10כֶּחָ֣גH2282feest, feesten, feestdag(solemn) feast (day), sacrifice, solemnity11אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12בִּיהוּדָ֗הH3063JudaJudah13וַיַּ֨עַל֙H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15הַמִּזְבֵּ֔חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar16כֵּ֤ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you17עָשָׂה֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18בְּבֵֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el19אֵ֔לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el20לְזַבֵּ֖חַH2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay21לָעֲגָלִ֣יםH5695kalf, kalveren, kalfsbullock, calf22אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection23עָשָׂ֑הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use24וְהֶעֱמִיד֙H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry25בְּבֵ֣יתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el26אֵ֔לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el27אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)28כֹּהֲנֵ֥יH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer29הַבָּמ֖וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave30אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection31עָשָֽׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
33En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33En hij offerdeH5927opH5921 het altaarH4196, datH834 hij te Beth-ElH1008gemaaktH6213 had, op den vijftiendenH2568dagH3117 der achtsteH8066maandH2320, der maandH2320, dewelkeH834 hij uit zijn hartH3820verdachtH908 had; zo maakteH6213 hij den kinderenH1121IsraelsH3478 een feestH2282, en offerdeH5927opH5921 dat altaarH4196, rokendeH6999.En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
KJVSo he offered1upon the altar3which he had made5in Bethel6the fifteenth8day10of the eighth12month,11even in the month13which he had devised15of his own heart;16and ordained17a feast18unto the children19of Israel:20and he offered21upon the altar,23and burnt incense.24
1וַיַּ֜עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3הַמִּזְבֵּ֣חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar4אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5עָשָׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6בְּבֵֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el7אֵ֗לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el8בַּחֲמִשָּׁ֨הH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)9עָשָׂ֥רH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)10יוֹם֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger11בַּחֹ֣דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon12הַשְּׁמִינִ֔יH8066achtsten, achtsteeight13בַּחֹ֖דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon14אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15בָּדָ֣אH908verdacht, versiertdevise, feign16מִלִּבּ֑וֹH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom17וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18חָג֙H2282feest, feesten, feestdag(solemn) feast (day), sacrifice, solemnity19לִבְנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth20יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael21וַיַּ֥עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work22עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with23הַמִּזְבֵּ֖חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar24לְהַקְטִֽירH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
1 Koningen 12:1— En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.2 Kronieken 10:1→Jozua 20:7→Psalmen 60:6→Richteren 9:6→1 Koningen 11:43→Handelingen 7:16→Jozua 24:1→Genesis 12:6→
1 Koningen 12:2— Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),1 Koningen 11:40→1 Koningen 11:26→2 Kronieken 10:2→
1 Koningen 12:4— Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→2 Kronieken 10:4→1 Johannes 5:3→Mattheüs 23:4→Mattheüs 11:29→1 Koningen 4:20→
1 Koningen 12:5— En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.1 Koningen 12:12→
1 Koningen 12:6— En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?Job 12:12→Job 32:7→1 Koningen 4:2→Jeremia 42:2→2 Samuël 17:5→Spreuken 27:10→2 Samuël 16:20→Jeremia 43:2→
1 Koningen 12:7— En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.Spreuken 15:1→1 Koningen 12:13→2 Samuël 15:3→Filippenzen 2:7→Prediker 10:4→Zacharia 1:13→2 Kronieken 10:6→Markus 10:43→
1 Koningen 12:8— Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.2 Kronieken 10:8→Spreuken 19:20→2 Kronieken 25:15→Spreuken 1:30→Spreuken 1:25→Spreuken 25:12→Spreuken 1:2→Prediker 10:2→
1 Koningen 12:9— En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.1 Koningen 22:6→2 Samuël 17:5→2 Kronieken 10:9→2 Kronieken 18:5→
1 Koningen 12:10— En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.Jesaja 47:6→Spreuken 28:25→2 Samuël 17:7→Spreuken 10:14→Spreuken 29:23→Spreuken 18:6→2 Kronieken 10:10→
1 Koningen 12:11— Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.2 Kronieken 16:10→Exodus 5:5→Exodus 5:18→1 Samuël 8:18→Jeremia 28:13→Ezechiël 2:6→Jeremia 27:11→Exodus 1:13→
1 Koningen 12:12— Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.1 Koningen 12:5→2 Kronieken 10:12→
1 Koningen 12:13— En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.Jakobus 3:17→Genesis 42:7→Richteren 12:1→Exodus 5:2→2 Samuël 19:43→1 Samuël 20:10→1 Samuël 20:30→Genesis 42:30→
1 Koningen 12:14— En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.Exodus 5:5→1 Koningen 12:10→Exodus 5:16→Spreuken 13:10→Spreuken 17:14→Spreuken 12:5→Esther 2:2→Jakobus 3:14→
1 Koningen 12:15— Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.1 Koningen 12:24→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→2 Kronieken 22:7→2 Kronieken 10:15→2 Kronieken 25:20→1 Samuël 15:29→
1 Koningen 12:16— Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.2 Samuël 20:1→1 Koningen 11:39→2 Samuël 7:15→Jeremia 33:15→Lukas 19:27→Psalmen 132:17→1 Koningen 11:34→2 Samuël 15:13→
1 Koningen 12:17— Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.1 Koningen 11:13→1 Koningen 11:36→2 Kronieken 10:17→2 Kronieken 11:13→
1 Koningen 12:18— Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 24:21→2 Kronieken 10:18→Amos 2:16→1 Koningen 20:18→Handelingen 7:57→
1 Koningen 12:19— Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.2 Koningen 17:21→Jozua 4:9→Hebreeën 6:6→Jesaja 7:17→2 Kronieken 10:19→2 Kronieken 13:17→1 Samuël 10:19→2 Kronieken 13:5→
1 Koningen 12:20— En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.1 Koningen 11:32→1 Koningen 11:13→Hosea 8:4→Hosea 11:12→1 Samuël 10:24→1 Koningen 11:36→1 Koningen 12:17→
1 Koningen 12:21— Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.2 Kronieken 11:1→2 Kronieken 14:11→Spreuken 21:30→2 Kronieken 17:14→1 Kronieken 21:5→2 Kronieken 14:8→
1 Koningen 12:22— Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:2 Kronieken 11:2→1 Timotheüs 6:11→2 Koningen 4:16→1 Koningen 17:18→2 Kronieken 12:5→1 Koningen 13:11→Deuteronomium 33:1→2 Koningen 4:22→
1 Koningen 12:23— Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:1 Koningen 12:17→
1 Koningen 12:24— Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.1 Koningen 12:15→2 Kronieken 25:7→2 Kronieken 28:9→Numeri 14:42→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:4→2 Kronieken 25:10→1 Koningen 11:29→
1 Koningen 12:25— Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.Richteren 8:17→Richteren 8:8→Richteren 9:45→Genesis 32:30→1 Koningen 9:15→1 Koningen 12:1→1 Koningen 15:17→Richteren 9:1→
1 Koningen 12:26— En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.Jeremia 38:18→Markus 2:6→1 Samuël 27:1→Johannes 12:19→Psalmen 14:1→Johannes 12:10→1 Koningen 11:38→Handelingen 4:16→
1 Koningen 12:27— Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.Deuteronomium 12:14→Deuteronomium 12:5→Deuteronomium 16:2→Spreuken 29:25→Deuteronomium 16:6→Genesis 26:7→1 Koningen 11:32→1 Koningen 8:44→
1 Koningen 12:28— Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.2 Koningen 10:29→2 Koningen 17:16→Exodus 32:8→Exodus 32:4→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:15→Exodus 1:10→2 Petrus 2:19→
1 Koningen 12:29— En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.Genesis 28:19→Jeremia 8:16→Richteren 20:1→Genesis 14:14→2 Koningen 10:29→Hosea 4:15→Deuteronomium 34:1→Genesis 35:1→
1 Koningen 12:30— En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.2 Koningen 17:21→1 Koningen 13:34→2 Koningen 10:31→
1 Koningen 12:31— Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.2 Kronieken 13:9→2 Koningen 17:32→1 Koningen 13:32→2 Kronieken 11:14→Numeri 3:10→1 Koningen 13:24→Deuteronomium 24:15→Ezechiël 44:6→
1 Koningen 12:32— En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.1 Koningen 8:5→1 Koningen 8:2→Amos 7:10→Mattheüs 15:8→Numeri 29:12→Leviticus 23:33→Ezechiël 43:8→
1 Koningen 12:33— En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→2 Kronieken 26:6→Markus 7:13→Mattheüs 15:6→Psalmen 106:39→Jesaja 29:13→1 Samuël 13:12→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
1 Koningen 12 vers 1— En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
Sichem,
De naam ener stad gelegen in Efraïm, van welke zie breder Gen. 12:6. In deze stad, als in het midden des lands, was de vergadering belegd, in welke men van de huldiging des nieuwen konings en van de zaken des rijks handelen zou.
Hertaald:Sichem,
De naam van een stad in Efraïm; zie daarover uitvoeriger Gen. 12:6. In deze stad, die midden in het land lag, was de vergadering belegd waarin men zou spreken over de huldiging van de nieuwe koning en over de zaken van het rijk.
1 Koningen 12 vers 2— Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),
want hij was van het aangezicht van den koning Sálomo gevloden;
Zie boven, 1 Kon. 11:40.
Hertaald:want hij was van het aangezicht van den koning Sálomo gevloden;
Zie hierboven 1 Kon. 11:40.
woonde in Egypte
Te weten, wachtende bekwame gelegenheid om tot het koninkrijk, hem van God door den profeet Ahia toegezegd, boven, 1 Kon. 11:31, te geraken.
Hertaald:woonde in Egypte
Namelijk: terwijl hij een geschikte gelegenheid afwachtte om het koningschap te verkrijgen dat God hem door de profeet Ahia had toegezegd, hierboven 1 Kon. 11:31.
1 Koningen 12 vers 4— Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
juk
Dat is, de dienstbaarheid en den last der schatting, die hun Salomo opgelegd had. Zie boven, 1 Kon. 4:7, en 1 Kon. 5:13; alzo is het woord juk gebruikt in het volgende; idem Gen. 27:40, en Lev. 26:13.
Hertaald:juk
Dat is: de dienstbaarheid en de last van de belasting die Salomo hun opgelegd had. Zie hierboven 1 Kon. 4:7, en 1 Kon. 5:13; zo wordt het woord juk ook in het vervolg gebruikt, en eveneens in Gen. 27:40 en Lev. 26:13.
hard gemaakt;
Hoewel Salomo de goederen zijns volks belast had met schattingen, tot onderhouding van zijn staat en hofgezin, boven, 1 Kon. 4:7, 1 Kon. 4:22, nochtans hadden zij geen oorzaak om dus te klagen, dewijl zij onder zijn regering, durende veertig jaren lang, 2 Kron. 9:30, nevens de ware religie, groten vrede en rijkdom genoten hadden, boven 1 Kon. 4:24-25, en 1 Kon. 10:27.
Hertaald:hard gemaakt;
Hoewel Salomo de bezittingen van zijn volk belast had met heffingen, om zijn staat en hofhouding te onderhouden, hierboven 1 Kon. 4:7, 1 Kon. 4:22, hadden zij toch geen reden om zo te klagen, omdat zij onder zijn regering, die veertig jaar duurde, 2 Kron. 9:30, naast de ware godsdienst ook grote vrede en rijkdom genoten hadden, hierboven 1 Kon. 4:24-25, en 1 Kon. 10:27.
maak
Of, minder van den harden dienst uws vaders, enz.
Hertaald:maak
Of: maak de harde dienst van uw vader lichter, enzovoort.
vaders harden dienst,
Dat is, dien uw vader ons opgelegd heeft. Alzo, de last des konings, Hos. 8:10, dat is, dien de koning oplegt.
Hertaald:vaders harden dienst,
Dat is: die uw vader ons opgelegd heeft. Zo ook: de last van de koning, Hos. 8:10, dat is: die de koning oplegt.
ons opgelegd heeft,
Hebreeuws, op ons gegeven heeft; alzo vs.9.
Hertaald:ons opgelegd heeft,
Hebreeuws: op ons gegeven heeft; zo ook vers 9.
u dienen
Dat is, uw onderzaten zijn, en u voor onzen koning aannemen, erkennen en u gehoorzamen. Dat heet onder, vs.7, knechten zijn.
Hertaald:u dienen
Dat is: uw onderdanen zijn, u als onze koning aannemen en erkennen en u gehoorzamen. Dat heet hieronder in vers 7: knechten zijn.
1 Koningen 12 vers 6— En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
oudsten,
Dat is, met de raadsheren des rijks. Zie Gen. 50:7.
Hertaald:oudsten,
Dat is: met de raadsheren van het rijk. Zie Gen. 50:7.
gestaan hadden
Dat is, die hem met raad gediend hadden. Vergelijk onder, vs.8, en zie Deut. 1:38, en boven, 1 Kon. 1:2.
Hertaald:gestaan hadden
Dat is: die hem met raad gediend hadden. Vergelijk hieronder vers 8, en zie Deut. 1:38 en hierboven 1 Kon. 1:2.
1 Koningen 12 vers 7— En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
knecht van dit volk wezen zult,
Dat is, hen involgen zult, hun toestaande hetgeen zij met beleefdheid aan u verzoeken. Vergelijk hiermede 2 Kron. 10:7.
Hertaald:knecht van dit volk wezen zult,
Dat is: hun ter wille zult zijn en hun zult toestaan wat zij u beleefd vragen. Vergelijk hiermee 2 Kron. 10:7.
goede woorden
Dat is, aangename, vriendelijke en troostrijke redenen. Zie boven, 1 Kon. 1:42.
Hertaald:goede woorden
Dat is: aangename, vriendelijke en bemoedigende woorden. Zie hierboven 1 Kon. 1:42.
knechten zijn
Zie boven, vs.4.
Hertaald:knechten zijn
Zie hierboven vers 4.
1 Koningen 12 vers 8— Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
jongelingen,
Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 44:20.
Hertaald:jongelingen,
Zie over het Hebreeuwse woord Gen. 44:20.
opgewassen waren,
Of, opgevoed waren.
Hertaald:opgewassen waren,
Of: opgevoed waren.
die voor zijn aangezicht stonden
Dat is, die in zijn dienst waren, gelijk boven, vs.6.
Hertaald:die voor zijn aangezicht stonden
Dat is: die in zijn dienst waren, zoals hierboven vers 6.
1 Koningen 12 vers 10— En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
Mijn kleinste vinger
Of, mijn kleinste [lid] enz. Een algemeen spreekwoord, waardoor te kennen gegeven wordt dat hij meerder geweld zou gebruiken om zijn volk te verdrukken, dan zijn vader gedaan had.
Hertaald:Mijn kleinste vinger
Of: mijn kleinste [lid], enzovoort. Een gangbaar spreekwoord, waarmee te kennen gegeven wordt dat hij meer geweld zou gebruiken om zijn volk te onderdrukken dan zijn vader gedaan had.
1 Koningen 12 vers 11— Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
schorpioenen kastijden
Dat is, met geselen, welke scherpe haken aanhebben om te steken en te doorwonden, gelijk de scorpioenen doen. Anderen verstaan geselen van egelentier of andere doornen gemaakt, waarbij de dienstbaarheid vergeleken wordt, waarmede de koning geraden wordt zijn volk te dreigen.
Hertaald:schorpioenen kastijden
Dat is: met zwepen die scherpe haken hebben om te steken en te verwonden, zoals schorpioenen doen. Anderen verstaan hieronder zwepen die van eglantier of andere doornen gemaakt zijn. Daarmee wordt de dienstbaarheid vergeleken waarmee de koning geadviseerd wordt zijn volk te bedreigen.
1 Koningen 12 vers 13— En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.
den raad der oudsten,
Zie boven, vs.7.
Hertaald:den raad der oudsten,
Zie hierboven vers 7.
1 Koningen 12 vers 14— En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
raad der jongelingen,
Zie boven, vs.10,11.
Hertaald:raad der jongelingen,
Zie hierboven vers 10, 11.
1 Koningen 12 vers 15— Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
omwending
Of, omgang, omkering; idem, oorzaak. De zin is hier dat deze geschiedenis, of handel, waardoor de staat des lands dus omkeerde en omgewend werd, geschiedde naar het beleid der voorzienigheid Gods, opdat Hij zijn straf, die Hij Salomo om zijn afwijking bedreigd had, uitvoeren zou, zonder nochtans dat God van der mensen doen enige besmetting heeft gekregen. Vergelijk onder, vs.24; idem Gen. 45:5, Gen. 45:7-8, en Gen. 50:20; Ex. 9:16; 2 Sam. 12:12; 2 Kron. 25:20.
Hertaald:omwending
Of: wending, ommekeer; en ook: oorzaak. De betekenis is hier dat deze gebeurtenis, waardoor de toestand van het land zo omsloeg, plaatsvond volgens het beleid van Gods voorzienigheid, opdat Hij de straf zou uitvoeren die Hij Salomo om zijn afwijking had aangezegd — zonder dat God daarbij ook maar enige besmetting van het doen van de mensen opliep. Vergelijk hieronder vers 24; eveneens Gen. 45:5, Gen. 45:7-8, en Gen. 50:20; Ex. 9:16; 2 Sam. 12:12; 2 Kron. 25:20.
dienst van Ahia,
Hebreeuws, hand. Zie Lev. 8:36.
Hertaald:dienst van Ahia,
Hebreeuws: hand. Zie Lev. 8:36.
1 Koningen 12 vers 16— Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
Wat deel hebben wij aan David?
Vergelijk 2 Sam. 20:1. De zin is dat zij met het koninkrijk van David niet wilden te doen hebben, omdat zij, naar hun gevoelen, geen voordeel te verwachten hadden. Zij spreken vragenderwijze, om te sterker te loochenen. Zie Gen. 18:17.
Hertaald:Wat deel hebben wij aan David?
Vergelijk 2 Sam. 20:1. De betekenis is dat zij niets met het koningshuis van David te maken wilden hebben, omdat zij daar naar hun mening geen voordeel van te verwachten hadden. Zij spreken in vraagvorm om des te sterker te ontkennen. Zie Gen. 18:17.
uw tenten,
Dat is, een iedere kere weder naar zijn huis en naar de zijnen.
Hertaald:uw tenten,
Dat is: laat ieder weer naar zijn huis en naar de zijnen gaan.
Voorzie nu uw huis,
Dat is, dat hij zorg voor zichzelven drage, en niet voor ons, maar ons met vrede late.
Hertaald:Voorzie nu uw huis,
Dat is: laat hij voor zichzelf zorgen en niet voor ons, maar ons met rust laten.
David
Zij verstaan de nakomelingen Davids en die hem toegedaan waren; maar hebben hem genaamd, uit verachting, den zoon van Isaï.
Hertaald:David
Zij bedoelen de nakomelingen van David en wie hem toegedaan waren; maar zij hebben hem uit verachting de zoon van Isaï genoemd.
1 Koningen 12 vers 17— Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
de kinderen van Israël,
Versta bij dezen den stam van Simeon, die voor een deel onder den stam van Juda vermengd was, de Levieten en een deel van den stam van Benjamin, die noordwaarts aan den stam van Juda gelegen was. Zie boven, 1 Kon. 11:32, en vergelijk onder, vs.23.
Hertaald:de kinderen van Israël,
Versta hieronder mede de stam Simeon, die voor een deel tussen de stam Juda in woonde, verder de Levieten en een deel van de stam Benjamin, die ten noorden van de stam Juda lag. Zie hierboven 1 Kon. 11:32, en vergelijk hieronder vers 23.
1 Koningen 12 vers 18— Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
Adóram,
Deze is die ook [naar eniger gevoelen] Adoniram genoemd werd, boven, 1 Kon. 4:6, en 1 Kon. 5:14, van wien daar gezegd wordt dat hij over des konings schatting was, gelijk ook hier van dezen; welk ambt degenen, die het bedienen, placht bij het volk hatelijk te maken; zodat het onvoorzichtigheid was, zulk een te zenden om de Israëlieten tot vrede te brengen.
Hertaald:Adóram,
Dit is dezelfde die [naar het oordeel van sommigen] ook Adoniram genoemd werd, hierboven 1 Kon. 4:6, en 1 Kon. 5:14, van wie daar gezegd wordt dat hij over de belastingen van de koning ging, net als hier. Dat ambt maakte degenen die het bekleedden gewoonlijk gehaat bij het volk, zodat het onverstandig was juist zo iemand te sturen om de Israëlieten tot vrede te bewegen.
verkloekte
Te weten, zich haastende om het gevaar te ontkomen.
Hertaald:verkloekte
Namelijk: hij haastte zich om aan het gevaar te ontkomen.
1 Koningen 12 vers 19— Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.
vielen de Israëlieten
Anders, alzo waren de Israëlieten wederspannig, of, rebel, of, trouweloos tegen het huis Davids. Zo wordt het oorspronkelijke woord in gelijke zaak gebruikt, 2 Kon. 1:1, en 2 Kon. 3:7, en 2 Kon. 8:22.
Hertaald:vielen de Israëlieten
Anders: zo waren de Israëlieten opstandig, of: rebels, of: trouweloos tegen het huis van David. Zo wordt het oorspronkelijke woord in eenzelfde verband gebruikt in 2 Kon. 1:1, en 2 Kon. 3:7, en 2 Kon. 8:22.
1 Koningen 12 vers 20— En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
vergadering riepen,
Te weten, die de oversten der stammen Israëls geleid hadden om te beraadslagen wat hun in deze verdeling der stammen en gelegenheid huns lands te doen stond. Vergelijk boven de aantekeningen vs.1.
Hertaald:vergadering riepen,
Namelijk: de vergadering die de leiders van de stammen van Israël bijeengeroepen hadden om te beraadslagen wat hun te doen stond bij deze verdeling van de stammen en de toestand van hun land. Vergelijk hierboven de aantekeningen bij vers 1.
niemand
Hebreeuws, niemand was achter het huis Davids.
Hertaald:niemand
Hebreeuws: niemand was achter het huis van David.
Juda alleen
Zie boven, vs.17.
Hertaald:Juda alleen
Zie hierboven vers 17.
1 Koningen 12 vers 21— Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.
stam van Benjamin,
Dat is, een deel van dien stam, want Bethel en andere steden waren met Jerobeam.
Hertaald:stam van Benjamin,
Dat is: een deel van die stam, want Bethel en andere steden hielden het met Jerobeam.
geoefend ten oorlog,
Hebreeuws, doende krijg, of oorlog; dat is, bekwaam om ten oorlog gebruikt te worden, of welbedreven in het stuk van den oorlog, of hanterende den oorlog. Alzo 2 Kron. 11:1, en 2 Kron. 26:13.
Hertaald:geoefend ten oorlog,
Hebreeuws: oorlog voerend; dat is: geschikt om in de oorlog ingezet te worden, of goed onderlegd in de oorlogvoering, of gewend aan de oorlog. Zo ook 2 Kron. 11:1, en 2 Kron. 26:13.
huis Israëls
Dat is, de tien stammen, die van Rehabeam en het huis van Juda afgeweken waren; boven, vs.16, en 2 Kron. 10:16.
Hertaald:huis Israëls
Dat is: de tien stammen die van Rehabeam en van het huis van Juda afgeweken waren; hierboven vers 16, en 2 Kron. 10:16.
Rehábeam,
Dat is, aan zichzelven. Zie boven, 1 Kon. 2:19.
Hertaald:Rehábeam,
Dat is: aan zichzelf. Zie hierboven 1 Kon. 2:19.
1 Koningen 12 vers 22— Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:
Semája,
Zie van dezen profeet ook 2 Kron. 12:5, 2 Kron. 12:15, en is te onderscheiden van twee valse profeten van dezen naam; de ene was de zoon van Delaja, Neh. 6:10, de andere toegenaamd de Nehelamiet; Jer. 29:31.
Hertaald:Semája,
Zie over deze profeet ook 2 Kron. 12:5, 2 Kron. 12:15. Hij moet onderscheiden worden van twee valse profeten met deze naam: de een was de zoon van Delaja, Neh. 6:10, de ander werd de Nehelamiet genoemd; Jer. 29:31.
1 Koningen 12 vers 23— Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:
volks,
Te weten, Israëls, dat in Juda en Benjamin was; 2 Kron. 11:3.
Hertaald:volks,
Namelijk: van Israël, voor zover het in Juda en Benjamin woonde; 2 Kron. 11:3.
1 Koningen 12 vers 24— Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.
deze zaak
Zie boven, vs.15.
Hertaald:deze zaak
Zie hierboven vers 15.
1 Koningen 12 vers 25— Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.
Sichem
Dat is, hij sterkte haar, en maakte haar vast. Zie van deze stad boven, vs.1.
Hertaald:Sichem
Dat is: hij versterkte haar en maakte haar vast. Zie over deze stad hierboven vers 1.
Penuël
Een stad, gelegen over de Jordaan in den stam van Gad. Zie Gen. 32:30.
Hertaald:Penuël
Een stad aan de overzijde van de Jordaan, in de stam Gad. Zie Gen. 32:30.
1 Koningen 12 vers 26— En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.
zeide in zijn hart
Dat is, dacht en oordeelde, alzo Ps. 14:1, en Ps. 36:2. In zijn hart zeggen is ook bij zichzelven voornemen en besluiten, Ps. 74:8.
Hertaald:zeide in zijn hart
Dat is: dacht en overwoog; zo ook Ps. 14:1 en Ps. 36:2. In zijn hart zeggen betekent ook: bij zichzelf voornemen en besluiten, Ps. 74:8.
1 Koningen 12 vers 28— Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
te veel
Dat is, het zou u te moeilijk en te kostelijk vallen. Anders, het zij u genoeg, dat gij tot nog toe naar Jeruzalem getrokken zijt, om aldaar uw offeranden te brengen. Het is voortaan niet nodig, vindende de gelegenheid daartoe in uw eigen land. Vergelijk deze manier van spreken met Num. 16:2-3.
Hertaald:te veel
Dat is: het zou u te lastig en te kostbaar vallen. Anders: het is voor u genoeg dat u tot nu toe naar Jeruzalem getrokken bent om daar uw offers te brengen. Voortaan is dat niet meer nodig, nu u daarvoor in uw eigen land gelegenheid hebt. Vergelijk deze manier van spreken met Num. 16:2-3.
uw goden,
Hij wist wel dat deze gouden kalveren geen goden waren, en dat de Israëlieten dat ook wel verstaan zouden; maar hij wilde dat zij den waren God door deze beelden zouden eren en dienen, tegen het uitgedrukte gebod des Heeren; Ex. 20:4-5; Deut. 4:14-17, enz. Zie dergelijke misdaad, Ex. 32:4.
Hertaald:uw goden,
Hij wist heel goed dat deze gouden kalveren geen goden waren, en dat de Israëlieten dat ook wel zouden begrijpen; maar hij wilde dat zij de ware God door deze beelden zouden eren en dienen, tegen het uitdrukkelijke gebod van de HEERE in; Ex. 20:4-5; Deut. 4:14-17, enzovoort. Zie een soortgelijk vergrijp in Ex. 32:4.
1 Koningen 12 vers 29— En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.
Beth-el,
Dat is, aan beide de uiterste palen zijns koninkrijks; want Beth-el was in de zuidpale gelegen en Dan in de noordpale.
Hertaald:Beth-el,
Dat is: aan de beide uiterste grenzen van zijn koninkrijk; want Bethel lag aan de zuidgrens en Dan aan de noordgrens.
1 Koningen 12 vers 30— En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
werd tot zonde;
Te weten, der afgoderij, die met uitneming zonde genoemd wordt, omdat zij regelrecht gekant worden tegen de majesteit Gods. Hierom wordt dikwijls van Jerobeam gezegd dat hij Israël zondigen deed; 1 Kon. 16:19, enz. Zie ook 2 Kon. 21:16.
Hertaald:werd tot zonde;
Namelijk: de zonde van de afgoderij, die bij uitstek zonde genoemd wordt omdat zij zich regelrecht tegen de majesteit van God keert. Daarom wordt vaak van Jerobeam gezegd dat hij Israël deed zondigen; 1 Kon. 16:19, enzovoort. Zie ook 2 Kon. 21:16.
voor het ene,
Te weten, om dat aan te bidden en offerande te doen. En het schijnt hieruit dat het ene kalf eerst te Dan, en het andere daarna te Beth-el is opgericht geweest. Alzo het blijkt uit vs.32.
