Het monster aan het licht gebracht

Een preek gehouden op zondagmorgen, 9 Februari 1873, door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden, opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn. Rom. 7:13

“De wijze mat des bergen hoogten en weet,
diepte der zeeën, hoe ver en hoe breed.
Heeft koninkrijken gevonden, vorsten doorgrond,
trok over de aarde, waar hij bronnen vond.
Maar twee zaken, zo uitgestrekt zo groot,
vragen om nog dieper te worden ontbloot:
zelden zoekt men deze te doorgronden —
Zonde en Liefde worden zelden gevonden.”

Zo zong George Herbert, die zoete en heilige dichter. En over een van die ‘twee enorme, uitgestrekte zaken’ gaan we vanmorgen spreken: namelijk de zonde. Moge de Heilige Geest ons leiden in gedachten en woorden, terwijl wij ons, in navolging van de woorden van onze tekst, meteen in het hart van het onderwerp storten.

George herbert (3 april 1593 – 1 maart 1633) was een Engelse priester en dichter.

I. Het eerste punt dat we vanmorgen zullen bespreken, is DAT VOOR VEEL MENSEN ZONDE GEEN ZONDE IS. Ja, in alle mensen heerst, door hun natuurlijke blindheid, een onwetendheid over wat zonde werkelijk is. Alleen de kracht van de goddelijke almacht kan daar verandering in brengen: de stem van diezelfde Majesteit die zei: “Er zij licht”, en er was licht. Zonder die kracht blijft de menselijke geest in duisternis over veel van zijn eigen werkelijke zonde en het diepe, dodelijke kwaad dat daarmee gepaard gaat.

De mens neemt, met zijn betreurenswaardige neiging tot misvattingen, genoegen met een verkeerd beeld van zichzelf. Zijn daden zijn slecht, maar hij wil niet tot het licht komen, omdat hij bang is dat hij meer over dat kwaad in zichzelf zal ontdekken dan hem lief is. De kracht van het zelfrespect is bovendien zo groot dat de zondaar, hoewel hij vol zonde is, niet gemakkelijk tot besef of bekentenis van het bestaan daarvan komt. Er zijn mensen in deze wereld die tot aan hun nek in ongerechtigheid zijn ondergedompeld, maar nooit inzien dat zij iets ergers hebben gedaan dan kleine fouten. Er zijn mensen wier ziel zo doordrenkt is van zonde dat zij lijken op wol die in scharlakenrode verf heeft gelegen, en toch beschouwen zij zichzelf als wit als sneeuw. Dit komt deels door het afgestompte geweten dat het gevolg is van de zondeval.

Hoewel ik tienduizend keer heb gehoord dat het geweten de plaatsvervanger van God is in de ziel van de mens, heb ik dat dogma nooit kunnen aannemen. Het is eenvoudigweg niet zo. Bij veel mensen is het geweten verdraaid, bij anderen is er slechts een fragment van over, en bij iedereen is het feilbaar en kwetsbaar voor afwijkingen. Het geweten is bij alle mensen iets gradueels, afhankelijk van opvoeding, voorbeelden en eerdere karaktertrekken. Het is het oog van de ziel, maar vaak halfblind en zwak, en het heeft altijd licht van boven nodig. Zonder dat licht bedriegt het de ziel slechts. Het geweten is een vermogen van de geest dat, net als alle andere vermogens, ernstig is aangetast door onze natuurlijke verdorvenheid en zeker niet volmaakt is. Het is eigenlijk niets anders dan het verstand dat zich bezighoudt met morele kwesties. Juist op dat terrein verwart het vaak bitter met zoet en zoet met bitter, duisternis met licht en licht met duisternis. Daarom lijken de zonden van mensen voor henzelf vaak geen zonden.

Waarschijnlijk is er zelfs onder wedergeboren mensen niemand die het kwaad van de zonde volledig kent, en dat zal zo blijven totdat wij in de hemel volmaakt zullen zijn. Pas wanneer wij daar de volmaaktheid van Gods heiligheid zien, zullen wij begrijpen hoe duister de zonde werkelijk was. Mensen die hun hele leven onder de grond hebben geleefd, weten niet hoe donker de mijn is en kunnen dat ook niet weten, totdat zij buiten staan in het felle licht van een zomerse middag. Ons onvermogen om zonde als zonde te zien komt grotendeels voort uit de buitengewone bedrieglijkheid van zowel de zonde als het menselijk hart. Zonde neemt de mooiste vormen aan, zoals Satan zich tooit als een engel van het licht. Het komt zelden voor dat ongerechtigheid in haar naaktheid rondloopt. Zoals Izebel versiert zij haar hoofd en schildert zij haar gezicht. Het hart vindt dat prettig en laat zich graag misleiden. Waar we kunnen, zullen we onze fouten verzachten. We zijn allemaal zeer scherpzinnig in het vinden van iets dat, als het onze schuld niet helemaal wegneemt, er toch voor zorgt dat die niet in de hoogste klasse van gruweldaden wordt geplaatst.

Soms begrijpen we het gebod niet, of beter gezegd: we wíllen de kracht en strengheid ervan niet erkennen. Het is ons te scherp en te hard, en we proberen de scherpe kantjes ervan af te halen. Als we er een mildere betekenis in kunnen leggen, doen we dat graag. “Arglistig is het hart, boven alles, ja, ongeneeslijk is het”; daarom verzint het duizend leugens. Zoals de bedrieglijkheid van de zonde zeer groot is, zodat zij zich tooit met de kleuren van gerechtigheid en mensen doet geloven dat zij God behagen terwijl zij Hem beledigen, zo is de mens zelf een gretige zelfbedrieger die – zoals de dwaas in Salomo’s Spreuken – graag de vleier volgt. Bij de meeste mensen komt het feit dat zij zonde niet als zonde zien voort uit hun onwetendheid over de geestelijkheid van de wet. Mensen lezen de tien geboden en denken dat ze niet meer betekenen dan hun oppervlakkige, letterlijke zin. Lezen zij bijvoorbeeld: “Gij zult niet doden”, dan zeggen zij meteen: “Ik heb die wet nooit overtreden.” Maar zij vergeten dat wie zijn broeder haat, een moordenaar is, en dat onrechtvaardige woede een duidelijke overtreding van het gebod is. Als ik opzettelijk iets doe wat het leven van mijzelf of mijn naaste vernietigt of verkort, overtreed ik dit gebod.

Een mens leest: “Gij zult geen overspel plegen.” “Welnu,” zegt hij, “daar ben ik vrij van.” Meteen gaat hij er prat op dat hij de kuisheid zelve is. Maar zodra hem duidelijk wordt gemaakt dat het gebod het hart raakt, dat een wellustige blik overspel is, en dat zelfs het verlangen om het kwade te doen de ziel veroordeelt, ziet hij de dingen ineens in een heel ander licht. Dan gaat hij als zonde zien wat hem vroeger nooit had beziggehouden. Gewoonlijk – ja, vrijwel altijd – is er, totdat de Geest van God in de ziel komt, totale onwetendheid over wat de wet werkelijk betekent. Daarom zeggen mensen met een licht hart: “Heere, wees ons genadig en neig ons hart om deze wet te onderhouden”; terwijl zij, als zij het echt begrepen, zouden zeggen: “Heere, wees ons genadig en reinig ons van onze ontelbare overtredingen van een wet die wij niet kunnen houden en die ons voor altijd zal veroordelen zolang wij onder haar macht blijven.” Zo ziet u enkele redenen waarom zonde niet in haar ware licht verschijnt aan onbekeerden, maar onboetvaardige en zelfingenomen geesten misleidt. Dit is een van de meest betreurenswaardige gevolgen van de zonde: zij schaadt ons het meest doordat zij ons het vermogen ontneemt om te beseffen hoeveel schade we lijden. Ze ondermijnt de gezondheid van de mens, maar brengt hem ertoe te roemen in zijn schijnbaar onfeilbare gezondheid. Ze maakt hem arm, maar vertelt hem dat hij rijk is. Ze rooft hem zijn bezittingen, maar laat hem pronken met zijn denkbeeldige gewaden.

Hierin lijkt zonde op slavernij, die geleidelijk de ziel aantast en een mens tevreden stelt met zijn ketenen. Slavernij verlaagt een mens zo ver dat hij uiteindelijk zowel de ellende van de slavernij als de waardigheid van de vrijheid vergeet, en niet in staat is toe te slaan wanneer zich een gelukkig moment aandient dat hem bevrijding zou kunnen brengen. Zonde is als de dodelijke vorst van de noordelijke gebieden, die zijn slachtoffer verdooft voordat hij het doodt. De mens is zo ziek dat hij zijn ziekte voor gezondheid aanziet en gezonde mensen beschouwt als zwaar misleid. Hij houdt van de vijand die hem vernietigt. Hij koestert in zijn boezem de adder waarvan de giftige tanden hem de dood brengen. Het meest ongelukkige wat een mens kan overkomen, is dat hij zondig is en zijn zondigheid voor gerechtigheid aanziet. De papist gaat naar zijn altaar en buigt voor een stuk brood, maar hij ervaart niet dat hij afgoderij bedrijft – integendeel, hij gelooft dat hij op prijzenswaardige wijze handelt. De vervolger jaagt zijn medemens de gevangenis en de dood in, maar meent daarbij God oprecht te dienen. U en ik kunnen de afgoderij van de pauselijke aanhanger en de moord die de vervolger pleegt onderkennen, maar de schuldigen zelf zien het niet.

De hartstochtelijke mens denkt dat hij terecht verontwaardigd is. De hebzuchtige is trots op zijn eigen spaarzaamheid. De ongelovige verheugt zich in zijn onafhankelijkheid van geest. Onder deze gedaanten presenteert de ongerechtigheid zich aan geestelijk blinde mensen. Dat is het kwaad van de zonde: zij verstoort het evenwicht waarmee de ziel onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Wat moeten dat voor afschuwelijke wezens zijn geweest die een schip vol levende zielen konden doen zinken en vervolgens, terwijl zij hun slachtoffers hoorden schreeuwen en om hulp roepen, konden wegvaren en hen allemaal laten omkomen in de kolkende watermassa! Tot wat voor staat van onmenselijkheid moeten zij zijn gezonken om zoiets te kunnen doen. Het wrak van het schip is nauwelijks verschrikkelijker dan het wrak van elk moreel besef en elke menselijkheid bij degenen die honderden mensen aan hun lot overlieten, terwijl zij hen hadden kunnen redden.

Het zou verschrikkelijk zijn om een mens neer te steken, maar nog veel erger zou het zijn om zó verdorven te zijn dat je na die daad geen enkel besef hebt iets verkeerds te hebben gedaan. Bij elke zonde gaat echter een zekere mate van verharding van het hart gepaard, zodat iemand die tot grote misdaden in staat is, meestal niet in staat is in te zien dat het werkelijk om misdaden gaat. Bij de goddelozen is deze verderfelijke invloed zeer krachtig, zodat zij “Vrede, vrede” roepen waar geen vrede is, en zonder vrees of wroeging in opstand komen tegen de Allerheiligste God. En helaas, aangezien zelfs bij de heiligen de oude natuur blijft bestaan, zijn ook zij niet volledig vrij van de verduisterende kracht van de zonde. Ik aarzel niet te zeggen dat wij ons allemaal onbewust overgeven aan praktijken die bij helderder licht als zonde zouden worden gezien. Zelfs de beste mensen hebben zich hieraan in het verleden schuldig gemaakt. John Newton bijvoorbeeld leek in zijn vroege jaren, toen hij in slaven handelde, nooit het gevoel te hebben dat daar iets verkeerds aan was. En Whitefield vroeg zich, toen hij slaven aannam voor zijn weeshuis in Georgia, nooit af of slavernij in zichzelf zondig was. Hij is er blijkbaar niet eens opgekomen die vraag te stellen.

Misschien zal het toenemende licht laten zien dat veel van de gewoonten en gebruiken van onze huidige beschaving in wezen slecht zijn, en zullen onze kleinzonen zich afvragen hoe wij zo hebben kunnen handelen. Het kan eeuwen duren voordat het nationale geweten – of zelfs het algemene christelijke geweten – verlicht zal zijn tot de ware norm van het goede. En de individuele mens heeft wellicht vele straffen en berispingen van de Heer nodig voordat hij volledig onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. O demon, zonde, u hebt bewezen een wraakzuchtige vijand te zijn doordat u ons zo misleidt. U vergiftigt ons en laat ons denken dat uw gif een medicijn is. U verontreinigt ons en laat ons menen dat wij mooier zijn. U doodt ons en laat ons dromen dat wij van het leven genieten!

Mijn broeders, voordat wij kunnen worden hersteld tot het heilige beeld van Christus – wat het uiteindelijke doel is van elke christen – moeten wij leren zonde als zonde te herkennen. Wij hebben een herstel nodig van de gevoeligheid van ons geweten, zoals we die zouden hebben gehad als we nooit waren gevallen. Een zekere mate van dit onderscheidingsvermogen wordt ons gegeven bij onze bekering, want bekering zou zonder dit onmogelijk zijn. Hoe kan een mens berouw hebben over iets waarvan hij niet weet dat het zonde is? Hoe kan hij zich voor God vernederen om iets waarvan hij niet beseft dat het in Gods ogen kwaad is? Hij moet verlichting ontvangen – zonde moet hem als zonde worden getoond. Bovendien zal de mens zijn zelfgerechtigheid niet opgeven voordat hij zijn zondigheid inziet. Zolang hij gelooft dat hij rechtvaardig is, zal hij zich aan die rechtvaardigheid vastklampen en voor God verschijnen met de kreet van de Farizeeër: “God, ik dank U dat ik niet ben zoals andere mensen!” Zolang het voor ons mogelijk is om op de luchtballonnen van onze eigen gerechtigheid te drijven, zullen we nooit de reddingsboot van de gerechtigheid van Christus nemen. Alleen door de pure druk van de storm worden wij naar de vrije genade gedreven. En zolang onze lek geslagen boot van eigenzinnigheid ons nog boven de golven houdt, zullen we ons eraan vastklampen.

Het is een wonder van genade wanneer een mens zichzelf werkelijk gaat zien, zichzelf gaat verafschuwen, en erkent dat het onmogelijk is door zijn eigen werken gered te worden. Maar zolang dit niet gebeurt, is geloof in Jezus onmogelijk. Niemand zal naar de gerechtigheid van een Ander kijken zolang hij tevreden is met zijn eigen gerechtigheid, en ieder mens meent een eigen gerechtigheid te hebben totdat hij de zonde in al haar afschuwelijkheid ziet. Tenzij de zonde aan u wordt geopenbaard als een grenzeloos kwaad, kunt u, wie u ook bent, nooit komen waar God en Christus zijn.

U moet inzien dat uw hart vol kwaad is, dat uw verleden bezoedeld is door ongerechtigheid, en u moet leren dat dit kwaad in u geen kleinigheid is, maar iets afschuwelijks en gruwelijks. U moet uzelf verachten, alsof u in Gods onmiddellijke aanwezigheid staat. Anders zult u nooit uw toevlucht nemen tot het verzoenende bloed om gereinigd te worden. Tenzij zonde als zonde wordt gezien, zal genade nooit als genade worden gezien, noch Jezus als Verlosser, en zonder dit is verlossing onmogelijk. Hier laten we dit belangrijke punt dan rusten, terwijl we opnieuw getuigen dat voor de natuurlijke mens zonde geen zonde lijkt. Daarom moet er een werk van genade in hem worden verricht om zijn blinde ogen te openen, anders kan hij niet worden gered. Dit zijn geen zachte woorden en mooie uitspraken, maar harde waarheden. Moge de Heilige Geest vele harten brengen tot het besef hoe treurig waar ze zijn.

II. Dit brengt ons bij onze tweede overdenking: WAAR ZONDE OPENBAAR IS GEWORDEN, VERSCHIJNT ZE ALS ZONDE. Het ergste aan zonde is juist dat ze in haar eigen natuurlijke vorm zo duidelijk zonde blijkt te zijn. Daar waar ze het meest zichtbaar is, lijkt ze ook het meest zondig. Lijkt het alsof ik mezelf herhaal? Klinkt dit als een lege, voor de hand liggende uitspraak? Dan kan ik daar niets aan doen, want de tekst zegt dat het zo is, en ik weet dat u de tekst niet zult verachten. Toch schuilt er een diepe betekenis in de uitdrukking “opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn” – alsof de apostel geen ander woord kon vinden dat de zonde zo treffend beschrijft als haar eigen naam. Hij zegt niet: “De zonde, opdat zij als Satan zou blijken te zijn.” Nee, want zonde is erger dan de duivel, aangezien zij de duivel heeft gemaakt tot wat hij is. Satan, als wezen, is een schepsel van God, maar deze zonde heeft nooit in God bestaan. Haar oorsprong en aard staan volledig los van Hem. Zonde is zelfs erger dan de hel, want zij is de angel van die vreselijke straf.

Anselmus zei altijd dat, als de hel aan de ene kant zou zijn en de zonde aan de andere, hij liever in de hel zou springen dan vrijwillig tegen God te zondigen. Paulus zegt niet: “Zonde, opdat zij als waanzin zou lijken.” Het is inderdaad morele waanzin, maar het is veel erger dan dat. Het is zo erg dat er geen andere naam voor is dan haar eigen naam. Een van onze dichters, die wilde laten zien hoe kwaadaardig de zonde lijkt in het licht van de verlossende liefde, kon alleen maar zeggen: “Wanneer men de wonden van Christus beschouwt, dan toont de zonde zich als zonde.”

Indien u een voorbeeld nodig heeft van wat hiermee bedoeld wordt, kunnen we dat vinden in Judas. Als u hem zou willen beschrijven, zou u kunnen zeggen dat hij een verrader was, een dief en een verrader van onschuldig bloed, maar uiteindelijk zou u zeggen: “Hij was een Judas” – dat vat alles samen: niemand kon tippen aan zijn slechtheid. Als u wilt dat iemand afschuw voelt voor moord, dan wilt u niet dat moord voor hem overkomt als doodslag, of als vernietiging van leven, of als louter wreedheid, maar u wilt dat het overkomt als moord. U kunt geen sterkere uitdrukking gebruiken. Zo ook hier: wanneer de Heere het sterke licht van Zijn eeuwige Geest op de zonde richt en deze in al haar afschuwelijkheid en verontreiniging openbaart, lijkt het niet alleen morele onenigheid, wanorde, misvorming of corruptie te zijn, maar niet meer en niet minder dan zonde. “Zonde”, zegt Thomas Brooks, “is het enige dat God verafschuwt, het bracht Christus aan het kruis, het veroordeelt zielen, het sluit de hemel en het legde de fundamenten van de hel.”

Er zijn mensen die zonde zien als een ongeluk, maar dit komt ver tekort bij de ware visie en staat er zelfs ver vanaf. Hoe vaak horen we niet dat een bepaalde soort zondaar “een ongelukkige” wordt genoemd. Dit wijst op een oppervlakkige moraal. Het is weliswaar een ramp om een zondaar te zijn, maar het is meer dan alleen een ramp. Wie zonde uitsluitend als zijn eigen ongeluk beschouwt, heeft het nog niet zo begrepen dat hij ervan verlost kan worden.
Anderen zijn zonde gaan zien als dwaasheid, en tot zover zien zij het juist, want het is in wezen dwaasheid, en elke zondaar is een dwaas. Een dwaas is Gods eigen naam voor een zondaar – veel gebruikt in het boek Psalmen. Maar ondanks dat alles is zonde meer dan dwaasheid. Het is niet louter een gebrek aan verstand of een verkeerd oordeel, het is de bewuste en opzettelijke keuze voor het kwaad, en het bevat een zekere kwaadaardigheid tegen God die veel erger is dan louter domheid. Zonde als dwaasheid zien is een goede zaak, maar het is geen genadige zaak, noch een reddende zaak.

Sommige mensen zien bepaalde zonden wel als misdaden, maar niet als zonden. Ons taalgebruik is hier veelzeggend: wanneer een daad andere mensen schaadt, noemen we het een misdaad. Wanneer het alleen God beledigt, noemen we het een zonde. Als ik u een crimineel zou noemen, zou u verontwaardigd zijn. Maar als ik u een zondaar noem, raakt u dat nauwelijks. Waarom? Omdat een mens beledigen ernstig lijkt, maar God beledigen voor velen een onbelangrijke zaak is die geen aandacht verdient. De menselijke natuur is zo verdorven dat mensen zich schamen wanneer ze menselijke wetten overtreden, maar zich weinig aantrekken van het overtreden van Gods geboden. We zouden ons schamen voor stelen, liegen of geweld – en dat is terecht – maar die schaamte is nog geen genade. Zonde moet worden gezien als zonde tégen God – dát is het cruciale punt. We moeten met David kunnen zeggen: “Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen.” En met de verloren zoon uitroepen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen U, en ik ben niet meer waard Uw zoon te worden genoemd.” Dat is de juiste kijk op zonde. Moge de Heere ons ertoe brengen onze overtredingen zo te belijden.

Luister goed naar mij. Besef hoe verwerpelijk zonde is. Onze overtredingen worden begaan tegen een wet die gebaseerd is op rechtvaardigheid. Die wet is heilig, rechtvaardig en goed – de best denkbare wet. Het overtreden van een slechte wet zou misschien nog te begrijpen zijn, maar er is geen excuus wanneer het gebod zich aan ieders geweten opdringt. Geen enkel gebod in Gods Woord is hard, willekeurig of onnodig. Als wij zelf volmaakt heilig en oneindig wijs waren en een wet moesten schrijven, zouden we precies dezelfde wet opstellen die God ons heeft gegeven. De wet is rechtvaardig tegenover onze medemensen en heilzaam voor onszelf. Wanneer zij iets verbiedt, waarschuwt zij ons voor echt gevaar. De wet werkt als een geestelijke politie die ons uit de gevarenzone houdt. Wie zich ertegen verzet, schaadt zichzelf. Zonde is vals, gemeen en onrechtvaardig. Het doet overal kwaad en brengt niemand iets goeds. Het heeft geen enkele positieve kant. Het is kwaad, alleen maar kwaad, en dat voortdurend. Het is een slechte, opzettelijke, zinloze verwerping van wat goed en juist is, ten gunste van wat schandelijk en schadelijk is.

We moeten ook bedenken dat Gods wet bindend is vanwege het recht en gezag van de wetgever zelf. God heeft ons geschapen – moeten we Hem dan niet dienen? Ons bestaan wordt verlengd door Zijn goedheid. We kunnen geen moment zonder Hem leven – moeten we Hem dan niet gehoorzamen? God is buitengewoon goed. Hij heeft ons nooit kwaad gedaan. Hij heeft altijd ons welzijn voor ogen en behandelt ons met grenzeloze goedheid. Waarom zouden wij Hem dan opzettelijk beledigen door wetten te overtreden die Hij het recht had te maken én die Hij voor ons eigen bestwil heeft gegeven? Is het niet beschamend om te doen wat Hij verafschuwt, terwijl we er niets mee winnen en er geen enkele reden voor is? Ik wens dat elk hart hier Gods klagende stem zou kunnen horen. Het is wonderbaarlijke nederigheid dat Hij Zichzelf zo beschrijft: “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.” Even ontroerend is die andere smeekbede, waarin de Heere protesteert en roept: “Doe deze gruwelijke zaak toch niet, die Ik haat!”

Na al Zijn tederheid, waarmee Hij ons heeft behandeld als een vader zijn kind, hebben wij ons tegen Hem gekeerd en Zijn vijand onderdak geboden. Wij hebben er behagen in gevonden Hem te bedroeven. Zijn geboden noemden we een last en Zijn dienst een vermoeienis. Zullen wij ons hier niet van bekeren? Kunnen wij zo laaghartig blijven handelen? Vandaag, mijn God, haat ik de zonde – niet omdat zij mij verdoemt, maar omdat zij U onrecht heeft aangedaan. U verdriet hebben gedaan is voor mij het ergste verdriet. Het door genade vernieuwde hart voelt een diepe sympathie met God over de ondankbare behandeling die Hij van ons heeft ontvangen. Het roept uit: “Hoe heb ik Hem kunnen beledigen? Waarom heb ik zo’n genadige God op zo’n schandelijke manier behandeld? Hij heeft mij goed gedaan en geen kwaad – waarom heb ik Hem geminacht?” Als de Eeuwige een tiran was geweest met despotische wetten, zou ik enige waardigheid kunnen zien in een opstand tegen Hem. Maar aangezien Hij een Vader is vol zachtmoedigheid en tederheid, wiens liefdevolle goedheid ontelbaar is, is zonde tegen Hem buitengewoon zondig.

Zonde is erger dan beestachtig, want beesten vergelden alleen kwaad met kwaad. Maar zonde is duivels: zij vergeldt goed met kwaad. Zonde is het opheffen van onze hiel tegen onze weldoener – laaghartige ondankbaarheid, verraad, ongegronde haat, wrok tegen heiligheid en een voorkeur voor wat laag en kruiperig is. Maar waar ga ik heen? Zonde is zonde – met dat woord is alles gezegd. Het lijkt erop dat Paulus de ware aard van zonde ontdekte door het licht van één gebod. Hij geeft ons een stukje van zijn eigen biografie, wat zeer interessant is. Hij zegt: “Ik had geen begeerte gekend, als de wet niet gezegd had: Gij zult niet begeren.” Het valt me op dat toen Paulus op weg naar Damascus van zijn paard werd geslagen, zijn eerste gedachte was: “Deze Jezus die ik heb vervolgd, is toch de Messias en Heer evan allen. O, wat verschrikkelijk – ik heb in mijn onwetendheid tegen Hem gestreden. Hij is Jezus, de Verlosser die redt van zonden. Maar wat zijn mijn zonden? Waarin heb ik de wet overtreden?”

In zijn eenzame blindheid liep zijn geest onwillekeurig de tien geboden langs. Terwijl hij elk gebod met zijn beperkte, halfverlichte oordeel overwoog, riep hij bij zichzelf uit: “Dat heb ik niet overtreden! En dat ook niet!” Totdat hij uiteindelijk bij het gebod kwam: “Gij zult niet begeren.” In een oogwenk, alsof een bliksemflits de dichte duisternis van zijn geest in tweeën had gesneden, zag hij zijn zonde. Hij bekende dat hij zich schuldig had gemaakt aan ongepaste verlangens. Hij had geen begeerte gekend als de wet niet had gezegd: “Gij zult niet begeren.” Die ontdekking onthulde al zijn andere zonden. De trotse Farizeeër werd een nederige boeteling. Hij die zichzelf onberispelijk achtte, riep uit: “Ik ben de grootste zondaar.” Ik bid tot God dat Hij op dezelfde manier licht in iedere ziel hier laat schijnen, waar het nog niet is doorgedrongen. O mijn toehoorders, ik smeek de Heer dat Hij u zonde als zonde laat zien en u zo naar Jezus leidt als de enige Verlosser.

III. Ik verzoek u om uw volledige aandacht voor het derde punt, dat als volgt luidt: DE ZONDIGHEID VAN DE ZONDE KOMT HET DUIDELIJKT NAAR VOREN IN HET FEIT DAT ZIJ GOEDE DINGEN VERDRAAIT TOT DODELIJKE DOELEINDEN. Wat bedoel ik daarmee? Zonde is niet alleen het overduidelijke slechte, zoals haat of geweld. Nee, de ergste vorm van zonde is dat ze het goede zelf verdraait en misbruikt, zodat het juist tot dood en ondergang leidt. Zonde maakt van het beste dat God ons gegeven heeft – zoals de wet, het geweten of zelfs goede daden – iets wat ons juist vernietigt. Daarom zegt de tekst: “De zonde is mij de dood geworden, opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn.” Met andere woorden: zonde toont zich pas echt als zonde wanneer ze het goede gebruikt om mij te vernietigen. Juist door het goede wordt de dood in mij teweeggebracht – zodat zonde niet als iets gewoons blijkt, maar als iets dat het goede zelf kromt en doodt.

