De Grote Geneesheer en Zijn Patiƫnten

Een preek gehouden op zondagochtend 5 maart 1865, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle.

Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn. Matt. 9:12

Dit was Christus’ verontschuldiging toen de FarizeeĆ«n tegen hem mopperden omdat hij omging met tollenaars en zondaars. Hij verdedigde zich niet met verontwaardiging, maar met triomfantelijke helderheid: gezien de omstandigheden was hij volkomen in zijn recht. Hij handelde precies zoals het hoorde voor iemand in zijn officiĆ«le functie. Een arts is er om zieken te genezen, en dus moet hij zijn waar de ziekte is. Onder de FarizeeĆ«n was volgens hun eigen oordeel geen behoefte aan Hem, want zij beschouwden zichzelf als volkomen gezond. Maar onder de tollenaars en zondaars was duidelijk veel werk te doen, want zij waren ernstig ziek. Daarom was onze Heere precies op de juiste plaats en vervulde hij Zijn ambt op gepaste wijze door juist hen op te zoeken die hem nodig hadden.​

I. We hebben vanmorgen geen tijd voor een uitgebreide inleiding, dus we gaan meteen naar de tekst en merken op: GENADE BESCHOUWT ZONDE ALS EEN ZIEKTE EN IS DAAROM BARMHARTIG.​

Zonde is meer dan alleen een ziekte. Als het puur een ziekte was, zouden mensen slechts te beklagen zijn omdat ze eraan lijden. Maar zonde bevat ook het element van de koppige wil, van bewuste rebellie en opzettelijke overtreding. Dat maakt het mƩƩr dan een ziekte en veel erger dan een gewone kwaal. We moeten niet denken dat het beeld van ziekte de werkelijke gruwel van de zonde volledig weergeeft; het is eerder een genereuze manier waarop Barmhartigheid ervoor kiest om ernaar te kijken en ermee om te gaan. Vanuit het oogpunt van gerechtigheid zijn alle plagen, gifstoffen, virussen en besmettelijke ziekten in de wereld bijna zoet en onschadelijk in vergelijking met ƩƩn enkele slechte gedachte of verkeerde fantasie. Maar Barmhartigheid kiest er mild en genadig voor om zonde als een ziekte te beschouwen, zodat zij een soort verontschuldiging heeft voor haar handelen binnen het grote heilsplan. Een dergelijke visie is gerechtvaardigd, want bijna alles wat over dodelijke ziekten gezegd kan worden, geldt ook voor de zonde.

Zonde is een erfelijke ziekte: we worden niet alleen met een neiging daartoe geboren, we worden erin geboren. De smet zit in ons bloed; het centrum van ons wezen voelt de infectie. ā€œZie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.ā€ Onze nakomelingen ontvangen van ons dezelfde erfzonde, die deel uitmaakt van onze gevallen natuur. Ieder mens die in de wereld komt, draagt de kiemen van zonde in zich – in zijn neigingen en in de stromingen van zijn geest. En dat is niet verwonderlijk, want: ā€œWie kan iets reins voortbrengen uit iets onreins? Niemand.ā€ ā€œHoe kan iemand die uit een vrouw geboren is, rein zijn?ā€ Zoals een zieke geen lasten kan dragen, geen bergen kan beklimmen, niet kan rennen, volhardend lopen of opspringen van vreugde, zo verhindert zonde ons ook om God te dienen. We kunnen niet echt tot Hem bidden en Hem niet op de juiste wijze loven. In elke plicht zijn we zwak, en voor elk goed zijn we krachteloos. Er is geen enkele morele kracht van de mensheid waarvan zonde de kracht en heerlijkheid niet heeft ontnomen.

Zonde heeft ons verlamd wanneer wij zouden willen wandelen op de weg van Gods geboden. Als wij Gods beloften zouden willen begrijpen, heeft het kwaad ons verzwakt. Als wij de mysteries van de genade zouden willen doorgronden, heeft de schuld ons verblind. Als wij de stem van God zouden willen horen, heeft de overtreding ons doof gemaakt. En als onze stemmen het lied van de cherubijnen en serafijnen zouden willen versterken – helaas, de plaag van ons hart heeft ons stom gemaakt. Van ons allen kan, ieder naar zijn eigen maat, door de zonde worden gezegd: ā€œOnstuimig als het water als je bent, zul je niet de voortreffelijkste zijn (Gen. 49:4).ā€ Zonde verzwakt de menselijke natuur voor al het goede. Zonde is ook, net als sommige ziekten, iets uiterst weerzinwekkends.

Er zijn ziekten die zo walgelijk zijn dat hun naam nauwelijks uitgesproken kan worden, maar o, vergeleken met de zonde zijn zij zoetheid zelve. De meest bedorven, giftige lucht die ooit uit een koortsziekenhuis woei, bevatte nooit zo’n smerigheid als die welke in de zonde huist. Pesthuizen en lazaretten zijn schoon en veilig in vergelijking met de broeinesten van ondeugd.​

In Gods ogen, en in het oog van alle heilige gezinden, is het morele kwaad het meest verfoeilijke, weerzinwekkende en afschuwelijke dat er in de hele wereld bestaat. Als dat kwaad zou kunnen worden uitgebannen, zou al het andere kwaad ophouden te bestaan. Zonde is de bron en voedster van alle kwaad, de oorsprong van alle onheil, de bron van bitterheid, de wortel van alle ellende. Hier ligt de gedistilleerde essentie van de hel; de ā€˜quintessentie’, zoals de oude godgeleerden zouden zeggen, van alles wat onaangenaam, berucht, oneerlijk, onzuiver, afschuwelijk – kortom, verdoemelijk is. Net als sommige ziekten is zonde buitengewoon besmettelijk. Zoals melaatsen in het Oosten niet werden getolereerd en pestlijders van hun medemensen werden gescheiden, zo scheidt zonde ons van de gemeenschap met God en met heilige wezens. Het is niet alleen dat zij niet met ons willen omgaan, maar ook dat wij ernstig ongeschikt zijn om met hen om te gaan. Het is al vreselijk om een kanker met ons mee te dragen die het stadium van misselijkmakende verrotting heeft bereikt, maar dat is nog niet half zo afschuwelijk als zonde is voor het hart van God.

God is zeer genadig, maar Hij kan zonde in Zijn aanwezigheid niet verdragen. Daarom gaf Hij in de wet een beeld van Zijn afkeer: zieke mensen mochten Zijn heiligdom niet binnenkomen en moesten zich zelfs van het volk afzonderen. Voor de onreinen gold een duidelijke, scherpe scheiding – totdat zij gereinigd waren. Zonde sluit ons noodzakelijkerwijs uit van Gods aanwezigheid. We mogen niet tot Zijn heilige gemeenschap komen, we durven het niet eens te proberen; het vuur van Zijn toorn zou ons verteren, zoals het Nadab en Abihu heeft verteren, als wij als zondaars zonder Christus in Zijn nabijheid zouden treden. We kunnen niet voor het altaar staan om als priesters voor God te dienen, hoewel dat de juiste roeping van de mensheid was, omdat de melaatsheid van de zonde op ons voorhoofd rust. Onze lofprijzing van God, hoe eenvoudig die ook lijkt, kan in Zijn ogen niet aanvaardbaar zijn door de verontreiniging van onze onbesneden lippen. Alleen de almachtige genade kan onze onreinheid wegnemen; anders kunnen wij niet aanbidden.

Onrechtvaardigheid is iets verontreinigends. Alles wat wij doen en alles wat wij denken, raakt besmet door onze verdorvenheid. Net zoals een onreine persoon elk vat, elk bed en elk kledingstuk verontreinigde door het aan te raken, zo heeft onze zonde een vergelijkbaar effect. Onze gebeden dragen smetten, ons geloof is vermengd met ongeloof, onze bekering is niet zo oprecht als zij zou moeten zijn, en onze gemeenschap met God is vaak afstandelijk en onderbroken. We kunnen niet bidden zonder te zondigen, en zelfs in onze tranen zit vuiligheid. Het was een zegen voor Israƫl dat er een AƤron was die de zonden van hun heilige dingen op zich nam. En het is een grote zegen voor ons dat Jezus zelfs de zonden van onze beste werken op zich neemt en ze in de diepten van de zee werpt.

Zonde is ook op veel manieren te vergelijken met ziekten, doordat zij besmettelijk is. Een mens kan niet alleen zondig zijn. ā€œEĆ©n zondaar vernietigt veel goeds.ā€ De zaden van de zonde zijn gevleugeld als distelpluis. Je kunt een melaatse opsluiten in een leprozenhuis, maar er is geen manier om de zonde op te sluiten – zij zal ontsnappen en zich verspreiden. Als een mens slecht is, zal hij anderen slecht maken. Zijn kinderen zullen hem navolgen; zijn gezinsleden, die onder zijn invloed staan, zullen in zijn voetsporen treden. Zelfs zijn buren kunnen niet naar zijn zonde kijken zonder er in zekere mate door besmet te raken, want ā€œde gedachte aan het kwaad is zonde.ā€ Elke vorm van moreel kwaad is sterk besmettelijk; het verspreidt zich razendsnel, als vuur tussen stoppels.

Zonde is bovendien, net als veel ziekten, zeer pijnlijk. Maar tegelijkertijd brengt zij in bepaalde stadia een gevoelloosheid met zich mee – een verdoofdheid van de ziel die de pijn zelfs verbergt. De meeste mensen zijn zich niet bewust van het ware leed van de zondeval. Zij zien zichzelf als rijk en welvarend, zonder enige behoefte, terwijl zij in werkelijkheid naakt, arm en ellendig zijn. Zonde veroorzaakt een soort waanzin waarin zieke zielen denken dat zij in goede gezondheid verkeren. Zij spreken alsof de hemel hun erfdeel is, terwijl zij op de rand van de hel zitten. Maar wanneer zonde Ć©cht wordt onderkend, wordt zij pijnlijk. Ik zou liever lijden – ik weet niet precies hoe pijnlijk een of andere ziekte is, maar dit kan ik zeker zeggen – ik zou liever een combinatie van alle kwalen ondergaan die het vlees kan treffen, dan lijden onder de plaag van een schuldig, ontwaakt, verlicht en levendig geweten. Want wanneer het geweten een mens beschuldigt, is er voor hem geen rust, dag noch nacht. Wanneer zonde buitengewoon zondig wordt in het oog, dan komt er een somberheid en zwaarte van geest die de ziel tot wanhoop drukt en het leven bitter maakt, zoals Farao het leven van de kinderen IsraĆ«ls bitter maakte.

Spreek over Egyptische duisternis – die was helder als de middag in vergelijking met de duisternis van een geest die gebukt gaat onder zijn eigen schuld. O, hoe ellendig was ik voordat ik Christus vond. Sommigen voelen de kwelling van de strijd met de zonde niet zo scherp, maar het was mijn lot om een afschuw van grote duisternis te voelen, grenzend aan wanhoop, zodat als ik niet snel een Verlosser had gevonden, mijn ziel liever de wurging dan het leven had gekozen. Geloof mij: er is geen pijn zo bitter als de pijn van de zonde, en geen vloek zo zwaar als de vloek die voortkomt uit de zwarte lippen van onze eigen ongerechtigheden. En toch zou ik willen dat sommigen van u die pijn nu zouden voelen, opdat u haar later niet hoeft te voelen. Ik zou willen dat deze zweep op uw rug zou vallen, opdat u uit uw zelfgerechtigheid zou worden geslagen en naar Jezus Christus zou vluchten om daar een toevluchtsoord te vinden.

De ziekte van de zonde zit diep geworteld en heeft haar troon in het hart. Zij zit niet in de hand of de voet; zij kan niet worden verwijderd door amputatie, laat staan door uiterlijke behandelingen. Geen lancet kan haar bereiken, het is onmogelijk haar te verbranden of weg te snijden. De vaardigheid van artsen kan vaak de wortels van ziekte uit het lichaam verwijderen, maar geen enkele menselijke vaardigheid kan deze ziekte bereiken. Zij is doorgedrongen tot in het merg, de kern en het centrum van ons wezen. En alleen de Goddelijke kan ons ervan zuiveren.

ā€œGeen enkele uiterlijke vorm kan mij reinigen,
de melaatsheid ligt diep van binnen.ā€

Zonde is van nature volkomen ongeneeslijk. ā€œKan ook een Cusjiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken?ā€ Zo ja, kan dan iemand die gewend is kwaad te doen, leren goed te doen? Kan een zoute bron zoet water voortbrengen? Zal de doorn plotseling olijven voortbrengen? Kan de waterval, die altijd al van de steile helling naar beneden is gestort, zijn loop omkeren en terugkeren naar de bron van de rivier? Kan vuur plotseling zacht worden en zijn vernietigende kracht verliezen, terwijl er brandstof omheen ligt? Kan de leeuw uit zichzelf stro eten zoals een os? Kan de luipaard blaten als een lam? Dergelijke veranderingen – veranderingen van aard – kunnen alleen door goddelijke kracht worden bewerkstelligd. En daarom is het onmogelijk dat de ziekte van de zonde ooit door menselijke middelen kan worden genezen.​

De mens kan zichzelf niet genezen. Hij kan zich beteren, hij kan de ziekte naar binnen drijven en voorkomen dat zij aan de oppervlakte verschijnt. Hij kan zichzelf vormen, leiden en beteugelen, zodat de grovere vormen van zonde, die onder mensen worden veroordeeld, niet in hem zichtbaar zijn. Maar het virus, het essentiĆ«le gif van de zonde, kan niemand ooit uit zijn eigen hart verwijderen, noch kan een ander dat voor hem doen. Jehova Rophi, de genezende HEERE, moet Zijn almachtige kracht openbaren. De grootste vroomheid, de meest devote gebeden, de grootst mogelijke omzichtigheid zullen niet volstaan om de smet van de zonde te verwijderen, als zij voortkomen uit een niet-vernieuwd hart. ā€œHet bedenken van het vlees is vijandschap tegen God; het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.ā€ā€‹

Laten wij het verhaal over deze ziekte van de zonde daarom afsluiten met de opmerking dat het een dodelijke ziekte is. Zij doodt niet onmiddellijk, maar zij zal vroeg of laat doden. Niet alleen zal het lichaam sterven als gevolg van de zonde, maar ook de ziel zal voor eeuwig worden gedood door eeuwige toorn. O zondaar, u weet maar weinig wat uw zonde u zal brengen; maar als u Gods Woord leest, zult u ontdekken dat zij u zal brengen tot ā€œde worm die niet sterftā€ en tot ā€œhet vuur dat niet uitgeblust wordtā€.​

Misschien zult u morgen weten wat een volgroeide zonde is; misschien morgen, zei ik – dat woord kan voor sommigen van u profetisch zijn. Maar als het niet morgen is, dan is het slechts een kwestie van tijd, een paar maanden, meer of minder, en u zult in pijn verkeren. ā€œDe zonde, daar zij voleindigd is, baart de dood.ā€ Zonde, wanneer zij rijp is, brengt dood en verdoemenis voort. O, u weet niet wat dat woord ā€œverdoemd zijnā€ betekent! U kunt er soms mee spelen en het lichtzinnig naar uw medemensen slingeren, maar als u maar ƩƩn keer de schreeuw van een verdoemde ziel zou kunnen horen, als u maar ƩƩn keer een geest zou kunnen zien die uit de tegenwoordigheid van God wordt geworpen in eeuwige ellende, dan zou dat u zeker doen uitroepen: ā€œWat moet ik doen om zalig te worden?ā€ Genoeg hierover: het is duidelijk dat er een zeer goede parallel kan worden getrokken tussen zonde en ziekte. Hoe vernederend het ook is, het is niettemin een zeker feit dat wij allen lijden aan de ziekte van de zonde.​

II. Ten tweede, HET BEHOEFT GEEN VERKLARING DAT DE GODDELIJKE BARMHARTIGHEID HET WENSELIJK VINDT OM CHRISTUS DE KARAKTEREIGENSCHAP VAN EEN ARTS TE VERLENEN.

Door zonde als een ziekte te beschouwen – wat een groot bewijs van barmhartigheid is – wordt Christus genadig het karakter van een arts toegekend. Laat het voor altijd duidelijk zijn: Jezus Christus is niet alleen gekomen om uit te leggen wat zonde is. Mozes had de taak om zonde te onthullen; Christus heeft de taak om zonde uit te roeien. Wij weten wat zonde is door de wet – dat is alles wat de wet voor ons kan doen. Christus komt niet alleen om ons te vertellen wat zonde is, maar om ons te laten zien hoe zij kan worden weggenomen.​

Jezus is niet gekomen om de zonde te verontschuldigen. Christus is nooit gestorven om zonde minder zondig te laten lijken, of om God minder streng te maken tegenover zonde, of om God minder te laten haten wat kwaad is. God verhoede het! We zien zonde nooit zo zwart als wanneer we het kwaad ervan zien, zoals dat wordt geopenbaard in het lijden van Jezus. En Gods toorn is nooit zo ondraaglijk als wanneer we zien hoe die Zijn eniggeboren Zoon treft. ā€œAanschouw en zie of er leed is als mijn leed, dat mij is aangedaan, waarmee de HEERE mij bedroefd heeft op de dag van zijn brandende toorn.ā€ā€‹