Hertaald:voor het ene,
Namelijk: om dat te aanbidden en er offers aan te brengen. Hieruit lijkt te volgen dat het ene kalf eerst in Dan is opgericht en het andere daarna in Bethel. Zo blijkt het ook uit vers 32.
1 Koningen 12 vers 31— Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.
huis der hoogten;
Dat is, een tempel op een verheven plaats, alwaar altaren opgericht waren, om afgoderij daarop te bedrijven.
Hertaald:huis der hoogten;
Dat is: een tempel op een hooggelegen plaats, waar altaren opgericht waren om er afgoderij op te bedrijven.
geringsten
Hebreeuws, uit de einden, of uiterste delen des volks, dat is van de slechtsten en verachtsten des volks, en niet van de aanzienlijken. Of versta dit van beide soorten des volks; te weten, de hoge en de lage. Vergelijk deze manier van spreken met Gen. 47:2, en zie de aantekeningen daarop.
Hertaald:geringsten
Hebreeuws: uit de einden, of uiterste delen van het volk; dat is: uit de eenvoudigsten en meest verachten van het volk, en niet uit de aanzienlijken. Of versta dit van beide groepen van het volk, namelijk de hoge en de lage. Vergelijk deze manier van spreken met Gen. 47:2 en zie de aantekeningen daar.
zonen van Levi
Uit welke, en namelijk uit het geslacht Aärons, de priesters naar Gods instelling verkoren moesten worden.
Hertaald:zonen van Levi
Uit hen, en wel uit het geslacht van Aäron, moesten volgens Gods instelling de priesters gekozen worden.
1 Koningen 12 vers 32— En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.
een feest in de achtste maand,
Namelijk een loofhuttenfeest, om hetgeen dat in Juda zo genoemd werd, na te bootsen; doch heeft dit feest verordend in de achtste maand, dat is, in October; daar nochtans het loofhuttenfeest naar Gods ordinantie gehouden moest worden in de zevende maand, dat is, in September, gelijk het in Juda gehouden werd; Lev. 23:34.
Hertaald:een feest in de achtste maand,
Namelijk: een loofhuttenfeest, om na te bootsen wat in Juda zo genoemd werd. Maar hij stelde dit feest vast in de achtste maand, dat is in oktober, terwijl het loofhuttenfeest volgens Gods verordening gehouden moest worden in de zevende maand, dat is in september, zoals het in Juda gehouden werd; Lev. 23:34.
offerde op het altaar;
Namelijk, hij zelf, vergelijk 1 Kon. 13:1, 1 Kon. 13:4, hetwelk hem ongeoorloofd was, dewijl dit het ambt was den priesters alleen van God opgelegd, Ex. 30:7, enz., en 2 Kron. 26:18.
Hertaald:offerde op het altaar;
Namelijk: hij deed het zelf, vergelijk 1 Kon. 13:1, 1 Kon. 13:4, en dat was hem niet toegestaan, omdat God dit ambt alleen aan de priesters had opgelegd, Ex. 30:7, enzovoort, en 2 Kron. 26:18.
1 Koningen 12 vers 33— En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
uit zijn hart
Dat is, naar zijn eigen goeddunken, aannemende de autoriteit om zulk een godsdienst in te stellen, gelijk het hem beliefde, tegen het uitgedrukte bevel des Heeren; Num. 15:39.
Hertaald:uit zijn hart
Dat is: naar zijn eigen goeddunken, waarbij hij zich het gezag aanmatigde om zo'n eredienst in te stellen als het hem beliefde, tegen het uitdrukkelijke bevel van de HEERE in; Num. 15:39.
offerde op dat altaar,
Namelijk, Jerobeam. Vergelijk het eerste van 1Ki 13. Anders, en klom op dit altaar om te roken.
Hertaald:offerde op dat altaar,
Namelijk: Jerobeam. Vergelijk het begin van 1 Kon. 13. Anders: en hij klom op dit altaar om te reukofferen.
rokende
Dat is, hetgeen hij offerde was reukwerk; of, hij offerde en rookte tezamen.
Hertaald:rokende
Dat is: wat hij offerde was reukwerk; of: hij bracht offers en reukoffers tegelijk.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Jerobeam — het volk vermeerdert zich (of: hij twist met het volk)
Zoon van Nebat, een Efraïmiet van Zereda, dienaar van Salomo, die door de profeet Ahia werd aangewezen als de toekomstige koning over tien stammen. Uit vrees voor Salomo vluchtte hij naar Egypte, tot koning Sisak, en keerde na Salomo's dood terug om de eerste koning van het afgescheiden rijk Israël te worden. Hij maakte twee gouden kalveren te Beth-El en Dan om te voorkomen dat het volk naar Jeruzalem zou trekken, en werd daardoor het toonbeeld van de koning "die Israël deed zondigen" (1 Kon. 11:26-40; 12:1-33; 14:1-20).
Rehabeam — hij verruimt het volk
Zoon van Salomo en Naäma, de Ammonietische, en diens opvolger als koning. Door de raad van de jonge mannen te volgen in plaats van die van de oudsten, maakte hij het volk zijn juk nog zwaarder, wat leidde tot de scheuring van het rijk: tien stammen volgden Jerobeam, en alleen Juda (en Benjamin) bleven Rehabeam trouw. In zijn vijfde regeringsjaar plunderde Sisak van Egypte Jeruzalem (1 Kon. 11:43; 12:1-24; 14:21-31).
Semaja — de HEERE heeft gehoord
Een man Gods, die het woord des HEEREN tot Rehabeam en het huis van Juda bracht, hun gebiedende niet tegen hun broeders, de tien stammen van Israël, te strijden (1 Kon. 12:22-24).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sichem — zie voor naam, ligging en de vroegere geschiedenis het artikel bij Genesis 12, waar de plaats voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Genesis 12.
Geschiedenis: Hier verzamelde heel Israël zich om Rehabeam, Salomo's zoon, tot koning te maken; toen Rehabeam echter, tegen de wijze raad van de oudsten in, dreigde het volk nog zwaarder te zullen belasten dan zijn vader, scheurden de tien noordelijke stammen zich onder Jerobeam van het huis van David af, met de bekende kreet: "Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï! Naar uw tenten, Israël!" (1 Kon. 12:1-19). Jerobeam bouwde Sichem daarop uit tot zijn eerste hoofdstad (1 Kon. 12:25).
Bijbelse betekenis: Op dezelfde plaats waar Jozua eeuwen eerder het volk tot eenparige trouw aan het verbond had opgeroepen (Joz. 24), en waar Abimelech zijn kortstondige, bloedige koningschap vestigde (Richt. 9), valt nu het rijk van David en Salomo voorgoed uiteen — een aangrijpende illustratie van hoe snel eenheid in ontrouw en verdeeldheid kan omslaan wanneer leiders niet naar wijze raad luisteren.
Joz. 24; Richt. 9; 1 Kon. 12:1-25
Pnuël (Pniël) — zie voor naam, ligging en de vroegere geschiedenis het artikel bij Genesis 32, waar de plaats voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Genesis 32.
Geschiedenis: Nadat Jerobeam eerst Sichem als hoofdstad had gebouwd, versterkte hij ook Pnuël, aan de oostzijde van de Jordaan (1 Kon. 12:25) — vermoedelijk om zijn greep op het Overjordaanse deel van zijn nieuwe rijk te verzekeren.
Bijbelse betekenis: Een kort vermelde, maar veelzeggende bouwactiviteit van Jerobeam, wiens koningschap, hoe voorspoedig begonnen ook, al snel zou uitlopen op de blijvende afgoderij van de gouden kalveren — een les dat uiterlijke vestingbouw geen vervanging is voor trouw aan de HEERE.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De scheuring van het rijk (Rehabeams harde antwoord) — Rehabeam verwerpt de raad van de oudsten, dreigt het volk met schorpioenen in plaats van geselen, en verliest tien stammen: "Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai" (1 Kon. 12:16)
Israël komt te Sichem bijeen en vraagt Rehabeam om verlichting van de zware dienst die Salomo opgelegd had (1 Kon. 12:1-4). De oudsten raden hem aan het volk te dienen en goede woorden tot hen te spreken; dan zullen zij hem altijd dienen (1 Kon. 12:6-7). Hij verlaat die raad en volgt de jongelingen die met hem opgegroeid zijn (1 Kon. 12:8). Zijn antwoord luidt: "mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden" (1 Kon. 12:14). De verteller voegt er onmiddellijk aan toe: "deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had" (1 Kon. 12:15). Israël keert naar zijn tenten, steent de opzichter van de schatting, en maakt Jerobeam koning; alleen Juda volgt het huis van David (1 Kon. 12:16-20). Rehabeam verzamelt honderdtachtigduizend man om terug te vechten, maar de man Gods Semaja houdt hem tegen met het woord: "Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied" (1 Kon. 12:21-24).
Bijbelse betekenis: Twee waarheden staan hier zonder verzachting naast elkaar. Rehabeam handelt volstrekt vrij en volstrekt dwaas, en draagt de volle schuld van zijn hoogmoed. Tegelijk voert juist die dwaasheid uit wat de HEERE lang tevoren door Ahia had aangezegd. Gods bestuur schakelt de menselijke wil niet uit, maar gebruikt haar zonder haar te dwingen. De zoon van de wijste koning verwerpt de wijsheid van de ouderen, en de vrucht van veertig jaar bouwen valt in één middag uiteen.
Typologie: De spreuk uit zijn vaders eigen huis had hem kunnen bewaren: "Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden" (Spr. 11:14). Dat Rehabeam de oudsten hoorde en daarna toch de jongelingen volgde, maakt zijn keus des te zwaarder: hij ontbeerde geen raad, hij verwierp die.
1 Kon. 12:1-24; Spr. 11:14
De gouden kalveren van Jerobeam — uit vrees dat de gang naar de tempel het volk aan Juda zou teruggeven, maakt Jerobeam twee gouden kalveren en zegt: "Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben" (1 Kon. 12:28)
Jerobeam overlegt in zijn hart dat het koninkrijk tot het huis van David zal terugkeren zodra het volk in Jeruzalem blijft offeren (1 Kon. 12:26-27). Om dat te verhinderen maakt hij twee gouden kalveren, en plaatst het ene te Beth-El en het andere te Dan (1 Kon. 12:28-29). Hij bouwt een huis der hoogten en stelt priesters aan uit de geringsten des volks, die niet uit de zonen van Levi waren (1 Kon. 12:31). Hij verplaatst zelfs het feest naar de achtste maand, op een dag "dewelke hij uit zijn hart verdacht had" (1 Kon. 12:32-33). Het oordeel van de verteller is kort: "deze zaak werd tot zonde" (1 Kon. 12:30).
Bijbelse betekenis: Jerobeam schaft de eredienst niet af, hij maakt haar gemakkelijker en dichterbij. Dat is de sluwheid ervan. Hij verbiedt de HEERE niet, maar biedt Hem aan in een vorm die de mens zelf gekozen heeft, op een plaats die de mens zelf aanwees, op een tijd die uit zijn eigen hart bedacht was. Juist daarin ligt de zonde: God bepaalt Zelf hoe Hij gediend wil worden, en elke eredienst die de mens naar eigen inzicht inricht, is afgoderij, ook als zij Zijn Naam draagt. Het motief maakt het niet minder ernstig maar erger, want hier wordt de godsdienst dienstbaar gemaakt aan het behoud van een troon.
Typologie: Zijn woorden zijn vrijwel die van Aäron bij de berg: "Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben" (Ex. 32:4, reeds behandeld bij Afgoderij). Dezelfde zonde, dezelfde gestalte, en dezelfde leugen dat een gegoten beeld het volk uit Egypte geleid zou hebben. Wat in de woestijn één dag duurde, wordt hier de staatsgodsdienst van tien stammen voor eeuwen.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het beloofde Zaadniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindinguitwerking
Wat deel hebben wij aan David? — 12:1-20
Salomo is gestorven en zijn zoon Rehabeam gaat naar Sichem om koning gemaakt te worden. Het volk komt met één verzoek: verlicht de zware dienst die uw vader ons opgelegd heeft, en wij zullen u dienen. Rehabeam vraagt drie dagen bedenktijd.
Bij de troonswisseling wordt om verlichting gevraagd, en het antwoord scheurt het rijk in tweeën.
De oude mannen die zijn vader gediend hadden geven hem een raad die het hele koningschap in één zin samenvat: “Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.”
Daar staat het merkwaardigste woord van het hoofdstuk: wees hun knecht, dan zijn zij voorgoed de uwe. Wie dienen wil, wordt gediend.
Rehabeam vraagt daarna zijn eigen leeftijdgenoten, en hun raad is het tegendeel. Zijn antwoord aan het volk is zo bot dat het nog altijd naklinkt: “Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.”
En dan volgt een vers dat het geheel in een ander licht zet: “Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde.” Er was een profetie geweest, en zij ging in vervulling langs de domheid van een jonge koning.
Het antwoord van het volk is de scheiding zelf, en het wordt in vier korte uitroepen gegeven: “Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David!”
Zo eindigt het verenigde koninkrijk. Tien stammen gaan naar het noorden en zullen Israël heten; Juda en Benjamin blijven en zullen Juda heten. Wat David en Salomo bijeen hadden, valt uiteen bij een gesprek over belastingdruk.
En juist daar loopt de lijn van dit register doorheen. God had gezegd dat er één stam voor Davids huis zou overblijven, en dat gebeurt ook. Het rijk wordt kleiner, maar de lijn wordt niet doorgesneden. Langs die overgebleven stam loopt het geslachtsregister waarin ook Rehabeam gewoon genoemd wordt.
En de vraag van het volk krijgt aan het eind van de Schrift een antwoord dat zij zelf niet bedoeld hadden. Zij riepen: wat deel hebben wij aan David? In de Openbaring zegt Iemand van Zichzelf: “Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.” Wat tien stammen afwezen, wordt daar aan alle volken aangeboden.
1 Koningen 12:4 — Het volk vraagt één ding: verlicht de zware dienst.
1 Koningen 12:7 — Wees hun knecht, dan zijn zij voorgoed de uwe.
1 Koningen 12:14 — Zijn antwoord is zo bot dat het nog altijd naklinkt.
1 Koningen 12:15 — En toch: deze omwending was van den HEERE.
1 Koningen 12:16 — Wat deel hebben wij aan David? En Israël ging naar zijn tenten.
Openbaring 22:16 — Ik ben de Wortel en het geslacht Davids — aan alle volken aangeboden.
In het Nieuwe Testament: Openbaring 22:16; Mattheüs 1:7; Markus 10:42-45; 1 Koningen 11:31-32; Filippenzen 2:7
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt 1 Koningen 12 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op wat het hoofdstuk zelf zegt: de omwending was van de HEERE, om Zijn woord te bevestigen, en er blijft één stam over voor Davids huis. De verbinding tussen de raad van de oude mannen en het woord van Christus over dienen komt van de overeenkomst, en niet van een aanhaling. Dat de uitroep van het volk in Openbaring 22 beantwoord wordt, is een opmerking van de lezer en geen uitleg van de tekst.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
1 Koningen 12:1-3.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:40→2 Kronieken 10:1→Jozua 20:7→Psalmen 60:6→Richteren 9:6→1 Koningen 11:43→Handelingen 7:16→Jozua 24:1→ — En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte), Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: Het was een zeker teken van grote ontevredenheid toen het volk een opstandeling liet halen om hun woordvoerder te zijn.
1 Koningen 12:3-4.Kruisverwijzingen1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→2 Kronieken 10:4→1 Johannes 5:3→Mattheüs 23:4→Mattheüs 11:29→1 Koningen 4:20→ — Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. Dit was een heel natuurlijk verzoek; deze oosterse vorsten namen hun tronen in als bij een soort goddelijk recht, en er was onder het volk een neiging iets als een grondwet te eisen, enige regelingen waardoor zij niet zo zwaar verdrukt zouden worden. Maar de wijste heerser moet niet verwachten dat hij de onverdeelde liefde van het volk zal hebben; er zullen in elke gemeenschap ontevredenen zijn.
1 Koningen 12:5.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:12→ — En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen. Eén verklaarder zegt dat het het enige teken van wijsheid is dat er in Rehabeam te vinden is, dat hij drie dagen nam om het antwoord op deze vraag te overwegen. Toch is het een goede regel om, wanneer er een gewichtige vraag voor u ligt, tijd te nemen om die te overwegen.
Het onheilige punt is dat Rehabeam in deze nood niet op God wachtte om leiding. Was hij als zijn grootvader David geweest, dan zouden die drie dagen met God in het gebed doorgebracht zijn, en dan zou hij met een groter wijsheid dan zelfs zijn vader Salomo bezat teruggekomen zijn om het volk in deze zaak te antwoorden. Wij struikelen vaak over heel eenvoudige zaken wanneer wij spreken zonder Gods leiding te vragen; maar in de meest verwikkelde omstandigheden zal onze weg volkomen helder zijn wanneer wij onze weg de Heere bevelen.
1 Koningen 12:6-8.KruisverwijzingenSpreuken 15:1→Job 12:12→Job 32:7→1 Koningen 4:2→Jeremia 42:2→2 Samuël 17:5→Spreuken 27:10→2 Samuël 16:20→ — En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal? En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn. Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden. Hij was waarschijnlijk een man van veertig jaar en dus niet langer jong; maar hij had al die tijd de rol van een jonge man gespeeld. Hij was niet oud in wijsheid geweest toen hij jong in jaren was; het zou goed voor hem geweest zijn als hij dat wel was.
1 Koningen 12:9-11.Kruisverwijzingen1 Koningen 22:6→2 Samuël 17:5→2 Kronieken 10:9→2 Kronieken 18:5→Jesaja 47:6→Spreuken 28:25→2 Samuël 17:7→Spreuken 10:14→ — En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden. Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. Oude mannen zijn niet altijd wijs, en jonge mannen zijn niet altijd wijs; wie alleen mensen raadpleegt, zal nog de waarheid leren van dit woord: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt” (Jer. 17:5).
Onder Rehabeams raadslieden hadden de oude mannen geen werkelijk beginsel dat hen leidde; zij zeiden in wezen tot de koning: “Strijk deze mensen met zachte woorden, misleid hen met de gedachte dat u aan hen zult toegeven, en dan, wanneer u eenmaal de teugels in eigen hand hebt, kunt u het volk regeren zoals u wilt.” Dat was een goddeloos beleid. Maar de jonge mannen zeiden tot de koning: “Nee, nee; doe niet alsof u naar het volk zult luisteren. Er is niets als er stoutmoedig tegen ingaan.” Er is, ziet u, in geen van beide gevallen enig beginsel; het is alles beleid.
Ik geef u geen raad dan deze: dat ik u raad de raad van Gód te nemen. Wacht op Hem, want Hij weet wat u doen moet in elke moeilijkheid die opkomen kan.
1 Koningen 12:12-15.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:24→1 Koningen 12:5→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→Jakobus 3:17→Exodus 5:5→1 Koningen 12:10→ — Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag. En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden. En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat. De grote, diepe, verborgen voorzienigheid van God werkte stil zelfs achter de dwaasheid en de heerszuchtige hoogmoed van deze dwaze man.
1 Koningen 12:15-16.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:24→2 Samuël 20:1→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→2 Kronieken 22:7→2 Kronieken 10:15→2 Kronieken 25:20→ — Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat. Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten. Wie hard spreekt, moet verwachten hard geantwoord te worden. Laten wij van dit voorval leren zoals iemand die het waarschuwende licht van een baken ziet en zijn schip wendt om de rots te ontgaan waarop het geplaatst is.
1 Koningen 12:17-18.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:13→1 Koningen 11:36→1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 10:17→2 Kronieken 11:13→2 Kronieken 24:21→ — Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. Nadat de koning de moeite gemaakt had, trachtte hij vrede te maken. Hij koos een van de oude ambtsdragers van zijn vader Salomo tot zijn gezant, maar hij koos de allerslechtste die hij had kunnen vinden: “Adoram, die over de schatting was”. De man die een voorman geweest was in het afpersen van het volk, of die daarvoor gehouden werd, was niet degene om als vredemaker op te treden.
1 Koningen 12:18-20.Kruisverwijzingen1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Koningen 17:21→1 Koningen 11:32→1 Koningen 11:13→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 24:21→2 Kronieken 10:18→ — Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag. En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen. Zie welk onheil door één dwaas mens gedaan kan worden; en laat mij eraan toevoegen: zie welk kwaad er komen kan uit het slechte gedrag van een wíjs mens. Het is een merkwaardige zaak dat zo wijs een man maar één zoon heeft die hier genoemd wordt, en dat die zo dwaas zou zijn. En toch, wat kon er komen uit zo’n huisgezin als dat van Salomo? Wie zijn eigen huis zo ongeregeld heeft als hij, moet verwachten dat wie na hem komen niet beter zullen zijn dan zij behoorden te wezen. Gezegend is dat huis waar de Heere de Meester is, waar Zijn wet geliefd en Zijn Woord gehoorzaamd wordt.
1 Koningen 12:21-24.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:15→2 Kronieken 11:1→2 Kronieken 11:2→2 Kronieken 14:11→Spreuken 21:30→2 Kronieken 17:14→1 Kronieken 21:5→2 Kronieken 14:8→ — Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht. Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende: Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende: Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN. Hier is één Semaja — velen hebben nooit eerder van hem gehoord, en misschien ook nooit weer. Hij verschijnt één keer in deze geschiedenis en verdwijnt dan. Maar het zou een grote zaak zijn maar één predikatie te houden en zo voorspoedig te zijn als Semaja was. Dat zou verre te verkiezen zijn boven tienduizend predikaties te houden en er niets mee te bereiken.
Laten wij daarom ernstig tot God bidden dat wij mogen prediken als een stervend mens tot stervende mensen, en elke rede zo brengen alsof die ene boodschap genoeg was om voor heel ons levenswerk te dienen.
Deze tekst toont ook aan dat God is in gebeurtenissen die voortgebracht worden door de zonde en de dwaasheid van mensen. Dit uiteenbreken van het koninkrijk van Salomo in twee delen was het gevolg van Salomo’s zonde en Rehabeams dwaasheid, en toch was God erin. God had niets te doen met de zonde of de dwaasheid, maar op een wijze die wij nooit kunnen verklaren — op een verborgen wijze die wij zonder aarzeling te geloven hebben — was God in dit alles. Het opmerkelijkste voorbeeld van deze waarheid van God is de dood van onze Heere Jezus Christus; dat was de grootste van de menselijke misdaden, en toch was zij door de Allerhoogste voorbeschikt en tevoren bepaald.
Het is een zeer treffend feit dat deze ene profeet slechts in Gods Naam sprak, en dat die geweldige schare zich op zijn woord ontbond. O, dat Gods dienstknechten in deze dagen met zoiets als zulke kracht mochten spreken als Semaja bezat!
1 Koningen 12:25-27.KruisverwijzingenRichteren 8:17→Richteren 8:8→Richteren 9:45→Genesis 32:30→Deuteronomium 12:14→Deuteronomium 12:5→1 Koningen 9:15→1 Koningen 12:1→ — Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel. En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren. Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren. Jeroboam wordt door beleid bewogen, ziet u. Het is, geloof ik, heel moeilijk een heerser over mensen te zijn en toch een dienstknecht van God. Er schijnt aan de staatkunde in elk land iets verbonden te zijn dat het gemoed besmeurt en de hand bevuilt die het aanraakt. De koning van Juda had maar weinig verstand, en deze koning van Israël heeft te veel list; hij is een vooruitziend man en bemerkt dat, als het volk naar Jeruzalem opgaat om te dienen, zij eerlang tot hun trouw aan het huis van David kunnen terugkeren.
1 Koningen 12:28.Kruisverwijzingen2 Koningen 10:29→2 Koningen 17:16→Exodus 32:8→Exodus 32:4→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:15→Exodus 1:10→2 Petrus 2:19→ — Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben. Waarlijk, de geschiedenis herhaalt zich; alleen, is het slechte geschiedenis, dan wordt zij doorgaans nog slechter. “zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.” Dit is bijna precies wat zij in de dagen van Aäron zeiden. Jeroboam maakt niet enkel één kalf maar twee, en hij spreekt erover in vrijwel dezelfde taal als zij gebruikten aangaande het gouden kalf in de woestijn.
1 Koningen 12:29-30.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:21→1 Koningen 13:34→Genesis 28:19→Jeremia 8:16→Richteren 20:1→Genesis 14:14→2 Koningen 10:29→Hosea 4:15→ — En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan. En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe. Ik veronderstel dat Jeroboam hen niet van het dienen van Jehova wilde aftrekken; maar hij wilde Jehova gediend hebben onder een zichtbaar beeld, en niet naar de regel die God gesteld had. Dat is juist waar het onheil vaak begint, zowel in de gemeente als in de wereld. Mensen zijn bereid God te dienen als het hun toegestaan wordt een eredienst en tekenen te hebben die zij zelf bedacht hebben; en zo hebben zij, in plaats van de goddelijke eenvoudigheid van het Nieuwe Testament, vele dingen erbij gevoegd — dingen om de smaak te behagen, schoon en zinnelijk — die alle het gemoed aftrekken van die verheven dienst van de onzienlijke God die alleen voor Hem aangenaam kan zijn.
Het is niet aan ons te bepalen hoe wij God zullen dienen; wij hebben Hem te dienen naar Zijn eigen wijze, want Zijn geboden zijn nog in kracht: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken… gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen” (Ex. 20:3-4). “Maar het kruis”, zegt iemand, “dat is toch zeker een eerbiedwaardig teken?” Laat het zo eerbiedwaardig zijn als u wilt; maar wij mogen het in de goddelijke eredienst niet gebruiken.
1 Koningen 12:31.Kruisverwijzingen2 Kronieken 13:9→2 Koningen 17:32→1 Koningen 13:32→2 Kronieken 11:14→Numeri 3:10→1 Koningen 13:24→Deuteronomium 24:15→Ezechiël 44:6→ — Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi. Want de zonen van Levi gingen over naar Juda en bleven God getrouw; en de betere soort mensen vreesden waarschijnlijk het ambt aan te nemen waartoe God de zonen van Levi geroepen had, en niemand wilde het ondernemen dan de allergeringsten van het volk.
1 Koningen 12:32.Kruisverwijzingen1 Koningen 8:5→1 Koningen 8:2→Amos 7:10→Mattheüs 15:8→Numeri 29:12→Leviticus 23:33→Ezechiël 43:8→ — En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had. Hij verschoof de maand maar behield de dag: de vijftiende dag van de achtste maand in plaats van de zevende. “Dat was volstrekt onbelangrijk”, zeggen sommigen. Ik ben het daarmee niet eens, want niets is onbelangrijk dat met de wet van Gods huis te doen heeft. Ongehoorzaamheid mag in sommige van de niet-wezenlijke zaken duidelijker te zien zijn dan in een wezenlijke zaak. In elk geval hebben wij geen recht een jota of tittel van het goddelijke gebod te veranderen.
1 Koningen 12:32-33.Kruisverwijzingen1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→1 Koningen 8:5→1 Koningen 8:2→Amos 7:10→Mattheüs 15:8→Numeri 29:12→Leviticus 23:33→ — En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had. En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende. Het is een sterke veroordeling van iets in de godsdienst als het door iemands eigen hart bedacht is. Wij hebben te doen wat God ons gebiedt, zoals God het ons gebiedt, wanneer God het ons gebiedt, en omdat God het ons gebiedt; maar wat enkel uit onze eigen vrije wil komt, door onszelf verordend en gemaakt, is in de praktijk de dienst van onszelf en niet de dienst van God.
1 Koningen 12:33.Kruisverwijzingen1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→2 Kronieken 26:6→Markus 7:13→Mattheüs 15:6→Psalmen 106:39→Jesaja 29:13→1 Samuël 13:12→ — En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende. Zo werd Israël al aan het begin afgeleid. Zij kwam aan de splitsing van de wegen en nam de verkeerde koers, en zij ging van kwaad tot erger. God bewaar ons allen ervan haar boos voorbeeld te volgen, maar mogen wij allen de ene levende en waarachtige God dienen, om onze Heere Jezus Christus’ wil! Amen.
