Strijd van binnen
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 9 oktober 1864 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren. Hooglied 6:13
Dit vers is niet gericht tot de Kerk in een toestand van twijfel, ook niet terwijl ze haar afwezige Heere zoekt. Het ziet op haar in haar allerbeste staat: wanneer ze pas de omgang met haar goddelijke Bruidegom heeft genoten en haar ziel daardoor is als de wagens van Ammi-Nadib. Lees het verband maar en u zult zien dat gelovigen die zich in de Heere verblijden, deze tekst als de hunne mogen beschouwen. Let op de naam waarmee de bruid wordt aangesproken: het is een huwelijksnaam. Ze is met Salomo ondertrouwd, ze heeft zijn naam aangenomen en is Solyma geworden, want zo kan het woord dat met Sulammith is vertaald het best worden weergegeven. Deze naam past bij zielen die met Christus verenigd zijn, die Christus Zich heeft ondertrouwd in gerechtigheid en die in gemeenschap met hun Heere leven.
U die in de Heere Jezus blijft, bent door een geheimzinnige band één gemaakt met Christus. En Hij heeft u Zijn eigen naam geschonken: Hij is Salomo en u bent Solyma. Er staat een opmerkelijke uitdrukking in het boek Jeremia: “En deze is, die haar roepen zal: De HEERE, onze GERECHTIGHEID.” Men zou denken dat zo’n titel aan niemand anders kon worden gegeven. Maar de vereniging tussen Christus en Zijn volk is zo innig dat de Heilige Geest die verheven naam, “De HEERE, onze GERECHTIGHEID”, werkelijk overdraagt op Zijn Israël, Zijn geliefde.
De naam Solyma betekent ook zowel volmaaktheid als vrede. Er is volmaaktheid in ieder kind van God, maar niet in het vlees. We zijn volmaakt in Christus Jezus! We zijn volkomen in Hem: zonder vlek, omdat we gewassen zijn in Zijn bloed, en heerlijk, omdat we bekleed zijn met Zijn gerechtigheid. Ieder kind van God is kostelijk gekleed in het bruiloftskleed van de gerechtigheid van de Heiland. Naar waarheid mogen we zeggen: “Dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.” Iedere gelovige staat in Christus volkomen aangenomen!
De liefelijke naam Solyma betekent ook vrede: “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.” De ware erfgenaam van de hemel leeft niet in vijandschap met God en ook niet in oorlog met zijn eigen geweten. De zilveren trompet heeft een eeuwige vrede uitgeroepen. Gods zwaard is in het hart van de Heiland gestoken en de goddelijke gerechtigheid staat aan de kant van het uitverkoren volk. Vervolgens vraagt het verzoek in de tekst even onze aandacht. Het wordt viermaal herhaald: “Keer weder, keer weder, o Solyma! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien.” Gaat dit verzoek niet uit van de dochters van Jeruzalem, die haar schoonheid willen zien?
Zielen die bezorgd zijn over hun eigen staat, verlangen er terecht naar de ervaring van het ware kind van God te leren kennen. U wilt weten of u ook een christen bent. Daarom wilt u weten wat christenen voelen, hoe ze over Christus denken, hoe ze door Zijn Geest worden bewogen en hoe ze eruitzien wanneer Zijn liefde in hun hart is uitgestort. U verlangt er vurig naar de ware christen te zien, zodat u uzelf kunt toetsen en kunt nagaan of het leven van God in u is. Deze dochters van Jeruzalem willen haar ook aanzien om er zelf vreugde in te vinden. Want zoals het aanschouwen van schoonheid buitengewoon aangenaam is, zo is het voor de reinen van hart een bijzondere vreugde om gemeenschap te hebben met wie ook rein van hart zijn. Dan zien ze de vruchten die de Geest heeft voortgebracht, aanschouwen ze de reinheid van de wandel van de gelovige en proeven ze de geur van zijn omgang.
Geen schoonheid evenaart de schoonheid van de heiligheid! Niets is zo liefelijk als oprechtheid. Daarom verwondert het ons niet dat het verzoek viermaal wordt gedaan. Misschien wilden deze dochters haar ook aanzien als een voorbeeld voor zichzelf. Heiligen kijken naar de schoonheid van anderen om hun deugden te kunnen navolgen. Laten we de levensbeschrijvingen van heilige mannen met liefdevolle aandacht lezen. Dan kunnen ze ons aansporen om ons in te spannen voor de zaak van de Verlosser, en kunnen ze ons enige hoop geven dat het hoogste wat een christen kan bereiken, niet helemaal buiten ons bereik ligt. Ik denk dat dit de reden is waarom de dochters van Jeruzalem riepen: “Keer weder, keer weder, o Solyma!” Ze wilden zich troosten door te zien of ze op haar leken.
Ze wilden zich verheugen in het aanschouwen van haar volmaaktheden. Ook wilden ze hun eigen ziel opwekken door haar voorbeeld. Het vervolg van de tekst kunt u, zoals u zult opmerken, op twee manieren opvatten. Ofwel de bruid stelt de vraag, wat het waarschijnlijkst is. Zij zegt: “Wat ziet gijlieden de Sulammith aan?” Ze meent dat er geen schoonheid in haar is, niets waarin iemand behagen kan scheppen, niets om het oog op te vestigen of voordeel uit te halen. “Wel,” zegt ze, “al wat U in mij zult zien, is een rei van twee heiren, een strijd tussen goed en kwaad. Als U naar mij kijkt, ziet U niets dan goed en kwaad die met elkaar vechten, duisternis en licht die met elkaar worstelen. Ik ben het niet waard dat U naar mij kijkt.”
Zo zou ze graag haar gezicht bedekken en weggaan, als het dringende verzoek haar niet leek vast te houden. Of, zoals sommigen menen, de vraag wordt gesteld door omstanders en beantwoord door de dochters van Jeruzalem. “Wat ziet gijlieden de Sulammith aan?” vraagt de lichtzinnige menigte. En onderwezen gelovigen roepen: “We zien in haar het samengaan van twee zegevierende legers, die als zangers met muziek en reien terugkeren van het slagveld! We zien in haar de onsterfelijke, onzienlijke Koning met al Zijn heirscharen van genade! We zien in haar de gereinigde ziel, die samenwerkt met de heerlijke Heiland! We zien in de christelijke Kerk de werkzaamheid van de geheiligde mens, verenigd met de majesteitelijke kracht van de Godheid, Die in haar woont.”
Dat zou ze van zichzelf niet zeggen, maar dat zouden zij in haar zien. Let dus op de twee betekenissen; de tweede laten we rusten tot een andere gelegenheid. In iedere christen is een liefelijke samenvoeging van de kracht van Christus en de werkzaamheid van zijn eigen ziel. Daar is de kracht van God, en daar is het schepsel zelf, dat gewillig is gemaakt op de dag van Gods heirkracht. In de christen is God, Die in hem werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen, en is de mens zelf, die zijn eigen zaligheid werkt met vreze en beven. In de christelijke Kerk werkt de mens voor God en werkt God in de mens. En dat alles gebeurt zo vreugdevol dat het eerder lijkt op de triomf van terugkerende overwinnaars dan op het uittrekken van een leger dat ten strijde gaat. Wat zullen we zien in Solyma? We zullen het gezegende samenvloeien zien van de twee grote legers: de geheiligde mensheid en God, geopenbaard in het vlees!
Maar nu willen we de tekst in de eerste betekenis opvatten. De Kerk verklaart blozend dat er in haar niets te zien is dan strijd en onrust: het worstelen van twee grote machten, twee machtige legers die om de heerschappij strijden. Moge God ons hierover licht geven, tot troost van velen die door deze fase van de christelijke ervaring gaan.
Om te beginnen vraag ik u die de Heere kent, deze morgen allereerst: LET OP HET FEIT DAT ER IN IEDERE CHRISTEN TWEE LEGERS ZIJN. Dat is heel duidelijk, maar om u bij uw overdenking te helpen, wil ik u eraan herinneren dat u er in dit boek zelf overal sporen van ziet. Het Hooglied is een bruiloftslied en spreekt daarom minder van het slagveld dan sommige andere delen van de Schrift, want op een bruiloftsmaal horen toespelingen op beproeving en strijd schaars te zijn.
Toch is het duidelijk dat de Kerk niet volkomen geheiligd is, als u let op een plaats als het vijfde vers van het eerste hoofdstuk: “Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.” Ze is zwart: dat is haar natuurlijke staat, daarin zien we haar blijvende verdorvenheid van hart. “Ik ben zwart, doch liefelijk”: dat is haar geestelijke staat. De Geest van God heeft haar bekleed met schone genadegaven; Christus heeft haar gewassen en haar schoon gemaakt in Zijn ogen. “Ik ben gelijk de tenten van Kedar,” zegt ze. “De door rook zwartgeblakerde tentkleden van de Arabische zwervers die in dit land woonden, beelden mijn zondigheid uit.”
En toch vergelijkt ze zich in Christus met die geborduurde gordijnen, zwaar van gouden en zilveren draden, die rond de troon van Salomo hangen. In het derde hoofdstuk toont ze duidelijk aan dat ze niet altijd de gemeenschap geniet, maar in een gemengde toestand verkeert. “Ik zocht des nachts op mijn leger”: dat is haar traagheid. “Hem, Dien mijn ziel liefheeft”: dat is haar werkzaamheid. “Ik zocht Hem”: dat is haar verlangen. “Maar ik vond Hem niet”: dat is haar droeve ervaring van Zijn afwezigheid. Dan is er in het tweede vers van het vijfde hoofdstuk een merkwaardige vermenging. “Ik sliep”: ik ben traag, koud, dood, loom. “Maar mijn hart waakte”: het innerlijke beginsel leeft nog en hijgt nog naar iets beters.
In het derde vers vinden we haar terwijl ze ijdele uitvluchten zoekt om haar Heere niet open te doen. Maar spoedig komt u bij het vijfde vers en daar ziet u haar voor haar Liefste opendoen, al was haar Liefste geweken. Eerst weigert ze, maar al snel geeft ze toe. Daar strijden de twee naturen. De ene sluit de deur stevig en de andere doet haar open en zoekt de Liefste met een klacht vol tranen. Door heel het Hooglied heen vindt u deze vermenging. Maar, zoals ik al zei, in een bruiloftslied kunnen we hier niet veel van verwachten.
Sla daarom het grote boek van de strijdliederen op, het boek van de Psalmen. Hier vindt u in bijna elke psalm aanwijzingen dat het karakter van de christen samengesteld is. Sommige psalmen zijn zo vreemd dat terecht is gezegd dat ze eerder door twee personen dan door één geschreven zouden kunnen zijn. David begint uit de diepste diepten tot God te roepen en eindigt met alle juichtonen van een overwinnaar, die de gevangenis gevankelijk voert. Ik heb geen tijd om naar veel plaatsen te verwijzen, maar de tweeënveertigste psalm zal u opvallen. Daar lijkt de ene David met een andere David te redeneren.
“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.” De volgende psalm zegt ongeveer hetzelfde. Maar misschien is de meest uitgesproken en treffende paradox van allemaal te vinden in het tweeëntwintigste vers van de drieënzeventigste psalm. Daar zegt hij van zichzelf: “Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.” Verder kon hij zeker niet gaan in de beschrijving van zichzelf. “Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!”
Zwaar als een steen ligt hij in het slijk gezonken, en toch neemt hij plotseling vleugels en overtreft hij de vlucht van de arend. Hij verliest zichzelf in de glans van de Zon der Gerechtigheid en stijgt zo hoog dat hij voor alles behalve God volkomen verloren is! Davids ervaring, zoals die ons in de Psalmen wordt geschilderd, is niets anders dan onze eigen ervaring, uitgeschreven in grote hoofdletters! En hier zien we welke vreemde tegenstrijdigheden en wonderlijke paradoxen er in mensen worden gevonden. Hebben we over deze zaak nog meer onderwijs nodig, dan verwijs ik u naar de brieven van onze apostel Paulus.
Zojuist heb ik u die buitengewone passage uit Romeinen 7 voorgelezen. Hoe zou de oorlog en de strijd die altijd gaande is tussen de oude natuur en het goddelijke leven dat God in ons heeft geplant, levendiger kunnen worden beschreven dan daar? In dezelfde geest spreekt het zeventiende vers van het vijfde hoofdstuk van de brief aan de Galaten, waar hij zegt: “Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.”
We zijn vleselijk en toch geestelijk, verloren in onszelf en toch behouden in Christus. We zijn één en al onvolmaaktheid en toch volmaakt, onvolkomen in alles en toch volkomen in alles! Het zijn vreemde tegenstrijdigheden, maar ze zijn toch op wonderlijke wijze waar! Een ander bewijs hiervan is de overeenstemmende ervaring van behouden zielen. Ik dacht erover om zomaar wat levensbeschrijvingen van de planken van mijn bibliotheek te nemen en er passages uit over te schrijven, maar daar had ik nauwelijks tijd voor. Eigenlijk hoeft u maar de waarheidsgetrouwe levensbeschrijving van een christen te lezen, en u merkt al snel dat hij niet alleen geest is, maar ook vlees; niet alleen vernieuwde natuur, maar nog altijd met zwakheid omringd.
Over dit onderwerp zijn hele boeken geschreven. Daar is “De heilige oorlog” van Bunyan, dat beschrijft hoe God de stad Mensziel verovert en hoe die stad daarna wordt aangevallen door zonden die binnen op de loer liggen en door vijanden die van buiten stormlopen. Het boek van Sibbes, “Het conflict van de ziel”, bevat een schat aan bevindelijke kennis. Maar misschien vindt u het prettiger als ik u in plaats van gewoon proza een paar uitdrukkingen in dichtvorm geef. Die laten u zien dat ook onze liederendichters, die toch tot de blijmoedigsten in de christelijke Kerk zouden moeten behoren, soms gedwongen waren paradoxen over zichzelf te zingen.
Ralph Erskine heeft ons dat vreemde werk nagelaten, “Het raadsel van de gelovige”, het grootste raadsel dat ooit is geschreven, een volslagen doolhof voor allen behalve voor hen die de sleutel in zich dragen. Hij zegt:
Mijn hart is een spiegel, dof en helder,
een vreemd mengsel van dag en nacht,
van mest en diamanten, van slakken en goud,
van zomerhitte en winterkou.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Hart, wiens liederen werkelijk uit het hart komen (hij droeg zijn naam terecht), zegt in zijn lied “De paradox”:
Hoe vreemd is de koers die een christen moet varen,
hoe verwarrend het pad dat hij moet gaan.
De hoop op zijn geluk komt op uit de vrees,
en zijn leven ontvangt hij uit de doden.
Zijn schoonste aanspraken moet hij geheel laten varen,
en zijn beste voornemens worden doorkruist.
Ook mag hij niet verwachten volkomen behouden te zijn,
voordat hij zichzelf volslagen verloren weet.
Wanneer dit alles is gebeurd en zijn hart verzekerd is
van de volkomen vergeving van zijn zonden,
wanneer zijn vrijspraak getekend is en zijn vrede verworven,
van dat ogenblik af begint zijn strijd.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Dan hebben we dat lied van Newton, dat u in uw bundel van Rippon kunt vinden: “Ik wil wel zingen, maar ik kan het niet; ik wil wel bidden, maar ik kan het niet”, enzovoort. Nog opmerkelijker is het lied: “Ik vroeg de Heere of ik mocht groeien in geloof en liefde en in alle genade, meer van Zijn heil mocht kennen en Zijn aangezicht ernstiger mocht zoeken.” Maar ik hoef het niet te herhalen, want u hebt het in uw bundels. Daar zult u lezen dat God niet werkte op de manier die de dichter verwachtte, maar dat hij de verborgen kwaden van zijn hart moest leren voelen. Zo werd hij vernederd en in waar berouw dichter bij God gebracht. Cowper zingt zo van zichzelf in een lied dat ook in uw bundel staat:
De Heere schenkt goddelijk geluk
aan verbroken harten.
Zeg mij dan, genadige God:
is mijn hart verbroken of niet?
Soms denk ik dat ik geneigd ben
U lief te hebben, als ik maar kon.
Maar vaak voel ik een andere gezindheid,
afkerig van al wat goed is.
Mijn beste verlangens zijn zwak en weinig,
graag zou ik naar meer streven!
Maar als ik roep: “Vernieuw mijn kracht,”
lijk ik zwakker dan tevoren.
O, laat dit hart zich verheugen of pijn lijden!
Beslis deze twijfel voor mij.
En is het niet gebroken, breek het dan,
en genees het, als het gebroken is.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Zo zouden we, als de tijd ons niet ontbrak, al die mannen kunnen nagaan die ooit de Kerk van God hebben gediend. Van hen allen zouden we kunnen zeggen dat ze een worsteling en een strijd hebben ervaren, gevoeld en beleden tussen wat God in hen had geplant en wat de natuur in hen had achtergelaten. Ik denk ook niet, geliefde vrienden, dat we ons hierover moeten verwonderen. Voor het vleselijke oor klinkt het vreemd, maar we behoeven ons er niet over te verbazen, want het is slechts in overeenstemming met wat we in de natuur zien. Als u om u heen kijkt, ziet u overal krachten die tegen elkaar ingaan, en uit die tegenstrijdige krachten komt de orde van de natuur voort.
Zie die hemellichamen daarginds. Door een geheimzinnige drang bewogen willen ze de ruimte in vliegen, maar de zon houdt ze vast met onzichtbare banden. De aantrekkingskracht van de zon zou ze meteen in haar gloed trekken, maar aan de andere kant zou de middelpuntvliedende kracht ze ver weg de ruimte in drijven! Tussen die twee in houden ze de cirkelvormige baan die God hun voor nu heeft gegeven. Zo hebben wij in ons een verdorven natuur die ons tot zonde zou drijven. Aan de andere kant is er de goddelijke kracht in ons, die ons tot volkomen gelijkvormigheid aan en vereniging met Christus wil trekken! Tussen die twee krachten wordt het christelijke leven grotendeels wat het is.
Zie hoe in deze wereld dood en leven met elkaar strijden. De dood vult zijn graven, maar het leven behaalt de overwinning. De dood mag de doodsklok luiden, en dat is zijn triomflied. Maar iedere kreet van ieder pasgeboren kind is een nieuwe strijdkreet in de slag om het leven, waarin het leven nog altijd de overwinning opeist! Kijk naar uzelf, en in uw eigen lichaam ziet u deze tweevoudige werking. U ademt, maar dezelfde longen die de frisse, zuivere lucht opnemen, geven de schadelijke damp weer af. Er is nauwelijks een orgaan in het lichaam dat geen middel heeft om een schadelijke stof af te scheiden en uit te drijven.
Het helderste oog dat ooit in het licht straalde, scheidt enige onreinheid af. De huid heeft, als ze gezond is, mede tot taak af te voeren wat anders zeker ziekte zou veroorzaken. In ieder menselijk lichaam is een vreemde strijd gaande tussen leven en dood. Ieder ogenblik staat ons leven als het ware midden tussen twee grote legers, die erom strijden of we een prooi van de worm zullen worden of nog zullen blijven ademen! Verwondert het u dan dat de mens, de kleine wereld, in dezelfde toestand verkeert, als de hele natuur zich zo gedraagt of daarin vervallen is? Of u zich nu verwondert of niet, zeker is dat het zo is. Laten zij die van hun stuk zijn gebracht omdat ze een strijd in zich voelden, zich voortaan liever verheugen, omdat dit het pad is dat al Gods volk vóór hen heeft betreden!
Nu iets over DE OORSPRONG VAN DEZE STRIJD. In een onwedergeboren mens is er slechts een lichte strijd. Er is een soort strijd van mindere orde tussen het geweten en zijn grovere hartstochten. Zelfs Ovidius kon daarvan spreken, en verscheidene heidense schrijvers belijden een oorlog in hun binnenste. Maar in de goddeloze is er geen strijd van betekenis, want wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, is al wat hij heeft in vrede.
Zolang er één meester is, kan een mens hem van harte dienen. Maar op het ogenblik van de wedergeboorte komt er een nieuwe Meester in het huis. Er is een Sterkere gekomen, en Hij zal de sterke binden! Na veel strijd zal Hij hem voor altijd uitwerpen en dat huis in Zijn eigen bezit nemen. De nieuwe natuur die God in Zijn volk plant, is lijnrecht het tegendeel van de oude. Zoals de oude natuur uit de satan is, besmet en verdorven door de zondeval, zo komt de nieuwe natuur rechtstreeks uit de hemel, rein en zonder vlek.
Zoals de oude natuur zonde is, in wezen zonde, zo is de nieuwe natuur in wezen goddelijke genade. Ze is een levend en onvergankelijk zaad, dat leeft en eeuwig blijft, een zaad dat niet kan zondigen, want het is uit God geboren. Wanneer deze twee met elkaar in botsing komen, is het als wanneer vuur en water elkaar ontmoeten: het een of het ander moet sterven. Er kan geen wapenstilstand zijn en geen onderhandeling. Die twee zijn doodsvijanden. Het leven van de een is de dood van de ander. De kracht van de een is de zwakheid van de ander.
Nu was de oude natuur er al eerder. Ze is als een goed gewortelde boom. Ze staat er al twintig, dertig, veertig, vijftig of zestig jaar, al naar het tijdstip van de bekering, en ze is niet gemakkelijk met wortel en al uit te rukken. Zelfs wanneer de genade in het hart komt en de zonde doet vallen, zoals Dagon viel voor de ark van God, dan geldt van de zonde toch wat ook van Dagon gold: de romp blijft over. En in die oude romp is nog genoeg levenskracht om onbeperkt pijn en verwarring voort te brengen. De heersende macht van de zonde valt dood neer op het ogenblik dat een mens bekeerd wordt, maar de strijdende macht van de zonde sterft pas wanneer de mens sterft.
Bunyan zei dat het ongeloof evenveel levens had als een kat, en de zonde heeft dezelfde taaiheid. Zolang we niet in onze lijkwade zijn gewikkeld, zal die zwarte draad van verdorvenheid nooit uit ons worden getrokken. Hij zal, hij moet er blijven tot God ons heiligt, geest, ziel en lichaam, en ons thuishaalt. Bedenk hoe rein het nieuwe leven is dat God u heeft gegeven! Het is uit God Zelf, een uitvloeisel van Zijn Geest, zo rein als de Godheid! En bedenk aan de andere kant hoe zondig uw verdorven natuur is! Is het mogelijk dat die twee in vrede samenleven? Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
Kunnen deze twee beginselen, die volkomen tegen elkaar ingaan, ooit in vrede samenleven? Dat kan niet! En zelfs als het kon, dan zijn er bondgenoten van buiten die nooit stil zullen zijn! Daar is de satan, die nooit ophoudt onze verdorvenheden aan te wakkeren. En aan de andere kant is daar de Heilige Geest, Die nooit zal ophouden Zijn goddelijke kracht te openbaren totdat al het kwaad met wortel en tak is uitgeworpen. Omdat deze twee moeten strijden, de Geest van God en de geest van het kwaad, moeten ook de twee beginselen in ons, die hun kinderen zijn, tot onze stervensdag met elkaar in strijd blijven.
Hier ligt dan de bron van deze strijd. O, mijn geliefde hoorders, sommigen van u weten hier niets van! Bedenk dat u in een gans bittere gal bent, als u het niet weet. Gaat bij u alles één kant op, dan gaat het allemaal de verkeerde kant op. Is er in u geen strijd, dan komt dat doordat er geen goddelijke kracht in u is om de boze uit te drijven. Hoe meer van deze oorlogen en gevechten u voelt, hoe meer reden u hebt om God te danken en moed te vatten! De strijd is niet uwe, maar Gods. U staat in deze oorlog niet alleen. U zult overwinnen, zoals duizenden vóór u hebben gedaan, door het bloed van het Lam!
Dit brengt ons bij een derde overdenking. Laten we even stilstaan bij DE WERKELIJKHEID VAN DEZE STRIJD. De oorlog in het gemoed van de christen is geen verbeelding; hij is volkomen waar en werkelijk. Wilt u er een bewijs van, dan moet u er zelf doorheen gaan. Bent u ooit in zielsangst op de knieën gevallen, terwijl u weerstand bood aan een felle verzoeking van binnenuit? Sommigen van ons weten wat het is het koude zweet over het voorhoofd te voelen lopen, wanneer we tegen onszelf moeten vechten in vreselijke worstelingen tegen zwarte gedachten van ongeloof.
Misschien heeft het lage hart in ons zelfs aan het bestaan van God getwijfeld en ons durven aanzetten om de Godheid te tarten. Dan hebben we die gedachte verfoeid en zo gehaat dat onze hele geest tot het uiterste gespannen was om de overwinning over onszelf te behalen. Als u enigszins aan sterke gemoedsbewegingen onderhevig bent, moet u wel gevoeld hebben dat deze strijd een verschrikkelijke werkelijkheid was. Voor u kon er geen twijfel over bestaan, want uw hele ziel voelde het. Uw hart was als een akker die door de woede van de strijd was opengereten en met bloed doordrenkt. Er is een vreselijke werkelijkheid in deze strijd, als we bedenken hoe sommige christenen erin ten val komen en de zonde de overhand krijgt.
Bedenk dat de zonde wel een slag kan winnen, maar niet de veldtocht. Wat? Was er geen verdorvenheid in David? Wat denkt u dat hem met Bathseba deed zondigen? Was er geen verdorven hart meer in Noach, toen hij tot zijn schande ontbloot lag? Was er geen verdorvenheid in Lot, toen hij in de spelonk zondigde? Wel, die zwarte daden die het karakter van deze heilige mannen voor alle tijden hebben bevlekt, bewijzen ons hoe vreselijk de macht van de zonde moet zijn, en hoe machtig de kracht die de zonde onderdrukt!
Bedenk hoe groot de vreugde van een christen is wanneer hij voelt dat hij over de zonde heeft gezegevierd. Ach, hier is iets werkelijks! Zoals de vrouwen uit al de steden van Israël David prezen toen hij terugkeerde met het hoofd van Goliath, zo zegenen en loven al onze krachten God wanneer Hij ons de nek van onze geestelijke vijanden geeft. Zoals de zangers van weleer zingen we: “Vertreed, o mijn ziel! de sterken.” Dit zijn geen verzinsels of hersenschimmen van een dichterlijk en koortsig brein. Wie eenmaal de weg naar de hemel is gegaan, weet dat de reiziger vóór alles op zijn hoede moet zijn tegen zichzelf.
In de vierde plaats letten we op DE WISSELINGEN DIE IN DEZE STRIJD PLAATSVINDEN. De strijd in een christen wordt niet altijd met dezelfde hevigheid gevoerd. Er is altijd oorlog, maar niet altijd een veldslag. Het vlees haat de Geest altijd en de Geest is altijd de tegenstander van het vlees. Maar ze vechten niet altijd, en als ze vechten, gebeurt dat niet altijd met dezelfde woede. Vraagt u waarom? Wel, soms is het vlees niet zo machtig als op andere tijden. Er zijn ogenblikken waarop het vlees de zonde niet zou kiezen, al lag die op de weg van de christen.
Ik kan u misschien niet precies zeggen waarom, maar het staat vast dat er tijden zijn waarin de neigingen tot het kwade, hoewel even slecht als altijd, niet zo krachtig zijn als ze waren. Dat komt deels door veranderingen in het lichaam en ook door bepaalde verschijnselen van de geest. Hun kracht is ontzaglijk, maar ze slaapt. De jonge leeuw is altijd een leeuw. Maar zijn klauwen zijn verborgen en hij speelt als een lam. De woeste zee is niet altijd in storm, toch slapen er stormen in haar golven. Misschien is de stilte van onze verdorvenheid meer te vrezen dan haar woeden, want soms is het de verraderlijke kalmte die de christen meer moet vrezen dan de storm.
Verder staat het vast dat het werk van de Geest in ons niet altijd even krachtig is. De Geest van God is altijd in een christen; Hij woont in de gelovige als in een tempel. Dat God Zijn Geest niet van hem zal wegnemen, geldt van iedere heilige. Maar toch weet u dat uw geloof vaak zwak is en dat uw liefde niet altijd is als een vlam van vuur. U kunt niet altijd bidden zoals u zou willen. Ach, broeders, soms kunnen we in de dienst voortsnellen als de wagens van Ammi-Nadib, maar op andere tijden zijn de raderen eraf genomen en slepen we de wagens moeizaam voort, zoals Farao midden in de Rode Zee! Een verandering in het vlees of een verandering in de geest kan dus een verschil geven in de vorm die de strijd op dat moment heeft.
De strijd is er altijd, maar hij is niet altijd gelijk. Ik veronderstel dat de oorzaak van zijn hevigheid, wanneer hij het felst is, gezocht moet worden in de kracht van beide partijen. Ik denk niet dat er veel strijd is wanneer het vlees sterk is en de geest zwak; dan volgt eerder een snelle nederlaag. Maar wanneer de Geest van God heerlijk in onze ziel werkt, wanneer het geloof krachtig is, de hoop helder en de liefde vlammend, en wanneer tegelijkertijd de verdorven machten al hun kracht inzetten, dan is de strijd fel. Sommige christenen komen om twee redenen niet in deze staat van hevige strijd: ze zijn mensen met zwakke hartstochten, en de goddelijke genade staat in hen op een laag peil. Maar wanneer een mens een sterke geestelijke aanleg heeft en de Geest ook krachtig in hem werkt, dan volgt er een strijd die lijkt op het gevecht van twee Simsons, die met elkaar vechten en worstelen om wie de overwinning zal behalen. Ach, broeders, deze dingen kunnen veranderen, zoals ik zei, maar de oorlog is nooit voorbij! Laat niemand van u zeggen: “Ik zal nooit meer verzocht worden.”
Grijze broeders, denk niet dat de oude mens in u dood is! Als belijders in zware zonde vallen en de Kerk te schande maken, zijn het even vaak oude mannen als jonge. Ja, ik denk dat ik mag zeggen dat het vaker ouderen dan jongeren zijn. Het is treurig dat het zo is, maar het is zo. En er is menige belijder die veertig jaar goed heeft gestaan, maar op het laatst zichzelf belachelijk maakt. Hoewel hij in Gods Kerk in ere werd gehouden, laat hij toch een smet op zijn naam achter, en de godvrezenden zeggen fluisterend: “Ongetwijfeld was hij een kind van God, maar het is maar beter dat hij gestorven is, want op zijn oude dag is hij in zonde gevallen.”
Nee, we zullen nooit buiten het schot van de duivel zijn voordat we de rivier van de dood zijn overgestoken. Ons vleselijk gemoed is als een kruitmagazijn: er is alleen een vonk nodig. En ach, wat zou er bij ieder van ons een ontploffing volgen! Moge de Heere de vonken weghouden. Laten we zeer waakzaam en zeer voorzichtig zijn. Achter iedere heg ligt een vijand. Bij iedere stap wacht een tegenstander ons op. En nog voordat de geheiligde uren van deze zondag voorbij zijn, kunnen u en ik zijn uitgegleden en in zonde gevallen, tot onze blijvende schade en belemmering, tenzij de almachtige genade tussenbeide komt.
Nu een paar woorden over DE UITWERKINGEN VAN DEZE STRIJD. Sommigen zullen zeggen: “Maar waarom neemt God de oude natuur niet weg uit de christen?” Sommige onwetende christenen denken zelfs dat de Heere bij de bekering de oude natuur in een nieuwe verandert, wat ver bezijden de waarheid is. De oude natuur blijft in de christen. Ze heeft een slag ontvangen die uiteindelijk haar dood zal zijn, maar ze leeft nog, en de nieuwe natuur in de christen gaat met haar de strijd om de heerschappij aan.
Maar waarom is dat zo? Wel, dat kunnen we u niet zeggen. Zo’n vraag doet ons denken aan wat een neger aan een predikant vroeg: “U zegt dat God almachtig is en dus groter dan de satan?” “Ja.” “Waarom doodt God de duivel dan niet en maakt Hij er niet een einde aan?” We geloven dat God in zedelijk opzicht even almachtig is als in natuurlijk opzicht. En als Hij het wilde, twijfelen we er niet aan dat het kwaad in elke vorm en gedaante uit het heelal zou kunnen verdwijnen. Waarom laat Hij het dan toe? Ach, waarom? Maar daar laten we het bij. Wees verbaasd over het geheimenis als u wilt, maar trek God niet ter verantwoording en werp de schuld van de zonde niet op Zijn heilig karakter.
Zo is het: Hij laat de zonde in het heelal blijven, en na al wat we kunnen zeggen, zien we het feit, maar de reden kunnen we niet zeggen. Toch denk ik dat we in sommige opzichten kunnen zien hoe God de zonde in de christen ten goede doet medewerken. De zonde die in de gelovige overblijft, drijft hem ertoe zijn eigen nietigheid ootmoedig te belijden en sluit alle roem uit zijn mond. Ze dwingt hem op zijn God te vertrouwen en neemt zijn neiging weg om op zichzelf te vertrouwen. Ze leert hem het dierbare bloed dat hem reinigt te waarderen en de Heilige Geest Die hem heiligt hoog te achten. Ze doet hem zich verblijden in de trouw en het geduld en de lankmoedigheid van God, Die hem nog altijd genadig blijft! En o, welke liederen zal de man van God zingen wanneer hij in de hemel komt!
Hoeveel zoeter zal de muziek klinken vanwege de strijd! Hoeveel heerlijker zal de overwinning zijn vanwege de oorlog! Als ik met wortel en tak volkomen van de zonde verlost kon worden, zou ik dat zeker willen. Maar toch ben ik me ervan bewust dat geen christen God in de hemel zo zou verheerlijken als hij nu doet, als er geen zonde was om tegen te strijden. Een schepsel dat niet kon zondigen, zou door zijn heiligheid nauwelijks veel van Gods lof kunnen verkondigen. Maar dat het schepsel kan zondigen, ja, dat er een sterke trek naar de zonde is, en dat de goddelijke genade een mens er toch van terughoudt en hem zelfs tot volmaaktheid heiligt, dat zal het lied doen aanzwellen: “Halleluja! Halleluja! Halleluja!”
Als er geen tegenstanders waren geduld, hadden er geen overwinningen behaald kunnen worden. Als er geen verzoekingen waren om tegen te strijden, dan zou ons geloof geen ruimte hebben gehad en zou er geen gelegenheid zijn geweest om de ontblote arm van God te tonen. Ongetwijfeld is het het best zoals het is. En wanneer het slot van het hoofdstuk komt, zullen we misschien zien dat de zonden die we hebben begaan, middelen zijn geworden om ons te bewaren voor andere zonden, die ons verderf zouden zijn geweest. Veel gelovigen zouden onverdraaglijk hoogmoedig zijn geworden, als niet een of andere zwakheid de pluim van hun helm had gerukt en hen met een gebroken hart voor God had doen treuren.
God kan door Zijn alles besturende genade het goede uit het kwade voortbrengen, terwijl aan de andere kant onze goede werken vaak de grootste vloek zijn geweest die we ooit hebben gehad. Goede werken hebben ons opgeblazen en zo tot hoogmoed geleid, terwijl onze zonden ons wel neerhaalden, maar ons door de almachtige genade ertoe hebben gebracht om voor de eeuwigheid te werken.
Ik vraag uw aandacht voor het laatste punt: HET EINDE VAN DIT ALLES. Zal deze strijd eeuwig voortduren? Zullen we altijd in de weegschaal blijven trillen? Komt er geen dal van de beslissing waar onze ziel tot rust kan komen? Ja, broeders, de strijd zal spoedig voorbij zijn, en de overwinning is gewaarborgd en heerlijk! Ja, zelfs nu al maakt de christen vorderingen.
Ik ben niet gesteld op de uitdrukking “voortgaande heiligmaking”, want ze vindt geen grond in de Schrift. Maar het is zeker dat de christen wel in de genade groeit. En hoewel zijn strijd op de laatste dag van zijn leven even zwaar kan zijn als op het eerste ogenblik van zijn bekering, gaat hij toch vooruit in de genade, en al zijn onvolkomenheden en zijn innerlijke strijd kunnen niet bewijzen dat hij geen vorderingen heeft gemaakt. Laat me u dat laten zien. U weet dat uw kinderen op bepaalde momenten in hun leven door kinderziekten heengaan. Hier is uw baby van een maand oud, en daar is uw kind van drie of vier jaar.
Dit kind van drie of vier jaar lijdt aan een van die kwalen die bij de kinderjaren horen. Het is niet zo gezond als uw kind van een maand. Het is veel zwakker en zijn leven lijkt veel meer in gevaar. Toch zult u niet zeggen dat er geen vooruitgang is, want dit kind van drie jaar is al door drie jaar van moeilijkheden en gevaren heengegaan, die dit kleintje, pas geboren, nog moet doormaken. We weten allemaal dat er een zekere groeipijn is die de jongen voelt wanneer hij de mannelijke leeftijd nadert. Maar die pijnen bewijzen geen gebrek aan kracht, integendeel: de spieren worden gestaald en de pezen versterkt.
Ga eens aan de kust staan wanneer het vloed wordt. Daar rolt een grote golf aan. Merk de plek in het zand maar op. De volgende minuten komt er geen golf zo hoog als die. Ja, er zijn golven die de rest terugzuigen, en u zou zelfs denken dat de zee zich terugtrekt! Is er dan geen vooruitgang? Wel, vriend, als u maar even wacht, zult u het meteen zien! Er komt een andere grote golf aanrollen, die veel verder komt dan de golf die we zojuist opmerkten. En wanneer u over een uur terugkomt en de zee haar volle kracht heeft bereikt, zult u zien dat het terugwijken van één afzonderlijke golf geen teken is van achteruitgang. U moet alleen naar de hele zee kijken en de tijd nemen om haar te bestuderen. Dan ontdekt u dat er vooruitgang is geweest, en dat die vooruitgang tot stand is gekomen door afwisselend voortgaan en terugwijken.
Langs de kust van Essex dringt de zee sterk op het land in. Iedere keer dat we in sommige badplaatsen komen, merken we dat de klif is afgebrokkeld en dat honderden of duizenden tonnen zijn weggespoeld. En toch, als u er bent bij een eb die ver is teruggetrokken, zult u vaak denken: “Wel, het land wint toch zeker op de zee! Zo ver heb ik hier nog nooit gelopen. Deze rotsen heb ik nog nooit droog zien liggen.” Nu, het is een opvallend lage eb. Maar vraag tegelijkertijd eens aan de oude visser, die er zijn hele leven heeft gewoond. Hij zal u vertellen dat zijn moeder is getrouwd in een kerk die stond waar dat schip daar ver op zee drijft, en dat al de grond daartussen is weggespoeld!
Hij weet nog dat deze plek, die nu een voetpad aan de rand van de klif is, een kwart mijl landinwaarts lag. Dan begrijpt u dat het land op een enkel moment misschien schijnbaar heeft gewonnen, maar dat de zee in het geheel toch is opgerukt. Zo is het ook met het geestelijk leven. Er zijn tijden waarin het lijkt alsof de zonde op u heeft gewonnen en u in geestelijke zaken achteruitgaat. Er is reden tot ongerustheid, maar niet tot wanhoop! Er is reden tot waakzaamheid, maar niet tot schrik. Ga naar de Heere en bid Hem een machtiger golf van Zijn onweerstaanbare genade te zenden, opdat uw ziel vervuld wordt tot al de volheid Gods.
De dag is om elf uur vaak somber, maar dat is geen bewijs dat het niet naar de middag gaat. Over de dagen van maart en april giert menige koude wind, kouder dan er met Kerstmis misschien geweest is, maar dat is geen bewijs dat u niet naar de zomer toe gaat. Er kan in mei een nacht met vorst komen, die de bloemen doet bevriezen, maar dat is geen bewijs dat de vorst helemaal terugkomt. Zo kunt u in uzelf dingen voelen die u het hoofd doen buigen in droefheid en u in verdriet tot God doen roepen! Maar zelfs die dingen zullen u alleen maar voortstuwen op uw weg naar de begeerde haven. De strijd zal zeker goed aflopen.
Proef nu al even de heerlijkheid van de overwinning! Eens zult u vrij zijn van de zonde! U zult volmaakt zijn, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is! U zult de palmtak zwaaien, en u zult hem des te blijder zwaaien omdat u moest strijden tegen vlees en bloed en tegen de geestelijke boosheden! U zult instemmen in het eeuwige lied, en het zal des te heerlijker opstijgen naar de troon van God, omdat u, zoals wij nu, zo zwaar hebt moeten worstelen met zonden, twijfels en vrezen.
Kom, proef nu al die triomf en grijp moed! Trek uit, alle dienaren van God, zoals Barak uittrok tegen Sisera, en de dag zal komen dat uw vijanden worden weggevaagd! Die rivier van de dood zal voor uw vijanden doen wat de Kison deed voor Jabin: ze zal hen voor altijd wegvagen. Staande aan de Rode Zee van het verzoenend offer zult u de Heere zingen, want Hij is hogelijk verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de diepte van de zee geworpen.
Ik heb deze morgen vooral gepreekt tot troost van hen die zo geoefend worden en die zeggen: “Als het zo is, waarom ben ik dan zo?” U ziet nu dat u in al deze strijd geen reden tot moedeloosheid hebt, maar alleen een reden om opnieuw tot Christus te komen. Kom opnieuw tot Jezus! Zie nog eens naar Hem op en neem Hem vandaag aan als uw Zaligmaker en uw Alles. Leg uw zaak in Zijn handen! Vertrouw op Hem, en u zult meer dan overwinnaars zijn door Hem, Die u liefgehad heeft. Vertrouw op Hem! Vertrouw nu op Hem, en dan zullen we elkaar ten slotte in de hemel ontmoeten om eeuwig Zijn lof te zingen! Amen.
Preek nr. 593 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 9 oktober 1864, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 10. Oorspronkelijke titel: “Inward Conflicts”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
