Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

De sterke uitgedreven door een sterkere

33 min. lezen

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 5 februari 1865 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede. Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit. Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven anderen geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste. Lukas 11:21-26.

De Heere Jezus staat altijd in rechtstreekse en openlijke vijandschap tegenover satan. De belofte “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad” is volkomen vervuld. Christus heeft nooit een wapenstilstand geduld of met de boze onderhandeld, en Hij zal dat ook nooit doen. Wanneer Christus satan een slag toebrengt, is het een echte slag en geen schijnbeweging. Die slag is bedoeld om te vernietigen, niet om te verbeteren. Hij vraagt nooit satans hulp om satan te onderwerpen en bestrijdt nooit het kwaad met kwaad. Hij gebruikt wapens die niet vleselijk zijn, maar krachtig door God tot nederwerping der sterkten. En Hij gebruikt ze nooit om met satan te sollen, maar altijd om zijn rijk met wortel en tak uit te roeien. “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.”

Er is een dodelijke, onverzoenlijke, oneindige en eeuwige haat tussen Christus en de zonde, waarvan satan de vertegenwoordiger is. Aan een compromis valt nooit te denken, en er wordt nooit genade gegeven. De Heere zal nooit afzien van Zijn voornemen om satan onder Zijn voeten te vermorzelen en hem in de poel van vuur te werpen. Daarom was er geen grovere laster dan de bewering van sommige Farizeeën in Christus’ dagen dat Hij de duivelen uitwierp door Beelzebul, den overste der duivelen! O, laaghartige insinuatie, alsof de Heere der heerlijkheid een verbond had gesloten met die god van de mesthoop, de overste der duivelen! Hij strijdt de strijd van de Heere nooit met de wapens van de duivel! Hij heeft niet de minste verwantschap met het kwaad! Het is onmogelijk dat Hij de vriend en beschermer zou zijn van die geest van onheilige verdraagzaamheid die omwille van de vrede de dwaling zou dulden.

Nee, Christus verbindt Zich nooit met satan om het koninkrijk van God vooruit te helpen. Hij trekt tegen hem op als een sterke gewapende, vastbesloten om te strijden totdat Hij een beslissende overwinning behaalt. Dat zullen we duidelijker zien wanneer we het gedeelte dat voor ons ligt, openleggen.

Onze tekst geeft ons een beeld van de mens in zijn zondige staat. Daarna toont hij ons de mens die zich een tijdlang verbetert, maar uiteindelijk aan de ergste vormen van kwaad wordt onderworpen. En ten slotte schildert hij ons levendig de mens die volkomen overwonnen is door de macht van de grote Verlosser.

1. Eerst ZULLEN WIJ AANDACHTIG KIJKEN NAAR HET PLAATJE VAN DE MENS ZOALS HIJ IS IN ZIJN NATUURLIJKE STAAT. “Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.”

2. Laten wij nu zien DE GEDEELTELIJKE VERBETERING HIER BESCHREVEN: “Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.” Enz.

3. Dan rest mij een aangenamere taak, en dat is DE BESCHRIJVING VAN DE WARE BEKERING DOOR DE ZALIGMAKER. “Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.”

1. Eerst ZULLEN WIJ AANDACHTIG KIJKEN NAAR HET PLAATJE VAN DE MENS ZOALS HIJ IS IN ZIJN NATUURLIJKE STAAT. “Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.”

Merk op dat het hart van de mens bedoeld was als de troon van God, maar dat het nu het paleis van satan is geworden. Adam was de gehoorzame dienaar van de Allerhoogste en zijn lichaam was een tempel voor Gods liefde. Maar nu zijn wij door de zondeval dienstknechten van de zonde geworden, en onze lichamen zijn de werkplaatsen van satan: “den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.”

Deze geest wordt een sterke genoemd, en dat is hij ook. Wie kan tegen hem bestaan? Net als van het monster in het boek Job kunnen we van hem zeggen: “Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?” Simson, de wreker van Israël, versloeg duizend Filistijnen met een grote slag; toch viel deze sterke ten prooi aan de nog sterkere boze. De machtige held die een leeuw kon verscheuren, was niet opgewassen tegen de leeuw uit de afgrond, die hem tot zijn schande en schade overwon. Salomo, de wijste van alle mensen, werd door satan misleid, want de aartsverleider bracht zijn hart op een dwaalweg. Zelfs Adam, de stamvader van de mensen, werd in de vroege dagen van onschuld en geluk door deze gevreesde vijand ten val gebracht. Hij is zo sterk dat hij, als wij ons allemaal tegen hem zouden verenigen, ons zou uitlachen, zoals de leviathan de drilling der lans belacht.

Hij is niet alleen sterk omdat hij kracht bezit, maar ook omdat hij listig is. Hij weet zijn verzoekingen af te stemmen op de zonden die ons het meest aankleven. Hij zoekt geschikte momenten uit om ons aan te vallen. Hij weet dat er een tijd is waarin de koningen uittrekken ten strijde, en hij staat altijd klaar voor het gevecht. Hij is een goede zwaardvechter. Hij kent elke houw, elke afweer, elke stoot en elke pareerslag, en hij weet precies waar onze zwakke plekken en de naden van ons harnas zitten. Christenen die ooit oog in oog met hem hebben gestaan, zullen erkennen dat hij werkelijk sterk is. En ongelovigen die ooit in eigen kracht zijn macht hebben willen weerstaan, hebben al snel gemerkt dat hun kracht volstrekte zwakheid was. Hij is een sterke, en hoe! O christen, wat goed voor u dat er Iemand is Die sterker is dan hij! De macht van satan zou u verpletteren tot uw ondergang, als de almacht van Christus u niet te hulp kwam.