Het is duidelijk dat wij ernstig verdorven zijn, aangezien wij op de slechtst denkbare manier gebruikmaken van de beste dingen. Hier is Gods wet, ingesteld op leven, want “de mens die deze dingen doet, zal daardoor leven”, maar zij wordt opzettelijk overtreden, en zo maakt de zonde van de wet een instrument van de dood. Het wordt nog erger. De zonde die in ons is, besluit zodra zij het gebod hoort, het onmiddellijk te overtreden. Het is een merkwaardige neiging van onze natuur dat er veel dingen zijn waar we anders niet om zouden geven, maar die we meteen gaan begeren zodra ze verboden worden. Is het u ooit opgevallen, zelfs wat menselijke wetten betreft, dat zodra iets verboden wordt, mensen het ineens willen? Ik kan mij in al de jaren dat ik in Londen woon niet herinneren dat de bevolking ooit verlangde om bijeenkomsten te houden in Hyde Park, totdat men probeerde hen daar weg te houden. Toen werden meteen alle hekken neergehaald en werd het terrein bestormd. Sindsdien is het park een slagveld. Als de vrijheid van meningsuiting in het park nooit was ingeperkt, zoals op zeer onverstandige wijze is gebeurd, zou niemand de moeite hebben genomen om bij de Reformer’s Tree of een andere boom te gaan staan. Men zou gezegd hebben: “Waarom zouden we kilometers door de modder ploeteren, als we ook comfortabel in een overdekte zaal kunnen vergaderen?” Maar juist omdat het niet mocht, wilde men het doen.

Zo is onze natuur nu eenmaal: zij verzet zich tegen beperkingen – als we iets niet mogen doen, dan doen we het juist! Zelfs voordat zij viel, voelde onze moeder Eva zich aangetrokken tot de verboden boom, en de impuls bij haar gevallen zonen en dochters is nog veel sterker. Alsof door één gemeenschappelijke impuls dwalen wij af van de voorgeschreven weg en breken we door heggen heen om de velden binnen te gaan die voor ons zijn afgesloten. Voor onze verdorven natuur is de wet slechts het signaal tot opstand. Zonde is inderdaad een monster wanneer zij een wet die bedoeld is om kwaad te voorkomen verandert in een aansporing tot rebellie. Zij ontdekt het kwaad door middel van de wet, wendt zich er vervolgens toe en roept: “Kwaad, wees mijn goed.” Dit is lang niet het enige geval waarin het goede door onze zonde in het kwade wordt veranderd. Ik zou er nog vele kunnen noemen. Heel kort gezegd: hoeveel zijn er niet die de overvloedige genade van God, zoals verkondigd in het evangelie, veranderen in een reden om nog verder te zondigen!

De predikant vertelt u graag in Gods naam dat de Heere een God is die bereid is te vergeven en genadig is voor zondaars, en dat ieder die in Jezus gelooft, onmiddellijk vergeving ontvangt. Wat zeggen zulke mensen dan? “O, als het zo gemakkelijk is om vergeving te krijgen, laten we dan doorgaan met zondigen. Als geloof zo eenvoudig is, laten we het dan uitstellen tot later.” O, wat een laaghartig en wreed argument, om uit oneindige liefde een aanleiding tot grotere zonde af te leiden! Wat als ik het duivelse redenering noem – want dat is het – om van de goedheid van een genadige God een reden te maken om door te gaan met zondigen! Is het zo dat hoe meer God liefheeft, hoe meer u zult haten? Hoe beter Hij is, hoe slechter u zult zijn? Schaam u! Schaam u!

Dan zijn er mensen die zich aan zeer grote zonden hebben overgegeven en toch gelukkig zijn ontsnapt aan de natuurlijke gevolgen ervan. Wat concluderen zij uit deze verdraagzaamheid van Gods kant? God is zeer lankmoedig en barmhartig voor hen geweest, en daarom tarten zij Hem opnieuw en keren zij aanmatigend terug naar hun vroegere gewoonten. Zij denken dat zij immuun zijn voor straf en roemen er zelfs in dat God hen nooit zal straffen, wat zij ook doen. Zonde lijkt inderdaad echt zonde wanneer de lankmoedigheid die tot bekering zou moeten leiden, wordt opgevat als vrijbrief voor verdere overtredingen. Het is verbazingwekkend dat de Eeuwige zijn vijanden niet onmiddellijk verplettert wanneer zij zijn zachtmoedigheid als zwakheid beschouwen en zijn barmhartigheid gebruiken als reden voor verdere ongehoorzaamheid.

Kijk nog eens naar de duizenden welvarende zondaars wier rijkdom het middel is waarmee zij zondigen. Zij hebben alles wat hun hart begeert, en in plaats van dubbel dankbaar te zijn jegens God, zijn zij trots en onnadenkend en ontzeggen zij zichzelf geen van de genoegens van de zonde. De zegeningen die hun zijn toevertrouwd, worden hun tot vloek, omdat zij hun hoogmoed en wereldgezindheid voeden. Zij voeren oorlog tegen God met wapens uit zijn eigen arsenaal: zij worden door de voorzienigheid verwend en geven zich vervolgens des te meer over aan hun zonden. Overvloed aan brood leidt maar al te vaak tot minachting van God. Mensen worden hoogmoedig en kijken neer op religie, en spreken hooghartig tegen het volk van God en zelfs tegen de Heer zelf. Met zijn maaltijd nog in hun mond lasteren zij hun weldoener, en met de rijkdom die zij van zijn goedheid hebben ontvangen, kopen zij de verachtelijke genoegens van de ongerechtigheid. Dit is verschrikkelijk, maar zo is het nu eenmaal: hoe meer God de mens geeft, hoe meer de mens zijn God haat. En hij aan wie God zijn barmhartigheid vermenigvuldigt, beloont Hem door zijn overtredingen te vermenigvuldigen.

Ik herinner mij uit onze baptistenmartyrologie het verhaal van een Nederlandse baptist die aan zijn vervolgers ontsnapte. Een rivier was bevroren en de man stak haar veilig over. Zijn vijand was zwaarder en het ijs brak onder hem. De baptist, als trouw kind van God, keerde zich om en redde zijn vervolger, die anders onder het ijs zou verdwijnen en zeker zou sterven. En wat deed die ellendeling? Zodra hij veilig aan de kant was, greep hij de man die zijn leven had gered en sleepte hem naar de gevangenis, vanwaar hij alleen werd weggevoerd om ter dood gebracht te worden. Wij verbazen ons over zulke onmenselijkheid. Wij zijn verontwaardigd over zulke verachtelijke vergelding. Maar de vergelding die goddelozen aan God geven, is nog veel verachtelijker. Ik sta verbaasd terwijl ik tot u spreek. Ik verwonder mij dat ik zo kalm kan spreken over zo’n vreselijk vernederend onderwerp. En als ik terugdenk aan ons verleden en onze langdurige ondankbaarheid jegens God, verbaas ik mij erover dat wij deze plaats niet veranderen in een enorme Bochim – een plaats van geween. Dat wij onze tranen niet vermengen tot een stortvloed, met uitingen van diepe schaamte en zelfverachting over onze omgang met God.

Hetzelfde kwaad komt tot uiting wanneer de Heere Zijn gerechtigheid openbaart en dreigementen uitspreekt. Wanneer een dreigende preek wordt gehouden, hoort u mensen bij het verlaten van de kerk zeggen – ook al heeft de predikant op zeer liefdevolle wijze gesproken: “Wij willen geen hellevuurpreken meer horen, wij zijn moe en bezwaard door deze dreigementen van oordeel.” Probeer dezelfde man met Gods tederheid te benaderen en spreek over Gods liefde, en hij zal erdoor verhard worden, want het evangelie verhardt sommige mensen en wordt voor velen een reuk van de dood tot de dood. O zonde, u bent inderdaad zonde, omdat u van het evangelie van verlossing een reden maakt voor diepere verdoemenis! Wanneer er grote oordelen over het land komen, worden niet weinigen van de goddelozen nog brutaler tegenover God en beschimpen zij Hem zelfs als een tiran. Het vuur dat hen zou moeten doen smelten, maakt hen alleen maar harder. Zij trotseren de verschrikkingen van God en vragen, net als Farao: “Wie is de Heere?”

Wij hebben mensen gekend in tegenspoed – zeer arm en zeer ziek – die door hun verdriet tot God hadden moeten worden geleid, maar in plaats daarvan onverschillig zijn geworden voor alle religie en alle vrees voor God hebben afgeschud. Zij hebben gehandeld zoals Achaz, van wie geschreven staat: “Zelfs in de tijd toen men hem in het nauw dreef, ging die koning, Achaz, verder met ontrouw te zijn aan de HEERE.” De roede heeft hen niet van de zonde gescheiden, maar hen in een nog slechtere toestand gebracht. Hun medicijn is hun vergif geworden. Hoe meer de boom gesnoeid is, hoe minder vrucht hij heeft voortgebracht. Het ploegen heeft het veld alleen maar onvruchtbaarder gemaakt. Wat vaak zo’n grote zegen voor gelovigen is gebleken, is voor hen volkomen verloren gegaan. Waarom zouden zij nog meer geslagen worden? Zij zullen alleen maar meer en meer in opstand komen.

Een zeer opmerkelijk voorbeeld van de verdorvenheid van het hart is het feit dat vertrouwdheid met de dood en het graf het hart vaak verhardt, en niemand ongevoeliger wordt dan grafdelvers en degenen die doden naar hun graf dragen. Mensen zondigen openlijk terwijl er graven voor hen openliggen. Het is mogelijk om onder de doden te werken en toch zo wild te zijn als de man die in de tijd van onze Heere door een duivel bezeten was en tussen de graven woonde. De Egyptenaren waren gewend hun uitbundige feesten te houden in aanwezigheid van een lijk, niet om hun vrolijkheid te temperen, zoals sommigen hebben gezegd, maar om hen nog losbandiger, gulziger en dronkener te maken, omdat zij toch zo snel zouden sterven. Doodskisten en lijkwaden zouden goede preken moeten zijn, maar dat zijn ze zelden voor degenen die ze elke dag zien. In tijden waarin de cholera woedde en in seizoenen waarin de pest in vroegere tijden duizenden mensen wegvaagde, werden velen helemaal niet geraakt, maar werden zij ongevoelig in de aanwezigheid van Gods grimmige boodschapper en maakten zij zelfs grapjes over hem. Hervey vindt heilige “meditaties tussen de graven”, maar onheilige mensen zijn op een kerkhof even ver van God verwijderd als in een theater.

Een ander merkwaardig verschijnsel dat mij vaak is opgevallen – als bewijs van de kracht van de zonde om gif te verzamelen uit de gezondste bloemen – is dat sommigen des te meer zondigen juist omdat zij onder de heilzame beperkingen van godsvrucht zijn geplaatst. Hoewel zij zijn opgevoed in vroomheid en deugdzaamheid, storten zij zich in de armen van het kwaad alsof het hun moeder is. Zoals muggen op een kaars afvliegen zodra zij die zien, zo storten deze verblinde mensen zich op het kwaad. Jongeren die in de voorzienigheid van God zijn geplaatst waar zij nooit door verleidingen worden aangevallen, in heilige en rustige huizen waar de naam van het kwaad nauwelijks wordt genoemd, zijn vaak onrustig en verlangend om uit te gaan in wat zij “het leven” noemen, en storten hun ziel in de gevaren van slecht gezelschap. De zonen en dochters van Adam verlangen ernaar te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Het feit dat zij voor verleidingen worden behoed, staat hun tegen. Zij verafschuwen de schaapskooi en verlangen naar de wolf.

Zij vinden dat zij tekort zijn gedaan omdat zij niet zijn geboren te midden van losbandigheid en zijn opgevoed in misdaad. Een vreemde verliefdheid, en toch is het hart van menig ouder gebroken door deze gril van verdorvenheid, deze roekeloze lust naar het kwaad. De jongste zoon had de beste vader, en toch kon hij geen rust vinden voordat hij zijn onafhankelijkheid had gekregen en zichzelf in een ver land tot bedelaar had gemaakt door zijn geld aan prostituees uit te geven. Laten we nog een ander geval bekijken. Mannen die leven in een tijd waarin ijverige en heilige christenen in overvloed aanwezig zijn, zijn daar vaak slechter door geworden. Welk effect heeft de ijver van christenen op zulke mensen? Hij zet hen aan tot kwaadaardigheid. Zolang de kerk slaapt, zegt de wereld: “Ach, wij geloven niet in uw religie, want u gedraagt zich niet alsof u er zelf in gelooft.” Maar zodra de kerk in actie komt, roept de wereld: “Het zijn een stel fanatici; wie kan hun raaskallen verdragen? Wij hadden hun religie misschien kunnen geloven als die ons met respectvolle soberheid was gebracht, maar vergezeld van enthousiasme is zij verfoeilijk.”

Niets bevalt zondaars behalve hun zonden, en als hun zonden in deugden konden worden veranderd, zouden zij onmiddellijk naar hun deugden vluchten, om maar in oppositie te blijven. De mens zal tegen God ingaan. Het ligt in zijn aard vijandig te staan tegenover zijn Schepper. De eigenzinnige dichter met wiens vers we onze preek begonnen, heeft terecht gezegd: “Niets bevalt zondaars behalve hun zonden, en als hun zonden in deugden konden worden veranderd, zouden zij onmiddellijk naar hun deugden vluchten, om maar in oppositie te blijven.”

Zonde wordt dus gezien als buitengewoon zondig. Die plant moet een grote vitaliteit bezitten die toeneemt door ontworteld en omgehakt te worden. Datgene wat leeft door gedood te worden, is op vreemde wijze vol kracht. Dat moet een zeer harde substantie zijn die nog harder wordt door in de hoogoven te liggen, in de centrale hitte van het vuur, waar ijzer smelt en vloeit als was. Dat moet een zeer verschrikkelijke kracht zijn die sterkte put uit datgene wat haar zou moeten beteugelen, en die des te heviger voort raast naarmate zij wordt teruggedrongen. Zonde doodt mensen door datgene te misbruiken wat voor het leven bestemd was. Zij maakt de gaven van de hemel tot springplanken naar de hel, gebruikt de lampen van de tempel om de weg naar de verdoemenis te verlichten, en maakt de ark van de Heere, zoals in het geval van Uzza, tot boodschapper van de dood. Zonde is dat vreemde vuur dat des te feller brandt naarmate men het probeert te doven, en dat brandstof vindt in het water dat bedoeld was om het te blussen.

De Heere brengt goed voort uit kwaad, maar zonde brengt kwaad voort uit goed. Het is een dodelijk kwaad – oordeel zelf hoe dodelijk! O, dat de mensen de aard ervan kenden en het met heel hun hart verafschuwden! Moge de eeuwige Geest de mensen leren dit ergste van alle kwaden goed te kennen, opdat zij ervan wegvluchten naar Hem die alleen kan verlossen. Wat is de strekking van dit alles? Het is deze: er is in ons van nature een neiging tot zondigen die wij niet kunnen overwinnen, en toch móét zij overwonnen worden, anders kunnen wij nooit de hemel binnengaan. Uw voornemens om de zonde te overwinnen zijn even zwak als wanneer u Leviathan met een draad zou proberen vast te binden en met een touwtje zou leiden. Het is even zinloos te hopen de storm te bedwingen als uzelf te willen beheersen door uw eigen voornemens ten aanzien van de zonde. De zonde kan ook niet worden overwonnen door filosofie, die lacht om zo’n spinnenweb. Zij kan evenmin worden voorkomen door uiterlijke voorschriften. Knielen, boetedoeningen, vasten, rituele wassingen – het is allemaal tevergeefs.

Wat moet er dan gebeuren? Wij moeten opnieuw geschapen worden. Wij zijn te ver heen om gerepareerd te worden – wij moeten opnieuw gemaakt worden. En voor reiniging is er geen water onder de hemel, noch boven de hemel, dat onze smet kan wegwassen. Maar er is een fontein gevuld met het bloed van Gods eigen Zoon. Wie zich daarin wast, zal wit worden gemaakt. En er is een alles scheppende Heilige Geest die ons in Christus Jezus opnieuw kan vormen tot heiligheid. Ik zou willen dat u allen wanhoopte om gered te worden, behalve door een wonder van genade. Ik zou willen dat u volkomen wanhopig werd over elke andere weg tot redding dan de bovennatuurlijke kracht van de Heilige Geest.

Ik zou willen dat u gedreven werd om weg te kijken van uzelf – ieder van u – naar Hem die aan het bloedige kruis de toorn van God droeg. Want er is leven in een blik op Hem, en wie naar Hem kijkt, zal worden gered – gered van de macht van de zonde, evenals van de schuld ervan. Wat de koperen slang wegnam, was het brandende gif in de aderen van de mannen die door de slangen waren gebeten. Zij waren ziek van een dodelijke ziekte, en zij keken, en zij werden genezen. Het was geen vuil dat van hen werd weggenomen – het was ziekte die door hun eenvoudige blik werd genezen. Zo neemt een blik op Christus niet alleen de zonde weg, maar geneest Hij ook de ziekte van de zonde. En let wel: het is de enige mogelijke genezing voor de melaatsheid van ongerechtigheid.

Geloof in Jezus brengt de Heilige Geest, met Zijn heilige wapens van onoverwinnelijke strijd, naar het slagveld van het menselijk hart. Hij vernietigt de onneembare bolwerken van de zonde, maakt de begeerte krijgsgevangen en doodt de vijandschap van het hart. Zonde wordt als zonde zichtbaar gemaakt, genade wordt als genade zichtbaar gemaakt. Gods Heilige Geest behaalt de overwinning, en wij worden gered.

Moge God ons allen deze ervaring schenken. Amen en amen.

Lees ook: God ziet de zonden

 

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content