I. Vs. 1-24.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:40→1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→Spreuken 15:1→2 Kronieken 10:1→Job 12:12→Job 32:7→ — En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte), Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen. En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal? En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn. Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden. En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden. Na de dood van Salomo, als diens zoon Rehabeam zich wil laten huldigen, geven de tien stammen hun plan om zich van het huis van David los te scheuren en een eigen koninkrijk te vormen, niet onduidelijk daardoor te kennen, dat zij niet naar Jeruzalem tot de huldiging opkomen, maar Rehabeam dwingen naar Sichem, de hoofdstad van Efraïm, te komen, opdat hij daar de huldiging ontvangt, terwijl zij Jerobeam uit Egypte roepen, om bij de daar ter plaatse bijeengeroepen volksvergadering aanwezig te zijn. Zij stellen daar de koning als voorwaarde van hun onderwerping aan zijn regering voor, de belofte van verlichting van de door Salomo opgelegde diensten; deze wil hun na verloop van drie dagen antwoord geven op hun vordering; hij gaat nu eerst met de oudere raadslieden uit de tijd van zijn vader Salomo te rade, daarna met de jongere, die met hem opgegroeid zijn, welk antwoord hij aan het volk geven zal. Hij verlaat echter de raad van de oudsten, die wilden, dat hij de ontevredene gemoederen, door tegemoetkoming aan hun bezwaren, tot bedaren zou proberen te brengen, en op de dag van de beslissing spreekt hij overeenkomstig de raad van de jongeren met harde en overmoedige woorden de tien stammen aan, die zich daarna terstond van het huis van David afscheiden, en op een latere volksvergadering Jerobeam tot hun koning verkiezen. Als Rehabeam op de genoemde dag van de beslissing de gevolgen van zijn dwaze handelwijze ziet, wil hij door toedoen van Adoram, opnieuw met de tien stammen onderhandelen, maar moet overhaast de vlucht nemen uit Sichem, ten einde niet evenals zijn rentmeester in de volksoploop om te komen; als hij daarna van Jeruzalem uit een veldtocht onderneemt, om met geweld van wapens de afvalligen onder zijn gehoorzaamheid terug te brengen, treedt het woord van de Heere verhinderend tussenbeide en hij moet met zijn volk zijn voornemen opgeven. (Vergelijk 2 Kronieken 10: 1-11: 4).
Kruisverwijzingen2 Kronieken 10:1→Jozua 20:7→Psalmen 60:6→Richteren 9:6→1 Koningen 11:43→Handelingen 7:16→Jozua 24:1→Genesis 12:6→— En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
En Rehabeam1) toen hij nu in het 41ste jaar van zijn leven koning geworden was in zijn vaders plaats ( 14: 21; 11: 43), ging naar Sichem, een van oudsher beroemde stad tussen de bergen Ebal en Gerizim (Genesis 12: 6; 33: 18-35: 5 (Jozua 8: 30 vv.; 24: 1,32 (Richteren 9: 1vv.): want het gehele Israël, het volk van de tien stammen (vs. 20vv.) was te Sichem gekomen, om hem daar koning te maken. 2)
Wij lezen niet dat Salomo een andere zoon had, behalve Rehabeam, wat als een berisping van de voorzienigheid beschouwd mag worden, daarvoor dat hij zo’n menigte vrouwen nam. Salomo voelde het, dat zijn zoon waarschijnlijk geen verstandig man zou blijken te zijn, of zijn plannen tot heil van Israël zou uitvoeren, daarover was hij verdrietig (Prediker 2: 18,19). Zijn natuurlijke onvoorzichtigheid en onbezonnenheid zou verergerd worden door de vleierij van jonge mensen, met wie Rehabeam was opgevoed. Salomo beklom de troon nog zeer jong zijnde, toch was hij toen reeds een wijs man. Rehabeam was op zijn veertigste jaar een dwaas. Wijsheid gaat niet altijd met de jaren gepaard, en wordt niet door de menigte jaren of de voordelen van een opvoeding alleen verkregen.
Kruisverwijzingen1 Koningen 11:40→1 Koningen 11:26→2 Kronieken 10:2→— Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),
Dit “tot koning maken” is een zalving van de zijde van de oudsten en stamhoofden, evenals een openlijke huldiging, zonder dat wij hierbij aan een formele verkiezingscapitulatie, aan een wederzijds verdrag in de geest van de constitutie van de latere tijd te denken hebben (2 Samuel 5: 3). Het recht, de door God gekozen vorst op deze wijze tot koning te maken, hadden de stammen niet slechts bij Saul en David (1 Samuel 11: 15; 2 Samuel 2: 4; 5: 3 bij Salomo (1 Kronieken 29: 22) uitgeoefend; terwijl nu Juda en Benjamin Rehabeam ongetwijfeld in Jeruzalem huldigden, doen de oudsten van de overige stammen de nieuwe koning naar hun eigen hoofdstad komen, omdat zij, zoals D. Kimchi aanmerkt, gelegenheid zochten van hem af te vallen en het koninkrijk op Jerobeam over te dragen.
Uit de beide volgende verzen blijkt, dat men deze reeds uit Egypte teruggeroepen had, en dat hij van zijn zijde de oudsten aan de hand gegeven had, welke eisen zij aan Rehabeam stellen moesten, om een geschikte grond tot uitvoering van hun voornemen te hebben; want omdat hij voorheen opziener van de arbeiders uit het huis van Jozef geweest was, wist hij het best de woorden te vinden, die zowel de voorhanden brandstof van het oproer bij de tien stammen tot laaiende vlam zouden doen uitbarsten als tegenover de nieuwe koning een rechtsvordering instellen.
Bähr merkt hier aan “niet omdat de koning naar Sichem gegaan was kwamen de tien stammen daarheen, maar omgekeerd, omdat deze naar Sichem gegaan waren, ging hij daarheen. Alzo had hij ze niet daarheen bescheiden, maar zij, d.i. hun oudsten, rechters en vorsten, hadden zich naar deze oude Efraïmitische hoofdstad begeven, als eens ten tijde van Jozua (Jozua 24: 1; vgl. 2 Samuel 5: 1,3), en dit bewoog de koning tot de reis naar Sichem. Het doel van hun vergadering was hem koning te maken, d.i. hem die reeds de troon beklommen had, evenals Juda, tot koning te erkennen en hem te huldigen, maar niet onvoorwaardelijk; alleen als hij naar hun eisen en wensen zou luisteren, en juist daarom verzamelden zij zich niet te Jeruzalem, zoals zij eigenlijk hadden moeten doen, en zoals zij eens naar Hebron, waar David zijn verblijf hield, gekomen waren, om die te huldigen; zij gingen veeleer naar Sichem. Dit was dan reeds “een betekenisvolle wenk, had Rehabeam hem maar behoorlijk verstaan.” Dat zij hem lieten roepen, zoals Jerobeam, is zeer onwaarschijnlijk, hij schijnt opgeroepen met zijn gehele gevolg gekomen te zijn.
Kruisverwijzingen1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→2 Kronieken 10:4→1 Johannes 5:3→Mattheüs 23:4→Mattheüs 11:29→1 Koningen 4:20→— Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
a) Uw vader heeft ons juk hard gemaakt door belastingen en herendiensten; gij dan nu, maak uw vaders harde dienst en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter 1) en wij zullen u dienen.
2 Kronieken 10: 4
Zij klagen niet over zijn vaders afgoderij en afkering van God. Wat de grootste van alle grieven was, was voor hen niets; zo zorgeloos en onverschillig waren zij omtrent godsdienstzaken, als zij maar konden leven op hun gemak en zonder belastingen. En bovendien was de klacht ongegrond en onbillijk. Nooit leefde een volk geruster of in groter overvloed dan zij. Kostten Salomo’s gebouwen hun geld, het kostte hun geen bloed, zoals de oorlog zou doen, die nog geld vereist bovendien. Werden er een menigte handen vereist om deze werken uit te voeren, het waren niet de handen van de Israëlieten. Waren de belastingen een juk, Salomo maakte het zilver geacht te worden als stenen, zodat zij aan hem slechts teruggaven wat hem toebehoorde. Onruststokers hebben nooit gebrek aan een reden tot klagen. En wanneer wij zien op het verhaal van de Heilige Schrift omtrent Salomo’s regering, op de vrede, de weelde en de voorspoed, die Israël toen genoot, twijfelen wij niet of deze klachten waren vals, of grotelijks overdreven.
Het is een gewoon verschijnsel bij de massa, dat zij meer schreeuwt over onderdrukking dan over afgoderij en andere zonden. Zij zijn meer bezorgd voor de buik dan voor de ziel, en mogen zij slechts vrij zijn dan letten zij weinig op het heil van de ziel.
Uit alles blijkt genoeg, dat zij het er opgezet hadden van Rehabeam af te vallen. Want, weliswaar waren de lasten niet gering onder Salomo vanwege de vele kostbare gebouwen, die hij had laten zetten, maar wat een tijdperk van vrede en geluk en voorspoed was het ook geweest! Er had zo’n weelde bij het volk geheerst, dat het zilver als niets geacht werd. In plaats van dankbaarheid voor de genoten weldaden te tonen, komen zij nu met klachten over de zware lasten. Vanwaar de oorzaak? Omdat door Salomo de heiligheid van de dienst van de Heere bij het volk was verdonkerd door zijn afgoderij. Hij had de dienst van de Heere op één lijn gesteld met de afgodendienst en nu was er bij het volk een minachting gekomen voor de dienst des Heren. De zuivere en ware godsdienst was verdonkerd, de wetten van de Heere waren veronachtzaamd en daardoor was aan het gezag een gevoelige knak toegebracht.
Kruisverwijzingen1 Koningen 12:12→— En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.
En hij zei tot hen: Gaat heen tot aan de derde dag, opdat ik mij kan bedenken 1) omtrent uw eis, komt dan weer tot mij om mijn antwoord te vernemen. En het volk ging heen.
Een vorst, die bij zijn komst aan de regering nog bedenktijd nodig heeft, of hij mild en genadig, dan of hij hard en despotisch denkt te regeren, heeft zijn hoog verantwoordelijk ambt niet met God aanvaard, en kan daarom ook geen zegen van God verwachten. Is het recht en goed, in alle gewichtige aangelegenheden tijd tot bedenken te nemen, zo is toch bij onverwachte gevaren een snel en vast besluit noodzakelijk. Wie gewoon is in Gods wegen te wandelen, zal dan ook geen stap doen, die hem later berouwen zal.
KruisverwijzingenJob 12:12→Job 32:7→1 Koningen 4:2→Jeremia 42:2→2 Samuël 17:5→Spreuken 27:10→2 Samuël 16:20→Jeremia 43:2→— En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?
En de koning Rehabeam hield gedurende de bedongen tijd raad 1) met de oudsten, de bejaarde raadslieden, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, toen hij leefde, en die zo in diens dienst een rijpe ervaring in regeringsaangelegenheden hadden opgedaan, zeggende tot hen: Hoe raadt gij, dat men dit volk antwoorden zal?
Wij lezen niet, dat Rehabeam raad zocht bij Hem, die alleen onfeilbare raad geven kan. Raad van wijze lieden is niet gering te achten, maar ook zij zijn feilbaar. Rehabeams gedrag doet ons zien, dat hij zich met enkel menselijke redeneringen ophield, zonder zich om de wil van de Heere te bekommeren. Hij verschilt daarin zeer van zijn vader (1 Koningen 3: 9).
KruisverwijzingenSpreuken 15:1→1 Koningen 12:13→2 Samuël 15:3→Filippenzen 2:7→Prediker 10:4→Zacharia 1:13→2 Kronieken 10:6→Markus 10:43→— En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.
En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden, nu het erop aankomt bij het begin van uw regering voor alle dingen de harten van het volk te winnen, knecht van dit volk wezen zult en hen dienen, en hun antwoorden en tot hen goede woorden spreken zult, overeenkomstig hetgeen zij aan u gevraagd hebben, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn, 1) zo zal het u voor dit ogenblik lukken een afscheiding te voorkomen, en later, wanneer gij eens in het koninkrijk bevestigd zijt, zult gij wel een middel kunnen vinden om hen in toom te houden.
De weg tot de heerschappij is dienen, dat is goed doen, zelfs in neerbuiging voor onze minderen en allen alles worden, opdat we hun genegenheid mogen winnen. Boven alle dingen is de plicht van een vorst, de harten van zijn onderdanen door nederigheid en goedertierenheid tot zich te trekken.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 10:8→Spreuken 19:20→2 Kronieken 25:15→Spreuken 1:30→Spreuken 1:25→Spreuken 25:12→Spreuken 1:2→Prediker 10:2→— Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
Maar hij, de onverstandige zoon van de wijze Salomo, die in plaats van een vermeerderaar van het volk te zijn, zoals zijn naam betekent, door zijn dwaasheid zelf daartoe moest meewerken, dat zijn vaders rijk verdeeld werd, hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden, omdat hij niet met zijn zin overeenkwam, 1) en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden, zoals pas aankomende regenten gewoonlijk de fout begaan, dat zij om hun macht te tonen, dadelijk hun raadslieden wegzenden en andere beambten kiezen.
Zo gaat het met velen; zij winnen de raad van andere, wijzere personen in, alleen om daardoor als het ware een goedkeuring van eigen inzichten te verkrijgen, hetgeen daaruit blijkt, dat zij toch, ook bij verschil van mening hun eigen hoofd volgen. Gemis aan een vast richtsnoer in onze handelingen geeft tot deze hardnekkigheid aanleiding, omdat men geen andere toets kent dan eigen willekeur. Uw woord is mij een lamp voor mijn voet.
KruisverwijzingenJesaja 47:6→Spreuken 28:25→2 Samuël 17:7→Spreuken 10:14→Spreuken 29:23→Spreuken 18:6→2 Kronieken 10:10→— En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
En de jongelingen, die met hem opgegroeid waren 1) en even overmoedig en trots gezind waren als hij zelf, spraken tot hem, zeggende: Zo zult gij zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter, zo zult gij tot hen spreken, opdat het terstond bij het begin van uw regering blijkt, dat gij u door hun bedreigingen niet laat verschrikken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijn vaders lendenen; 2) als gij meent met mij als met een nog jong vorst te kunnen doen, wat gij u tegen mijn vader nooit gedurfd zou hebben, zult gij weldra mijn hand zo zwaar ondervinden, als ware haar kleinste vinger zo dik als mijn vaders heup; want juist als een jong vorst bezit ik die kracht van handelen, om mijn gehele van mijn vader geërfde macht, waarvan hij zich misschien in dit geval niet geheel bediend zou hebben, in volle mate tegen u aan te wenden.
Het is niet genoeg, dat men slechts raadplege met wijze en verstandige lieden, maar men moet ook hun raad volgen. Zij, die meest hun werk maken, om ons op te vrolijken, zijn zelden onze beste en nuttigste vrienden.
Die met ons opgegroeid zijn, hebben onbewust en onwillekeurig de grootste invloed op onze denkwijze en levensrichting, daarom moeten ouders steeds een waakzaam oog op de omgang van hun kinderen houden.
Wij weten, dat Rehabeam 41 jaar was, toen hij koning werd. De jongelingen daarom, die hij raadpleegde, hier met die naam genoemd in tegenstelling tot de straks genoemde oudsten, waren dus geen kinderen meer, maar mannen, mannen echter die het ontbrak aan alle mogelijke ondervinding, mannen die men kinderen kon noemen in het verstand.
Grootspreken is volstrekt geen teken van moed. Hoe vermeteler iemand spreekt, des te minder is hij tegen gevaar en verleiding bestand; een wezenlijk sterk, vastbesloten en rustig man praalt niet.
Het is nodig om scherpe oordeelvellingen wel te overwegen, omdat zij gewoonlijk uit het vlees en niet uit de Geest zijn, welke laatste zachtmoedigheid wil.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 16:10→Exodus 5:5→Exodus 5:18→1 Samuël 8:18→Jeremia 28:13→Ezechiël 2:6→Jeremia 27:11→Exodus 1:13→— Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, 1) zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen 2) kastijden.
Wat een onzinnige dwaasheid was het toch, dat Rehabeam de waarheid van de beschuldiging toegaf, die het volk tegen zijn vader voortbracht, en hem niet probeerde te verontschuldigen en zo’n voortreffelijke vorst niet verdedigde, van wie het volk, zoals het voorzeker erkennen moest, zulke uitnemende weldaden had ontvangen.
In de Mozaïsche wet komt zij als gerechtelijk strafwerktuig niet voor; bij lichamelijke tuchtiging was alleen van de stok sprake, maar evenals later de gesel met betrekking op Leviticus 19: 20 in gebruik werd gebracht, zo ook deze soort van verscherpte geseling (De 25:
.
De schorpioen was een wreed strafwerktuig. Zij was een lange zak van leder, opgevuld met zand en met punten of spijkers bezet. Schorpioenen zijn gesels, voorzien van stukjes lood of ijzer, in de vorm van weerhaken, overeenkomende met de angel van de schorpioen. Isidor Hisp zegt: “Een roede, indien zij met knobbels of scherpe punten voorzien is, wordt een schorpioen genoemd.” Rehabeam had kunnen voorzien, dat dit antwoord grote verbittering bij het volk moest verwekken, want het was niet een woord van een vorst, die zich bewust was onder de macht van God te staan, maar van een bloeddorstig tiran.
KruisverwijzingenExodus 5:5→1 Koningen 12:10→Exodus 5:16→Spreuken 13:10→Spreuken 17:14→Spreuken 12:5→Esther 2:2→Jakobus 3:14→— En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
En hij sprak tot hen naar de raad van de jongelingen, 1) die zijn overmoed en eerzucht prikkelde, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden (vs. 9vv.).
De stem van de Koning der Koningen luidt geheel anders tegen ons (MATTHEUS. 11: 28) dan Rehabeams stem; daarom moeten wij des te gewilliger Hem gehoorzaam en onderdanig zijn. De allerhoogste God heeft steeds mede Zijne hand daarin; Hij bestuurt en leidt de meest boze doeleinden van de mensenkinderen tot een goed einde en tot de vervulling van Zijn allerheiligste wil, zoals Jozef tot zijn broeders sprak (Genesis 50: 20). God richt niet de gedachten van de mensen op dwaasheid en zonde, wel echter moet hun verkeerdheid en zonde, die hun eigen schuld is, hun tot een oordeel dienen, en ook daartoe om Zijn raadsbesluit uit te voeren.
Kruisverwijzingen1 Koningen 12:24→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→2 Kronieken 22:7→2 Kronieken 10:15→2 Kronieken 25:20→1 Samuël 15:29→— Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
Zo hoorde de koning naar het volk niet, zodat hij door welwillendheid de ontevreden stammen elk voorwendsel tot oproer zou ontnomen en hen van afscheuring teruggehouden hebben (Spreuken 15: 1), want deze omwending was van de HEERE, zodat de koning door zijn dwaasheid de harten volkomen van zich vervreemdde en alle misschien nog bestaande banden, die de stammen aan het huis van David verbonden, geheel uiteen reet, opdat Hij (de Heere) Zijn woord bevestigde, tot uitvoering bracht, dat de HEERE ( 11: 29vv.) door de dienst vanAhia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.1)
Men kan niet nalaten hier op te merken, hoe groot het onderscheid is tussen de gewijde en ongewijde geschiedschrijvers. Het oogmerk van de eersten is, het verstand van de mensen in te nemen met erkentenis van de goddelijke Voorzienigheid, die in het verborgen alle zaken, zowel openbare als bijzondere bestuurt. Machiavelli zelf (een groot staatsman en geschiedschrijver uit het begin van de zestiende eeuw), ofschoon verre van godvruchtig te zijn, is overtuigd geweest van een overheersende macht in alle dingen, waarvan weinig geschiedschrijvers naar behoren spreken, maar veeleer op zo’n trant redekavelen, alsof ze niet wilden, dat de lezer op iets zou letten, dan op de wijsheid, kracht en staatkunde van hen, die de zaken behandelen, zonder enigszins in overweging te nemen, de zorg, die God over alles laat gaan.
Een enkel voorbeeld slechts. Schiller zegt in zijn “geschiedenis van de afval van de Nederlanden” onder meer: “Ware het ooit geoorloofd in menselijke dingen een hogere Voorzienigheid te vlechten, dan ware het bij deze geschiedenis, zo druist zij tegen alle verstand en ervaring in.” Schiller heeft dus vantevoren reeds vastgesteld, dat men geen hogere Voorzienigheid mag aannemen in de geschiedenis.
Het was van de Heere, die Rehabeam overgaf tot zo’n dwaze en noodlottige misslag, de harten van het volk van hem vervreemde en door Zijn wijze Voorzienigheid alle omstandigheden tot dat doel bestierde. Dus volbrengt God Zijne Raadslagen en Voornemens door middel van de dwaasheid en ongerechtigheid van de mensen, terwijl Zijn Gerechtigheid in het besturen van alle zaken zo zichtbaar blijkt en zo onbeweeglijk is als de hoogste bergen, die de grootste macht van de aarde niet kan doen schudden, noch doen neigen naar hun wil.
Dit is natuurlijk van achteren geredeneerd. Niet de dwaasheid en overmoed was rechtstreeks van de Heere, dit was Rehabeams zonde; maar dat daardoor het woord vervuld werd, wat Hij had doen spreken tot Jerobeam. Het was Rehabeams doel niet om dit Woord in vervulling te doen komen, maar ten gevolge van zijn overmoed en dwaasheid, werden de plannen van de Heere uitgewerkt.
Kruisverwijzingen2 Samuël 20:1→1 Koningen 11:39→2 Samuël 7:15→Jeremia 33:15→Lukas 19:27→Psalmen 132:17→1 Koningen 11:34→2 Samuël 15:13→— Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
Toen geheel Israël zag, dat de koning niet naar hen hoorde, op hun eisen niet de minste acht sloeg, zo gaf het volk, dat slechts op een aanleiding wachtte om zich formeel van het Davidische koningshuis te kunnen losmaken en het reeds in plan bestaande eigen koningschap te kunnen uitroepen, de koning weer een antwoord, dat de trots met grotere trots beantwoordde, zeggende, op dezelfde wijze als eens Sheba, de Benjaminiet, oproer gepredikt had (2 (Samuel 20: 1): Wat deel hebben wij aan David? 1) ja geen erfdeel hebben wij aan de zoon van Isaï, waarom wij verder bij dit koningshuis uit een andere stam verblijven zouden; naar uw tenten, o Israël! en laat u voortaan door een koning uit uw midden regeren. Voorzie, zorg nu voor uw huis, o David! bekommer u van nu aan alleen om hen, die tot uw stam behoren, gij geslacht van David, met ons hebt gij niets meer te maken. Zo, na zo’n formele scheuring van het huis van David, ging Israël naar zijn tenten, de vergadering van Sichem verlatende.
Het volk noemde David veeleer dan Rehabeam, om te tonen, dat zij niet alleen Rehabeam, maar het gehele geslacht van David verwierpen.
Dus noemden zij David uit smaad en verachting, waarin men, zoals Victorinus Stregelius hier aanmerkt, een levendige schildering van een ondankbare wereld ziet. Want geen welsprekendheid is genoeg in staat om uit te drukken de grote verplichting, die de kinderen van Israël aan David hadden.
Het volk noemde David de zoon van Isaï, en wilde zeggen: Rehabeam heeft geen reden om zich zo hoogmoedig en trots te gedragen tegen zijn onderdanen, want als men op zijn oorsprong lette, zal zijn geslacht niet edeler of bekender zijn dan dat van velen uit ons. En omdat hij zijn macht misbruikt, mogen wij hem weer brengen tot zijn vorige geringheid. (POLIS).
Kruisverwijzingen1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 24:21→2 Kronieken 10:18→Amos 2:16→1 Koningen 20:18→Handelingen 7:57→— Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
Toen zond de koning Rehabeam Adoram die over de schatting was ( 4: 6; 2 Samuel 20:
Kruisverwijzingen1 Koningen 12:15→2 Kronieken 25:7→2 Kronieken 28:9→Numeri 14:42→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:4→2 Kronieken 25:10→1 Koningen 11:29→— Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.
, naar de hoofdsteden van de noordelijke delen van het land, om de oproerige gemoederen tot rust te brengen en nieuwe onderhandelingen met de oudsten van Israël aan te knopen en het gehele Israël, in plaats van hem aan te horen, stenigde hem met stenen zodat hij stierf, want juist zijn verschijning wekte in de oproerige gemoederen de gehele haat tegen Salomo’s herendiensten, waardoor zij zich gedrukt achtten (vs. 4) weer op; maar de koning Rehabeam, nog in Sichem en thans zijn leven niet meer veilig achtende, vermande 1) zich om op een wagen 2) te klimmen, dat hij in allerijl naar Jeruzalem vluchtte.
KruisverwijzingenRichteren 8:17→Richteren 8:8→Richteren 9:45→Genesis 32:30→1 Koningen 9:15→1 Koningen 12:1→1 Koningen 15:17→Richteren 9:1→— Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.
Eigenlijk moest alle kracht inspannen. Slechts door een haastige vlucht kon hij zich het leven redden.
KruisverwijzingenJeremia 38:18→Markus 2:6→1 Samuël 27:1→Johannes 12:19→Psalmen 14:1→Johannes 12:10→1 Koningen 11:38→Handelingen 4:16→— En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.
Dit is de eerste maal, dat men leest van een koning, die op een wagen reed; want nergens vindt men dat Saul, David of Salomo daarop gereden hebben. Maar na de verdeling van het rijk wordt dikwijls gesproken van het gebruik van de wagens, beide door de koningen van Juda en van Israël.
Zo vielen de Israëlieten van het huis van David 1) tot op deze dag.
Hun opstand wordt een afval genoemd en was bijgevolg zondig, omdat hij streed met Gods bevel, van aan David en van diens nageslacht onderdanig te zijn tot in eeuwigheid, waarvan het volk niet bevrijd was door de belofte en het geschenk aan Jerobeam gedaan, omdat dit in het verborgen was gebeurd en hier nog niet volkomen geopenbaard; behalve dat aan Jerobeam de tegenwoordige en dadelijke bezitting niet was gegeven, maar God hem alleen had toegezegd, dat Hij hem die op Zijn tijd en op Zijn wijze zou bezorgen, hetgeen gedaan kon zijn, ofschoon het volk deze kwade en onrechtmatige wegen niet had ingeslagen, zoals ten opzichte van David gezien was. En behalve dit, het volk deed dit niet uit onderwerping aan Gods wil, maar om zijn eigen drift te voldoen en enige verlichting te verkrijgen. (POLIS).
En het geschiedde toen geheel Israël door de van Sichem naar hun woonsteden terugkerende oudsten en stamhoofden (vs. 16) hoorde dat Jerobeam uit Egypte, waarheen hij, naar men wist, gevlucht was ten gevolge van Salomo’s nasporingen, teruggekomen was, 1) omdat hij bij de eisen aan de koning gedaan, het woord gevoerd had (vs. 3 vv.) dat zij heen zonden, naar zijn stad Zareda of Zarthan ( 11: 26 11.26), waarheen hij waarschijnlijk reeds vóór de tweede komst bij Rehabeam zich begeven had, ogenschijnlijk uit bescheidenheid, maar inderdaad uit sluwe berekening; en hem in de vergadering riepen, eveneens te Sichem bijeengeroepen, met het doel een koning te verkiezen, en hem daar door hun stamhoofden over geheel Israël tot koning maakten: 2) niemand volgde het huis van David, dan de stam van Juda alleen, met inbegrip van de met deze tot één stam verenigde stammen Benjamin en Simeon.
Vs. 20 begint evenals vs. 2 aan te duiden, dat met hem het in vs. 2 begonnen verhaal afsluit.
De noordelijke grens van de stam Benjamin met de steden Bethel, Rama en Jericho, behoorde naar 12: 29; 15: 17,21; 16: 34 tot het rijk van Israël, daarvoor echter kwamen meerdere steden van de stam Dan aan het rijk van Juda, namelijk Ziklag (1 Samuel 27: 6), Zereja en Ajalon (2 Kronieken 11: 10; 28: 18).
