Een preek bedoeld om te worden voorgelezen op zondag 16 november 1902. Uitgesproken op donderdagavond 22 maart 1877, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Zie naar Mij en wordt behouden, alle einden der aarde; want Ik ben God, er is niemand anders. — Jesaja 45:22 (Vrij vertaald uit de KJV)
Aangezien deze tekst mij vele jaren geleden bij mijn bekering tot grote zegen is geweest, heb ik er vaak uit gepreekt. Toch zal ik er nu niet in zijn geheel over spreken. Er is slechts één gedachte die ik eruit wil lichten, en ik ben van plan ermee om te gaan zoals een goudsmid met zijn edelmetaal: het dun uit te slaan, zodat het een groter oppervlak beslaat. Misschien zullen sommigen dan de schoonheid en waarde ervan opmerken, die hun oog voorheen was ontgaan. De grote zonde van de mens, sinds de dag van zijn val, is afgoderij. De mens zoekt voortdurend een uitweg bij de levende, onzienlijke God — om zichzelf in plaats daarvan een god te maken die hij kan zien, al is het dan slechts een afgod. Dat bevalt hem, omdat hij iets tastbaars heeft om naar te staren. Zo stelt de een een beeld van hout of steen in de plaats van God, terwijl een ander zijn vertrouwen stelt op aardse zekerheden of vleselijke betrekkingen. Hoe verschillend ook, beiden nemen iets in de plaats in die uitsluitend God toekomt, en zij richten hun blik daarop in plaats van al het goede bij Hem alleen te zoeken.
Maar dit zien van onze ogen naar iets wat Gods plaats inneemt, moet Hem wel diep beledigen. En het zal onszelf niet minder teleurstellen, want een valse god kan geen ware troost schenken. Wanneer de nood hoog wordt en wij werkelijk hulp nodig hebben, zullen wij ontdekken dat wij steunen op een gebroken riet — als wij ons vertrouwen op iets anders dan de Heere, onze God, hebben gesteld. Een tijdlang kan de afgodendienaar zich verheugen in het werk van zijn eigen handen: het beeld dat hij met zilver heeft overtrokken en met gouden kettingen heeft versierd. Maar op de dag van benauwdheid merkt hij dat zijn god niet hoort — dat zijn vurige gebed onbeantwoord blijft. Dan wordt zijn hart vervuld met teleurstelling en bitter verdriet, en is hij de wanhoop nabij. Zo zal het, in meerdere of mindere mate, met ons allen gaan. Als wij op iets anders dan God vertrouwen, zullen wij onmiskenbaar beschaamd uitkomen. En als wij leven voor iets anders dan de onzienlijke God — die ons geschapen heeft en ons nog steeds draagt — dan zullen wij ten slotte in droefheid neerliggen, ondanks het vuur dat wij zelf hebben aangestoken om ons te verwarmen.
Let echter eens op het grote geduld van de Heere, zelfs tegenover hen die Hem door hun afgoderij voortdurend tergen. Stel u voor dat ú mensen had geschapen, hen voortdurend had onderhouden en voor hen had gezorgd, maar dat zij u niet aanbaden, u niet dienden, niet vreesden en niet vertrouwden. En stel dat zij in plaats daarvan hun liefde, vrees en vertrouwen schonken aan beelden met ogen die niet zien en handen die niet helpen — zou u dan niet terecht verontwaardigd zijn? Zou het u niet diep verdriet doen dat een dood ding, het werk van hún eigen handen, in uw plaats werd gezet? Zeker, zo zou het ons allen vergaan. De Heere, onze God, is immers een jaloers God. Van generatie op generatie wordt Hij gegriefd door de afgoderij van de mensen — ja, zelfs door óns, die zeggen Zijn volk te zijn, maar soms meer van iets anders houden dan van Hem. Sommigen van ons hebben zelfs meer op zichzelf vertrouwd dan op de Heere; en in tijden van beproeving zijn wij naar vrienden gevlucht en hebben wij gesteund op een arm van vlees, in plaats van te steunen op God alleen. Toch is Hij in al deze dingen onuitsprekelijk geduldig geweest!
Hoe rijk laat dit hoofdstuk ons de liefdevolle goedheid van de Heere zien! Hij vermaant Zijn oude volk met zachte woorden en redeneert met een wijsheid en kracht die alle tegenspraak te boven gaan. Teder bestraft Hij de overtreders, maar tegelijk nodigt Hij hen oprecht uit zich tot een betere weg te keren. Het is alsof Hij zegt: “Maak nu eens en voor altijd een einde aan deze afgoden. U bent in moeilijkheden geraakt omdat u uw blik naar hen hebt gewend, maar zij konden u niet redden. Wend u nu van hen af en richt uw ogen op Mij. Al bevindt u zich aan de einden der aarde, ver van Mij verwijderd — alsof u Mij geheel wilt ontvluchten — keer u in het uur van uw nood tot Mij, en zie of Ik u niet helpen zal. Kom, vertrouw Mij deze ene keer: ‘Zie naar Mij en wordt behouden, alle einden der aarde; want Ik ben God, er is niemand anders.’” Luister naar deze goddelijke boodschap, u die uw God bent vergeten, want in deze genadige bewoordingen vraagt Hij u uw ogen op hem te richten en uw verwachtingen op Hem te vestigen.
Onze tekst leert mij — zoals ik haar lees — allereerst dat wij, om uit welke nood of moeilijkheid dan ook verlost te worden, onze blik uitsluitend op God moeten richten. Nadat ik kort bij dat punt heb stilgestaan, wil ik ditzelfde principe vervolgens op een dieper, geestelijker vlak toepassen en laten zien dat wij ook voor onze eeuwige redding alleen op God behoren te zien.
I. Ten eerste: OM UIT AL ONZE MOEILIJKE OMSTANDIGHEDEN VERLOST TE WORDEN, MOETEN WIJ ONZE BLIK UITSLUITEND OP GOD RICHTEN.
Broeders, u weet dat er bepaalde omstandigheden zijn waarin mensen wél alleen naar God opzien. Zelfs de meest goddeloze mens heb ik op momenten van groot gevaar zien terugkeren tot God. Het is herhaaldelijk waargenomen dat mensen, wanneer een storm woedt of een schip dreigt te vergaan — mensen die eerder Gods Naam hadden gelasterd en alle godsdienst hadden bespot — in hun angst tot de Heere beginnen te roepen. Terwijl zij heen en weer geslingerd worden en wankelen als dronken mensen, en als alle hoop verloren lijkt, stijgt hun kreet tot op God. Ook bij aardbevingen — wanneer de aarde zelf beeft en zwenkt als een onrustige zee, wanneer machtige gebouwen ineenstorten en sterke torens worden neergeveld — hebben tallozen luid tot God geroepen om ontferming. Knieën die nooit gewend waren zich in gebed te buigen, knikken dan van angst, en harten die nooit iets voelden van Gods genadige nabijheid, trillen bij het indrukwekkende vertoon van Zijn macht.
Een dergelijk besef overvalt ook vaak goddelozen wanneer de dood nadert. Wanneer het koude zweet het voorhoofd bedekt, wanneer het leven zijn laatste adem nadert en het hart versmelt van schrik bij het zien van de grafpoort die zich voor hen opent — dan ook roepen zij tot de Heere in hun benauwdheid. En als mensen zo handelen onder de druk van een ramp, is er dan niet alle reden dat ú dit gewillig en bewust zou doen — dat u in elke beproeving, moeilijkheid of nood uw toevlucht zou nemen tot God? Waarom zoeken velen Gods hulp alleen in uiterste nood? Is Zijn hand niet evenzeer aanwezig in de gewone gebeurtenissen van het leven als in aardbevingen, stormen of de dood? Is het niet de Heere die de wielen van de handel doet draaien of stilzet, die welvaart geeft of tegenspoed toelaat? “Komt er kwaad in de stad voor zonder dat de HEERE dat doet?” En is er ooit een kreet van pijn of een zucht van verdriet in oorlog die Hij niet hoort?
Waarom dan niet tot Hem gaan in elk gevaar, in elke nood — zelfs in de kleine zorgen van het dagelijks leven? Waarom moeten wij eerst ziek worden of ons leven in gevaar zien om tot Hem te roepen? Waarom wachten tot een dodelijk verderf ons treft voordat wij op onze knieën vallen? Zo hoort het niet te zijn, vooral niet bij hen die de Heere kennen. Is er iets te klein voor Hem om op te merken? Kan een beproeving te gering zijn om in gebed voor Hem te brengen? Als u, vaders, luistert naar de eenvoudige klachten van uw kinderen, en u, moeders, met zachte hand de kleinste doorn uit hun vinger verwijdert — hoeveel te meer zal uw Vader in de hemel dan zorg dragen voor de kleinste noden en zorgen van Zijn kinderen, en hen daaruit verlossen! Richt daarom uw ogen op Hem, en u zult verlost worden uit alle beproevingen die u treffen. Broeders en zusters, laten wij leren om voortdurend naar God op te zien: ’s morgens, om genade te vragen voor de dag die komt; ’s avonds, om vergeving te zoeken voor onze overtredingen; ’s morgens, om kracht te ontvangen voor de last die ons wacht; en ’s avonds, om die last neer te leggen aan de voeten van de Meester en Hem te prijzen voor de genade die ons heeft gedragen.
“Maar,” zegt iemand, “mogen wij dan geen middelen gebruiken om ons uit onze moeilijkheden te helpen?” Natuurlijk mag dat — u zou zelfs verkeerd handelen als u het niet deed. Hij die u opdraagt te bidden om een gezegende oogst, wil ook dat u het zaad in de aarde zaait. Hij die u belooft te leiden op uw levensweg, wil evenzeer dat u met aandacht het spoor volgt van de vurige wolk die voor u uitgaat. Gebruik dus gerust de middelen die u ter beschikking staan, maar vertrouw op God terwijl u ze gebruikt, en vertrouw bovenal meer op God dan op de middelen zelf. En wanneer alle middelen falen, wanneer u aan het einde van uw eigen vermogens en wijsheid bent gekomen, voel u dan als het ware in de open armen van God geworpen — en vertrouw des te meer, juist omdat u niets anders meer kunt doen.
U mag uw geloof in God nooit gebruiken als een excuus voor luiheid; maar het zou even verkeerd zijn om uw eigen ijver tot een voorwendsel te maken om op uzelf te steunen, in plaats van op God alleen te vertrouwen. Laat dit daarom de vaste regel van uw hele leven zijn: vertrouw in alles op God, onderwerp u in alles aan God, en dien God in alles. U kunt dit goddelijke woord — “Zie naar Mij” — nemen als het levensmotto dat uw pad te allen tijde verlicht. U kunt veilig staan op de hoge heuvels van voorspoed, zolang u uw blik op Hem gericht houdt; en zelfs in de koele, schaduwrijke vallei van tegenspoed zal uw hart zich verheugen zolang u op Hem blijft zien. U kunt ten strijde trekken tegen een menigte vijanden en hen allen overwinnen, zolang uw ogen op Hem gericht blijven. U kunt ziek liggen en uw pijn met geduld verdragen, zolang u op Hem ziet. En eens zult u komen aan de vallei van de schaduwen des doods; de donkere stroom van de dood zal over uw voeten beginnen te vloeien, en het koude bloed zal uw hart doen bevriezen. Maar als u dan nog steeds op de Heere blijft zien, zal de belofte van onze tekst tot vervulling komen: “Zie naar Mij en wordt behouden.” U zult gered worden — want Hij is God, en buiten Hem is er geen ander.
II. Ten tweede: hoewel dit het principe is dat alle gelovigen zouden moeten volgen, is het ook een juist principe voor hen die gelovigen beginnen te worden, dat wil zeggen voor hen die op zoek zijn naar de redding van hun ziel. VOOR ONS EEUWIGE BEHOUD MOETEN WIJ ONS ALLEEN NAAR GOD WENDEN.
Als het enigszins mogelijk is, zou ik u graag juist bij dit punt willen bepalen. Daarom vraag ik u allereerst te bedenken dat redding nooit te vinden is in een louter middel. De afgoderij die sommigen ertoe brengt om hout en steen tot voorwerpen van aanbidding te maken, brengt anderen ertoe van de zogenoemde ‘middelen der genade’ hun goden te maken. Zij hechten zich aan deze of gene praktijk — soms aan iets wat werkelijk door God is ingesteld, maar soms ook aan iets dat slechts ontsproten is aan menselijke verbeelding. Zo ziet u wel iemand die het volle gewicht van zijn ziel laat rusten op wat hij ‘sacramenten’ noemt. Hij redeneert: “Ben ik niet gedoopt? Dan ben ik immers een lid van Christus, een kind van God, een erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen?” En wanneer hij regelmatig deelneemt aan wat hij ‘de heilige communie’ noemt, meent hij daarin genade te ontvangen — omdat hij zogenaamd ‘geheiligd’ brood eet en ‘geheiligde’ wijn drinkt. Maar, geliefden, ‘sacramenten’ worden afgoden zodra wij van hen verlossing verwachten. Zij zijn dan niet anders dan de valse goden van de heidenen. Zodra we ze die plaats toekennen, hebben we de verordeningen van Christus hun ware betekenis ontnomen en in een positie geplaatst die alleen de Verlosser Zelf toekomt.
Ik verwacht niet dat velen van u in deze fout zullen vervallen, en toch vrees ik soms dat sommigen in een vergelijkbare misleiding zullen struikelen. Sommige mensen menen namelijk dat zij door het luisteren naar preken zelf gered zullen worden, omdat God het luisteren naar preken wil zegenen — wat Hij inderdaad doet, zoals Hij ook andere door Hem ingestelde middelen zegent. Anderen denken dat zij door het lezen van goede boeken behouden zullen worden, omdat deze vaak tot rijke zegen zijn geweest en velen tot Christus hebben geleid. En vooral omdat de Bijbel het allerbeste Boek is — het Boek van God, ja, de God der boeken — en licht verspreidt over hen die in duisternis verkeren, menen sommigen dat zij eeuwig leven zullen ontvangen door eenvoudigweg de Schrift te onderzoeken.
Maar, beste vrienden, preken, goede boeken en zelfs de Bijbel zelf kunnen tot afgoden worden gemaakt zodra men er redding van verwacht — wanneer men meent behouden te worden door enkel te luisteren of te lezen, zonder verder te gaan. U moet verder gaan dan al deze dingen en tot God Zelf komen. Zeg met David: “Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.”
De twee sacramenten van het christelijk geloof — de doop en het avondmaal — zijn heilige instellingen en kostbaar in waarde. De bediening van het Woord en de Schrift zelf, het geïnspireerde Woord van God, zijn evenzeer kostbaar. Maar zij zijn als het voorportaal van de tempel: bedoeld om u binnen te leiden, niet om u op de drempel te doen blijven staan. Als iemand in het voorportaal blijft en niet verdergaat naar de Gastheer van het huis, mist hij het eigenlijke doel van die ruimte. Het voorportaal is er niet om u daar te laten blijven staan, maar om u erdoorheen te leiden, zodat u de God ontmoet die binnen woont. Het is een gemakkelijke, maar dodelijke vergissing om te blijven staren op de middelen van redding — want daarin is redding niet te vinden. “Het heil is des Heeren,” en des Heeren alleen. Geen mens op aarde kan dat grote werk volbrengen. De psalmist had die waarheid geleerd toen hij zong: “Niemand van hen kan zijn broeder metterdaad verlossen, hij kan God zijn losgeld niet geven.”
Al zou iemand spreken met de tongen van mensen en van engelen — als zijn woorden u niet leiden tot God Zelf, zult u niet verlost worden. En al zouden de verordeningen van Gods huis volkomen naar Zijn Woord worden gehouden, toch zouden zij u geen enkel geestelijk voordeel brengen, tenzij u verder kijkt dan wat het oog ziet en uw ziel opheft tot de grote, onzichtbare God, tot Wie u zich in geest en waarheid moet wenden — want alleen zo zult u de redding vinden.
Misschien vraagt iemand: “Waar moeten we dan naar kijken?” Ik zal het u proberen uit te leggen, als u bereid bent te luisteren. U bent schuldig; en om gered te worden, moet u vergeving van uw zonden ontvangen en uw hart laten vernieuwen door Gods almachtige genade. Wat u dus vóór alles moet begrijpen, waarop u moet zien en waarop u uw vertrouwen moet stellen, is de genade van God. Denk ernstig en diep na over de grootheid van die genade. Als uw zonde groot is, erken dat dan en wees er bedroefd over; maar bedenk tevens dat Gods genade een bodemloze, grenzeloze oceaan is, die de hoge berg van uw schuld kan overspoelen en voorgoed uitwissen. De barmhartige God kan al uw zonden wegnemen.
Denk ook aan de vrijheid van die genade: zij vraagt niets van u – geen prijs, geen offer om Gods hart tot medelijden te bewegen. Zijn hart brandt immers van liefde uit Zichzelf. U hoeft niets mee te brengen om Hem ertoe te bewegen u lief te hebben of te vergeven; dat doet Hij vanuit de volheid van Zijn eigen wezen. Gods genade is vrij, overvloedig, rijk en volmaakt. Aan Mozes verkondigde Hij de Naam van de HEERE in die indrukwekkende woorden: “HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft.” Zo sluit Hij Zijn verloren kind in Zijn armen en verheugt Zich, omdat het weergevonden is.
Weet ook dat Gods genade soeverein is: Hij redt wie Hij wil. En er is geen enkele reden waarom Hij u niet even goed zou kunnen redden als ieder ander zondaar — temeer omdat Zijn soevereiniteit vaak juist schittert in hen die het het minst verdienen. De apostel zegt terecht: “Broeders: er zijn onder u niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken. Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen. En het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is teniet te doen, opdat geen vlees voor Hem zou roemen.”
Overdenk deze grote waarheid en zeg dan tot uw ziel: “Ik, een schuldige zondaar die redding nodig heeft, moet die zoeken in de rijke, volle, vrije, overvloeiende, soevereine en eeuwige genade van God.” O oog dat weent over de zonde, richt u op deze heerlijke eigenschap van de God van barmhartigheid en genade — en laat uw tranen drogen! Omdat God zegt: “Zie naar Mij,” vraag ik u: ziet u werkelijk op Hém — op God, zoals Hij Zichzelf in Zijn Woord heeft geopenbaard?
Als u slechts op God ziet zoals Hij Zich in de natuur bekendmaakt, zult u slechts een onvolmaakt beeld van Hem hebben en weinig vertroosting vinden. Wij kunnen Hem daar nooit zo goed leren kennen als wanneer Hij tot ons spreekt — niet door de symbolen en geheimen van de natuur, maar in de duidelijke woorden die wij in onze eigen taal lezen in dit gezegende Boek. Wilt u behouden worden, richt dan uw blik op God zoals Hij Zich hier openbaart — in Zijn Woord, waar Hij u tegemoetkomt vanaf elke bladzijde en tot u spreekt.
Hij verzekert u, door talloze beloften, dat Hij bereid is uw zonden te vergeven als u zich bekeert en op Zijn Zoon vertrouwt. En bij die beloften voegt Hij liefdevolle uitnodigingen toe, zoals: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.” En ook deze: “Laat de goddeloze zijn weg verlaten, de man van ongerechtigheid zijn gedachten. Laat hij zich bekeren tot de HEERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen, tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.”
Lees dit gezegende Boek. Onderzoek zijn kostbare beloften, bestudeer de vele uitnodigingen en zie ook op de voorbeelden die het noemt — menigten zondaars die God door Zijn genade heeft gered, grote overtreders die Hij in Zijn overvloedige barmhartigheid heeft aangenomen en tot Zijn kinderen heeft gemaakt. Houd daarom uw ogen gericht op God zoals Hij zich genadig openbaart in de bladzijden van Zijn Woord. Dan zult u, met de profeet Micha, kunnen uitroepen: “Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom? Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.”
O schuldige ziel, wilt u verlossing vinden, kijk dan niet naar een priester, niet naar een boek, niet naar een ceremonie, en zeker niet naar uw eigen daden — maar naar God, zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.
In het bijzonder worden wij geroepen onze blik te richten op God zoals Hij zich heeft geopenbaard in de persoon en het werk van Zijn geliefde Zoon. Daarin ligt de kern van het evangelie: dat wij op God zien in Jezus Christus, en zo verlossing vinden. Dáár is redding te vinden — en nergens anders. “Want er is onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij moeten worden gered”; en “niemand kan een ander fundament leggen dan wat gelegd is, namelijk Jezus Christus.”
Kijk dus naar de Heere Jezus Christus als u verlossing verlangt. U zegt dat u niet durft te komen vanwege uw grote zonde. U doet er goed aan uw zonde als groot te erkennen en erover te treuren, maar blijf daar niet bij stilstaan. Richt uw oog op Jezus, de grote Zondedrager, op wie de ongerechtigheid is gelegd van allen die in Hem geloven. Zoals de profeet Jesaja zegt: “Hij werd doorboord om onze overtredingen, verbrijzeld om onze ongerechtigheden; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.”
Kijk dus weg van uzelf, zondaar — nee, volg liever uw zonde in haar weg, tot waar zij door God op de schouders van de Zondedrager werd gelegd. Daar, op die plaats, vindt u de redding.
“Maar,” zegt u, “ik heb geen verdiensten waarop ik kan pleiten; ik kan niet hopen dat ik door God zal worden ontvangen.” Luister dan naar wat God zegt: “Zie naar Mij, en wordt behouden.” God, in de persoon van Zijn geliefde Zoon, toont u de enige weg waarop u in Zijn ogen aanvaardbaar kunt worden. De volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus wordt toegerekend en geschonken aan allen die in Hem geloven. Vertrouw dus niet op uw eigen verdiensten — die zijn niet meer waard dan een spinnenweb in een storm.
Maar als u ziet op wat Christus was en is, op wat Hij deed en leed, dan vindt u het gewaad — dat koninklijke kleed zonder weerga — waarin u voor tijd en eeuwigheid kunt worden bekleed. Als u dát kleed aandoet, zal God u liefhebben en zegenen; of, beter gezegd: omdat Hij u heeft liefgehad, heeft Hij het mogelijk gemaakt dat u bekleed wordt met de gerechtigheid van Christus, voor altijd.
“Ach,” zegt iemand, “maar als ik wil worden verlost, moet ik ook loskomen van de macht van de zonde — en ik heb er geen kracht toe.” Dat weet ik. Zoek die kracht dan ook niet in uzelf, want daar zult u haar nooit vinden. Hoor opnieuw Gods woord: “Zie naar Mij, en wordt behouden.” De zonde die u niet kunt overwinnen, kan Christus overwinnen. Hij kan ervoor zorgen dat de hartstocht die u nu als met ijzeren ketenen bindt, geen macht meer over u heeft. Heb ik dat niet menigmaal gezien? Een man was vastgeketend door zonde die hij niet kon verbreken, maar toen de Geest van de Heere over hem kwam, verbrak hij de banden even gemakkelijk als Simson de touwen die smolten in het vuur. Arme slaaf van de zonde, Christus kan u bevrijden! Kijk niet naar wat u zelf kunt doen — dat is niets — maar naar de almacht die woont in de eeuwige arm van de eens gekruisigde Verlosser.
“Maar,” roept u, “ik zou nooit volhouden, zelfs al begon ik te geloven. Ik zou vroeg of laat terugvallen.” Dat zou inderdaad gebeuren — als het van u afhing! Maar als de Heere Jezus eenmaal aan u begint te werken, zal Hij niet rusten totdat Hij Zijn werk volmaakt heeft. Zie dus op Zijn trouw, want zonder Hem hebt u geen trouw. Zie op Zijn onveranderlijkheid, want u bent zo wispelturig als de wind. Rust geheel in Christus, die tot u zegt: “Zie naar Mij en wordt behouden.”
“O,” zegt u, “maar ik mis de gaven en genadegaven die een christen kenmerken.” Dat is waar; maar Christus is gereed ze u te schenken. Hij is een milde, vrijgevige Heiland, en als Hij begint zegen te schenken aan zondaars, doet Hij dat overvloedig — zozeer dat zij rijk worden als koningen, door de geestelijke rijkdom die Hij uitdeelt. Wat u ook nodig hebt tussen hier en de hemel, het ligt voor u gereed in Christus; u hoeft slechts op Hem te zien om het te ontvangen. O, dat de Heere ons allen deze eenvoudige en gezegende les mocht leren, want dit is de weg van verlossing: “Zie naar Mij” — op God in Christus Jezus — “en wordt behouden.”
Laat mij tenslotte alles samenvatten in deze ene dringende oproep: richt uw volle aandacht op één zaak — zien op God in Christus. Vriend, u zoekt verlossing, en daarom zal de duivel er alles aan doen om u ervan te weerhouden naar Jezus te zien. Hoe hij dat doet, weet ik niet precies, want hij beschikt over vele listen; maar één ding weet ik zeker: hij zal proberen u van Christus af te leiden, zodat u ergens anders kijkt. Als u niet anders kunt dan naar uzelf kijken, zorg er dan voor dat elke blik op uzelf u tot tranen brengt; want elke blik op uzelf zou moeten leiden tot berouw, niet tot hoop. Kijk naar uzelf om uw zonde te kennen — maar nooit om er redding in te zoeken.
Als een man failliet is, bladert hij dan door zijn grootboek om troost te vinden? Als iemand uit zijn huis is gezet, zoekt hij dan onder het puin naar hoop? Als er geen kruimel brood in het huis is, stilt hij dan zijn honger door naar de lege tafel te kijken? Of, als de put droog is, wat baat het om in de diepte ervan te staren? Zo is het ook met u. Zolang u niet weet dat u verloren bent, kijk dan naar uzelf — maar zodra u dat weet, kunt u beter in het graf naar leven zoeken dan in uzelf naar redding.
Laat de duivel u niet wijsmaken dat er iets goeds in u schuilt. Als hij zegt dat u totaal verdorven en verloren bent, geloof hem dan — want dat is waarheid. Maar als hij u ooit influistert dat er nog iets goeds in u is, noem hem dan een leugenaar. Want zelfs al wás er iets goeds in u, daarin zou geen hoop te vinden zijn — want uw enige hoop ligt juist in het besef van uw volkomen hopeloosheid, dat u drijft naar God.
Herinnert u zich hoe de hogepriester volgens de wet omging met de melaatsen die tot hem kwamen? Wanneer er iemand kwam die zei: “Mijn situatie is hoopvol — ik heb nog een gezonde plek hier en daar,” dan zei de priester, nadat hij het had onderzocht: “U bent onrein en moet buiten het kamp blijven.” Maar als er een andere kwam, geheel overdekt met de tekenen van die vreselijke ziekte, en hij zei: “Van mijn kruin tot mijn voetzool is niets gezonds aan mij,” dan antwoordde de priester: “Broeder, u bent rein.”
Zo is het ook met de zondaar: pas wanneer hij geen enkel goed in zichzelf kan vinden, is hij de mens die God zal redden. Zolang er ook maar een speldenpunt van eigen vermeende goedheid overblijft, blijft de melaatsheid van de zonde aanwezig. “Dat klinkt vreemd,” zegt iemand. Moge het vreemd genoeg zijn om troost te brengen aan de arme, gebroken zondaar die bijna wanhopig is — opdat hij nu hoop krijgt, gelooft, en leeft.
Laat Satan uw blik niet van Christus afwenden door andere listen. Ik heb vaak gezien hoe hij arme zielen bezighoudt met moeilijke vraagstukken over leerstellingen, kerkbestuur of de meningsverschillen die zelfs onder christenen bestaan. De enige taak van de zondaar is om op Christus te zien en gered te worden; toch houdt hij zich bezig met allerlei zaken die hij niet begrijpt en ook niet hoeft te begrijpen. O, hoeveel duizenden proberen een knoop te ontwarren die voor hun redding volkomen onbelangrijk is! Het maakt voor hen niets uit of die knoop ooit loskomt — maar terwijl ze ermee worstelen, vergeten ze te zien op God in Christus Jezus, opdat ze behouden worden.
U kunt later uw vragen stellen over kerkorde, of besluiten wat u denkt over calvinisme of arminianisme, of over de wederkomst van Christus – postmillennialistisch of premillennialistisch. Maar die zaken zijn nu niet aan de orde. Wanneer een mens aan het verdrinken is, vraagt hij niet om The Times of Adam Smiths Wealth of Nations te lezen; hij heeft iemand nodig die hem uit het water redt. Zo is het ook met u, mijn ongeredde vriend: u hebt redding nodig, en die vindt u alleen door uw ogen op God in Christus te richten.
Ik heb ook vaak gezien dat Satan iemand probeert af te leiden met deze gedachte: “Je weet niet of je wel uitverkoren bent.” Dat is zeker een belangrijk onderwerp — maar ik vraag u te bedenken dat een ongeredde zondaar zich daar nu niet mee moet bezighouden, want hij kan het niet weten zolang hij Christus nog niet heeft aangenomen. Wanneer u op Jezus heeft vertrouwd, zult u weten dat u een van Gods uitverkorenen bent; maar vóórdat u tot geloof komt, hebt u geen enkel recht om dat te veronderstellen.
Uitverkiezing is Gods eeuwige besluit, maar er is geen toegang tot de Vader dan door Zijn Zoon. U moet zich nu niet met die verborgen raad bezighouden, maar met het woord van openbaring: verlossing. Zodra u de kracht van het kostbare bloed van Jezus kent, zult u het bewijs van uw verkiezing bezitten en het “eeuwige verbond, dat in alle dingen geregeld en vast is”, leren verstaan. Een andere veelgebruikte list van Satan is om de mens niet op Christus, maar op zijn eigen geloof te laten letten.
“Kijk,” fluistert hij, “u moet geloven — maar hebt u wel het juiste geloof? Is uw geloof echt? Is het sterk genoeg, of levend genoeg?” Op die manier verschuift hij uw blik van Christus naar uzelf. En vervolgens zegt hij: “Is uw gemoed wel juist? Bent u bedroefd genoeg over uw zonden? Begrijpt u uw nood wel diep genoeg?”
Beste vriend, wat de vraag ook is — heilig of werelds — het is op dit moment niet de juiste vraag. De enige vragen die nu tellen, zijn deze: Wat heeft God mij in Zijn Woord geopenbaard? Wat heeft Hij voor mij gedaan in Zijn Zoon? Wat zegt Hij tot mij? Wat belooft Hij mij? Het antwoord op al die vragen ligt in onze tekst: “Zie naar Mij, en wordt behouden, alle einden der aarde.”
De duivel zal u zeggen dat u niet de juiste ogen hebt, of dat u scheel kijkt, of dat u geestelijke blindheid hebt. Hij zal alles aangrijpen om u te verhinderen naar God in Christus te zien. Maar juist dáár moet u op zien — op Hem alleen mag u vertrouwen. Vertrouw niet op uw eigen vertrouwen, niet op uw geloof, niet op uw kijken; uw hoop moet rusten in Jezus Christus, en in Hem gekruisigd. Laat deze eenvoudige maar gewichtige waarheden diep tot u doordringen.
Zoek elke dag naar nog meer kennis van Jezus. Lees de Schrift, want daarin wordt God in Christus geopenbaard. Denk veel aan Hem, u die redding zoekt. Neem dagelijks stille tijd om te overdenken wat het betekent dat Jezus aan het kruis stierf, en wat God u daardoor openbaart in Zijn kostbaar, bloedend Lam. Want hoe meer u Hem leert kennen en aan Hem denkt, hoe meer u Hem zult vertrouwen. Ons vertrouwen groeit immers met onze kennis — als datgene wat wij leren kennen ons vertrouwen waard is. En dat geldt volkomen voor Christus: hoe dieper wij Hem kennen, hoe meer wij Hem liefhebben en op Hem steunen.
Zet dit als een onwrikbare waarheid in uw hart: wie u ook bent, u mag op God in Christus zien — en Hij zal u redden. Laat nooit de gedachte bij u opkomen dat u niet welkom bent. De Schrift zegt: “Zie naar Mij, en wordt behouden, alle einden der aarde.” En elders lezen we: “Wie wil, die neme het water des levens om niet,” en: “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Ja, zelfs de opdracht van het evangelie zelf luidt: “Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.”
Wie u ook bent, u hebt niet alleen het recht om naar Christus te zien — u wordt ertoe uitgenodigd. Sterker nog: u bent ertoe geroepen, want het is u bevolen. En wie weigert te geloven, staat onder Gods oordeel: “Wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.” Kijk daarom, zonder aarzeling of vrees, naar God in Christus — en u zult behouden worden.
Met dit laatste punt wil ik afsluiten. Laat niets, geen enkel gevoel of stem in u, u ervan weerhouden om tot Christus te zien. Als, terwijl u naar God opkijkt, uw zonden tegen u lijken op te rijzen en schreeuwen: “Wie bent u om op God te vertrouwen?”, blijf dan tóch kijken. En als het u toeschijnt dat duizend Schriftwoorden als donder over u heen rollen, blijf dan tóch zien. Kijk naar God, ook al lijkt Hij vertoornd op u neer te zien. Ren in Zijn armen, want dáár alleen bent u veilig.
Zelfs als Hij u kastijdt, vlucht in Zijn armen; want Hij kan u niet half zo zwaar treffen als wanneer Zijn hand u op afstand raakt. Grijp Zijn arm vast – zoals een kind dat, wanneer zijn vader hem wil slaan, diens hand grijpt en met tranen het hart van de vader week maakt. Zo moet u ook doen: grijp Gods kracht en zeg Hem dat u op Hem vertrouwt. Zelfs als het lijkt alsof Hij u nog steeds dreigt af te wijzen, zeg Hem dan dat u weet dat Hij vreugde vindt in barmhartigheid, dat Hij grote zondaars heeft gered, en dat u gelooft dat het kostbare bloed van Christus ook ú kan reinigen – en dat u zult blijven geloven, wat er ook gebeurt.
Zal Hij u afwijzen als u zo tot Hem komt? Onmogelijk! Hij heeft nog nooit een ziel weggewezen die zich zo aan Zijn genade vastklampte; nooit iemand van de deur van Zijn barmhartigheid gestoten die liever sterft aan die drempel dan op iets anders te vertrouwen. Laat daarom niets u ervan weerhouden om naar Jezus te zien. Zelfs als u in duisternis wandelt zonder een straaltje licht, zelfs als u lichamelijk lijdt of het leven u ontglipt — bedenk dat de Heere heeft gesproken: “Zie naar Mij, en wordt behouden.” Houd dat heilige woord vast; houd ook dit vast: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.”
Doe wat Hij beveelt, geloof en laat u dopen, en eis dan in geloof de vervulling van Zijn belofte op. Wees ervan overtuigd: de bergen zouden eerder versmelten en de zeeën ontvlammen als vuur, dan dat God Zijn belofte zou breken aan een gelovige zondaar, hoe onwaardig ook, die in Christus gelooft en Hem volgt. Moge God de Heilige Geest u bewegen om zo naar Christus te zien; want als u op Hem ziet, zult u – even zeker als Hij leeft – ook leven. Even zeker als God waarachtig is, zult u gered worden; want op het ogenblik dat u in God gelooft door Jezus Christus, Zijn Zoon, bent u behouden.
Ik heb niet geprobeerd deze grote waarheden in schone taal te verpakken, want ik verlang dat ze rechtstreeks in het hart dringen van ieder die nog niet gered is. Ik herinner me hoe ik vroeger naar allerlei gebedshuizen ging met één doel: een Verlosser te vinden, als er werkelijk één was voor mij. Als er toen iemand in de zaal met beide oren en zijn volle hart luisterde, dan was ik het wel. Ik gaf niets om de welsprekendheid van de prediker; ik wilde slechts weten wat ik moest doen om behouden te worden.
Spreek ik iemand aan die zich nu in diezelfde toestand bevindt? O, arme, overtuigde zondaar, ik verzeker u: als u in Jezus Christus gelooft, zult u behouden worden. Begrijp echter goed wáárvan Hij u redt. Niet slechts van de straf van de zonde terwijl u erin blijft leven, maar van de zondaar die u bent. De belofte van het oude verbond luidt: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.”
Ik zie hier mensen van wie ik zeker weet dat zij, als men hun een paar jaar geleden had gezegd wat zij nu zouden zijn, dat idee met verachting hadden verworpen. “Wat? Ik, de man van plezier, ooit bevonden onder die schijnheilig gelovigen? Onmogelijk!” Velen zeiden toen: “Ik weet hoe ik mijn eigen leven moet leiden; ik heb geen behoefte aan Gods genade.” Toch zitten er vandaag velen van hen hier, verheugd in juist datgene wat zij vroeger bespotten. Hun leven is zó veranderd dat hun tegenwoordige zelf niet méér van hun vroegere zelf verschilt dan wit van zwart.
Soms komt hun oude ik nog wel eens aankloppen, maar zij laten het niet meer binnen. Zij weren het zo snel mogelijk af en zeggen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?” Wat een wonderlijke verandering! En zo’n verandering kan alleen in het verborgene worden gewerkt. De Heere Jezus zei tot Nicodemus: “Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”
Lees het derde hoofdstuk van Johannes: daar wordt niet alleen de wedergeboorte benadrukt, maar ook dit heerlijke evangeliewoord: “Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Beide waarheden zijn volkomen in harmonie: Gods vrije genade en de noodzaak van vernieuwing van hart en leven. Moge u dat persoonlijk ervaren — en dan zullen wij samen voor eeuwig God prijzen.
Amen en amen.


