Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een iegelijkG3956, die gelooftG4100, datG3754 JezusG2424 isG1510 de ChristusG5547, die is uitG1537 GodG2316 geborenG1080; enG2532 een iegelijkG3956, die liefheeftG25 Dengene, Die geborenG1080 heeft, die heeft ookG2532 liefG25 dengene, die uitG1537 HemG846 geborenG1080 is.
Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.
KJV
Whosoever1
believeth3
that4
Jesus5
is
the Christ8
is born12
of9
God:11
and13
every one14
that loveth16
him that begat18
loveth19
him also21
that is begotten23
of24
him.25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Hieraan kennenG1097 wij, dat wij de kinderenG5043 GodsG2316 liefhebbenG25, wanneer wij GodG2316 liefhebbenG25, enG2532 Zijn gebodenG1785 bewarenG5083.
Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.
KJV
By1
this
we know3
that4
we love5
the children7
of God,9
when10
we love13
God,12
and14
keep18
his17
commandments.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 ditG3778 is de liefdeG26 GodsG2316, dat wij Zijn gebodenG1785 bewarenG5083; enG2532 Zijn gebodenG1785 zijn nietG3756 zwaarG926.
Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
KJV
For2
this1
is
the love5
of God,7
that8
we keep12
his11
commandments:10
and13
his16
commandments15
are
not18
grievous.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG3754 alG3956 wat uitG1537 GodG2316 geborenG1080 is, overwintG3528 de wereldG2889; enG2532 ditG3778 isG1510 de overwinningG3529, die de wereldG2889 overwintG3528, namelijk ons geloofG4102.
Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
KJV
For1
whatsoever2
is born4
of5
God7
overcometh8
the world:10
and11
this12
is
the victory15
that overcometh17
the world,19
even our
faith.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WieG5101 is het, die de wereldG2889 overwintG3528, dan die gelooftG4100, datG3754 JezusG2424 isG1510 de ZoonG5207 van GodG2316?
Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
KJV
Who1
is
he that overcometh4
the world,6
but
he that believeth10
that11
Jesus12
is
the Son15
of God?17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Deze is het, Die gekomenG2064 isG1510 door waterG5204 enG2532 bloedG129, namelijk JezusG2424, de ChristusG5547; nietG3756 door het waterG5204 alleen, maarG235 door het waterG5204 enG2532 het bloedG129. EnG2532 de GeestG4151 isG1510 het, Die getuigtG3140, dat de GeestG4151 de waarheidG225 isG1510.
Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.
KJV
This1
is
he that came4
by5
water6
and7
blood,8
even Jesus9
Christ;11
not12
by13
water15
only,16
but17
by18
water20
and21
blood.23
And24
it is
the Spirit26
that beareth witness,29
because30
the Spirit32
is
truth.35
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG3754 DrieG5140 zijnG1510 er, Die getuigenG3140 inG1722 den hemelG3772, de VaderG3962, het WoordG3056 enG2532 de HeiligeG40 GeestG4151; enG2532 dezeG3778 DrieG5140 zijnG1510 EenG1520.
Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
KJV
For1
there are
three2
that bear record5
in6
heaven,8
the Father,10
the Word,12
and13
the Holy15
Ghost:16
and17
these18
three20
are
one.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 drieG5140 zijnG1510 er, die getuigenG3140 op de aardeG1093, de GeestG4151, enG2532 het waterG5204, enG2532 het bloedG129; enG2532 die drieG5140 zijnG1510 totG1519 eenG1520.
En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een.
KJV
And1
there are
three2
that bear witness5
in6
earth,8
the Spirit,10
and11
the water,13
and14
the blood:16
and17
these three19
agree
in20
one.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
IndienG1487 wij de getuigenisG3141 der mensenG444 aannemenG2983, de getuigenisG3141 van GodG2316 is meerderG3187; wantG3754 ditG3778 isG1510 de getuigenisG3141 van GodG2316, welkeG3739 HijG846 van Zijn ZoonG5207 getuigdG3140 heeft.
Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.
KJV
If1
we receive6
the witness3
of men,5
the witness8
of God10
is
greater:
for13
this14
is
the witness17
of God19
which20
he hath testified21
of22
his25
Son.24
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Die in den ZoonG5207 van GodG2316 gelooftG4100, heeftG2192 de getuigenisG3141 in zichzelvenG1438; die GodG2316 niet gelooftG4100, heeft HemG846 totG1519 een leugenaarG5583 gemaaktG4160, dewijlG3754 hijG846 niet geloofdG4100 heeft de getuigenisG3141, dieG3739 GodG2316 getuigdG3140 heeft vanG4012 Zijn ZoonG5207.
Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
KJV
He that believeth2
on3
the Son5
of God7
hath8
the witness10
in11
himself:12
he that believeth15
not14
God17
hath made19
him20
a liar;18
because21
he believeth23
not22
the record26
that27
God30
gave28
of31
his34
Son.33
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 dit is de getuigenisG3141, namelijk datG3754 ons GodG2316 het eeuwigeG166 levenG2222 gegevenG1325 heeft; enG2532 ditzelveG3778 levenG2222 is inG1722 Zijn ZoonG5207.
En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
KJV
And1
this2
is
the record,5
that6
God12
hath given9
to us
eternal8
life,7
and13
this14
life16
is
in17
his20
Son.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Die den ZoonG5207 heeftG2192, die heeftG2192 het levenG2222; die den ZoonG5207 van GodG2316 niet heeft, die heeft het levenG2222 niet.
Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.
KJV
He that hath2
the Son4
hath5
life;7
and he that hath10
not9
the Son12
of God14
hath18
not17
life.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Deze dingen heb ik uG4771 geschrevenG1125, die gelooftG4100 inG1519 den NaamG3686 des ZoonsG5207 van GodG2316; opdatG2443 gij weetG1492, dat gij het eeuwigeG166 levenG2222 hebtG2192, enG2532 opdatG2443 gij gelooftG4100 inG1519 den NaamG3686 des ZoonsG5207 van GodG2316.
Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.
KJV
These things
have I written2
unto you
that believe5
on6
the name8
of the Son10
of God;12
that13
ye may know14
that ye15
have17
eternal18
life,16
and19
that20
ye may believe21
on22
the name24
of the Son26
of God.28
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 ditG3778 isG1510 de vrijmoedigheidG3954, die wij totG4314 HemG846 hebbenG2192, dat zoG1437 wij ietsG5100 biddenG154 naarG2596 Zijn wilG2307, HijG846 ons verhoortG191.
En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
KJV
And1
this2
is
the confidence5
that6
we have7
in8
him,9
that,10
if11
we ask13
any thing12
according14
to his17
will,16
he heareth18
us:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En indienG1437 wij wetenG1492, dat Hij ons verhoortG191, watG3739 wij ook biddenG154, zo wetenG1492 wij, dat wij de bedenG155 verkrijgenG2192, dieG3739 wij van HemG846 gebedenG154 hebben.
En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.
KJV
And1
if2
we know3
that4
he hear5
us,
whatsoever7
we ask,9
we know10
that11
we have12
the petitions14
that15
we desired16
of17
him.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
IndienG1437 iemandG5100 zijn broederG80 zietG3708 zondigenG264 een zondeG266 niet totG4314 den doodG2288, die zal God bidden enG2532 HijG846 zal hem het levenG2222 gevenG1325, dengenen, zegG3004 ik, dieG1565 zondigenG264 niet totG4314 den doodG2288. Er isG1510 een zondeG266 totG4314 den doodG2288; voor dezelve zonde zeg ik niet, datG2443 hij zal bidden.
Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
Ook in dit vers
biddenG154
biddenG2065
KJV
If1
any man2
see
his6
brother5
sin7
a sin8
which is not9
unto10
death,11
he shall ask,12
and13
he shall give14
him15
life16
for them that sin18
not19
unto20
death.21
There is
a sin23
unto24
death:25
I do not26
say29
that30
he shall pray31
for27
it.28
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
AlleG3956 ongerechtigheidG93 is zondeG266; enG2532 er isG1510 zondeG266 nietG3756 totG4314 den doodG2288.
Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.
KJV
All1
unrighteousness2
is
sin:3
and5
there is
a sin7
not8
unto9
death.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Wij wetenG1492, datG3754 een iegelijkG3956, die uitG1537 GodG2316 geborenG1080 is, nietG3756 zondigtG264; maarG235 die uitG1537 GodG2316 geborenG1080 is, bewaartG5083 zichzelvenG1438, enG2532 de bozeG4190 vatG680 hemG846 nietG3756.
Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
KJV
We know1
that2
whosoever3
is born5
of6
God8
sinneth10
not;9
but11
he that is begotten13
of14
God16
keepeth17
himself,18
and19
that wicked one21
toucheth23
him24
not.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Wij wetenG1492, datG3754 wij uitG1537 GodG2316 zijnG1510, enG2532 dat de gehele wereldG2889 ligtG2749 inG1722 het bozeG4190.
Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
KJV
And we know1
that2
we are
of3
God,5
and7
the whole10
world9
lieth14
in11
wickedness.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DochG1161 wij wetenG1492, dat de ZoonG5207 van GodG2316 gekomen is, en heeft ons het verstandG1271 gegevenG1325, dat wij den WaarachtigeG228 kennenG1097; en wij zijnG1510 inG1722 den WaarachtigeG228, namelijk inG1722 Zijn ZoonG5207 JezusG2424 ChristusG5547. DezeG3778 isG1510 de waarachtigeG228 GodG2316, en het eeuwigeG166 LevenG2222.
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
KJV
And2
we know1
that3
the Son5
of God7
is come,8
and9
hath given10
us
an understanding,12
that13
we may know14
him that is true,16
and17
we are
in19
him that is true,21
even in22
his25
Son24
Jesus26
Christ.27
This28
is
the true31
God,32
and33
eternal36
life.35
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
KinderkensG5040, bewaartG5442 uzelven vanG575 de afgodenG1497. AmenG281.
Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.
KJV
Little children,1
keep2
yourselves3
from4
idols.6
Amen.7
gelooft
Namelijk met zodanig een geloof, dat vergezeld is van alles wat tot een oprecht geloof behoort; zie 1 Joh. 4:2.
Hertaald:
gelooft
Namelijk met zulk een geloof dat gepaard gaat met alles wat tot een oprecht geloof behoort; zie 1 Joh. 4:2.
de Christus,
Dat is, de ware en beloofde Messias. Zie Joh. 20:31.
Hertaald:
de Christus,
Dat is: de ware en beloofde Messias. Zie Joh. 20:31.
Dengene
Dat is, den Vader.
Hertaald:
Dengene
Dat is: de Vader.
dengene
Dat is, zijn kinderen; hetwelk, dewijl het zo is onder de mensen, zo bewijst de apostel daarmee, dat als men God liefheeft men ook al de kinderen Gods moet liefhebben, die uit Hem geboren zijn.
Hertaald:
dengene
Dat is: zijn kinderen. Omdat het onder de mensen zo is, bewijst de apostel daarmee dat wie God liefheeft ook al de kinderen van God moet liefhebben, die uit Hem geboren zijn.
wanneer wij God
Want uit de liefde Gods, als een oorsprong en fontein, moet de liefde van den naaste spruiten en voortkomen.
Hertaald:
wanneer wij God
Want uit de liefde tot God moet, als uit een oorsprong en bron, de liefde tot de naaste opkomen en voortkomen.
dit is de liefde Gods,
Dat is, hiermee betonen wij, dat wij God waarlijk liefhebben.
Hertaald:
dit is de liefde Gods,
Dat is: hiermee betonen wij dat wij God werkelijk liefhebben.
niet zwaar
Dat is, bezwaarlijk, moeilijk, hetwelk hier niet gezegd wordt om aan te wijzen, dat wij deze geboden hier volkomen kunnen onderhouden. Zie 1 Joh. 1:8, en 1 Joh. 2:1; maar ten opzichte van de wedergeborenen, in welker hart de Heilige Geest de geboden Gods, zo inschrijft, dat Hij meteen in hen een lust verwekt om deze gaarne te doen, Rom. 7:22. En hetgeen iemand gaarne doet valt hem niet zwaar of moeilijk. Zie Matt. 11:30.
Hertaald:
niet zwaar
Dat is: bezwaarlijk, moeilijk. Dat wordt hier niet gezegd om aan te wijzen dat wij deze geboden hier volkomen kunnen onderhouden; zie 1 Joh. 1:8 en 1 Joh. 2:1. Het wordt gezegd met het oog op de wedergeborenen: in hun hart schrijft de Heilige Geest de geboden van God zo in, dat Hij tegelijk in hen een lust opwekt om die graag te doen, Rom. 7:22. En wat iemand graag doet, valt hem niet zwaar of moeilijk. Zie Matth. 11:30.
overwint de wereld;
Dat is, in den geestelijken strijd tussen den Geest der wedergeboorte en de wereldse begeerlijkheden en aanlokkingen, waardoor wij tot afwijking van het geloof en overtreding der geboden Gods worden verzocht, houdt het de overHand.
Hertaald:
overwint de wereld;
Dat is: in de geestelijke strijd tussen de Geest van de wedergeboorte en de wereldse begeerten en verleidingen, waardoor wij verzocht worden om van het geloof af te wijken en de geboden van God te overtreden, houdt het de overhand.
de overwinning,
Dat is, de oorzaak van onze overwinning, omdat het Christus omhelst, door wien wij alles vermogen; Fil. 4:13.
Hertaald:
de overwinning,
Dat is: de oorzaak van onze overwinning, omdat het Christus omhelst, door Wie wij alles kunnen; Filipp. 4:13.
ons geloof
Namelijk dat vergezeld is van al wat tot een waar geloof vereist wordt; want zulk een geloof kan niet bestaan zonder onderhouding van de geboden der liefde tot God en den naaste.
Hertaald:
ons geloof
Namelijk ons geloof dat gepaard gaat met alles wat voor een waar geloof gevraagd wordt. Want zulk een geloof kan niet bestaan zonder het onderhouden van de geboden van de liefde tot God en tot de naaste.
door water en bloed,
De apostel ziet hier op het water en bloed dat uit de doorstoken zijde van Christus gevloeid is, waarvan Johannes alleen gewag maakt, Joh. 19:34-35; en verhaalt dat weder hier, om te tonen dat daarin een verborgenheid is, namelijk dat van Hem vloeit het water van den Heiligen Geest, waardoor wij gereinigd en wedergeboren worden, en dat door het uitstorten van Zijn bloed aan het kruis ons is verworven de verzoening met God en de vergeving onzer zonden. En daardoor is vervuld hetgeen afgebeeld was door de plechtigheden van het Oude Testament, die meest bestonden in reinigingen met water en bloedstorting der beesten die geofferd werden, zodat dit de zin is: dewijl Christus, gekomen zijnde, al wat door de ceremoniën van het Oude Testament afgebeeld was, inderdaad vervuld heeft, dit dan een klaar bewijs is, dat Hij de ware Messias is.
Hertaald:
door water en bloed,
De apostel ziet hier op het water en het bloed dat uit de doorstoken zijde van Christus gevloeid is, waarvan alleen Johannes gewag maakt, Joh. 19:34-35. Hij vertelt dat hier opnieuw om te laten zien dat daarin een geheim ligt, namelijk dat uit Hem het water van de Heilige Geest vloeit, waardoor wij gereinigd en wedergeboren worden, en dat door het uitgieten van Zijn bloed aan het kruis de verzoening met God en de vergeving van onze zonden voor ons verworven is. Daardoor is vervuld wat afgebeeld was door de plechtigheden van het Oude Testament, die vooral bestonden in reinigingen met water en in het vergieten van het bloed van de dieren die geofferd werden. Zo is dit de betekenis: omdat Christus, toen Hij gekomen was, alles wat door de ceremoniën van het Oude Testament afgebeeld was werkelijk vervuld heeft, is dat dus een duidelijk bewijs dat Hij de ware Messias is.
niet door het water
Dat is, Hij is gekomen om niet alleen de weldaad der wedergeboorte of der reiniging onzer verdorven natuur, maar ook de weldaad der rechtvaardigmaking of verzoening met God tezamen teweeg te brengen, door Zijn Geest en bloed, welke twee weldaden van elkander niet worden gescheiden.
Hertaald:
niet door het water
Dat is: Hij is gekomen om niet alleen de weldaad van de wedergeboorte of de reiniging van onze verdorven natuur, maar ook de weldaad van de rechtvaardigmaking of de verzoening met God tegelijk tot stand te brengen, door Zijn Geest en Zijn bloed. Deze twee weldaden worden niet van elkaar gescheiden.
de Geest is het,
Dat is, de Heilige Geest getuigt in de harten der gelovigen; 2 Kor. 1:22; Ef. 1:13.
Hertaald:
de Geest is het,
Dat is: de Heilige Geest getuigt in de harten van de gelovigen; 2 Kor. 1:22; Ef. 1:13.
de Geest de waarheid is
Dat is, de leer van het Evangelie dat Jezus is de Christus. Welke leer geest genoemd wordt, 2 Kor. 3:6. Zie de aantekeningen aldaar.
Hertaald:
de Geest de waarheid is
Dat is: de leer van het Evangelie dat Jezus de Christus is. Die leer wordt geest genoemd, 2 Kor. 3:6. Zie de aantekeningen daar.
Want
Dit vers, daar het een zeer klaar getuigenis bevat van den Heilige Drievuldigheid, schijnt door de Arianen uit enige boeken uitgelaten te zijn, maar wordt in meest alle Griekse boeken gevonden en zelfs ook bij vele oude en aanzienlijke leraars, die voor de tijden der Arianen geleefd hebben, tot bewijs der Heilige Drievuldigheid daaruit bijgebracht, en de tegenstelling van de getuigen op aarde, vs.8, toont klaarlijk dat dit vs, daar wezen moet, gelijk blijkt uit vs.9, waar gesproken wordt van deze getuigenis van God.
Hertaald:
Want
Omdat dit vers een zeer duidelijk getuigenis van de Heilige Drie-eenheid bevat, lijkt het door de arianen uit sommige handschriften weggelaten te zijn. Maar het wordt in bijna alle Griekse handschriften gevonden, en zelfs ook bij veel oude en aanzienlijke leraars die vóór de tijd van de arianen geleefd hebben en die het daaruit aanvoeren als bewijs van de Heilige Drie-eenheid. De tegenstelling met de getuigen op de aarde, vers 8, toont duidelijk aan dat dit vers daar moet staan, zoals ook blijkt uit vers 9, waar gesproken wordt over dit getuigenis van God.
Drie zijn er,
Namelijk personen en onderscheiden getuigen.
Hertaald:
Drie zijn er,
Namelijk drie Personen en onderscheiden getuigen.
in den hemel,
Dat is, geven hiervan uit den hemel een hemels en Goddelijk getuigenis, waaraan niet mag getwijfeld worden. Zie Matt. 3:16-17, en Matt. 17:7; Joh. 3:31; Hand. 2:1, enz.