Uitdrukkelijk doet de gewijde schrijver hier uitkomen, dat het volk, zonder de wil van de Heere te vragen, Jerobeam tot koning verkiest. Want wel had de Heere het Jerobeam laten aankondigen, dat hij koning zou worden, maar eigenmachtig had hij toen zelf de kiem gelegd voor de opstand, die nu uitbrak. Hierdoor en door de straks ingevoerde beeldendienst haalde Jerobeam zich een oordeel van God op de hals, waardoor hij feitelijk al verworpen was, eer hij de teugels van het bewind over de tien stammen in handen had genomen (zie Hosea 8: 3).
Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broeders, de kinderen van Israël: een ieder kere terug tot zijn huis; want deze zaak, de afscheiding van de 10 stammen van het koninkrijk van het huis van David, is door Mij gebeurd 1) en dus moeten alle pogingen om de zaken op de ouden voet te brengen, vruchteloos zijn. En zij hoorden het woord van de HEERE en keerden terug om weg te trekken, naar het woord van de HEERE, 2) een ieder naar zijn woonplaats, zonder verder pogingen aan te wenden om de kinderen van Israël door het geweld van de wapens weer onder Rehabeams heerschappij te brengen.
God had besloten te handhaven, hetgeen Hij had gedaan en daarom verbood hij elke vijandelijkheid.
De broedertwist tussen het noorden en het zuiden heeft Israël verscheurd; maar de hand van de Heere had het zo beschikt, om David’s nageslacht door mensenroeden te kastijden zonder toch daaraan Zijn barmhartigheid te ontzeggen (2 Samuel 7: 14vv.). Hoewel dus de losscheuring van het rijk van de tien stammen van het huis van David een besluit van God was tot vervulling van het over Salomo uitgesproken oordeel (vs. 15), zo berustte zij toch aan de andere zijde op een zondige rebellie tegen het door God aangestelde koningshuis en op minachting van de tempel en de aan Jeruzalem verbonden beloften; want ook daarvan tevens scheurden de 10 stammen in een zondige lichtzinnigheid zich los, door zich af te scheiden van het rijk Juda. Hiertegen kon nu slechts met geestelijke wapens gestreden worden, zoals in de 78ste Psalm plaatsheeft. Ogenschijnlijk behoort deze Psalm tot het Davidische tijdvak; hij kondigt in de aanvang Psalm 78: 1-4 als zijn doel aan, de feiten uit de Mozaïsche tijd tot lering en vermaning voor de tegenwoordige te doen dienen, en duidt als die tegenwoordige tijd in het slot Psalm 78: 65-72 die aan, toen de Heere Zich over Zijn volk tegen de Filistijnen weer erbarmd en het in Zijn machtige bescherming genomen heeft, maar daarbij echter het voorrecht van aanvoerder te zijn van Efraïm op Juda overgebracht heeft en in de keuze van Sion tot Zijn heiligdom en van David tot koning Zijn volk Jakob alzo rijk gezegend. Wij geloven echter daarom niet minder, dat de heilige dichter niet een mogelijke, maar een reeds voorgevallen afval van David en van het heiligdom te Sion op het oog heeft, en stellen de vervaardiging van de Psalm in de eerste tijd van Salomo’s regering. Toen nu de betreurenswaardige scheiding van de 10 stammen van de zijde van Juda als een feit erkend moest worden, waaraan het huis van David om zijn door Salomo’s afval ontstane schuld als aan een goddelijke beschikking zich onderwerpen moest, kwam het erop aan, aan de 10 stammen een onderwijzing “mee te geven in de tijd van de scheuring,” hoe de laatsten die scheuring op te vatten hadden, opdat de juiste erkentenis van hun ontrouw die niet slechts als ontrouw ten opzichte van het rechtmatige koningshuis en als ondank jegens David’s verdienste bij Israël zich deed kennen, maar veeleer als ontrouw jegens de Heere zelf en jegens Israël’s verheven bestemming, opdat, zeg ik, deze erkentenis berouw bij hen zou opwekken en tenslotte een terugkeren tot Hem, van Wie zij afgevallen waren, bij hen zou bewerken.
Omdat wij nu beginnen de geschiedenis van de beide rijken afzonderlijk te beschouwen, zullen wij tot gemakkelijker overzicht voor de lezer de op elk rijk betrekking hebbende afdelingen elk afzonderlijk rekenen en wel zodanig dat die, welke over het rijk van Israël handelen, door een sterretje naast het cijfer aangeduid worden, daarbij zal een nieuw nummer gebruikt worden, waar van een nieuwe koning sprake is, terwijl de op dezelfde koning betrekking hebbende afdelingen hetzelfde nummer hebben, maar met een bijgevoegde letter naar alfabetische volgorde. Een bijzondere moeilijkheid geeft in de geschiedenis van de koningen de chronologie; wij geven evenwel in aansluiting met het chronologisch overzicht aan het slot van het boek Jozua vooraf een tabel over de tijdrekening in de boeken van de koningen, in welke tabel de moeilijkheden reeds uit de weg geruimd zijn, terwijl wij het bewijs voor de opgaven bewaren tot aan de verklaring van de daartoe betrekkelijke Schriftplaatsen. I. RIJK Juda. II. RIJK ISRAËL’S. Jaren v. Chr. Jaren v. Chr. 1 Rehabeam 17. 975-57 1 JerobeamI 22. 975-953 2 Abia 3. 957-55 3 Asa 41. 955-14 2 Nadab 2. 953-952 3 Baëza 24. 952-930 4 Ela 2. 930-929 5 Zimri 7 dagen 6 Omri 12. 929-918 7 Achab 22. 918-897 4 Josafat 25. 914-889 8 Ahazia 2. 897-896 9 Joram 12. 896-883 5 Joram 6. 889-84 6 Ahazia 1. 883 7 Athalia 6. 883-77 10 Jehu 28. 883-856 8 Joas 40. 877-38 11 Joahaz 17. 856-840 9 Amazia 29. 838-10 12 Joas 16. 840-824 13 Jerobeam II 41. 824-783 10 Uzia 52. 810-758 Regeringloos 11. 783-772 14 Zacharia 6 maanden 15 Sallum1 mnd. 771 16 Menahem 10. 771-60 17 Pekahia 2. 760-59 11 Jotham 16. 758-42 18 Pekah 20. 759-39 12 Achas 16. 742-27 Regeeringloos 8 1/2. 739-30 13 Hizkia 20. 727-698 19 Hosea 9. 730-22 14 Manasse 55. 698-643 15 Ammon 2. 643-641 16 Josia 31. 641-610 17 Joahaz 3 mnd. 610 18 Jojakim 11. 610-599 19 Jojachin 3 md. 10 dg. 20 Zedekia 11. 599-588 Terwijl in de rubriek links de cursief gedrukte namen die koningen van het rijk Juda betekenen, die zich door een godsdienstige regering deden kennen, zijn in de rubriek rechts van de koningen van Israël door dezelfde letters de stichters van een nieuw koningshuis aangegeven. De opgegeven regeringsjaren moeten niet altijd als volle jaren gerekend worden, zoals b.v. in het Nieuwe Testament de “drie dagen”, die Christus in het graf gelegen heeft, slechts een volle dag insluiten, de eerste en derde dag daarentegen zijn slechts delen van de dag en wel zeer kleine delen. De geschiedenis van de beide rijken bevat 3 perioden, 3 keerpunten. In de eerste periode, d.i. in de tijd van Jerobeam tot Omri in Israël en van Rehabeam tot Asa in Juda ( 12-16), stonden de rijken vijandig tegenover elkaar, totdat Israël in een grote strijd tegen Juda een zware nederlaag leed en bij herhaling van Israël’s aanvallen op Juda de koning Asa de Syriërs te hulp riep, en daardoor Israël in langdurige en zware oorlogen met dit machtige buurland wikkelde. De vijandschap nam een einde, in de tweede periode onder Achab en zijn zonen Ahazia en Joram in Israël, en onder Josafat, Joram en Ahazia van Juda, terwijl de beide koningshuizen zich door huwelijken met elkaar verbonden en zich met elkaar verbonden tot bestrijding van de gemeenschappelijke vijand, totdat de koningen van beide rijken Joram van Israël en Ahazia van Juda gelijktijdig door Jehu gedood werden. Op deze tijd van verbintenis volgde in de derde periode, aanvangende met Jehu in Israël en Joas in Juda (2 Koningen 10: 28-17: 41) weer verwijdering en wederkerige bestrijding, die eindelijk door de goddeloze politiek van Achas de ondergang van het rijk van Israël door de Assyriërs veroorzaakte.
Hieraan sluit zich de geschiedenis van het rijk van Juda na de ondergang van het rijk van de tien stammen tot aan de Babylonische ballingschap (2 Koningen 18: 1-25,30), dat een tijdvak van 134 jaar omvat.
Vs. 25-33. Jerobeams eerste zorg, nadat hij koning over de tien stammen geworden is, is zijn rijk naar buiten te bevestigen; daarom verbouwt hij Sichem in het westen en Pnuël in het oosten tot vestingen. Om echter daarna zijn heerschappij ook naar binnen te bevestigen en Israël voor altijd van Juda te scheiden, beproeft hij aan zijn volk een vergoeding voor de ontbrekende tempel te verschaffen en het door oprichting van twee heiligdommen van de jaarlijkse feestreizen naar Jeruzalem terug te houden; hij richt tot dat doel aan de zuidelijke en noordelijke grens van zijn land een gouden kalf op, waaronder Israël voortaan de Heere vereren moest, en bindt zich bij de aanwijzing tot de priesterdienst niet aan de stam van Levi en verzet het feest van de loofhutten van de zevende maand naar de achtste.
Jerobeam nu, toen Israël hem op de volksvergadering te Sichem (vs. 20) tot koning gemaakt had, bouwde juist dit Sichem, op het gebergte van Efraïm, dat zo geheel in het midden van het westelijk deel van zijn rijkgelegen was, tot een vesting, 1) en woonde daarin, hield daar zijn residentie, totdat hij die naderhand naar het mooie en hooggelegen Thirza ( 14:
verlegde en trok van daar uit, begaf zich na de voltooiing van Sichem naar het oostelijke Jordaanland, en bouwde a) Pnuël, aan de rechteroever van de Jabbok.
Genesis 32: 30vv. Richteren 8: 8vv.
Wij moeten ons niet op vestingen, maar op God verlaten, en God niet anders willen dienen dan Hij in Zijn geopenbaard Woord bevolen heeft; zo zal onze Godsverering uit geloof zijn en God welgevallig, en wij zullen door Hem gezegend worden.
En Jerobeam, die in het verdere verloop van zijn regering zag, hoe ondanks de verdeling van het land in twee rijken, evenwel de bewoners van het noordelijke rijk voortgingen bij gelegenheid van de jaarlijkse hoofdfeesten de tempel te Jeruzalem te bezoeken en daarheen hun offers te brengen, zei in zijn hart: 1) Nu zal het koninkrijk, het rijk van de tien stammen, dat mij ten deel gevallen is, weer tot het huis van David keren.
Zodra Jerobeam bereikt heeft wat de wens van zijn hart is, namelijk de heerschappij, vraagt hij niet meer naar de voorwaarde, waaronder zij hem beloofd en waaraan hij gebonden was ( 11: 38). Hoe dikwijls vergeten wij, wanneer God ons gegeven heeft wat ons hart begeert, nu ook in Zijn wegen te wandelen. Wie op de weg van het oproer tot de heerschappij geraakt is, moet altijd in vrees en zorg zijn, dat hij ze weer op dezelfde wijze verliest, want het volk, dat heden Hosanna roept, roept morgen: kruisigt hem! kruisigt hem! Een kwaad geweten maakt ook de moedigste en krachtigste bevreesd en angstig, zodat hij gevaren ziet, waar geen gevaren zijn, en dan tot zijn veiligheid op verkeerde en boze middelen peinst. De ene misdaad wordt altijd door de andere gevolgd.
KruisverwijzingenDeuteronomium 12:14→Deuteronomium 12:5→Deuteronomium 16:2→Spreuken 29:25→Deuteronomium 16:6→Genesis 26:7→1 Koningen 11:32→1 Koningen 8:44→— Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.
Als dit volk, dat geen eigen heiligdom bezit, opgaan zal om offeranden te doen in het huis van de HEERE te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk eindelijk tot hun vroegere heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren, ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda terugkeren. 1)
Dat was een nodeloze vrees, want het was door de Heere gebeurd, dat hij koning over geheel Israël geworden was, en de Heere had hem uitdrukkelijk beloofd hem een bestendig huis te bouwen, zoals voor David, wanneer hij slechts in de wegen van de Heere wandelen wilde, zoals David gedaan had ( 11: 37vv.). Maar het is nu eenmaal zo met hen, die met hun hart van de Heere afwijken, dat zij zich nodeloos ongerust maken en in de wegen van wereldse wijsheid hun hulp zoeken moeten.
Kruisverwijzingen2 Koningen 10:29→2 Koningen 17:16→Exodus 32:8→Exodus 32:4→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:15→Exodus 1:10→2 Petrus 2:19→— Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
Daarom hield de koning een raad met de hoofden van zijn volk, die hem op de troon hadden gebracht (vs. 20), en hem ook nu bij de invoering van de nieuwe godsdienst, die hij uitgedacht had, behulpzaam zijn moesten, en maakte twee gouden kalveren, had meteen twee gouden kalveren vervaardigd, overeenkomstig het afgodsbeeld, dat Aäron eens op aandringen van het volk liet oprichten (Exodus 32: 1vv.), en hij zei tot hen, terwijl hij deze inrichting verontschuldigde met te zeggen dat het voor het bestwil van het volk was: Het is u te veel, te bezwaarlijk en te omslachtig om op te gaan naar Jeruzalem, en daar uw godsdienst te verrichten, zoals de Wet voorschrijft (Deuteronomium 12: 4vv.), maar het is ook niet nodig de Heere op zo’n verwijderde plaats te gaan vereren, ziedaar uw goden, o Israël! die u uit Egypte gebracht hebben; in deze beide beelden heb ik u de God, die u uit het diensthuis van Egypte verlost en tot Zijn volk gemaakt heeft, nader gebracht, dat gij hem hier in uw land dienen kunt, en wat ik u daarin aanbied is eigenlijk niets nieuws, maar slechts een herstel van dat, wat reeds de vader van uw priesterschap het volk tot een zichtbare voorstelling van de Heere gegeven heeft 1) (Exodus 32: 4).
Voor de wereld is Jerobeam in deze overlegging onschuldig, want wereldse lieden houden het ervoor, dat de godsdienst vastgesteld, gehouden en veranderd kan worden, naarmate dit het land, de onderdanen of het algemeen welzijn nuttig kan zijn of ten goede kan komen, en dat niet de regering om de godsdienst, maar de godsdienst omwille van de regering ingesteld is. Daarom meent men, heeft Jerobeam hier goed en wijs gehandeld. Maar God zegt daarentegen: “Alles wat Ik u geboden heb zult gij houden, gij zult niet daarbij, noch daaraf doen” (Deuteronomium 12: 32). Want de godzaligheid moet zich niet schikken naar het algemene welzijn, maar het algemene welzijn moet geregeld worden naar de godzaligheid. Elke regering die niet omwille van God, of van het zielenheil, maar tot bereiken van politieke en in het algemeen wereldse doeleinden, zich van godsdienstige middelen bedient en in het geloof van het volk ingrijpt, maakt zich aan de zonde van Jerobeam schuldig en laadt een zware verantwoording op zich.
De goddeloze mens is, wat hij voor zijn God doen zal, weldra te veel. In zaken van het geloof en de Godsverering moet men niet naar datgene, wat aan de gemakzucht van de grote massa voldoet of haar aangenaam is, vragen, maar alleen naar datgene, wat God in Zijn Woord voorschrijft. Wie aan de zinnelijkheid en ruwheid van de massa tegemoetkomen en het ongeloof of bijgeloof in de hand werken, behoren tot de valse profeten, die de weg tot het leven breed maken. Leringen en instellingen, die van het geopenbaarde Woord van God afwijken worden dikwijls als vooruitgang en met de tijd meegaand aangeprezen, terwijl zij in waarheid achteruitgang en verderfelijke nieuwigheden zijn. Wij bidden in het Christendom niet meer hout en steen en gouden kalveren aan en menen daarom hoog boven het duistere heidendom verheven te zijn, maar wij stellen nochtans zo dikwijls het schepsel boven de Schepper en zijn daaraan met onze gehele ziel, met al onze zinnen en bemoeiingen verbonden. Zie, de dingen en personen, die gij met uw gehele hart en met alle krachten bemint, dat zijn uw afgoden.
Wat is de grote zonde, die Jerobeam begaan heeft? Het ingrijpen in de bestellingen van God, het veranderen naar menselijke inzichten van de belijdenis, die de Heere God aan Israël had gegeven. In het tweede Gebod had de Heere God aan Israël doen verstaan de wijze, waarop Hij vereerd wilde worden. En dit was op geestelijk gebied. Niet op zinnelijke wijze, maar op geestelijke wijze. Niet met, maar zonder een symbool. Opdat Israël er niet toe verleid zou worden, om straks het symbool tot een afgod, tot een ander god te maken. En nu verleidt Jerobeam uit politiek oogmerk het volk, om de belijdenis van het geestelijk Wezen te veranderen in de belijdenis van een zichtbaar wezen. Hier viel de zuivere en ware Godsdienst. En dit was zo’n grote zonde in de ogen van God, dat zelfs van Jehu, die alle afgoderij had uitgeroeid, nog dit gezegd wordt, dat hij wandelde in de zonde van Jerobeam, de zoon van Nebat. Een waarschuwing voor onze tijd.
KruisverwijzingenGenesis 28:19→Jeremia 8:16→Richteren 20:1→Genesis 14:14→2 Koningen 10:29→Hosea 4:15→Deuteronomium 34:1→Genesis 35:1→— En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.
En hij zette, omdat de volkshoofden zijn plannen goedkeurden, het ene, een van de beide kalveren te Beth-el, 1) dat van oudsher gewijde huis van God (Genesis 28: 10vv.; 35: 7 (Richteren 20: 18, 26vv.; 1 Samuel 10: 3) en het andere stelde hij te Dan, waar in oude tijden evenzeer reeds een eigen godsdienst bestaan had (Richteren 18: 30vv.).
Van een hoogte bij Beth-el heeft men een vrij uitzicht op Jeruzalem; deze hoogte is wel waarschijnlijk diegene, waarop Jerobeam het afgodische beeld oprichtte, en zijn zonde schreit des te meer ten hemel, omdat al het volk, dat kwam om op dit altaar te roken, in de verte het huis zag, waar zoals zij wisten, de heerlijkheid van de Heere woonde. In deze tijd toen Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël zondigen deed, valt naar onze mening de vervaardiging van de 78ste Psalm. Wat hem zelf betreft, zo was Jerobeam, hoewel ook niet van een uitstekend geslacht evenals Saul, die naar zijn afkomst tot de geringsten van het volk behoorde, een rijkbegaafd en vlug man (1 Samuel 9: 21 en “1 Samuel 10: 27), en hij had evenzo als deze zijn land tot grote zegen kunnen zijn (1 Samuel 12: 14); nadat echter het drijven en jagen van het volk zelf, hem evenzo, als een Saul, trots gemaakt had en het reeds zich bij deze gelegenheid liet denken, dat David’s zin de zijne niet was ( 11: 40; 12: 2vv.), en hij niet van plan was om in strenge onderwerping aan de Heere en het woord van Zijn mond zich te laten leiden, zoals het de Heere wilde, maar hij veeleer zichzelf leiden wilde, zoals zijn voorbeeld Saul (1 Samuel 13: 8vv.; 14: 24; 15: 9 was ook zijn einde zoals dat van Saul, hij werd verworpen. Maar zijn invloed had veel bozer gevolgen op het rijk, dan die van Saul, want terwijl deze na zijn verwerping terstond een David ter zijde gesteld werd, die een tegenwicht vormen moest, opdat het volk niet met hem in het verderf zou storten, maar na hem des te hoger verheven en des te rijker gezegend zou kunnen worden, zo heeft Jerobeam daarentegen het noordelijk rijk het stempel van zijn bestaan en van zijn verwerping, terstond bij het begin van zijn regering zo diep ingedrukt en zo scherp ingeënt, dat de geschiedenis van de tien stammen onder hem en zijn opvolgers niets anders is dan een verdere ontwikkeling van het afgodische bestaan en een eindelijke ondergang, waaruit geen herstel meer mogelijk is.
Anders is het gelegen met het zuidelijke rijk; dit is getreden in de erfenis van David’s zin en David’s belofte; zijn geschiedenis draagt als kenmerkend teken de vervulling van dat woord, dat van David met betrekking tot zijn nageslacht gegeven was (2 Samuel 7: 14vv.): “Ik zal hem zijn tot een vader en hij zal Mij zijn tot een zoon, die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen; maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul.” Het is waar, naar de uiterlijke schijn te oordelen, is het, alsof de afgodendienst in het rijk van Juda erger geweest is, dan in het rijk van Israël, want in het laatste vinden wij de eigenlijk gezegde afgodendienst slechts onder Achab en zijn zoon Ahazia, van de overige koningen vóór en na wordt gezegd, dat zij in de wegen van Jerobeam wandelen en zijn zonde, de kalverdienst, niet lieten varen. In het rijk van Juda daarentegen waren van de twintig koningen slechts zes de Heere trouw (Asa, Josafat, Uzzia, Jotham, Hiskia en Josia) twee anderen (Joas en Amasia) slechts gedurende de eerste tijd van hun regering, onder de anderen daarentegen diende men openlijk de afgoden, richtte Baälszuilen en Aschera-beelden op, op elke hoge heuvel en onder elke groene boom, onderhield schandjongens in het land en deed alle gruwelen van de voor Israël uitgeroeide volkeren. Nochtans was deze grove afgodendienst niet zo gevaarlijk en onuitroeibaar als die verfijnde, die in het rijk van Israël heerste; want terwijl Jerobeams beeldendienst de kloof tussen de waarachtige verering de HEERE en de dienst van de natuurgoden zover dempte, dat men zich wijs kon maken, dat de kalverdienst in de grond niets anders was dan de dienst van de HEERE, zoals het voorbeeld bewijst van Joram (Achabs tweede zoon; 2 Koningen 3vv. 896-83 v. Chr.) en zo de terugkeer tot de reine en onvervalste godsdienst bijna onmogelijk gemaakt werd, aanschouwt men in het rijk van Juda een steeds vernieuwende en zegenrijke reactie (tegenwerking) tegen de vreemde goden. Reeds toen werd vervuld, wat later Jezus de Farizeeën en Schriftgeleerden tegenwierp: “de tollenaren en hoeren zullen voorgaan in het koninkrijk Gods.” Men moet zich wachten, dat men niet door de uitspraken van sommige leerboeken over de Bijbelse geschiedenis, die de hoogtendienst van het rijk van Israël door het ontbreken van de door God bevolenen dienst in de tempel proberen te sparen, en haar soms billijken als een vernieuwing van het patriarchale standpunt, dat men zich niet, zeg ik, daardoor laat misleiden, anders begrijpt men niet, waarom de Heere de tien stammen in de Assyrische ballingschap verkwijnen liet en als een wilde loot van de boom van Zijn rijk afsneed, Juda daarentegen uit de Babylonische gevangenschap terugvoerde om met de “Joden” de nakomelingen van deze stam, Zijn werk voort te zetten. Evenals Israël’s afval van het Davidische koningshuis de vrucht was van een boze lust naar een minder theocratisch en meer heidens koningschap, zo was de invoering van de hoogtendienst de vrucht van een ingewortelde, uit ongoddelijke vleselijke zin voortkomende afkeer van de strenge en uitsluitende dienst aan de HEERE. Elke vergoeding, die Jerobeam zijn volk voor het optrekken naar Jeruzalem probeerde te geven, was tevens een tegenstelling.
Kruisverwijzingen2 Koningen 17:21→1 Koningen 13:34→2 Koningen 10:31→— En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
En deze zaak werd tot zonde, werd Jerobeam tot een zware schuld, zodat zijn naam als een geschandvlekte daar staat in de heilige geschiedenis ( 15: 16,30,34; 16: 2vv.; 26), en als het tegenbeeld van de naam van David ( 3: 14; 9: 4; 11: 38; 15: 112 (Koningen 14: 3; 18: 3; 22: 2), want het volk ging heen voor één van beide beelden, of voor dat van Beth-el of voor dat van Dan om zijn godsdienst te verrichten, en werd zo door het gehele land, van het uiterste zuiden in Beth-el, tot Dan tot 1) in het uiterste noorden, Gods gebod, dat niet slechts andere plaatsen tot Godsverering, dan de door de Heere verkorene, uitsloot, maar ook elke verering van de HEERE onder enig beeld of gelijkenis op het strengste verbood (Deuteronomium 12: 4vv. Exodus 20: 4vv.), goddelooslijk overtreden.
De betekenis is, dat één van beide beelden vereerd werd door het volk, terwijl dit afhing van de plaats, waar men woonde. En waar er bijgevoegd wordt tot Dan toe, daarmee wordt verklaard, dat het gehele volk van de tien stammen van de Heere afweek.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 13:9→2 Koningen 17:32→1 Koningen 13:32→2 Kronieken 11:14→Numeri 3:10→1 Koningen 13:24→Deuteronomium 24:15→Ezechiël 44:6→— Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.
En hij maakte op beide plaatsen, waar hij de gouden kalveren gesteld had, een huis van de hoogten ter vervanging van de tempel te Jeruzalem, evenals de twee stierenbeelden in deze huizen van de hoogten een vergoeding moesten zijn voor de Ark van het Verbond met het teken van de aanwezigheid van God, de Shechina (1Ki 8: 12); en a) hij maakte priesters van de geringsten van het volk 1) (woordelijk van de laatsten van het volk; wat ook luiden kan van allerlei lieden uit het volk (Genesis 19: 4); die niet waren uit de zonen van Levi.2)
In het Hebreeuws Miktsoth haäm. Letterlijk: uit de laatsten, uit de einden van het volk, d.i. uit het gehele volk, zonder onderscheid van stam. Jerobeam wilde alle stammen bevredigen en zette daarmee het gebod opzij dat de priesters moesten zijn uit de stam van Levi.
Jerobeam meende zich des te eerder aan de bepalingen van de wet van God in Exodus 28: 1vv. (Numeri 17: 1vv.) te kunnen onttrekken, omdat de zonen van Levi zich niet lenen mochten om de priesterdienst bij de gouden kalveren te verrichten en naar het rijk van Juda uitweken (2 Kronieken 11: 13vv.).
Wij hebben onder het Nieuwe Verbond wel geen Levitisch priesterdom meer, maar toch een herders- en predikambt, dat de Heere heeft ingesteld (Efe. 4: 11), opdat het lichaam van Christus daardoor opgebouwd worde. Wie dit ambt geringacht en meent, dat ieder zonder onderscheid en zonder daartoe een geordende roeping te bezitten, daartoe het recht heeft, maakt zich schuldig aan de zonde van Jerobeam: “Niemand,” zegt de Augsburgse Confessie, “zal in de kerk openlijk leren of prediken, of de Sacramenten bedienen zonder daartoe geordend te zijn.”.
Kruisverwijzingen1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→2 Kronieken 26:6→Markus 7:13→Mattheüs 15:6→Psalmen 106:39→Jesaja 29:13→1 Samuël 13:12→— En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, 1) van de maand, die hij uit zijn hart verdacht had, zo maakte hij de kinderen van Israël een feest, dat de plaats vervangen moest van het wettelijke Loofhuttenfeest; en offerde op dat altaar rokende, 2) bracht bij de stichting en eerste offerplechtigheid van dit feest voor zichzelf offers, welk vlees evenzo op het altaar verbrand zou worden, als Salomo bij de inwijding van de door hem gebouwde tempel, talrijke offers voor zich en zijn volk had aangebracht ( 8: 6vv.).