Verder wordt van deze sterke gezegd dat hij gewapend is. Werkelijk, de overste van de macht der lucht is nooit zonder wapens. Zijn voornaamste wapen is de leugen. Het zwaard van Gods Geest is de waarheid, maar het zwaard van de boze geest is de leugen. Door bedrog heeft hij ons geslacht in het begin ten val gebracht en ons van onze volmaaktheid beroofd. En met steeds nieuwe leugens, die hij zelf smeedt en zelf hanteert, gaat hij voort met het verderven van mensenzielen.

Soms vertelt hij de zondaar dat hij nog te jong is om aan de dood en aan de eeuwigheid te denken. Faalt dat wapen, dan verzekert hij hem dat het te laat is, omdat de dag van genade voorbij is:

Hij voedt ons hopen met ijle dromen,
of doodt ons met slaafse vrees,
en houdt ons steeds in uitersten gevangen:
vermetelheid of wanhoop.
Nu eens praat hij ons aan: “Hoe makkelijk is het
de weg naar de hemel te gaan!”
Dan weer blaast hij onze zonden op en roept:
“Die kunnen niet vergeven worden!”
Zo stut hij zijn wrede troon
met onheil en bedrog,
en sleurt hij de kinderen van Adam omlaag
naar de duisternis en de afgrond.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Hij weet het slechtste als het beste voor te stellen. Hij kan bitter voor zoet en zoet voor bitter laten doorgaan, en mensen laten geloven dat het in hun eigen voordeel is om te doen wat hun eeuwige ondergang bewerkt. Hij kan mensen vurige kolen in hun boezem laten dragen en hen laten dromen dat ze zich niet zullen branden. Hij kan hen laten dansen op de rand van de hel alsof ze aan de grens van de hemel stonden. Helaas, dwazen die we zijn, hoe snel winnen zijn leugens het van ons! Daarnaast heeft hij de goed gevederde pijlen van het genot. De sterke is gewapend met de lusten van het vlees. Aan sommigen biedt hij zoete verlokkingen aan, aan anderen bekers die overlopen en het oog doen fonkelen. Glinsterende rijkdom geeft hij aan de hebzuchtigen, en anderen belooft hij de bazuin van de roem en al de rook van de toejuiching.

Wapens?

Ik kan onmogelijk al het oorlogstuig van de overste van de macht der lucht opnoemen. Hij kan vurige pijlen werpen, zo dicht als hagel. Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. Van zijn verheffen schromen de sterken. Bunyans half geïnspireerde verbeelding schilderde hem zo: “Het monster was afschuwelijk om te zien. Hij was gekleed met schubben als een vis (en die zijn zijn trots). Hij had vleugels als een draak, voeten als een beer, uit zijn buik kwamen vuur en rook, en zijn muil was als de muil van een leeuw.” Hij is op elk punt goed gewapend, en hij weet ook zijn slaaf, de zondaar, te bewapenen. Hij bekleedt hem van hoofd tot voet met een maliënkolder en geeft hem wapens in handen waartegen de nietige kracht van evangeliedienaars en van het menselijk geweten nooit iets vermag.

Verder wordt ons verteld dat hij een wapenrusting draagt, want we lezen dat de sterkere strijder “zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde” neemt. Zeker is dat de boze geest goed toegerust is met wat bestand is tegen alle aardse staal. Vooroordeel, onwetendheid en een slechte opvoeding zijn allemaal schakels van de maliënkolder waarmee satan zich omgordt. Een hard hart is het ondoordringbare borstharnas dat deze boze geest draagt, een dichtgeschroeid geweten is voor hem als koperen platen, en het leven in de zonde is zijn ijzeren helm. Wij kennen mensen die jarenlang een boze geest in zich hebben gehuisvest, wiens harnas helemaal geen naden lijkt te hebben. Het is even gemakkelijk bloed uit graniet te halen als het hart van sommige mensen te bereiken.

De demon die hen bezit, is met ons geschut niet te verwonden. “Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.” “Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.”
Wij hebben voor zulke mensen gepreekt en voor hen gebeden. We hebben scherp gesproken en teder gesproken, hen van alle kanten bestookt, hen met goddelijke liefde gelokt en tegen hen gedonderd met de oordelen van God en met de verschrikkingen van Zijn wet. Maar de sterke is zo volledig geharnast dat we tot nu toe nog geen enkele indruk op hem hebben gemaakt. Wanneer we hem een slag toebrachten waardoor hij leek te wankelen, was zijn harnas toch dik genoeg om hem voor een dodelijke wond te behoeden. “Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.” “De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.”