Hertaald:
in den hemel,
Dat is: zij geven hiervan uit de hemel een hemels en goddelijk getuigenis, waaraan niet getwijfeld mag worden. Zie Matth. 3:16-17 en Matth. 17:7; Joh. 3:31; Hand. 2:1, enzovoort.
het Woord
Dat is, de Zoon Gods. Zie Joh. 1:1.
Hertaald:
het Woord
Dat is: de Zoon van God. Zie Joh. 1:1.
deze Drie zijn
Namelijk personen. Zie Matt. 3:16-17, en Matt. 28:19.
Hertaald:
deze Drie zijn
Namelijk drie Personen. Zie Matth. 3:16-17 en Matth. 28:19.
Een
Namelijk van wezen en natuur, die alle drie van deze zaak gezamenlijk en enerlei getuigen. Een zeer klaar bewijs en getuigenis van de drieheid der personen in het enig Goddelijk wezen. Zie Joh. 10:30.
Hertaald:
Een
Namelijk één van wezen en natuur; alle drie getuigen zij gezamenlijk en eenstemmig van deze zaak. Dit is een zeer duidelijk bewijs en getuigenis van de drieheid van de Personen in het enige goddelijke wezen. Zie Joh. 10:30.
drie zijn er,
Dat is, drie getuigen zijn er ook op de aarde die hetzelfde getuigen.
Hertaald:
drie zijn er,
Dat is: er zijn ook op de aarde drie getuigen die hetzelfde getuigen.
de Geest,
Dat is, de Geest der aanneming tot kinderen, die den gelovigen in de gemeente hier op aarde gegeven wordt, en het water der wedergeboorte, waardoor de gelovigen van hun gemeenschap met den Vader en den Zoon verzekerd worden, en het bloed des Nieuwen Testaments, waardoor zij verkrijgen vergeving hunner zonden en de verzoening met God. Anderen verstaan door den Geest de leer van het Evangelie, en door het water het sacrament van den doop, en door het bloed, het sacrament van het avondmaal, door welke drie middelen de gelovigen in de Kerk hier op aarde van de vergeving hunner zonden door Christus, en van het eeuwige leven, als door drie vaste getuigen, verzekerd worden. Zie ook de aantekeningen op vs.6.
Hertaald:
de Geest,
Dat is: de Geest van de aanneming tot kinderen, Die hier op aarde aan de gelovigen in de gemeente gegeven wordt; en het water van de wedergeboorte, waardoor de gelovigen verzekerd worden van hun gemeenschap met de Vader en de Zoon; en het bloed van het Nieuwe Testament, waardoor zij vergeving van hun zonden en verzoening met God verkrijgen. Anderen verstaan onder de Geest de leer van het Evangelie, onder het water het sacrament van de doop en onder het bloed het sacrament van het avondmaal. Door deze drie middelen worden de gelovigen in de kerk hier op aarde als door drie vaste getuigen verzekerd van de vergeving van hun zonden door Christus en van het eeuwige leven. Zie ook de aantekeningen bij vers 6.
tot een
Dat is, zien op enerlei zaak en geven daarvan enerlei getuigenis, namelijk dat Jezus is de Zaligmaker en de Zoon Gods, vs.5.
Hertaald:
tot een
Dat is: zij zien op dezelfde zaak en geven daarvan hetzelfde getuigenis, namelijk dat Jezus de Zaligmaker en de Zoon van God is, vers 5.
meerder;
Dat is, geloofwaardiger, en moet daarom ook vaster aangenomen worden.
Hertaald:
meerder;
Dat is: geloofwaardiger, en het moet daarom ook vaster aangenomen worden.
van Zijn Zoon getuigd
Namelijk Jezus Christus, dat Hij de ware en enige Zaligmaker is.
Hertaald:
van Zijn Zoon getuigd
Namelijk van Zijn Zoon Jezus Christus, dat Hij de ware en enige Zaligmaker is.
heeft de getuigenis
Dat is, door den Heiligen Geest, die het geloof in hem gewrocht heeft, in zijn hart hiervan overtuigt en verzekert; Joh. 3:33.
Hertaald:
heeft de getuigenis
Dat is: door de Heilige Geest, Die het geloof in hem gewerkt heeft, wordt hij hiervan in zijn hart overtuigd en verzekerd; Joh. 3:33.
heeft Hem tot een
Zie 1 Joh. 1:10.
Hertaald:
heeft Hem tot een
Zie 1 Joh. 1:10.
de getuigenis,
Namelijk waarvan ik spreekt.
Hertaald:
de getuigenis,
Namelijk het getuigenis waarover ik spreek.
ons God het
Namelijk die in Christus waarlijk geloven; Joh. 3:36.
Hertaald:
ons God het
Namelijk ons die werkelijk in Christus geloven; Joh. 3:36.
is in Zijn Zoon
Namelijk als in een fontein uit wiens volheid wij het ontvangen, Joh. 1:16. Want de Zoon heeft ons het leven verdiend, heeft de macht om het ons te geven, en geeft het ook allen die in Hem geloven. Zie Joh. 6:47-48, Joh. 6:51, en Joh. 17:2.
Hertaald:
is in Zijn Zoon
Namelijk als in een bron uit Wiens volheid wij het ontvangen, Joh. 1:16. Want de Zoon heeft het leven voor ons verdiend, Hij heeft de macht om het ons te geven, en Hij geeft het ook aan allen die in Hem geloven. Zie Joh. 6:47-48, Joh. 6:51 en Joh. 17:2.
heeft, die heeft
Dat is, met waar geloof heeft aangenomen, Joh. 1:12, die heeft de beginselen van het eeuwige leven reeds in dit leven, en heeft een zekere hoop dat hij het ook hiernamaals volkomen zal bezitten. Zie Joh. 5:24, en Joh. 8:51.
Hertaald:
heeft, die heeft
Dat is: met een waar geloof heeft aangenomen, Joh. 1:12; die heeft het begin van het eeuwige leven al in dit leven, en hij heeft een vaste hoop dat hij het ook hierna volkomen zal bezitten. Zie Joh. 5:24 en Joh. 8:51.
gelooft in den Naam
Dat is, in het geloof meer en meer moogt toenemen en daarin volharden.
Hertaald:
gelooft in den Naam
Dat is: opdat u in het geloof meer en meer mag toenemen en daarin mag volharden.
de vrijmoedigheid,
Dat is, vrijmoedig vertrouwen, gelijk Hebr. 4:16; 1 Joh. 2:28, en 1 Joh. 3:21.
Hertaald:
de vrijmoedigheid,
Dat is: een vrijmoedig vertrouwen, zoals in Hebr. 4:16; 1 Joh. 2:28 en 1 Joh. 3:21.
tot Hem hebben,
Namelijk God, gelijk Hij spreekt 1 Joh. 3:21.
Hertaald:
tot Hem hebben,
Namelijk tot God, zoals hij zegt in 1 Joh. 3:21.
verhoort
Grieks hoort.
Hertaald:
verhoort
Grieks: hoort.
wat wij ook bidden,
Namelijk naar Zijn wil, gelijk vs.14.
Hertaald:
wat wij ook bidden,
Namelijk naar Zijn wil, zoals in vers 14.
de beden
Dat is, de zaken die wij bidden.
Hertaald:
de beden
Dat is: de zaken waar wij om bidden.
verkrijgen,
Grieks hebben; dat is, zeker zullen hebben.
Hertaald:
verkrijgen,
Grieks: hebben; dat is: zeker zullen hebben.
zijn broeder ziet
Dat is, zijn mede-christen .
Hertaald:
zijn broeder ziet
Dat is: zijn medechristen.
een zonde niet
Dat is, een zonde waarop de eeuwige dood niet zeker volgt; dat is die niet onvergeeflijk is.
Hertaald:
een zonde niet
Dat is: een zonde waarop de eeuwige dood niet zeker volgt, dat is: die niet onvergeeflijk is.
bidden en
Namelijk voor zijn broeder, dat God hem deze zonde wil vergeven.
Hertaald:
bidden en
Namelijk bidden voor zijn broeder, dat God hem deze zonde wil vergeven.
Hij zal hem
Namelijk God zal hem zijn zonden vergeven en zo het leven geven; of hij, namelijk die God voor de zonde van zijn broeder bidt, zal met zijn gebed hetzelve bij God teweeg brengen. Zie 1 Tim. 5:16; Jak. 5:20.
Hertaald:
Hij zal hem
Namelijk God zal hem zijn zonden vergeven en zo het leven geven. Of: hij, namelijk hij die God voor de zonde van zijn broeder bidt, zal dat met zijn gebed bij God tot stand brengen. Zie 1 Tim. 5:16; Jak. 5:20.
het leven geven,
Dat is, van den dood, dien hij door zijn zonde verdiend had, verlossen.
Hertaald:
het leven geven,
Dat is: verlossen van de dood die hij door zijn zonde verdiend had.
een zonde tot den dood;
Dat is, die zekerlijk den dood met zich brengt, welke is de lastering tegen den Heiligen Geest, wanneer iemand de waarheid der christelijke leer, waarvan hij door den Heiligen Geest is verlicht en overtuigd, loochent en deze vijandig lastert en vervolgt. Zie de aantekeningen Matt. 12:31.
Hertaald:
een zonde tot den dood;
Dat is: een zonde die de dood zeker met zich meebrengt. Dat is de lastering tegen de Heilige Geest: wanneer iemand de waarheid van de christelijke leer, waarvan hij door de Heilige Geest verlicht en overtuigd is, loochent en die vijandig lastert en vervolgt. Zie de aantekeningen bij Matth. 12:31.
dat hij zal bidden
Namelijk daar God zodanigen zondaren de zonden niet wil vergeven, maar geeft hen over in hun onboetvaardigheid tot het einde toe, doordien zij het middel tot de boetvaardigheid, hetwelk Christus' offerande is, en de overtuiging van den Heiligen Geest verwerpen en tegenstaan.
Hertaald:
dat hij zal bidden
Namelijk omdat God zulke zondaars de zonden niet wil vergeven, maar hen tot het einde toe aan hun onboetvaardigheid overgeeft, omdat zij het middel tot de boetvaardigheid — dat het offer van Christus is — en de overtuiging van de Heilige Geest verwerpen en weerstaan.
niet tot den dood
Dit is niet te verstaan, dat er enige zonde zo licht zou wezen, dat zij den dood niet zou verdienen, hoe klein deze ook mogen zijn; want dat strijdt tegen Deut. 27:26; Jak. 2:10; maar dat zij niet noodzakelijk den dood meebrengt, maar vergeven kan worden, als de zondaar daarover een oprecht berouw en leedwezen toont.
Hertaald:
niet tot den dood
Dit moet niet zo verstaan worden dat er enige zonde zo licht zou zijn dat zij de dood niet zou verdienen, hoe klein die ook mag zijn; want dat strijdt met Deut. 27:26; Jak. 2:10. Het betekent dat zij de dood niet noodzakelijk met zich meebrengt, maar vergeven kan worden wanneer de zondaar daarover oprecht berouw en leedwezen toont.
niet zondigt;
Namelijk tot den dood; nog zo dat de zonde over hem de heerschappij heeft. Zie 1 Joh. 3:9.
Hertaald:
niet zondigt;
Namelijk niet zondigt tot de dood; en ook niet zo dat de zonde over hem de heerschappij heeft. Zie 1 Joh. 3:9.
bewaart zichzelven,
Namelijk dat hij in deze zonde niet vervalle.
Hertaald:
bewaart zichzelven,
Namelijk zodat hij niet in deze zonde vervalt.
de boze
Dat is, de duivel, die hem tot deze zonde zoekt te brengen; Matt. 6:13.
Hertaald:
de boze
Dat is: de duivel, die hem tot deze zonde probeert te brengen; Matth. 6:13.
vat hem niet
Of raakt hem niet; dat is, heeft geen vat op hem, om hem in die zonde te trekken.
Hertaald:
vat hem niet
Of: raakt hem niet; dat is: heeft geen vat op hem om hem in die zonde te trekken.
wij uit God zijn,
Namelijk die in Christus geloven.
Hertaald:
wij uit God zijn,
Namelijk wij die in Christus geloven.
de gehele wereld ligt
Dat is, alle andere mensen, die niet zijn wedergeboren noch geloven.
Hertaald:
de gehele wereld ligt
Dat is: alle andere mensen, die niet wedergeboren zijn en niet geloven.
in het boze
Dat is, in de zonde en onder het geweld des duivels.
Hertaald:
in het boze
Dat is: in de zonde en onder het geweld van de duivel.
het verstand gegeven,
Dat is, de rechte en zaligmakende kennis van den waren God, waarin het eeuwige leven bestaat, Joh. 17:3. Of verstand gegeven, opdat wij den waarachtigen mogen kennen.
Hertaald:
het verstand gegeven,
Dat is: de juiste en zaligmakende kennis van de ware God, waarin het eeuwige leven bestaat, Joh. 17:3. Of: verstand gegeven, opdat wij de Waarachtige mogen kennen.
den Waarachtige kennen;
Dat is, den waren en levenden God, den Vader van onzen Zaligmaker Jezus Christus.
Hertaald:
den Waarachtige kennen;
Dat is: de ware en levende God, de Vader van onze Zaligmaker Jezus Christus.
wij zijn in den Waarachtige,
Dat is, wij hebben door het geloof gemeenschap met Hem, 1 Joh. 1:3.
Hertaald:
wij zijn in den Waarachtige,
Dat is: wij hebben door het geloof gemeenschap met Hem, 1 Joh. 1:3.
namelijk in Zijn
Anderen voegen hier tussen het woordje en, gelijk 1 Joh. 1:3, en verstaan bij dezen waarachtige ook den Vader, gelijk in het voorgaande.
Hertaald:
namelijk in Zijn
Anderen voegen hier het woordje en tussen, zoals in 1 Joh. 1:3, en zij verstaan onder deze Waarachtige ook de Vader, zoals in het voorgaande.
Deze is de waarachtige
Namelijk Jezus Christus. Zie Joh. 17:3.
Hertaald:
Deze is de waarachtige
Namelijk Jezus Christus. Zie Joh. 17:3.
het eeuwige Leven
Dat is, de oorsprong, verdiener en gever van het eeuwige leven; Joh. 1:4, en Joh. 10:28, en Joh. 14:6.
Hertaald:
het eeuwige Leven
Dat is: de oorsprong, de Verdiener en de Gever van het eeuwige leven; Joh. 1:4 en Joh. 10:28, en Joh. 14:6.
bewaart uzelven
Dat is, wacht u en draagt zorg, dat gij u met geen afgoderij besmet.
Hertaald:
bewaart uzelven
Dat is: wacht u en zorg ervoor dat u zich met geen afgodendienst besmet.
afgoden
Dat is, valse goden, of beelden, die tot afgoderij misbruikt worden, dat gij deze generlei eer of dienst betoont, daar dit met de christelijke religie en den waren godsdienst geenszins kan bestaan.
Hertaald:
afgoden
Dat is: valse goden, of beelden die tot afgodendienst misbruikt worden; dat u die op geen enkele manier eer of dienst betoont, omdat dat volstrekt niet samen kan gaan met de christelijke religie en met de ware godsdienst. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is" (1 Joh. 5:6). Vervolgens: "drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een" (1 Joh. 5:8). Bijbelse betekenis: "Water en bloed" wijst waarschijnlijk terug naar wat Johannes zelf in zijn Evangelie als ooggetuige vastlegde. Toen een krijgsknecht bij de kruisiging Christus' zijde met een speer doorstak, "terstond kwam er bloed en water uit" (Joh. 19:34). Dat was een zichtbaar bewijs van Zijn werkelijke, lichamelijke dood, tegen elke latere leer in die Zijn ware menswording of lijden zou ontkennen. Water kan daarnaast ook wijzen op Zijn doop, waarmee Zijn openbare bediening begon, en bloed op Zijn kruisdood waarmee zij eindigde — begin en einde van Zijn aardse werk als eenstemmige getuigen, samen met de Geest. Typologie: Dat een zaak op het getuigenis van meerdere getuigen bevestigd wordt, is een vast beginsel van de wet: "Op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan" (Deut. 19:15). 1 Joh. 5:6,8; Joh. 19:34 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Johannes sluit zijn brief af tegen dwaalleraars die zeiden dat de Christus wel bij de doop op Jezus gekomen was, maar Hem vóór het kruis weer verlaten had. Daarom staat er hier zo nadrukkelijk: niet door het water alleen. Er zijn twee dingen die getuigen wie Hij is, en het tweede is het bloed. **De overwinning.** Eerst een zin die de toon zet: “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.” En meteen erachter waarin dat geloof rust: dat Jezus de Zoon van God is. **De kern.** “Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed.” Die laatste toevoeging staat er niet voor niets. Wie de doop wel aanneemt en het kruis niet, houdt een leraar over en geen Verlosser. **Wat de kanttekening erin leest.** Zij wijst naar de doorstoken zijde, waarvan Johannes als enige verslag doet: daar kwam water en bloed uit. En zij zegt wat daarin verborgen ligt. Van Hem vloeit het water van de Heilige Geest, waardoor wij gereinigd en wedergeboren worden. En door het uitstorten van Zijn bloed aan het kruis is ons de verzoening met God verworven. En dan volgt een zin die de hele offerlijn in één keer samenvat. De plechtigheden van het Oude Testament bestonden, zegt zij, grotendeels uit twee dingen: reinigingen met water, en het storten van het bloed van de dieren die geofferd werden. Christus heeft, gekomen zijnde, dat alles werkelijk vervuld — en dát is het bewijs dat Hij de ware Messias is. Water en bloed. De hele tabernakel bestond uit die twee. **De twee weldaden.** De kanttekening houdt ze bij elkaar: Hij kwam niet alleen om de wedergeboorte te brengen, maar ook de rechtvaardigmaking — de reiniging van onze verdorven natuur én de verzoening met God, en die twee worden niet gescheiden. **De getuigen.** Drie getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed. En dan de nuchtere afweging: als wij het getuigenis van mensen aannemen, is dat van God meerder. **Het slot.** “Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” Er staat geen derde mogelijkheid tussen. In het Nieuwe Testament: Johannes 19:34; Exodus 30:20; Leviticus 16:15; Hebreeën 9:19; Johannes 3:5; Hebreeën 10:22 Hoever dit reikt: Wat water en bloed hier betekenen, wordt verschillend uitgelegd. Deze post volgt de kanttekening: zij wijst naar de doorstoken zijde en leest er de reiniging door de Geest en de verzoening door het bloed in. Over de tekst van vers 7 bestaat een oude vraag naar de handschriften; deze post gaat daar niet op in en volgt de Statenvertaling.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een eigenaar van een landgoed kan een bord plaatsen met de tekst: “Gevaar! Pas op voor vallen en geweren die automatisch afgaan.” Niemand zou vervolgens naar de voordeur van het landhuis gaan en vragen: “Wilt u mij alstublieft vertellen waar de vallen en geweren zijn geplaatst?” Als wij die vraag zouden stellen, zou het antwoord zijn: “Het doel van deze waarschuwing is niet om u te vertellen waar ze liggen, want u hebt daar niets te zoeken.” Zo wordt ons gezegd: “Alle ongerechtigheid is zonde.” Daarmee worden wij gewaarschuwd om ver bij iedere vorm van zonde vandaan te blijven. Er is “een zonde tot de dood”, maar ons wordt niet verteld welke zonde dat precies is. Juist daarin ligt een wijze bedoeling: opdat wij door de genade van God ervoor bewaard mogen blijven om in zonde te vallen. Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Spurgeon predikte met geloof en overtuiging, wat het verschil maakt tussen woorden en waarheid. ...om de Waarachtige te mogen kennen. 1 Johannes 5:20 Spurgeon werd geboren in het dorpje Kelvedon in het graafschap Essex, maar hij bracht het grootste deel van zijn… Bid in de Heilige Geest. (Judas 1:20) Lees verder Romeinen 8:26—27. Met zo’n gebed is het absoluut zeker dat ik met God in het gebed het gewenste doel… En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil. En als wij… Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, Ik zal u grote en onbegrijpelijke dingen bekendmaken, die u niet weet. (Jeremia 33:3) Lees verder Mattheüs 26:36—46. Vergeet nooit dat… Een ieder, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een ieder, die liefheeft Degene, Die geboren heeft, die heeft ook lief degene,… Wij weten... 1 Johannes 5:18-20 De volle verzekerdheid, die door het woord ‘weten’ wordt uitgedrukt, ontstaat daaruit dat de volmaakte liefde altijd de onzekerheid en de twijfel uitdrijft,… Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt 1 Johannes 5: 10 Zou u Christus tot een leugenaar willen maken? Waarom komt u niet met het… Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis, dat God getuigd heeft van Zijn Zoon. 1 Johannes 5:10 Als onze… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Johannes 5
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Door water en bloed — 5:4-12
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Kun jij goed horen?