Het voorwendsel voor deze willekeurige verandering van de wettelijke bepaling vond hij waarschijnlijk hierin, dat in de noordelijke delen van het rijk de gewassen omstreeks een maand later rijp waren, dan in het zuidelijke Juda; tevens echter schijnt het, dat hij dit nationale feest met zijn eigen persoon in verbinding heeft willen brengen, omdat wellicht in de achtste maand zijn troonsbestijging in Israël had plaatsgevonden (vs. 20). Omdat deze zo waarschijnlijk in november 975 had plaats gegrepen, heeft de hier beschreven gebeurtenis wellicht plaats in nov. 973 v. Chr.
De eigenlijke grond lag in de bedoeling, de scheiding op godsdienstig terrein zo volkomen mogelijk te maken, ofschoon hij de dag behield, de vijftiende, om de zwakheid van hen, die aanstoot namen aan zijn nieuwigheden. Want dat velen, ook buiten de stam van Levi, over deze instellingen, die zo zeer met de wet in strijd weren, zeer ontevreden waren, dit kan men opmaken uit de aantekening in 2 Kronieken 11: 16 dat er uit alle stammen naar Jeruzalem gingen, om de God van de vaderen daar te offeren.
Deze zin maakt de overgang uit tot de geschiedenis in de volgende afdeling gemeld, en past beter bij 13. De vertaling zou dan zo zijn: “Als nu juist de offeranden aangestoken zouden worden, ziet, een man Gods kwam uit Juda enz.”.
In zijn dagen, de dagen van Achab, gekenmerkt door zijn goddeloosheid, bouwde zo recht duidelijk daarmee aantonende hoever de verachting van God en Zijn woord in Israël reeds gegaan was, maar ook zozeer ten teken, dat de Heere zich niet laat bespotten, Hiël, de Betheliet ( 12: 29) een bouwmeester, op bevel van de koning, die de overtocht over de Jordaan door een vesting dekken wilde, het aan de zuidoostelijke grens van het rijk gelegen Jericho, behorende aan de stam van Benjamin, dat door God zo scherp vervloekt was (Jos 6: 26). Ook trof hem, die zich voor zo’n zondig werk vinden liet, de rechtvaardige straf, tevens een ernstige waarschuwing voor Achab, die te zijner tijd evenzeer een zwaar oordeel treffen zou, indien hij niet naliet de Heere te vertoornen: Op Abiram, zijn eerstgeboren zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub zijn jongste zoon heeft hij haar poorten gesteld, tussen de aanvang (grondvesting) en de voleinding van de bouw (het stellen van de poorten) stierven ook zijn overige kinderen, naar het woord van de HEERE, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Hun gesproken had. 1)
Deze geschiedenis staat in het nauwste verband met de tijd, waarin zij voorviel. Uitdrukkelijk had God, de Heere, gewaarschuwd tegen het opbouwen van Jericho tot een vesting en deze daad met zware straffen bedreigd. Zo was echter het ontzag voor de Heere God verdwenen en de kennis van Gods Naam verloren gegaan, dat een Achab, de waarschuwingen van God verachtende, aan Hiël opdracht gaf, om te bouwen, en deze laatste zich niet verzette tegen zo’n last en evenmin ophield, toen de Heere in de dood van zijn oudsten, Zijn oordelen begon uit te voeren. Ook aan hem werd het bevestigd, dat niemand zich tegen God verhard heeft en vrede heeft gehad. Vs. 19-21. Van de Horeb naar zijn vaderland terugkerende roept Elia, overeenkomstig de hem gegeven goddelijke aanwijzing, bij Abel-Mehola in de stam Issaschar, de op het veld met 11 knechten van zijn vader ploegende Elisa als zijn helper en opvolger en deze, nadat hij zijn volk nog een afscheidsmaal gegeven heeft, volgt de profeet, gewillig zijn ouders en het rijke vaderlijke erf verlatende.
Zo ging hij, door de Godsopenbaring op Horeb van de drukkende somberheid, die tot hiertoe op zijn ziel gelegen had, ontheven, en nu weer vrolijk en getroost van daar door de woestijn terug naar het land Israël, en vond in de omstreken van Abel-Mehola, aan de Jordaan, 2 mijl beneden Bethsan, Elisa, de zoon van Safat; deze ploegde op de akker 1) van zijn vader met twaalf juk runderen (paar runderen), voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; 2) en Elia ging van de weg over tot hem op de akker en wierp zijn profetenmantel op hem, daarmee hem zinnebeeldig tot het profetenambt roepende.
Het was thans een groot genot buiten op de akker te zijn en achter de ploeg te gaan, van alle zijden blonk de zegen van God tegemoet en het aardrijk, dat gedurende drie en een half jaar in een dorre woestenij was veranderd, scheen thans na de heerlijke regenstromen nauwelijks de zaaitijd af te kunnen wachten om de nieuw geschapen krachten in halm en aren te kunnen overgieten. Hoe dikwijls hebben misschien de akkerlieden, wanneer zij vóór zich de vette, dampende kluiten zagen opheffen met elkaar van de grote wonderen gesproken, waarmee de HEERE in de laatste tijd hun vaderland bezocht had! Hoe dikwijls was misschien onder hen de Elia genoemd en met ophef van het vuurteken op de Karmel gesproken. Want waarschijnlijk waren zij allen ooggetuigen van die grootse gebeurtenis geweest, en dat zij gezamenlijk mede tot de 7000 behoorden, die voor de Sidonische afgod hun knieën niet bogen, is nauwelijks aan twijfel onderhevig.
Elia trad als een helder lichtende gestalte uit het diepste duister te voorschijn; wij weten niet van waar hij afstamde, wie zijn ouders waren, waar hij zijn jeugd doorbracht, hoe hij voor zijn verheven ambt gevormd werd, zijn eerste optreden doet hem terstond als een meester onder de knechten van de Heere kennen. Anders vinden wij het bij Elisa; wij horen de naam van zijn vader en diens woonplaats, wij vernemen onder welke omstandigheden de roeping van de Heere tot hem kwam, en hoe hij tot het profetenambt werd opgeleid.
Toen Elia tot Elisa ging en zijn mantel op hem wierp, zonder een woord te spreken, dacht hij dat Elisa deze betekenisvolle handeling reeds verstaan zou, en kon uit diens gedrag terstond besluiten, hoe hij hem te beschouwen had, hoe veel of hoe weinig hij op hem rekenen kon, hoe weinig of hoe geheel Elisa in zijn geest en zin zou intreden.
Een ander zou in zijn plaats lang op de inval genomen zijn, dat hij te goed was voor de ploeg en voor een hogere kring geboren, als voor die van een eenvoudige landman; hij mag de mensheid zijn talenten niet onthouden, hij moet studeren en dan vooruit op het toneel van het publieke leven, om de wereld te verlichten en ze te regeren. Bedenk, die lichten hebben de mooiste en zuiverste glans, die niet weten, dat zij schitteren, en die Godsbloemen verspreiden de heerlijkste reuk om zich heen, die met het heerlijke plaatsje dat de Heere hen aangewezen heeft, weltevreden op stille gronden verborgen bloeien. Uit het roepen van Elisa, vanachter de ploeg tot profeet, volgt niet dat ieder van achter de ploeg of uit een ander gewoon ambt zonder gaven en zonder veel te weten het profetenberoep aanvaarden kan. De mensen menen dikwijls dat de Heere hen tot een andere, hogere plaats roept, terwijl het toch slechts hun ijdelheid en de overschatting van hun gaven en krachten is, die hen drijft. Heeft God u tot iets geroepen, zo zal Hij u ook de wegen openen en de middelen geven, die daartoe bevorderlijk zijn.
En hij, Elisa, in de handeling van de profeet een roeping van God erkennende, en gewoon daar, waar een bepaalde wil van de Heere hem tevoren kwam, die ook onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande berading met vlees en bloed (Gal. 1: 16) op te volgen, verliet de runderen en liep Elia, die terstond zijn weg vervolgd had, na en zei: Dat ik toch eerst nog eenmaal naar mijn ouderlijk huis ga en mijn vader en mijn moeder kus ten afscheid; daarna zal ik U gewillig navolgen. En hij, Elia, wel wetende, dat Elisa’s woorden volstrekt geen voorwendsel waren om zich aan de roeping te onttrekken (vgl. (Luk. 9: 61vv.),maar tegelijk hem een geestelijke drangreden gevende, waaraan hij zich niet zo makkelijk onttrekken kon om hem het afscheid van huis gemakkelijker te maken, zei tot hem: Ga, en keer weldra terug, want wat heb ik U gedaan? 1) namelijk iets, dat de Heere zelf mij bevolen heeft, en wanneer gij dit indachtig zijt, dat gij met een goddelijke roeping te doen hebt, en voortaan niet meer uzelf en uw ouders toebehoort, maar een andere, dan zal deze gang naar huis u niet tot een net en valstrik worden.
Elia weet, hoe hij met Elisa handelen moet. Dit antwoord staat in verband met de tijden van afval en hinkerij, waarin Israël verkeerde, maar ook met de hoge en moeilijke roeping van de profeet. Elisa gaat een moeilijke tijd tegemoet, een tijd, waarin het gelden zou, dat die achterom ziet, niet bekwaam is tot het koninkrijk van God. Wellicht vreesde de profeet, dat zijn ouders Elisa zouden afhouden of hem nog moeilijkheden in de weg zouden leggen. Daarom eist hij beslistheid, een volgen zonder enige aarzeling, een zich losmaken van alle aardse banden, om alleen te vragen, wat de Heere wil. Elisa heeft de wenk begrepen en als bewijs daarvan, slacht hij straks niet alleen de runderen, maar verbrandt ook het houten ploeggereedschap. Daarmee geeft hij zich geheel aan de dienst van God, en verbreekt alle banden, die hem nog aan zijn vroeger bedrijf bonden.
Zo keerde hij, na verlof, weer van achter hem af, 1) om op plechtige wijze afscheid te nemen van het ouderlijke huis en zijn tegenwoordig beroep, en nam een juk runderen, datzelfde, waarmee hij voorheen geploegd had, en slachtte het thuis in Abel-Mehola, tot een dankoffer, en met het gereedschap van de runderen, het houten ploeggereedschap, dat hij tot bereiding van de offermaaltijd gebruikte, kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf van zijn plaats, dat in zijn vrienden en bekenden, en metgezellen in zijn beroep, en zij aten. Daarna stond hij op en volgde Elia na, en diende hem voortaan als zijn jongere. 2)
Een onzichtbare hand raakte Elisa’s hart en neigde het op een onbegrijpelijke wijze door een verborgen kracht, zonder enige uiterlijke beweegreden tot het verlaten van de landbouw, om een discipel en een dienaar te worden en zijn medegenoot in de verdrukking. Dus zullen op de dag van de heertocht van de Heere degenen, die Hij geschikt heeft tot Zijn koninkrijk, zich bij uitstek gewillig en blijmoedig aan Hem onderwerpen (Psalm 110: 3).
Gods volk is geen geprest, maar een vrijwillig volk.
Menigeen hoort de woorden van de goede boodschap met vreugde…en ziet het kleinood, dat zij voorhoudt. Er zijn ogenblikken en uren dat hij het levendig voelt, dat het de mens niet zou baten, wanneer hij de gehele wereld gewon en schade leed aan zichzelf; dat echter in Christus Jezus leven en volle zaligheid is…en in plaats van een goed snel, vast besluit te nemen, zich op staande voet, zonder nevenbedoeling, onvoorwaardelijk op de genadevolle aanbieding van de Heere over te geven, gaat hij weer onder de zorgen en neigingen van deze wereld daarheen, wendt de blik van de Onzichtbare en Eeuwige weer af; het gewillige hart wordt weer onwillig en zoekt slechts een voorwendsel, hoe het deze of gene verhindering rechtvaardigen kan, hoe het dit of dat, wat door de enge poort van het hemelrijk niet kan gaan, met eer behouden bedingen kan, en zo komt het bij hem nooit tot een algehele getrouwheid en opoffering (Vergelijk Joh. 12: 26).
Tussen de hier en de in het volgende hoofdstuk vertelde gebeurtenis ligt een tijdruimte van omstreeks 5 jaar. Elia vertoonde zich aan koning Achab pas na 8 jaar weer, als hij met hem te handelen had wegens de aan Naboth begane misdaad ( 21: 17vv.); desalniettemin heeft de profeet deze tijd volstrekt niet in een stil, bespiegelend leven doorgebracht, maar zoals uit 2 Koningen 2: 1vv. blijkt door herstel van de door Samuel gestichte profetenscholen (1 Samuel 7: 2) zich zeer werkzaam en rijk aan invloed betoond om het ontwaakte nieuwe leven, dat door zijn vernietigende slag, aan de Baälsdienst toegebracht, bij het volk opgewekt was te bevorderen, en aan de van het koningshuis uitgaande bemoeiingen tot instandhouding van de kalver- en Baäldienst een gesloten Phalanx (keurbende) tegenover te stellen. Terwijl de in de geschiedenis van David voorkomende profeet Gad (1 Samuel 22: 5) naar alle vermoeden tot de profetenvereniging in Rama behoorde, treffen wij juist van de regeringstijd van deze koning af geen spoor meer aan van dergelijke verenigingen; veeleer had de beoefening van de dichtkunst toen een plaats gevonden in David’s bemoeiingen voor de openbare godsdienst (1 Kronieken 26: 1,5), en de profeten en zieners in de bijzondere zin van het woord nemen zo’n plaats ten opzichte van de koning in, dat men met enig recht van “hofprofeten” spreken kan: maar men mag dit niet als een afhankelijke stelling op welke wijze ook opvatten, zodat het profetendom zijn wachters- en bestraffingsambt tegenover de koning prijs zou hebben gegeven. Onder Salomo, die met medewerking van zijn opvoeder Nathan tot de troon verheven was, schijnt dat weliswaar voor een langere tijd op de achtergrond getreden te zijn; het verhief zich echter tegen het einde van zijn regering terstond weer des te dreigender in Ahia van Silo, toen de koning tot afval van de HEERE overneigde, en bewees zijn macht ook over het volk in het woord van de profeet Semaja, als het er na de deling van het rijk op aankwam, het ondernemen van Juda tegen de 10 stammen te verhinderen ( 11: 11vv. 12: 12vv.). In het rijk van Juda nu, waar het ware heiligdom met de wettelijke Godsverering en de rechtmatige priesterschap zijn zetel had en de troon in geregelde erfopvolging aan een dynastie (vorstenhuis) toebehoorde, die door de op haar rustende beloften geheiligd was, en waaruit meerdere vrome, godgezinde heersers voortkwamen, konden de profeten bij tijd en wijle in alle eendracht met de priesters en kortingen samenwerken, en in het bijzonder bij de herhaald intredende godsdienstige reformaties naast de koningen zich tot het geestelijke en wetenschappelijke bepalen; zij hadden aan de bestaande theocratische inrichtingen houvast genoeg, om buitengewone steun en de formele vorming van nieuwe profetenverenigingen te kunnen ontberen. Vandaar dat wij altijd slechts enkele profeten zien optreden. Semaja onder Rehabeam (2 Kronieken 11: 2vv.; 12: 5vv.), Azaria, zoon van Oded, en Hanani onder Asa (2 Kronieken 15 en 16), Jehu, zoon van Hanani, Eliëzer en de Leviet Jehazeël onder Josafat (2 Kronieken 19: 2; 20: 14,37). Zacharia onder Joas (2 Kronieken 24: 19vv.) en onder de opvolger van de laatste, onder koning Amazia, twee niet nader aangewezen profeten (2 Kronieken 25: 7vv., 15vv.). Van die tijd af begint dan een nieuwe periode in de ontwikkelingsgeschiedenis van het oudtestamentische profeetschap, waarvan uitvoeriger gesproken zal worden bij 2 Koningen 14: 22. Terwijl nu in Juda, gedurende de eerste 160-170 jaar sinds de scheuring van de beide rijken de werkzaamheid van de profeten in het algemeen slechts een afgezonderde is en bij die van koningen en priesters terugtreedt, zodat b.v. in de commissie, die Josafat ten behoeve van het godsdienstonderwijs onder het volk in het land laat rondreizen, zich geen profeten bevinden (2 Kronieken 17: 7vv.) en ten tijde, dat Athalia beproeft de rol van haar moeder Izebel in het rijk vol te houden, de redding alleen door de hand van de hogepriester gebeurt (2 Kronieken 22: 10-24: 3), zo is daarentegen het hoofdtoneel van de werkzaamheid van de profeten gedurende die tijdruimte het rijk Israël, en beweegt zich de geschiedenis van dat rijk grotendeels om de politiek-godsdienstige strijd van de profeten tegen de afvallige koningen. Deze strijd werd reeds onder Jerobeam te voorschijn geroepen daardoor, dat hij, om zijn troon te bevestigen, de staatkundige scheiding van de stammen ook tot een godsdienstige maakte en afzonderlijke heiligdommen voor de HEERE met afgodische beeldendienst aan de beide grenzen van zijn rijk oprichtte. Van de priesters en Levieten en andere burgers, die aan zo’n afval van het wettige heiligdom geen deel mochten hebben, had hij zich slim weten te ontdoen (2 Kronieken 11: 13vv.). En enkele profeten, die nog in het land waren, hebben wellicht zoals uit 13: 11vv. kan opgemaakt worden, bij de invoering van zijn nieuwigheden gezwegen, en zich hiermee gerustgesteld, dat toch de dienst van de HEERE nog altijd de eigenlijke staatsgodsdienst was, en de nieuwe vorm daarvan, de kalverdienst, nog menige oude wettelijke instelling bewaard had; ja, deze kalverdienst had zelfs haar eigen profeten, die haar voorstonden en haar in de ogen van het volk de goddelijke wijding proberen te verschaffen ( 22: 6vv.). Aanstonds daarop echter trad de man Gods uit Juda (1 Koningen 13: 1vv.) op als wachter van de theocratie, en verheft zich als wreker van de beledigde Majesteit van de HEERE en van Zijn gebod; aan zijn zijde stond, door zijn gewelddadige dood tot nieuwe geloofsmoed opgewekt, de oude profeet uit Beth-el ( 13: 31vv.), en dezelfde Ahia van Silo, die Jerobeam zijn verheffing had verkondigd, profeteerde in die dagen, toen hij van ouderdom blind geworden was, hem ook de nabij zijnde uitroeiing van zijn huis ( 14: 1vv.). Eveneens die profeet uit Juda, die Jehu, de zoon van Hanani, wiens naam wij reeds noemden onder de profeten van dit rijk ( 16: 1,7), spreekt de vloek uit tegen Baësa, de stichter van de tweede dynastie. Als nu met de regering van Omri en zijn zoon Achab in de godsdienstige toestand van het rijk van de tien stammen een grote schrede op de baan van de achteruitgang gedaan wordt, in zoverre als de verering van de HEERE voortaan geen staatsgodsdienst meer bleef, maar in haar plaats de Phoenicische Baäl- en Ascheradienst tot openbare en algemene godsdienst gemaakt zou worden, zodat ondertussen het volk een lijdende houding aannam en op twee gedachten hinkte, de nog aanwezige profeten van de Heere bloedig vervolgd werden, en zij, die aan de vervolging ontkwamen, zich in holen verborgen, dan onderneemt Elia de Thisbieter het, die nog alleen op het toneel is, met één slag het bolwerk van de afgodendienst omver te werpen; en dat zijn werk niet vruchteloos gebleven is, zoals hij meent, bewijst niet alleen de menigte van de profetenzonen, die, als hij na zijn terugkeer van de Horeb de oude profetenscholen weer herstelt, zich om hem verzamelen (1 Koningen 2: 1vv.), maar ook de omstandigheid, dat in de volgende tijd profeten ongedeerd in Samaria zich kunnen ophouden, en openlijk met de koning verkeren, bij wie de gebeurtenis op Karmel naar het schijnt niet zonder enige invloed geweest is ( 20: 13,22,28). Dergelijke profetenscholen vinden wij te Gilgal, Beth-el en Jericho. De leden daarvan stonden tot Elia en diens opvolger Elisa, die de instelling verder begunstigde en volmaakte, wel waarschijnlijk in een nog nauwere betrekking dan de kwekelingen van de oude profetenscholen tot Samuel gestaan hadden; tenminste schijnt de steeds op hen toegepaste naam, “de zonen van de profeten” dit aan te duiden, en ook overigens is waarschijnlijk de inrichting van de verenigingen heel anders geweest dan vroeger, want het kwam nu in de eigenlijke zin van het woord meer op scholen aan, op geestelijke seminaries, waarin de kwekelingen als zij nog ongetrouwd waren, dicht bij elkaar woonden en voor hun bijeenkomsten een gemeenschappelijk lokaal hadden dat hun volgens 2 Koningen 4: 30 ook voor het gemeenschappelijk middagmaal diende; de gehuwden daarentegen woonden in kleine huizen in de nabijheid van het seminarie en hadden hun eigen huishouding (2 Koningen 4: 1vv. ).De tucht in deze scholen had voornamelijk tot doel op te leiden tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan het Goddelijke woord, tot algehele overgave aan het van God gegeven bevel ( 20: 35 vv.); ook schijnt er onder hen, omdat het volk van het noordelijke rijk van het wettige heiligdom te Jeruzalem afgescheiden was, een dienst bestaan te hebben, die het gemis van de dienst te Jeruzalem enigszins vergoeden kon, bij welke dienst de vromen op Sabbat en met de Nieuwe manen met hen zich verenigden tot onderlinge stichting (2 Koningen 4: 23). Ja, zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat de vromen in het rijk van de tien stammen de in de Wet voor de Levitische priesters bestemde tienden voor de profeten in die seminaries brachten (2 Koningen 4: 42vv.), omdat de kwekelingen in het algemeen, wat hun onderhoud betreft, bij voorkeur van vrijwillige bijdragen leefden. Het herleven van de Baäl- en Ascheradienst in het rijk was door de juist beschreven inrichting voorkomen; maar tot een doortastende hervorming, zodat ook de kalverdienst zou afgeschaft zijn en de zuivere dienst van de HEERE hersteld, kwam het evenwel niet. Van daar dat juist de staat in die dagen, waarin hij zich in vroeger nooit gekende bloei mocht verheugen, onder Jerobeam II, met zijn koningen rijp werd voor het strafgericht, en wel in zo’n mate, dat de profeten van nu aan uitsluitend met dit gericht bezig zijn, en in Israël, evenals in Juda, voortaan hun geschriften in de engere zin of de vervaardiging van de eigenlijke Boeken van de Profeten een aanvang neemt (2Ki 14: 29). Nog een andere gebeurtenis moeten wij hier vermelden, die eveneens voorvalt in de tijd tussen de voorgaande en de volgende afdeling; het is de verzwagering van het koningshuis van Juda met het koningshuis van Israël; naar onze berekening viel het huwelijk van Joram, de zoon van Josafat met Athalia, de dochter van Achab en Izebel, voor in het jaar 905 v. Chr. (2 Kronieken 18: 1). Juist de omkering van Achab van de weg van de grove afgoderij kon de vrome Josafat, naar het ons toeschijnt, bewegen in plaats van de hiertoe aanwezige staat van oorlog met betrekking tot het noordelijke rijk een toestand van vrede in het leven te roepen. Of hij hoopte door die verbintenis in de toekomst eens het rijk van de tien stammen op de weg van vrede weer aan het huis van David te brengen, kunnen wij niet zeggen; was het inderdaad zijn verwachting, dan heeft hij zich, zoals de verdere loop van de geschiedenis leren zal, zeer bedrogen. Wel echter heeft een andere hoop hem niet geheel teleurgesteld, namelijk deze, dat hij de zwakke Achab een tegenwicht zou zijn tegen de invloed van diens goddeloze vrouw; want Achab toont zich werkelijk een beter man dan in de eerste twaalf jaren van zijn regering.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
1 Koningen 12
1 Koningen 12:1-3.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:40→2 Kronieken 10:1→Jozua 20:7→Psalmen 60:6→Richteren 9:6→1 Koningen 11:43→Handelingen 7:16→Jozua 24:1→
— En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte), Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:
Het was een zeker teken van grote ontevredenheid toen het volk een opstandeling liet halen om hun woordvoerder te zijn.
1 Koningen 12:3-4.Kruisverwijzingen1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→2 Kronieken 10:4→1 Johannes 5:3→Mattheüs 23:4→Mattheüs 11:29→1 Koningen 4:20→
— Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
Dit was een heel natuurlijk verzoek; deze oosterse vorsten namen hun tronen in als bij een soort goddelijk recht, en er was onder het volk een neiging iets als een grondwet te eisen, enige regelingen waardoor zij niet zo zwaar verdrukt zouden worden. Maar de wijste heerser moet niet verwachten dat hij de onverdeelde liefde van het volk zal hebben; er zullen in elke gemeenschap ontevredenen zijn.
1 Koningen 12:5.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:12→
— En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.
Eén verklaarder zegt dat het het enige teken van wijsheid is dat er in Rehabeam te vinden is, dat hij drie dagen nam om het antwoord op deze vraag te overwegen. Toch is het een goede regel om, wanneer er een gewichtige vraag voor u ligt, tijd te nemen om die te overwegen.
Het onheilige punt is dat Rehabeam in deze nood niet op God wachtte om leiding. Was hij als zijn grootvader David geweest, dan zouden die drie dagen met God in het gebed doorgebracht zijn, en dan zou hij met een groter wijsheid dan zelfs zijn vader Salomo bezat teruggekomen zijn om het volk in deze zaak te antwoorden. Wij struikelen vaak over heel eenvoudige zaken wanneer wij spreken zonder Gods leiding te vragen; maar in de meest verwikkelde omstandigheden zal onze weg volkomen helder zijn wanneer wij onze weg de Heere bevelen.
1 Koningen 12:6-8.KruisverwijzingenSpreuken 15:1→Job 12:12→Job 32:7→1 Koningen 4:2→Jeremia 42:2→2 Samuël 17:5→Spreuken 27:10→2 Samuël 16:20→
— En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal? En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn. Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.
Hij was waarschijnlijk een man van veertig jaar en dus niet langer jong; maar hij had al die tijd de rol van een jonge man gespeeld. Hij was niet oud in wijsheid geweest toen hij jong in jaren was; het zou goed voor hem geweest zijn als hij dat wel was.
1 Koningen 12:9-11.Kruisverwijzingen1 Koningen 22:6→2 Samuël 17:5→2 Kronieken 10:9→2 Kronieken 18:5→Jesaja 47:6→Spreuken 28:25→2 Samuël 17:7→Spreuken 10:14→
— En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden. Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
Oude mannen zijn niet altijd wijs, en jonge mannen zijn niet altijd wijs; wie alleen mensen raadpleegt, zal nog de waarheid leren van dit woord: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt” (Jer. 17:5).
Onder Rehabeams raadslieden hadden de oude mannen geen werkelijk beginsel dat hen leidde; zij zeiden in wezen tot de koning: “Strijk deze mensen met zachte woorden, misleid hen met de gedachte dat u aan hen zult toegeven, en dan, wanneer u eenmaal de teugels in eigen hand hebt, kunt u het volk regeren zoals u wilt.” Dat was een goddeloos beleid. Maar de jonge mannen zeiden tot de koning: “Nee, nee; doe niet alsof u naar het volk zult luisteren. Er is niets als er stoutmoedig tegen ingaan.” Er is, ziet u, in geen van beide gevallen enig beginsel; het is alles beleid.
Ik geef u geen raad dan deze: dat ik u raad de raad van Gód te nemen. Wacht op Hem, want Hij weet wat u doen moet in elke moeilijkheid die opkomen kan.
1 Koningen 12:12-15.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:24→1 Koningen 12:5→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→Jakobus 3:17→Exodus 5:5→1 Koningen 12:10→
— Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag. En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden. En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.
De grote, diepe, verborgen voorzienigheid van God werkte stil zelfs achter de dwaasheid en de heerszuchtige hoogmoed van deze dwaze man.
1 Koningen 12:15-16.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:24→2 Samuël 20:1→Richteren 14:4→Deuteronomium 2:30→1 Koningen 11:11→2 Kronieken 22:7→2 Kronieken 10:15→2 Kronieken 25:20→
— Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat. Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.
Wie hard spreekt, moet verwachten hard geantwoord te worden. Laten wij van dit voorval leren zoals iemand die het waarschuwende licht van een baken ziet en zijn schip wendt om de rots te ontgaan waarop het geplaatst is.