Christus is niet gekomen om de zielen van mensen te vleien, om gewetenswroeging te voorkomen, om tegen hen te zeggen: ā€œVrede, vrede!ā€, waar geen vrede is. Nee, Hij is gekomen om de zonde te genezen, niet om haar te verdoezelen; niet om mensen de ziekte te laten vergeten door hen te verdoven met aanmatigende troostwoorden, maar om de oorzaak van hun angst en vrees volledig weg te nemen en hen daadwerkelijk te genezen. Christus Jezus is niet gekomen om u in zonde te laten voortleven en aan de straf daarvoor te ontsnappen. Hij is niet gekomen om de ziekte alleen minder dodelijk te maken, maar om de ziekte zelf weg te nemen. Veel mensen denken dat wanneer wij verlossing prediken, wij alleen maar verlossing van de hel bedoelen. Dat is het niet; wij bedoelen veel meer. Wij prediken redding van de zonde. Wij zeggen dat Christus in staat is om een mens te redden – en daarmee bedoelen wij dat Hij in staat is hem van de zonde te redden en hem heilig te maken, om hem een nieuw mens te maken.​

Niemand heeft het recht om te zeggen: ā€œIk ben geredā€, terwijl hij doorgaat met zondigen zoals hij voorheen deed. Hoe kunt u van de zonde worden gered terwijl u daarin leeft? Een man die aan het verdrinken is, kan niet zeggen dat hij van het water is gered terwijl hij erin zinkt. Een man die bevroren is, kan niet met enige waarheid zeggen dat hij van de kou is gered terwijl hij verstijfd is in de winterse wind. Nee, mens, Christus is niet gekomen om u in uw zonden te redden, maar om u van uw zonden te redden; niet om de ziekte zo te maken dat zij u niet doodt, maar om haar dodelijk te laten blijven en u toch van haar te verlossen en haar van u te nemen. Christus Jezus is gekomen om ons te genezen van de plaag van de zonde, om ons met Zijn hand aan te raken en te zeggen: ā€œIk wil, word rein.ā€

Wanneer een arts zich aanbiedt, is een van de eerste vragen: ā€œIs hij een erkende arts? Heeft hij het recht om zijn beroep uit te oefenen? Heeft hij een diploma?ā€ De wet vereist terecht dat een man niet naar eigen goeddunken aan ons lichaam mag sleutelen en ons met medicijnen mag vergiftigen, zonder op zijn minst te laten zien dat hij weet wat hij doet. Er is terecht gezegd dat ā€œeen arts een man is die medicijnen, waar hij weinig van af weet, toedient aan een lichaam waar hij nog minder van af weet.ā€ Ik vrees dat dat vaak het geval is. Toch is een diploma de beste bescherming die stervelingen hebben bedacht.

Christus heeft de beste autoriteit om als arts te praktiseren. Hij heeft een goddelijk diploma. Wilt u Zijn diploma zien? Ik zal u een paar woorden ervan voorlezen: het komt van de hoogste autoriteit, niet van het College van Artsen, maar van de God van de Artsen. Hier zijn de woorden ervan in Jesaja 61: ā€œDe Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen. Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart.ā€ Hij heeft een diploma voor het verbinden van gebroken harten. Ik zou mezelf niet willen toevertrouwen aan een arts die zichzelf alleen maar arts noemt en geen enkele autoriteit kan aantonen. Ik wil dat hij zoveel weet als een mens kan weten – hoe weinig dat volgens mij ook zal zijn. Hij moet een diploma hebben, ondertekend en verzegeld, en op de juiste wijze. Weinig verstandige mensen zullen hun leven riskeren bij onwetende kwakzalvers.

Nu heeft Jezus Christus Zijn diploma – en daar is het: God heeft Hem gezonden om de gebrokenen van hart te verbinden. Het volgende wat u in een arts zoekt, is opleiding; u wilt weten dat hij grondig gekwalificeerd is, dat hij in ziekenhuizen heeft gewerkt. En dat heeft onze Heer Jezus Christus zeker gedaan. Welke vorm van ziekte heeft hij niet ontmoet? Toen hij hier onder de mensen was, behaagde het God om de duivel los te laten, zodat er meer dan gewoonlijk gif in de aderen van de arme, zieke mensheid zou zijn. En Christus ontmoette de duivel op zijn donkerste uur en vocht met de grote vijand toen hij alle vrijheid had om hem het ergste aan te doen.

Jezus ging inderdaad de ellende van de mensen binnen. Hij heeft in het ziekenhuis gewerkt! De hele wereld was een ziekenhuis, en Christus was de enige Arts, die van bed naar bed ging om de mensenkinderen te genezen.

Er is nog iets meer over Hem te zeggen: Hij is niet alleen door studie, maar ook door ervaring een volkomen gekwalificeerde Arts. Ik heb gehoord dat een beroemde arts de werking van zijn medicijnen eerst op zichzelf uitprobeerde. Dat is precies wat onze Meester heeft gedaan. Er is geen enkele ziekte die Hij niet uit ervaring kent, want Hij heeft zelf onze ziekten en zwakheden op zich genomen. Hij is in alle opzichten op beproefd, net als wij, maar zonder zonde. Hij kent de toestand van Zijn patiƫnten, omdat Hij die toestand zelf heeft doorgemaakt. Er is geen gebrokenheid van hart, er is geen verdriet van ziel, waaraan Jezus Christus zelf niet heeft deelgenomen. En hoewel men zou kunnen zeggen dat Hij de zonde niet kent in haar besmettelijkheid, kent Hij haar wel in haar toerekening. Door al haar straffen te hebben ondergaan, is Hij er volkomen mee vertrouwd.

We waarderen ook een arts die een brede praktijk heeft. We geven er niet om dat iemand alleen maar zijn instrumenten begrijpt; we willen weten of hij ze ook echt heeft gebruikt, en of hij succesvol is geweest in zijn vak. Gezegend zij de naam van de geliefde Geneesheer! Hij heeft de breedst denkbare praktijk. Al achttienhonderd jaar geneest Hij door zonde zieke zielen – wat zeg ik? – al zesduizend jaar is Hij ā€œmachtig om te reddenā€. Want voordat Hij zich lichamelijk aan het kruis gaf, was de kracht van het medicijn van Zijn eigen bloed al begonnen te werken op de mensenkinderen. O zielen, u kunt in de hemel de menigten zien die Hij heeft genezen. Daar, voor de eeuwige troon, kunt u de tienduizenden zien die door de kracht en de deugd van zijn aanraking van allerlei ziekten zijn verlost. U hoeft niet bang te zijn om uzelf aan Zijn handen toe te vertrouwen, want zelfs de zoom van Zijn kleed geneest onze ziekten. Laten we de deugden van deze Geneesheer in enkele woorden samenvatten:

Zijn genezingen zijn zeer snel – er is leven in ƩƩn blik op Hem. Zijn genezingen zijn radicaal – Hij raakt de kern van de ziekte. Zijn genezingen zeer zeker en betrouwbaar. Hij faalt nooit, en de ziekte keert nooit terug. Er is geen terugval waar Christus geneest; geen angst dat een patiĆ«nt slechts tijdelijk wordt opgelapt. Hij maakt een nieuw mens van hem, geeft hem een nieuw hart en legt een juiste geest in hem.

Hij is een Arts, een van de duizend, omdat Hij goed onderlegd is in alle ziekten. Artsen hebben meestal een specialisme. Ze weten misschien wel iets over bijna al onze pijnen en kwalen, maar er is meestal ƩƩn ziekte die ze het meest grondig hebben bestudeerd, ƩƩn deel van het menselijk lichaam dat ze net zo goed kennen als de kamers en kasten van hun eigen huis. Jezus Christus heeft de hele menselijke natuur tot Zijn specialiteit gemaakt. Hij voelt zich evenzeer thuis bij de ene zondaar als bij de andere, en nog nooit is Hij een ongewoon geval tegengekomen dat hem te vreemd was. Hij heeft te maken gehad met buitengewone complicaties van vreemde ziekten, maar Hij wist in ƩƩn oogopslag precies hoe Hij de patiĆ«nt moest behandelen. Hij is de enige universele Arts die in elk geval ā€˜thuis’ is. Het medicijn dat Hij geeft is een universele remedie: het geneest in elk geval, zonder ooit te falen. Zijn medicijn is Hijzelf! Als het pijn veroorzaakt, draagt Hij die pijn zelf. ā€œDoor zijn striemen zijn wij genezen.ā€ ā€œZijn vlees is waarlijk spijs, Zijn bloed is waarlijk drankā€: Hij zelf verdrijft de ziekte uit arme, stervende mensen. Wij vertrouwen op Hem – en de zonde sterft. Wij houden van Hem – en de genade leeft. Wij wachten op Hem – en de genade wordt versterkt. Wij zien Hem, zoals wij spoedig zullen doen – en de genade wordt voor altijd vervolmaakt. O wat een gezegende Arts voor deze wanhopige ziekte!

III. Ik kan echter niet langer bij dit punt blijven stilstaan, maar ga over naar het derde punt, dat het belangrijkste is waar ik naartoe wil: namelijk DAT ALLEEN BEHOEFTE EN NOOD ONZE GENADIGE ARTS ERTOE BEWEEGT ONS TE HELPEN.

Hij zegt: ā€œZij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig.ā€ En de logische conclusie van Zijn redenering is duidelijk: ā€œIk ga niet naar de gezonden, omdat zij Mij niet nodig hebben; Ik ga naar de zieken, omdat zij Mij wel nodig hebben. De reden waarom Ik ergens heen ga, is simpelweg dat Ik daar nodig ben.ā€ Ik geloof, beste vrienden, dat er ongetwijfeld enkele uitzonderingen zijn, maar als u de medische beroepsgroep goed zou bekijken, zou u daar meer ruimhartigheid en meer menselijkheid aantreffen dan bijna waar dan ook. En u zou merken dat er nauwelijks een arts is – zeker geen enkele die ik ken – die, als hij twee dringende gevallen voor zich heeft, een wezenlijk onderscheid maakt, behalve dat hij zijn eerste aandacht geeft aan degene die hem het meest nodig heeft. Als beide gevallen onbeduidend zijn, mag gezond verstand natuurlijk iemand toestaan om te kiezen voor het geval dat hem het best betaalt voor zijn vaardigheden. Maar in levensgevaarlijke situaties beslist de noodzaak.

De ware arts is geboren met het hart van een arts. Hij voelt mee met het leed van zijn medemensen. En hoewel iemand een diploma mag hebben, is hij geen echte arts en zou hij niet moeten praktiseren als zijn ziel niet in zijn werk zit en zijn hart niet vol welwillendheid is jegens de zieken. De echte arts, die sympathie voelt en een intens verlangen heeft om te helpen, zou, als er twee mensen zijn die hem nodig hebben, zeggen: ā€œDeze verkeert in groter gevaar; ik zal daar eerst heen gaan.ā€ Dat is gewoon eerlijk en menselijk. Wat we hier met betrekking tot menselijke artsen als vanzelfsprekend erkennen, moeten we met veel grotere kracht zeggen over de grote Arts van zielen: Jezus Christus. Als er twee zondaars waren die beiden verloren gingen, en Christus niet in staat was om op hetzelfde moment meer dan ƩƩn te redden, zou Hij eerst naar degene gaan die Hem het meest nodig had. Dat is zijn regel. Hij handelt volgens Zijn soevereiniteit, maar die soevereiniteit staat onder controle van zijn oneindige barmhartigheid. En als Hij vandaag een roep van twee harten hoort, zou Hij, als Hij een voorkeur zou moeten geven, kiezen voor degene die het meest verloren is, het meest verachtelijk en het meest behoeftig. Denk daar eens over na – en u zult zien dat het waar is, en hoe troostrijk.

Wat maakte Christus überhaupt tot een Arts? Was dat niet dat de mensen ziek waren door de zonde? Stel dat zij volmaakt geweest waren – zou Christus dan ooit een Verlosser zijn geweest als de mensen niet verloren waren? Broeders, het zou een overbodige taak zijn geweest; het zou dwaasheid, ja zelfs monsterlijke dwaasheid van zijn kant zijn geweest om een taak op zich te nemen die niemand van Hem verlangde. Het is de zonde die ruimte schept voor zijn werk als Verlosser. Ik zeg het – u zult mij begrijpen – Hij is alleen een Verlosser omdat er zondaars zijn. Zijn Verlosserschap berust op onze zondigheid. Hij neemt die positie in omdat Hij nodig is.​

Wat was de voornaamste gedachte die Hem bezighield toen Hij Zijn grote medicijn samenstelde? Wat was het dat Hem grote druppels bloed deed zweten? Was het menselijke verdienste of menselijke schuld? Natuurlijk: schuld, en alleen schuld. Wat bewoog Hem Zijn rug toe te keren naar de geselenden en Zijn wangen aan hen die sloegen? Wat deed Hem Zijn armen uitstrekken aan het kruis en Zijn voeten aanbieden aan de spijkers? Wat deed Hem de ondraaglijke toorn van de almachtige God dragen? Was het de goedheid van de mens? Dat kunt u niet denken. Het was de menselijke laagheid, de schurkenstreken, de ontaarding en de ongerechtigheid die zulk lijden noodzakelijk maakten.

In de hemel, in Zijn grote operatiekamer, waar Christus het almachtige medicijn samenstelt dat de ziekte uit de aderen van de mensheid moet verdrijven, denkt Hij onophoudelijk aan zonde: zonde, zonde! De zonde van de mens doet Hem sterven. En nu Hij in de hemel is, geliefden, waar denkt Christus daar dan aan? Hij pleit voor ons – maar waarvoor? Voor de rechtvaardigen? Als zij werkelijk zelfrechtvaardig en volmaakt rechtvaardig waren, zouden zij zijn voorbede niet nodig hebben. ā€œHij pleit voor de overtreders.ā€ Hij is verheven in de hoogte – waarvoor? Om de goeden te belonen? Nee, zeker niet, maar om berouw en vergeving van zonden te schenken aan hen die geen berouw hebben en wier zonden vergeven moeten worden.​

In de hemel houdt Christus nog steeds Zijn oog op zondaars gericht – zondaars zijn de juwelen die Hij zoekt. Waar was Jezus Christus toen Hij op aarde was? Bracht Hij niet het grootste deel van Zijn tijd door onder zondaars? Deelde Hij niet voortdurend genezing uit aan de zieken, leven aan de doden, en zo meer? Aan wie is het evangelie gezonden, en wat is het evangelie eigenlijk? ā€œDit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars zalig te maken.ā€ Dat is het evangelie: ā€œWie gelooft en zich laat dopen, zal zalig worden; maar wie niet gelooft, zal verdoemd worden.ā€ Degenen die worden geroepen om te geloven, zijn duidelijk degenen die het verdienen om veroordeeld te worden. Alleen nood, nood, nood versnelt de voetstappen van de Arts. Het is de nood van de zondaar die Christus van de troon der heerlijkheid naar het kruis heeft gebracht, en het is diezelfde nood die Hem, in Zijn geestelijke kracht, elke dag van de troon van Zijn Vader naar gebroken, zwaar beladen zielen doet afdalen.​

Dit is heel duidelijk gezegd, en u hebt het allemaal gehoord – en toch begrijpen de meeste mensen het niet. Een predikant vertelde eens dat hij, nadat hij had gepreekt in een plattelandsdorp, een landarbeider die naar hem had geluisterd, vroeg: ā€œDenkt u dat Jezus Christus stierf om goede mensen te redden, of om slechte mensen?ā€ De man antwoordde: ā€œWel, meneer, ik zou zeggen dat hij stierf om goede mensen te redden.ā€ ā€œMaar is hij gestorven om slechte mensen te redden?ā€ vroeg de predikant. ā€œNee, meneer, nee, zeker niet, meneer.ā€ ā€œWelnu,ā€ zei de predikant, ā€œwat zal er dan van u en mij worden?ā€ ā€œWelnu, meneer,ā€ zei de man, ā€œdat weet ik niet. Ik durf te zeggen dat u behoorlijk goed bent, meneer, en ik probeer zo goed mogelijk te zijn.ā€

Dat is precies de gangbare leer. En hoewel we denken dat zulke ideeĆ«n onder ons zijn uitgestorven, is dat in werkelijkheid de godsdienst van negenennegentig van de honderd mensen die niets weten van goddelijke genade: we moeten zo goed mogelijk zijn, we moeten naar de kerk of de kapel gaan, alles doen wat we kunnen, en dan is Jezus Christus voor ons gestorven en zullen we gered worden. Maar het evangelie zegt iets heel anders. Het leert dat Christus helemaal niets heeft gedaan voor mensen die op zichzelf kunnen vertrouwen. Hij heeft zichzelf gegeven voor de verlorenen, voor de geruĆÆneerden, voor degenen die niets hebben om zich op te beroepen. Hij kwam niet in de wereld om zelfingenomen mensen te redden, want naar eigen zeggen willen zij niet gered worden. Zij menen dat zij zich wel kunnen redden, dat zij het wel zullen redden, dat zij het al bijna gered hebben.​

Hij komt omdat wij Hem nodig hebben. En daarom komt Hij alleen naar degenen die Hem nodig hebben. Als wij Hem niet nodig hebben, als wij zulke goede, respectabele mensen zijn, dan moeten wij onze eigen weg naar de hemel vinden. Christus is geen versiering van een net leven; Hij is de Arts voor de zieken, de Verlosser voor de verlorenen. Noodzaak, alleen noodzaak, is datgene wat de voetstappen van de Arts versnelt.​

IV. We komen nu bij een ander punt, waar we niet lang bij zullen stilstaan. Hieruit volgt, en de tekst bevestigt dit nadrukkelijk, dat ALLEEN DEGENEN DIE GEEN GROTE BEHOEFTE HEBBEN – HELEMAAL GEEN BEHOEFTE – NIET DOOR CHRISTUS ZULLEN WORDEN GEHOLPEN. Natuurlijk moeten zij met rust worden gelaten. Geen enkele arts met gezond verstand zou overwegen een recept uit te schrijven, geen enkele chirurg zou zijn flessen en dozen met pillen sturen naar mensen die beweren volkomen gezond te zijn. Het recept zou in het vuur worden gegooid, de medicijnen op straat, en de man zelf zou het als een grove belediging beschouwen. Christus is niet naar de wereld gekomen alleen maar om de mensheid te beledigen. Als de mensheid zo voortreffelijk is als zij denkt te zijn, laat haar zichzelf dan verheffen zoals zij wil, en laat haar doorgaan met de gezondheid waarvan zij meent dat zij die bezit. Laat haar haar eigen redding tot stand brengen, als zij die al nodig acht.​

Een arts sturen naar mensen die gezond zijn, is ook een belediging voor de arts. Hij klopt aan en vraagt als eerste: ā€œWie is hier ziek?ā€ – ā€œNiemand, we zijn allemaal gezond, dank u wel, meneer. We zijn allemaal gezond, we danken God. We zijn niet zoals andere mensen verderop in de straat; we hebben geen koorts, de pokken komen hier nooit voor, we krijgen nooit de roodvonk, we hebben niets van dien aard, meneer. We zijn blij u te zien, heel blij u te zien, maar we mankeren niets.ā€ De arts zou onmiddellijk merken dat hij voor de gek is gehouden door daarheen te zijn geroepen. En dat is precies de behandeling die Jezus Christus van veel mensen krijgt.​

Je hoort hen zeggen: ā€œHeere, wees ons, ellendige zondaars, genadigā€ – gekleed in satijn en allerlei versieringen, en net zo goed als alle andere mensen in de parochie. En als je hen wat beter ondervraagt, zijn het helemaal geen ā€œellendige zondaarsā€. Men zou hen dat graag op de rug schrijven om te zien of ze het zouden verdragen. Hetzelfde geldt voor u. U komt hier, en als er gebeden wordt voor zondaars, zijn er sommigen onder u die zeggen: ā€œJa, ja, wij zijn zondaars.ā€ Maar als ik dan zeg: ā€œLaten we de tien geboden eens nagaan – hebt u die overtreden?ā€, dan durf ik te beweren dat er hier sommigen zijn die zouden zeggen: ā€œIk weet werkelijk niet of ik iets verkeerds heb gedaan; ik heb niet het gevoel dat ik iets bijzonders heb misdaan.ā€ā€‹

Het feit is dat u Christus beledigt door tot Hem te gaan als u niet ziek bent. Dat is niets anders dan onbeschoftheid, ook al denkt u dat het een compliment is. Gezonde mensen hebben geen dokter nodig; er is geen behoefte aan de vaardigheid van een arts. ā€œWaarom,ā€ zegt de dokter, terwijl hij rondkijkt naar al zijn kennis, ā€œwat heeft dit voor zin? Een ondeskundige is net zo goed als ik voor iemand die niet ziek is. Als u ziek was, zou ik mijn best doen, maar aangezien er niets aan de hand is, is er geen plaats voor mij.ā€ U kunt elke straatveger halen, en die zal u evenveel van dienst zijn als de beste arts, als u niet ziek bent.​

Dus als u niet werkelijk erkent dat u een zondaar bent, zal Jezus in uw ogen geen waarde hebben; Hij zal slechts een gewoon mens zijn. Als u niet ziek bent, is er geen kans op dankbaarheid. Mensen zullen een arts niet bedanken voor iets wat hij niet heeft gedaan. U zult Christus nooit dankbaar zijn voor uw redding als u niet beseft dat u redding nodig hebt. Dan zal er ook geen eer voor Hem zijn.​

Stel dat u naar de hemel zou gaan en daar binnengaan met dezelfde zelfingenomen houding die u nu hebt – wat zou u dan zeggen? ā€œGoed gedaan van mij.ā€ Er zou geen eer voor Christus zijn, geen glorie voor Jezus. Een mens moet een diepe en bewuste behoefte aan Christus hebben, anders kan hij de troon van Christus niet met glans omgeven door zijn lofprijzing wanneer hij de hemel binnengaat. Nu zit er iets moois in wat hier gezegd is – voor degenen onder u die dit nodig hebben. Voor wie meent het niet nodig te hebben, zal het klinken als spot.​

V. Tot slot volgt hieruit DAT DEGENE DIE ZIEK ZIJN DOOR JEZUS GEHOLPEN WORDEN. Laat de vraag vanmorgen door deze galerijen en door deze ruimte gaan: ā€œBen ik ziek? Ben ik zondig? Dan heb ik Jezus nodig – en mijn nood en mijn behoefte zijn het enige wat Jezus tot mij zal brengen.ā€ ā€œO,ā€ zegt iemand, ā€œmaar ik ben zo zondig.ā€ Dan hebt u een zeer grote nood, en is er ruimte voor zeer grote kracht aan de kant van de Verlosser. En die openbaring van genade zal Hem zeer grote eer brengen. Zondaar, geloof in Hem, dat Hij u kan redden; vertrouw erop dat Hij u zal redden, en laat uw grote zonde u niet tegenhouden. ā€œO, maar ik heb zóveel zonden!ā€ Dan hebt u opnieuw een grotere nood. En omdat juist de nood de Arts doet komen, zijn uw vele noden evenzovele klopjes op zijn deur, evenzovele roeptonen. Hij zal des te sneller komen als u al uw zonden oprecht belijdt en Hem smeekt om medelijden met u te hebben.​

ā€œJa,ā€ zegt u, ā€œmaar ik ben al zo lang ziek.ā€ Dan is uw geval zeer ernstig, en is er des te meer behoefte aan Zijn zorg. Hij genas de vrouw die al zesendertig jaar invalide was geweest. En als u al zesendertig jaar ziek bent – ja, zelfs als het tachtig jaar is – kan Hij u nog steeds genezen. En uw nood – laten we ons daarop concentreren – uw nood is uw enige pleidooi. U hebt duidelijk een zeer sterk pleidooi, want u hebt een zeer grote nood. ā€œAh,ā€ zegt een ander, ā€œmaar ik ben teruggevallen sinds ik dacht dat ik genezen was – ik ben afgedwaald.ā€ Nu is er een bijzondere belofte voor die vorm van ziekte: ā€œIk zal hun afdwaling genezen.ā€ Hij zegt niet specifiek: ā€œIk zal hun dronkenschap enzovoort genezenā€, maar hier is een speciale belofte voor een bijzonder geval. Nu hebt u Hem nodig. Dit is een grote zonde, die terugval. Ga tot Hem – of vraag Hem liever om tot u te komen.​

ā€œJa,ā€ zegt weer iemand, ā€œmaar ik kan mijn zonde niet voelen zoals ik zou willen.ā€ Dat bewijst alleen maar hoezeer u de Heere Jezus nodig hebt, want u hebt niet eens die vorm van geschiktheid die ligt in een diep gevoel van nood; u kunt die nood zelfs niet voelen, omdat u een steen in uw hart hebt. Maak daar een smeekbede van tot Hem. Zeg: ā€œJezus, ik heb U meer nodig dan wie ook, want er zijn sommigen die nog een beetje gezondheid hebben; zij kunnen voelen dat zij ziek zijn, maar ik heb zelfs dat niet. Ik heb U nodig, o, ik heb U meer nodig dan wie ook.ā€ Misschien zegt u: ā€œMaar ik kan niet in Hem geloven zoals ik zou willen.ā€ Voeg dat dan toe aan uw andere belijdenissen, belijd uw ongeloof, zeg Hem dat u Hem dringend nodig hebt om u geloof te geven; en ga tot Hem, en moge Hij u helpen te geloven dat Hij ook deze zonde kan vergeven.​

ā€œWel,ā€ zegt iemand, ā€œmaar hoe meer ik over deze dingen nadenk, hoe slechter ik word.ā€ Daar ben ik blij om, beste vriend – die verslechtering maakt deel uit van de genezing. Stel dat u steeds slechter wordt, dat u zich zo zwart als de duivel en zo verdoemd als een verlorene gaat voelen – toch kan de grote Arts u nog genezen zolang u in deze wereld bent. En u hebt nog steeds dit grote argument: dat u Hem nodig hebt, dat u Hem verlangt. ā€œO,ā€ zegt iemand, ā€œik zie niet in hoe ik mijn nood als enige argument kan aanvoeren.ā€ Mijn beste vriend, wat zou u dan aanvoeren als u in het openbaar zou bedelen? Als ik mijn toevlucht zou moeten nemen tot het beroep van bedelaar, geloof me, dan zou ik deze zwarte jas niet dragen, of, als ik dat wel deed, zou ik ervoor zorgen dat hij behoorlijk vol gaten zat. Want het eerste wat u moet doen als u op straat bedelt, is de voorbijgangers overtuigen dat u in nood verkeert. Sommige magere, ellendig uitziende kerels hebben gezichten die voor hen een fortuin waard zijn – wangen wit van tuberculose, lichamen dun en mager als door hongersnood, met nauwelijks een handvol lompen aan. Ze hurken in een hoekje en schrijven op een stukje papier: ā€œIk verhonger.ā€ En als je langs hen loopt, kun je het niet helpen, je hand gaat naar je zak: ā€œHier is een geval van armoedeā€, zegt u, en u helpt hen.​

Imiteer die zwervers in alles behalve hun bedrog. Gebruik hun redenering: het nuchtere argument dat nood het beste pleidooi van een bedelaar is. U bent berooid, u verhongert; leg uw zaak voor aan God. Het beste dossier dat u kunt indienen om God te overtuigen, is een slecht dossier. Hoe slechter, hoe beter, durf ik te zeggen. Verontschuldig u niet, probeer uw zonden niet kleiner te maken dan ze zijn. Zeg Hem dat u een ellendeling bent zonder zijn soevereine genade, en dat u daar schuldig en verachtelijk bent, en vol zelfhaat; val dan plat voor Hem neer en zeg: ā€œHeere Jezus, als U iemand wilt genezen, dan ben ik precies de juiste man. Als U een geval wilt dat overal bekend kan worden gemaakt en dat de oren van de mensen zal doen klinken van lof op uw algenezende medicijn, dan ben ik Uw man, Heere. Als U iemand zoekt die vol zweren, wonden en etterende ziekten is, zoals Job op de mesthoop; als U iemand wilt die al ver heen is, die door en door verrot is – Heere, dan ben ik Uw man.ā€ā€‹

O, zondaar, bedenk: Hij is juist uw Verlosser. Want terwijl Hij er behagen in schept om zulke gevallen als het uwe te ontmoeten, mag u zich verheugen dat u zo’n Verlosser als Hem ontmoet. En het enige wat van u gevraagd wordt, is te geloven dat Hij u kan redden en erop te vertrouwen dat Hij dat zal doen. Als u Hem kende, zou u Hem geloven. Hij heeft er vreugde in om te redden. Hij kan de meest verachte mensen redden. Vertrouw Hem dan, en moge de Geest van God u zo leiden dat u Hem leert kennen, zodat u op Hem kunt vertrouwen. En als u dat doet, zal Hij zeggen: ā€œZondaar, uw zonden zijn u vergeven; wees blij, ga heen in vrede en verheug u.ā€ Moge God deze woorden zegenen, om Christus’ wil. Amen.​

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciĆ«le invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content