Pinksteren
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 24 mei 1863 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Handelingen 2:1-4
Hoe volstrekt noodzakelijk is de tegenwoordigheid en de kracht van de Heilige Geest! Wij kunnen onmogelijk de eer van God bevorderen of de zielen van mensen tot zegen zijn, tenzij de Heilige Geest in ons en met ons is. Wie op die gedenkwaardige Pinksterdag bijeen waren, waren allen mannen van gebed en geloof. Maar zelfs deze kostbare gaven komen pas tot hun recht wanneer het hemelse vuur ze in vlam zet. Het waren allen mannen met ervaring; de meesten van hen hadden het Woord gepredikt en wonderen verricht. Ze hadden samen met hun Heere beproevingen en moeiten doorstaan en waren bij Hem geweest in Zijn verzoeking. Toch zijn zelfs ervaren christenen zonder de Geest van God zo zwak als water. Onder hen waren de apostelen en de zeventig evangelisten, en bij hen waren die geëerde vrouwen in wier huizen de Heere vaak was ontvangen en die Hem uit hun goederen hadden gediend. Toch kunnen zelfs deze begunstigde en geëerde heiligen niets doen zonder de adem van God, de Heilige Geest.
Apostelen en evangelisten durven op eigen kracht zelfs niets te ondernemen. Ze moeten in Jeruzalem blijven totdat hun kracht uit de hoogte gegeven wordt. Het lag niet aan een gebrek aan opleiding. Ze hadden drie jaar lang in de school van Christus gezeten, met de volmaakte Wijsheid als hun Leermeester, met ongeëvenaarde welsprekendheid als hun Onderwijzer en met de onbevlekte Volmaaktheid als hun voorbeeld. Toch mochten ze hun mond niet opendoen om van het geheimenis van Jezus te getuigen, voordat de zalvende Geest met Zijn gezegende zalving van boven gekomen was.
Broeders en zusters, als het zo met hen was, dan geldt dat zeker nog veel meer voor ons. Laten we oppassen dat we niet vertrouwen op ons goed geregelde apparaat van commissies en plannen. Laten we waakzaam zijn tegen elke afhankelijkheid van ons eigen verstand of onze godsdienstige ijver. Laten we ook niet te veel opzien naar onze vooraanstaande predikers en evangelisten, want als we iemand van hen in de plaats van de goddelijke Geest zetten, dwalen we op de meest noodlottige wijze. Laten we God danken voor alle gaven en alle ambten, maar o, laten we er steeds aan herinnerd worden dat gaven en ambten niet meer zijn dan een klinkend metaal of luidende schel, als de levendmakende invloed van de Geest ontbreekt.
Sommige moderne theologen hebben beweerd dat wij deze leer van de afhankelijkheid van de Heilige Geest veel te sterk op de voorgrond plaatsen, en dat ons voortdurende onderwijs over deze waarheid alle menselijke inspanning verlamt en onverschilligheid en traagheid in de hand werkt. Broeders en zusters, zo is het beslist niet. Laten we deze laster weerleggen door onze eigen ernst. Laat het zichtbaar worden dat wie van ons belijden dat zij zonder hun Heere niets kunnen doen, met Zijn hulp alles kunnen doen! O, mogen wij zo door het eeuwige vuur ontstoken worden, dat ons leven één en al ijver en liefde, zelfverloochening en arbeid is! Zo zullen we de tegensprekers leren dat de aanbidders van de genadige Geest geen leeglopers zijn in de wijngaard van de Heere.
Ik ben ervan overtuigd dat we, in plaats van te vaak over dit onderwerp te spreken, de gezegende Geest juist te weinig verheerlijken. Sommige bedieningen gaan bijna voorbij aan Zijn bestaan. In sommige kapellen zou u de diensten kunnen bijwonen zonder te merken dat er een Heilige Geest is, behalve bij de zegen. En als de liturgie er niet was, met het “Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”, zou u in veel van onze nationale kerkgebouwen nooit te weten komen dat er een Trooster tot ons is gezonden. Ik bid van harte dat ik deze morgen uw gedachten mag opwekken door u eraan te herinneren, met een eenvoudige uitleg van de nederdaling van de Heilige Geest op Pinksteren. Wij zijn geen waarnemers van dagen en maanden, maar het is toevallig de tijd van het jaar waarin de vroege kerk gewoon was de uitstorting van de Geest op Pinksteren te gedenken.
In het Engels spreken we vaak van Whitsuntide of White Sunday, Witte Zondag. Die naam is niet zonder les: hij gaat terug op wat in de eerste eeuwen op deze dag gebeurde, ter herinnering aan de grote doop van de drieduizend die onder de prediking van Petrus bekeerd werden. Het was de gewoonte van de kerk om dan een grote doopdienst te houden. De dopelingen waren, net als bij ons, in het wit gekleed (vandaar de naam “kandidaten”, dat wil zeggen “witten”), en zo werd die zondag Witte Zondag genoemd. Het was niet verkeerd dat de uitstorting op Pinksteren werd gevierd met de doop van bekeerlingen, want een oorzaak wordt het best herinnerd door haar gevolg. Moge onze Heere ons helpen om het hele jaar door Pinksteren te beleven, en moge het doopbad elke week in beweging worden gebracht.
Ik vraag uw aandacht eerst voor het tijdstip waarop de Geest werd uitgestort, ten tweede voor de wijze waarop Hij Zich openbaarde, dan voor de zaak zelf, en ten vierde voor de gevolgen die erop volgden.
I. Er ligt veel heilig onderwijs in HET TIJDSTIP waarop de Geest van God werd gegeven.
“Als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd.” We merken allereerst op dat de Geest van God werd gegeven op de tijd die God Zelf had gekozen en bepaald. Er is een bestemde tijd om Sion genadig te zijn. De Geest is niet altijd even werkzaam in Zijn zichtbare werkingen. Om ons geloof te beproeven en om Zijn eigen soevereiniteit te bewijzen, wordt de rechterhand van de Heere soms in Zijn boezem teruggetrokken. Hij zal Zijn arm alleen ontbloten op tijden en gelegenheden die Hij Zelf heeft bepaald. “De wind blaast, waarheen hij wil”: dat is een waarheid van God die uitstekend geschikt is om de hoogmoed voor de mens te verbergen. Broeders, als elke regendruppel zijn bepaalde geboortedag heeft, elke lichtstraal zijn voorbestemde baan en elke vonk zijn vastgesteld uur om omhoog te vliegen, dan moeten de wil, de voorkennis en het besluit van God zeker ook het tijdstip van elke opwekking en de plaats van elk genadebezoek hebben vastgesteld en geregeld.
Tijden van verkoeling, in een gemeente of in een land, komen alleen zoals de Scheppende Geest het heeft bepaald. De dag van het heil is voor ieder mens afzonderlijk een bestemde tijd. De wedergeboorte wordt niet aan het toeval overgelaten. Ja, meer nog: elke ademtocht van die goddelijke Geest die over het gemoed van de gelovige gaat, elke druppel heilige olie die hem zalft en elke druppel heilige dauw die hem levend maakt, komt tot hem volgens die onweerstaanbare wil die de strengen van Orion losmaakt of de liefelijkheden van het Zevengesternte bindt. Op Gods aangenaam en bestemd tijdstip zal daarom het licht van de hemel uitgaan. Dit mag ons er niet van weerhouden om elke dag om de Geest te vragen, maar het moet ons wel bemoedigen als Hij niet direct begint te werken. Want als het gezicht vertoeft, moeten we het verbeiden; het zal komen op de bestemde tijd, het zal niet achterblijven.
Er lag nog een verder geheimenis in het tijdstip, want het was na de hemelvaart van onze Heere. De Geest van God werd pas gegeven nadat Jezus verheerlijkt was. De verschillende zegeningen die wij ontvangen, zijn toe te schrijven aan verschillende delen van het werk van Christus. Zijn leven is onze toegerekende gerechtigheid. Zijn dood brengt ons vergeving. Zijn opstanding schenkt ons rechtvaardiging. Zijn hemelvaart geeft ons de Heilige Geest en de geestelijke gaven die het lichaam opbouwen.
Er staat: “Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.” “En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.” Wanneer Romeinse helden terugkeerden van bloedrode slagvelden en de senaat hun een triomftocht toekende, reden zij in hun wagen, getrokken door melkwitte paarden, door de dicht bevolkte straten van de hoofdstad. Zo ontving ook Jezus Christus, toen Hij de gevangenis gevangen nam, een triomftocht uit de handen van Zijn Vader. De triomfwagen droeg Hem door de straten van de heerlijkheid, terwijl alle inwoners Hem met luid gejuich als Overwinnaar begroetten:
“Kroon Hem! Kroon Hem!
Kronen passen de Overwinnaar!“
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Het was de gewoonte van een Romeinse overwinnaar om onderweg grote hoeveelheden geld uit te delen, die onder de bewonderende menigte werden uitgestrooid. Zo strooide onze verheerlijkte Heere gaven onder de mensen, ja, ook aan de wederhorigen gaf Hij die gaven, opdat de Heere God onder hen zou wonen. Op deze wijze werd de Geest van God, om de triomf van Jezus luister bij te zetten, overvloedig uitgestort over de gemeente hier beneden. Misschien herinnert u mij eraan dat onze Heere al tien dagen eerder ten hemel was gevaren. Dat weet ik, maar het uitstel kon hun geduld leren. De bloem bloeit niet altijd binnen een uur uit de wortel op. Christus is opgevaren en de hemel weerklinkt van Zijn lof. Tien dagen lang is er vreugdevol feest gevierd voor de eeuwige troon, en nu, nu de Pinksterdag vervuld is, wordt het geweldige, gedreven geluid gehoord.
Broeders en zusters, denkt u dat wij de hemelvaart van Christus genoeg aanvoeren als grond waarom de kerk met de Geest gezegend zou worden? Ik weet dat we in het gebed vaak zo ver komen als: “Door Uw doodsangst en bloedig zweet, door Uw kruis en lijden, door Uw kostbare dood en begrafenis, door Uw heerlijke opstanding.” Maar gaan we ook verder met: “Door Uw hemelvaart smeken wij U, verhoor ons”? Ik ben bang dat we niet inzien dat de hemelvaart van Christus als pleitgrond in het gebed gebruikt mag worden, wanneer we willen dat de kerk door de heilige adem van God wordt opgewekt of dat haar dienaren en ambtsdragers gaven ontvangen.
Bovendien ligt er nog meer onderwijs in het tijdstip. Het was op Pinksteren. Veel vroege schrijvers zeggen dat Pinksteren de tijd was waarop de wet op de berg Sinaï werd afgekondigd. Anderen vinden dat twijfelachtig. Als het zo is, dan is het veelzeggend dat op de dag waarop de wet onder donder en bliksem werd gegeven, het Evangelie, Gods nieuwe en betere wet, werd verkondigd met een geweldige wind en tongen van vuur.
Wel staat vast dat Pinksteren een oogstfeest was. Op die dag werd de garve voor het aangezicht van de Heere bewogen en werd de oogst geheiligd. Het Pascha was voor onze Heiland de tijd van Zijn zaaien, maar Pinksteren was de dag van Zijn oogsten. De velden die wit waren om te oogsten toen Hij bij de put zat, worden nu gemaaid nu Hij op de troon zit.
Maar de Geest van God werd zeker op Pinksteren gegeven omdat Hij toen het meest nodig was. Bij die gelegenheid waren uit alle streken enorme menigten samengekomen. De God van wijsheid weet altijd het juiste moment voor Zijn gaven te kiezen. Wat zou het voor zin hebben gehad de vele talen te geven als er geen vreemdelingen klaarstonden om te horen? Als er geen Parthen, Meden, Elamieten en inwoners van Mesopotamië in Jeruzalem bijeen waren geweest, was er geen behoefte geweest aan de verdeelde tongen.
Maar nu de stad vol was en het hoge feest door ongewoon grote menigten werd gevierd, was het zeer gepast en juist dat de Heere nu zou zeggen: “Zend Uw sikkel en maai; (…) dewijl de oogst der aarde rijp is geworden.” Beste vrienden, ik denk dat wanneer we ongewoon grote samenkomsten van mensen zien, wanneer de geest van horen over het volk wordt uitgestort, we moeten bidden om en uitzien naar een ongewoon bezoek van de Geest. En als ik deze menigten zie die hier jaar na jaar elke zondag in dit huis samenkomen, kan ik u niet anders dan dringend smeken om met kracht te roepen tot Hem bij Wie het overschot van de Geest is, dat Hij ons een Pinksteren wil geven. Al zijn er hier geen Parthen, Meden of Elamieten, toch gaat er bijna geen zondag voorbij zonder dat er vertegenwoordigers zijn van bijna alle volken onder de hemel, die de grote werken van God horen. Weliswaar niet in hun eigen taal, maar toch in een taal die zij verstaan. O, bid dat de Geest van God mag vallen op de weergaloze scharen die hier samenkomen!
Toch hebben we, beste vrienden, nog niet stilgestaan bij een hoofdreden waarom de Heilige Geest juist op dit bijzondere tijdstip neerdaalde: “Zij waren allen eendrachtelijk bijeen.” Wij hebben uitgezien naar de dagen van de hemel op aarde. Onze ziel heeft ernaar verlangd de stem van God uit de hemel te horen donderen. Wij hebben gehoopt op dagen zoals onze vaderen ons verteld hebben, dagen die hen in vroeger tijd vertroostten. Wij hoopten duizenden op één dag geboren te zien worden, maar helaas, het gezicht komt niet.
Kijk naar ons land! We hebben vlagen van opwekking gehad; meer kan ik er niet van zeggen. Zelfs de Ierse opwekking, waarvoor we God nooit genoeg kunnen danken, was niet meer dan een voorbijtrekkende wolk. Het was geen blijvende, aanhoudende regen, en zo is het gegaan met alle beroeringen die we in deze latere tijden hebben gehad. We hebben slechts glimpen gehad waar we volle uitzichten wilden. We hebben slechts schemering gehad waar we de heilige, eeuwige middag nodig hadden.
Wat is daarvan de oorzaak? Misschien is die te vinden in ons gebrek aan eenheid. “Zij waren allen eendrachtelijk bijeen.” Christenen kunnen niet allemaal op één plaats zijn. We hebben geen ruimte die groot genoeg zou zijn om hen allen te bevatten, God zij geloofd! Maar al kunnen ze niet allemaal op één plaats zijn, ze kunnen wel allemaal eendrachtig zijn. O, wanneer er geen koude harten meer zijn, geen vooroordelen die ons verdelen, geen bekrompenheid die ons scheidt, geen onverschilligheid die ons neerdrukt, geen valse leer die de kudden van elkaar scheidt en geen scheuring die het ene heilige kleed van Christus verscheurt, dan mogen we verwachten dat de Geest van God op ons zal rusten!
En in elke gemeente waar geen strijd is over wie de grootste zal zijn, geen verdeeldheid over eigenaardigheden, geen gevecht om aanzien, maar waar de gemeente eendrachtig is, daar mogen we verwachten het geruis van een overvloedige regen uit de hemel te horen. Let er ook op, beste vrienden, wat zij deden. Ze waren niet alleen eensgezind, maar ze waren ook vol ernst gericht op één groot doel. Ze hadden allen gebeden. Lees het eerste hoofdstuk en u zult merken dat zij veel in gebed waren. De hele tijd sinds de hemelvaart van onze Heere waren zij voortdurend met smeken bezig. En nu zij zo dag en nacht pleitten, was het geen wonder dat de voorraadschuren van de hemel werden ontsloten!
De laatste jaren hebben we aan het begin van het jaar gebedsweken gehouden, en dat was goed. Maar als we alle weken van het jaar in het gebed hadden volhard, als we altijd eendrachtig tot de hemel waren blijven roepen, met de Engel waren blijven worstelen en waren blijven pleiten, dan zou het kleine wolkje als eens mans hand, dat het oog van het geloof heeft gezien, nu zeker de hele hemel hebben bedekt en een overvloedige regen over alle volken van de mensen hebben uitgestort! Er moet eenheid zijn, maar die eenheid mag niet de bevroren eenheid van de dood zijn. Het moet de heerlijke samensmelting in een gloeiende oven zijn.
Ze waren veel in gebed geweest, en nu zie ik hen stil zitten. Waarom zitten ze zo rustig? Het is de stilte van de verwachting. Wanneer Gods gemeente bij het smeken de verwachting voegt, blijft de zegen niet langer uit. Wij vragen, maar we verwachten niet te ontvangen. Wij bidden, maar waarschijnlijk zou niets ons zo doen schrikken als de verhoring van onze gebeden.
Als de Heilige Geest werkelijk zou komen nadat we God gesmeekt hebben Hem te zenden, zouden velen het niet geloven. Anderen zouden het voor louter opwinding houden, en grote aantallen zouden er hun ogen helemaal voor sluiten. O Geest van God, werk in de harten van Uw kinderen volmaakte eendracht, vurig verlangen en vrijmoedige verwachting, en dan zult U komen om opnieuw Uw machtige daden te doen!
Deze opmerkingen over het tijdstip kunnen tot veel praktische vragen leiden. Ik stel ze slechts snel en laat ze dan bij u achter. Help ik mee de komst van de Geest te verhinderen door een bitter humeur? Draag ik door gebrek aan liefde bij aan verdeeldheid in de gemeente? Zijn mijn gebeden van dien aard dat ze waarschijnlijk zullen overwinnen? En verwacht ik, als ik bid, de zegen van God? Zo niet, hoe treurig is het dan dat ik het middel zou zijn om de Heilige Israëls te bedwingen en te beperken! Dat ik een kerkrover zou zijn en heiligschennis zou plegen tegen de gemeente van God, niet door haar goud en zilver te stelen, maar door de schatkamer van God te sluiten!
Laten wij ons als gemeente vernederen onder de hand van God. Laten we dan de lendenen van ons verstand omgorden en met geduld en ernst op Hem wachten, totdat de Geest uit de hoogte wordt uitgestort!
II. Ik kom nu, beste vrienden, ten tweede tot DE WIJZE WAAROP DE GEEST WERD GEGEVEN.
Elk woord hier zet aan het denken. “Haastelijk.” Geen heraut blies op zijn bazuin, maar terwijl zij verwachtend wachtten, brak in een ogenblik de hemelse storm los. Als de Heere op het punt staat een groot werk in de wereld te doen, moeten we niet verbaasd zijn als we horen dat het komt als een donderslag. De mens gaat zitten om plannen te maken; hij regelt en werkt, en iedereen weet waar hij op uit is.
Ook God maakt plannen en regelt alles, en Hij is Zichzelf voor. Maar Hij vertelt de mens niet wat Zijn voornemen is. Het is Gods eer een zaak te verbergen. Zo mag de Geest in het verborgen de harten van de mensen hebben voorbereid, toch wordt het eigenlijke werk van de opwekking plotseling gedaan, tot verrassing van allen die het waarnemen.
U zult gemerkt hebben dat het zo ging bij de grote opwekking in New England, toen Jonathan Edwards opstond en zijn uitgeschreven preek voorlas. Hij hield het manuscript vlak voor zijn ogen, omdat hij bijziend was, een manier van preken waarvan je zou denken dat die wel het allerminst opschudding onder de toehoorders zou veroorzaken. En toch, terwijl hij preekte over de tekst “ten tijde als hunlieder voet zal wankelen”, daalde de Geest van God plotseling neer. De mensen begonnen te beven en riepen het zelfs uit onder de verschrikkingen van de overtuiging. De opwekking verbreidde zich door die hele streek, en vele duizenden werden aan de gemeente van Christus toegevoegd.
Was het niet zo bij Livingstone in de Kirk of Shotts? Het presbyterie had lange diensten gehouden en preken laten houden zonder veel resultaat. Helemaal aan het einde werd Livingstone gevraagd te preken. Staande op een grafsteen, midden in een striemende regenbui, sprak hij de samengestroomde menigte toe. Toen daalde de Heilige Geest neer, machtiger dan de regen die uit de hemel viel, en honderden werden op één dag voor Christus geboren.
Zo was het ook onder George Whitefield, bij de opmerkelijke opwekkingen waarvan hij het werktuig was. De Geest kwam als een bliksem uit de hemel. Wees niet achterdochtig wanneer u hoort dat zulke opwekkingen plotseling verschijnen. U herinnert zich zelf een voorbeeld dat al uw harten tot dankbaarheid wekt. U herinnert zich een kapel met maar een handjevol mensen, die elkaar nauwelijks konden zien zitten.
Kwamen de menigten daar langzaam aan? Was het een levenswerk om een gemeente op te bouwen? Nee, de bazuin klonk. De voorbereide oren hoorden het. Het huis stroomde vol. De gemeente groeide en vermenigvuldigde zich, en nu danken wij, die er lid van zijn, God elke dag voor Zijn barmhartigheden. Wanneer God zegt: “Daar zij licht!”, dan is er licht.
Toen was er een geluid. Hoewel de Geest van God Zelf in Zijn werkingen stil is, zijn die werkingen niet stil in hun gevolgen. Het geluid moest hun leren dat de Geest van God niet gekomen was om als een stille gast in hun harten verborgen te blijven, maar om als de stem van God door de hele wereld gehoord te worden. Want nu zou het geloof zijn uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. En het geluid als van een geweldige, gedreven wind was voor hen een beeld van het geluid van hun eigen getuigenis, dat over de hele wereld zou uitgaan, tot aan de einden ervan.
In hun oren zou de sprekende orkaan zeggen: “Zo moeten ook wij, een handjevol bekeerde mensen, als een geweldige wind over de aardbol trekken. En de mensen zullen gedwongen worden het geluid van de barmhartigheid te horen.” Let er dan op dat het een geluid was als van wind. Het is opmerkelijk dat zowel in het Grieks als in het Hebreeuws hetzelfde woord wordt gebruikt voor wind en voor geest. Toen de Heiland tegen Nicodemus zei: “De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid”, kan dat beeld Hem dan ook zijn ingegeven doordat het woord die dubbele betekenis van wind en Geest heeft. De wind is ongetwijfeld als veelzeggend zinnebeeld gekozen vanwege zijn geheimzinnigheid: “gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat”; vanwege zijn vrijheid: hij “blaast, waarheen hij wil”; en vanwege de verscheidenheid van zijn werkingen. Het ene ogenblik waait de wind als een zacht briesje, later zwelt hij aan tot een gierende storm. Zo komt de Heilige Geest de ene keer om te troosten en de andere keer om te doen schrikken: de ene keer zacht met de belofte, de andere keer verschrikkelijk met de bedreiging.
Let erop dat het een gedreven wind was. Dat beeldde uit hoe snel de invloeden van de Geest zich verbreidden: ze stormden voort als een bergstroom. Binnen vijftig jaar na die Pinksterdag was het Evangelie in elk land van de bekende wereld gepredikt. Paulus en zijn broeders, de apostelen, waren naar het oosten, westen, noorden en zuiden gereisd. IJzeren poorten waren opengebroken, koperen grendels waren geknapt, en het heerlijke, levendmakende Woord was gepredikt aan alle schepselen onder de hemel, tot een getuigenis tegen hen. Gods Geest sluipt en kruipt niet, zoals onze ongeestelijke middelen maar al te vaak doen. Wanneer Hij komt, is het een stormvlaag, en de halve wereld is door goddelijk licht verlicht voordat we vermoeden dat de lucifer is afgestreken.
En dat is nog niet alles, want het was een geweldige wind, een wind waartegen niets bestand was. Het huis zelf werd misschien geschud. Misschien waren zij erg bang dat het huis boven hun hoofd zou instorten. De wind was onweerstaanbaar, en zo is ook de Geest van God: waar Hij komt, kan niets tegen Hem standhouden. O Geest van God, als U nu maar zou komen als een ruwe noordenwind, dan zou de halve maan van Mohammed in het stof neerliggen, en de goden van de heidenen zouden op hun aangezicht vallen zoals Dagon voor de ark. U hoeft slechts voort te gaan in Uw zevenvoudige werkingen, en de hoer van Rome zou haar betoverende macht verliezen. U kunt de grijze stelsels verbrijzelen die alle menselijke aanvallen hebben weerstaan. Machtiger dan de tand des tijds kan Uw vinger, o heilige Geest, vernietigen wat de mens als zijn eeuwige werk beschouwt.
God zij de eer: overal waar de Geest komt, bewijst Hij door de almacht die Hij toont dat Hij goddelijk is. Zij hoorden dus een geluid als van een geweldige, gedreven wind. Hoewel wij nooit verwachten zo’n geluid te horen, verwachten we, beste christenvrienden, wel de werkelijkheid ervan. Wij hopen de Geest van God nog op geheimzinnige wijze aan het werk te zien en het geluid ervan te horen: de blijde boodschap die onze harten verkwikt. We zien graag volken op één dag geboren worden. Wij geloven nog altijd dat we, voordat onze ogen in de dood worden gesloten, Gods arm uitgestrekt zullen zien en dat de onweerstaanbare kracht van Zijn Geest door Zijn vijanden zal worden gevoeld.
Let op de volgende zin: “En vervulde het gehele huis, waar zij zaten.” Het geluid werd niet alleen door de discipelen gehoord, maar leek ook door te dringen tot de andere vertrekken naast die grote bovenzaal waar zij waarschijnlijk bijeen waren. Ach, en wanneer de Geest van God komt, beperkt Hij Zich nooit tot de gemeente. Zijn invloed is voor wie buiten staan misschien niet reddend, maar zij voelen hem wel. Een opwekking in een dorp dringt zelfs door tot in de kroeg. Als de Geest van God in de gemeente werkt, wordt dat al snel gevoeld op het boerenerf, opgemerkt in de werkplaats en bespeurd in de fabriek. Het is onmogelijk de Geest in te perken wanneer Hij eenmaal komt.
O, als Hij deze plaats maar zou bezoeken, dan zouden Walworth, Camberwell en Southwark het allemaal merken. De straten zelf zouden er anders uit gaan zien! Waar we nu langs lange rijen winkels lopen die op zondag nog open zijn, zouden we die ongetwijfeld gesloten zien, want de Geest van God zou de hele plaats vervullen waar Zijn gemeente gevestigd is. Mogen zulke blijde tijden komen, waarin van het ene einde van Engeland tot het andere de Geest van God alle mensen op alle plaatsen vervult, omdat Hij in het bijzonder bij Zijn uitverkoren volk woont.
Maar dat was nog niet alles. Ik moet nu noemen wat ik denk dat de verschijning was die gezien werd. Waarschijnlijk was het een heldere, lichtende wolk, niet ongelijk aan die welke eens in de woestijn ‘s nachts boven de stammen rustte. Een vurige kolom werd gezien, zwevend boven in de zaal. Van de wolk wordt gesproken als “het”, zodat het één geheel lijkt te zijn geweest, en toch wordt ze “tongen” genoemd, zodat het er vele moeten zijn geweest.
In het Grieks is er in de werkwoorden een eigenaardige vermenging van enkelvoud en meervoud, die nauwelijks te verklaren is, tenzij er werkelijk tegelijk een enkelvoud en een meervoud bestond. Er zweefde in de zaal, denk ik, één massa vlammen, een grote wolk van vuur. Die verdeelde zich plotseling, of werd gekloofd, en afzonderlijke tongen van vuur rustten op het hoofd van ieder van de discipelen. Zij zouden begrijpen dat hun zo een goddelijke kracht werd gegeven, want zo’n beeld was helemaal niet ongebruikelijk of vergezocht. De heidenen waren gewend in hun beelden lichtstralen of vuurvlammen te laten uitgaan van hun valse goden. En tot op de dag van vandaag is de wolkachtige stralenkrans waarmee rooms-katholieke schilders altijd de hoofden van heiligen sieren, een overblijfsel van datzelfde denkbeeld.
Van Hesiodus, de eerste van alle dichters, zeiden de ouden dat hij eens niets anders was dan een eenvoudige koeherder, maar dat er plotseling een goddelijke vlam op hem viel, waarna hij voortaan een van de edelsten onder de mensen werd. We zijn ervan overtuigd dat de apostelen zo’n natuurlijke beeldspraak direct zouden begrijpen. Een tong van vuur die op hen rustte, zou een teken zijn van een bijzondere inspiratie van God. Let er allereerst op dat het een tong was, want het heeft God behaagd de tong grotere daden te laten doen dan het zwaard of de pen. En hoewel de pen zal spreken tot eeuwen die nog komen, zal zij dat nooit doen met die levende kracht die van de tong trilt. Want wat we in een boek lezen, is slechts dood, maar wat we met het oor horen, komt als een levend woord tot de ziel. Het heeft Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven.
Verder was het een tong van vuur, om te laten zien dat Gods dienaren niet koud spreken, alsof ze tongen van ijs hadden. Ook niet geleerd, als met tongen van goud, niet aanmatigend, als met tongen van koper, niet klaaglijk, als met tongen van wilgenhout, en niet streng, als met tongen van ijzer, maar ernstig en op geheimnisvolle wijze; niet als met tongen van vlees, maar met de tong van vlammend vuur. Hun woorden verteren de zonde, verschroeien de leugen, verlichten de duisternis en troosten de armen.
Let er bovendien op dat “het zat op een iegelijk van hen”. Het flakkerde niet en verdween niet. Het bleef daar. Zo is de Geest van God een blijvende invloed, en de heiligen zullen volharden. Het zat op ieder van hen, zodat hoewel er maar één vuur was, toch iedere gelovige zijn deel van de ene Geest ontving. Er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde Heere.
Ik zal niet langer stilstaan bij de beschrijving van de manier waarop de Geest kwam. Ik merk alleen op dat ik wilde dat God Zich vandaag op dezelfde wijze openbaarde. Wij willen dat onze jonge mannen tongen van vuur hebben. En u, vaders, wij verlangen ernaar dat ook u ontstoken wordt door de gloeiende kool die de lippen van Jesaja aanraakte. Zelfs u, mijn zusters, want ongetwijfeld rustte die tong van vuur ook op de maagd Maria en op de andere vrouwen, wij zouden graag zien dat hij ook op u rust, zodat u in uw gezinnen, in uw zondagsschoolklassen of bij uw bezoeken en de verpleging van zieken het heilige vuur in u blijvend mag hebben.
O, moge het God behagen de Trooster naar ieder van ons uit te zenden! Moge niemand van ons zonder Zijn kracht zijn, want de bestemde tijd om Sion genadig te zijn zal gekomen zijn wanneer mannen en vrouwen van elke rang en stand de Geest van de gezegende God hebben ontvangen. Ik vrees dat dit u niet interesseert. U denkt dat het lang geleden gebeurd is en dat het waarschijnlijk nooit meer zal gebeuren. En ik vrees dat het ook niet zal gebeuren zolang we er zo onverschillig onder blijven. Maar o, als we de vurige wens hadden om het te begeren en het geloof om het te verwachten, dan zouden we grotere dingen kunnen zien dan deze. Zonder het uiterlijke teken, dat slechts bij de kinderjaren van de gemeente hoorde, zouden wij de innerlijke en geestelijke genade kunnen ontvangen die past bij de volwassen man, bij de gevorderde gelovigen van onze tijd.
III. Kijk nu naar DE ZAAK ZELF, de weldaad die toen werd geschonken. Over de zaak zelf merken we heel kort op dat “zij allen werden vervuld met den Heiligen Geest”. Het geluid was niet de Heilige Geest, en ook de tong van vuur was niet de Heilige Geest; dat waren slechts de tekenen van Zijn werk. Het eigenlijke werk gebeurde toen allen die aanwezig waren, vervuld werden met de Heilige Geest.
Wat is dit? Wat is dit vreemde geheimenis? De ongelovige spot en zegt: “Zoiets bestaat niet.” De vormelijke godsdienstige zegt: “Ik heb het nooit gevoeld.” En de meeste christenen vinden het iets waarin je eerbiedig moet geloven, maar wat je beslist niet hoeft te ervaren. Is er een Heilige Geest? Mijn hoorder, u durft die vraag niet te stellen, tenzij u bereid bent ook aan uw eigen bekering te twijfelen. Want tenzij iemand uit de Geest geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien. Als de Heilige Geest dus niet in u woont en u niet door Zijn wonderlijke werkingen een nieuw schepsel heeft gemaakt, dan bent u nog in een gans bittere gal en in de banden van de ongerechtigheid.
Alleen de ware christen weet wat het is om de Geest te ontvangen, maar er zijn maar weinig christenen die weten wat het is om met Hem vervuld te zijn, tot de rand toe met Hem vervuld. Er zijn tijden dat de prediker dit gekend heeft. Dan hoefde hij zich niet af te vragen wat hij moest zeggen of in welke woorden hij zijn gedachten moest kleden, want de gedachten werden geboren als het ware al gekleed en gewapend. Ze kwamen niet uit hem voort, maar door hem heen, van de Heilige Geest. Er zijn tijden dat de ziel vol rust is, want de duif is er; vol hartstocht, want het vuur is er; vol leven, want de wind is er; vol groei, want de dauw is er; vol van goddelijk priesterschap en de kracht om te zegenen, want de olie is er. En er zijn tijden dat de ziel vol kennis is, want het licht is er; gezuiverd en gereinigd, omdat de fontein van levend water van binnen stroomt.
Het is waar, er zijn tijden dat iemand moet klagen dat hij geen van deze tekenen kan ontdekken. Maar o, er zijn blijde en hoge dagen waarop Gods gezalfde dienaren zich door de geheimzinnige wind omhoog gedragen voelen in verheven gedachten. Dan zijn ze geen zwakke mensen meer, maar mensen die geïnspireerd worden om harde harten te breken, gemoederen te beroeren, doden levend te maken, blinde ogen te openen en de armen het Evangelie te verkondigen, en dat alles door de kracht uit de hoogte. U die het verheven gevoel gekend hebt om met de Geest vervuld te zijn, kunt lezen hoe Ezechiël bij een haarlok tussen aarde en hemel werd opgeheven. Maar u weet dat vervuld worden met de Geest een nog groter wonder is. Want dat heft een mens op boven de zorgen van de wereld, stelt hem in staat God in het gebed vast te grijpen, baadt hem in de vreugde van de hemel en zendt hem dan met een stralend gezicht terug om zijn medemensen tot zegen te zijn. Het vlees beeft in het stof, omdat de grote Geest onze geest te hulp is gekomen en het vlees alle heerschappij moet verliezen, maar onze geest verheugt zich met grote vreugde.
Let op het verschil tussen Petrus met de Geest en Petrus zonder de Geest! Daar staat hij te vloeken en te zweren als een zeeman. Hij heeft Christus nooit gekend, zegt hij. Daar zinkt hij weg in de zee. Hij gelooft niet dat hij over het water kan lopen, en hij roept: “Heere, behoud mij!” Petrus, de grootspreker, de onbezonnen man, en toch de lafaard! Kijk nu eens naar hem: de Geest van God is over hem gekomen. Wat is Petrus anders! Onbevreesd voor alle spot en hoon die het ruwe volk hem naar het hoofd zou kunnen slingeren, staat hij op om te preken.
Waar haalt deze man zijn welsprekendheid vandaan? Hij spreekt met kracht, en niet als de Schriftgeleerden. Zie, het volk wordt onder zijn woorden bewogen zoals het groene koren door de wind wordt bewogen, of zoals de golven van de zee door de storm worden voortgezweept. En als hij klaar is met preken, gaat hij op naar de tempel en beveelt een kreupele man te springen, en het wonder geschiedt! Hij wordt voor de oversten gebracht en het wordt hem bevolen te zwijgen, en hij antwoordt als een held: “Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God.” Petrus reist door alle landen en predikt het Woord in elke taal. En ten slotte strekt hij die eens een lafaard was, blijmoedig zijn oude armen uit om aan een kruis genageld te worden, maar met het hoofd naar beneden, alsof hij voelde dat hij het niet waard was te sterven zoals zijn Meester. Hij sterft aan het hout en verheerlijkt Christus in zijn dood!
Hier valt niets te vergelijken. Het is een volstrekt contrast tussen de ongeestelijke Petrus en Petrus vol van de Heilige Geest. Geen man of vrouw onder u weet wat hij zou kunnen zijn als hij met de Geest vervuld werd.
Wat is die ruwe Luther? Hij lijkt alleen geschikt om slachter van ossen te zijn of houthakker van eiken in het bos. Maar vervul Luther met de Heilige Geest, en wat is hij dan? Hij grijpt de stier van Rome bij de horens, verslaat de wilde dieren van de dwaling in de grote arena van het Evangelie, en is meer dan overwinnaar door de kracht die in hem woont! Neem Johannes Calvijn. Van nature was hij geschikt om een sluwe advocaat te zijn, die spitsvondige punten uitpluist en uiteenrafelt, die dit en dat precedent beoordeelt en zijn tijd verdoet met onbelangrijke haarkloverijen. Maar vervul hem met de Heilige Geest, en Johannes Calvijn wordt de machtige meester van de goddelijke genade, de weerspiegeling van de wijsheid van alle voorbije eeuwen, en een groot licht dat een stralende glans zal blijven verspreiden tot het duizendjarig rijk aanbreekt! De opperste, de vorst en koning van alle niet-geïnspireerde leraars, de machtige ziener van Genève, vervuld met de Geest van God, is niet langer zomaar Johannes Calvijn, maar een door God gezonden engel van de gemeenten!
Wie weet wat die jongeman daar zal worden? Ik weet dat hij vandaag is zoals andere mensen, maar vervul hem met de Geest, laat de Geest hem beginnen te drijven in het leger van Dan, en wee de Filistijnen! Wie weet wat die jonge vrouw zal worden? Zij zit nu misschien stil met Debora onder de eik, maar de dag kan komen dat zij Barak opwekt en hem een lied in de mond legt: “Maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam.” Laten we slechts met de Geest vervuld worden, en we weten niet wat we kunnen zijn. Dan zullen we “lachen om het onmogelijke en zeggen: Het zal geschieden.” We zullen ondernemen waarvan we nooit eerder droomden, en volbrengen wat we altijd ver buiten ons bereik achtten.
IV. Ons laatste punt is: HET RESULTAAT VAN DIT ALLES. Welnu, u zult het een heel alledaagse zaak vinden. Wat verwacht u, na al die geweldige, gedreven wind, dat vuur enzovoort? Koningen die in het stof beven, of die in hun wagens komen rijden om de apostelen hulde te brengen? Zal de wind koningshuizen omverblazen, zal het vuur rijken verteren? Niets van dat alles, broeders en zusters! Niets van dat alles! Het Koninkrijk van God is geestelijk en niet vleselijk. Het resultaat bestaat uit drie zaken: een preek, een aantal zoekenden en een grote doopdienst! Dat is alles! Ja, maar al is het alles, het is het heerlijkste wat er in de hele wereld is. Want in het oordeel van de engelen en van hen die God wijs heeft gemaakt tot zaligheid, zijn dit drie zeer kostbare zaken. Er was een preek. De Geest van God werd gegeven om Petrus te helpen een preek te houden. U slaat met belangstelling het hoofdstuk op om te weten wat voor preek een man zou houden die tot de rand vervuld was met de Heilige Geest. U verwacht natuurlijk dat hij welsprekender is dan Robert Hall of Chalmers, en zeker geleerder dan de puriteinen.
En wat de illustraties betreft, natuurlijk zult u de hoogste vluchten van dichterlijk genie te horen krijgen. U mag nu verwachten dat alle redevoeringen van Cicero en Demosthenes volledig in de schaduw worden gesteld. Nu krijgen we iets heerlijks! Niets daarvan! Niets daarvan! Nooit was er een alledaagser preek dan die van Petrus. En laat mij u zeggen dat het een van de gezegende uitwerkingen van de Heilige Geest is dat predikers eenvoudig gaan preken. U wilt niet dat de Heilige Geest hen hoog te paard laat zitten en hen op de vleugels van de uitgespreide adelaar naar de sterren laat stijgen. Wat nodig is, is dat zij laag bij de grond blijven en plechtige onderwerpen op een begrijpelijke manier behandelen.
Wat was het onderwerp van deze preek? Was het zo intellectueel dat niemand het kon begrijpen, of zo verheven dat slechts weinigen het konden bevatten? Nee, Petrus staat gewoon op en zegt ongeveer dit: “Jezus Christus van Nazareth heeft onder u geleefd. Hij was de Messias die van oudsher beloofd was. U hebt Hem gekruisigd, maar in Zijn Naam is er zaligheid, en wie van u zich bekeert en zich laat dopen, zal barmhartigheid vinden.” Dat is alles. Ik weet zeker dat de heer Charles Simeon deze preek in zijn “Skeleton Sermons” niet als voorbeeld zou hebben opgenomen. En ik denk niet dat er één docent aan een opleiding in leven is die ooit tegen zijn studenten zou zeggen: “Als u wilt preken, preek dan zoals Petrus.”
Ik ontdek er immers geen ten eerste, ten tweede, ten derde of ten vierde in, waaraan sommigen van ons zich verplicht voelen te binden. Het is in feite een alledaags spreken over verheven zaken, verheven zaken die in deze tijd voor dwaasheid en een ergernis worden gehouden.
Welnu dan, moge de Geest van God worden uitgestort om onze predikers te leren eenvoudig te preken, en om onze jonge mannen over Jezus Christus te laten spreken, want dat is volstrekt noodzakelijk. Wanneer de Geest van God uit een gemeente weggaat, is dat een mooie zaak voor de welsprekendheid, want dan wordt die veel ijveriger beoefend. Wanneer de Geest van God weg is, worden alle predikers buitengewoon geleerd, want omdat ze de Geest niet hebben, moeten ze de leegte opvullen die Zijn afwezigheid heeft achtergelaten. En dan is de ouderwetse Bijbel niet helemaal goed genoeg meer. Ze moeten hem wat opknappen en verbeteren. De oude leerstukken die hun grootmoeders bij het haardvuur verblijdden, zijn hun te muf; ze moeten een verbeterde en nieuwe theologie hebben. En jonge heren tonen tegenwoordig hun diepe geleerdheid door alles te ontkennen wat de stut en pilaar van onze hoop is, en ze laten een of ander nieuw dwaallicht opgaan waar ze hun mensen naar laten staren.
Ach, welnu, wij hebben de Geest van God nodig om dat allemaal weg te vagen. O, dat mijn lieve zuster die de vrouwenklas leidt, en allen die in de zondagsschool werken, geholpen mogen worden om eenvoudig met u over Christus te spreken. Wanneer de Geest van God over u komt als vuur en als een geweldige, gedreven wind, dan zal dat niet zijn om u tot doctoren in de godgeleerdheid, geleerden en grote redenaars te maken. Het zal alleen hiertoe zijn: om u Christus te laten prediken, en Hem eenvoudiger te prediken dan u ooit eerder deed.
Het volgende resultaat was dat het volk verslagen werd in het hart en begon te roepen: “Wat zullen wij doen, mannen broeders?” Wat een ongeregeld gedrag tijdens een preek! Koster! Zet die man de kerk uit! We kunnen niet toestaan dat mensen hier gaan roepen: “Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” Gezegende wanorde, gezegende wanorde, die de Geest van God geeft! Dit zal het resultaat zijn van alle preken waarin de tegenwoordigheid van God is. Mensen zullen voelen dat ze iets hebben gehoord wat tot in hun binnenste is doorgedrongen, dat ze een wond hebben opgelopen die ze op geen enkele manier kunnen genezen. En op de volgende bijeenkomst voor zoekenden zullen er velen zijn die vragen: “Hoe kan ik vrede vinden? Hoe kan ik vergeving van mijn zonden krijgen?”
Wat volgt er dan? Wel, waar de Geest van God is, daar zal geloof zijn, en daar zal ook een uiterlijke belijdenis daarvan in de doop zijn. “Wel, wel,” zegt iemand, “ik had niet gedacht dat we al die geweldige, gedreven wind en die tongen van vuur te zien zouden krijgen alleen om een paar alledaagse preken, bekeringen en dopen te krijgen.” Maar ik zeg u nogmaals: het zijn juist de bekeringen en de dopen die de gewelven van de hemel doen weerklinken. Ik geloof niet dat er in de hemel één extra toon klonk op de dag dat de prinses van Wales door Londen reed. Wij gingen allemaal kijken en stonden te bewonderen, maar ik geloof niet dat er één engel ooit één oog heeft geopend om ernaar te kijken. Hij zag daar niets wat hem trof.
Maar overal waar gekreun, gesnik en gezucht is naar de Heiland, een verlangen naar verzoening, en bovenal waar een vernieuwd hart zich openlijk aan Jezus toewijdt, waar een ziel zegt: “Ik wil met mijn Meester begraven worden. Ik wil Zijn gebod gehoorzamen en ondanks alle tegenstand met Hem afdalen in het watergraf. Ik wil gerekend worden onder de bespotte mannen en vrouwen die erkennen dat ze dood zijn voor de wereld en alleen leven voor Christus”, daar, zeg ik, in zo’n geval verheugen de engelen zich, en daarvoor hebben wij de Geest van God nodig. Ik ben klaar wanneer ik deze gedachte heb uitgezaaid. Zie, beste vrienden, zie het volstrekte belang van bekering, van geloof en van de doop. Ik bid u: als de Geest van God helemaal uit de hemel komt om dit te bewerken, wees dan niet tevreden voordat u het ontvangt.
Zie vervolgens het belang van de prediking, want de Geest van God daalt alleen neer om de prediker te helpen. En zie dan ten slotte het allesoverheersende belang van de Heilige Geest. Zonder Hem kunnen we niet prediken, en kunnen we niet zo horen dat we geloven en zalig worden. Mag ik u vragen om, terwijl u heengaat, de Heere te smeken met ons te zijn naar Zijn eigen belofte: “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?”
Preek nr. 511 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 24 mei 1863, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 9. Oorspronkelijke titel: “Pentecost”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