1 Koningen 12:17-18.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:13→1 Koningen 11:36→1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 10:17→2 Kronieken 11:13→2 Kronieken 24:21→
— Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
Nadat de koning de moeite gemaakt had, trachtte hij vrede te maken. Hij koos een van de oude ambtsdragers van zijn vader Salomo tot zijn gezant, maar hij koos de allerslechtste die hij had kunnen vinden: “Adoram, die over de schatting was”. De man die een voorman geweest was in het afpersen van het volk, of die daarvoor gehouden werd, was niet degene om als vredemaker op te treden.
1 Koningen 12:18-20.Kruisverwijzingen1 Koningen 4:6→1 Koningen 5:14→2 Koningen 17:21→1 Koningen 11:32→1 Koningen 11:13→2 Samuël 20:24→2 Kronieken 24:21→2 Kronieken 10:18→
— Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag. En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
Zie welk onheil door één dwaas mens gedaan kan worden; en laat mij eraan toevoegen: zie welk kwaad er komen kan uit het slechte gedrag van een wíjs mens. Het is een merkwaardige zaak dat zo wijs een man maar één zoon heeft die hier genoemd wordt, en dat die zo dwaas zou zijn. En toch, wat kon er komen uit zo’n huisgezin als dat van Salomo? Wie zijn eigen huis zo ongeregeld heeft als hij, moet verwachten dat wie na hem komen niet beter zullen zijn dan zij behoorden te wezen. Gezegend is dat huis waar de Heere de Meester is, waar Zijn wet geliefd en Zijn Woord gehoorzaamd wordt.
1 Koningen 12:21-24.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:15→2 Kronieken 11:1→2 Kronieken 11:2→2 Kronieken 14:11→Spreuken 21:30→2 Kronieken 17:14→1 Kronieken 21:5→2 Kronieken 14:8→
— Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht. Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende: Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende: Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.
Hier is één Semaja — velen hebben nooit eerder van hem gehoord, en misschien ook nooit weer. Hij verschijnt één keer in deze geschiedenis en verdwijnt dan. Maar het zou een grote zaak zijn maar één predikatie te houden en zo voorspoedig te zijn als Semaja was. Dat zou verre te verkiezen zijn boven tienduizend predikaties te houden en er niets mee te bereiken.
Laten wij daarom ernstig tot God bidden dat wij mogen prediken als een stervend mens tot stervende mensen, en elke rede zo brengen alsof die ene boodschap genoeg was om voor heel ons levenswerk te dienen.
Deze tekst toont ook aan dat God is in gebeurtenissen die voortgebracht worden door de zonde en de dwaasheid van mensen. Dit uiteenbreken van het koninkrijk van Salomo in twee delen was het gevolg van Salomo’s zonde en Rehabeams dwaasheid, en toch was God erin. God had niets te doen met de zonde of de dwaasheid, maar op een wijze die wij nooit kunnen verklaren — op een verborgen wijze die wij zonder aarzeling te geloven hebben — was God in dit alles. Het opmerkelijkste voorbeeld van deze waarheid van God is de dood van onze Heere Jezus Christus; dat was de grootste van de menselijke misdaden, en toch was zij door de Allerhoogste voorbeschikt en tevoren bepaald.
Het is een zeer treffend feit dat deze ene profeet slechts in Gods Naam sprak, en dat die geweldige schare zich op zijn woord ontbond. O, dat Gods dienstknechten in deze dagen met zoiets als zulke kracht mochten spreken als Semaja bezat!
1 Koningen 12:25-27.KruisverwijzingenRichteren 8:17→Richteren 8:8→Richteren 9:45→Genesis 32:30→Deuteronomium 12:14→Deuteronomium 12:5→1 Koningen 9:15→1 Koningen 12:1→
— Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel. En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren. Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.
Jeroboam wordt door beleid bewogen, ziet u. Het is, geloof ik, heel moeilijk een heerser over mensen te zijn en toch een dienstknecht van God. Er schijnt aan de staatkunde in elk land iets verbonden te zijn dat het gemoed besmeurt en de hand bevuilt die het aanraakt. De koning van Juda had maar weinig verstand, en deze koning van Israël heeft te veel list; hij is een vooruitziend man en bemerkt dat, als het volk naar Jeruzalem opgaat om te dienen, zij eerlang tot hun trouw aan het huis van David kunnen terugkeren.
1 Koningen 12:28.Kruisverwijzingen2 Koningen 10:29→2 Koningen 17:16→Exodus 32:8→Exodus 32:4→Hosea 8:4→2 Kronieken 11:15→Exodus 1:10→2 Petrus 2:19→
— Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
Waarlijk, de geschiedenis herhaalt zich; alleen, is het slechte geschiedenis, dan wordt zij doorgaans nog slechter. “zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.” Dit is bijna precies wat zij in de dagen van Aäron zeiden. Jeroboam maakt niet enkel één kalf maar twee, en hij spreekt erover in vrijwel dezelfde taal als zij gebruikten aangaande het gouden kalf in de woestijn.
1 Koningen 12:29-30.Kruisverwijzingen2 Koningen 17:21→1 Koningen 13:34→Genesis 28:19→Jeremia 8:16→Richteren 20:1→Genesis 14:14→2 Koningen 10:29→Hosea 4:15→
— En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan. En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
Ik veronderstel dat Jeroboam hen niet van het dienen van Jehova wilde aftrekken; maar hij wilde Jehova gediend hebben onder een zichtbaar beeld, en niet naar de regel die God gesteld had. Dat is juist waar het onheil vaak begint, zowel in de gemeente als in de wereld. Mensen zijn bereid God te dienen als het hun toegestaan wordt een eredienst en tekenen te hebben die zij zelf bedacht hebben; en zo hebben zij, in plaats van de goddelijke eenvoudigheid van het Nieuwe Testament, vele dingen erbij gevoegd — dingen om de smaak te behagen, schoon en zinnelijk — die alle het gemoed aftrekken van die verheven dienst van de onzienlijke God die alleen voor Hem aangenaam kan zijn.
Het is niet aan ons te bepalen hoe wij God zullen dienen; wij hebben Hem te dienen naar Zijn eigen wijze, want Zijn geboden zijn nog in kracht: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken… gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen” (Ex. 20:3-4). “Maar het kruis”, zegt iemand, “dat is toch zeker een eerbiedwaardig teken?” Laat het zo eerbiedwaardig zijn als u wilt; maar wij mogen het in de goddelijke eredienst niet gebruiken.
1 Koningen 12:31.Kruisverwijzingen2 Kronieken 13:9→2 Koningen 17:32→1 Koningen 13:32→2 Kronieken 11:14→Numeri 3:10→1 Koningen 13:24→Deuteronomium 24:15→Ezechiël 44:6→
— Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.
Want de zonen van Levi gingen over naar Juda en bleven God getrouw; en de betere soort mensen vreesden waarschijnlijk het ambt aan te nemen waartoe God de zonen van Levi geroepen had, en niemand wilde het ondernemen dan de allergeringsten van het volk.
1 Koningen 12:32.Kruisverwijzingen1 Koningen 8:5→1 Koningen 8:2→Amos 7:10→Mattheüs 15:8→Numeri 29:12→Leviticus 23:33→Ezechiël 43:8→
— En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.
Hij verschoof de maand maar behield de dag: de vijftiende dag van de achtste maand in plaats van de zevende. “Dat was volstrekt onbelangrijk”, zeggen sommigen. Ik ben het daarmee niet eens, want niets is onbelangrijk dat met de wet van Gods huis te doen heeft. Ongehoorzaamheid mag in sommige van de niet-wezenlijke zaken duidelijker te zien zijn dan in een wezenlijke zaak. In elk geval hebben wij geen recht een jota of tittel van het goddelijke gebod te veranderen.
1 Koningen 12:32-33.Kruisverwijzingen1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→1 Koningen 8:5→1 Koningen 8:2→Amos 7:10→Mattheüs 15:8→Numeri 29:12→Leviticus 23:33→
— En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had. En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
Het is een sterke veroordeling van iets in de godsdienst als het door iemands eigen hart bedacht is. Wij hebben te doen wat God ons gebiedt, zoals God het ons gebiedt, wanneer God het ons gebiedt, en omdat God het ons gebiedt; maar wat enkel uit onze eigen vrije wil komt, door onszelf verordend en gemaakt, is in de praktijk de dienst van onszelf en niet de dienst van God.
1 Koningen 12:33.Kruisverwijzingen1 Koningen 13:1→Numeri 15:39→2 Kronieken 26:6→Markus 7:13→Mattheüs 15:6→Psalmen 106:39→Jesaja 29:13→1 Samuël 13:12→
— En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
Zo werd Israël al aan het begin afgeleid. Zij kwam aan de splitsing van de wegen en nam de verkeerde koers, en zij ging van kwaad tot erger. God bewaar ons allen ervan haar boos voorbeeld te volgen, maar mogen wij allen de ene levende en waarachtige God dienen, om onze Heere Jezus Christus’ wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-24.Kruisverwijzingen1 Koningen 11:40→1 Samuël 8:11→1 Koningen 4:7→1 Koningen 9:15→Spreuken 15:1→2 Kronieken 10:1→Job 12:12→Job 32:7→
— En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte), Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen. En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal? En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn. Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden. En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.
Na de dood van Salomo, als diens zoon Rehabeam zich wil laten huldigen, geven de tien stammen hun plan om zich van het huis van David los te scheuren en een eigen koninkrijk te vormen, niet onduidelijk daardoor te kennen, dat zij niet naar Jeruzalem tot de huldiging opkomen, maar Rehabeam dwingen naar Sichem, de hoofdstad van Efraïm, te komen, opdat hij daar de huldiging ontvangt, terwijl zij Jerobeam uit Egypte roepen, om bij de daar ter plaatse bijeengeroepen volksvergadering aanwezig te zijn. Zij stellen daar de koning als voorwaarde van hun onderwerping aan zijn regering voor, de belofte van verlichting van de door Salomo opgelegde diensten; deze wil hun na verloop van drie dagen antwoord geven op hun vordering; hij gaat nu eerst met de oudere raadslieden uit de tijd van zijn vader Salomo te rade, daarna met de jongere, die met hem opgegroeid zijn, welk antwoord hij aan het volk geven zal. Hij verlaat echter de raad van de oudsten, die wilden, dat hij de ontevredene gemoederen, door tegemoetkoming aan hun bezwaren, tot bedaren zou proberen te brengen, en op de dag van de beslissing spreekt hij overeenkomstig de raad van de jongeren met harde en overmoedige woorden de tien stammen aan, die zich daarna terstond van het huis van David afscheiden, en op een latere volksvergadering Jerobeam tot hun koning verkiezen. Als Rehabeam op de genoemde dag van de beslissing de gevolgen van zijn dwaze handelwijze ziet, wil hij door toedoen van Adoram, opnieuw met de tien stammen onderhandelen, maar moet overhaast de vlucht nemen uit Sichem, ten einde niet evenals zijn rentmeester in de volksoploop om te komen; als hij daarna van Jeruzalem uit een veldtocht onderneemt, om met geweld van wapens de afvalligen onder zijn gehoorzaamheid terug te brengen, treedt het woord van de Heere verhinderend tussenbeide en hij moet met zijn volk zijn voornemen opgeven. (Vergelijk 2 Kronieken 10: 1-11: 4).
En Rehabeam1) toen hij nu in het 41ste jaar van zijn leven koning geworden was in zijn vaders plaats ( 14: 21; 11: 43), ging naar Sichem, een van oudsher beroemde stad tussen de bergen Ebal en Gerizim (Genesis 12: 6; 33: 18-35: 5 (Jozua 8: 30 vv.; 24: 1,32 (Richteren 9: 1vv.): want het gehele Israël, het volk van de tien stammen (vs. 20vv.) was te Sichem gekomen, om hem daar koning te maken. 2)
Wij lezen niet dat Salomo een andere zoon had, behalve Rehabeam, wat als een berisping van de voorzienigheid beschouwd mag worden, daarvoor dat hij zo’n menigte vrouwen nam. Salomo voelde het, dat zijn zoon waarschijnlijk geen verstandig man zou blijken te zijn, of zijn plannen tot heil van Israël zou uitvoeren, daarover was hij verdrietig (Prediker 2: 18,19). Zijn natuurlijke onvoorzichtigheid en onbezonnenheid zou verergerd worden door de vleierij van jonge mensen, met wie Rehabeam was opgevoed. Salomo beklom de troon nog zeer jong zijnde, toch was hij toen reeds een wijs man. Rehabeam was op zijn veertigste jaar een dwaas. Wijsheid gaat niet altijd met de jaren gepaard, en wordt niet door de menigte jaren of de voordelen van een opvoeding alleen verkregen.
Dit “tot koning maken” is een zalving van de zijde van de oudsten en stamhoofden, evenals een openlijke huldiging, zonder dat wij hierbij aan een formele verkiezingscapitulatie, aan een wederzijds verdrag in de geest van de constitutie van de latere tijd te denken hebben (2 Samuel 5: 3). Het recht, de door God gekozen vorst op deze wijze tot koning te maken, hadden de stammen niet slechts bij Saul en David (1 Samuel 11: 15; 2 Samuel 2: 4; 5: 3 bij Salomo (1 Kronieken 29: 22) uitgeoefend; terwijl nu Juda en Benjamin Rehabeam ongetwijfeld in Jeruzalem huldigden, doen de oudsten van de overige stammen de nieuwe koning naar hun eigen hoofdstad komen, omdat zij, zoals D. Kimchi aanmerkt, gelegenheid zochten van hem af te vallen en het koninkrijk op Jerobeam over te dragen.
Uit de beide volgende verzen blijkt, dat men deze reeds uit Egypte teruggeroepen had, en dat hij van zijn zijde de oudsten aan de hand gegeven had, welke eisen zij aan Rehabeam stellen moesten, om een geschikte grond tot uitvoering van hun voornemen te hebben; want omdat hij voorheen opziener van de arbeiders uit het huis van Jozef geweest was, wist hij het best de woorden te vinden, die zowel de voorhanden brandstof van het oproer bij de tien stammen tot laaiende vlam zouden doen uitbarsten als tegenover de nieuwe koning een rechtsvordering instellen.
Bähr merkt hier aan “niet omdat de koning naar Sichem gegaan was kwamen de tien stammen daarheen, maar omgekeerd, omdat deze naar Sichem gegaan waren, ging hij daarheen. Alzo had hij ze niet daarheen bescheiden, maar zij, d.i. hun oudsten, rechters en vorsten, hadden zich naar deze oude Efraïmitische hoofdstad begeven, als eens ten tijde van Jozua (Jozua 24: 1; vgl. 2 Samuel 5: 1,3), en dit bewoog de koning tot de reis naar Sichem. Het doel van hun vergadering was hem koning te maken, d.i. hem die reeds de troon beklommen had, evenals Juda, tot koning te erkennen en hem te huldigen, maar niet onvoorwaardelijk; alleen als hij naar hun eisen en wensen zou luisteren, en juist daarom verzamelden zij zich niet te Jeruzalem, zoals zij eigenlijk hadden moeten doen, en zoals zij eens naar Hebron, waar David zijn verblijf hield, gekomen waren, om die te huldigen; zij gingen veeleer naar Sichem. Dit was dan reeds “een betekenisvolle wenk, had Rehabeam hem maar behoorlijk verstaan.” Dat zij hem lieten roepen, zoals Jerobeam, is zeer onwaarschijnlijk, hij schijnt opgeroepen met zijn gehele gevolg gekomen te zijn.
a) Uw vader heeft ons juk hard gemaakt door belastingen en herendiensten; gij dan nu, maak uw vaders harde dienst en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter 1) en wij zullen u dienen.
2 Kronieken 10: 4
Zij klagen niet over zijn vaders afgoderij en afkering van God. Wat de grootste van alle grieven was, was voor hen niets; zo zorgeloos en onverschillig waren zij omtrent godsdienstzaken, als zij maar konden leven op hun gemak en zonder belastingen. En bovendien was de klacht ongegrond en onbillijk. Nooit leefde een volk geruster of in groter overvloed dan zij. Kostten Salomo’s gebouwen hun geld, het kostte hun geen bloed, zoals de oorlog zou doen, die nog geld vereist bovendien. Werden er een menigte handen vereist om deze werken uit te voeren, het waren niet de handen van de Israëlieten. Waren de belastingen een juk, Salomo maakte het zilver geacht te worden als stenen, zodat zij aan hem slechts teruggaven wat hem toebehoorde. Onruststokers hebben nooit gebrek aan een reden tot klagen. En wanneer wij zien op het verhaal van de Heilige Schrift omtrent Salomo’s regering, op de vrede, de weelde en de voorspoed, die Israël toen genoot, twijfelen wij niet of deze klachten waren vals, of grotelijks overdreven.
Het is een gewoon verschijnsel bij de massa, dat zij meer schreeuwt over onderdrukking dan over afgoderij en andere zonden. Zij zijn meer bezorgd voor de buik dan voor de ziel, en mogen zij slechts vrij zijn dan letten zij weinig op het heil van de ziel.
Uit alles blijkt genoeg, dat zij het er opgezet hadden van Rehabeam af te vallen. Want, weliswaar waren de lasten niet gering onder Salomo vanwege de vele kostbare gebouwen, die hij had laten zetten, maar wat een tijdperk van vrede en geluk en voorspoed was het ook geweest! Er had zo’n weelde bij het volk geheerst, dat het zilver als niets geacht werd. In plaats van dankbaarheid voor de genoten weldaden te tonen, komen zij nu met klachten over de zware lasten. Vanwaar de oorzaak? Omdat door Salomo de heiligheid van de dienst van de Heere bij het volk was verdonkerd door zijn afgoderij. Hij had de dienst van de Heere op één lijn gesteld met de afgodendienst en nu was er bij het volk een minachting gekomen voor de dienst des Heren. De zuivere en ware godsdienst was verdonkerd, de wetten van de Heere waren veronachtzaamd en daardoor was aan het gezag een gevoelige knak toegebracht.
En hij zei tot hen: Gaat heen tot aan de derde dag, opdat ik mij kan bedenken 1) omtrent uw eis, komt dan weer tot mij om mijn antwoord te vernemen. En het volk ging heen.
Een vorst, die bij zijn komst aan de regering nog bedenktijd nodig heeft, of hij mild en genadig, dan of hij hard en despotisch denkt te regeren, heeft zijn hoog verantwoordelijk ambt niet met God aanvaard, en kan daarom ook geen zegen van God verwachten. Is het recht en goed, in alle gewichtige aangelegenheden tijd tot bedenken te nemen, zo is toch bij onverwachte gevaren een snel en vast besluit noodzakelijk. Wie gewoon is in Gods wegen te wandelen, zal dan ook geen stap doen, die hem later berouwen zal.
En de koning Rehabeam hield gedurende de bedongen tijd raad 1) met de oudsten, de bejaarde raadslieden, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, toen hij leefde, en die zo in diens dienst een rijpe ervaring in regeringsaangelegenheden hadden opgedaan, zeggende tot hen: Hoe raadt gij, dat men dit volk antwoorden zal?
Wij lezen niet, dat Rehabeam raad zocht bij Hem, die alleen onfeilbare raad geven kan. Raad van wijze lieden is niet gering te achten, maar ook zij zijn feilbaar. Rehabeams gedrag doet ons zien, dat hij zich met enkel menselijke redeneringen ophield, zonder zich om de wil van de Heere te bekommeren. Hij verschilt daarin zeer van zijn vader (1 Koningen 3: 9).
En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden, nu het erop aankomt bij het begin van uw regering voor alle dingen de harten van het volk te winnen, knecht van dit volk wezen zult en hen dienen, en hun antwoorden en tot hen goede woorden spreken zult, overeenkomstig hetgeen zij aan u gevraagd hebben, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn, 1) zo zal het u voor dit ogenblik lukken een afscheiding te voorkomen, en later, wanneer gij eens in het koninkrijk bevestigd zijt, zult gij wel een middel kunnen vinden om hen in toom te houden.
De weg tot de heerschappij is dienen, dat is goed doen, zelfs in neerbuiging voor onze minderen en allen alles worden, opdat we hun genegenheid mogen winnen. Boven alle dingen is de plicht van een vorst, de harten van zijn onderdanen door nederigheid en goedertierenheid tot zich te trekken.
Maar hij, de onverstandige zoon van de wijze Salomo, die in plaats van een vermeerderaar van het volk te zijn, zoals zijn naam betekent, door zijn dwaasheid zelf daartoe moest meewerken, dat zijn vaders rijk verdeeld werd, hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden, omdat hij niet met zijn zin overeenkwam, 1) en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden, zoals pas aankomende regenten gewoonlijk de fout begaan, dat zij om hun macht te tonen, dadelijk hun raadslieden wegzenden en andere beambten kiezen.
Zo gaat het met velen; zij winnen de raad van andere, wijzere personen in, alleen om daardoor als het ware een goedkeuring van eigen inzichten te verkrijgen, hetgeen daaruit blijkt, dat zij toch, ook bij verschil van mening hun eigen hoofd volgen. Gemis aan een vast richtsnoer in onze handelingen geeft tot deze hardnekkigheid aanleiding, omdat men geen andere toets kent dan eigen willekeur. Uw woord is mij een lamp voor mijn voet.
En de jongelingen, die met hem opgegroeid waren 1) en even overmoedig en trots gezind waren als hij zelf, spraken tot hem, zeggende: Zo zult gij zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter, zo zult gij tot hen spreken, opdat het terstond bij het begin van uw regering blijkt, dat gij u door hun bedreigingen niet laat verschrikken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijn vaders lendenen; 2) als gij meent met mij als met een nog jong vorst te kunnen doen, wat gij u tegen mijn vader nooit gedurfd zou hebben, zult gij weldra mijn hand zo zwaar ondervinden, als ware haar kleinste vinger zo dik als mijn vaders heup; want juist als een jong vorst bezit ik die kracht van handelen, om mijn gehele van mijn vader geërfde macht, waarvan hij zich misschien in dit geval niet geheel bediend zou hebben, in volle mate tegen u aan te wenden.
Het is niet genoeg, dat men slechts raadplege met wijze en verstandige lieden, maar men moet ook hun raad volgen. Zij, die meest hun werk maken, om ons op te vrolijken, zijn zelden onze beste en nuttigste vrienden.
Die met ons opgegroeid zijn, hebben onbewust en onwillekeurig de grootste invloed op onze denkwijze en levensrichting, daarom moeten ouders steeds een waakzaam oog op de omgang van hun kinderen houden.
Wij weten, dat Rehabeam 41 jaar was, toen hij koning werd. De jongelingen daarom, die hij raadpleegde, hier met die naam genoemd in tegenstelling tot de straks genoemde oudsten, waren dus geen kinderen meer, maar mannen, mannen echter die het ontbrak aan alle mogelijke ondervinding, mannen die men kinderen kon noemen in het verstand.
Grootspreken is volstrekt geen teken van moed. Hoe vermeteler iemand spreekt, des te minder is hij tegen gevaar en verleiding bestand; een wezenlijk sterk, vastbesloten en rustig man praalt niet.
Het is nodig om scherpe oordeelvellingen wel te overwegen, omdat zij gewoonlijk uit het vlees en niet uit de Geest zijn, welke laatste zachtmoedigheid wil.
Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, 1) zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen 2) kastijden.
Wat een onzinnige dwaasheid was het toch, dat Rehabeam de waarheid van de beschuldiging toegaf, die het volk tegen zijn vader voortbracht, en hem niet probeerde te verontschuldigen en zo’n voortreffelijke vorst niet verdedigde, van wie het volk, zoals het voorzeker erkennen moest, zulke uitnemende weldaden had ontvangen.
In de Mozaïsche wet komt zij als gerechtelijk strafwerktuig niet voor; bij lichamelijke tuchtiging was alleen van de stok sprake, maar evenals later de gesel met betrekking op Leviticus 19: 20 in gebruik werd gebracht, zo ook deze soort van verscherpte geseling (De 25:
.
De schorpioen was een wreed strafwerktuig. Zij was een lange zak van leder, opgevuld met zand en met punten of spijkers bezet. Schorpioenen zijn gesels, voorzien van stukjes lood of ijzer, in de vorm van weerhaken, overeenkomende met de angel van de schorpioen. Isidor Hisp zegt: “Een roede, indien zij met knobbels of scherpe punten voorzien is, wordt een schorpioen genoemd.” Rehabeam had kunnen voorzien, dat dit antwoord grote verbittering bij het volk moest verwekken, want het was niet een woord van een vorst, die zich bewust was onder de macht van God te staan, maar van een bloeddorstig tiran.
En hij sprak tot hen naar de raad van de jongelingen, 1) die zijn overmoed en eerzucht prikkelde, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met gesels gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden (vs. 9vv.).
De stem van de Koning der Koningen luidt geheel anders tegen ons (MATTHEUS. 11: 28) dan Rehabeams stem; daarom moeten wij des te gewilliger Hem gehoorzaam en onderdanig zijn. De allerhoogste God heeft steeds mede Zijne hand daarin; Hij bestuurt en leidt de meest boze doeleinden van de mensenkinderen tot een goed einde en tot de vervulling van Zijn allerheiligste wil, zoals Jozef tot zijn broeders sprak (Genesis 50: 20). God richt niet de gedachten van de mensen op dwaasheid en zonde, wel echter moet hun verkeerdheid en zonde, die hun eigen schuld is, hun tot een oordeel dienen, en ook daartoe om Zijn raadsbesluit uit te voeren.
Zo hoorde de koning naar het volk niet, zodat hij door welwillendheid de ontevreden stammen elk voorwendsel tot oproer zou ontnomen en hen van afscheuring teruggehouden hebben (Spreuken 15: 1), want deze omwending was van de HEERE, zodat de koning door zijn dwaasheid de harten volkomen van zich vervreemdde en alle misschien nog bestaande banden, die de stammen aan het huis van David verbonden, geheel uiteen reet, opdat Hij (de Heere) Zijn woord bevestigde, tot uitvoering bracht, dat de HEERE ( 11: 29vv.) door de dienst vanAhia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.1)
Men kan niet nalaten hier op te merken, hoe groot het onderscheid is tussen de gewijde en ongewijde geschiedschrijvers. Het oogmerk van de eersten is, het verstand van de mensen in te nemen met erkentenis van de goddelijke Voorzienigheid, die in het verborgen alle zaken, zowel openbare als bijzondere bestuurt. Machiavelli zelf (een groot staatsman en geschiedschrijver uit het begin van de zestiende eeuw), ofschoon verre van godvruchtig te zijn, is overtuigd geweest van een overheersende macht in alle dingen, waarvan weinig geschiedschrijvers naar behoren spreken, maar veeleer op zo’n trant redekavelen, alsof ze niet wilden, dat de lezer op iets zou letten, dan op de wijsheid, kracht en staatkunde van hen, die de zaken behandelen, zonder enigszins in overweging te nemen, de zorg, die God over alles laat gaan.
Een enkel voorbeeld slechts. Schiller zegt in zijn “geschiedenis van de afval van de Nederlanden” onder meer: “Ware het ooit geoorloofd in menselijke dingen een hogere Voorzienigheid te vlechten, dan ware het bij deze geschiedenis, zo druist zij tegen alle verstand en ervaring in.” Schiller heeft dus vantevoren reeds vastgesteld, dat men geen hogere Voorzienigheid mag aannemen in de geschiedenis.
Het was van de Heere, die Rehabeam overgaf tot zo’n dwaze en noodlottige misslag, de harten van het volk van hem vervreemde en door Zijn wijze Voorzienigheid alle omstandigheden tot dat doel bestierde. Dus volbrengt God Zijne Raadslagen en Voornemens door middel van de dwaasheid en ongerechtigheid van de mensen, terwijl Zijn Gerechtigheid in het besturen van alle zaken zo zichtbaar blijkt en zo onbeweeglijk is als de hoogste bergen, die de grootste macht van de aarde niet kan doen schudden, noch doen neigen naar hun wil.
Dit is natuurlijk van achteren geredeneerd. Niet de dwaasheid en overmoed was rechtstreeks van de Heere, dit was Rehabeams zonde; maar dat daardoor het woord vervuld werd, wat Hij had doen spreken tot Jerobeam. Het was Rehabeams doel niet om dit Woord in vervulling te doen komen, maar ten gevolge van zijn overmoed en dwaasheid, werden de plannen van de Heere uitgewerkt.