Jezus kennen
Bidden in de Heilige Geest
Antwoord
De gouden sleutel van het gebed
Een vlam gevoed uit de kern
Wij weten...
Een zaligmakend geloof
Een plechtige aanklacht tegen de ongelovigen


1 Johannes 5
1 Johannes 5:1. KruisverwijzingenJohannes 8:42→Johannes 1:12→1 Johannes 5:4→1 Johannes 2:29→1 Johannes 2:22→1 Johannes 3:17→Mattheüs 16:16→Johannes 3:3→
— Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.
Neem troost uit die uitspraak, gelovige. U hebt Jezus aangenomen als de Christus, de Gezalfde van God; en de apostel verklaart dan dat u “uit God geboren” bent. Misschien bent u pas kortgeleden wedergeboren en bent u nog maar een kind in de genade. Maar hebt u een waar geloof in Christus als Gods Gezalfde, dan bent u “uit God geboren.”
Hebt u God werkelijk lief, dan hebt u ook Zijn geliefde en eniggeboren Zoon lief, en dan hebt u ook al Zijn kinderen lief. Er kan niet tegelijk een ware liefde tot de Vader zijn en een haat tegen Zijn huisgezin; dat is onmogelijk. Beoordeel daarom aan deze toets of u God liefhebt of niet.
1 Johannes 5:2-3. KruisverwijzingenJohannes 14:15→2 Johannes 1:6→1 Johannes 3:22→1 Johannes 2:5→Johannes 15:10→Johannes 14:21→Johannes 13:34→1 Johannes 2:3→
— Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
De liefde is iets praktisch; liefde zonder gehoorzaamheid is louter schijn. Ware liefde toont zich doordat zij zoekt te behagen wie zij liefheeft. Mocht God de Heilige Geest in ons een volkomen gehoorzaamheid aan de geboden van God werken, opdat wij bewijzen dat wij Hem werkelijk liefhebben!
1 Johannes 5:4. Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:57→1 Johannes 4:4→1 Johannes 3:9→Openbaring 12:11→Johannes 16:33→Romeinen 8:35→Openbaring 3:21→Openbaring 3:12→
— Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
Dit is het wapen dat overwint. Wie werkelijk in Jezus gelooft, kan niet omvergeworpen worden door de verenigde krachten van de wereld, het vlees en de duivel. Denk aan de les die Haman leerde, toen hij tevergeefs tegen Mordechai streed omdat Mordechai uit het zaad van de Joden was. En leer daaruit dat wie Christus toebehoren, evenals Christus meer dan overwinnaars zullen zijn.
1 Johannes 5:5. Kruisverwijzingen1 Johannes 4:15→1 Johannes 5:1→
— Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
Laat die waarheid vast in uw gedachten staan en u sterken in uw strijd met de wereld. De oude kreet Athanasius contra mundum, Athanasius tegen de wereld, mag door elke gelovige in Jezus omgezet worden in Christianus contra mundum, de christen tegen de wereld. “Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?”
1 Johannes 5:6-7. KruisverwijzingenJohannes 15:26→Mattheüs 28:19→Johannes 16:13→2 Korinthe 13:14→Johannes 14:17→Openbaring 7:14→Efeze 5:25→Openbaring 1:4→
— Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is. Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
Zo bevestigen alle Personen van de gezegende Drie-eenheid het geloof van de christen. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest geven eendrachtig getuigenis aan het geloof dat God Zelf ons geeft.
1 Johannes 5:8. KruisverwijzingenMattheüs 26:26→1 Petrus 3:21→Handelingen 2:2→Markus 14:56→Romeinen 8:16→Mattheüs 28:19→1 Johannes 5:6→Handelingen 15:15→
— En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een.
Drie kaarsen in de kamer, maar het licht is één; drie getuigen voor ons hart, maar het getuigenis is hetzelfde. Hebben wij het getuigenis van de Geest, van het water en van het bloed, dan weten wij dat wij de waarheid ontvangen hebben.
1 Johannes 5:9-10. KruisverwijzingenJohannes 3:33→Romeinen 8:16→Galaten 4:6→Mattheüs 3:16→1 Johannes 1:10→Handelingen 17:31→Johannes 10:38→Johannes 5:38→
— Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
Welk beter getuigenis dan dit zou hij kunnen hebben?
1 Johannes 5:10. KruisverwijzingenJohannes 3:33→Romeinen 8:16→Galaten 4:6→1 Johannes 1:10→Johannes 5:38→Johannes 3:16→Jesaja 53:1→Jeremia 15:18→
— Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
Zo iemand hoeft niet werkelijk te zeggen dat God een leugenaar is. Maar het feit dat hij Hem niet gelooft, komt er in de praktijk op neer dat hij God tot een leugenaar maakt. Hoevelen van ons zijn er op wie deze plaats slaat?
Is dit van iemand hier waar? Dan bent u zich misschien niet bewust geweest van de omvang van uw schuld. U bent ongelovig gebleven uit louter zorgeloosheid, uit verwaarlozing van het Woord. Ik bid u, blijf niet in zo’n gesteldheid van hoofd en hart nu de Geest van God u laat weten dat u door uw ongeloof God tot een leugenaar maakt. Wie zou die grote zonde moedwillig begaan? Laten wij huiveren bij de gedachte alleen al dat zulke schuld mogelijk is.
1 Johannes 5:11. Kruisverwijzingen1 Johannes 2:25→Johannes 1:4→1 Johannes 4:9→Johannes 3:36→1 Johannes 5:20→Romeinen 6:23→Johannes 17:2→Johannes 6:68→
— En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
Onze enige hoop ligt in Christus. Maar er is leven voor ons in Christus, en wel het eeuwige leven, als wij maar in Hem geloven.
1 Johannes 5:12. KruisverwijzingenJohannes 3:36→Johannes 1:12→Johannes 3:15→Johannes 5:24→1 Johannes 2:23→1 Korinthe 1:30→Hebreeën 3:14→Markus 16:16→
— Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.
U bestaat, en u zult altijd blijven bestaan; maar het ware leven is niet het uwe als u Christus niet als uw Zaligmaker hebt. Het leven is oneindig veel meer dan louter bestaan: “Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.”
1 Johannes 5:13-15. Kruisverwijzingen1 Johannes 3:21→Johannes 14:13→Johannes 20:31→Johannes 16:24→Johannes 1:12→Jakobus 4:3→Efeze 3:12→Johannes 15:7→
— Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God. En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.
Het gebed is een wonderlijke zaak; en toch wordt niet ieders gebed verhoord. Maar wie het leven van God in zich heeft, zal zijn beden ingewilligd zien, omdat de Heilige Geest hem zal bewegen te bidden naar de wil van God.
Ieder mens die in de naam van de Zoon van God gelooft, hééft het eeuwige leven. Daaraan mogen wij niet twijfelen. Het is geen zaak van gevolgtrekking en redenering, maar een zaak van openbaring van God. Wij hoeven daarover geen mening te vormen, wij moeten het geloven, want de Heere heeft het gezegd. Het is recht dat een kind van God weet dat God zijn Vader is en nooit in zijn hart een vraag heeft over zijn kindschap. Het is recht dat een ziel die met Christus ondertrouwd is de zoete liefde van de Bruidegom kent, en nooit toelaat dat er een wolk van achterdocht komt tussen haar en het volle genot van Christus’ liefde.
1 Johannes 5:16-18. KruisverwijzingenHebreeën 6:4→1 Johannes 3:4→Judas 1:21→1 Samuël 2:25→Jeremia 7:16→Jeremia 11:14→Numeri 15:30→Jakobus 1:15→
— Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood. Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
Wie de zonde tot de dood begaan heeft, heeft geen verlangen naar vergeving. Hij zal zich nooit bekeren, hij zal nooit het geloof in Christus zoeken, maar hij zal verhard en ongelovig voortgaan. Hij zal voortaan nooit meer voorwerp van heilige invloeden zijn, want hij is die duistere landstreek van de wanhoop binnengegaan waar hoop en barmhartigheid nooit komen.
Misschien meent iemand van u dat hij die onvergeeflijke zonde begaan heeft, en treurt hij daar op dit ogenblik over. Is dat zo, dan is het duidelijk dat u die zonde niet begaan kunt hebben, want anders zou u er niet over kunnen treuren. Hebt u er enige vrees over, dan hebt u de zonde tot de dood niet begaan, want zelfs vrees is een teken van leven. Wie ook maar berouw heeft over de zonde en op Jezus Christus vertrouwt, wordt vrij en volkomen vergeven. Het is dus duidelijk dat hij geen zonde begaan heeft die niet vergeven wordt. Er is in deze plaats veel dat ons biddend en waakzaam maakt, maar er is hier niets dat één verontrust hart iets als wanhoop hoeft te geven. Wie wedergeboren is, van boven geboren, kan deze onvergeeflijke zonde nooit begaan. Hij wordt ervoor bewaard; “de boze” kan hem zelfs niet aanraken, want hij wordt door soevereine genade tegen deze verschrikkelijke schade aan zijn ziel beschermd.
U hoeft niet nieuwsgierig te vragen wat die onvergeeflijke zonde is. Ik geef u een oude vergelijking van mij daarover. U hebt op sommige landgoederen wel eens een bord zien staan: hier staan klemmen en schietgeweren opgesteld. Maar bent u dan ooit naar de voordeur van het huis gelopen om te vragen waar de klemmen staan en waar precies de geweren opgesteld zijn? Had u dat gevraagd, dan zou het antwoord geweest zijn: het is juist de bedoeling van deze waarschuwing om u dat niet te vertellen. U hebt daar immers in het geheel niets te zoeken. Zo is het ook hier: “Alle ongerechtigheid is zonde”, en u wordt gewaarschuwd daarvan verre te blijven. “Er is een zonde tot den dood”, maar er wordt u niet verteld welke zonde dat is – juist opdat u door de genade van God van alle zonde verre zou blijven.
1 Johannes 5:19-21. KruisverwijzingenJohannes 17:3→Lukas 24:45→Galaten 1:4→Johannes 14:9→1 Johannes 4:4→Openbaring 12:9→2 Korinthe 4:4→Openbaring 3:7→
— Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven. Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.
Na de Reformatie in Engeland was er een bepaald deel van de kerk waar het kruisbeeld moest staan. Toen dat weggenomen werd, hebben de hervormers verordend dat op die plaats in hoofdletters deze woorden geschreven zouden worden: KINDERKENS, BEWAART UZELVEN VAN DE AFGODEN. Dat was een uitnemende regeling, en deze tekst zou vandaag met veel vrucht in menige ritualistische kerk opgehangen kunnen worden, in plaats van het Lam Gods en het kruisbeeld.
Zouden wij niet ook tegen menige moeder en vader kunnen zeggen, met het oog op hun kinderen: bewaar uzelf van de afgoden? En tegen menige liefhebber van geld en hongerige naar goud? De afgoderij dringt zich in de ene of de andere vorm altijd op. Sommigen aanbidden zichzelf; zij kijken in de spiegel en zien daar het gezicht van hun god. O, wacht u voor alle afgoderij! “Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.” Daar mogen wij gerust ons amen op zeggen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-12.KruisverwijzingenJohannes 14:15→1 Korinthe 15:57→2 Johannes 1:6→Johannes 15:26→Mattheüs 28:19→Johannes 8:42→1 Johannes 4:4→Johannes 16:13→
— Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is. Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is. Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een. En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een. Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
De apostel gaat daarvan uit, dat het geloof in Jezus als de Christus van de Heere de geboorte uit God tot haar onmiddellijk gevolg heeft. Als verder gevolg van deze geboorte uit God noemt hij de liefde tot hen, die dezelfde geboorte deelachtig zijn geworden, d. i. de liefde tot de broeders. Hij wijst nu ook aan, hoe deze liefde tot de broeders dan alleen blijkt een waarachtige te zijn, als in hen de gemeenschappelijke Vader, onafhankelijk van persoonlijke neiging of tegenzin ten opzichte van de bijzondere personen, bemind wordt, en dat het hem niet zwaar kan vallen, die echt God liefheeft, die liefde tot God toch het houden van al Zijn geboden licht maakt (vs. 1-3). Dit brengt hem tot de uitspraak, dat alles, wat uit God geboren is, de wereld overwint; hij prijst het Christelijk geloof als de overwinning, die de wereld overwonnen heeft en roept al vragend tot een gelijke belijdenis, dat zij de wereld overwonnen hebben, hen op, die menen zo’n doel zonder het geloof in Jezus, de Zoon van God, te kunnen bereiken (vs. 4-5). Welke gedachte daarbij zijn ziel vervult, blijkt uit de grotere helft van deze afdeling, die verder volgt, waar alles, wat hij schrijft, onmiskenbaar in zeer nauwe betrekking staat tot het Joodse volk, dat Jezus, de Christus van de Heere en de Zoon van God, alhoewel zij op drievoudige wijze een getuigenis over Hem hadden ontvangen, toch verworpen had en daardoor het eeuwige leven hadden verloren (vs. 6-12).
Een a) ieder, die gelooft, dat Jezus is de Christus (Hoofdstuk 2: 22), die is, omdat God bij zo iemand niet heeft nagelaten de Heilige Geest van de wedergeboorte (Joh. 3: 5 vv.) te schenken (Hand. 2: 38), uit God geboren, zodat hij nu Zijn kind is (Hoofdstuk 3: 2). En een ieder, die, als zo’n kind van God, dat hij geworden is liefheeft degene, die geboren heeft, namelijk God, zijn hemelse Vader, dat toch bij een echt wedergeborene even zeker plaats heeft, als een aards kind reeds van nature de aardse Vader liefheeft zonder dat het hem eerst bevolen hoeft te worden, die heeft ook lief degene, die uit Hem, de hemelse Vader, geboren is. Hij heeft lief een ieder, bij wie dat geloof wordt gevonden, als zijn broeder in Christus, omdat de liefde net zo vanzelf ontstaat, als de aardse liefde van broeders en zusters iets natuurlijks is (Efeziers 5: 29).
Joh. 1: 12
De apostel stelt in nauw verband met het einde van het vorige hoofdstuk ten eerste de noodzakelijkheid van de Christelijke broederliefde van een nieuwe zijde voor. Het kan toch niet anders zijn, zegt hij, dan dat een kind, dat zijn vader liefheeft, ook zijn broeder liefheeft.
Bij deze nadere uiteenzetting van de noodzakelijkheid van de broederlijke liefde aan de zijde van de Christenen wil hij tevens de broederlijke liefde nu, evenals hij dat boven met de liefde van God heeft gedaan (Hoofdstuk 4: 9 vv., 14 vv), in haar organisch verband met het geloof in de menswording van de Zoon God; voorstellen. Als hij schrijft, “die gelooft dat Jezus is de Christus”, dan is dat de derde (Hoofdstuk 4: 2 v., 15) en wel de kortste formulering van de Christelijke geloofsbelijdenis. Daardoor wordt tegenover de docetische scheiding van de mens Jezus en de naam Christus, zoals die onder anderen in de Corinthische gnosis zich ontwikkelde, eenvoudig de identiteit van Jezus en van Christus beweerd, daarom niet (tegenover de verschillende Joodse meningen) de algemene vraag beantwoord, wie onder verschillende Joodse individuen (of Jezus of Johannes de doper of Theudas enz.) de beloofde Messias was, maar tegenover dat docetische van elkaar scheiden van de mens Jezus en de aeon Christus het ware Christelijke geloof, dat een weder barende kracht bezit, op de voorgrond geplaatst.
De nauwe betrekking, waarin het geloof in Jezus als de Christus tot onze broederliefde staat, wordt veelal geheel voorbijgezien of zelfs bestreden. Aan het geloof in Jezus is niet veel gelegen, zegt men, als wij maar de plicht van de broederlijke liefde vervullen, dat geloof en deze liefde staan in geen verband met elkaar. De ervaring toont echter, dat waar dat geloof ontbreekt, het ook met deze broederliefde kwalijk geteld is.
De echtheid, de heiligheid van de mensenliefde openbaart zich is haar religieus karakter; zonder godsdienst is alle liefde zonder waarde, niets dan natuurdrift of bedekte eigenliefde.
Hieraan kennen wij in het uitwendige leven, dat wij de kinderen van God lief hebben, wanneer wij, in al de gevallen, dat wij met degenen te doen hebben, ons niet door persoonlijke voor- of tegeningenomenheid laten leiden, God, uit wie zij geboren zijn en Hem liefhebben en Zijn geboden over hetgeen Hij wil, dat aan Zijn kinderen door ons wordt gedaan, bewaren.
Want dit is de liefde van God, daarin openbaart zij zich (Joh. 14: 15, 23, 31, dat wij Zijn geboden bewaren (Hoofdstuk 3: 24) en Zijn geboden zijn niet zwaar; niet alsof zij niets zwaars eisen, maar wel zijn wij in de gemeenschap van de liefde met God met de kracht toegerust, om ook het zwaarste zonder bezwaar op ons te nemen en te volbrengen (MATTHEUS. 11: 30).
Wilt u weten, of uw liefde tot de broeders van de juiste aard is, beproef dan zelf, of u in hen Gods kinderen liefheeft en dat geschiedt, als u in het liefhebben van de broeders de getuigenis van de Geest heeft, dat u God, hun Vader liefheeft en nu Zijn geboden aan hen probeert te vervullen. Dat is de ware broederliefde, die de weg van Gods geboden loopt, liefhebbend naar de ordening van God, niet naar eigen gedachten.
De apostel heeft zeker de ervaring voor ogen, dat een Christen tegenover een ander soms, zoals men zegt een grote “antipathie” voelt en zich nu eerder geneigd voelt, om zich van hem terug te trekken, dan met hem broederlijke gemeenschap te houden. Daarentegen moet men in de liefde van God strijden en daartoe aanmoedigende, voegt Johannes erbij: “Zijn geboden zijn niet zwaar. “
Om de verklaring van de apostel, dat Gods geboden niet zwaar zijn, goed te verstaan en de waarheid ervan in te zien, hebben wij in het oog te houden, dat hij dit zegt met opzicht tot hen, die uit God zijn geboren, die geloven, dat Jezus de Zoon van God is, die dus het ware geloof bezitten en door dit geloof uit God zijn geboren, zoals duidelijk blijkt uit hetgeen hij er ter opheldering en bevestiging van zijn uitsprak bijvoegt. Zwaar, ja onmogelijk is het volbrengen van Gods geboden voor hen, die niet geloven en niet uit God zijn geboren, die geen kinderen van God, maar kinderen van de duivel zijn en de werken van hun vader doen door de zonde lief te hebben en te dienen; want “die naar het vlees zijn bedenken dat van het vlees is en het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich van de wet van God niet, want het kan ook niet en die in het vlees zijn kunnen voor God niet behagen. ” Maar zo is het niet met hen, die in Jezus Christus geloven, en uit God zijn geboren. Voor hen zijn de geboden van God, die geschreven zijn in hun hart en door Zijn woord hun bekend zijn, niet zwaar. Wel hebben zij nog te strijden. Dit geeft de apostel duidelijk te kennen, door bij herhaling van hun overwinning te spreken. Die strijd ontstaat door de boze wereld, waarin zij leven en die nog in hen niet geheel is gedood. Zij staat tegen hen over en is haar vijandin. Zij probeert hen van God en de betrachting van Zijn geboden gedurig af te trekken, aan haar wil hen te onderwerpen en opnieuw hen de zonde te doen dienen. En die strijd kan soms hevig en bang zijn door de kracht van de wereld en van de zonde, die nog tegen hun wil in hen overig is, zodat zij in de strijd weleens bezwijken en tot overtreding van een of ander van Gods geboden vervallen. Maar hun doorgaande leven is toch voor God gewijd en Zijn geboden zijn voor hen niet zwaar; want zij weten, dat het geboden zijn van hun Vader, die hen liefheeft, die het grootste bewijs van vaderlijke liefde, dat Hij geven kon, hun gegeven heeft in de zending van Zijn Zoon, opdat zij zouden leven, eeuwig heilig en zalig leven door Hem, die in alles hun waarachtig geluk bedoelt, die Zijn geboden hun gegeven heeft, om Zijn weldadig, heerlijk doel bij hen te bereiken en wiens geboden altijd wijs, heilig en goed zijn, ook dan wanneer zij hun bij het eerste horen wel wat hard voorkomen. Maar bij die kennis en dat geloof kunnen Zijn geboden hun niet zwaar zijn. Zij hebben daarenboven God lief die hen het eerst zo uitnemend liefgehad heeft en voortgaat lief te hebben, lief met hun hele hart, boven alles. Maar wat is zwaar voor de liefde? Offert zij niet graag wat op voor het voorwerp van haar liefde? Probeert zij het niet zo veel mogelijk te behagen? Is het haar geen genoegen, geen wellust Zijn wil te doen? En zou dan hij, die God liefheeft, niet gewillig en blijmoedig Zijn geboden volbrengen? Zouden Zijn geboden voor hem zwaar zijn? Nee! dat zijn zij voor hem niet, want hij is uit God geboren en omdat hij uit God is geboren, kan hij zich aan geen zondig leven overgeven. Hij heeft een nieuw leven van de Geest uit God ontvangen. Het leven van zijn Vader is in beginsel het zijne geworden. Dat leven is in strijd met het leven in de zonde. Wat zijn Vader mishaagt, mishaagt ook hem. Wat zijn Vader welgevallig is, is ook hem welgevallig. Zijn lust is in de wet van de Heere. Gods geboden vinden weerklank in zijn binnenste. Zij stemmen overeen met zijn zin en smaak. Zij zijn hem wijs, heilig en goed. Wat God hem gebiedt, gebiedt hij zichzelf. Hij zou het doen ook dan, wanneer het hem niet door God was geboden. Zijn nieuw leven uit God en in God dringt er hem toe met alles overwinnende kracht. Zijn geboden te bewaren is het leven van zijn leven, is genot en zaligheid voor hem. Hij volbrengt ze met vanzelfheid, gewillig, blijmoedig. Zij zijn voor hem niet zwaar. Ook is hij van de overwinning zeker en dit doet hem in de strijd niet verslappen, maar geeft hem moed en kracht; want hij weet, dat hij dan alleen de overwinning behaalt, als hij de strijd aanbindt en volhoudt; ja hij behaalt gedurig de ene overwinning na de andere, als hij gelooft en, door het geloof bezield in de strijd volhardt. Zoals de Heere zei: “Ik heb de wereld overwonnen”, zo mogen de Zijnen Hem nazeggen: “ons geloof overwint de wereld. ” Hij. die in hen is, is meerder, dan die in de wereld is. Dat leert en bevestigt hun ervaring, zo vaak zij een boezemzonde, een onrein beginsel, een boze lust in zich onderdrukken, over de verleidingen van de wereld zegevieren en een gebod van God volbrengen, waartegen de bedorvenheid, die nog in hen is, het meest aandruist. Dat schenkt hun een genot, zo rein en zalig, dat er niets mee is te vergelijken; maar dat maakt dan ook het bewaren van Gods geboden gemakkelijker. Zijn zij gevallen door gebrek aan gemeenschapsoefening met hun Vader, zij leren er uit; wanneer Zijn geboden voor hen zwaar zijn, het geloof in Jezus Christus, die hun door God tot Zaligmaker gegeven is, die hun Voorspraak is bij de Vader en een verzoening voor hun zonden geeft hun nieuwe moed en nieuwe kracht, om weer op te staan, de strijd te hervatten en met ootmoedigheid bekleed, zich zo te sterken in hun God, dat zij steeds meer de waarheid ervaren van de verklaring van de apostel: “Zijn geboden zijn niet zwaar. ” En wat een heerlijke kroon zien zij aan het einde van de baan voor zich opgehangen! God wil niet alleen, dat wij Zijn geboden bewaren, maar Hij heeft ook de uitnemendste beloften aan Zijn graag gehoorzame kinderen geschonken, beloften niet alleen voor het tegenwoordige, maar ook voor het toekomende leven, beloften van eeuwige zaligheid en heerlijkheid. Hoe krachtig werkt ook dit mee, om hen aan te vuren en tot volharding op te wekken! Nu zij zulke beloften ontvangen hebben, nu zij zo’n kroon in het oog hebben, nu hun zo’n zaligheid is bereid door Hem, die zij dienen, nu vallen zelfbeheersing, zelfverloochening, opoffering, blijdschap over het geluk van anderen, liefde tot vijanden, met één woord alle plichten in Zijn dienst hun gemakkelijk, nu zijn Zijn geboden niet zwaar.
EPISTEL OP DE TWEEDE ZONDAG NA PASEN, QUASIMODO GENITI
Op deze Zondag genoemd volgens het woord in 1 Petrus 2: 2 Joh 20: 19 werd de prediking vooral tot jeugdige Christenen gericht, die na voor acht dagen gedoopt te zijn, heden tot de dis van de Heere toegelaten en nu, als aan de gemeente der gelovigen toegevoegd, weer het maatschappelijk leven ingaan. Welke gedachte lag nu meer voor de geest, dan hun een woord op weg mee te geven, dat hen tot de strijd met de wereld, die zij nu in het geloof moesten aanvangen, zou kunnen toerusten en versterken? De geloofsoverwinning, de zekerheid van ons zegerijk geloof, is de inhoud van deze perikoop; en past die gedachte ook niet bijzonder bij deze dag, in zo verre die de sluitende octaaf van het Paasfeest is? Christus, de overwinnaar over zonde en dood, zwaait op het Paasfeest Zijn roemvolle vaan; Zijn overwinning is onze zegepraal; Hem na in de geloven, dan is onfeilbaar de overwinning aan ons, want ons geloof heeft een goede, door God zelf gelegde grondslag.
Wat in de beide openbaringen van de Opgestane, die het Evangelie van deze dag herinnert, voor de gedachte komt, is het bewijs van de opstanding van Jezus Christus. Aan de zijde van het Evangelie is nu dit epistel geplaatst, waarvan de gehele inhoud handelt over de getuigenis, die God de Heere aan Zijn eengeboren Zoon in hemel en op aarde geeft. Daarom komen Evangelie en epistel in één heilig doel overeen, namelijk om van de Opgestane, de op Gods troon Verhevene, de voor ons eeuwig levende Verlosser zodanige getuigenissen en bewijzen te geven, dat de gemeente in haar geloof aan haar Heer en Heiland moet worden bevestigd en daarin grote vrede en grote blijdschap vinden kan.
Jezus Christus, de Zoon van God, onze Heiland 1) hoe de Vader van Hem voor de wereld heeft getuigd; 2) hoe Hij zelf Zich ook heerlijk aan de gelovigen openbaart.
Over het zaligmakend geloof: 1) wat is dat voor een geloof, dat zalig maakt? 2) wat hebben wij voor getuigenissen voor dit geloof! Bent u een kind van God? 3) het geloof in Christus maakt u daartoe; 4) als kind van God overwint u de wereld.
Het waarachtig geloof in Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane: 1) in Zijn weder barende kracht- die gelooft, die is uit God geboren; 2) in de kracht van Zijn liefde die gelooft, is tot liefde verkoren; 3) in Zijn wereldoverwinnende kracht die gelooft is nooit de overwinning kwijt.
Ons allerheiligst geloof: 1) volgens zijn inhoud; 2) volgens zijn kracht; 3) volgens zijn grond.
De heerlijkheid van het geloof: 1) wat het bezit; 2) hoe het dit bewaart; 3) wat het verkrijgt
Ons geloof is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft:
1) de wereld met haar twijfelingen en haar ongeloof, want het berust op een goddelijk getuigenis; 2) de wereld met haar vervloeking en verleiding, want het legt in ons een hemelse gezindheid; 3) de wereld met haar zorgen en noden, want het draagt in zich het eeuwige leven.
Nee, Gods geboden zijn voor ons niet zwaar, al staat de wereld op tegen God (Hoofdstuk 2: 15 vv.) en probeert zij ons die zwaar te maken. Want al wat uit God geboren is (Joh. 3: 6; 6: 37) overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof (Hoofdstuk 2: 13 v. Joh. 16: 33).
Het is inderdaad de gehele, gezamenlijke macht van de zonde, in haar zichtbare en zinnelijke openbaring tegenover God en de gemeente van God, die door hem onder de naam de wereld bedoeld wordt. Het is de verenigde macht en invloed van de zondige, aan het leven uit en voor God nog vreemde mensenwereld en van alle vergankelijke wereldse dingen, die zich plaatsen tussen God en dat zwakke, zondige mensenhart, dat Gods geboden moet bewaren. Een macht tot verleiding een macht tot verschrikking een onoverwinnelijke macht, zolang in de mens de kracht van de zonde nog niet door hoger invloed gebroken is, zolang de wereld nog recht heeft hem onder de haar te tellen. Nee, dan zijn de geboden van God te zwaar, veel te zwaar en onuitvoerlijk. Geen vaak gevoelde vrees voor de op hun overtreding gedreigde straf; geen hartelijke toestemming, dat zij goed zijn en hun opvolging niet dan gelukkig zou kunnen maken; geen bewondering van de voortreffelijke deugden, die zij inscherpen; geen hoop zelfs om door hun nauwgezette betrachting het eeuwige leven te verwerven is in staat om ze ons te midden van al de verzoekingen, al de bedreigingen, al de vervolgingen, waaraan wij zijn blootgesteld, tot richtsnoer van ons leven te doen stellen en met enige volharding opvolgen. Dit is de ondervinding van allen geweest, wie het met de opvolging van de geboden van God eenmaal ernst geworden was. Gelukkig de man, wiens latere ervaring hem ook geleerd heeft met de zegekreet van de apostel in te stemmen: Dit is de overwinning, die de wereld overwint: ons geloof. Van dit ogenblik af zal ook zijn hart dat woord hebben kunnen onderschrijven; Gods geboden zijn niet zwaar. Men merkt wel op, dat de apostel niet schrijft: ons geloof doet of leert de wereld overwinnen. Fierder, stouter is zijn taal; hij zegt: Ons geloof is de overwinning van de wereld. En zo is het. De wereld, die de mens en het menselijke veel te sterk is, is voor God en het goddelijke veel te zwak. Al wat uit God geboren is overwint de wereld. Die gelooft is uit God geboren. Zijn geloof, dat hem met een onwrikbaar vertrouwen en een dankbare liefde aan zijn God verbindt, verheft hem even daardoor boven al de verschrikkingen, boven al de vervoeringen van de wereld. Hij kent en ondervindt een bescherming, krachtiger dan deze kan verlenen of onttrekken; hij kent en bezit een geluk, groter dan zij kan doen aan te bieden. Aan het hart van Jezus Christus de Zoon van God, bij wie hij de verzoening van zijn zonden gevonden heeft, is in zijn gemoed een leven ontwaakt, welks lust is in heiligheid en in liefde; en zo vaak deze Heiland hem de strijd van het leven weer tegemoet voert, roept hij hem met een goddelijke liefde en een goddelijk gezag toe: Heb goede moed! Ik heb de wereld overwonnen. De wereld moet het aanzien, als deze man in de kracht van het inwendige geluks, in de kracht, in één woord, van het leven uit God, van diens geboden getuigt: zij zijn niet zwaar; en zo het woord van zijn Heiland bezegelt: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (MATTHEUS. 11: 30).
“De overwinning van de wereld”, zo wordt het geloof genoemd door de apostel van de liefde en welk geloof hij bedoelt, geeft hij duidelijk aan in wat hij meteen laat volgen: “wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? Geheel verkeerd zouden wij Johannes verstaan, als wij meenden, dat hij de overwinning van de wereld van het geloof in een afgetrokken leerstuk afhankelijk maakt. Geloven, dat Jezus is de Zoon van God, is niet slechts met verstand en hart Zijn waardigheid als zodanig erkennen; het is Hem zelf aannemen en aangrijpen in al Zijn onmisbaarheid, alvoldoendeheid, dierbaarheid. Het is het geloof in de Zoon van God, als die echt in het vlees is gekomen, in de volle historische Christus van de Schriften zo, de Zoon van God en van de mensen, die door Zijn wondervolle verschijning en zegenrijke werkzaamheid, door Zijn verzoenend lijden en sterven, door Zijn opstanding en heerlijkheid in de hemel het licht is en het leven van de wereld. Het is het geloof, dat (vs. 12) de Zoon heeft en in de Zoon de Vader en in beider gemeenschap een eeuwig levensbeginsel. En van wie nu zo in Christus gelovend, echt uit God geboren is, zegt Johannes, dat hij “de wereld overwint. ” Door wereld verstaat hij, naar zijn eigen woord weer (Hoofdstuk 2: 16), al wat niet uit de Vader is, maar in het boze licht, de begeerlijkheid van de ogen en de begeerlijkheid van het vlezes, en de grootsheid van het leven. Hij denkt met andere woorden aan die van God afkerige macht, die zich met onverzoenlijke haat tegen het woord van de waarheid verzet en waarvan ieder Christen op zijn beurt de noodlottige invloed ervaart. Maar wel verre van daarvoor te beven, roemt hij niet enkel in eigen naam, maar ook in die van al zijn medeverlosten: “dit is de overwinning, die”, zo staat er letterlijk, “de wereld overwonnen heeft, ons geloof”. Is de gissing al te gewaagd, dat hem hier het woord uit het onvergetelijke afscheidsuur van de Heer voor de geest zweefde: “heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen? ” In ons oor althans klinkt hier nog iets na van die hooggestemde triomftoon en vruchteloos tracht ik u al de schoonheid en kracht van dit woord juist in Johannes’ mond te doen voelen. Daar zit hij neer, de Benjamin der apostelen, die reeds een patriarch is geworden in zijn stil verblijf te Efeze. Nauwelijks kan hij een voet breeds gronds op aarde zijn eigendom noemen, zijn lichaam draagt nog de sporen van de geselstriemen, weleer voor de zaak van Christus ontvangen; zijn leven wijs een rusteloos strijden en waar hij nog altijd met onverzwakte kracht van de Christus getuigt, ziet hij van verre de Antichrist reeds voor zijn ogen verschenen. En toch durft die oude vissersgezel, als slotsom van zijn levenservaring, het woord in de pen nemen, dat geen van de Romeinse Cesars, die hij zag heersen en sterven, van zichzelf had durven terneer schrijven: “Onze overwinning, die de wereld overwonnen heeft! ” Voorwaar dat is groot; u grijze krijgsknecht van Christus, maar hoe groot moet dan de Meester niet zijn, die zulke discipelen vormt!
a) Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God (Hoofdstuk 4: 15), want bij dit geloof heeft Hij een woning in ons hart, Hij die groter is, dan die in de wereld is (Hoofdstuk 4: 4).
1 Kor. 15: 57
Het zijn de hoogste geboden, die Christus geeft, zoals Hij zelf ze alleen volkomen heeft vervuld, de geboden, zoals die in Zijn bergrede zijn ontwikkeld, de grondtrekken van een heiligheid, die boven alles schittert, zoals die door geen menselijke zedenleer zijn bereikt, waarvoor iedere menselijke geest zich in diepe ootmoed moet buigen; en toch horen wij Johannes zeggen: (vs. 3) “Zijn geboden zijn niet zwaar. ” Als het hoogste van de zedenleer moesten zij toch het zwaarste zijn: hoe moeten wij het dan verstaan, als de apostel ze toch voorstelt als niet zwaar? Nu hij zelf zal dat toch hebben ervaren, anders zou hij het niet zo schrijven. Niet in deze geboden zelf, dat is duidelijk, niet in hun betrekking tot andere zedelijke geboden moet de reden liggen, waarom zij niet zwaar worden geheten, deze reden moeten liggen in het veranderde standpunt van de mensen over de goddelijke wet, die vroeger voor hen zwaar was, ja niet te vervullen, maar die nu ten gevolge van de verandering, die met hen heeft plaats gehad, voor hen licht geworden is. Als grond daarvoor voert Johannes in vs. 4 aan, dat alles, wat uit God geboren is, de wereld overwint. Dus daaruit, dat de gelovigen de kracht hebben ontvangen om de wereld te overwinnen, leidt hij de gevolgtrekking af, dat deze geboden voor hen niet meer zwaar kunnen zijn, hoe zwaar zij ook voor hen zijn, die deze kracht om de wereld te overwinnen, nog niet deelachtig zijn geworden. Wij zullen daaruit dus kunnen besluiten, wat er toe vereist wordt, om deze geboden te vervullen, dat is de overwinning van de wereld: alleen in de strijd met de wereld kunnen zij worden volbracht. Wat voor de mens de vervulling ervan zwaar maakt is het gevangen zijn van de geest in de wereld, de macht van de wereld over de geest, de lust tot de wereld, het wereldse van de geest, waardoor de hogere, met God verwante natuur van de mens, waarvoor Gods wet bestaat, waarin zij overeenstemming vindt, onderdrukt is geworden. De macht van de wereld is de macht van al wat ongoddelijk is, terwijl dit over de geest heerst, komen aan hem, die zich tot de wereld voelt getrokken, die zijn hoogste goed in haar vindt, Gods geboden zwaar voor. Omdat nu in de kracht van het goddelijk leven, dat de gelovigen hebben ontvangen, de macht is gegeven, die de wereld overwint, zo zegt Johannes, dat alles, wat uit God geboren is, de wereld overwint; omdat door deze wereld overwinnende macht ook de hinderpalen, die de vervulling van de geboden tegenstaan, gemakkelijk worden overwonnen, zegt hij dat Gods geboden voor de gelovigen niet zwaar zijn. Zij bezitten de kracht, waardoor wat zwaar is voor hen licht wordt gemaakt. Johannes stelt dan ook in vs. 5 datgene voor, waardoor gelovigen van de macht van de wereld worden bevrijd, van kinderen van de wereld tot kinderen van God worden gemaakt, het goddelijk leven ontvangen, waardoor zij dus geschikt worden de wereld te overwinnen; het is het geloof in Jezus als de Zoon van God. Wij moeten echter wel opmerken, dat de apostel niet zegt: “het geloof is het, waardoor wij de overwinning over de wereld behalen; ” niet “het geloof is het, dat de wereld overwinnen zal”, maar hij zegt: “het geloof zelf is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft”, waarin nog meer licht opgesloten. Wij moeten de diepe inhoud geheel proberen te ontwikkelen. Het geloof zelf is reeds een daad van de overwinning over de wereld, het kan alleen tot stand komen in de strijd met de wereld als een over deze behaalde overwinning; want als het goddelijke trekken van zijn binnenste, het trekken van de Vader tot de Zoon de mens tot geloof beweegt, dan treedt de gehele wereld hem tegen en laat hem niet tot het geloof komen. Wat in de mens van de wereld is en met de wereld samenhangt, streeft het zich ontwikkelend geloof tegen. Vandaar die veelvuldige tegenwerkingen, die het de mens zo zwaar maken om te geloven: vandaar de macht van de twijfelingen, die zich tegen het geloof verzetten en zo is reeds het geloof zelf een overwinning over de wereld. En evenals het, door de overwinning over de wereld tot stand gekomen, datgene is, wat eens voor altijd de wereld overwonnen heeft, ligt daarin de goddelijke kracht, waartegen de wereld niets kan doen. Het geloof heeft de wereld eens voor altijd overwonnen; daarin is de overwining gegeven, die in elke volgende strijd met de wereld door de vervulling van de goddelijke geboden wordt bevestigd. Het gehele volgende Christelijke leven is, als dat het geloof getrouw vast houdt en in zijn rustige, gezonde ontwikkeling voortgaat, niets anders dan de voortzetting van de eenmaal in het geloof behaalde overwinning over de wereld.
In de wereld worden vele banieren opgeworpen en ook tegen de wereld wordt menig veldteken in de strijd gevoerd; maar aan geen vaan verbindt zich de zegepraal, behalve aan de kruisbanier. Het geloof en het geloof geheel alleen overwint de wereld; maar niet een eigenwillig geloof, niet een modegeloof, maar alleen het geloof in Jezus; en weer niet een geloof in Jezus naar eigen goedvinden en eigenmachtig teweeg gebracht, een geloof in Hem, evenals aan de profeet, een geloof aan het ideaal van de mensheid, of iets dergelijks, maar alleen het schriftuurlijk geloof in Jezus als de ware Zoon van God overwint de wereld.
De Joden, Turken enz. geloven ook, zoals zij zeggen, in God, die hemel en aarde geschapen heeft; maar dat dit nog geen waar geloof is, blijkt daaruit, dat het niets doet, noch teweeg brengt, noch strijdt noch overwint, maar ze allen laat zoals ze zijn, in de oude geboorte en onder de macht van de duivel en van de zonde.
Een oud wijs man heeft gezegd: men geeft mij een punt buiten de wereld, waarop ik zal mogen staan en ik zal de wereld uit haar herren oplichten; dit wonderpunt is aan ons geloof gegeven, het heet: “Jezus Christus. “
Acht de geboorte uit God niet te zwaar, alles komt daarbij aan op het geloof aan de getuigenis van God ontleend; maar neem ook het geloof niet te licht; het moet u alles opleveren, wat geboorte uit God, leven uit God, gemeenschap met God oplevert.
De wereld is een rijk, dat tegen zichzelf verdeeld is. Daarin strijden macht tegen macht en zonde tegen zonde. Het ene deel van de onderdanen ergert zich aan de verdorvenheid van de anderen en zoekt naar een middel om een al te grote uitgieting van ongerechtigheid bij deze te bedwingen en uit het onreine huis ten minste de onreinste geesten uit te werpen. Ja, zoals elke hoogmoedige mens in het klein bij het onzalig gevoel van zijn verdorvenheid, in plaats van schuld te belijden en hoger hulp te zoeken, nog eerst, nog lang en soms levenslang, maar tevergeefs zichzelf poogt te redden, zo volhardt, lijdend onder het gevoel van haar ellende, de verdorven wereld in het groot in een reeks van steeds vruchteloze uitspanningen tot overwinning van zichzelf. De overwinning van zichzelf. Ja, deze verwacht de wereld van haar nieuwe middelen tot beschaving, tot verlichting, tot bevrediging van allen, van haar nieuwe uitvindingen tot verbetering van de slechtsten, van haar herhaalde omwentelingen en herhaalde proefnemingen met nieuwe denkbeelden, nieuwe wetgevingen, nieuwe regeerders; deze van haar kruistochten tegen bepaalde zonden en van haar werktuiglijke opvoeding tot Christelijke deugden. Tevergeefs! Als zij niet komt, in Johanneische zin, tot het geloof, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, haar enige Redder en haar wettige Koning, zij zal dan ook niet een enkele van haar zonden, van haar boze kwalen, van haar plagen meester worden, geen enkele van haar boze geesten uitwerpen. Maar zij zal blijven die zij is: de wereld, die in het boze ligt. Zegt haar dit, u kinderen van God, die in haar midden gelooft en strijdt! en acht u niet voldoende gewroken op de verachting, waarmee zij u bejegent, als u niet enkelen, niet velen van haar kinderen door de gelijkmatigheid van uw liefde, de onverstoorbaarheid van uw geluk, de kracht van uw vertrouwen, tot het aannemen van uw getuigenis kunt bewegen! Maar houdt niet op, bij elke blijvende aanraking, bij elke nieuwe ontmoeting, die u met de wereld heeft, ook uzelf toe te roepen: Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? Wacht in de strijd met haar boze macht nooit heil of beul of ondersteuning van enig hulpmiddel, of van enige maatregel enige gunstige omstandigheid of medewerkende neiging. Niet bij de vrees, niet bij de vlucht, niet bij de spijt, niet bij de smart is de overwinning van de wereld. Afzondering en zelfkwelling hebben haar nooit teweeg gebracht. Verliezen, rampen, zorgen, teleurstellingen, kwade bejegeningen en verdenkingen, kunnen de wereld wel meer doen haten en zorgvuldiger ontwijken, maar niet volstandiger doen overwinnen. Dit kan doen slechts uw geloof en de versterking van uw geloof; dit kan doen slechts het geloof; niet in uw geloof, maar in uw Heiland en in Zijn liefde; een liefde, waarvan geen hoogte of diepte u scheiden zal. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon van God?
Opmerkelijk! nog heeft de apostel, bij de veelvuldige voorstelling van de uitnemendste en hoogste aller geestelijke gaven en krachten: “de liefde. ” slechts een enigmaal melding gemaakt van het geloof in de Naam van Jezus Christus. En het is ook inderdaad niet zonder juistheid meer dan eens gezegd, dat van de drie grote schriften, die wij van Johannes in de Kanon bezitten, in het Evangelie meer bijzonder het geloof, in het boek van de Apocalyps de hoop, (te weten van ?s Heren toekomst en Koninkrijk) in de eerste brief bepaaldelijk de liefde als hoofdgedachte en hoofddoel van de apostolische onderwijzing uitkomt. Maar is de liefde, volgens een andere verklaring van de apostel, de meeste onder het volheerlijke en zalige drietal, het is slechts uit de wortel van het geloof dat, volgens de leer van beide, alle van de apostelen van de Heere, de vrucht van de liefde geboren wordt. En zo voert ons dan ook de Brief van Johannes ten slotte als met verhoogde nadruk op die wortel van alle geestelijke levenskracht, beweging en vruchtbaarheid terug. Na in het lichaam van de Brief de volheid en heerlijkheid van die grote Godsgave en Godskracht, de liefde, van alle zijden beschouwd te hebben, roert hij, nu als ware het triomferend uit, aan welke grondkracht in de kinderen van God de overwinning, die hun reeds gegeven en verder is toegezegd, te danken is. En dan luidt het met betekenisvolle en bezielde herhaling in zijn onnavolgbare taal aldus: Al wat uit U geboren is, overwint de wereld en dit is de overwinning, die de wereld overwint: ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon van God?
Deze, van wie ik zo-even zei, dat het geloof in Zijn naam een wereld overwinnende macht was, is het, die bij de doop, waardoor hij een gemeente van het Nieuwe Testament in de plaats van die van het Oude stelde, gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus. Niet, zoals voor Hem, Johannes de Doper, die slechts met water heeft gedoopt, omdat hij de zaligheid niet zelf kon teweeg brengen, maar alleen daarop kon voorbereiden (Joh. 1: 26, 3: 25 vv.), door het water alleen, maar zoals dat nodig is tot hele zaligmaking van hen, die in Zijn levensgemeenschap willen intreden, door het water en het bloed. Hij heeft Zijn bloed voor verlorenen gestort; en, waar de zondaar door het geloof in Zijn gemeenschap komt, daar wordt het hem duidelijk, dat het bloed van Jezus reinigt van alle zonden; dan ziet hij in zijn doop ook het teken van het Verbond, dat God met hem heeft gemaakt (Hoofdstuk 1: 7 Hand. 22: 16. 1 Kor. 6: 11. 1 Petrus 3: 21). En de Geest, die bij zo’n geloof en bij de doop van de gelovigen wordt geschonken, dat bij de Doop van Johannes niet geschiedde (MATTHEUS. 3: 11 Hand. 19: 1 vv. Joh. 7: 39), is het, die in de gaven en krachten, die Hij van de hemel meebrengt, getuigt, dat de Geest, alles wat dat nieuwe geestleven in zich bevat (Joh. 3: 6), de waarheid is, het gehele bezit van de zaligheid, waarboven voor deze tegenwoordige wereld nu niets meer te wachten is (Joh. 1: 14, 17; 5: 33).
Volgens Johannes’ leer is het een vaste stelregel, dat een ieder, die echt in de Heere Jezus Christus gelooft, een wedergeborene, die zijn leven uit God heeft, niet alleen God Zijn Vader zal beminnen, maar ook al de kinderen van God en dat hij tevens zijn liefde voor God tonen zal in de gehoorzame betrachting van al Gods geboden, die dan ook in zijn schatting niet zwaar, niet moeilijk zullen zijn. Is er toch een nieuw levensbeginsel in ons, dat uit God is en dus naar God trekt, dan zal men ook Zijn bevel met liefde en lust ontvangen; ook is er voor de liefde niets te zwaar en het geloof, dat God in het juiste licht als alleszins dienenswaardig kent, dat Jezus in Zijn hoogheid en waardigheid erkent, dat al de beloften van God aanneemt, is het beste en ook een zeker middel, om al de tegenstand van de bedorvenheid, van de wereld en van de Satan, waarmee wij te strijden hebben, volkomen en zeker te overwinnen. Alles komt dus aan op het ware geloof in Jezus Christus, onze Heer en op de beoefening daarvan. Laat er vijandschap en tegenstand van allerlei aard in deze wereld zijn tegen het rijk van God, tegen het Evangelie en tegen al Gods kinderen, wanneer wij maar echt staan in het geloof, dat Jezus Christus in Zijn waarde erkent en aanneemt en geheel omhelst en dat een waar leven uit God ten gevolge heeft, dan is de overwinning niet te betwijfelen, de vijand kan doen tegen de waarheid niets; hij kan ons Christus uit het hart niet ontroven en wat immer in ons zondige en zinnelijke gemoed hem begunstigt, moet voor de kracht van het geloof ten slotte geheel bezwijken. Hoogst belangrijk zijn na zo’n voorstel de gronden van zekerheid, die de apostel bijbrengt voor het geloof, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God. Lag hieraan in zijn tijd veel gelegen, dan stelt hij dit ook in bewoordingen voor, die voor zijn dagen alleszins gepast waren en tegenover de dwaalbegrippen van de Gnostieken stonden; maar dan hoeven zij ook voor ons geen duisterheid te hebben, wanneer wij slechts opmerken, dat Johannes door water verstaat ?s Heilands doop in de Jordaan, toen een Godsstem Hem voor de Zoon verklaarde en door bloed van Jezus bloedig lijden en sterven doet denken, waardoor Hij de verzoening van onze zonden heeft aangebracht, terwijl wij de laatste woorden van vs. 6 duidelijkheidshalve liefst zouden vertalen: ook de Geest getuigt dit, want de Geest is de waarheid zelf, doelend daarmee of het voorgevallene op de doorluchtige Pinksterdag. Wij mogen het dus in met de apostel Johannes daarvoor houden, dat het voorgevallene te Bethabara, op Golgotha en op het eerste Pinksterfeest na Jezus hemelvaart, alles in een volkomen licht stelt, wat wij van Jezus Christus, van de verlossing, die in Hem is en van Zijn werking te geloven hebben tot onze zaligheid.
Want drie zijn er, die getuigen in de hemel van de waarheid en heerlijkheid van het Evangelie en van Gods genadewerk in het hart, namelijk de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn een. Vader en Zoon geven getuigenis door de Heilige Geest, die zij zenden, en met wie zij de enige, waarachtige God zijn.
Zonder enige twijfel geven wij toe, dat deze woorden niet worden gevonden in de Griekse handschriften, behalve Cod. 34. 162, 173, noch in de oude vertalingen, noch zelfs in de handschriften van de Vulgata voor de 10de eeuw; men mag echter zo’n inlassing vooral van een plaats als deze wel voor iets bijzonders houden. Het kunnen woorden zijn van dezelfde schrijver, later als kanttekening bijgevoegd, of van een ander, die door de Geest van God werd geleid. Of die woorden van Johannes zijn of niet, hoe ze in de tekst zijn gekomen, is een zuiver wetenschappelijk vraagstuk en zeker mag de criticus hier werkzaam zijn. Het neemt echter niet weg, dat voor de Christelijke gemeente ook dit woord een deel is van haar heilige, door Gods Geest ingegeven Schriften, welk mens ook tot het neerschrijven daarvan gebruikt is. De getuigenis van de Heilige Geest in de harten, waarvan onze Gereformeerde geloofsbelijdenis spreekt, is ook over deze woorden, en de hoge en heerlijke waarheid, die daardoor uitgedrukt is.
Is het bekend, dat over de echtheid van de plaats 1 Joh. 5: 7, of deze niet of al door Johannes geschreven is, onder de geleerden getwist wordt, dan is het tot volkomen geruststelling van veler harten nodig, dat wij daarover het een en ander in het midden brengen. Allereerst merken wij aan, dat gedurende de vijftien eerste eeuwen in de kerkelijke geschiedenis niets wordt aangetroffen van enige twist of twijfel over deze plaats, zo deze in de gewone Latijnse vertaling, die de kerk in gebruik had, gevonden werd; maar dat met of na Erasmus deze twist een aanvang genomen heeft. In de eerste in tweede uitgaaf namelijk van zijn vertaling van het Nieuwe Testament heeft hij de woorden in vs. 7 en 8 niet geplaatst: “in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest en deze drie zijn één; en drie zijn er, die getuigen op aarde. ” zodat de woorden van vers 7 en 8 bij hem aldus samenhangen: Drie zijn er, die getuigen, de Geest, het water en het bloed en deze drie zijn tot een. Hierover echter beschuldigd en aangeklaagt, heeft hij zich daarmee verdedigd, dat hij deze woorden niet gevonden had in de handschriften, die hij kende en door anderen op zijn verzoek geraadpleegd waren. In zijn derde uitgave evenwel heeft hij die ingevoerd, omdat hij bij nader onderzoek, dat hij ook in het Vaticaan te Rome heeft laten doen, van de echtheid van deze plaats volkomen overtuigd was geworden. Kort na hem heeft George Blandrta van Piemont en vervolgens ook Socinus openlijk de echtheid van deze woorden betwijfeld en bestreden, en na hen is dat in latere tijden en in onze dagen door zeer vele geleerden gedaan. Ons inziens, schijnt het echter onweerlegbaar, dat vele Kerkvaders reeds voor de Ariaanse twisten in de vierde eeuw deze woorden in hun schriften hebben aangehaald, dat zij niet zouden hebben kunnen doen, als zij die in hun bijbel niet hadden gelezen. Duidelijk zijn toch onder anderen de woorden van Cyprianus, die in het midden van de derde eeuw heeft geleefd, wanneer hij in zijn verhandeling over de eenheid van de kerk schrijft: “de Heere zegt: Ik en de Vader zijn een en weer is geschreven, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest: deze drie zijn een. ” Op gelijke wijze zegt Tertullianus, in de tweede eeuw, in zijn verdediging tegen Praxeas, sprekend van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, “dat deze drie in elkaar verenigd zijn, die drie een en dezelfde zaak zijn, maar niet een en dezelfde persoon. Zoals er gezegd wordt: Ik en de Vader zijn een. ” Ook hebben de vervaardigers van de Latijnse vertaling, ten tijde van Hi?ronymus deze woorden behouden, ten bewijze dat zij in de Griekse handschriften, die zij kenden en gebruikten, gevonden worden; zoals ook Hi?ronymus die in zijn vertaling aanvoert en de Afrikaanse bisschoppen zich daarvan niet zouden bediend hebben tegen Arius, als zij destijds voor onecht verklaard konden worden, waarbij wij alleen nog voegen willen, dat Lourens Valla, in het midden van de vijftiende eeuw, nog zeven oude Griekse handschriften heeft ontdekt, waarin allen deze tekst volledig gevonden werd. De slotsom van alles moet dus eenvoudig deze zijn, dat Johannes deze woorden echt geschreven heeft, maar dat die in latere tijd door onachtzaamheid van de afschrijvers in een en ander afschrift zijn uitgevallen, dat door de gelijkheid tussen vs. 7 en 8 zeer gemakkelijk kon geschieden, zoals er op deze wijze vaker bij het afschrijven woorden zijn uitgevallen of omgezet.
En drie, zo velen als er tot een ontwijfelbaar zeker en onvoorwaardelijk geldend getuigenis op zijn hoogst door de wet van Mozes worden gevorderd (Deut. 17: 6; 19: 15), zijn er in dit geval werkelijk aanwezig, drie, die getuigen op de aarde daarvoor, dat in Christus Jezus de volle zaligheid ons ten deel is geworden en aan de mensen geen andere naam is gegeven, waardoor wij zalig moeten worden (Hand. 4: 12): de Geest, die volgens Jo?l 3: 1 v. over ons wordt uitgestort en het water, dat volgens Ezech. 36: 25 als een zuiver water over ons wordt gesprengd en het bloed, dat ons van alle zonden reinigt (Jes. 52: 15. 1 Petr. 1: 2 ; en die drie zijn tot een; zij lopen als geheel met elkaar overeenstemmende getuigen met hun getuigenis op dat ene uit, dat nu vervuld is, wat voor de tijd van het Nieuwe Testament was voorspeld en beloofd (Hand. 13: 23 vv.).
Als wij in maatschappelijke zaken en in het bijzonder bij rechterlijke handelingen, als het er bepaald op aankomt de waarheid te leren kennen, de getuigenis van de mensen aannemen, wanneer er meerdere getuigen zijn en drie in hun getuigenis overeenstemmen (Joh. 8: 17 Matth. 18: 16. 2 Kor. 13: 1. 1 Tim. 5: 19, de getuigenis van God is meer. Wat God verzekert is oneindig meer in getrouwheid en in belangrijkheid, dan wanneer een mens een verklaring geeft, zoals een ieder, die echt in God gelooft, erkent, zodat hij dus des te vrijmoediger zal aannemen. Daarom hadden ook zij, die zich beroemden Mozes en de profeten te bezitten (Joh. 5: 45; 9: 28 v. ; 16: 29 wel alle reden gehad, om het Christelijk geloof (vs. 4 v) aan te nemen. Want dit is de getuigenis van God, op welker aanneming het bij het Christen worden vooral aankomt (Hand. 26: 28), die Hij van Zijn Zoon getuigd heeft en dan was, omdat God zelf voor Christus getuigenis heeft afgelegd en men dus niet met zuiver menselijke getuigen te doen had, het Christenworden toch echt niet zo’n zware zaak voor hen geweest.
a) Die in de Zoon van God gelooft, zoals werkelijk enigen uit Israël ten gevolge van de door God afgelegde getuigenis in Christus gelovig zijn geworden (Rom. 11: 1 vv.), heeft de getuigenis in zichzelf. Hij ondervindt de overtuigende kracht van de waarheid in zijn eigen hart en is zich wel bewust, dat hij bij zijn gelovig worden niet te doen had met een menselijke overreding of valse inbeelding. Die daarentegen God niet gelooft op Zijn getuigenis, zoals het ongelovig gebleven aantal veel groter is, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt. Hij behandelt tochGods getuigenis als een leugen, die men niet mag vertrouwen, maar integendeel moet weerspreken. En dat doet werkelijk degene, die geen Christen wil worden, omdat hij niet gelooft heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon en die hem tot deze Zoon als de enige en waarachtige Heiland wijst (Joh. 5: 31 vv.).
Joh. 3: 36 Rom. 8: 16 Gal. 4: 6
En dit is de getuigenis, waarvan ik vroeger zei, dat wij, die gelovig zijn geworden, die in ons hebben, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft (Hoofdstuk 3: 4), a) en dit leven is, zoals wij ons tevens daarvan bewust zijn, nergens dan in Zijn Zoon en in deze nu ook geheel en ten volle, zodat het tot een gelijk zijn aan Hem zich ontwikkelt (Hoofdstuk 3: 2 Joh. 10: 11; 14: 6).
Joh. 1: 4
Zo is, zoals ik boven (Hoofdstuk 3: 7 vv.) het onderscheid tussen de kinderen van God en de kinderen van de duivel heb uiteengezet, wat het Joodse volk betreft, het onderscheid tussen hen, die in Christus gelovig geworden zijn en hen, die in Hem niet wilden geloven. dit: Die de Zoon heeft, die heeft het leven, dat zich eens tot eeuwigeheerlijkheid ontwikkelt (Hoofdstuk 2: 24 v.); die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet, de toorn van God blijft op hem en hij zal sterven in zijn zonden (Joh. 3: 18, 36; 8: 24).
Voor deze vrij moeilijke plaats (vs. 6-12) is het bij de wetenschappelijke uitleggers bijna vaste gewoonte geworden om aan te nemen, dat Johannes hier tegen het docetisme van Cerinthus 1Jo 4: 3 polemiseert. Welke scheve en vreemde woordverklaring bij zo’n voorstelling voor de dag komt, is reeds door anderen zo duidelijk aangewezen, dat wij die gehele opvatting wel dadelijk terzijde kunnen laten. Ook in elke andere vorm blijkt de mening verkeerd te zijn, alsof hier bij het “water” in vs. 6 en 8 gesproken werd van de van Christus ontvangen doop. Wij hebben alleen te denken aan de door Christus ingestelde doop, waardoor Hij het Nieuw-Testamentische verbondsvolk samen brengt en in de plaats van het Oud Testamentische Israël de Christelijke kerk plaatst als het tegenwoordig huis van God (1 Petr. 2: 9; 4: 17). Wij moeten nu echter niet menen, zoals velen hebben gedaan, dat naast het “water” als doopsacrament het “bloed” het andere sacrament zou moeten betekenen, want het heilig avondmaal wordt wel in 1 Kor. 11: 29 lichaam van de Heere genoemd, maar daaruit volgt niet, dat het even goed ook kort van het “Heeren bloed” zou kunnen heten. In zijn eerste uitlegging spreekt Luther zich daarover op de volgende wijze uit: “De meeste uitleggers zien op de twee sacramenten, omdat bij het openen van de zijde van Christus daaruit water en bloed zijn gevloeid (Joh. 19: 34). Mij mishaagt wel deze verklaring niet, maar ik versta het bepaald van de doop, want Johannes vat samen wat wij aan het rijk van Christus hebben en prijst de kracht van onze dierbare doop en van het lijden of bloed van Christus; hij vat alles samen als in een bundeltje en maakt een drietal uit die getuigenis, dat tevens alle drie samen en met elkaar aan ons geloof getuigenis geven en het bevestigen: “water, bloed en geest. ” Intussen moeten wij ons nog verder verwijderen van de uitleggers, zelfs van die, met wie wij tot hiertoe dezelfde weg konden gaan. Zij geloven namelijk, dat Johannes hier de getuigen, waarvan hij spreekt, daartoe aanvoert, dat Jezus, zoals aan het einde van vs. 15 wordt gezegd, Gods Zoon is. Wij menen, dat de juiste vertaling van het einde van vs. 6 moet zijn: “want de Geest is de waarheid (het Griekse woord oti toch heeft evenzeer die betekenis). Het voorname punt toch, dat Johannes in vs. 8 wil zeggen, ligt niet achterwaarts, maar voorwaarts in hetgeen hem in vs. 9-12 vervult. En het is het ongeloof van het uitverkoren volk van Israël, dat hij om dit door de oversten over hen gebracht ongeloof, hen noemt met de minder schoon klinkende naam van Joden en hen als een vreemd lichaam behandelt, hoewel hij zelf van nature een Jood was Joh 1: 19. Op dit ongelovige volk van de Joden doelde hij zonder twijfel reeds, toen hij in vs. 4 schreef: “dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof”; want daarom was nu werkelijk reeds de wereld naar het een gedeelte van haar toenmalig bestaan (Rom. 3: 29) overwonnen, daar, al was ook Jeruzalem met zijn tempel nog niet verwoest en het volk nog niet uit zijn land verdreven, toch Christus? woord in Matth. 21: 43 reeds vervuld was en het Jodendom voor het Christendom had moeten wijken. Herinneren wij ons, hoe het in het jaar 67 na Christus, in welk jaar volgens onze mening Johannes zijn brief schreef, in het Joodse land stond, hoe toen de oorlog met de Romeinen, om hun juk te verbreken en hun macht te overwinnen reeds woedde en de Joden door alle neerlagen, die zij leden, slechts des te fanatieker voor hun geloof ontbrandden en meenden, dat de overwinning toch ten slotte aan de zijde van Gods volk moest zijn, dan is het, alsof Johannes op die dwaze waan met zijn vraag zinspeelt: “wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? ” Niet de Joden, zo makkelijk daarin opgesloten, zullen Rome en zijn heerschappij breken, maar zelf erdoor gebroken worden. Wel is het Christelijk geloof reeds begonnen Rome en zijn afgodstempels te overwinnen en hoewel de Christelijke gemeente voor een tijd door dit Rome en zijn keizer tot de dood vervolgd wordt, zal toch aan haar ten slotte de overwinning zijn. Van dit standpunt van beschouwing, als de apostel voornamelijk het ongelovige Israël op het oog heeft, doet zich het gezegde in vs. 6-8 voor als een theodic?e of verdediging van God tegenover het Joodse ongeloof. Van Zijn zijde heeft hij niets verzuimd, om Jezus Christus, die de Joden als een valsen Messias of Heiland hebben bestempeld, opdat zij Hem met een schijn van recht zouden kunnen verwerpen, maar toch alleen daarom Hem niet wilden hebben, omdat Hij geen Helper en Zaligmaker naar hun smaak was, voor dit volk te legitimeren als Gods Zoon en als de ware Christus van de Heere. Hij wilde Hem doen kennen als degene, die in alle stukken datgene had gedaan en aangebracht, wat van de toekomende Verlosser in de wet en de profeten was voorspeld, en die ook werkelijk en volkomen, zoals wij Christenen onszelf daarvan een bewijs zijn, zalig heeft gemaakt allen, die zich in het geloof tot Zijn weg ter behoudenis hebben gewend. Omgekeerd komt het in vs. 9-12 gezegde voor als de erkentenis van het veroordelend gericht, waarmee de Joden om zo te zeggen uit het proces met God zijn gekomen. Terwijl men toch de getuigenis van de mensen laat gelden, als het met de eisen van de wet overeenkomt, hebben zij Gods getuigenis, die oneindig groter is, niet aangenomen hebben, terwijl zij dat niet lieten gelden, God tot een leugenaar gemaakt, hebben echter ook tot straf daarvoor zichzelf van het leven beroofd, dat in de Zoon van God hun was aangeboden; en wat het gevolg daarvan zal zijn, dat zal die dag ten volle aan het licht brengen, die reeds is aangevangen (Hoofdstuk 2: 18). Wij vinden dus hier een dergelijke beschouwing van de apostel, als wij in het Evangelie van Johannes (Hoofdstuk 12: 37 vv.) lezen op dat tijdstip, dat de Heere Zich nu het voltooien van Zijn openbare werkzaamheid voor de Joden verborg. Johannes weet uit hetgeen hem in het gezicht, volgens het zesde Hoofdstuk van de Openbaring op Patmos door hem ontvangen, afgebeeld was, dat nu in het heilige land die tijd was begonnen, dat Jezus Zich geheel en al voor de lange tijd van de verwerping van het Joodse volk verborgen had en de heerlijkheid van de Joodse tempel was geweken (Hoogl. 5: 6. Ezech. 11: 22 vv). Zou hij dan in zijn brief, als deze, zoals wij hebben aangenomen, op zo’n tijd van Patmos door hem geschreven is, datgene, wat zijn hart bij de gedachte daaraan bewoog, niet hebben uitgedrukt? Het is toch, zoals wij in zijn Evangelie zien, zijn manier, om niet alleen vertellend, lerend, vermanend, maar op geschikte plaatsen ook reflecterend of beschouwend te schrijven en juist in zijn reflecties of beschouwingen ligt de voornaamste kracht van Zijn leren en vermanen. Heeft hij nu hier juist te doen met Christelijke gemeenten uit de heidenen, terwijl op de eerste blik het kon schijnen, dat hij volstrekt geen aanleiding had in een zendbrief aan hen zich uit te laten over Israëls hardnekkige verstokking en latere verwerping, zo zien wij toch uit Paulus brief aan de Romeinen (Hoofdstuk 9-11), dat de apostelen de zaak anders beschouwden, dat zij integendeel nodig achtten aan de Christelijke kerk uit de heidenen de waarschuwing te geven (Rom. 11: 22): “Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft, anderszins zult u afgehouwen worden. ” Als in vs. 6 wordt gezegd: “deze is het, die gekomen is door water en bloed enz. “, dan verplaatst Johannes zich daarmee in de tijd, dat hij voor 3-4 tientallen van jaren in gemeenschap met Petrus en de overige apostelen te Jeruzalem de kerk van Christus stichtte. Evenals de Doper, van wie de Heere zegt: “onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter” met water was gekomen, zo kwam ook hij zelf eerst met water, als zij, die tot zijn gemeente overgingen, door de doop in zijn naam zo’n overgang moesten bewerken. Zijn adoptie van de Johannesdoop was zijn feitelijk erkennen van de heilsweg van het Oude Testament, die in de Doper zijn toppunt had bereikt. Kennis van zonde, behoefte aan vergeving en verlangen naar vernieuwing van het hart, waartoe het oude verbond had moeten brengen, maakte hij daardoor als het ware tot het postament of onderstel van het door hen opgerichte nieuwe verbond. Maar niet met water alleen kwam hij, maar met water en bloed; zijn doop was niet, zoals Luther het uitdrukt, louter water, maar bloedig water en dat nu is, zoals hij verder zegt, de juiste zeep, die niet alleen de onreinheid van de huid van het lichaam afwast, maar doordringt en de inwendige onreinheid naar buiten dringt, zodat het hart voor God rein wordt. Uit dit zo nadrukkelijk verklaren van de apostel “niet door water alleen, maar door het water en het bloed”, mogen wij met recht besluiten, dat bij de Nieuw-Testamentische Christelijke doop het Johanne?sche onderdompelen in het water niet van zo’n gewicht is, als bijvoorbeeld de Baptisten menen. Integendeel zal een blote besprenging, die aan de besprenging met bloed (Hebr. 9: 13 v. 1 Petr. 1: 2 herinnert en deze als het eigenlijk hoofddeel in het sacrament op de voorgrond plaatst, nog zekerder en wel reeds vroegtijdig in bepaalde gevallen, dat geen of slechts weinig water aanwezig was (“Ac 16: 34, of als de doop aan vrouwelijke personen of kleine kinderen werd bediend, ook in de apostolische kerk hebben plaats gehad. Het profetische woord van het Oude Testament, als het op de Nieuw-Testamentische doop wijst, spreekt ook alleen van een besprenging (Jer. 52: 15 Ezechi?l. 36: 25), maar nergens van een onderdompelen in het water. Evenals nu Petrus in zijn Pinksterrede de Joden, die zien, in wie zij gestoken hebben en in hun zielsangst vragen “mannen, broeders! wat moeten wij doen? ” antwoordt: “bekeer u en een ieder van u wordt gedoopt in de naam van Jezus Christus”, niet alleen daarvoor de vergeving van de zonde belooft, maar ook de belofte er bijvoegt: “u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen” (Hand. 2: 37 vv.), zo voegt hier ook Johannes bij het bijkomen van de gaven van het Heilige Geest tot de doop van Christus. De zin, die geheel parallel aan de vorige: “deze is het, die gekomen is” ingericht is; en “de Geest is het, die getuigt”, verheft het boven allen twijfel, dat de Heilige Geest hiermee moet worden voorgesteld als een bijzondere, van Christus onderscheiden persoon. Als vervolgens van Hem wordt gezegd: “die getuigt, dat de Geest de waarheid is”, dan hebben wij reeds boven bij de verklaring van Christus? woord “wat uit Geest geboren is, dat is Geest” erop gewezen wat nu hier onder “Geest” moet worden verstaan en eveneens geeft ons het woord van de apostel in Joh. 1: 14 en 17, waar hij de genade en waarheid prijst, die in Christus te vinden zijn, aanwijzing, wat wij ook op deze plaats onder waarheid moeten denken. De genade brengt Christus door middel van de doop in Zijn naam, die niet alleen met water, maar met water en bloed geschiedt en terwijl de Heilige Geest op de aldus gedoopte en in Gods genadeverbond opgenomene neerdaalt, maakt Hij hem tot een uit de Geest geborene, zodat zijn nieuwe leven nu geest is en dit nieuw geschapen geestelijk leven is “waarheid”. Men is dan uit de waarheid, en wandelt in de waarheid, men is gesteld in het bezit van de volle zaligheid en de Heilige Geest geeft zo getuigenis aan onze geest, dat wij Gods kinderen zijn. Hij betuigt, dat niet slechts aan de gedoopte alleen, door hem een bewustzijn te schenken van zijn genadestaat, maar hij betuigt ook voor de wereld wat de gedoopten in Christus Jezus zijn geworden, namelijk nieuwe schepselen. Die getuigenis hebben de Joden in hun tijd vooral op bijzonder sterke en hartvertederende wijze voor zich gehad in de apostolische gemeente te Jeruzalem (vgl. Hand. 2: 47; 5: 13 Maar zij, die er door hun wet uitdrukkelijk aan gewend waren een getuigenis van drie, als het overeenstemde, hoog te achten, omdat gewoonlijk reeds zo een van twee voldoende was, hebben de hier optredende goddelijke getuigen niet erkend. Het water was reeds in Johannes de Doper als getuige onder hen opgetreden en hier kwam de door God geroepen getuige voor de tweede maal weer met zijn aanmaning: “Bekeer u en geloof het Evangelie. ” Het bloed trad voor hun ogen en klopte aan hun gewetens aan, toen de apostelen hen herinnerden aan Hem, die zij genomen hadden door de handen van de onrechtvaardigen en die zij aan het kruis genageld en gedood hadden (Hand. 2: 23; 3: 13 vv. ; 4: 10; 5: 30; 7: 52 Het werd hun echter tevens aangeboden als het genademiddel tot afwassing van hun zonden, als zij zich in de naam van de Gekruisigde wilden laten dopen. De Geest trad als getuige voor hen op in de Christelijke gemeente, van die leden in die bozen, verdeelde tijd zich als één hart en een ziel aaneensloten, waarvan in allerlei tekenen en wonderen enkel zegeningen uitgingen over het gehele volk, waaraan in hun met de Geest begaafde mannen mond en wijsheid was verleend, die al hun tegenstanders niet konden weerstaan. Maar wat baatte het? Zij waagden het in de allerzwaarste zelfverblinding, die er ooit was geweest, God tot een leugenaar te maken, omdat zij Hem, voor wie Hij met drievoudige getuigenis getuigde en die Hij als de ware Heiland en Zaligmaker voorstelde, evenwel voor een volksverleider verklaarden, voor een godslasteraar en een met recht uit Israël uitgevoerde boosdoener, wiens naam te noemen reeds een vloek aanbracht, maar die te vervloeken (1 Kor. 12: 3) het kenmerk van een waren Israëliet was (1 Tim. 1: 13 Hand. 26: 11) en die men daarom in Zijn belijders voor altijd tot zwijgen moest brengen, als men voor God een dienst wilde doen (Joh. 16: 2).