Merk verder op dat deze sterke, behalve gewapend en geharnast, ook zeer waakzaam is. Er staat: “zijn hof bewaart.” Hij bewaakt hem als een trouwe wachter die met onvermoeibare tred en slapeloos oog de wacht houdt op de burchtmuur. Hij trekt zijn wapenrusting niet aan om erin te slapen. U kunt slapende heiligen vinden, maar nooit slapende duivelen. De rusteloze bedrijvigheid van de gevallen engelen is iets vreselijks om te overdenken. Zij “hebben geen rust dag en nacht,” maar gaan als verscheurende leeuwen rond, op zoek naar hun prooi. Wanneer satan het hart van een mens is binnengegaan, waakt hij scherp zodra er ook maar de minste kans is dat de waarheid van God binnenkomt en hem van zijn troon stoot. Hij zet een dubbele wacht bij iemand die onder het Woord komt. Hij laat u gerust naar plaatsen gaan waar de prediker nooit het geweten aanvalt en nooit luid tegen de zonde roept, want hij weet dat zijn rijk daar niet wordt aangevallen.

Maar overal waar het ware Evangelie gepredikt wordt, en dan met goddelijke kracht, verzamelen zich beslist hele legers duivelen. “Want,” zegt satan, “nu komt mijn rijk in gevaar. Ik zal een dubbel garnizoen leggen om mijn burcht te beschermen tegen de aanval van Gods waarheid.”

Pas op, heiligen, wanneer de Heere, de Heilige Geest, aan het werk is, want juist in zulke tijden is de grote vijand ongetwijfeld dubbel actief! Hij bewaart zijn goederen. Wat zou ik hem graag eens onverhoeds overvallen, maar deze leviathan laat zich niet met een haak vangen, en zijn kaak laat zich niet met een doorn doorboren. Hier kunnen we de zondaar waarschuwen en daar in het voorbijgaan een vermanend woord spreken. We kunnen op de hoek van die straat daarginds staan en de zaligheid verkondigen, of in Jezus’ Naam de kansel beklimmen. We kunnen alle middelen gebruiken die het vernuft maar kan bedenken, maar satan is altijd even snel als wij. Zijn onreine vogels staan steeds klaar om elk zaadje weg te pikken dat op de akker gestrooid wordt. Terwijl de mensen slapen, zaait hij onkruid, maar zelf sluimert hij nooit.

Hugh Latimer zei altijd dat hij de ijverigste bisschop van Engeland is. Andere bisschoppen mogen hun bisdom verwaarlozen, satan nooit! Hij is altijd op visitatie en gaat van plaats tot plaats in zijn boze bezigheid om over zijn zwarte schapen te waken. Als het hart van de zondaar ooit genomen wordt, dan moet het stormenderhand veroverd worden, want er is geen hoop de boze ooit te verrassen.

De tekst geeft ons een goede reden waarom satan zo waakt over de mens in wiens hart hij woont: hij beschouwt die mens als zijn bezit, “al wat hij heeft.”
Rechtmatig is dat bezit niet van hem. Wat er aan goederen in het huis van de mens is, behoort toe aan God, Die het huis gebouwd heeft en het Zelf wilde bewonen. Maar satan verzint een aanspraak en noemt alles in de mens zijn eigendom. Het geheugen van de mens maakt hij tot een opslagplaats voor slechte woorden en verkeerde liederen. Zijn oordeel verdraait hij, zodat weegschaal en gewichten vals zijn. Zijn liefde zet hij in brand met kolen uit de hel, en zijn verbeelding verblindt hij met vuile waanbeelden. Alle vermogens van de mens eist satan op: “Ik wil zijn mond hebben: hij zal voor mij vloeken! Ik wil zijn ogen hebben: die zullen de ijdelheid najagen! Ik wil zijn voeten hebben: die zullen hem naar de plaatsen van zondig vermaak brengen! Ik wil zijn handen hebben: hij zal voor mij werken en mijn slaaf zijn!”

Het hart is hard en het geweten verdoofd, en daarom:

De zonde zit als een woedende tiran
op zijn troon van vuursteen,
en al wat goed is, wordt verpletterd
onder dit hart van steen.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Hij eist de hele mens als zijn eigendom op. En het is verbazingwekkend hoe gewillig die aanspraak erkend wordt! Mensen menen muziek te horen in de ketenen waarmee satan hen bindt, en drukken de boeien die hij hun aanlegt aan hun hart! Mensen gehoorzamen opgewekt de vorst der duisternis, en toch is het moeilijk, ach, werkelijk moeilijk om de volgelingen van Jezus zover te krijgen dat zij hun leden in volle gehoorzaamheid overgeven aan de lieflijke Vredevorst. En dat is nog niet alles. Satan eist niet alleen het bezit op, maar ook de soevereiniteit.

U ziet dat er staat: “zijn hof.” Een hof is gewoonlijk de woning van een koning, en zo beschouwt satan zich als een groot koning wanneer hij in het hart van de mens woont. De soevereiniteit van God is altijd het grote mikpunt van satans aanvallen geweest, omdat hij zijn eigen helse soevereiniteit wil vestigen. Zijn heerschappij over de mensen is keizerlijk en zijn regering despotisch. Wanneer hij bezit neemt van het menselijk hart, zegt hij tegen zijn dienaar: “Ga,” en hij gaat; en tegen zijn gevangene: “Doe dit,” en hij doet het. Hij laat zich niet door de rede leiden of beteugelen, maar wil dat zijn wil gehoorzaamd wordt in al zijn opstandige dwaasheid. Zijn verklaring is een aapachtige nabootsing van de grote God: “Is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil?” “Ik ben het, en niemand meer dan ik.”

Tot welke uitspattingen van soevereiniteit gaat satan niet met mensen! Hij lokt hen tot dronkenschap, en dat is nog niet genoeg: hij jaagt hen voort tot in de drankwaanzin. Hij drijft hen uit hun verstand en zet hen ertoe aan de hand aan zichzelf te slaan. Ja, dikwijls bedekt hij zijn slachtoffers met hun eigen bloed, door henzelf vergoten.

Een oude predikant koos als tekst: “En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.” Een van zijn punten was: “De duivel drijft zijn zwijnen naar een slechte markt.” Er zit veel waarheid in die ruwe uitspraak: wanneer hij in mensen komt, valt niet te zeggen waar ze heen zullen gaan.

Een ander punt was: “Wie door de duivel gedreven wordt, rent hard.” Tot welke uitersten van zotte dwaasheid, wreedheid en zelfbeschadiging gaan mensen niet, wanneer satan eenmaal bezit van hen heeft genomen? Als de priesters van Baal snijden zij zichzelf met messen! Als de bezetene van Gadara wonen zij in de graven en dragen geen kleren! Als het kind uit het Evangelie werpen zij zich nu eens in het vuur en dan weer in het water: zo zijn de mensen wanneer de duivel over hen regeert. Geen koning heeft ooit zo trots door zijn paleis gelopen en gezegd: “Dit alles is van mij,” als satan door het hart van de mens loopt! Hij kan pochend uitroepen: “Deze man zal neervallen en mij aanbidden! Hij zal zijn welzijn, ja, zijn leven aan mij offeren! Hij zal mijn bekers leegdrinken en het gif in de droesem niet weigeren! Hij zal in mijn dienst gaan en mij niet vragen of de dood zijn eeuwige loon zal zijn!” O, had God maar zulke gewillige dienstknechten, zulke blijmoedige martelaren als zij die de duivel gehoorzamen!

U kunt de martelaren van de duivel zien in elk drankhuis: haveloos, vermagerd en ziek. U kunt hen ‘s morgens vroeg zien rillen tot het tijd is om weer een slok helse drank te nemen. U kunt hen zien in elke door de maan verlichte straat, wachtend in de koude, vochtige nevels van de nacht, om op zijn altaar geofferd te worden en lichaam en ziel te verkopen aan zijn onheilige dienst.

U kunt hen zien in elk ziekenhuis, wegrottend naar hun graf, hun beenderen vol ziekte en hun bloed besmet met een walgelijke smet. U kunt hen, zeg ik, allemaal zien, vurig verlangend om ziel en lichaam te offeren als een brandoffer dat geheel verteerd wordt door het helse vuur, opdat zij satan met heel hun hart mogen dienen!

O, waren wij maar half zo trouw aan God als de dienaren van de duivel aan hem zijn. Het hart wordt terecht het paleis van Apollyon genoemd, want hij heerst daar met volstrekte macht. O eeuwige God, drijf hem uit!

Ik mag dit beeld niet verlaten voordat u hebt opgemerkt dat er staat: “Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.” Dat is het verschrikkelijkste teken van het geheel. De mens is volkomen ongestoord. Zijn geweten knaagt niet; waarom zou het? God verontrust hem niet; wie is God, dat hij naar Zijn stem zou luisteren? De gedachte aan de hel verstoort hem nooit. “Vrede, vrede,” zegt satan, “het gaat u nu goed; laat die boemannen maar over aan wie erin gelooft.”

De toorn van God, die op hem blijft, verontrust hem nooit! Wanneer bij iemand het koudvuur intreedt, voelt hij geen pijn in het afstervende lid. Wie door opium verdoofd is, kan naakt zijn en het toch niet koud hebben. Zulke mensen kunnen een lege maag hebben en toch geen honger voelen, en ziek zijn naar het lichaam en toch de kwelling niet voelen: ze zijn dronken en kennen hun ellende niet! Zo is het met de meeste vleselijke mensen: niets maakt hen wakker. Ze luisteren naar de preek en maken een opmerking over de stijl van de spreker, maar de waarheid van God laten ze liggen. Er komt een oordeel, de doodsklok luidt, er vallen misschien een paar tranen, maar die worden snel gedroogd, en de mens gaat weer zijn eigen weg: “De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.” “Ik weet niet wat het is om last van mijn geweten te hebben,” zegt iemand. “Ik ben volkomen gerust, ik ben zo vrolijk als de dagen lang zijn.”

Dat geloof ik graag, en ik wilde dat het niet zo was! Als u ontevreden was over uw oude meester, zou er nog enige hoop zijn dat u hem zou verlaten en naar het huis van uw Vader zou terugkeren. Maar zolang u tevreden bent met de wereld en met de vorst die haar regeert, zult u voortgaan, verder en verder, naar uw eigen verderf! Satan doet met de mensen wat volgens de fabel de sirenen met de zeelieden deden.

De sirenen zaten op de rotsen en zongen zo welluidend dat geen zeeman die het geluid eenmaal gehoord had, de drang kon weerstaan om zijn schip naar hen toe te sturen. Zo leed elk schip dat die kant op voer, schipbreuk op de rotsen, door hun noodlottige maar betoverende gezang. Zo klinkt ook de stem van satan: hij lokt naar het eeuwig verderf met de zoetste tonen van helse muziek. Hij kan sonates spelen van zo’n onnavolgbaar betoverende harmonie, dat arm, sterfelijk vlees en bloed zonder de hulp van de Geest van God niet bestand is tegen hun meeslepende tovenarij. Dit is de zoete melodie: “Vrede, vrede, vrede, vrede.”

O zondaar, als u geen dwaas was, zou u uw oren stoppen voor deze verraderlijke leugen! Voor eeuwig gezegend is de soevereine genade, die ons gered heeft van de betovering van deze verderver! De bewoner van het hart wordt “een onreine geest” genoemd. Hij is onrein, ondanks alle vrede die hij u geeft. Ik bid u, maak uzelf niets anders wijs. Hij is altijd dezelfde, onveranderd en onveranderlijk. Misschien zegt u mij dat u zich aan geen enkele onreinheid schuldig maakt. U zegt dat u niet drinkt, niet vloekt en niet liegt. Maar bedenk: het is onrein om niet met God verzoend te zijn! Het is onrein om een vreemdeling voor Christus te zijn! Het is onrein om God, Die u geschapen heeft, ongehoorzaam te zijn. En bovenal is het onrein om de Verlosser niet lief te hebben, Wiens kostbaar bloed Zijn volk van hun zonden verlost heeft. Op zijn best is de duivel niet beter dan een duivel, en het hart waarin hij woont, is niet beter dan een hol waarin een verrader zich verschuilt.

Zo heb ik u in grote lijnen de uitleg van de tekst gegeven. Het zou veel tijd vragen om dat geheel in te vullen en de volle betekenis ervan naar voren te brengen.

2. Laten wij nu zien DE GEDEELTELIJKE VERBETERING HIER BESCHREVEN: “Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven anderen geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.”

Merk dus op dat de onreine geest in dit geval uit vrije wil weggaat. Hij wordt niet uitgezet en er is geen strijd geweest. Het huis blijft zijn eigendom, want aan het eind van het vierentwintigste vers staat: “Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.” Hij verlaat zijn paleis uit eigen vrije wil, met het plan terug te komen wanneer het hem schikt of behaagt. Er zijn mensen die bekeerd lijken en dat zelf ook denken. Daarom doen ze belijdenis en worden ze met blijdschap in de christelijke gemeente ontvangen, omdat hun uiterlijk leven getuigt van een grote en opmerkelijke verandering. Ik zou u er nu enkelen kunnen schilderen die ik tot mijn groot verdriet met tranen heb moeten gadeslaan. Sommigen waren eens bij ons, maar zijn al lang aangekomen bij het einde waarvan de tekst zegt dat het “erger dan het eerste” is.

Wanneer de onreine geest uit een mens gaat, wordt die mens heel anders dan hij vroeger was. Heel waarschijnlijk is de winkel die op zondag open was, nu gesloten. Hij richt zijn schreden naar de plaats waar Gods volk samenkomt voor de eredienst. Hij begint te bidden en houdt zelfs huisgodsdienst. Hij bezoekt de bidstonden en voelt een zeker genoegen in de opwinding van de godsdienst. Hij gaat waar de heiligen gaan, en in zijn leven handelt hij grotendeels zoals zij. De onreine geest is wel degelijk uit de mens gegaan en hij is een ander mens geworden, maar geen nieuw schepsel in Christus Jezus. Ik heb echter gezegd dat er geen strijd aan te pas kwam. De geest ging plotseling uit, en de mens sprong zo de godsdienst in.

Er was geen berouw, geen overtuiging van zonde, geen strijd tegen de verdorvenheid, geen wenen voor de Heere in het gebed, geen opzien naar de gekruisigde Zaligmaker en geen vergeving lezen in Zijn wonden. Er was geen zware worsteling om heiligheid en geen strijd tegen het kwaad. De vreugde kwam plotseling, en de man dacht dat hij behouden was. Gisteren was hij een zondaar en vandaag lijkt hij een heilige, niemand weet hoe. U spreekt met hem over het werk van de Geest in zijn ziel: hoe Hij hem van zonde overtuigt, hem verbrijzelt met de hamer van de wet of door de kracht van het kruis, hem vermorzelt en hem doet voelen dat zijn gerechtigheid een wegwerpelijk kleed is. Maar hij begrijpt u niet. De onreine geest is uit de mens gegaan, en dat is alles.

Waarom verlaat de boze geest een mens voor een tijd? Heeft hij daarbij niet een hels doel voor ogen?
Zeker heeft hij dat! Ik denk dat het vaak gebeurt omdat hij voelt dat hij, als hij niet weggaat, uitgedreven zal worden. Hij denkt dat hij door een tijdje te wijken het geweten tevreden kan stellen, totdat hij het vaster in slaap gesust heeft dan ooit. Zo buigt hij om te overwinnen en trekt hij zich terug om zijn tegenstander in een ongunstige positie te lokken. Hij laat zijn troon wankelen, zodat hij zijn heerschappij voorgoed kan herstellen. Bovendien denkt hij dat hij de mens blijvend sceptisch kan maken door hem een tijdje wat godsdienst te gunnen en hem er daarna weer van te laten afwijken. Zo kan hij hem vasthouden met de ijzeren keten van het ongeloof en hem met die haak in zijn kaken naar de hel slepen.

Na een tijd blijkt de boze geest teruggekeerd te zijn. Hij kon nergens rust vinden behalve in het hart van de goddelozen, en daarom kwam hij terug. Niemand verzet zich tegen zijn binnenkomst. De deur is niet op slot, en als ze dat wel is, heeft hij de sleutel. Hij komt binnen: er is geen huurder, geen bewoner, geen andere eigenaar. Hij kijkt rond en roept: “Dit is mijn huis. Ik verliet het toen ik op reis ging, en nu ben ik terug en staat het voor mij klaar.”

Te zijner tijd komt de duivel terug bij die mensen die verbeterd, maar niet vernieuwd zijn, die veranderd, maar geen nieuwe schepselen in Christus Jezus geworden zijn. Maar wat ziet de duivel? Allereerst ziet hij dat het huis leeg is. Was het vol geweest, dan had hij niet opnieuw binnen kunnen komen. Had Jezus Christus aan de deur gestaan, dan zou er een korte maar vreselijke worsteling zijn geweest, die zou zijn geëindigd met satan die in schande werd verdreven. Maar het huis is leeg, en daarom neemt hij in alle rust zijn heerschappij weer op.

De duivel roept zijn “Hallo!” en de echo galmt door alle kamers, maar er springt geen indringer op. “Is Christus hier?” Geen antwoord. Hij gaat naar buiten en kijkt naar de bovendorpel, want als Jezus binnen is, staat daar zeker Zijn teken. “Geen bloedteken op de deurpost. Christus is hier niet,” zegt hij. “Het is leeg, ik ga het mij hier gemakkelijk maken.” Als Jezus er was geweest, al had Hij Zich in een kast verborgen, dan zou Hij tevoorschijn zijn gekomen, Zijn bezit hebben opgeëist en de verrader hebben uitgedreven met de woorden: “Weg met u! Dit is geen plaats voor u. Ik heb dit huis met Mijn bloed gekocht, en Ik wil het voor eeuwig bezitten.” Maar het is leeg, en dus vult satan het met voorraden kwaad. Het volgende wat de boze opmerkt, is dat het huis geveegd is. Iemand zei eens: “Geveegd, maar nooit gewassen.” Vegen haalt het losse vuil weg, wassen verwijdert alle vuilheid.

O, gewassen te zijn in Jezus’ bloed! Hier is een man wiens huis geveegd is: de losse zonden zijn weg. Hij is geen dronkaard; boven de schoorsteenmantel hangt zijn gelofte van geheelonthouding. Hij leeft niet meer in ontucht; hij haat die zonde, of zegt dat hij haar haat, en meer verlangt de duivel niet van hem. Het huis is zo keurig en netjes geveegd dat u niet zou zeggen dat hij dezelfde man is als vroeger. En hij is zelf zo trots dat hij zijn huis zo schoon heeft gekregen, dat hij op de drempel gaat staan en de duivel begroet met een “Goedemorgen!” En hij zegt: “Ik ben niet gelijk de andere mensen, ik ben geen rover en geen dronkaard! Ik ben zelfs niet zoals die christen daarginds, die nog niet de helft is van wat hij zou moeten zijn, en nog niet een fractie zo consequent als ik.”
Terwijl de duivel rondkijkt en het huis geveegd vindt, ziet hij dat het ook versierd is. De man heeft wat schilderijen gekocht. Hij heeft geen echt geloof, maar wel een fraai schilderij ervan boven de schoorsteen. Hij heeft geen liefde voor het kruis van Christus, maar aan de muur hangt een heel mooi kruisbeeld. Hij heeft geen goddelijke genade van de Geest, maar op tafel staat een mooie vaas met bloemen: de ervaringen en de genadegaven van andere mensen, en die ruiken best zoet. Er is een haard zonder vuur, maar ervoor staat een van de mooiste haardornamenten die ooit voor geld te koop waren. Het is geveegd en versierd.

O, de versierde mensen die ik heb ontmoet! Soms waren ze versierd met het geven van aalmoezen, dan weer met langdradige gebeden! Versierd met een belijdenis van ijver en met een schijn van eerbied! U vindt een ijverig protestant, o zo ijverig, die stuipen krijgt bij het zien van een kruisteken en die toch hoererij zal bedrijven! Denkt u dat zoiets onmogelijk is? Ik ken zo’n geval.

U vindt mensen die geschokt zijn omdat een ander op zondag water voor de thee kookte, zijn leven verzekerde of op een liefdadigheidsbazaar hielp, maar die zelf een weeskind bedriegen en het vel over de oren halen als ze er een stuiver mee kunnen verdienen! Zij zijn geveegd en versierd. Kom binnen, dames en heren! Hebt u ooit een huis gezien dat zo prachtig is ingericht als dit? Wat elegant, wat smaakvol! Juist, maar mensen kunnen even goed op smaakvolle wijze verdoemd worden en fatsoenlijk naar de hel gaan als op een platvloerse en losbandige manier!

U ziet het geheel, en u ziet hoe het afloopt. Satan is zeer ingenomen met het huis zoals hij het aantreft. Hij vindt het te goed voor één, gaat erop uit en nodigt zeven van zijn vrienden uit die erger zijn dan hijzelf, want sommige duivelen zijn erger dan andere. Ze komen binnen en vieren feest in de ziel van de mens. Wat bedoelen we daarmee? Wel, dat zulke mensen werkelijk goddelozer, harder en onheiliger worden dan ze waren voordat ze belijdden christen te zijn! Het is werkelijk schokkend: als u een doortrapte overtreder zoekt, een zondaar door en door, dan moet u iemand vinden die eens belijdenis van de godsdienst heeft gedaan! Wanneer satan een dienaar nodig heeft die alles doet en niets vraagt, die zowel de kemel als de mug doorzwelgt, dan zoekt hij iemand die eens hoog stond in de christelijke gemeente. Kan hij iemand vinden die vroeger het lied van Christus zong, dan is dat de keel om het lied van de duivel te zingen! Kan hij iemand vinden die eens aan het avondmaal zat, dan zegt hij: “Dit is de man om aan het hoofd van mijn feestmalen te zitten en mijn feesten voor mij te leiden.”

Deze afvalligen, deze verraders, deze Achitofels en Judassen, deze mensen die de waarheid van God gekend hebben, eens op een zekere wijze verlicht zijn geweest en in zekere zin de hemelse gave en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en die toch afvallig worden: zij worden als zout dat “noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam” is, en zelfs de mensen werpen het weg! Zij zijn als bomen, “tweemaal verstorven, en ontworteld,” als “dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.” Zijn er zulken onder ons, mensen die eens geveegd en versierd waren, en in wie satan is teruggekeerd?

Mijn vriend, uit het diepst van mijn ziel heb ik medelijden met u! Wat zal uw deel zijn? Geen gewone hel wacht u! Bedenk dat er in de afgrond plaatsen voorbehouden zijn, en die zijn voorbehouden voor mensen zoals u. Lees de brief van Judas, en u zult daar vinden dat er sommigen zijn “denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.” Dat is uw geval, en dit zal het nog verzwaren: u zat aan de tafel van de Meester, en nu moet u de beker van vuur drinken! U preekte in de voorhoven van Christus, maar nu moet u een klaaglijke preek houden over uw eigen afval! Eens zong u Gods lof, nu moet u het klaaglied van de verdoemden uithuilen! U hebt een glimp van de hemel gezien, nu krijgt u een ontstellende blik in de hel! U sprak over het eeuwige leven, nu zult u de eeuwige dood ondergaan: gestort in golven van vlammen, om nooit meer boven te komen, nooit meer te hopen, zelfs nooit te sterven, want sterven zou een zaligheid zijn. Hoe vreselijk zal uw lot zijn! In deze wereld zevenmaal erger dan eerst, maar in de toekomende wereld verdoemd, verdoemd met een ontzaglijke nadruk die gewone zondaren niet kennen.

Ik bid God dat deze waarheden ons waakzaam en voorzichtig mogen maken, opdat wij niet bevonden worden als huichelaars of als belijders die zichzelf bedriegen.

3. Nu ga ik over tot een veel aangenamere taak, namelijk DE BESCHRIJVING VAN DE WARE BEKERING DOOR DE ZALIGMAKER. “Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.”

Merk op dat hier sprake is van Iemand “die sterker is dan hij.” Dat is niet de mens zelf. De mens is het huis, en hij is niet zo sterk als de duivel. Wie is het dan? Het is Jezus Christus, Die door Zijn Geest in het hart van de mens komt! De Geest van God gaat de macht van satan ver te boven, zoals de oneindige Schepper altijd verheven moet zijn boven het eindige schepsel. Hij Die satan gemaakt heeft, weet hem zo met Zijn zwaard te treffen dat Hij Rahab uithouwt en de draak verwondt. U ziet het: het is niet het gevolg van de vrije wil van de mens, en evenmin van de vrije wil van de duivel. Het is het gevolg van het feit dat Iemand Die sterker is dan hij, in de ziel komt.

Zodra de Sterkere binnenkomt, ontbrandt de strijd. “Als een daarover komt”: dat wil zeggen, Hij valt hem aan! En ach, met hoeveel kracht valt Christus de grote vijand van de zielen aan! Eén zwaardhouw slaat de pluim van de trots af! Een volgende slag neemt het genoegen van de zonde weg, en weer een andere vernietigt de heersende macht van de zonde. Wat een worsteling is er vaak wanneer de Heilige Geest in een mens werkt! Met al de kracht van het gebed en al de macht van het geloof worstelt de arme ziel tegen satan! Christus strijdt met al de kracht van Zijn bloed en de zegeningen van Zijn Geest, en toch weten we dat het de aartsvijand in sommige gevallen werd toegestaan dagen, weken, ja maanden stand te houden, vanwege het ongeloof van de arme ziel. “En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan,” staat er, “vanwege hun ongeloof.”

Dit gevecht wordt soms zo heet dat de ziel de verworging kiest boven het leven, en toch is de uitkomst nooit twijfelachtig! Want let op: in de tekst overwint uiteindelijk de Sterkere. O, hoe goed herinner ik mij nog hoe Hij Die sterker is dan satan, in mijn ziel overwon! Vijf jaar, min of meer, duurde de strijd. Soms wilde mijn trotse hart niet buigen voor de soevereine genade. Dan weer ging een eigenzinnige geest de ijdelheid achterna. Maar ten slotte, toen Jezus Zijn wonden liet zien en tot mij zei: “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!”, toen kon ik het niet langer uithouden en kon de boze geest geen weerstand meer bieden! De wonden van Christus hadden de oude draak verwond, en de dood van de Zaligmaker werd de dood van de zonde.

O, velen van ons weten wat het is om overwonnen te worden, om onderworpen te worden door een andere macht dan de onze! En in elk geval moet die ervaring er zijn, anders is er geen werkelijk leven. Geliefde hoorder, als uw godsdienst in uw eigen tuin gegroeid is, dan is het onkruid en deugt het nergens voor! Als uw genade opkomt als vrucht van uw eigen willen, uw eigen doen en uw eigen zoeken, dan deugt ze nergens voor!
Christus moet u zoeken! Het moet een macht zijn ver boven u, machtiger dan u, veel sterker dan u en de duivel samen, die u van uw zonden moet verlossen. Wat doet de Sterkere zodra Hij de vijand overwonnen heeft? Hij neemt het zwaard van de opstand, breekt het over Zijn knie en rukt de wapenrusting van de rug van de onreine geest. Vooroordeel, onwetendheid, hardheid van hart: ze worden de oude vijand allemaal afgerukt.

Ik meen Hem te zien, ik meen de Zaligmaker te zien Die hem tot zijn schande ontkleedt en hem met afschuw uit het hart verdrijft. Laat hij maar weer door dorre plaatsen gaan, rust zoeken en geen rust vinden. Gelukkige dag! Gelukkige dag voor het paleis dat hij eens verontreinigde, wanneer hij wordt uitgeworpen, en voor altijd uitgeworpen! Dan gaat Christus Jezus de buit verdelen. “Daar is het hart van de man, dat neem Ik,” zegt Hij. “Dat zal een juweel in Mijn kroon zijn. Zijn liefde zal Ik voor eeuwig als een sieraad om Mijn arm dragen. Zijn geheugen, zijn oordeel, zijn denken, spreken en werken: dat alles is van Mij,” zegt Christus. Hij begint de buit te verdelen. Hij zet het brede pijlmerk van de Koning op elke kamer in het huis en op elk meubelstuk. De versiering haalt Hij weg. “Ik zal het veel mooier versieren dan dit,” zegt Hij. “Er zullen geen schilderijen van geloof hangen, maar er zal geloof zijn. Er zal in die haard geen ander sieraad staan dan het gloeiende vuur van vurige ijver.

Er zullen geen geleende bloemen staan, maar Ik zal om dit venster de zoete rozen en jasmijn van liefde en zielenvrede leiden. Wat alleen geveegd was, zal Ik wassen met Mijn bloed. Ik zal het wit, zoet en rein maken. En Ik zal de bovendorpel en de twee zijposten bestrijken met de hysop en het bloedteken. Wanneer dan de verderfengel voorbijgaat, zal hij zijn zwaard in de schede steken, en wanneer de zwarte boze binnen wil gaan, zal hij het teken zien en sidderend terugkeren naar zijn vervloekte hol.”

Dit is bekering; het andere was slechts overtuiging! Dit is verandering van hart; het andere was alleen verandering van leven. Ik hoop van harte dat u, als u met het eerste tevreden was, u nu zult opmaken en nooit tevreden zult zijn zonder het laatste:

O soevereine genade, onderwerp mijn hart;
ook ik wil in triomf worden meegevoerd.
Drijf de oude draak van zijn zetel,
met heel zijn helse bende.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Zondaar, roep tot Hem Die sterker is dan u, dat Hij komt en u helpt. U zucht onder uw slavernij; daar ben ik dankbaar voor! Roep tot de grote Verlosser! Hij zal komen! Hij zal komen! Woedt er een strijd in u? Bedenk dat het geloof de overwinning behaalt. Zie op Jezus, zie op Jezus, en de strijd is gewonnen! Werp uw arme ziel op Jezus. Verbrand nu die bezem; het heeft geen zin om door te gaan met vegen! U moet gewassen worden, gewassen met bloed!

Kom, spaar uw geld waarmee u versieringen wilt kopen; het is allemaal rommel! Koop er niets meer van. Ik raad u aan bij Hem goud te kopen, beproefd komende uit het vuur. Kom tot Zijn dierbaar bloed en word werkelijk rein. Uw kerkgang, uw kapelbezoek, uw gebeden, uw aalmoezen, uw vasten, uw gevoelens en uw goede werken zijn allemaal niets, niets dan schuim en drek, als u daarmee uw huis wilt vegen en versieren. Werp ze allemaal weg! Vlucht voor uw goede werken zoals u voor uw slechte zou vluchten! Verwacht niet zalig te worden door iets wat u als goed voelt, evenmin als u zou verwachten zalig te worden door iets wat u als slecht voelt. “Niets dan Jezus, niets dan Jezus kan hulpeloze zondaars goed doen.”

Mijn Heere Jezus, als U voorbijgaat in de grootheid van Uw kracht, kom dan en toon Uw heldenkracht! Wijk hierheen, hemelse Simson, en verscheur de leeuw in deze wijngaard! Als U Uw klederen hebt gedoopt in het bloed van Uw vijanden, kom dan en verf ze opnieuw met het bloed van mijn wrede zonden! Als U de wijnpers van Jehova’s toorn hebt getreden en Uw vijanden hebt vermorzeld, hier is er nog een van die vervloekte bende! Kom, sleep hem naar buiten en vermorzel hem! Hier is een Agag in mijn hart: kom en houw hem in stukken! Hier is een draak in mijn geest: verbreek, o verbreek zijn kop en bevrijd mij uit mijn oude staat van zonde! Verlos mij van mijn wrede vijand, en U zij de lof tot in alle eeuwigheid.

Amen.

Preek nr. 613 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 5 februari 1865, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 11. Oorspronkelijke titel: “The Strong One Driven Out by a Stronger One”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.