Toen geheel Israël zag, dat de koning niet naar hen hoorde, op hun eisen niet de minste acht sloeg, zo gaf het volk, dat slechts op een aanleiding wachtte om zich formeel van het Davidische koningshuis te kunnen losmaken en het reeds in plan bestaande eigen koningschap te kunnen uitroepen, de koning weer een antwoord, dat de trots met grotere trots beantwoordde, zeggende, op dezelfde wijze als eens Sheba, de Benjaminiet, oproer gepredikt had (2 (Samuel 20: 1): Wat deel hebben wij aan David? 1) ja geen erfdeel hebben wij aan de zoon van Isaï, waarom wij verder bij dit koningshuis uit een andere stam verblijven zouden; naar uw tenten, o Israël! en laat u voortaan door een koning uit uw midden regeren. Voorzie, zorg nu voor uw huis, o David! bekommer u van nu aan alleen om hen, die tot uw stam behoren, gij geslacht van David, met ons hebt gij niets meer te maken. Zo, na zo’n formele scheuring van het huis van David, ging Israël naar zijn tenten, de vergadering van Sichem verlatende.
Het volk noemde David veeleer dan Rehabeam, om te tonen, dat zij niet alleen Rehabeam, maar het gehele geslacht van David verwierpen.
Dus noemden zij David uit smaad en verachting, waarin men, zoals Victorinus Stregelius hier aanmerkt, een levendige schildering van een ondankbare wereld ziet. Want geen welsprekendheid is genoeg in staat om uit te drukken de grote verplichting, die de kinderen van Israël aan David hadden.
Het volk noemde David de zoon van Isaï, en wilde zeggen: Rehabeam heeft geen reden om zich zo hoogmoedig en trots te gedragen tegen zijn onderdanen, want als men op zijn oorsprong lette, zal zijn geslacht niet edeler of bekender zijn dan dat van velen uit ons. En omdat hij zijn macht misbruikt, mogen wij hem weer brengen tot zijn vorige geringheid. (POLIS).
Toen zond de koning Rehabeam Adoram die over de schatting was ( 4: 6; 2 Samuel 20:
, naar de hoofdsteden van de noordelijke delen van het land, om de oproerige gemoederen tot rust te brengen en nieuwe onderhandelingen met de oudsten van Israël aan te knopen en het gehele Israël, in plaats van hem aan te horen, stenigde hem met stenen zodat hij stierf, want juist zijn verschijning wekte in de oproerige gemoederen de gehele haat tegen Salomo’s herendiensten, waardoor zij zich gedrukt achtten (vs. 4) weer op; maar de koning Rehabeam, nog in Sichem en thans zijn leven niet meer veilig achtende, vermande 1) zich om op een wagen 2) te klimmen, dat hij in allerijl naar Jeruzalem vluchtte.
Eigenlijk moest alle kracht inspannen. Slechts door een haastige vlucht kon hij zich het leven redden.
Dit is de eerste maal, dat men leest van een koning, die op een wagen reed; want nergens vindt men dat Saul, David of Salomo daarop gereden hebben. Maar na de verdeling van het rijk wordt dikwijls gesproken van het gebruik van de wagens, beide door de koningen van Juda en van Israël.
Zo vielen de Israëlieten van het huis van David 1) tot op deze dag.
Hun opstand wordt een afval genoemd en was bijgevolg zondig, omdat hij streed met Gods bevel, van aan David en van diens nageslacht onderdanig te zijn tot in eeuwigheid, waarvan het volk niet bevrijd was door de belofte en het geschenk aan Jerobeam gedaan, omdat dit in het verborgen was gebeurd en hier nog niet volkomen geopenbaard; behalve dat aan Jerobeam de tegenwoordige en dadelijke bezitting niet was gegeven, maar God hem alleen had toegezegd, dat Hij hem die op Zijn tijd en op Zijn wijze zou bezorgen, hetgeen gedaan kon zijn, ofschoon het volk deze kwade en onrechtmatige wegen niet had ingeslagen, zoals ten opzichte van David gezien was. En behalve dit, het volk deed dit niet uit onderwerping aan Gods wil, maar om zijn eigen drift te voldoen en enige verlichting te verkrijgen. (POLIS).
En het geschiedde toen geheel Israël door de van Sichem naar hun woonsteden terugkerende oudsten en stamhoofden (vs. 16) hoorde dat Jerobeam uit Egypte, waarheen hij, naar men wist, gevlucht was ten gevolge van Salomo’s nasporingen, teruggekomen was, 1) omdat hij bij de eisen aan de koning gedaan, het woord gevoerd had (vs. 3 vv.) dat zij heen zonden, naar zijn stad Zareda of Zarthan ( 11: 26 11.26), waarheen hij waarschijnlijk reeds vóór de tweede komst bij Rehabeam zich begeven had, ogenschijnlijk uit bescheidenheid, maar inderdaad uit sluwe berekening; en hem in de vergadering riepen, eveneens te Sichem bijeengeroepen, met het doel een koning te verkiezen, en hem daar door hun stamhoofden over geheel Israël tot koning maakten: 2) niemand volgde het huis van David, dan de stam van Juda alleen, met inbegrip van de met deze tot één stam verenigde stammen Benjamin en Simeon.
Vs. 20 begint evenals vs. 2 aan te duiden, dat met hem het in vs. 2 begonnen verhaal afsluit.
De noordelijke grens van de stam Benjamin met de steden Bethel, Rama en Jericho, behoorde naar 12: 29; 15: 17,21; 16: 34 tot het rijk van Israël, daarvoor echter kwamen meerdere steden van de stam Dan aan het rijk van Juda, namelijk Ziklag (1 Samuel 27: 6), Zereja en Ajalon (2 Kronieken 11: 10; 28: 18).
Uitdrukkelijk doet de gewijde schrijver hier uitkomen, dat het volk, zonder de wil van de Heere te vragen, Jerobeam tot koning verkiest. Want wel had de Heere het Jerobeam laten aankondigen, dat hij koning zou worden, maar eigenmachtig had hij toen zelf de kiem gelegd voor de opstand, die nu uitbrak. Hierdoor en door de straks ingevoerde beeldendienst haalde Jerobeam zich een oordeel van God op de hals, waardoor hij feitelijk al verworpen was, eer hij de teugels van het bewind over de tien stammen in handen had genomen (zie Hosea 8: 3).
Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broeders, de kinderen van Israël: een ieder kere terug tot zijn huis; want deze zaak, de afscheiding van de 10 stammen van het koninkrijk van het huis van David, is door Mij gebeurd 1) en dus moeten alle pogingen om de zaken op de ouden voet te brengen, vruchteloos zijn. En zij hoorden het woord van de HEERE en keerden terug om weg te trekken, naar het woord van de HEERE, 2) een ieder naar zijn woonplaats, zonder verder pogingen aan te wenden om de kinderen van Israël door het geweld van de wapens weer onder Rehabeams heerschappij te brengen.
God had besloten te handhaven, hetgeen Hij had gedaan en daarom verbood hij elke vijandelijkheid.
De broedertwist tussen het noorden en het zuiden heeft Israël verscheurd; maar de hand van de Heere had het zo beschikt, om David’s nageslacht door mensenroeden te kastijden zonder toch daaraan Zijn barmhartigheid te ontzeggen (2 Samuel 7: 14vv.). Hoewel dus de losscheuring van het rijk van de tien stammen van het huis van David een besluit van God was tot vervulling van het over Salomo uitgesproken oordeel (vs. 15), zo berustte zij toch aan de andere zijde op een zondige rebellie tegen het door God aangestelde koningshuis en op minachting van de tempel en de aan Jeruzalem verbonden beloften; want ook daarvan tevens scheurden de 10 stammen in een zondige lichtzinnigheid zich los, door zich af te scheiden van het rijk Juda. Hiertegen kon nu slechts met geestelijke wapens gestreden worden, zoals in de 78ste Psalm plaatsheeft. Ogenschijnlijk behoort deze Psalm tot het Davidische tijdvak; hij kondigt in de aanvang Psalm 78: 1-4 als zijn doel aan, de feiten uit de Mozaïsche tijd tot lering en vermaning voor de tegenwoordige te doen dienen, en duidt als die tegenwoordige tijd in het slot Psalm 78: 65-72 die aan, toen de Heere Zich over Zijn volk tegen de Filistijnen weer erbarmd en het in Zijn machtige bescherming genomen heeft, maar daarbij echter het voorrecht van aanvoerder te zijn van Efraïm op Juda overgebracht heeft en in de keuze van Sion tot Zijn heiligdom en van David tot koning Zijn volk Jakob alzo rijk gezegend. Wij geloven echter daarom niet minder, dat de heilige dichter niet een mogelijke, maar een reeds voorgevallen afval van David en van het heiligdom te Sion op het oog heeft, en stellen de vervaardiging van de Psalm in de eerste tijd van Salomo’s regering. Toen nu de betreurenswaardige scheiding van de 10 stammen van de zijde van Juda als een feit erkend moest worden, waaraan het huis van David om zijn door Salomo’s afval ontstane schuld als aan een goddelijke beschikking zich onderwerpen moest, kwam het erop aan, aan de 10 stammen een onderwijzing “mee te geven in de tijd van de scheuring,” hoe de laatsten die scheuring op te vatten hadden, opdat de juiste erkentenis van hun ontrouw die niet slechts als ontrouw ten opzichte van het rechtmatige koningshuis en als ondank jegens David’s verdienste bij Israël zich deed kennen, maar veeleer als ontrouw jegens de Heere zelf en jegens Israël’s verheven bestemming, opdat, zeg ik, deze erkentenis berouw bij hen zou opwekken en tenslotte een terugkeren tot Hem, van Wie zij afgevallen waren, bij hen zou bewerken.
Omdat wij nu beginnen de geschiedenis van de beide rijken afzonderlijk te beschouwen, zullen wij tot gemakkelijker overzicht voor de lezer de op elk rijk betrekking hebbende afdelingen elk afzonderlijk rekenen en wel zodanig dat die, welke over het rijk van Israël handelen, door een sterretje naast het cijfer aangeduid worden, daarbij zal een nieuw nummer gebruikt worden, waar van een nieuwe koning sprake is, terwijl de op dezelfde koning betrekking hebbende afdelingen hetzelfde nummer hebben, maar met een bijgevoegde letter naar alfabetische volgorde. Een bijzondere moeilijkheid geeft in de geschiedenis van de koningen de chronologie; wij geven evenwel in aansluiting met het chronologisch overzicht aan het slot van het boek Jozua vooraf een tabel over de tijdrekening in de boeken van de koningen, in welke tabel de moeilijkheden reeds uit de weg geruimd zijn, terwijl wij het bewijs voor de opgaven bewaren tot aan de verklaring van de daartoe betrekkelijke Schriftplaatsen. I. RIJK Juda. II. RIJK ISRAËL’S. Jaren v. Chr. Jaren v. Chr. 1 Rehabeam 17. 975-57 1 JerobeamI 22. 975-953 2 Abia 3. 957-55 3 Asa 41. 955-14 2 Nadab 2. 953-952 3 Baëza 24. 952-930 4 Ela 2. 930-929 5 Zimri 7 dagen 6 Omri 12. 929-918 7 Achab 22. 918-897 4 Josafat 25. 914-889 8 Ahazia 2. 897-896 9 Joram 12. 896-883 5 Joram 6. 889-84 6 Ahazia 1. 883 7 Athalia 6. 883-77 10 Jehu 28. 883-856 8 Joas 40. 877-38 11 Joahaz 17. 856-840 9 Amazia 29. 838-10 12 Joas 16. 840-824 13 Jerobeam II 41. 824-783 10 Uzia 52. 810-758 Regeringloos 11. 783-772 14 Zacharia 6 maanden 15 Sallum1 mnd. 771 16 Menahem 10. 771-60 17 Pekahia 2. 760-59 11 Jotham 16. 758-42 18 Pekah 20. 759-39 12 Achas 16. 742-27 Regeeringloos 8 1/2. 739-30 13 Hizkia 20. 727-698 19 Hosea 9. 730-22 14 Manasse 55. 698-643 15 Ammon 2. 643-641 16 Josia 31. 641-610 17 Joahaz 3 mnd. 610 18 Jojakim 11. 610-599 19 Jojachin 3 md. 10 dg. 20 Zedekia 11. 599-588 Terwijl in de rubriek links de cursief gedrukte namen die koningen van het rijk Juda betekenen, die zich door een godsdienstige regering deden kennen, zijn in de rubriek rechts van de koningen van Israël door dezelfde letters de stichters van een nieuw koningshuis aangegeven. De opgegeven regeringsjaren moeten niet altijd als volle jaren gerekend worden, zoals b.v. in het Nieuwe Testament de “drie dagen”, die Christus in het graf gelegen heeft, slechts een volle dag insluiten, de eerste en derde dag daarentegen zijn slechts delen van de dag en wel zeer kleine delen. De geschiedenis van de beide rijken bevat 3 perioden, 3 keerpunten. In de eerste periode, d.i. in de tijd van Jerobeam tot Omri in Israël en van Rehabeam tot Asa in Juda ( 12-16), stonden de rijken vijandig tegenover elkaar, totdat Israël in een grote strijd tegen Juda een zware nederlaag leed en bij herhaling van Israël’s aanvallen op Juda de koning Asa de Syriërs te hulp riep, en daardoor Israël in langdurige en zware oorlogen met dit machtige buurland wikkelde. De vijandschap nam een einde, in de tweede periode onder Achab en zijn zonen Ahazia en Joram in Israël, en onder Josafat, Joram en Ahazia van Juda, terwijl de beide koningshuizen zich door huwelijken met elkaar verbonden en zich met elkaar verbonden tot bestrijding van de gemeenschappelijke vijand, totdat de koningen van beide rijken Joram van Israël en Ahazia van Juda gelijktijdig door Jehu gedood werden. Op deze tijd van verbintenis volgde in de derde periode, aanvangende met Jehu in Israël en Joas in Juda (2 Koningen 10: 28-17: 41) weer verwijdering en wederkerige bestrijding, die eindelijk door de goddeloze politiek van Achas de ondergang van het rijk van Israël door de Assyriërs veroorzaakte.
Hieraan sluit zich de geschiedenis van het rijk van Juda na de ondergang van het rijk van de tien stammen tot aan de Babylonische ballingschap (2 Koningen 18: 1-25,30), dat een tijdvak van 134 jaar omvat.
Vs. 25-33. Jerobeams eerste zorg, nadat hij koning over de tien stammen geworden is, is zijn rijk naar buiten te bevestigen; daarom verbouwt hij Sichem in het westen en Pnuël in het oosten tot vestingen. Om echter daarna zijn heerschappij ook naar binnen te bevestigen en Israël voor altijd van Juda te scheiden, beproeft hij aan zijn volk een vergoeding voor de ontbrekende tempel te verschaffen en het door oprichting van twee heiligdommen van de jaarlijkse feestreizen naar Jeruzalem terug te houden; hij richt tot dat doel aan de zuidelijke en noordelijke grens van zijn land een gouden kalf op, waaronder Israël voortaan de Heere vereren moest, en bindt zich bij de aanwijzing tot de priesterdienst niet aan de stam van Levi en verzet het feest van de loofhutten van de zevende maand naar de achtste.
Jerobeam nu, toen Israël hem op de volksvergadering te Sichem (vs. 20) tot koning gemaakt had, bouwde juist dit Sichem, op het gebergte van Efraïm, dat zo geheel in het midden van het westelijk deel van zijn rijkgelegen was, tot een vesting, 1) en woonde daarin, hield daar zijn residentie, totdat hij die naderhand naar het mooie en hooggelegen Thirza ( 14:
verlegde en trok van daar uit, begaf zich na de voltooiing van Sichem naar het oostelijke Jordaanland, en bouwde a) Pnuël, aan de rechteroever van de Jabbok.
Genesis 32: 30vv. Richteren 8: 8vv.
Wij moeten ons niet op vestingen, maar op God verlaten, en God niet anders willen dienen dan Hij in Zijn geopenbaard Woord bevolen heeft; zo zal onze Godsverering uit geloof zijn en God welgevallig, en wij zullen door Hem gezegend worden.
En Jerobeam, die in het verdere verloop van zijn regering zag, hoe ondanks de verdeling van het land in twee rijken, evenwel de bewoners van het noordelijke rijk voortgingen bij gelegenheid van de jaarlijkse hoofdfeesten de tempel te Jeruzalem te bezoeken en daarheen hun offers te brengen, zei in zijn hart: 1) Nu zal het koninkrijk, het rijk van de tien stammen, dat mij ten deel gevallen is, weer tot het huis van David keren.
Zodra Jerobeam bereikt heeft wat de wens van zijn hart is, namelijk de heerschappij, vraagt hij niet meer naar de voorwaarde, waaronder zij hem beloofd en waaraan hij gebonden was ( 11: 38). Hoe dikwijls vergeten wij, wanneer God ons gegeven heeft wat ons hart begeert, nu ook in Zijn wegen te wandelen. Wie op de weg van het oproer tot de heerschappij geraakt is, moet altijd in vrees en zorg zijn, dat hij ze weer op dezelfde wijze verliest, want het volk, dat heden Hosanna roept, roept morgen: kruisigt hem! kruisigt hem! Een kwaad geweten maakt ook de moedigste en krachtigste bevreesd en angstig, zodat hij gevaren ziet, waar geen gevaren zijn, en dan tot zijn veiligheid op verkeerde en boze middelen peinst. De ene misdaad wordt altijd door de andere gevolgd.
Als dit volk, dat geen eigen heiligdom bezit, opgaan zal om offeranden te doen in het huis van de HEERE te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk eindelijk tot hun vroegere heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren, ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda terugkeren. 1)
Dat was een nodeloze vrees, want het was door de Heere gebeurd, dat hij koning over geheel Israël geworden was, en de Heere had hem uitdrukkelijk beloofd hem een bestendig huis te bouwen, zoals voor David, wanneer hij slechts in de wegen van de Heere wandelen wilde, zoals David gedaan had ( 11: 37vv.). Maar het is nu eenmaal zo met hen, die met hun hart van de Heere afwijken, dat zij zich nodeloos ongerust maken en in de wegen van wereldse wijsheid hun hulp zoeken moeten.
Daarom hield de koning een raad met de hoofden van zijn volk, die hem op de troon hadden gebracht (vs. 20), en hem ook nu bij de invoering van de nieuwe godsdienst, die hij uitgedacht had, behulpzaam zijn moesten, en maakte twee gouden kalveren, had meteen twee gouden kalveren vervaardigd, overeenkomstig het afgodsbeeld, dat Aäron eens op aandringen van het volk liet oprichten (Exodus 32: 1vv.), en hij zei tot hen, terwijl hij deze inrichting verontschuldigde met te zeggen dat het voor het bestwil van het volk was: Het is u te veel, te bezwaarlijk en te omslachtig om op te gaan naar Jeruzalem, en daar uw godsdienst te verrichten, zoals de Wet voorschrijft (Deuteronomium 12: 4vv.), maar het is ook niet nodig de Heere op zo’n verwijderde plaats te gaan vereren, ziedaar uw goden, o Israël! die u uit Egypte gebracht hebben; in deze beide beelden heb ik u de God, die u uit het diensthuis van Egypte verlost en tot Zijn volk gemaakt heeft, nader gebracht, dat gij hem hier in uw land dienen kunt, en wat ik u daarin aanbied is eigenlijk niets nieuws, maar slechts een herstel van dat, wat reeds de vader van uw priesterschap het volk tot een zichtbare voorstelling van de Heere gegeven heeft 1) (Exodus 32: 4).
Voor de wereld is Jerobeam in deze overlegging onschuldig, want wereldse lieden houden het ervoor, dat de godsdienst vastgesteld, gehouden en veranderd kan worden, naarmate dit het land, de onderdanen of het algemeen welzijn nuttig kan zijn of ten goede kan komen, en dat niet de regering om de godsdienst, maar de godsdienst omwille van de regering ingesteld is. Daarom meent men, heeft Jerobeam hier goed en wijs gehandeld. Maar God zegt daarentegen: “Alles wat Ik u geboden heb zult gij houden, gij zult niet daarbij, noch daaraf doen” (Deuteronomium 12: 32). Want de godzaligheid moet zich niet schikken naar het algemene welzijn, maar het algemene welzijn moet geregeld worden naar de godzaligheid. Elke regering die niet omwille van God, of van het zielenheil, maar tot bereiken van politieke en in het algemeen wereldse doeleinden, zich van godsdienstige middelen bedient en in het geloof van het volk ingrijpt, maakt zich aan de zonde van Jerobeam schuldig en laadt een zware verantwoording op zich.
De goddeloze mens is, wat hij voor zijn God doen zal, weldra te veel. In zaken van het geloof en de Godsverering moet men niet naar datgene, wat aan de gemakzucht van de grote massa voldoet of haar aangenaam is, vragen, maar alleen naar datgene, wat God in Zijn Woord voorschrijft. Wie aan de zinnelijkheid en ruwheid van de massa tegemoetkomen en het ongeloof of bijgeloof in de hand werken, behoren tot de valse profeten, die de weg tot het leven breed maken. Leringen en instellingen, die van het geopenbaarde Woord van God afwijken worden dikwijls als vooruitgang en met de tijd meegaand aangeprezen, terwijl zij in waarheid achteruitgang en verderfelijke nieuwigheden zijn. Wij bidden in het Christendom niet meer hout en steen en gouden kalveren aan en menen daarom hoog boven het duistere heidendom verheven te zijn, maar wij stellen nochtans zo dikwijls het schepsel boven de Schepper en zijn daaraan met onze gehele ziel, met al onze zinnen en bemoeiingen verbonden. Zie, de dingen en personen, die gij met uw gehele hart en met alle krachten bemint, dat zijn uw afgoden.
Wat is de grote zonde, die Jerobeam begaan heeft? Het ingrijpen in de bestellingen van God, het veranderen naar menselijke inzichten van de belijdenis, die de Heere God aan Israël had gegeven. In het tweede Gebod had de Heere God aan Israël doen verstaan de wijze, waarop Hij vereerd wilde worden. En dit was op geestelijk gebied. Niet op zinnelijke wijze, maar op geestelijke wijze. Niet met, maar zonder een symbool. Opdat Israël er niet toe verleid zou worden, om straks het symbool tot een afgod, tot een ander god te maken. En nu verleidt Jerobeam uit politiek oogmerk het volk, om de belijdenis van het geestelijk Wezen te veranderen in de belijdenis van een zichtbaar wezen. Hier viel de zuivere en ware Godsdienst. En dit was zo’n grote zonde in de ogen van God, dat zelfs van Jehu, die alle afgoderij had uitgeroeid, nog dit gezegd wordt, dat hij wandelde in de zonde van Jerobeam, de zoon van Nebat. Een waarschuwing voor onze tijd.
En hij zette, omdat de volkshoofden zijn plannen goedkeurden, het ene, een van de beide kalveren te Beth-el, 1) dat van oudsher gewijde huis van God (Genesis 28: 10vv.; 35: 7 (Richteren 20: 18, 26vv.; 1 Samuel 10: 3) en het andere stelde hij te Dan, waar in oude tijden evenzeer reeds een eigen godsdienst bestaan had (Richteren 18: 30vv.).
Van een hoogte bij Beth-el heeft men een vrij uitzicht op Jeruzalem; deze hoogte is wel waarschijnlijk diegene, waarop Jerobeam het afgodische beeld oprichtte, en zijn zonde schreit des te meer ten hemel, omdat al het volk, dat kwam om op dit altaar te roken, in de verte het huis zag, waar zoals zij wisten, de heerlijkheid van de Heere woonde. In deze tijd toen Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël zondigen deed, valt naar onze mening de vervaardiging van de 78ste Psalm. Wat hem zelf betreft, zo was Jerobeam, hoewel ook niet van een uitstekend geslacht evenals Saul, die naar zijn afkomst tot de geringsten van het volk behoorde, een rijkbegaafd en vlug man (1 Samuel 9: 21 en “1 Samuel 10: 27), en hij had evenzo als deze zijn land tot grote zegen kunnen zijn (1 Samuel 12: 14); nadat echter het drijven en jagen van het volk zelf, hem evenzo, als een Saul, trots gemaakt had en het reeds zich bij deze gelegenheid liet denken, dat David’s zin de zijne niet was ( 11: 40; 12: 2vv.), en hij niet van plan was om in strenge onderwerping aan de Heere en het woord van Zijn mond zich te laten leiden, zoals het de Heere wilde, maar hij veeleer zichzelf leiden wilde, zoals zijn voorbeeld Saul (1 Samuel 13: 8vv.; 14: 24; 15: 9 was ook zijn einde zoals dat van Saul, hij werd verworpen. Maar zijn invloed had veel bozer gevolgen op het rijk, dan die van Saul, want terwijl deze na zijn verwerping terstond een David ter zijde gesteld werd, die een tegenwicht vormen moest, opdat het volk niet met hem in het verderf zou storten, maar na hem des te hoger verheven en des te rijker gezegend zou kunnen worden, zo heeft Jerobeam daarentegen het noordelijk rijk het stempel van zijn bestaan en van zijn verwerping, terstond bij het begin van zijn regering zo diep ingedrukt en zo scherp ingeënt, dat de geschiedenis van de tien stammen onder hem en zijn opvolgers niets anders is dan een verdere ontwikkeling van het afgodische bestaan en een eindelijke ondergang, waaruit geen herstel meer mogelijk is.
Anders is het gelegen met het zuidelijke rijk; dit is getreden in de erfenis van David’s zin en David’s belofte; zijn geschiedenis draagt als kenmerkend teken de vervulling van dat woord, dat van David met betrekking tot zijn nageslacht gegeven was (2 Samuel 7: 14vv.): “Ik zal hem zijn tot een vader en hij zal Mij zijn tot een zoon, die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen; maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul.” Het is waar, naar de uiterlijke schijn te oordelen, is het, alsof de afgodendienst in het rijk van Juda erger geweest is, dan in het rijk van Israël, want in het laatste vinden wij de eigenlijk gezegde afgodendienst slechts onder Achab en zijn zoon Ahazia, van de overige koningen vóór en na wordt gezegd, dat zij in de wegen van Jerobeam wandelen en zijn zonde, de kalverdienst, niet lieten varen. In het rijk van Juda daarentegen waren van de twintig koningen slechts zes de Heere trouw (Asa, Josafat, Uzzia, Jotham, Hiskia en Josia) twee anderen (Joas en Amasia) slechts gedurende de eerste tijd van hun regering, onder de anderen daarentegen diende men openlijk de afgoden, richtte Baälszuilen en Aschera-beelden op, op elke hoge heuvel en onder elke groene boom, onderhield schandjongens in het land en deed alle gruwelen van de voor Israël uitgeroeide volkeren. Nochtans was deze grove afgodendienst niet zo gevaarlijk en onuitroeibaar als die verfijnde, die in het rijk van Israël heerste; want terwijl Jerobeams beeldendienst de kloof tussen de waarachtige verering de HEERE en de dienst van de natuurgoden zover dempte, dat men zich wijs kon maken, dat de kalverdienst in de grond niets anders was dan de dienst van de HEERE, zoals het voorbeeld bewijst van Joram (Achabs tweede zoon; 2 Koningen 3vv. 896-83 v. Chr.) en zo de terugkeer tot de reine en onvervalste godsdienst bijna onmogelijk gemaakt werd, aanschouwt men in het rijk van Juda een steeds vernieuwende en zegenrijke reactie (tegenwerking) tegen de vreemde goden. Reeds toen werd vervuld, wat later Jezus de Farizeeën en Schriftgeleerden tegenwierp: “de tollenaren en hoeren zullen voorgaan in het koninkrijk Gods.” Men moet zich wachten, dat men niet door de uitspraken van sommige leerboeken over de Bijbelse geschiedenis, die de hoogtendienst van het rijk van Israël door het ontbreken van de door God bevolenen dienst in de tempel proberen te sparen, en haar soms billijken als een vernieuwing van het patriarchale standpunt, dat men zich niet, zeg ik, daardoor laat misleiden, anders begrijpt men niet, waarom de Heere de tien stammen in de Assyrische ballingschap verkwijnen liet en als een wilde loot van de boom van Zijn rijk afsneed, Juda daarentegen uit de Babylonische gevangenschap terugvoerde om met de “Joden” de nakomelingen van deze stam, Zijn werk voort te zetten. Evenals Israël’s afval van het Davidische koningshuis de vrucht was van een boze lust naar een minder theocratisch en meer heidens koningschap, zo was de invoering van de hoogtendienst de vrucht van een ingewortelde, uit ongoddelijke vleselijke zin voortkomende afkeer van de strenge en uitsluitende dienst aan de HEERE. Elke vergoeding, die Jerobeam zijn volk voor het optrekken naar Jeruzalem probeerde te geven, was tevens een tegenstelling.
En deze zaak werd tot zonde, werd Jerobeam tot een zware schuld, zodat zijn naam als een geschandvlekte daar staat in de heilige geschiedenis ( 15: 16,30,34; 16: 2vv.; 26), en als het tegenbeeld van de naam van David ( 3: 14; 9: 4; 11: 38; 15: 112 (Koningen 14: 3; 18: 3; 22: 2), want het volk ging heen voor één van beide beelden, of voor dat van Beth-el of voor dat van Dan om zijn godsdienst te verrichten, en werd zo door het gehele land, van het uiterste zuiden in Beth-el, tot Dan tot 1) in het uiterste noorden, Gods gebod, dat niet slechts andere plaatsen tot Godsverering, dan de door de Heere verkorene, uitsloot, maar ook elke verering van de HEERE onder enig beeld of gelijkenis op het strengste verbood (Deuteronomium 12: 4vv. Exodus 20: 4vv.), goddelooslijk overtreden.
De betekenis is, dat één van beide beelden vereerd werd door het volk, terwijl dit afhing van de plaats, waar men woonde. En waar er bijgevoegd wordt tot Dan toe, daarmee wordt verklaard, dat het gehele volk van de tien stammen van de Heere afweek.
En hij maakte op beide plaatsen, waar hij de gouden kalveren gesteld had, een huis van de hoogten ter vervanging van de tempel te Jeruzalem, evenals de twee stierenbeelden in deze huizen van de hoogten een vergoeding moesten zijn voor de Ark van het Verbond met het teken van de aanwezigheid van God, de Shechina (1Ki 8: 12); en a) hij maakte priesters van de geringsten van het volk 1) (woordelijk van de laatsten van het volk; wat ook luiden kan van allerlei lieden uit het volk (Genesis 19: 4); die niet waren uit de zonen van Levi.2)
Numeri 3: 10; 1 Koningen 13: 33; 2 Koningen 17: 32
In het Hebreeuws Miktsoth haäm. Letterlijk: uit de laatsten, uit de einden van het volk, d.i. uit het gehele volk, zonder onderscheid van stam. Jerobeam wilde alle stammen bevredigen en zette daarmee het gebod opzij dat de priesters moesten zijn uit de stam van Levi.
Jerobeam meende zich des te eerder aan de bepalingen van de wet van God in Exodus 28: 1vv. (Numeri 17: 1vv.) te kunnen onttrekken, omdat de zonen van Levi zich niet lenen mochten om de priesterdienst bij de gouden kalveren te verrichten en naar het rijk van Juda uitweken (2 Kronieken 11: 13vv.).
Wij hebben onder het Nieuwe Verbond wel geen Levitisch priesterdom meer, maar toch een herders- en predikambt, dat de Heere heeft ingesteld (Efe. 4: 11), opdat het lichaam van Christus daardoor opgebouwd worde. Wie dit ambt geringacht en meent, dat ieder zonder onderscheid en zonder daartoe een geordende roeping te bezitten, daartoe het recht heeft, maakt zich schuldig aan de zonde van Jerobeam: “Niemand,” zegt de Augsburgse Confessie, “zal in de kerk openlijk leren of prediken, of de Sacramenten bedienen zonder daartoe geordend te zijn.”.
En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, 1) van de maand, die hij uit zijn hart verdacht had, zo maakte hij de kinderen van Israël een feest, dat de plaats vervangen moest van het wettelijke Loofhuttenfeest; en offerde op dat altaar rokende, 2) bracht bij de stichting en eerste offerplechtigheid van dit feest voor zichzelf offers, welk vlees evenzo op het altaar verbrand zou worden, als Salomo bij de inwijding van de door hem gebouwde tempel, talrijke offers voor zich en zijn volk had aangebracht ( 8: 6vv.).
Het voorwendsel voor deze willekeurige verandering van de wettelijke bepaling vond hij waarschijnlijk hierin, dat in de noordelijke delen van het rijk de gewassen omstreeks een maand later rijp waren, dan in het zuidelijke Juda; tevens echter schijnt het, dat hij dit nationale feest met zijn eigen persoon in verbinding heeft willen brengen, omdat wellicht in de achtste maand zijn troonsbestijging in Israël had plaatsgevonden (vs. 20). Omdat deze zo waarschijnlijk in november 975 had plaats gegrepen, heeft de hier beschreven gebeurtenis wellicht plaats in nov. 973 v. Chr.
De eigenlijke grond lag in de bedoeling, de scheiding op godsdienstig terrein zo volkomen mogelijk te maken, ofschoon hij de dag behield, de vijftiende, om de zwakheid van hen, die aanstoot namen aan zijn nieuwigheden. Want dat velen, ook buiten de stam van Levi, over deze instellingen, die zo zeer met de wet in strijd weren, zeer ontevreden waren, dit kan men opmaken uit de aantekening in 2 Kronieken 11: 16 dat er uit alle stammen naar Jeruzalem gingen, om de God van de vaderen daar te offeren.
Deze zin maakt de overgang uit tot de geschiedenis in de volgende afdeling gemeld, en past beter bij 13. De vertaling zou dan zo zijn: “Als nu juist de offeranden aangestoken zouden worden, ziet, een man Gods kwam uit Juda enz.”.
In zijn dagen, de dagen van Achab, gekenmerkt door zijn goddeloosheid, bouwde zo recht duidelijk daarmee aantonende hoever de verachting van God en Zijn woord in Israël reeds gegaan was, maar ook zozeer ten teken, dat de Heere zich niet laat bespotten, Hiël, de Betheliet ( 12: 29) een bouwmeester, op bevel van de koning, die de overtocht over de Jordaan door een vesting dekken wilde, het aan de zuidoostelijke grens van het rijk gelegen Jericho, behorende aan de stam van Benjamin, dat door God zo scherp vervloekt was (Jos 6: 26). Ook trof hem, die zich voor zo’n zondig werk vinden liet, de rechtvaardige straf, tevens een ernstige waarschuwing voor Achab, die te zijner tijd evenzeer een zwaar oordeel treffen zou, indien hij niet naliet de Heere te vertoornen: Op Abiram, zijn eerstgeboren zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub zijn jongste zoon heeft hij haar poorten gesteld, tussen de aanvang (grondvesting) en de voleinding van de bouw (het stellen van de poorten) stierven ook zijn overige kinderen, naar het woord van de HEERE, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Hun gesproken had. 1)
Deze geschiedenis staat in het nauwste verband met de tijd, waarin zij voorviel. Uitdrukkelijk had God, de Heere, gewaarschuwd tegen het opbouwen van Jericho tot een vesting en deze daad met zware straffen bedreigd. Zo was echter het ontzag voor de Heere God verdwenen en de kennis van Gods Naam verloren gegaan, dat een Achab, de waarschuwingen van God verachtende, aan Hiël opdracht gaf, om te bouwen, en deze laatste zich niet verzette tegen zo’n last en evenmin ophield, toen de Heere in de dood van zijn oudsten, Zijn oordelen begon uit te voeren. Ook aan hem werd het bevestigd, dat niemand zich tegen God verhard heeft en vrede heeft gehad. Vs. 19-21. Van de Horeb naar zijn vaderland terugkerende roept Elia, overeenkomstig de hem gegeven goddelijke aanwijzing, bij Abel-Mehola in de stam Issaschar, de op het veld met 11 knechten van zijn vader ploegende Elisa als zijn helper en opvolger en deze, nadat hij zijn volk nog een afscheidsmaal gegeven heeft, volgt de profeet, gewillig zijn ouders en het rijke vaderlijke erf verlatende.
Zo ging hij, door de Godsopenbaring op Horeb van de drukkende somberheid, die tot hiertoe op zijn ziel gelegen had, ontheven, en nu weer vrolijk en getroost van daar door de woestijn terug naar het land Israël, en vond in de omstreken van Abel-Mehola, aan de Jordaan, 2 mijl beneden Bethsan, Elisa, de zoon van Safat; deze ploegde op de akker 1) van zijn vader met twaalf juk runderen (paar runderen), voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; 2) en Elia ging van de weg over tot hem op de akker en wierp zijn profetenmantel op hem, daarmee hem zinnebeeldig tot het profetenambt roepende.
Het was thans een groot genot buiten op de akker te zijn en achter de ploeg te gaan, van alle zijden blonk de zegen van God tegemoet en het aardrijk, dat gedurende drie en een half jaar in een dorre woestenij was veranderd, scheen thans na de heerlijke regenstromen nauwelijks de zaaitijd af te kunnen wachten om de nieuw geschapen krachten in halm en aren te kunnen overgieten. Hoe dikwijls hebben misschien de akkerlieden, wanneer zij vóór zich de vette, dampende kluiten zagen opheffen met elkaar van de grote wonderen gesproken, waarmee de HEERE in de laatste tijd hun vaderland bezocht had! Hoe dikwijls was misschien onder hen de Elia genoemd en met ophef van het vuurteken op de Karmel gesproken. Want waarschijnlijk waren zij allen ooggetuigen van die grootse gebeurtenis geweest, en dat zij gezamenlijk mede tot de 7000 behoorden, die voor de Sidonische afgod hun knieën niet bogen, is nauwelijks aan twijfel onderhevig.
Elia trad als een helder lichtende gestalte uit het diepste duister te voorschijn; wij weten niet van waar hij afstamde, wie zijn ouders waren, waar hij zijn jeugd doorbracht, hoe hij voor zijn verheven ambt gevormd werd, zijn eerste optreden doet hem terstond als een meester onder de knechten van de Heere kennen. Anders vinden wij het bij Elisa; wij horen de naam van zijn vader en diens woonplaats, wij vernemen onder welke omstandigheden de roeping van de Heere tot hem kwam, en hoe hij tot het profetenambt werd opgeleid.
Toen Elia tot Elisa ging en zijn mantel op hem wierp, zonder een woord te spreken, dacht hij dat Elisa deze betekenisvolle handeling reeds verstaan zou, en kon uit diens gedrag terstond besluiten, hoe hij hem te beschouwen had, hoe veel of hoe weinig hij op hem rekenen kon, hoe weinig of hoe geheel Elisa in zijn geest en zin zou intreden.
Een ander zou in zijn plaats lang op de inval genomen zijn, dat hij te goed was voor de ploeg en voor een hogere kring geboren, als voor die van een eenvoudige landman; hij mag de mensheid zijn talenten niet onthouden, hij moet studeren en dan vooruit op het toneel van het publieke leven, om de wereld te verlichten en ze te regeren. Bedenk, die lichten hebben de mooiste en zuiverste glans, die niet weten, dat zij schitteren, en die Godsbloemen verspreiden de heerlijkste reuk om zich heen, die met het heerlijke plaatsje dat de Heere hen aangewezen heeft, weltevreden op stille gronden verborgen bloeien. Uit het roepen van Elisa, vanachter de ploeg tot profeet, volgt niet dat ieder van achter de ploeg of uit een ander gewoon ambt zonder gaven en zonder veel te weten het profetenberoep aanvaarden kan. De mensen menen dikwijls dat de Heere hen tot een andere, hogere plaats roept, terwijl het toch slechts hun ijdelheid en de overschatting van hun gaven en krachten is, die hen drijft. Heeft God u tot iets geroepen, zo zal Hij u ook de wegen openen en de middelen geven, die daartoe bevorderlijk zijn.
En hij, Elisa, in de handeling van de profeet een roeping van God erkennende, en gewoon daar, waar een bepaalde wil van de Heere hem tevoren kwam, die ook onvoorwaardelijk en zonder voorafgaande berading met vlees en bloed (Gal. 1: 16) op te volgen, verliet de runderen en liep Elia, die terstond zijn weg vervolgd had, na en zei: Dat ik toch eerst nog eenmaal naar mijn ouderlijk huis ga en mijn vader en mijn moeder kus ten afscheid; daarna zal ik U gewillig navolgen. En hij, Elia, wel wetende, dat Elisa’s woorden volstrekt geen voorwendsel waren om zich aan de roeping te onttrekken (vgl. (Luk. 9: 61vv.),maar tegelijk hem een geestelijke drangreden gevende, waaraan hij zich niet zo makkelijk onttrekken kon om hem het afscheid van huis gemakkelijker te maken, zei tot hem: Ga, en keer weldra terug, want wat heb ik U gedaan? 1) namelijk iets, dat de Heere zelf mij bevolen heeft, en wanneer gij dit indachtig zijt, dat gij met een goddelijke roeping te doen hebt, en voortaan niet meer uzelf en uw ouders toebehoort, maar een andere, dan zal deze gang naar huis u niet tot een net en valstrik worden.
Elia weet, hoe hij met Elisa handelen moet. Dit antwoord staat in verband met de tijden van afval en hinkerij, waarin Israël verkeerde, maar ook met de hoge en moeilijke roeping van de profeet. Elisa gaat een moeilijke tijd tegemoet, een tijd, waarin het gelden zou, dat die achterom ziet, niet bekwaam is tot het koninkrijk van God. Wellicht vreesde de profeet, dat zijn ouders Elisa zouden afhouden of hem nog moeilijkheden in de weg zouden leggen. Daarom eist hij beslistheid, een volgen zonder enige aarzeling, een zich losmaken van alle aardse banden, om alleen te vragen, wat de Heere wil. Elisa heeft de wenk begrepen en als bewijs daarvan, slacht hij straks niet alleen de runderen, maar verbrandt ook het houten ploeggereedschap. Daarmee geeft hij zich geheel aan de dienst van God, en verbreekt alle banden, die hem nog aan zijn vroeger bedrijf bonden.
Zo keerde hij, na verlof, weer van achter hem af, 1) om op plechtige wijze afscheid te nemen van het ouderlijke huis en zijn tegenwoordig beroep, en nam een juk runderen, datzelfde, waarmee hij voorheen geploegd had, en slachtte het thuis in Abel-Mehola, tot een dankoffer, en met het gereedschap van de runderen, het houten ploeggereedschap, dat hij tot bereiding van de offermaaltijd gebruikte, kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf van zijn plaats, dat in zijn vrienden en bekenden, en metgezellen in zijn beroep, en zij aten. Daarna stond hij op en volgde Elia na, en diende hem voortaan als zijn jongere. 2)
Een onzichtbare hand raakte Elisa’s hart en neigde het op een onbegrijpelijke wijze door een verborgen kracht, zonder enige uiterlijke beweegreden tot het verlaten van de landbouw, om een discipel en een dienaar te worden en zijn medegenoot in de verdrukking. Dus zullen op de dag van de heertocht van de Heere degenen, die Hij geschikt heeft tot Zijn koninkrijk, zich bij uitstek gewillig en blijmoedig aan Hem onderwerpen (Psalm 110: 3).
Gods volk is geen geprest, maar een vrijwillig volk.
Menigeen hoort de woorden van de goede boodschap met vreugde…en ziet het kleinood, dat zij voorhoudt. Er zijn ogenblikken en uren dat hij het levendig voelt, dat het de mens niet zou baten, wanneer hij de gehele wereld gewon en schade leed aan zichzelf; dat echter in Christus Jezus leven en volle zaligheid is…en in plaats van een goed snel, vast besluit te nemen, zich op staande voet, zonder nevenbedoeling, onvoorwaardelijk op de genadevolle aanbieding van de Heere over te geven, gaat hij weer onder de zorgen en neigingen van deze wereld daarheen, wendt de blik van de Onzichtbare en Eeuwige weer af; het gewillige hart wordt weer onwillig en zoekt slechts een voorwendsel, hoe het deze of gene verhindering rechtvaardigen kan, hoe het dit of dat, wat door de enge poort van het hemelrijk niet kan gaan, met eer behouden bedingen kan, en zo komt het bij hem nooit tot een algehele getrouwheid en opoffering (Vergelijk Joh. 12: 26).
Tussen de hier en de in het volgende hoofdstuk vertelde gebeurtenis ligt een tijdruimte van omstreeks 5 jaar. Elia vertoonde zich aan koning Achab pas na 8 jaar weer, als hij met hem te handelen had wegens de aan Naboth begane misdaad ( 21: 17vv.); desalniettemin heeft de profeet deze tijd volstrekt niet in een stil, bespiegelend leven doorgebracht, maar zoals uit 2 Koningen 2: 1vv. blijkt door herstel van de door Samuel gestichte profetenscholen (1 Samuel 7: 2) zich zeer werkzaam en rijk aan invloed betoond om het ontwaakte nieuwe leven, dat door zijn vernietigende slag, aan de Baälsdienst toegebracht, bij het volk opgewekt was te bevorderen, en aan de van het koningshuis uitgaande bemoeiingen tot instandhouding van de kalver- en Baäldienst een gesloten Phalanx (keurbende) tegenover te stellen. Terwijl de in de geschiedenis van David voorkomende profeet Gad (1 Samuel 22: 5) naar alle vermoeden tot de profetenvereniging in Rama behoorde, treffen wij juist van de regeringstijd van deze koning af geen spoor meer aan van dergelijke verenigingen; veeleer had de beoefening van de dichtkunst toen een plaats gevonden in David’s bemoeiingen voor de openbare godsdienst (1 Kronieken 26: 1,5), en de profeten en zieners in de bijzondere zin van het woord nemen zo’n plaats ten opzichte van de koning in, dat men met enig recht van “hofprofeten” spreken kan: maar men mag dit niet als een afhankelijke stelling op welke wijze ook opvatten, zodat het profetendom zijn wachters- en bestraffingsambt tegenover de koning prijs zou hebben gegeven. Onder Salomo, die met medewerking van zijn opvoeder Nathan tot de troon verheven was, schijnt dat weliswaar voor een langere tijd op de achtergrond getreden te zijn; het verhief zich echter tegen het einde van zijn regering terstond weer des te dreigender in Ahia van Silo, toen de koning tot afval van de HEERE overneigde, en bewees zijn macht ook over het volk in het woord van de profeet Semaja, als het er na de deling van het rijk op aankwam, het ondernemen van Juda tegen de 10 stammen te verhinderen ( 11: 11vv. 12: 12vv.). In het rijk van Juda nu, waar het ware heiligdom met de wettelijke Godsverering en de rechtmatige priesterschap zijn zetel had en de troon in geregelde erfopvolging aan een dynastie (vorstenhuis) toebehoorde, die door de op haar rustende beloften geheiligd was, en waaruit meerdere vrome, godgezinde heersers voortkwamen, konden de profeten bij tijd en wijle in alle eendracht met de priesters en kortingen samenwerken, en in het bijzonder bij de herhaald intredende godsdienstige reformaties naast de koningen zich tot het geestelijke en wetenschappelijke bepalen; zij hadden aan de bestaande theocratische inrichtingen houvast genoeg, om buitengewone steun en de formele vorming van nieuwe profetenverenigingen te kunnen ontberen. Vandaar dat wij altijd slechts enkele profeten zien optreden. Semaja onder Rehabeam (2 Kronieken 11: 2vv.; 12: 5vv.), Azaria, zoon van Oded, en Hanani onder Asa (2 Kronieken 15 en 16), Jehu, zoon van Hanani, Eliëzer en de Leviet Jehazeël onder Josafat (2 Kronieken 19: 2; 20: 14,37). Zacharia onder Joas (2 Kronieken 24: 19vv.) en onder de opvolger van de laatste, onder koning Amazia, twee niet nader aangewezen profeten (2 Kronieken 25: 7vv., 15vv.). Van die tijd af begint dan een nieuwe periode in de ontwikkelingsgeschiedenis van het oudtestamentische profeetschap, waarvan uitvoeriger gesproken zal worden bij 2 Koningen 14: 22. Terwijl nu in Juda, gedurende de eerste 160-170 jaar sinds de scheuring van de beide rijken de werkzaamheid van de profeten in het algemeen slechts een afgezonderde is en bij die van koningen en priesters terugtreedt, zodat b.v. in de commissie, die Josafat ten behoeve van het godsdienstonderwijs onder het volk in het land laat rondreizen, zich geen profeten bevinden (2 Kronieken 17: 7vv.) en ten tijde, dat Athalia beproeft de rol van haar moeder Izebel in het rijk vol te houden, de redding alleen door de hand van de hogepriester gebeurt (2 Kronieken 22: 10-24: 3), zo is daarentegen het hoofdtoneel van de werkzaamheid van de profeten gedurende die tijdruimte het rijk Israël, en beweegt zich de geschiedenis van dat rijk grotendeels om de politiek-godsdienstige strijd van de profeten tegen de afvallige koningen. Deze strijd werd reeds onder Jerobeam te voorschijn geroepen daardoor, dat hij, om zijn troon te bevestigen, de staatkundige scheiding van de stammen ook tot een godsdienstige maakte en afzonderlijke heiligdommen voor de HEERE met afgodische beeldendienst aan de beide grenzen van zijn rijk oprichtte. Van de priesters en Levieten en andere burgers, die aan zo’n afval van het wettige heiligdom geen deel mochten hebben, had hij zich slim weten te ontdoen (2 Kronieken 11: 13vv.). En enkele profeten, die nog in het land waren, hebben wellicht zoals uit 13: 11vv. kan opgemaakt worden, bij de invoering van zijn nieuwigheden gezwegen, en zich hiermee gerustgesteld, dat toch de dienst van de HEERE nog altijd de eigenlijke staatsgodsdienst was, en de nieuwe vorm daarvan, de kalverdienst, nog menige oude wettelijke instelling bewaard had; ja, deze kalverdienst had zelfs haar eigen profeten, die haar voorstonden en haar in de ogen van het volk de goddelijke wijding proberen te verschaffen ( 22: 6vv.). Aanstonds daarop echter trad de man Gods uit Juda (1 Koningen 13: 1vv.) op als wachter van de theocratie, en verheft zich als wreker van de beledigde Majesteit van de HEERE en van Zijn gebod; aan zijn zijde stond, door zijn gewelddadige dood tot nieuwe geloofsmoed opgewekt, de oude profeet uit Beth-el ( 13: 31vv.), en dezelfde Ahia van Silo, die Jerobeam zijn verheffing had verkondigd, profeteerde in die dagen, toen hij van ouderdom blind geworden was, hem ook de nabij zijnde uitroeiing van zijn huis ( 14: 1vv.). Eveneens die profeet uit Juda, die Jehu, de zoon van Hanani, wiens naam wij reeds noemden onder de profeten van dit rijk ( 16: 1,7), spreekt de vloek uit tegen Baësa, de stichter van de tweede dynastie. Als nu met de regering van Omri en zijn zoon Achab in de godsdienstige toestand van het rijk van de tien stammen een grote schrede op de baan van de achteruitgang gedaan wordt, in zoverre als de verering van de HEERE voortaan geen staatsgodsdienst meer bleef, maar in haar plaats de Phoenicische Baäl- en Ascheradienst tot openbare en algemene godsdienst gemaakt zou worden, zodat ondertussen het volk een lijdende houding aannam en op twee gedachten hinkte, de nog aanwezige profeten van de Heere bloedig vervolgd werden, en zij, die aan de vervolging ontkwamen, zich in holen verborgen, dan onderneemt Elia de Thisbieter het, die nog alleen op het toneel is, met één slag het bolwerk van de afgodendienst omver te werpen; en dat zijn werk niet vruchteloos gebleven is, zoals hij meent, bewijst niet alleen de menigte van de profetenzonen, die, als hij na zijn terugkeer van de Horeb de oude profetenscholen weer herstelt, zich om hem verzamelen (1 Koningen 2: 1vv.), maar ook de omstandigheid, dat in de volgende tijd profeten ongedeerd in Samaria zich kunnen ophouden, en openlijk met de koning verkeren, bij wie de gebeurtenis op Karmel naar het schijnt niet zonder enige invloed geweest is ( 20: 13,22,28). Dergelijke profetenscholen vinden wij te Gilgal, Beth-el en Jericho. De leden daarvan stonden tot Elia en diens opvolger Elisa, die de instelling verder begunstigde en volmaakte, wel waarschijnlijk in een nog nauwere betrekking dan de kwekelingen van de oude profetenscholen tot Samuel gestaan hadden; tenminste schijnt de steeds op hen toegepaste naam, “de zonen van de profeten” dit aan te duiden, en ook overigens is waarschijnlijk de inrichting van de verenigingen heel anders geweest dan vroeger, want het kwam nu in de eigenlijke zin van het woord meer op scholen aan, op geestelijke seminaries, waarin de kwekelingen als zij nog ongetrouwd waren, dicht bij elkaar woonden en voor hun bijeenkomsten een gemeenschappelijk lokaal hadden dat hun volgens 2 Koningen 4: 30 ook voor het gemeenschappelijk middagmaal diende; de gehuwden daarentegen woonden in kleine huizen in de nabijheid van het seminarie en hadden hun eigen huishouding (2 Koningen 4: 1vv. ).De tucht in deze scholen had voornamelijk tot doel op te leiden tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan het Goddelijke woord, tot algehele overgave aan het van God gegeven bevel ( 20: 35 vv.); ook schijnt er onder hen, omdat het volk van het noordelijke rijk van het wettige heiligdom te Jeruzalem afgescheiden was, een dienst bestaan te hebben, die het gemis van de dienst te Jeruzalem enigszins vergoeden kon, bij welke dienst de vromen op Sabbat en met de Nieuwe manen met hen zich verenigden tot onderlinge stichting (2 Koningen 4: 23). Ja, zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat de vromen in het rijk van de tien stammen de in de Wet voor de Levitische priesters bestemde tienden voor de profeten in die seminaries brachten (2 Koningen 4: 42vv.), omdat de kwekelingen in het algemeen, wat hun onderhoud betreft, bij voorkeur van vrijwillige bijdragen leefden. Het herleven van de Baäl- en Ascheradienst in het rijk was door de juist beschreven inrichting voorkomen; maar tot een doortastende hervorming, zodat ook de kalverdienst zou afgeschaft zijn en de zuivere dienst van de HEERE hersteld, kwam het evenwel niet. Van daar dat juist de staat in die dagen, waarin hij zich in vroeger nooit gekende bloei mocht verheugen, onder Jerobeam II, met zijn koningen rijp werd voor het strafgericht, en wel in zo’n mate, dat de profeten van nu aan uitsluitend met dit gericht bezig zijn, en in Israël, evenals in Juda, voortaan hun geschriften in de engere zin of de vervaardiging van de eigenlijke Boeken van de Profeten een aanvang neemt (2Ki 14: 29). Nog een andere gebeurtenis moeten wij hier vermelden, die eveneens voorvalt in de tijd tussen de voorgaande en de volgende afdeling; het is de verzwagering van het koningshuis van Juda met het koningshuis van Israël; naar onze berekening viel het huwelijk van Joram, de zoon van Josafat met Athalia, de dochter van Achab en Izebel, voor in het jaar 905 v. Chr. (2 Kronieken 18: 1). Juist de omkering van Achab van de weg van de grove afgoderij kon de vrome Josafat, naar het ons toeschijnt, bewegen in plaats van de hiertoe aanwezige staat van oorlog met betrekking tot het noordelijke rijk een toestand van vrede in het leven te roepen. Of hij hoopte door die verbintenis in de toekomst eens het rijk van de tien stammen op de weg van vrede weer aan het huis van David te brengen, kunnen wij niet zeggen; was het inderdaad zijn verwachting, dan heeft hij zich, zoals de verdere loop van de geschiedenis leren zal, zeer bedrogen. Wel echter heeft een andere hoop hem niet geheel teleurgesteld, namelijk deze, dat hij de zwakke Achab een tegenwicht zou zijn tegen de invloed van diens goddeloze vrouw; want Achab toont zich werkelijk een beter man dan in de eerste twaalf jaren van zijn regering.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel