Een preek voor de meest ellendige mensen

Een preek uitgesproken op zondagochtend 31 januari 1869, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Mijn ziel weigerde getroost te worden. Psalm 77:3

In deze weigering om getroost te worden, behoort David niet te worden nagevolgd. Zijn ervaring wordt in dit geval eerder als een waarschuwing dan als een voorbeeld vermeld. Dit is geen rechtvaardiging voor gelovigen die, wanneer zij een verlies lijden of tijdelijke tegenslagen ondervinden, bitter klagen en elke troostende gedachte afwijzen. Wij hebben mensen gekend die het rouwen om een overledene tot de voornaamste bezigheid van hun leven maakten, zelfs jaren nadat hun dierbare familielid was gestorven. Net als de heidenen aanbidden zij de geesten van de doden. De rouwende heeft het recht om te rouwen, een recht dat Jezus Christus heeft bekrachtigd, want ‘Jezus weende’, maar dat recht wordt misbruikt tot een onrecht wanneer langdurig verdriet de bronnen van het hart vergiftigt en de rouwende ongeschikt maakt voor de taken van het dagelijks leven. Er is een ‘tot hiertoe’ waarboven de stroom van verdriet niet rechtmatig mag voortduren. “Wat,” zei de Quaker tegen iemand die vele jaren na de dood van haar kind nog steeds rouwkleding droeg en verklaarde dat ze een klap had gekregen waarvan ze nooit meer zou herstellen, “Wat, vriendin, heb je God dan nog niet vergeven?”

Veel van de ongepaste rebellie tegen de Allerhoogste zal als een bezinksel op de bodem van de meeste tranenflessen worden aangetroffen. Somber gemopper en aanhoudend geklaag verraden het bestaan van afgoderij in het hart. Het geliefde object moet ongetwijfeld zijn vereerd op die troon van het hart die uitsluitend aan de Heere toebehoort; anders zou het wegnemen van dat geliefde object, hoe pijnlijk het verlies ook was, niet zo’n ongehoorzame geest hebben opgewekt. Zou het niet de taak van Gods kinderen moeten zijn om buitensporig en aanhoudend verdriet te vermijden, omdat dit zo dicht in de buurt komt van de twee dodelijke zonden van rebellie en afgoderij? Verdriet verdient medeleven, maar wanneer het voortkomt uit een gebrek aan berusting, verdient het eerder afkeuring. Wanneer gelovigen weigeren zich te laten troosten, gedragen zij zich als wereldlingen die nog enig excuus hebben — want wanneer ongelovigen hun aardse troost verliezen, verliezen zij alles. Maar wanneer een christen wegkwijnt en zucht in ontroostbare smart over het verlies van een goed schepsel, dan verloochent hij zijn geloof en brengt hij de naam van Christus in diskrediet.

Hij gelooft dat zijn beproeving door de Heere is beschikt, hij noemt God zijn Vader, hij weet dat alle dingen meewerken ten goede, en hij is ervan overtuigd dat er voor hem een oneindig gewicht van eeuwige heerlijkheid wordt bewerkt. Hoe kan hij dan in sombere stilte neerzitten en zeggen: “Ik wil niet getroost worden”? Dan zijn de waarheden die hij belijdt te geloven kennelijk nooit tot zijn ziel doorgedrongen; hij moet dan wel slechts een speculatief theoreticus zijn, en geen oprechte gelovige. Geliefden, het zou een schande zijn als wij met een geloof als het onze onze verantwoordelijkheid niet zouden nemen. Als de beproeving zwaar is, laat dan ons geloof sterk zijn; als de last drukt, laat ons geduld standvastig blijken. Laten wij in de praktijk erkennen dat Degene die uitleent, ook het recht heeft om Zijn eigendom terug te vorderen. En zoals wij het geven hebben gezegend, laten wij ook het nemen zegenen. Laten wij te allen tijde de Heere, onze God, loven. Al zou Hij ons doden, toch willen wij op Hem vertrouwen; ja, laten wij Hem zelfs zegenen wanneer Hij enkel de roede hanteert.

Onze tekst zou echter zeer toepasselijk kunnen zijn voor personen die, hoewel zij geen uiterlijke beproevingen of verliezen hebben ondergaan, toch onderhevig zijn aan een diepe neerslachtigheid. Er zijn momenten waarop zelfs de meest optimistische christenen hun tranen nauwelijks kunnen bedwingen. Sterk geloof en vreugdevolle hoop maken dan plaats voor angst, waardoor het nauwelijks mogelijk is om de vonk van hoop en geloof in de ziel levend te houden. Ja, ik denk dat hoe meer vreugde iemand op een bepaald moment ervaart, hoe meer verdriet hij op andere momenten zal kennen. Zij die het hoogst klimmen, dalen het diepst.

Er zijn mensen die hun gevoelens zelden sterk uiten: zij kennen noch uitbundige vreugde, noch diep verdriet. Anderen daarentegen, met een gevoeliger en vuriger aard, zijn evenzeer in staat tot grote blijdschap als vatbaar voor diepe neerslachtigheid. Juist omdat zij in momenten van verrukking al even door de paarlen poorten mochten kijken, zijn zij daarna geneigd af te dalen naar het land van de schaduw des doods en bevend aan de rand van de hel te staan. Dat weet ik helaas uit bittere ervaring. Wanneer de ziel in zulke donkere dagen bijna wordt overspoeld, blijft het onze plicht om ons vast te klampen aan Gods beloften en ons te verheugen in de Heere — maar hoe moeilijk is dat! De plicht is onbetwistbaar, maar de vervulling ervan lijkt vaak onmogelijk.

Tevergeefs schitteren in zulke tijden de ster van de belofte en de kaars van de ervaring: de tastbare duisternis lijkt elk licht van bemoediging te verstikken. Zelfs Barnabas, de zoon van vertroosting, zou moeite hebben de bedroefden op te heffen wanneer de neerslachtigheid hen in haar greep houdt. De olie van vreugde vloeit vergeefs over hoofden die bedekt zijn met het stof en de as van melancholie. Broeders, in zulke ogenblikken doet men er wijs aan te overwegen of een vermoeide geest niet rust nodig heeft van zijn arbeid. In deze tijd, waarin iedereen in sneltreinvaart leeft en werkt als een stoommachine, is de geestelijke en mentale slijtage verschrikkelijk. Het advies van de Grote Meester aan de discipelen om de woestijn in te gaan en een tijdje te rusten is vol wijsheid en verdient onze oprechte aandacht. Rust is vaak het beste – zo niet het enige – geneesmiddel voor hen die zich bezighouden met intellectuele bezigheden en daardoor gemakkelijk in neerslachtigheid vervallen.

Zonen van droefheid, trek u, als het enigszins kan, voor een korte tijd terug uit uw gewone bezigheden; zoek rust en stilte. Maar vooral: werp uw zorgen op God. Draagt u ze zelf, dan zullen ze u neerdrukken en afleiden, zodat uw ziel geen vertroosting vindt. Maar legt u ze in Gods handen en richt u uw hart zonder afleiding op Hem, dan zult u de neerslachtigheid overwinnen en opnieuw met vreugde het altaar van God omringen. Laat geen van ons toegeven aan een prikkelbare, klagerige, sombere gezindheid. Toegeven daaraan is het grootste kwaad; want alleen door deze geest te weerstaan, wijkt hij van ons. Laat uw hart niet verontrust zijn. Als de stormen van buiten uw schip doen schudden, zorg er dan in elk geval voor dat het water van buiten niet de boot binnendringt en haar doet zinken.

Roep met David: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij?” Wees niet moedeloos zonder reden. Onderzoek de oorzaak van uw tranen, en denk na tot u met de psalmist kunt zeggen: “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.” Want als u werkelijk in God gelooft, hebt u, zelfs in de donkerste nacht van uw ziel, tienvoudig meer redenen tot vreugde dan tot verdriet. Wie in nederigheid aan Jezus’ voeten neerligt, zal merken dat er meer bloemen dan doornen langs zijn pad bloeien; vreugden liggen er reeds in het verschiet, en liederen van verlossing zullen u omringen. Daarom, mijn medereizigers in verdrukking, geef niet toe aan hopeloze droefheid. Schrijf geen harde dingen tegen uzelf, maar begroet met dankbaarheid de engel van de hoop en zeg niet langer: “Mijn ziel weigerde getroost te worden.”

Mijn diepste streven vanmorgen — het doel waarop heel mijn hart is gericht – is om hen te helpen die treuren en naar Christus zoeken, maar Hem tot nu toe vergeefs gezocht hebben. Overtuigd van hun zonden, ontwaakt en verschrikt, blijven deze ongelukkigen lang staan buiten de poort van de barmhartigheid: rillend in de kou, smachtend naar de vreugde binnen, verlangend om deel te nemen aan het feest dat hen uitnodigt. En toch weigeren zij door de poort te gaan die wijd voor hen openstaat. Niet uit weerspannigheid – nee, zo hard wil ik het niet zeggen – maar bevend van angst aarzelen zij om binnen te gaan door de open deur van Gods ontferming, hoewel de oneindige liefde Zelf tot hen roept: “Kom, wees welkom; ga binnen en ontvang de zegen.”

I. Wat betreft deze betreurenswaardige gemoedstoestand, die helaas nog steeds zo vaak voorkomt, merken we in de eerste plaats op dat het zeer VERWONDERLIJK is. Het is opmerkelijk dat er in deze wereld mensen zijn die de rijkste troost binnen handbereik hebben, maar hardnekkig weigeren daarvan te genieten. Het lijkt zo onnatuurlijk dat we, als het niet door overvloedige ervaring bewezen was, het onmogelijk zouden achten dat een ellendige ziel zou weigeren getroost te worden. Weigert de os zijn voer? Keert de leeuw zich af van zijn prooi? Of verafschuwt de arend zijn nest? Des te merkwaardiger is het dat men de troost afwijst, juist omdat de meest bewonderenswaardige troost zo dichtbij is. Zonde kán worden vergeven; zonde ís vergeven — Christus heeft er verzoening voor gedaan. God is genadig bereid iedere zondaar aan te nemen die tot Hem komt, zijn overtredingen belijdt en vertrouwt op het bloed van de Heere Jezus. God wacht om genadig te zijn. Hij is niet hard of streng, maar vol barmhartigheid; Hij verheugt Zich erin de boeteling te vergeven, en nooit wordt de heerlijkheid van Zijn godheid meer geopenbaard dan wanneer Hij de onwaardige aanneemt door de gerechtigheid van Jezus Christus.

In Gods Woord ligt zo’n overvloed aan troost, dat het even onmogelijk zou zijn om de hemel boven ons te meten of de grenzen van de ruimte vast te stellen, als om de grootheid van de daarin geopenbaarde genade te doorgronden. U kunt proberen alle zoetheid van Gods liefde te omvatten, maar dat is tevergeefs: Zijn liefde gaat elk menselijk begrip te boven. De weldadige goedheid van God, zichtbaar geworden in Jezus Christus, is als de oneindige uitgestrektheid van de oceaan. En hoe wonderlijk is het dan, dat mensen weigeren te ontvangen wat hun zo overvloedig wordt aangeboden!
Men vertelt dat enkele jaren geleden een schip voor de noordkust van Zuid-Amerika in nood verkeerde. De bemanning gaf signalen dat zij dreigden te sterven van dorst. Toen een ander schip hen naderde en vroeg wat er aan de hand was, riepen zij: “We sterven van de dorst!” Het antwoord luidde: “Schep dan water op — u bevindt zich in de monding van de Amazone.” Overal om hen heen was zoet water, ze hoefden het slechts te scheppen — en toch stierven ze van dorst, omdat ze dachten dat ze omringd waren door zout water. Hoe vaak is de mens zich niet onbewust van zijn zegeningen! Hoe droevig, dat velen omkomen door gebrek aan kennis.

Maar stel dat de zeelieden, na dat verheugende bericht gehoord te hebben, toch hadden geweigerd om het zoetwater dat overal om hen heen stroomde op te scheppen — zou dat dan niet verbijsterend zijn geweest? Zou u niet meteen denken: de kapitein en zijn bemanning moeten door waanzin zijn bevangen?
En toch, lieve vrienden, is dat precies de krankzinnigheid van zovelen die het evangelie horen en weten dat er genade is voor zondaars. Want tenzij de Heilige Geest ingrijpt, zullen zij omkomen — niet uit onwetendheid, maar omdat zij, evenals de Joden vanouds, zichzelf “onwaardig achten voor het eeuwige leven” en zich buiten sluiten van het evangelie. Zij weigeren zich te laten troosten. Dat maakt het des te opmerkelijker, want de geboden troost is volkomen betrouwbaar. Ware er maar het geringste vermoeden dat de vertroosting van het evangelie bedrieglijk zou zijn — dat zij hoogmoed zou kweken en de ziel zou verwoesten — dan deden mensen er wijs aan om zich terug te trekken als voor een beker gif. Maar tallozen hebben zich gelaafd aan deze levengevende stroom; niemand is erdoor geschaad, maar allen die ervan dronken, zijn eeuwig gezegend.

Waarom dan, dorstige ziel, aarzelen, terwijl de rivier — helder als kristal — aan uw voeten stroomt? De troost van het evangelie is niet alleen ruimhartig, maar perfect afgestemd op de zondaar: op wie zwak en gebroken van hart zijn, op wie gebukt gaan onder hun behoefte aan genade, én op wie zich daar het minst van bewust zijn. Het evangelie biedt een balsem die past bij de zondaar in zijn diepste ellende — wanneer hij niets goeds in zich heeft, niets dat hoop rechtvaardigt. Verkondigt het niet dat Christus voor de goddelozen stierf? Is het niet een getrouw woord, alle aanvaarding waardig, dat Christus Jezus kwam om zondaars te redden — waarvan Paulus zei: “ik de voornaamste ben”? Gaat het evangelie niet zelfs uit naar wie dood zijn in zonde? Lezen we niet: “Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)”?

Zijn de nodigingen van het evangelie niet de vriendelijkste, tederste en meest aangrijpende die men zich kan voorstellen, juist in de diepste nood van een zondaar? “O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!” “De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.”

Let wel: er wordt geen enkele goedheid van de genodigde geëist. De goddelozen worden geroepen om te komen, de onrechtvaardigen om zich te bekeren. De uitnodiging geldt de laagste, naaktste, meest onverbeterlijke zondigheid. Genade zoekt ellende, onwaardigheid, schuld en hulpeloosheid — en niets anders. Niet omdat wij goed of waardig zijn, maar enkel omdat de Heere genadig is, worden wij uitgenodigd om te vertrouwen op Zijn oneindige barmhartigheid in Christus Jezus — en juist daarin vinden wij ware troost. Hoe verwonderlijk is het dan, dat juist waar troost zo overvloedig, zo veilig en zo passend is, duizenden zielen weigeren zich te laten troosten!

Dit alles wordt nog opmerkelijker omdat deze mensen juist smachten naar troost. Uit hun woorden — en ik geloof ook uit hun diepste gevoelens — blijkt dat zij zich eraan vastklampen als een drenkeling aan een reddingslijn. ‘s Nachts slapen zij nauwelijks door hun angsten; overdag getuigt hun gezicht van de storm die in hen raast. Vrolijke woorden komen er nauwelijks over hun lippen. Zij maken hun gezin ongelukkig; hun verdriet werkt aanstekelijk op wie om hen heen zijn. Men zou verwachten dat zij, zodra het woord hoop wordt gefluisterd, er onmiddellijk naar grijpen — maar niets is minder waar. U kunt het evangelie in welke vorm dan ook aanbieden, maar deze arme zielen — die ons medelijden verdienen, al moeten zij wellicht ook ons verwijt verdragen — weigeren zich te laten troosten. Hoewel het voedsel vlak voor hen staat, verafschuwt hun ziel elke hap; zij naderen de poorten van de dood. Zelfs als u hun de hemelse hartversterking in de mond legt, weigeren zij de geestelijke spijs door te slikken. Zij kwijnen weg van honger, in plaats van zich te laven aan wat de goddelijke liefde hun biedt.

Moet ik deze vreemde tegenzin nog verder uitdiepen? Het is een gruwel, ongekend in de ganse natuur. Toen de duif vermoeid raakte, herinnerde zij zich de ark en vloog meteen naar Noach toe; maar deze zielen zijn uitgeput en kennen de ark, en toch keren zij niet terug. Een Israëliet die per ongeluk iemand doodde, wist van de vrijstad, vreesde de bloedwreker en vluchtte de weg op naar zijn veilige toevlucht; maar deze kennen het heiligdom, en elke sabbat wijzen wij hun de weg — en toch komen zij niet tot redding. De behoeftige zwerfkinderen en bedelaars van Londen weten de nachtopvang te vinden en kloppen aan voor onderdak; zij verdringen zich bij de deuren van ons armenhuis, als mussen onder de dakrand op een regenachtige dag, smekend om een bed en een stuk brood. Maar de menigten arme, onwetende zielen? Hoewel het huis van barmhartigheid wijd openstaat, verlicht en met de uitnodiging in grote letters: “Wie wil, die kome,” blijven zij weg. Zij bevestigen daarmee de woorden van Watts:

“Duizenden maken een kwalijke keuze,
En hongeren liever dan dat zij komen.”

Het is vreemd — buitengewoon vreemd — ja, het is wonderbaarlijk!

II. Ten tweede, deze opmerkelijke waanzin heeft een bepaalde logica en kan op VERSCHILLENDE WIJZE WORDEN VERKLAARD. Bij velen komt de weigering om getroost te worden voort uit lichamelijke of geestelijke ziekte. Het heeft weinig zin om bijbelse argumenten aan te dragen bij iemand die in werkelijkheid smacht naar genezende medicijnen, voedzaam eten of frisse lucht. Tussen het terrein van de arts en dat van het goddelijke bestaat zo’n nauwe band, dat zij samen op moeten trekken om de waanvoorstellingen van zieken te bestrijden. Ik ben ervan overtuigd dat de predikant vaak weinig kan uitrichten, voordat de arts zijn werk verstandig heeft verricht. Daarom zal ik mij vanmorgen niet bezighouden met gevallen die buiten mijn bereik liggen, maar spreken over hen die zich troost ontzeggen uit morele, niet lichamelijke nood.

Bij sommigen fluistert een trotse afkeer tegen het heilsplan: zij willen wel getroost worden, ja, maar mogen zij dan niets verdienen voor het eeuwige leven? Mogen zij geen gevoel of emotie inbrengen, zich niet voorbereiden op Christus? Moet verlossing werkelijk gratis zijn — zoals bedelaars het huis van barmhartigheid binnengaan, met geen andere bede dan: “God, wees mij, de zondaar, genadig”? Moet hun dan werkelijk alles worden ontnomen — elke vezel van eigen gerechtigheid, zowel van gevoel als van daad? Moet het hele hoofd ziek verklaard worden, het hart volkomen zwak, en de mens neerliggen aan de voeten van Jezus, verloren en geruïneerd, om alles uit de hand van de gekruisigde Verlosser te ontvangen? “Ach nee,” zegt vlees en bloed, “dat nooit.”

De kroon is niet licht te splijten; de vlag van het eigen ik wappert hoog, zelfs na een verloren strijd. Maar wat een dwaasheid! Omwille van valse waardigheid laten wij de troost liggen. O mens, weg met uw trots en schijnbare eer! Buig u neer aan de voeten van Jezus en kus de voeten die voor uw zonden zijn genageld. Rol uzelf — en uw trots — in het stof. Wat bent u anders dan onrein, en uw gerechtigheid dan een vod vol smet? Neem Christus als uw alles, en u zult vandaag nog troost vinden. Laat trots u niet opnieuw verleiden tot weigering, maar wees wijs — en buig voor de soevereine genade.

In andere gevallen is het geen trots, maar een koppige vastberadenheid om een geliefde zonde te blijven koesteren. Meestal, als een predikant probeert een langbloedende wond te helen, tast hij herhaaldelijk met zijn lancet en vraagt zich af waarom die niet sluit. Alle tekenen wijzen op genezing, denkt hij — tot hij het geheim ontdekt: “Ah, hier zit het: een vreemd korreltje zonde dat de wond blijft irriteren en openhoudt.” Vaak hebben wij gemerkt dat de treurige ziel zich nog overgaf aan een verborgen ondeugd, omging met goddelozen, ongehoorzaam was aan ouders, wrok koesterde, lui was, of zelfs die gruwelijke zonde van heimelijke dronkenschap bedreef. Als zo iemand volhardt: “Deze zonde geef ik niet op,” moet u zich dan verbazen dat hij geen troost vindt? Zou het niet verschrikkelijk zijn als dat wél zo was?

Draagt hij een bijtende splinter in zijn ziel mee, dan leidt een afdekking slechts tot inwendige rotting — dodelijk van aard. Ik bid God dat niemand van u ooit troost mag kennen voordat u zich van elke bekende zonde hebt ontdaan en kunt zeggen:

“De afgod die mij het meest dierbaar was,
Wat die ook zij, ik leg hem neer.
Help mij, Heiland, hem van de troon te stoten,
En U alleen te dienen, Heer.”

Het is nodig het rechteroog uit te rukken en de rechterhand te verliezen, wil men het eeuwige leven beërven. Dwaas is hij, die omwille van een geliefde zonde — een zonde die hij zelf veracht en niet durft te bekennen — Christus blijft afwijzen. Mag ik zo iemand bij de hand nemen en zeggen: “Broeder, zuster, laat het los! Verafschuw dat vervloekte ding en kom nu met mij mee. Ga tot Jezus, Die al uw dwaasheid vergeeft en u nog vanmorgen wil aannemen, opdat u niet langer weigert getroost te worden.” Sommigen weigeren troost omdat zij halsstarrig willen dat die komt op dé manier die zíj verkiezen. Zij lazen het leven van een goede man die gered werd door een bepaalde ervaring. „Nu,” zeggen zij, „als ik me net zo voel als hij, dan weet ik dat ik gered ben.” Velen volgen het spoor van Bunyans Overvloedige genade voor de grootste van alle zondaren: „Ik moet precies zo gebracht worden als John Bunyan, anders geloof ik het niet.” Een ander zegt: „Ik moet John Newtons pad bewandelen en zijn voetsporen volgen, wil ik op Jezus vertrouwen.”

Maar beste vriend, waarom zou God aan úw wil toegeven? Welk recht hebt u om de Grote Geneesheer Zijn methoden voor te schrijven? Als Hij mij maar in de hemel brengt, zal ik Hem zegenen, ook al leidt Hij langs de hellepoorten. Als ik de Koning in Zijn schoonheid mag zien in dat verre land, maakt het mij niet uit welke weg Hij kiest. Leg die dwaze kieskeurigheid af en zeg: “Heere, wees mij genadig; schenk mij geloof in uw Zoon, en ik geef mijn grillen en verzinsels op.”

Ik vrees dat bij velen nog een andere reden speelt: een oneerbiedig ongeloof in Gods liefde, goedheid en trouw. Zij menen dat God niet genadig is — een tiran, of al te streng, zodat een zondaar dagenlang moet smeken eer dat harde hart week wordt. Maar u kent mijn God niet! Wat is Hij? Liefde! Hij hoeft niet overgehaald te worden tot genade, zoals de zon niet tot schijnen of een fontein tot stromen. Genade is Zijn natuur. Hij is nergens zo goddelijk als wanneer Hij vergeeft. “Oordeel is Zijn vreemde werk”, het is het werk van zijn linkerhand; maar genade, de kroon op Zijn deugden, is Zijn Benjamin, het kind van Zijn rechterhand. Hij juicht als Hij haar schenkt — staat er niet: “Hij heeft lust aan goedertierenheid”?

Helaas, dat God belasterd wordt door wie Hij zo liefdevol toespreekt! “Zo waarachtig als Ik leef,” — Hij zweert het — “en wilt ú Hem niet geloven? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve.” “Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?” Hij smeekt bijna Zijn schepselen: Zijn hart krimpt ineen als Hij roept: “Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens.” O, wees niet langer ongelovig, maar geloof Zijn Woord en eed. Aanvaard de troost die Hij u heden vrijelijk biedt in Zijn evangelie.

Sommigen hebben zo lang troost geweigerd, dat wanhoop een tweede natuur is geworden. Ach, het is een gevaarlijke gewoonte, balancerend op de rand van de afgrond. Elke keer dat men eraan toegeeft, wint zij aan kracht — als de kou van het poolijs, dat de reiziger eerst verdooft, dan inslaapt en tenslotte doodt. Velen zijn zo lang wanhopig geweest, dat zij er eindelijk reden toe kregen; wanhoop dreef hen tot zonden die alle hoop uitsloten, zelfs tot in de hel.
Pas op dat u moedeloosheid niet koestert. Sluipt zij heden door ongeloof naar u toe? Schud haar dan van u af, zo mogelijk! Roep de Heilige Geest aan, de Trooster, om u te verlossen uit deze strik van de vijand. Want twijfel aan God is een net van Satan, en zalig wie daaraan ontkomt. Geloof versterkt de ziel en schenkt heiligheid én vreugde; maar wantrouwen, achterdocht en angst verharden het hart en houden ons bij God vandaan. Wacht u voor wanhoop. En u, die in deze boze gewoonte gevangen zit — moge God u eruit rukken als een vuurbrand uit het vuur, en bevrijden als de Heere die Zijn gevangenen losmaakt.

III. Ten derde neemt deze opmerkelijke vorm van dwaasheid VERSCHILLENDE VORMEN AAN. Om alle symptomen van deze ziekte die ik ontmoette en in mijn geheugen prentte te beschrijven, zou geen uur, maar een maand nodig zijn. Want zoals ieder mens zijn eigen eigenaardigheden heeft, zo heeft elke melancholie haar eigen kenmerk. Ik kan ze nauwelijks indelen in rubrieken of soorten: ze zijn te talrijk en te veelzijdig. Men zegt dat een schaap zoveel kwalen heeft dat je ze niet tellen kunt — en mensen hebben nog veel meer geestelijke aandoeningen dan ik benoemen kan.

Men kan net zo goed het zand aan de kust tellen als de ziekten van de ziel opsommen. Toch komen bepaalde vormen zeer vaak voor. Een daarvan is een voortdurende verkeerde voorstelling van het evangelie, alsof het iets moeilijks van ons vraagt. Al jaren zitten hier mensen op deze stoelen die ons keer op keer het evangelie hoorden verkondigen — en die de waarheid ervan kennen uit Gods Woord: dat God van de zondaar slechts één ding vraagt: eenvoudigweg vertrouwen op het volbrachte werk van Jezus Christus. Wij hebben op allerlei manieren, zo talrijk als onze vindingrijkheid het toeliet, laten zien dat de zondaar niets hoeft te doen, niets hoeft te zijn. Dat hij alleen maar plaats hoeft te maken voor Christus en alles aan God moet overlaten.

Vertrouwen op Christus — de zegenrijke daad zelve — houdt enkel in dat men naar Hem ziet, op Hem rust en Hem aanhangt. Om dit duidelijk te maken, gebruiken wij beelden en metaforen. En toch zeggen juist deze mensen, die zich niet willen laten troosten: „Maar ik ben bang, meneer, dat ik nooit voldoende heb mogen voelen hoe slecht de zonde is.” Hebben wij ooit gezegd dat het voelen van zonde de redding is? Roept Gods Woord niet herhaaldelijk dat geloof redt, niet voelen? En toch verwerpen zij het evangelie en stellen iets anders in de plaats: een evangelie van gevoelens in plaats van vertrouwen.
“O,” zeggen zij dan, “ik had dit verlangen al zo vaak, en het verdween weer — ik kan niet verwachten dat God mij nu aanneemt.” Dat is pure evangelie-ontkenning. Alsof God alleen aanneemt wie nog nooit verlangens had en die onderdrukte! Zij maken er dit van: “U die nog nooit verlangens hebt gehad en die nooit hebt onderdrukt, umag komen.” Terwijl het evangelie roept: “Die wil, neme het water des levens om niet.” Ik kan niet alle listen opsommen waarmee zij het evangelie ontwijken en vertroebelen. Maar hun vindingrijkheid om ongelukkig te blijven evenaart die van de vurigste ziel die ooit een land ontdekte of een koninkrijk veroverde.

Een andere veelvoorkomende kwaal is deze: velen blijven hardnekkig de kracht van Jezus’ volbrachte werk onderschatten. Niet dat zij — als u het hun voorhoudt — durven te ontkennen dat Jezus kan redden of dat Zijn bloed de zonden reinigt. Maar in de praktijk komt het hierop neer: “O, ik ben zo’n zondaar!”

En dan? Kwam Christus niet juist voor zondaars, zelfs de grootste? Wat heeft de omvang van uw schuld met Zijn genade te maken? Is Christus geen grotere Verlosser dan u zondaar bent? Torent de berg van Zijn verzoening niet uit boven uw heuvels van overtreding?

Ja, maar u denkt van niet. Hiermee beperkt u de kracht van een oneindige verzoening en onteert u het bloed van Jezus Christus. “Maar ik pleegde deze en die zonde.” En kan Jezus’ bloed dat niet wegwassen? “Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden.” Geen zonde die u bedacht, is Hem te machtig, als u tot Hem komt en op Hem vertrouwt. Want “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Geloof mij, zondaar: al was uw zonde zo groot dat zij u eeuwig veroordelen zou, al zouden uw tranen eeuwig vloeien zonder haar ook maar een deel te wissen — in een oogwenk verdwijnt zij, als u nu vertrouwt op die bloedende Verlosser. Niets in uw schuld kan Zijn kracht belemmeren. God vergeeft u terstond. Maar ik weet: u blijft mijn Heere belasteren en Zijn troost weigeren. Moge Hij u deze dwaling vergeven en door Zijn Geest tot gezonder inzicht brengen — zodat u gelooft dat Hij kan en wil, en u niet langer twijfelt.

Velen kleden hun twijfel in verkeerde conclusies over de leer van de voorbestemming. Op zichzelf brengt die leer niemand droefheid — behalve misschien in religieuze kringen. Iedereen accepteert voorbestemming immers bij loterijen, en toch gokken velen erop. Openbare loterijen bloeien nog altijd, tot onze schande. Niemand staat bij het loket te redeneren: “Als ik moet winnen, win ik toch wel — en anders niet.” In alledaagse zaken zijn mensen niet zo dwaas als in goddelijke zaken. Daar wordt voorbestemming plots een reusachtig struikelblok. Maar de leer zelf bevat niets stootends; het probleem ligt in wat men ervan maakt. Wie een hond wil slaan, vindt altijd een stok. Wie excuses zoekt om niet in Christus te geloven, bedenkt er wel een. Daarom vluchten zovelen naar deze leer — een perfect excuus voor hun ongeloof.

God heeft een volk dat Hij zeker zal verlossen — een uitverkoren, bijzonder volk, gereinigd door het bloed van Christus. Maar deze leer betekent geenszins dat de andere grote waarheid wordt ontkend: dat ieder die in Jezus Christus gelooft, niet veroordeeld zal worden. Dat staat niet meer op gespannen voet met elkaar dan het feit dat Abessinië in Afrika ligt, in tegenspraak zou zijn met de waarheid dat Hindoestan in Azië ligt. Het zijn twee waarheden die naast elkaar bestaan. En al is het voor ons soms moeilijk ze met elkaar te verzoenen, het zou nog veel moeilijker zijn om ze werkelijk met elkaar in botsing te brengen. Ik heb nooit ingezien dat er een noodzaak is om deze twee waarheden met elkaar te verzoenen — er is in de praktijk ook geen enkel probleem mee; de moeilijkheid ligt in de sfeer van de metafysica. En wat hebben verloren zondaars met metafysica van doen?

Alles in het heelal ligt vast in Gods raadsbesluit — van het zweven van een stofdeeltje in de zomerwind tot de baan van een planeet om de zon. En toch blijft de mens zo vrij alsof er geen God is; zo zelfstandig alsof alles aan het toeval wordt overgelaten. Overal in Gods schepping zie ik de onuitwisbare sporen van zowel Gods voorbeschikking als van menselijke vrijheid. Waarom zou u zich dan afvragen of u uitverkoren bent, terwijl God zegt: “Een ieder die wil”? Het is niet nodig te weten of u voorbestemd bent om te komen, wanneer de uitnodiging luidt: kom!Kom — want u bent voorbestemd om te komen; blijf weg — en u verdient het om verloren te gaan. Kijk, daar staat de poort van het ziekenhuis voor zieke zielen. Boven de deur staat geschreven: “Wie wil, laat hij komen.” En toch blijft u buiten staan bij dat huis van barmhartigheid, terwijl u zegt: “Ik weet niet of ik wel voorbestemd ben om binnen te gaan.” Maar daar is de uitnodiging, mens!

Waarom aarzelt u zo? Zou u zich zo gedragen bij Guy’s of Bartholomew’s ziekenhuis? Zou u tegen de vriendelijke mensen die u gewond van de straat hebben opgeraapt en naar binnen willen brengen, zeggen: “Nee, ik ga niet naar binnen, want ik weet niet zeker of ik ervoor bestemd ben”? Dat zou toch dwaas zijn. U weet dat een ziekenhuis is bedoeld voor zieken en gewonden; en zodra u wordt binnengebracht, weet u dat het ook voor u gebouwd is. Eerlijk gezegd — hoe zou u ooit kunnen ontdekken of u bestemd bent om binnen te gaan, behalve door gewoon binnen te gaan? En op dezelfde manier: hoe kunt u weten of u uitverkoren bent tot zaligheid, tenzij u vertrouwt op Jezus Christus, die u uitnodigt te geloven en belooft dat wie dat doet, behouden zal worden? Misschien glimlacht u nu, maar wat voor sommigen lijkt op een spinnenweb — iets lichts en doorzichtigs waar men gemakkelijk doorheen breekt — is voor anderen een ijzeren net: mensen die door wanhoop verteerd worden en wier zielen weigeren getroost te worden.

Ik ken ook mensen — en met hen wil ik deze opsomming besluiten — die geprobeerd hebben een schuilplaats te vinden om hun ogen te beschermen tegen het troostvolle licht van de gedachte aan de onvergeeflijke zonde. De grootste theologen die over dit onderwerp hebben geschreven, zijn er nooit in geslaagd iets anders te bewijzen dan dat alle anderen het bij het verkeerde eind hadden. Ik heb nog nooit een boek over dit onderwerp gelezen waarin niet minstens de helft van de bladzijden bestond uit het aantonen dat ieder die er eerder over geschreven had, er niets van begreep. En telkens, wanneer ik zo’n traktaat had uitgelezen, kwam ik tot dezelfde conclusie: dat de schrijver ongeveer evenveel gelijk had als zijn voorgangers — en niet meer. Wat de onvergeeflijke zonde ook precies mag zijn — en misschien verschilt zij wel bij ieder mens; misschien is het dat punt waarop iemands mate van zonde vol raakt en de hoop op genade voorgoed vervaagt — één ding staat vast: niemand die zijn behoefte aan Christus voelt en oprecht verlangt om behouden te worden, kan die zonde begaan hebben.

Wie werkelijk deze zonde had begaan, zou geestelijk dood zijn. De Bijbel zegt: “Er is een zonde die tot de dood leidt.” Maar dood betekent ook dat elk gevoel ophoudt te bestaan. Zo iemand is verhard in zijn hart en blijft onboetvaardig — hij wil zich niet meer bekeren. De reden dat hij niet meer gered kan worden, is dit: zijn wil is vijandig tegenover alles wat goed is. Hij wíl eenvoudigweg niet gered worden. Want er is niets wat verlossing in de weg staat, als iemand met zijn hart wil dat God hem redt. Dus als u verlangt om tot Christus te komen, als God uw hart bereid heeft om Zijn Zoon te aanvaarden en redding te ontvangen, dan hebt u de onvergeeflijke zonde níet begaan — net zomin als de engel Gabriël die bij Gods troon staat. Als uw hart nog beeft van angst, als uw geweten nog reageert op Gods wet en u Zijn toorn nog vreest, dan bent u nog steeds binnen de grenzen van Zijn genade. Dan klinkt ook vandaag de vriendelijke roep van het evangelie tot u: “Laat een ieder die wil, het water des levens nemen, voor niets.” “Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult behouden worden.”

IV. We zullen deze sombere opsomming niet voortzetten, maar ons richten op een vierde overweging, namelijk dat deze weigering om getroost te worden VEEL ONRECHT MET ZICH MEEBRENGT.  Veel van dit alles kunnen we gemakkelijk door de vingers zien, maar het moet toch worden benoemd.
Wanneer u het evangelie hoort en weigert daar troost uit te putten, doet u de dienaar van God onrecht aan. Hij leeft met u mee, hij verlangt ernaar u te troosten, en het bedroeft hem diep wanneer hij u de beker van het heil aanreikt en u weigert die aan te nemen. Ik zeg niet dat wij als mensen enig bijzonder respect van u zouden mogen eisen, maar ik zeg wél dat het afwijzen van Gods gezant geen lichte zaak is. Als u de man die God heeft gezonden om woorden van genade tot u te spreken, er telkens opnieuw toe brengt om met een bezwaard hart op zijn knieën te vallen, dan kan dat een zonde zijn die u nog vele jaren zal achtervolgen — tenzij u er oprecht berouw over krijgt. Maar nog erger: u doet het evangelie zelf onrecht aan. Elke keer dat u weigert getroost te worden, zegt u in wezen: “Het evangelie betekent niets voor mij; ik zie er geen waarde in; ik wil het niet.” Daarmee legt u het terzijde alsof het niets waard is. U doet deze kostbare Bijbel onrecht aan. Hij is gevuld met beloften van troost — en toch lijkt u, terwijl u hem leest, te zeggen: “Het is allemaal kaf.” U doet alsof u hem hebt gezeefd en geen enkele korrel voedsel hebt gevonden. Voor u lijkt hij een dorre woestijn, maar o, de Bijbel verdient niet dat zo’n smet op hem geworpen wordt.

U doet onrecht aan uw dierbare vrienden die u proberen te troosten. Waarom zouden zij telkens weer met liefdevolle handen woorden van bemoediging naar u uitstrekken, terwijl u ze van u afduwt? Bovenal doet u onrecht aan uw God, aan Jezus en aan Zijn Heilige Geest. Elke afwijzing van Christus herhaalt Zijn kruisiging. Die onvriendelijke, genadeloze gedachte dat Hij niet bereid zou zijn te vergeven, nagelt Hem opnieuw aan het hout. Bedroef de Heilige Geest niet — Hij heeft lang gewacht, wacht nog steeds; er is geen enkele andere vriend die u zo slecht behandelt. Hij is de Geest van troost. Wanneer u die troost weigert, wijst u Hem af — tot uw eigen schaamte en schande. Bedenk, lieve vrienden, waar u deze ochtend ook bent: uw weigering om getroost te worden is zeer verkeerd — niet alleen voor uzelf, maar ook omdat u daardoor de kerk berooft van wat u voor haar had kunnen betekenen. O, als u een blijde christen zou worden, wat een moeder in Israël zou u dan zijn! Ik hoor u al zingen, zoals de maagd in vroegere dagen: “Hij heeft gedacht aan de lage staat van Zijn dienstmaagd.” Hoe zou u zich met Hanna verblijden: “Hij haalt de geringe uit het stof; Hij verheft de behoeftige van de mesthoop, om hem te plaatsen bij de begaafden en te maken dat zij de stoel der ere bezitten.” Hoe zou uw jubelende psalm opstijgen naar de hemel: “Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden.”

Wat doet u de wereld toch onrecht aan! Want het deel van de wereld dat u kent, hoort u zeggen: “Religie maakt die vrouw ongelukkig; het geloof maakt die man zo somber.” Maar u weet dat het niet waar is. Toch geven zij de schuld aan het geloof en zeggen: “Geloof maakt mensen gek.” Ik zou liever mijn rechterhand of mijn rechteroog verliezen, dan dat er een vlek op mijn geloof zou komen. Ik kan het niet verdragen als mensen, wanneer ik iets verkeerd doe, zeggen: “Zie je wel, dát is het christendom.” Als ze mij persoonlijk verwijten maken — en die verdien ik vaak genoeg — dan kan ik dat verdragen. Maar als ze het geloof zelf, of het kruis van Christus, de schuld geven van mijn fouten… dat doet pijn tot diep in mijn hart.

V. Ik sluit af met de opmerking dat een DERGELIJKE WEIGERING NIET MAG AANHOUDEN. Het is eigenlijk niet logisch om verdrietig te blijven terwijl u zich kunt verheugen. Het is niet redelijk om ellendig te zijn terwijl Gods genade u zoveel reden tot blijdschap geeft. Waarom loopt u dan zo somber rond?
Als er geen Verlosser bestond, geen Heilige Geest en geen Vader die wil vergeven, dan zou u misschien reden hebben om moedeloos te zijn en het leven op te geven. Maar nu al die genade voor u klaarligt, waarom grijpt u die dan niet aan? U lijkt een beetje op Tantalus uit het oude verhaal: hij stond tot aan zijn hals in het water, maar telkens als hij wilde drinken, trok het water weg. Alleen — bij u is dat niet zo. Het water van het leven stroomt juist naar u toe; het nodigt u uit om te drinken en verfrist te worden. Blijven treuren is niet alleen onredelijk, maar het put u ook uit. Ieder uur dat u in droefheid blijft, maakt het moeilijker om eruit te komen. U verliest zelfs lichamelijke kracht, en innerlijk — in uw ziel — wordt uw fundament aan het wankelen gebracht.

En let goed op: dit is ook heel gevaarlijk. Want misschien — o, ik bid tot God dat het niet zo is! — misschien ziet God, die u licht heeft gegeven, dat u uw ogen weer sluit. En dan zegt Hij: “Laat zijn zon verduisterd worden en zijn maan in bloed veranderen. Het schepsel dat Ik het licht gaf, heeft het nu veracht — en vanaf dit moment zal er nooit meer licht voor hem zijn, tot in eeuwigheid.” De Koning die de gemeste kalveren slacht en het feestmaal klaarmaakt, die u uitnodigt om aan tafel te komen, kán in Zijn toorn zweren dat u nooit van Zijn maaltijd zult eten — als Hij ziet dat u blijft weigeren te komen.
Ik ken ouders die, als hun kinderen zonder reden huilden, ervoor zorgden dat ze dán een echte reden kregen om te huilen. En misschien is dat ook met u zo: als u nu verdrietig blijft zonder reden, zult u straks een reden krijgen om echt te wenen — een reden die nooit meer verdwijnt. O, bij het bloed en de wonden van Jezus, bij Gods liefdevolle hart, bij de eeuwige beloften van Zijn genade, bij het verbond dat Hij sloot met zondaars in Zijn Zoon, bij de Heilige Geest, de Trooster — wijs de troost die God u aanbiedt niet langer af! Zeg niet meer: “Mijn ziel weigert getroost te worden.” Val aan Jezus’ voeten, vertrouw op Hem, en u zult behouden worden. Moge God u zegenen en dit gebed verhoren, om Jezus’ wil. Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content