Weg met de angst

Een preek gehouden op zondagavond 10 april 1870, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt. Jesaja 41:10

Broeders, mocht u vanavond niets in de preek vinden, dan biedt de tekst zelf al genoeg om uw mond te vullen met troostrijke woorden, waardoor uw geest vernieuwd wordt als van een arend. Moge de Heilige Geest voor u een tafel in de woestijn dekken en u de eetlust schenken om u in geloof te voeden met deze koninklijke spijzen (zie ook Blijf op God vertrouwen). Net zoals Daniël en zijn vrienden zich voedden met peulvruchten die hen in de gunst brachten bij God en mensen, zo zullen ook deze woorden u sterken.

Tot wie zijn deze woorden gericht? Want wij mogen evenmin uit Gods Schrift stelen als uit de schatkist van de mens. Wij hebben evenmin het recht om een belofte voor onszelf te nemen die ons niet toekomt, als wij het recht hebben om de beurs van een ander van hem af te nemen. Deze woorden sprak God duidelijk in naam van de profeet tot Zijn “uitverkorenen”. Lees bijvoorbeeld het achtste vers: “Maar gij, Israël, Mijn knecht, gij Jakob, dien Ik verkoren heb; het zaad van Abraham, Mijn liefhebber.” En opnieuw in vers negen: “Gij zijt Mijn knecht, u heb Ik uitverkoren.”

Als u of ik hier iets genadigs en troostrijks mogen vinden, dan is dat niet op grond van verdienste, maar uitsluitend door soevereine genade. Het is niet omdat wij Christus hebben gekozen, maar omdat Hij ons heeft gekozen. Onze hemelse Vader heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen, overeenkomstig zijn verkiezing van ons in Christus Jezus, nog vóór de grondlegging van de wereld. Die eeuwige keuze is de bron waaruit alle stromen van genade ontspringen. Gelukkig bent u, mijn ziel, als de genade uw naam heeft geschreven in Gods eeuwige boek! U mag tot deze tekst naderen als een kind tot de tafel van zijn vader, en er alle troost uit putten die uw geest kan sterken.

Maar aangezien wij, beste vrienden, de verborgen rol van Gods uitverkoren liefde niet kunnen doorgronden, helpt een andere beschrijving ons om te beoordelen of deze tekst op ons van toepassing is. Want degenen die hier ‘uitverkorenen’ worden genoemd, worden in het negende vers ook beschreven als ‘geroepenen’: ‘Welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzondersten geroepen heb.’ Gods uitverkoren volk van weleer werd apart gezet voor Hemzelf en geroepen uit de rest van de wereld, en dat is nog steeds zo.

Zij zijn een volk dat door Zijn bijzondere genade is geroepen, met een genadige roeping die zij niet konden weerstaan. Zij zijn tevoorschijn gekomen en hebben zich aan de kant van de Heer geschaard. “Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen.” Bent u geroepen, dan kunt u er zeker van zijn dat u uitverkoren bent.

Ik bedoel hier niet de algemene roeping van het evangelie, want daarin zijn “velen geroepen, maar weinigen uitverkoren,” maar ik bedoel de inwendige, persoonlijke roeping door de Heilige Geest. Zoals Maria geroepen werd toen Jezus haar bij naam noemde: ‘Maria,’ en die genadige stem haar ziel deed sidderen, waarop zij reageerde en zei: “Meester!” Bent u zo geroepen dat u alles voor Christus hebt verlaten, of bent u bereid dat te doen? Hebt u uw oude genoegens en metgezellen achtergelaten, en bent u nu apart gezet voor Christus? O, als dat zo is, laat dan niets u weerhouden om te genieten van de rijkdom van mijn tekst, want elke troostrijke zin daarin is voor u bedoeld.

Om ons verder te helpen ontdekken aan wie deze tekst toebehoort, dient u op te merken dat de persoon die hier wordt beschreven in het achtste vers ‘knecht’ wordt genoemd: ‘Maar gij, Israël, Mijn knecht, en in het negende vers: ‘Gij zijt Mijn knecht’. Bent u Gods knecht, geachte toehoorder? Een knecht volgt niet zijn eigen wil; hij zou immers snel ontslagen worden als hij zijn eigen grillen nastreefde. Hij laat zich leiden door de woorden en blikken van zijn meester. Heeft u uw wil onderworpen aan Gods wil? Wordt u niet langer geleid door een trotse en hoogmoedige geest die uitroept: “Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou?” Verlangt u juist te weten wat Gods wil is, en doet u vervolgens wat Hij opdraagt? Beschouwt u het als uw grootste eer om een dienaar van Christus te zijn? Leeft u voor Hem, en is Zijn glorie uw hoogste doel? Zo ja, dan mag u, als bereidwillige werker, aanschuiven bij deze tekst en zich koesteren in elk honingzoet woord, want die behoren u toe als de Heere Christus uw meester is.

Nog een woord om u te helpen beseffen of u recht hebt op deze beloften. In vers 9 zegt Hij: “U heb Ik uitverkoren en heb u niet verworpen.” Sommigen van u belijden al vele jaren het christelijk geloof. Sommigen van de jongeren zijn nu al twintig jaar in Zijn huis onderhouden, want zo lang geleden zijn wij in de Naam van Christus gedoopt. Inderdaad, broeders, naar de strengheid van de wet verdienen we het om verstoten te worden, en toch zijn we onder de genade tot nu toe bewaard door de redding van de Heere. Hoewel wij zwak zijn, blijven wij volharden. Wij moeten bekennen: “mijn voeten waren bijna uitgeweken, mijn treden waren bijkans uitgeschoten”, maar tot op dit uur zijn wij ondersteund. O, dan hebben wij veel om dankbaar voor te zijn en veel om ons over te verheugen, want volharding is een grote belofte en een waarborg van uiteindelijke redding.

“Aan hem die overwint
zal de kroon van het leven toekomen.”

En aan ons, die tot nu toe hebben volhard, behoren de beloften van deze tekst toe. Hij die u, mijn broeder, tot op dit uur heeft bewaard, nodigt u nu uit om deze kostbare kist te openen, de juwelen eruit te nemen en ze te dragen, want ze zijn allemaal van u om u te versieren, zodat u zijn leer nog meer kunt verfraaien. Kortom, deze tekst is voor Gods uitverkorenen, die van Hem zijn omdat zij zich van de wereld hebben afgescheiden, die zich onderscheiden door hun praktische dienst aan God, en die in die dienst volharden en door Gods genade zullen blijven volharden tot het einde.

Laten we ons nu richten op de tekst zelf. Ik zal hem nogmaals voorlezen: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.” Hier is ten eerste een heel natuurlijke kwaal: angst; ten tweede een gebod tegen die angst: “Wees niet bevreesd”; en ten derde een kostbare belofte van God om ons te helpen die angst te overwinnen. Die belofte wordt op drie of zelfs vier manieren gegeven, zodat we de angst werkelijk met kracht kunnen verdrijven.

I. Allereerst worden we herinnerd aan EEN VEEL VOORKOMENDE EIGENSCHAP VAN GOEDE MENSEN: VREES EN VERSCHRIKKING.

Deze ziekte van angst kwam met de zonde in het hart van de mens. Adam was nooit bang voor zijn God, totdat hij Zijn geboden overtrad. Toen de Heere God in de koelte van de dag in de hof wandelde en Adam de voetstappen van de Almachtige hoorde, haastte hij zich om met God te communiceren, zoals een dierbaar kind met een liefhebbende vader spreekt. Maar op het moment dat hij de verboden vrucht had aangeraakt, rende hij weg en verstopte zich, en toen God aan Adam vroeg: “Waar zijt gij?”, kwam Adam kruipend en bevend terug, want hij was bang voor God. Het is de zonde, het besef van zonde, dat ons “vreesachtigen” maakt.

Hoewel Hij die ons gemaakt heeft een verterend vuur is, en wij altijd een heilige ontzag voor Hem moeten hebben, zou de angst die tot slavernij leidt nooit in onze geest zijn gekomen als wij niet eerst Zijn wet hadden overtreden. Zonde is de bron van angst die kwelling veroorzaakt. En, broeders, angst blijft bestaan in goede mensen omdat zonde in hen blijft bestaan.

Als zij volmaakte liefde hadden bereikt, zou dat de angst verdrijven, want angst brengt kwelling met zich mee; maar aangezien het vlees nog steeds in hen is en de begeerten daarvan nog steeds naar de overwinning streven, worden zelfs de heiligsten van Gods volk soms gekweld door de spot van het kind van de slavin. O, dat hij verdreven zou worden, want hij kan nooit erfgenaam zijn van de vrijgeboren natuur! Naarmate de genade groeit en aan kracht toeneemt, neemt de vrees af; en wanneer de zonde met wortel en tak is uitgeroeid, zal geen twijfel of vrees ons ooit nog kwellen. Ontdoe ons eens van deze huizen van leem, bevrijd ons eens van alle inwonende zonde, en onze geest zal God zoeken zoals de vonken de zon zoeken; maar tot die tijd, omdat de zonde vanwege onze zwakheid soms de overhand heeft, heeft ook de vrees de overhand, en zijn wij treurig terneergeslagen.

Angst, die door de zonde binnenkomt en door de zonde in stand wordt gehouden, vindt gemakkelijk voedsel waarop zij kan leven. Laat de gelovige in zichzelf kijken, en, mijn broeders, hij hoeft dat slechts een ogenblik te doen om overvloedige redenen voor angst te zien. :“Ach,” zegt de angst als zij in zichzelf kijkt, naar het hart dat nog steeds geneigd is af te dwalen, “ik zal nooit standhouden.” “Ach,” zegt de angst terwijl zij naar de belegerende zonde kijkt, “ik zal nog struikelen; ik zal nooit volharden tot het einde.”

Het is waar dat er wel genade is, maar de angst is blind voor de betere natuur en richt haar blik alleen op het lichaam van deze dood. Naar binnen kijken, naar onze oude natuur, is zelden een aangename bezigheid – vooral als we vergeten dat die met Christus gekruisigd is. Ik denk dat, als iemand zijn eigen hart werkelijk zou zien zoals het is, hij er niet tegen zou kunnen. Maar geloof kijkt anders: het ziet de ruïnes die de zonde heeft achtergelaten en vertrouwt erop dat het bloed van Christus de uiteindelijke overwinning behaalt. Geloof zingt zijn loflied, zelfs te midden van de strijd, en verheugt zich met de apostel over de waarheid dat ‘waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest; opdat, evenals de zonde geregeerd heeft tot de dood, zo ook de genade zou regeren door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere’. Angst daarentegen zegt: “Eens zal ik vallen door de hand van de vijand; zo’n broos en kwetsbaar schip als ik zal de stormen niet kunnen weerstaan en uiteindelijk vergaan.” En, mijn broeders, angst vindt gemakkelijk voedsel – van binnen en van buiten. Soms voedt zij zich met armoede, soms met ziekte, soms met herinneringen aan het verleden of zorgen over de toekomst. Zelfs mensen met een oprecht geloof kunnen zo zwak zijn dat zij schrikken van omstandigheden waarover hun geloof hen vrede had moeten geven – of zelfs vreugde.

Wanhopige mensen vinden redenen om bang te zijn, zelfs waar geen reden tot angst is. Er is een bepaalde groep die daar bijzonder bedreven in is: als de Heere hun geen beproeving geeft, verzinnen ze er zelf één. Zij hebben als het ware een kleine problemenfabriek in huis, waar ze met hun verbeelding nieuwe verschrikkingen bedenken.
Ze weven rouwgewaden en strooien as over zichzelf. Ze zijn er zeker van dat ze failliet zullen gaan, alleen omdat hun handel vorige week even wat minder liep. Ze geloven dat ze weldra te oud zullen zijn om te werken – wat op zichzelf waar is, want ze zijn inderdaad een maand ouder. En ze zijn ervan overtuigd dat ze uiteindelijk in het armenhuis zullen sterven – wat klopt in zoverre dat iedereen ergens zal sterven. Zo bouwen zij hun eigen nachtmerries, en kwellen zichzelf met gedachten die niets anders zijn dan verzinsels. Geen van die rampen is tot nu toe werkelijkheid geworden, en volgens ieder ander is de kans kleiner dan ooit. Toch maken zij hun vermoedens tot werkelijkheid in hun geest. Het is treurig dat wij mensen onszelf zo kunnen neerdrukken.

Zullen de kleine wolkjes van dit vluchtige leven het licht van de onveranderlijke liefde verduisteren? Zullen de aardse nevels van zorg de eeuwige heuvels voor de heiligen verbergen, vanwaar hun spoedige hulp zal neerdalen? O, schande en zonde van de laagste soort, dat erfgenamen van de hemel, verrijkt met alle volheid van de Heere, zich zouden ergeren, zich zouden opwinden en hun ziel zouden afmatten met kinderachtige dromen over kwellingen die nooit zullen komen; of die, als ze komen, rijkelijk beladen zullen zijn met het goede!

In sommige gevallen heeft de gewoonte om te vrezen een haast monsterlijke vorm aangenomen. Ik ken zelfs mensen die menen dat het juist is om altijd bang te zijn, en die met wantrouwen kijken naar ieder die een vast geloof heeft. Zij noemen volle zekerheid ‘aanmatiging’ en begrijpen niet hoe iemand zulk vertrouwen in God kan hebben.
Maar als zij het wisten, zouden zij beseffen dat er juist méér aanmatiging schuilt in ongeloof dan in geloof. Het is immers grote aanmatiging van een kind om de woorden van zijn vader niet te geloven. Er is niets aanmatigends aan wanneer een kind eenvoudig vertrouwt op wat zijn vader zegt — het doet dan slechts wat juist is.

Voor mij is ware nederigheid dit: de naakte belofte van een trouwe God aannemen en, ondanks mijn eigen onwaardigheid, toch geloven dat ze waar is. Maar wanneer ik diezelfde belofte hoor uit de mond van mijn Vader en er vervolgens aan begin te twijfelen, alsof ik haar moet wantrouwen, dan is dat geen bescheidenheid maar trots — trots die haar naaktheid probeert te verbergen onder een dun kleed van schijnbare nederigheid. Vermijd daarom dat ongeloof dat op nederigheid lijkt, en zoek het onwankelbare geloof dat in Gods ogen de ware zachtmoedigheid is. Toch wil ik niet iedereen veroordelen die met angst worstelt. Bij sommigen is hun vrees eerder een zwakte dan een zonde, vaker een ziekte dan een schuld. ‘Meneer Zwakzinnig’ zal nooit worden als ‘Meneer Grootmoedig’, zelfs niet als je hem met het beste graan voedt. En ‘Meneer Klaar-om-te-Stoppen’ zal nooit zo vast staan of zo vaardig rennen als ‘Meneer Dapper-voor-de-Waarheid’, hoe goed je hem ook behandelt. In Gods gezin zijn er mensen die van nature broos zijn en het waarschijnlijk zullen blijven — totdat zij eindelijk rust vinden.

Ik wil alles doen wat in mijn vermogen ligt om de angstigen te bemoedigen en hen aan te sporen boven hun zwakheid uit te stijgen. Soms zal ik hen zacht berispen, zodat zij beseffen dat ongeloof geen deugd is. Maar ik zou hun moedeloosheid nooit zo scherp veroordelen dat zij gaan denken dat zij niet tot Gods volk behoren. Beste vrienden, ik zeg u eerlijk: ik zie liever iemand op handen en voeten naar de hemel kruipen, zonder één lofzang te kunnen zingen, dan iemand die vol zelfvertrouwen naar de hel wandelt. Het is beter een lam met een gebroken poot te zijn, rustend in de armen van Christus, dan de sterkste ram in Satans kudde. Moge God ons bewaren voor het vertrouwen op eigen kracht. Toch kleeft er veel kwaad aan angst, en ieder kind van God moet waken dat het er niet door wordt beheerst. Veel kan worden gewonnen als wij onszelf leren aan te sporen om de Sterke om kracht te vragen waarmee wij ons ongeloof overwinnen.

Somberheid hoeft niet blijvend te zijn. Er wordt wel gezegd dat sommige planten van God het beste gedijen in de schaduw — en ik geloof dat dat waar is. Maar toch zou ik graag zien hoe ze groeien in het zonlicht; misschien zouden ze daar nog wel beter bloeien dan ooit tevoren. Er zijn kostbare bloemen van genade die voortdurend worden bewaterd met de tranen van verdriet, maar ik denk dat de dauw van troost net zo goed aan hun doel zou voldoen. Moge de Heere hen bezoeken en hen uit de verschrikkelijke put en uit de modderige klei halen. Mogen zij moedig zijn, want de Heere zegt tegen hen: “Vrees niet, wees niet ontzet.”

Voordat we dit punt verlaten, moeten we ook opmerken dat zelfs de sterkste dienaren van God soms angstig kunnen zijn. David was een zeer krachtige man; hij versloeg Goliath, maar we lezen dat hij op een bepaald moment tijdens een veldslag “zwak werd”. Dus ook de machtigste helden van de Heere kunnen soms zwak zijn. We spraken eerder over onze ‘IJzeren Hertog’, en in de Bijbel was er één man die een IJzeren Profeet was: Elia, de Tisjbiet. Toch ging hij onder de jeneverbesboom zitten en, ik had bijna gezegd, jammerde hij: ‘Het is genoeg; neem nu, o Heer, mijn leven weg, want ik ben niet beter dan mijn vaders.’

De beste mensen blijven uiteindelijk mensen, en zelfs de sterksten worden zwak wanneer Gods machtige hand zich maar even terugtrekt. Soms zeggen dierbare vrienden tegen mij: “Wij worstelen met twijfels, angsten en zorgen die u zich niet kunt voorstellen.” Zij denken dat hun predikant, of anderen die zij hoogachten, niets weten van zulke zwakheden. Ik zou dat graag geloven — maar helaas, het is niet zo. We hebben belangrijkere zaken om over te spreken dan onze eigen tekortkomingen. De preekstoel is geen biechtstoel, en niet elke ervaring hoeft openbaar te worden gemaakt. Toch wil ik dit zeggen: er zijn momenten waarop zelfs de moedigsten en krachtigsten alles zouden geven voor het kleinste teken van genade. Zij zouden zich gelukkig prijzen als ze slechts konden kruipen tot aan de voet van het kruis om te bidden: “God, wees mij, zondaar, genadig!” Maar ik zeg dit niet om moedeloosheid aan te wakkeren — integendeel. Laat mij ook de andere kant tonen. Er is geen reden waarom wij, als wij dichter bij God leven en zorgvuldiger wandelen, niet gewoonlijk boven al die angst en ontzetting zouden kunnen leven.

Ik herinner mij een dierbare broeder in Christus, nu thuis bij de Heere, aan wiens oprechtheid ik nooit heb getwijfeld. Hij vertelde mij eens dat hij in dertig jaar nooit had getwijfeld aan zijn geloof in Jezus Christus. Dat verbaasde mij toen, maar ik dank God dat ik inmiddels meer van zulke mensen heb ontmoet — Zijn uitverkorenen, in wie Zijn ziel een welbehagen heeft. Zij getuigen dat, hoewel zij soms worden geschokt, zij nooit zijn afgeweken van hun standvastige geloof. Hoewel zij soms twijfelen, zijn zij nooit zo ontmoedigd dat zij hun vertrouwen op Jezus verlieten. Zij blijven staande en kunnen, jaar na jaar, met vreugde zingen: “Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid; ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.” Dat stel ik voor als een doel voor ieder die in Christus gelooft.
Probeer eens of u al die bittere woorden kunt wegspoelen die u soms met zuchten laat klinken: “Het is iets wat ik graag zou willen weten.” Het is een lieflijk kinderlied, een lied dat vaak uit de mond van zoekende zielen komt; maar o, dat u mocht groeien tot diepere tonen van geloof en zekerheid — tot het zingen van liederen als dit:

“Nu heb ik vaste grond ontdekt,
waarop het anker van mijn ziel mag rusten;
De wonden van Jezus, mijn schuld is bedekt,
Die vóór het bestaan van de wereld werd verkoren.
Zijn genade wankelt niet,
Zelfs al gaan hemel en aarde verloren.

O liefde! Dieper dan de oceaan,
Mijn zonden zijn in u verzonken, vergaan;
Mijn schuld en kwaad bedekt,
Geen smet die mij nog bevlekt.

Terwijl Jezus’ bloed door hemel en aarde gaat,
Roep ik om genade die vrij en eeuwig staat!
Met geloof duik ik in deze diepe zee,
Hier vind ik mijn hoop, mijn vreugd en mijn rust.

Hierheen vlucht ik wanneer de hel mij bestookt,
Ik richt mijn blik op mijn ‘s Heiland borst;
Weg, trieste twijfel en angstig gemoed,
Genade is alles wat daar geschreven staat, voorgoed!”

II. We zullen nu een ogenblik stilstaan bij GODS BEVEL TEGEN ANGST: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt.” Dit bevel is absoluut en onvoorwaardelijk: wij mogen niet vrezen. God zegt niet: “Vrees zoveel, maar niet meer dan dat,” maar Hij geeft een volkomen aansporing: “Vrees niet.” Hij zegt niet: “Vrees niet zo vaak,” maar eenvoudigweg: “Vrees niet.” Het is een aansporing zonder tijdslimiet, en daarom geldt zij voor alle tijden. “Vrees niet.” Vrees helemaal niet. “Wees niet verschrikt.” Hij zegt niet: “Wees niet volkomen verschrikt”; er is geen beperkend bijwoord, het betekent: “Wees helemaal niet verschrikt” Dit gebod straft dus angst af en verbiedt verschrikt te zijn.

Waarom zou het kind van God bang zijn? Er zijn meerdere redenen die het goddelijke gebod rechtvaardigen. Laten we er enkele overwegen. Ten eerste mogen wij niet bang zijn omdat angst meestal zondig is. Het is bijna altijd zondig om bang en verschrikt te zijn, omdat dergelijke gemoedstoestanden voortkomen uit ongeloof. Hebt u ooit stilgestaan bij hoe groot de zonde van ongeloof eigenlijk is? We bekennen zonder enige schaamte ons ongeloof in God, maar we weigeren onze oneerlijkheid tegenover de mensen te erkennen.

Broeders, vertel mij: welke van deze twee fouten is de grootste? Is ongeloof niet als het beroven van God, een vorm van verraad aan Hem? Stel dat ik met iemand van u spreek en hij zegt tegen mij: “Meneer, ik kan u niet geloven.” Dat zou mij diep raken. Want het is een scherpe, bijna pijnlijke uitspraak om iemand te zeggen: “Ik kan u niet geloven.” Zelfs wanneer twee gewone mensen ruzie hebben, en de één zegt tegen de ander: “Ik geloof geen woord van wat u zegt,” voelt dat als een belediging. Elk oprecht mens heeft immers het recht om geloofd te worden; hij spreekt op zijn eer als eerlijk man. En als u zegt: “Ik kan u niet geloven,” dan schaadt dat uiteindelijk niet hem, maar uzelf.

Zou het dan ooit zo ver komen dat Gods eigen kinderen zeggen dat ze hun God niet kunnen geloven? O, zonde der zonden! Zoiets is heiligschennis — het rooft God Zijn eer. Want als God niet waarachtig is, is Hij geen God; en als Hij niet te vertrouwen is, kan Hij ook niet worden aanbeden. Een God die je niet kunt vertrouwen, kun je niet aanbidden. O, godslasterlijke verrader – zonde van ongeloof! O, zonde die als een adder het hart vergiftigt!
Moge God ons ervan verlossen, en laten wij deze zonde niet licht opnemen, maar haar afschudden, zoals Paulus de adder in het vuur wierp. Twijfel en angst brengen ook zonde voort. Van Jerobeam wordt gezegd dat hij zondigde en Israël deed zondigen — zo is het ook met ongeloof. Het sleept duizend andere zonden met zich mee.
Want wie in God gelooft, zal weerstand bieden aan verleiding; maar wie niet gelooft, valt gemakkelijk in elke strik. Zie bijvoorbeeld de handelaar die in moeilijkheden verkeert. Zijn zaken gaan slecht, maar hij zegt:
“Ik vertrouw op God. Als ik oprecht blijf en eerlijk handel, zal Hij mij erdoorheen helpen.”
Zo’n mens blijft veilig. Wat er ook gebeurt, zijn karakter blijft zuiver, omdat zijn geloof standhoudt.

Maar hier is een andere man, die zegt: “Ik bevind me in een zeer lastige situatie en ik moet mijn kansen grijpen; ik ben er niet zeker van dat God mij bijstaat; ik moet mezelf helpen, want ik loop een groot risico om geruïneerd te worden.” Die man zal zijn toevlucht nemen tot een van die zakelijke trucs waarmee mensen geld verdienen. Ik hoef u niet te vertellen wat die trucs zijn, want ik durf te zeggen dat velen van u ze kennen, hetzij omdat u ze zelf gebruikt, hetzij omdat ze op u zijn toegepast. Ze zijn een essentieel onderdeel van de kunst om andermans geld te stelen zonder als dief te worden opgesloten. Welnu, hij maakt gebruik van een van die plannen; natuurlijk doet hij dat, want wie geen geloof heeft, heeft zeker veel sluwheid. Wie God niet kan vertrouwen, begint al snel de duivel te vertrouwen, en wie de duivel begint te vertrouwen, komt al snel in de modder terecht.

Geloof is wat een mens vasthoudt, zoals het grote anker een schip vasthoudt wanneer de wind waait. Als u gelooft dat God u niet in de steek zal laten, kunt u verleidingen weerstaan. Zie nu hoe de man die geloof heeft de duivel verslaat! Daar staat de duivel; hij zegt: “Als u mij dient, zal ik u geven…” “Wat wilt u mij geven?” “Ik zal u de hele wereld geven.” “Maar die heb ik al, want deze wereld is van mij, gegeven in Christus, en alles wat goed voor mij is zal ik ten alle tijden ontvangen.” “Maar ik zal u groot maken.” “Ik wil niet groot zijn, mijn vreugde is om Christus groot te maken, en mijn grootheid is in Hem.” “Maar ik zal u zilver geven.” “O, vooruit dan!” zegt de christen, “leg het maar neer.” Zodra de hoop is uitgespreid, bedekt de gelovige die met tien keer zoveel goud, en zo wordt de duivel belachelijk gemaakt. Wat ik ermee wil zeggen is dat voor elke zegen die de zonde kan brengen, de genade tien keer zoveel meere zegen brengt, en zo verslaat het geloof Satan en wordt de verleiding weggenomen.

Ongeloof heeft die kracht niet, maar valt gemakkelijk in de kaken van de leeuw. Vrees daarom niet, opdat u in het uur van de beproeving niet door de verleiding overweldigd wordt en tot zonde wordt gedreven. Wees ook niet verschrikt, want het schaadt uzelf. Niets kan u zo verzwakken, niets kan u zo ongelukkig maken als wantrouwen.

Dit is geen kleinigheid, want christelijke vreugde is een vrucht van de Geest, en wie deze doet verdorren, berooft de Heere van Zijn glorie. Staat er niet geschreven: “Verblijdt u te allen tijd”? Vrees verzwakt de invloed van de gelovige en brengt zo schade toe aan anderen. Bekeerlingen worden niet tot Christus gebracht door ongelovige christenen. Het is geloof dat zielen wint.

Laat mij u een voorbeeld geven. Er is daar een goede vrouw die haar kind heeft verloren, haar enige kind. Toen haar man dat dierbare kind zag sterven, was hij buitengewoon boos op God en zei hij veel harde en bittere dingen, maar zijn vrouw deed dat niet. Zij hield net zoveel van het kind als de vader, maar zij legde het op het bed en zei: “De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen, gezegend zij de Naam van de Heere.” Goede vrouw, uw man zei niets, maar hij voelde het verschil tussen zichzelf en u, en wie kan zeggen welke goede resultaten daaruit zullen voortvloeien?

Wanneer een belijdend christen in beproeving zich gedraagt als een werelds mens, zou de wereldse mens kunnen concluderen: “Er zit niets in godsdienst.” Maar als juist in tijden van moeilijkheden, ellende en rouw het geloof van de christen hem gelukkig, berustend en tevreden doet zijn met de wil van de Heere, dan zien zelfs de meest ongoddelijke geesten de kracht van die genade. Het kan zijn dat zij hierdoor tot nadenken worden gebracht en zich afvragen: “Als zo’n rijke genade werkelijk bestaat, waarom zou ik die dan niet zoeken en vinden?” Misschien zullen zij deze genade daadwerkelijk gaan zoeken en vinden.

O, voor uw eigen bestwil, voor het welzijn van uw naaste, voor het welzijn van de kerk, voor het welzijn van de wereld, voor het welzijn van Christus, voor het welzijn van God, wees niet bevreesd en raak niet ontmoedigd!

III. Ik heb niet voldoende tijd om hier verder bij stil te staan, dus moet ik nu naar de kern van de tekst gaan: DE BELOFTEN DIE GOD GEEFT OM ANGST EN ONGERUSTHEID TE VOORKOMEN.
Vijf keer komt in dit vers een vorm van het voornaamwoord ‘gij’ voor, en vijf keer komt het voornaamwoord ‘Ik’ voor. Wat er ook van u is, er zal evenveel van God zijn. Wat er ook van uw zwakheid is, er zal evenveel van Gods kracht zijn. Wat er ook van uw zonde is, er zal evenveel van Gods genade zijn om dat alles te ontmoeten.

Moge de Heilige Geest de volheid van dit prachtige vers aan uw hart openbaren. “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.” Velen vrezen omdat zij bang zijn voor eenzaamheid. In meer of mindere mate moeten wij alleen zijn in de dienst van God. Christelijk gezelschap is een grote troost, maar als iemand een leider wordt in Israël, wordt hij tot op zekere hoogte een eenzame geest.

Ik weet dat sommigen van u ouder worden, en dat uw vrienden één voor één zijn heengegaan. U zegt misschien: “Ik zal straks helemaal alleen achterblijven.” Anderen van u zijn uit een rustig dorp naar Londen gekomen, waar u vroeger vele broeders en zusters in Christus had. Dan kan deze stad — met al haar drukte en miljoenen zielen — de eenzaamste plaats op aarde lijken, wanneer u niemand kent. Ik begrijp die stille pijn. Of misschien gaat u naar de Verenigde Staten, Canada of Australië, en denkt u nu: “Ik kan het niet verdragen gescheiden te zijn van alles wat ik liefheb.” Welnu, hier is dit kostbare woord voor u: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u”

De Heere der heerscharen is het beste gezelschap. Zijn gezelschap is de vreugde van de engelen en de zaligheid van verheerlijkte geesten. Wees dankbaar, gelovige, dat u niet alleen bent, want de Vader is met u, de Zoon is met u, de Heilige Geest is met u. En wat betekent dat? Het betekent dat almacht met u zal zijn om uw kracht te zijn, dat alwetendheid met u zal zijn om uw wijsheid te zijn, dat onveranderlijkheid met u zal zijn om uw hulp te zijn, dat alle eigenschappen van God met u zullen zijn om uw schat te zijn. “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.”

Een andere angst bekruipt de mens, namelijk dat hij alles wat hij in de wereld heeft, kan verliezen, en hij weet heel goed dat als hij zijn bezit verliest, hij meestal ook zijn vrienden verliest. Zoals de zwaluwen die in de lente naar ons toekomen en weer vertrekken als de zomer voorbij is, zo zijn ook onze wereldse vrienden; als onze bezittingen verdwenen zijn, zijn zij ook verdwenen. Maar hier komt de tweede belofte om de hoek kijken: “Wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.” De wonderboom van Jona verdorde, maar de God van Jona niet.

Uw bezittingen kunnen verdwijnen, maar uw God niet. Mensen om u heen kunnen u beroven van uw geld of uw gemak, maar uw ware rijkdom — uw God Zelf — kan niemand u ontnemen. Ik denk aan dat ontroerende moment waarop een kind zijn moeder zag huilen, maand na maand, gekleed in haar weduwenkleren na het overlijden van haar man. “Moeder,” vroeg het kind zacht, “is God dood?” Ach, als onze God gestorven was, zouden we werkelijk arme, verlaten wezen zijn. Maar zolang die heilige woorden blijven klinken — geschreven in het kostbare Boek en bevestigd in ons hart door de Heilige Geest — “Wees niet verschrikt, want Ik ben uw God,” dan zijn wij niet werkelijk arm, hoe groot het verlies ook lijkt.

“Kijk,” zei de Franse ambassadeur tegen zijn Spaanse collega, terwijl hij hem meenam naar de koninklijke schatkamer, “kijk eens naar het goud van mijn koning — wat is hij rijk!”

De Spaanse ambassadeur glimlachte, pakte zijn wandelstok en begon ermee in de geldkisten en schatkisten te prikken.
“Wat doet u?” vroeg de verbaasde Fransman.
“Ik wil weten of er een bodem in zit,” antwoordde de Spanjaard.
“Natuurlijk zit er een bodem in,” zei de Fransman.
“Ah,” antwoordde de ander, “de schatkist van mijn koning heeft geen bodem, want hij bezit alle mijnen van Mexico en Peru.”

Wat de trotse Spanjaard opschepperig zei, mogen wij in waarheid zeggen: de schatkist van onze God heeft géén bodem. Zijn rijkdom is onpeilbaar en Zijn genade onuitputtelijk. Daarom kunt u, terwijl God tot u zegt: “Ik ben uw God,” vrijmoedig lachen om armoede, nood, verdrukking of zelfs hongersnood. Wie de Heere tot zijn God heeft, zal niet tekortkomen — hij zal verzadigd worden met merg en vet, en zijn mond zal Hem loven met blijdschap.

Een andere vrees die ieder kind van God soms kent, tenzij het door het geloof wordt gedragen, komt voort uit het gevoel van persoonlijke zwakheid: “Ik heb een strijd te voeren en ik ben zo zwak. Ik heb een taak voor God te vervullen voordat ik sterf, maar ik heb niet de kracht om die uit te voeren.” Precies daar klinkt het woord van de tekst: “Ik sterk u.” De kracht die ik nodig heb om mijn werk te doen, ligt niet in mijzelf. Als dat wel zo was, zou ik verloren zijn. Hoe weinig kracht er in deze arm zit, weet ik tot mijn verdriet. Maar geen mens op aarde kan zeggen hoeveel kracht God – als Hij het wil – in diezelfde arm kan leggen. Hij zou een zwakke, bevende man in staat kunnen stellen de poorten van Gaza uit de grond te rukken, zoals Simson ooit deed. Hij kan, als het Hem behaagt, de kracht van een reus leggen in de arm van een kind. Maar, broeders, laat dit beeld spreken over geestelijke kracht. U hebt van God de roeping ontvangen om te prediken. Wat zou dat een magere prediking zijn, als u het alleen moest doen! Maar geen tong kan beschrijven wat God door u kan doen, als Hij u helpt. U moet een klas jongens en meisjes, of jonge mannen en vrouwen onderwijzen, en u voelt: “Ik kan dit niet.” Natuurlijk kunt u het niet, zonder Hem. Maar ga toch in gehoorzaamheid aan het werk, want Hij heeft gezegd: “Ik sterk u.”

Er stond eens een struik in de woestijn – niets bijzonders, slechts een struik. Maar o, hoe schitterde hij toen God in hem verscheen: hij brandde van vuur en toch verbrandde hij niet. Zo kan God in u komen, mijn broeder, en in u, mijn zuster, en u doen gloeien van heerlijkheid, zoals de struik op Horeb. Hij kan u zo sterk maken dat u alles verdraagt. En dat heeft Hij al gedaan. Als men u jaren geleden had verteld dat u uw laatste beproeving zou doorstaan, zou u gezegd hebben: “Dat zal ik nooit kunnen.” Maar u hebt het verdragen. “Dat wordt mijn dood,” zei uw ongeloof misschien; maar in die beproeving is uw oude ik juist dóód geworden. U kunt nu spreken over de God van de weduwe. U kunt zingen van Hem die de zwakken sterkt tegen de sterken, die redt wie dreigen te vergaan, en het zwakke hart doet zingen van vreugde. Hier is dus een woord aan angstige, bevende arbeiders voor God: “Ik sterk u.”

Daarna volgt de volgende belofte: “Ook help Ik u.” Die woorden nemen de vrees weg dat er geen hulp van buitenaf zal zijn. Sommigen zeggen: “Ik geloof dat God mij persoonlijk kan sterken, maar ik heb ook mensen om mij heen nodig. Ik verlang naar meer predikers, meer werkers in Gods gemeente, mensen naast mij die met ernst en met meer gaven voor de waarheid strijden.” Let dan op dit woord: “Ook help Ik u.” Ik zal u niet alleen kracht geven om zelf te gebruiken, maar Ik zal ook Mijn kracht in anderen leggen en in Mijn voorzienigheid gebruiken om u te steunen.

U weet hoe groot Gods hulp is. Laat mij opnieuw een eenvoudig voorbeeld geven dat ik eens van een predikant hoorde. Op een dag was hij zijn boeken aan het verhuizen naar een kamer boven, omdat hij zijn studeerkamer op de eerste verdieping wilde hebben. Zijn zoontje wilde hem graag helpen.
“Ik wist dat hij het eigenlijk niet kon,” zei de vader, “maar omdat hij zo graag wilde helpen, liet ik hem een boek pakken en mee naar boven nemen.” Het kind koos een van de zwaarste delen – een enorm theologisch werk – en begon de trap op te klimmen. Maar na een paar treden ging hij zitten en begon te huilen. Het boek was te zwaar, hij kon het niet dragen. Uiteindelijk moest de vader erbij komen, en hij droeg zowel het boek als zijn zoontje. Zo gaat het ook met ons wanneer de Heere ons werk geeft. Wij zijn blij dat we iets voor Hem mogen doen, maar onze kracht schiet tekort. Dan gaan we moedeloos zitten. En toch komt onze gezegende Vader, neemt het werk op Zich én draagt ons erbij, zodat alles heerlijk wordt voleindigd. Het is een eenvoudige illustratie, maar moge zij een troost zijn voor een moedeloos hart: “Ook help Ik u.”

Het laatste woord van de tekst is: “Ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand.” Veel kinderen van God worden gekweld door de angst dat zij op een dag het kruis van Christus te schande zullen maken en in een onbewaakt moment zullen uitglijden. Dit is een heel natuurlijke angst, en in sommige opzichten een heel terechte angst.

Ach, Heer, met een hart zoals het mijne, voel ik dat ik dreig af te glijden en verloren te gaan, tenzij U mij krachtig vasthoudt.

Wij denken vaak dat er slechts één verleiding nodig is — één aanval op ons zwakke punt — en het is met ons gedaan. Maar ik smeek u nogmaals: grijp dit kostbare woord vast — “Ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.” Het is dezelfde hand die de sterren op hun plaats houdt; de hand die de hemel draagt zonder pijlers, die zowel zee als kust overspant. Zou die hand u niet kunnen dragen? Vertrouw erop — en u zult niet vallen. De rechterhand van Zijn gerechtigheid is dezelfde hand die wij ooit vreesden, toen wij bang waren dat onze beledigde Koning ons ermee zou neerslaan, zoals wij dat verdiend hadden. Maar sinds de hand van Christus werd doorboord, heeft de rechterhand van God nooit meer een gelovige geslagen om hem te vernietigen. Diezelfde hand, die ons had kunnen verpletteren, wordt nu onder ons geplaatst om ons te ondersteunen in al onze beproevingen.

O, dat ik de vleugels van de tijd kon tegenhouden, om nog wat langer in deze rijke weide te blijven! Maar nu geef ik u de woorden van de tekst mee om ze mee naar huis te nemen. Hier hebt u brood uit de hemel — wafels met honing — zoals Israël at in de woestijn. Hier is engelenvoedsel; ja, het brood des levens zelf in deze heerlijke woorden.
Mijn enige vrees is dat u dit manna door ongeloof zult missen.

“Proef en zie dat de Heere goed is.” Lees deze tekst niet alleen — proef haar. Laat de woorden rusten op het gehemelte van uw ziel, neem ze op in uw hart. Weet dat ze waar zijn — en waar voor u — ook al beschouwt u zichzelf als de minste onder Gods volk, de meest onwaardige zondaar aan deze kant van de hel.

“Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.” Ga met deze woorden naar huis. Neem ze aan in het geloof. Ze zullen voor u zijn als het meelvat en de oliekruik van de weduwe — zij zullen niet opraken tot de dag dat de Heere u voert uit dit land van hongersnood, om brood te eten in Zijn koninkrijk, met Zijn geliefde Zoon.

Mijn hart treurt bij de gedachte dat deze belofte voor sommigen van u nog niet geldt, omdat u niet tot Christus behoort. O, mijn vriend, hoezeer verlang ik dat u deel krijgt aan deze beloften van het verbond. Als u met heel uw hart gelooft, dan kunt u dat. Vertrouw op Jezus Christus — en ze zijn van u.

Vanmorgen heb ik geprobeerd het offer van mijn Meester te verkondigen.
Nu bied ik u een van de zoete vruchten aan die groeide aan de bittere boom waaraan Hij hing.
Kom tot het kruis, zie op naar Zijn lijden, en geloof in Hem.
Dan zult u, zittend in de schaduw van Zijn genade, proeven hoe zoet deze vrucht is.

De Heere zegene u, omwille van Christus. Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content