E. De apostel heeft uit hetgeen hij in de eerste kleinere helft van de vorige afdeling aan de lezers schreef, aanleiding genomen, om zich in de tweede, grotere helft over het gros van het Joodse volk uit te laten, dat zich op bijzonder zware wijze had schuldig gemaakt aan de loochening, dat Jezus de Christus, de Zoon van God was en dat nu, evenmin als de Zoon de Vader bezat, die het integendeel tot een leugenaar had gemaakt. Nu wendt hij zich, om zijn brief te besluiten, tot de lezers, om hun, die in de naam van de Zoon van God geloven, te doen voelen, hoe zij in zulk geloof het eeuwige leven hebben en als Gods kinderen, die zij daardoor zijn geworden, een vrije, open toegang hebben tot Hem en voor al hun gebeden het zeker vertrouwen tot verhoring (vs. 13-15). Johannes past nu wat hij over het bidden naar Gods wil gezegd heeft, toe op de voorbede voor anderen, die men ziet zondigen en om wier bekering te bidden de broederliefde zich gedrongen voelt. Hij merkt op, dat, waar de zonde van een ander een zonde ten dode is, men zich van de voorbede voor die moet onthouden, om niet in zijn verwachting van verhoring bedrogen te worden. Dit hoeft bij hen wel voor een deel dit als verborgen reden, dat hij voor zijn volk niet meer heeft geboden, maar alleen zijn oordeel erover heeft uitgesproken. Wat de lezers betreft ziet hij echter zonder twijfel op de antichristen, die van Christus zijn afgevallen en reddeloos verloren zijn en over wie men zich niet met de hoop moet vleien, alsof zij nog door bede en voorbede hen als een vuurbrand uit het vuur zou kunnen trekken (vs. 16 en 17). Als hij nu bij deze uitdrukkingen nog heeft opgemerkt, dal sommige zonden, alhoewel altijd onrecht, toch niet ten dode waren, stelt hij verder voor, dat ook zulke zonden bij een Christen niet moesten voorkomen. Hij plaatst het onderscheid tussen Christendom en wereld in een helder licht en sluit met een dringende waarschuwing tegen afgoderij (vs. 18-21).
Deze dingen, die u in vs. 6-12 leest, heb ik u geschreven, die u onderscheidt van hen, die Christus het geloof hebben geweigerd 1Jo 2: 26 en gelooft in de naam van de Zoon van God. Ik heb dat gedaan, opdat u weet, u onder het lezen van het geschrevene levendig bewust wordt, dat u werkelijk, zoals ik in vs. 11 v. zei, door zo’n geloof (Joh. 20: 31) het eeuwige leven heeft en dus, zoals dat volgens Hoofdstuk 1: 4 het doel is van mijn schrijven, uw vreugde volkomen zij en opdat u gelooft in de naam van de Zoon van God, u dat geloof bewaart, het u niet laat ontroven of verduisteren door de woorden van hen, die als antichristen en valse profeten nu bij u optreden (Hoofdstuk 2: 18 vv. 4: 1 vv.).
En dit is, zoals ik reeds in Hoofdstuk 3: 21 vv. daarop wees, de vrijmoedigheid, die wij, als kinderen van God, die wij door het geloof in de naam van Zijn Zoon zijn geworden (vs. 1; 3: 1, 10), tot Hem, onze Vader in de hemel hebben, a) dat als wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. Hij neigt zijnoren tot ons en merkt op de stem van ons gebed (Ps. 102: 3; 130: 2).
Jes. 29: 12 MATTHEUS. 7: 8; 21: 22 Joh. 14: 13; 15: 7; 16: 24 7 Jak. 1: 5
En als wij weten, dat Hij ons verhoort ten opzichte van alles wat wij ook bidden en dat Hij als een waar Vader, zoals Hij is, van het horen ook een verhoren maakt, dan weten wij tevens, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.
Johannes schrijft aan hen, die reeds sinds lang gelovigen waren, alsof zij er nu eerst toe moesten worden gebracht, om te weten, dat zij, is Jezus, de Zoon van God gelovend, daardoor het eeuwige leven ontvingen waren. Zij moesten zich altijd meer verblijden over hun goddelijke roeping; het moest hun ook steeds opnieuw voor de aandacht worden gesteld, dat hun iets hogers, iets meer, dan zij reeds in het geloof in Jezus de Zoon van God bezaten, door geen macht van de wereld konden verkrijgen. Zij moesten daardoor worden gewaarschuwd tegen de bedrieglijke voorspiegelingen van de valse leraars, die hen van hun geloof probeerden af te trekken en hun iets anders dan de waarheid, of iets als een hogere waarheid aanprezen. Zij moesten daardoor worden gedrongen tot getrouw vasthouden van dit geloof onder alle verzoekingen en alle strijd. Hij herinnert hen vervolgens, nadat hij dit algemene bewustzijn opnieuw in hen heeft opgewekt, aan een bijzondere vrucht, die zij te danken hebben aan de betrekking tot God, waarin zij door het geloof in Christus zijn gekomen. En deze vrucht is, dat hun God geen God meer is van verre, dat de kloof, die bestond tussen de mensen en hun Schepper, was opgeheven, dat zij in kinderlijk vertrouwen tot Hem stonden, zich in voortdurende omgang met Hem bevonden, dat zij in al hun behoeften zich met kinderlijk vertrouwen als tot een Vader en een Vriend konden wenden, dat zij steeds Hem bij zich hadden, bij wie zij hulp, raad en troost in alles konden vinden.
Wat de apostolische verzekering aangaat, dat God elk gebed verhoort, dat de gelovigen naar Zijn wil doen, hij, die in de bepaling “naar Zijn wil” een lastige beperking zou vinden en zijn blijdschap daardoor verdoofd zou voelen, zou het karakter van het gebed en de bijzondere aard van het geloof, waaruit het gebed voortkomt, miskennen en verloochenen. Er is geen gebed denkbaar zonder dat men zich buigt onder Gods wil, of liever zonder de blijde verheffing van deze wil van God, want de wil van God bedoelt niet anders dan onze zaligheid. Hebben wij echter naar de wil van God gebeden, dan hebben wij ook telkens de vervulling van onze bede, hoewel soms, zoals Luther zegt, het tegendeel schijnt, omdat wij de vervulling nog niet zien. Het afgebedene is ons reeds van God toegeschreven en toegedeeld, al wordt het ons ook niet steeds in handen gegeven, evenals soms, zo merkt Spencer op, ouders hun kinderen iets geven, maar het in de spaarpot bergen.
Als vervolgens God te Zijner tijd de spaarpotten uitschudt, waarin Hij voor Zijn kinderen de verhoring van hun beden heeft bewaard, dan wordt bevonden, dat Hij menigmaal een daalder geeft ingelegd, waar zij slechts om de penning baden.
Dank zij God, dat wij dit weten! De apostel had er reeds in het voorgaande van gesproken; maar dit was hem niet genoeg. Hij komt er nogmaals op terug, herinnert de Christenen hun groot voorrecht van tot God te mogen bidden met vertrouwen en brengt hun tevens onder het oog, hoe zij bidden moeten. Ja wel is het een groot voorrecht, dat wij mogen bidden, dat wij met vrijmoedigheid tot God mogen naderen, dat wij in het gebed ons hart tot Hem mogen verheffen en het voor Hem mogen uitstorten, dat wij tot Hem mogen spreken, zoals kinderen tot hun Vader en dat wij de vervulling van al onze behoeften van Hem mogen vragen. Wij voelen en erkennen dit te meer, hoe meer wij er gebruik van maken. Waarom bidden wij dan niet meer, niet alleen in het openbaar met de gemeente en met onze huisgenoten, maar ook in de eenzaamheid en onder onze werkzaamheden? Het gebed verlicht ons, vertroost ons, heiligt ons. Het werkt en versterkt het geestelijke, hemelse leven in ons en wij mogen vertrouwen, dat God de gebeden verhoort, die wij naar Zijn wil tot Hem opzenden. Wij kennen Hem immers als de Schepper en Heer van het heelal, wiens voorzienigheid gaat over alles, die door Zijn almachtige, alom tegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en regeert, zonder wiens wil zelfs geen mus op de aarde valt en die onze Vader is in Jezus Christus. Hij ken en wil ons dus schenken, wat wij van Hem vragen en kan en wil Hij dit, dan mogen wij er ook bijvoegen, dat Hij het ons zal geven. Maar zullen wij de verhoring van onze gebeden met volkomen vertrouwen van Hem kunnen verwachten, dan moeten zij zijn ingericht naar Zijn wil. Wat met die wil niet overeenstemt, onthoudt Hij ons, al houden wij er ook om aan in onze gebeden, niet omdat Hij het ons niet wil, of niet kan schenken, maar omdat het ons schaden zou en omdat Hij ons niet dan goede gaven schenken wil. Bidden wij dan steeds met kinderlijke onderwerping aan Zijn wil, in de geest en naar het voorbeeld van onze Heer! En staan wij vast in het vertrouwen, dat Hij ons hoort en verhoren zal, als wij naar Zijn wil bidden en de verhoring van ons gebed strekt om ons waarachtig geluk te bevorderen.
En laat ons ook naar het voorbeeld van de Heere, die bad (Luk. 21: 31 vv.), maar soms ook verklaarde geen voorbede te doen (Joh. 17: 9), ook onze gebeden altijd zo inrichten, dat zij naar Gods wil zijn en wij verhoring ervoor mogen vinden. Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, een zonde ziet begaan niet van zo’n aard, dat die tot de dood moet leiden (Joh. 11: 4), die zal God bidden en Hij zal Hem op dat gebed, dat hij in elk van dergelijke gevallen doet, het leven geven, degenen zeg ik, die zondigden niet tot de dood (Jak. 5: 15 vv). a) Er is een zonde tot de dood, die ook bepaald te onderkennen is, voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. Ik kan toch voor zo’n bede geen verhoring toezeggen (Hebr. 6: 4 vv.) en zou graag voor teleurstelling bewaren, die hij zeker zou ondervinden, als hij toch de bede wilde opzenden (Jer. 11: 14; 14: 11).
Num. 15: 30. 1 Sam. 2: 25 MATTHEUS. 12: 31 Mark. 3: 29 Luk. 12: 10 Hebr. 6: 4; 10: 26. 2 Petrus 2: 20
Alle ongerechtigheid, alle overtreden ten opzichte van hetgeen plicht en recht is, ook als men het voor een kleine zaak houdt 1Jo 3: 4, is zonde en er is zonde niet tot de dood. Waar nu zo’n geval bestaat, daar is de voorbede voor hem, die zondigt, op de juiste plaats en kan men op verhoring rekenen Heb 4: 16.
De apostel haalt nu een voorbeeld aan, waarom bij het gebed moet gelet worden op de wil van God en het verbond van Zijn genade. Het voorbeeld is ontleend aan de broederliefde en haar betoning in voorbede, omdat volgens het vaker aangewezen verband tussen geloof en broederliefde, het ook hier recht is, dat in het gebed de kracht van de broederliefde openbaar wordt.
Het komt wel voor dat zij, die streng jegens zichzelf zijn, dezelfde strengheid ten opzichte van anderen betonen, als zij de zonde in hen zien, zodat zij hen verachten en van zich stoten; maar dat is niet de ijver in de heiligmaking, die met het Christelijk leven overeenstemt. In het bewustzijn, dat hij zelf alles te danken heeft aan de verlossende genade en dat het leven van God in hem nog door zeer veel wordt verduisterd, moet de Christen des te zachter gestemd zijn jegens anderen, die hij ziet vallen, in het bewustzijn van eigen zwakheid en behoefte voor zichzelf aan verlossing. En hier zal zich vooral de macht van de liefde openbaren, die de noden van de broeders als zijn eigen voelt. Zo roept Johannes de Christenen op, om de broeders, die in zonde zijn vervallen, door hun voorbede te helpen en hij geeft hun de zekerheid, dat God in de gevallen broeders, in wie het leven van God door de zonde verduisterd is, die uit het verband van dit leven van God gevallen zijn in een verzoeking, waarin zij bezweken, het verduisterde leven van God weer tot de oorspronkelijke kracht terugkeert. Zij kunnen zo, door de liefde werkzaam in de voorbede, werktuigen worden tot weer levendmaking van hun gevallen broeders; welke hogere liefdedienst zouden zij hun kunnen betonen! Maar hoe moeten wij het verstaan, dat Johannes die eis beperkt, omdat hij met nadrukkelijke herhaling de doodzonde uitzondert? Moest men dan niet, hoe groter de nood van de ziel is, des te meer de hulp van anderen inroepen? Moest er voor de liefde, die zich in voorbede betoont, wel enige begrenzing zijn?
Als enig gebed naar Gods wil kan worden gedaan, dan is het zeker het gebed om de bekering en de zaligheid van de naaste; want dit is toch niet een gebed voor mij, maar voor hem, dus zeker uit liefde gedaan. Het is een gebed niet om aardse goederen, maar om het heil van de ziel, dus om het toenemen en komen van het rijk van God. Hierdoor zou men zich tot de theoretische mening kunnen laten verleiden, dat ieder gebed om bekering van een medemens verhoord zou moeten worden; die verkeerde gevolgtrekking wil de apostel voorkomen. De bekering heeft toch plaats in een sfeer, die met het gebied van de keuze van mensen in verband staat en op dit gebied is er een punt, waarop de menselijke wil zich tegen de werkingen van Gods genade tot bekering zo kan verstokken, dat God hem niet meer kan en wil redden. Waar die toestand is gekomen, vindt een voorbede geen verhoren. Een zonde tot de dood zal elke zonde zijn, waardoor de mens tot verder bekeerd worden onbekwaam wordt en zo valt onder dit begrip zowel de besliste verharding van de ongelovigen tegen de genade, die hen trekt (zoals dit plaats vond bij het ongelovig gebleven Israël Joh. 8: 24 Hand. 28: 25 vv.), als de zonde van afval door leden van de Christelijke gemeenschap (Hebr. 6: 4 vv. b) Dat nu een bijzondere zonde, die iemand begaat, alsook de toestand, waarin hij zich bevindt, niet ten dode is, dat hij nog boete kan doen en zich bekeren, mag in de meeste gevallen wel met zekerheid worden erkend; waar geen aanleiding aanwezig is, om anderen voor verstokt en reddeloos verloren te achten, daar moet nog worden gebeden. Waar daarentegen deze zekerheid ophoudt, waar reden bestaat om aan te nemen, dat iemand zijn geschiktheid tot bekering reeds heeft vernietigd, daar moet ook de voorbede ophouden, opdat men niet door de ervaring van een niet verhoren van enig gebed die blijdschap, waarvan in vs. 14 v. sprake was, verliest.
Onder zonde tot de dood is zonder twijfel zo’n zonde bedoeld, welke de dood van de zondaars ten gevolge heeft. Is er nu werkelijk zo’n zonde, zoals Johannes uitdrukkelijk verzekert, dan kan over de zondaar, die daarin leeft het “Hij zal hem het leven geven” niet gelden, want dood en leven sluiten elkaar uit.
De Christen is, zoals wij bij Hoofdstuk 3: 6 vv. ons duidelijk hebben gemaakt, geen onderdaan meer van de zonde, is niet meer met zijn hart bij haar. Hij hangt het kwaad niet meer aan, maar het kwaad kleeft hem nog aan. Hij heeft nog wel zonde, maar de zonde heeft hem niet. De Christen zegt “nee” tot de zonde, die hij doet, en hij lijdt ze meer dan dat hij ze doet. Hij heeft dus snel berouw, als een zonde hem overmeesterd; zijn hart heeft geen blijdschap in de zonde, maar in God en als hij zich op zondige dwaalwegen bevindt, houdt hij zich te meer aan Christus vast, om door Hem kracht te ontvangen die te overwinnen. Zulke zonden van zwakheid en overijling verduisteren wel zijn leven in God, maar zij doden het niet. Geheel anders is het echter, als het hart bij de zonde is, haar liefheeft en aankweekt, zich bij haar goed voelt en zich daarom met bewustzijn en wil van God afkeert, zijn Christelijk geweten bedwelmt, zich over de zonde niet schaamt maar haar verontschuldigt, dus de gemeenschap met de heilige God niet zoekt, maar ontwijkt en terwijl hij zich warmt hij het vuur van de zondige begeerlijkheid, tot de zonde, die hem vragend aanziet, over Christus zegt: “ik ken de mens niet”. Dat is Christus verloochenen, van Hem afvallen; dat is zonde tot de dood, die nog wel geen zonde tegen de Heilige Geest is, nog niet de mogelijkheid van terugkeren uitsluit, maar wel als een moedwillig zondigen tot zedelijke verharding van bedroeven van de Heilige Geest, tot lastering van Hem kan voortgaan.
Evenwel moesten ook zulke zonden, die niet tot de dood zijn, bij ons Christenen niet voorkomen. Wij weten toch, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt (Hoofdstuk 3: 6, 9) en hij mag, als hij het zaad van het goddelijke leven in zich heeft ontvangen, zich niet door de zonde laten overweldigen en meeslepen. Maar die uit God geboren is, bewaart zichzelf, hij kan dat krachtens de Geest van God, die in Hem is en de boze (Hoofdstuk 3: 13) vat hem niet, zolang hij zich niet buiten die vesting begeeft (2 Petrus 3: 18. 2 Thessalonicenzen. 3: 3 Jak. 4: 7).
Wij weten, dat wij uit God zijn en moeten nu deze goddelijke afkomst ook door gehele onthouding van al wat ongoddelijk is openbaren. En tevens weten wij, dat de gehele wereld, waarvan wij door onze geboorte uit God zijn afgezonderd, ligt in het boze. Zij ligt als het ware in diens schoot en wordt als door die armen omgeven, zodat zij zich niet van die macht en die invloed kan losmaken; zodat bij haar het onafgebroken zondigen niet hoeft te verwonderen.
Die weet, dat hij nog in de macht van de zonde is, heeft veel minder drang om tegenover haar te waken; want het komt hier op een meerdere of mindere mate van bevlekking door de zonde niet aan. De Christen daarentegen, die werkelijk rein van zonde is geworden door de vergeving van zijn zonde, die hij op het geloof heeft ontvangen en die zich bewust is werkelijk macht over de zonde te hebben, waakt. Met een maagdelijke vrees houdt hij de wacht over de onschuld, die hij door het geloof heeft ontvangen en welker zalige vrede hij voor niets ter wereld zou willen ruilen. En in dezelfde mate, waarin hij zo waakt over zichzelf, is hij ook verzekerd tegen elk terugvallen in de zonde. Zijn persoonlijkheid zelf is van de zonde gescheiden en zo kunnen de verzoekingen tot de zonde niet uit hem, niet uit zijn persoonlijkheid, maar alleen van buitenaf komen. Bij de natuurlijke mens daarentegen is de zonde in de persoonlijkheid zelf ingevlochten. Van daar kan hij zich niet voor de zonde bewaren, want dat laatste veronderstelt, dat zij iets uitwendigs voor hem is. Een bijzondere werkzame gedachte, die de Christen in het zich bewaren voor de zonde ondersteunt, ligt in zijn erkentenis van de verhouding van de zonde tot het rijk van de boze geesten. Elke gemeenschap met de zonde is gemeenschap met de geestenwereld, die vijandig tegenover God staat. Deze voorstelling moet in hem een afgrijzen opwekken tegen elke gemeenschap met de zonde, dat echter niet tevens iets ontmoedigends voor hem meebrengt, want de duisternis heeft over hem geen macht, het geloof in Christus is daartegenover een onverwinnelijk wapen. Er zijn twee elkaar zeer tegenovergestelde zijden van het Christelijk bewustzijn, die de apostel in vs. 17 uitspreekt. Aan de ene zijde weet de Christen en gelooft hij niet slechts, maar weet hij met onmiddellijke zekerheid, die op ervaring rust, dat hij van God is; deze zekerheid wordt in hem steeds sterker, hoe meer hij in de gemeenschap met God toeneemt. Hij laat zich daarin ook noch door de bedenkingen van de wereld en door de beschuldiging van dweperij op een dwaalspoor brengen, noch wordt het hem door al zijn ervaringen, die hij dagelijks weer heeft over de onvolkomenheid en zwakheid van zijn nieuw leven, twijfelachtig. Zo zeker als de Christen ten opzichte van zichzelf overtuigd is, dat hij van God is, zo zeker is het hem ook aan de andere zijde, dat de wereld van ongoddelijke, tegennatuurlijke aard is. Alles zonder uitzondering wat het natuurlijk menselijk leven aangaat, en niet alleen dat, waarin het kwaad zijn hoogste ontwikkeling heeft verkregen, maar ook wat in het natuurlijke leven het geringste schijnt, beschouwt bij als behorende tot de boze. Maar hij weet ook te onderscheiden. In het natuurlijk bestaan ziet hij wereld, voor zover het nog niet doordrongen is door de nieuwe goddelijke Geest in Christus en hij is er dus verre van in onze Christelijke wereld niets dan wereld te zien. Hij beschouwt deze niet als in haar geheel in de boze liggend, maar voor zover binnen de Christenheid het natuurlijk-menselijke leven nog in zijn natuurstaat is en nog niet door de Geest van Christus werkelijk gereinigd en geheiligd is, voor zo verre ligt zij in de boze, al weet zij ook nog zo schoon te schitteren. De Christen is evenzeer behoedzaam, dat hij niet hetgeen geen wereld meer is beschouwt als in de boze liggend, als hij behoedzaam is, dat, wat nog niet door Christus gegrepen is, niet misschien als niet meer wereld en niet meer in de boze liggende aan te zien. En is hij werkelijk van God, voelt en denkt en wil hij werkelijk als God, dan kan ook niet verachting en hoogmoed bij het aanzien van de wereld, die in de boze ligt, hem vervullen, maar evenals God zelf de ontfermende liefde is jegens de wereld (Joh. 3: 16) en Christus de verzoening is niet alleen voor onze zonde, maar voor de zonde van de gehele wereld (Hoofdstuk 2: 2), zo bezielt ook hem een brandende ijver, om daaraan mee te werken, dat de wereld uit de boze verlost wordt.
De apostel waarschuwt niet alleen gedurig tegen de zonde en wekt niet alleen gedurig op tot het bewaren van Gods geboden, maar stelt ook bij herhaling het onbestaanbare van het ware Christendom met het dienen van de zonde in het helderste licht. Hij kan zich geen Christen, geen geborene uit God denken, die zijn leven aan de zonde wijdt; en deze laat zich ook niet denken; want wie uit God geboren is, heeft de zonde vaarwel gezegd en dient God. Het een sluit het andere buiten. Zo had hij reeds gezegd: “Een ieder, die uit God geboren is, doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren. Hierin zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel openbaar. Een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God. En deze belangrijke waarheid herhaalt hij hier. Hij voegt er alleen nog bij, dat wie uit God geboren is, zichzelf bewaart, zodat de boze zich niet van hem meester kan maken en doet ons tevens voelen, wat een voorrecht wij genieten boven de goddeloze wereld, die buiten Christus onder de heerschappij van de boze ligt, in wie de zonde woont en heerst, zoals dit van haar kon en moest verklaard worden vooral in zijn dagen. Het spreekt intussen vanzelf, dat hij geenszins beweert, dat wie uit God geboren is, boven de zonde volkomen verheven is, zodat hij geen zonde hoegenaamd meer bedrijft. Dit zou in strijd zijn niet alleen met de ervaring van alle Christenen, maar ook met zijn eigen verklaringen, zoals wij vroeger reeds opmerkten. Hij wil er alleen mee zeggen, dat zo iemand zich niet aan de zonde overgeeft, dat hij zijn leven niet aan de zonde wijdt, dat hij niet tot de dood zondigt. Gelukkig, driewerf gelukkig wij, als wij naar waarheid met hem kunnen zeggen: “Wij weten, dat wij uit God Zijn”, wij weten, dat wij kinderen van Hem zijn! En dat kunnen wij weten. Zo zeker als wij ons bewust zijn van hetgeen wij doen en van hetgeen er omgaat in ons binnenste, zo zeker kunnen wij ook zijn van de belangrijke waarheid, of wij al dan niet uit God zijn geboren, of wij al dan niet kinderen van Hem Zijn. Wij hebben onszelf, ons bestaan en gedrag, ons uit- en inwendige leven slechts te beschouwen en te beproeven. Wie uit God geboren is, zondigt niet, maar bewaart zichzelf. Hij geeft zich niet over aan de zonde. Hij dient haar niet. Hij laat haar niet over zich heersen. Hij hoedt zich integendeel zorgvuldig voor alles, wat hem tot haar slaaf zou maken. En als hij een of ander gebod van God overtreden heeft, dan smart hem dit, dan bedroeft hij er zich over met een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt, dan belijdt hij voor Hem zijn schuld, dan vraagt hij er Hem om vergeving voor en de keus wordt opnieuw in hem bevestigd, om geheel en alleen naar de wil te leven van Hem, uit wie hij geboren is. Is dat ons bestaan en gedrag nog niet, dan zijn wij nog niet uit God geboren, dan behoren wij nog niet tot Zijn kinderen; en ach! hoe diep zijn wij dan te beklagen! Wij handelen dan in strijd met onze aanleg, vernietigen in ons het beeld, waarnaar wij zijn geschapen, hebben geen gemeenschap met God, bereiken onze bestemming niet en missen de enige troost in leven en sterven. Maar is dat bestaan en gedrag ons eigen, mogen wij dit naar waarheid verklaren, al wensen wij ook dat het ons nog meer eigen was, dan zijn wij uit God geboren en kunnen met ootmoedige dankbaarheid Johannes nazeggen: “wij weten, dat wij uit God zijn. ” Ja, met ootmoedige dankbaarheid; want wat onderscheidt ons van de wereld, die nog ligt onder de heerschappij van de zonde? Wat van zo velen, die wel in de naam van Christus zijn gedoopt, en belijdenis van Hem afgelegd hebben, maar de wil van God niet doen, en dus niet gezegd kunnen worden uit God te zijn? Het is Zijn genade, Zijn opzoekende, terechtbrengende, bewarende genade. Geven wij er Hem dan de eer van en brengen wij er Hem onze dank voor toe! Maar bewaren wij tevens onszelf! Johannes vermeldt dit uitdrukkelijk als een van de kenmerkende eigenschappen van hem, die uit God geboren is. Hoeden wij ons voor traagheid en werkeloosheid met opzicht tot ons geestelijke leven! Hoeden wij ons voor een lijdelijk Christendom! Geven wij integendeel steeds acht op onszelf en verenigen wij met het gebed tot God het waken over onszelf, opdat wij niet tot zonde vervallen!
Maar wij, die vroeger zelf hebben behoord tot die wereld, die in de boze ligt (Gal. 1: 4), weten, dat de Zoon van God gekomen is, a) en diezelfde Zoon heeft ons door Zijn vernieuwende, verlichtende en heiligende Geest het verstand gegeven, zo’n toestand van het hart, dat wij de Waarachtige kennen, namelijk God (Hoofdstuk 2: 4 v. Joh. 17: 3) en wij zijn in de Waarachtige; wij staan in levensgemeenschap met de Waarachtige (Hoofdstuk 1: 6; 2: 5). Doordat wij zijn in Hem, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus, de Bemiddelaar van alle gemeenschap met de Vader (1 Tim. 2: 5 v), nemen wij zo’n stand ten opzichte van God in (Joh. 17: 23). b) Deze God en Vader, onafscheidelijk één met Christus Zijn Zoon (1 Jo 3: 24, is de waarachtige God en het eeuwige leven (1 Tim. 3: 16 Hebr. 1: 8 Joh. 5: 26; 11: 25 v. ; 14: 6).
Luk. 24: 45 b) Jes. 9: 5; 44: 6; 54: 5 Joh. 20: 28 Rom. 9: 5
Kindertjes, bewaar uzelf van de afgoden. Amen!
In de beide zinnen van vs. 20 heeft Johannes twee punten als inhoud van het Christelijk bewustzijn uitgesproken, die zouden kunnen schijnen elkaar wederzijds uit te sluiten. Weten, dat men uit God is en toch ook weer, dat de hele wereld in de boze ligt, dat schijnt niet met elkaar te rijmen. Ligt de hele wereld in de boze, hoe komen dan, zo lag voor de hand om te vragen, de Christenen ertoe, uit God te zijn? Op deze vraag antwoordt de apostel in vers 20 Alhoewel, zegt hij, de hele wereld in de boze ligt, weten wij Christenen toch, dat wij uit God zijn en wij weten vanwaar wij dat zijn. Wij weten namelijk ook, dat de Zoon van God gekomen is, en ons, die Hem hebben aangenomen (Joh. 1: 12 v.), het vermogen heeft gegeven God, die het ware Zijn is, te kennen en dat wij door onze gemeenschap met de Zoon in God zijn; want juist Hij (God in onafscheidelijk samenzijn met Zijn Zoon) is de ware God en het eeuwige leven. Deze gedachte herinnert de apostel onmiddellijk aan de tegenstelling, de afgoden. Zo komt hem dan zeer natuurlijk de gedachte voor de geest, dat elke afkering van God en Christus, die de waarachtige God en het eeuwige leven is, tot een anderen, wie en wat die ook moge zijn, afgodendienst is en deze gedachte spreekt hij ten laatste nog uit in de vorm van een ernstige waarschuwing aan zijne lezers gericht tegen alles, wat niet verenigbaar is met het geloof aan God en de Verlosser en schending van dit geloof. Hierbij heeft hij ongetwijfeld ook in de gedachte de dwaalleer van hen, die in een absolute, algemene gnosis alle godsdiensten probeerden te verenigen.
De afgoden zijn de godside?n van de valse profeten, van de anti-christen, die, omdat zij de Zoon niet hebben, ook de Vader niet hebben (Hoofdstuk 2: 18 vv). De tegenstelling tot deze is de door de Zoon geopenbaarde Vader, de waarachtige God. Maar men verkrijgt niet slechts een vals beeld van God, als men een andere God dan de in Christus geopenbaarde wil, men onttrekt aan de waarachtige God Zijn eer, men verspeelt echter ook zijn eigen heil; want alleen deze (Christus) is het eeuwige leven. Die Hem heeft, heeft het eeuwige leven, zoals daarvan de apostel dadelijk bij het begin van de brief heeft gesproken.
Bij de eerste opslag zeker een zonderling, maar bij nader indenken een gepast en belangrijk besluit van de eerste brief van Johannes. Geen afscheidsgroet aan bijzondere personen, zoals aan het einde van andere brieven; geen heil- en zegenbede zelfs over geheel de gemeente. De tederheid van de liefde openbaart zich alleen in dat trouwhartig “kindertjes”, waarmee deze vader in Christus besluit; maar voorts treedt alles in zijn gevoel voor de ernst van de vermaning terug, die hij nodig keurt hun als zijn laatst, zijn allerlaatste woord op het hart te drukken: “bewaar uzelf van de afgoden”. Zou hij niet anders bedoeld hebben, dan tegen terugkeer tot vroegere afgoderij hen te waarschuwen, en deze Christenen uit de heidenen tot volstandige trouw aan het beleden geloof te verbinden? Ongetwijfeld ook dit, maar van een Johannes kunnen wij wel niet betwijfelen, dat bij met zo’n woord ten besluite van zo’n brief nog iets meer bedoelt dan hij uitspreekt. Pas heeft hij van de wetenschap van zijn geloof hun in weinige woorden de onschatbare slotsom meegedeeld, als met hoorbare terugslag op het eigen woord van de Meester in het uur van het afscheid: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, die U gezonden heeft. ” (vers 20, vgl Joh. 17: 3). Maar nu, ten einde toe aan zijn verheven karakter van getuige van de waarheid getrouw, betuigt en bezweert hij nog eenmaal met andere woorden, dat deze en geen andere de waarheid tot zaligheid is en dat dus elke god, die zij naast of in plaats van de in Christus geopenbaarde God erkennen en eren, bij het licht van de waarheid gezien, niets dan een afgod is, voor van wie zij zich niet zorgvuldig genoeg kunnen wachten. Men ziet, het woord klinkt in dat verband nog dieper en rijker, dan waar Paulus schrijft: “Daarom, mijn geliefden, vlucht van de afgodendienst” (1 Kor. 10: 14). Het is niet minder dan een ernstige waarschuwing tegen alles, wat zich zowel in de theorie als in de praktijk van het Christelijk leven instede van “de waarachtige God en het eeuwige leven” wil stellen en aanbevelen. Elke verheffing en vergoding zo van eigen begrippen op het gebied van godsdienst en Christendom, met miskenning van het geopenbaard Evangelie; elk godsbegrip, dat een vrucht is van ijdele bespiegeling, maar die op de scherpe toets van Gods openbaring in Christus bezwijkt; elk Christusbeeld, dat de schepping is van eigen fantasie, maar niet van de werkelijkheid, zoals wij in de heldere spiegel van de Heilige Schrift aanschouwen; elke denkwijze aangaande de weg van het behoud, die met de gezonde leer van het heil in tegenspraak komt, het behoort, wel beschouwd, tot het afgoderen met eigen wijsheid en menselijke meningen, buiten of tegen de waarheid van God, waartegen Johannes zo nadrukkelijk opkomt, en van hoeveel afgoderij, grove en meer verfijnd, lopen wij bij en boven dit alles gevaar op het gebied van het Christelijk leven! Is dat leven, waar het werkelijk bloeit, een leven van heilige liefde, die liefde laat zich door de aard van de zaak onmogelijk delen, en waar dus een afgod, laat het zijn van vlees en bloed, of van goud en zilver, tussen God en ons hart zich plaatst, daar is natuurlijk de harmonie van het innerlijke leven verbroken, de droevigste tweespalt ontstaat en het hart, niet langer met een grote liefde vervuld, is onvermijdelijk voor Gods gemeenschap verloren. Wie van onze kent zichzelf zo weinig, dat hij zo’n waarschuwing voor zich ook slechts één enkele dag overbodig zou willen achten en waar is de tempel, die zich zo geheel aan de enige waarachtige toegewijd heeft, dat er zelfs in geen enkele nis een plaats voor één afgod te vinden is? Is het, naar de welbekende beschrijving, alles afgoderij, wanneer men, in de plaats van de enige ware God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem iets anders versiert of heeft, “waarop de mens zijn vertrouwen zet”, hoeveel afgodendienaars mogen er dan wel voor het oog van de Alwetende schuilen, zelfs in de minst bezochte kerken en de meest rechtzinnige kringen! “Wacht er u voor, kindertjes”, zo horen wij nog altijd de grijze Johannes vermanen, zo echt u bent in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus! God wordt op die wijze niet verheerlijkt, het Godsrijk niet gebouwd en u kunt op de duur onmogelijk vrede hebben met iets, wat u innerlijk afscheidt van Hem. Wat eens een profeet in Israël uitriep: “Uw kalf heeft u verstoten, o Samaria” (Hosea 8: 5a (), met het oog op de nationale kalverdienst, de bron van zoveel ellende, het is vroeg of laat de geschiedenis van iedere, ook stille afgoderij. Verstoten wij onze afgoden niet, zij verstoten ons en dan, zonder afgod en zonder God tegelijk, staan wij eindelijk alleen in de wereld. En toch de verzoeking tot zo’n afgoderij het woord eenmaal verstaan in de geest van Johannes zij is ten alle tijde, maar vooral in onze dagen zo groot; de wereld ligt zo diep in het boze en het gevaar van zelfbedrog omringt ons bij iedere stap. Wel mogen wij dan de waarschuwing van de apostel omzetten in een vurige bede: “Vader, bewaar U uw kinderen zelf van de afgoden! ” Wel mag het ons daarbij zijn of wij bij dit zijn afscheidswoord ook dat andere van Johannes vernamen: “En nu, kindertjes, blijft in Hem, opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben en wij van Hem niet beschaamd worden in Zijn toekomst”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel