Wees niet bevreesd

Een preek uitgesproken op dinsdagavond, 9 maart 1880, door C. H. Spurgeon, in de Shoreditch Tabernakel,
opgericht voor de gemeente van predikant W. Cuff.

Wees niet bevreesd. Openb. 1:17

“Wees niet bevreesd” is een plant die overvloedig bloeit in Gods tuin. Wie door de lelievelden van de Schrift wandelt, vindt haar overal — tussen de krachtige leerstellingen en de heilige geboden steekt telkens de tere bloem “Wees niet bevreesd” zijn kopje op, zoals viooltjes die tussen hun schuilplaatsen van groene bladeren naar het licht gluren. “Wees niet bevreesd” bloeide al in de dagen van ouds, aan de voeten van Abraham, toen hij terugkeerde van de strijd met de koningen. Melchizedek zegende hem, en de Heere zelf troostte hem. De aartsvader was misschien bevreesd dat zijn leven voortaan onrustig zou zijn, nu hij eenmaal het zwaard had gehanteerd; maar de Heere verscheen hem in een visioen en zei: “Wees niet bevreesd, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.”

Als hij de ontberingen van een soldaat moest dragen, zou hij ook het schild en het loon van een soldaat ontvangen — en hoe groot zouden die zijn, want beiden zou hij vinden in God Zelf. Zo zult ook u, na gestreden te hebben voor Christus, zich soms uitgeput en bezorgd voelen. Maar dan zal uw grote Melchizedek tot u komen, u verkwikken met brood en wijn, en zacht in uw oor fluisteren: “Wees niet bevreesd.”

Toen Isaak putten groef en de Filistijnen daarover ruzie maakten, sprak de HEERE tot hem: “Wees niet bevreesd.” Isaak, de zachtmoedige ziel die hij was, gaf de putten één voor één op—liever vrede dan twist. Uiteindelijk vestigde hij zich in Berseba, waar de HEERE opnieuw aan hem verscheen en zei: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen.” Isaak was geen sterke man, en juist daarom ging de HEERE teder met hem om. Als iemand van u een zachtmoedige, gevoelige geest heeft—sneller bevreesd dan stoutmoedig—moge de HEERE u dan vaak toefluisteren: “Wees niet bevreesd.” Draag dat woord in uw hart, opdat de geur ervan u moge vertroosten.

Ook Jakob kende het “Wees niet bevreesd.” U weet hoe zwaar zijn leven was. Toen hij hoorde dat zijn zoon, van wie hij dacht dat hij gestorven was, nog leefde in Egypte en daar met eer bekleed was—en dat die zoon hem liet halen om hem weer te zien—werd Jakob bang om te gaan. Maar de HEERE sprak tot hem: “Wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken,” en beloofde hem: “Ik zal met u meetrekken naar Egypte.” Wanneer iemand van u voor een grote verandering staat, misschien zelfs op het punt om ver weg te verhuizen: “Wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken.” Al zou de HEERE u roepen naar de verste uiteinden der aarde, naar rivieren waar geen lied over gezongen wordt—als Hij u roept, vrees dan niet, want Hij zal zeker met u zijn.

De Israëlieten bij de Rode Zee beefden voor de farao. Toen sprak de HEERE: “Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE.” Als u vanavond in een moeilijke situatie verkeert en niet weet wat u moet doen, volg dan dit goddelijk advies: “Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE.” Door de hele Schrift heen klinkt dat “Wees niet bevreesd”; deze woorden zijn verspreid als sterren aan de hemel. Maar in het boek Jesaja vindt u niet alleen sterren, maar hele sterrenbeelden vol troost. Toen ik een jongen was, leerde ik de catechismus van dr. Watts, en ik ben de Heere dankbaar dat ik dat gedaan heb. Eén van de vragen luidde: “Wie was Jesaja?” Het antwoord: “Hij was de profeet die méér over Jezus Christus sprak dan alle anderen.” Juist daarom is hij een bron van vertroosting voor Gods volk, want hij spreekt herhaaldelijk: “Wees niet bevreesd.”

Zijn woorden klinken als balsem voor de angstige ziel:
“Zeg tegen hen die een angstig hart hebben: Wees niet bevreesd, vrees niet.”
“Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.”
Wees niet bevreesd, Ik help u.”
“Wees niet bevreesd, wormpje Jakob.”
“Wees niet bevreesd, Ik heb u verlost.”
“Wees niet bevreesd, want u zult niet beschaamd worden.”

En zo gaat het verder—ik zou bijna zeggen: tot in eeuwigheid. Deze “Wees-niet-bevreeds” groeien als boterbloemen en madeliefjes in de weide, waar kinderen zich in de lente over verheugen. Niemand zou ze allemaal kunnen plukken. Maar de rijkste oever vol bloei is die van Jesaja; ga daarheen en pluk ernaar hartelust.

Uit die overvloed in het Oude Testament blijkt hoe duidelijk het de HEERE verheugt als Zijn volk niet bang is—dat Hij graag ziet dat wij moedig wandelen, en dat Hij vooral niet wil dat wij voor Hém vrezen. Hij verlangt ernaar dat zijn kinderen Hem met vertrouwen naderen. Men zou kunnen denken dat de geest van slaafse angst bij het Oude Verbond hoort, maar dat is niet zo, want ook daar zegt de HEERE tot zijn uitverkorenen: “Wees niet bevreesd.”

Als we in het Nieuwe Testament komen, zien we God dichter tot de mensen naderen dan ooit tevoren—niet neerkomend op de berg Paran met tienduizend vurige wagens, maar nederdalend in Bethlehem in de gedaante van een kind, terwijl de engelen zingen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” De kern van het Nieuwe Testament is dan ook: naderen tot God—ophouden met bang te zijn, beginnen met vertrouwen; ophouden met dienstknecht te zijn en leren kind te worden. Hoewel de woorden “Wees niet bevreesd” niet telkens letterlijk uit Jezus’ mond klinken, was zijn hele leven één blijvende verkondiging van datzelfde woord. Vanavond hoop ik u een aantal van die uitspraken te laten horen, die óf rechtstreeks van Christus zelf kwamen, óf van Zijn engel, gezonden om een van Zijn dienaren te troosten. En mijn gebed is dat dit goddelijke woord zal doordringen tot ieder beproefd en bevreesd hart onder ons, zodat wij allen voor onze eigen zorgen dezelfde vertroosting mogen ontvangen: “Zo zegt de Heere tot u: Wees niet bevreesd.”

I. Laten we onze Bijbels opslaan bij Openbaring, hoofdstuk 1, vers 17. Ik hoop dat u die allemaal bij de hand hebt—ik geniet van het zachte ritselen van Bijbelbladen, zoals men dat in Schotland gewoon is te horen, al klinkt het in Engeland zelden. Lees mee: “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste.” Dit is ons eerste “Wees niet bevreesd” — DE VREES DIE WORDT OPGEWEKT DOOR DE MAJESTEIT VAN DE PERSOON VAN ONZE VERLOSSER.

U die Hem kent, hebt een diep ontzag voor Hem, zoals Johannes dat had, toen hij bij het zien van zijn goddelijke Heere als dood aan Zijn voeten viel. Hebt u ooit over Jezus nagedacht als over de eeuwige God—geprobeerd u iets voor te stellen van Zijn majesteit, Zijn overwinning, Zijn verhevenheid boven de tronen en machten van de hemel? En toen uw ziel Hem prees en uw geest zich verhief in gedachten over de alglorieuze Zoon van God, kwam toen niet die stille vraag in u op: “Hoe durf ík te denken dat Híj mijn Geliefde is, en dat ík tot Hem behoor? Kan zulke majesteit afdalen tot mijn geringheid? Kan zulke glorie zich verbinden met zo’n nietigheid als ik?”

Ik weet dat u dat gevoel kent. Maar geef er niet aan toe, want hoewel onze Heere Jezus zich verheugt in uw heilige eerbied, wil Hij niet dat die eerbied verstijft tot afstandelijkheid of verstart tot angst. Nee — al is Hij waarachtig God, toch nodigt Hij u uit om zonder vrees tot Hem te komen. Hoe groot Hij ook is, in Zijn nabijheid mag u vrij zijn.

Laat uw Heere voor u vol glorie zijn, maar laat Hem u toch nabij blijven. Verhef Hem op Zijn troon, maar vergeet niet dat u daar mét Hem bent gezeteld. Hoe verheven Hij ook is, Hij heeft Zelf gewild dat u Zijn heerlijkheid zou aanschouwen en bij Hem zou zijn waar Hij is. Hij heeft u geroepen om te overwinnen en met Hem op Zijn troon te zitten, zoals Hij overwonnen heeft en met de Vader op Zijn troon is gaan zitten. Wanneer u met eerbiedige verwondering de volmaakte reinheid van Zijn karakter hebt overwogen, hebt u zich ongetwijfeld verbaasd over de absolute volmaaktheid van Zijn menselijkheid—over de schittering van Zijn morele en geestelijke wezen. En wanneer u op zulke ogenblikken recht inzag wie u zelf bent, dan zonk u wellicht neer in het stof en riep u uit: “Zal Híj mijn voeten wassen? Zal Híj Zichzelf geven voor mij? Is het denkbaar dat Hij van iemand als ik houdt—zo bezoedeld, zo verontreinigd, zo arm en onwaardig; niet eens waard om te leven, laat staan om door zo’n volmaakt liefhebbende Persoon bemind te worden?”

Maar vergeet dit nooit: Hij is even volmaakt in barmhartigheid als in heiligheid, even volmaakt in liefde tot zondaars als in haat tegen de zonde. Hoe schuldig u zich ook voelt, twijfel nooit aan Zijn genegenheid. Hij heeft Zijn liefde verzegeld in Zijn hartekamer—met Zijn eigen bloed. Hij heeft haar bewezen door Zijn dood. Al weet u dat u ‘minder bent dan niets en ijdelheid’, en dat Jezus volmaakt is, wees dan niet bang om Hem te naderen. Kom tot Hem met hetzelfde vertrouwen als een kind tot zijn ouders, of een vrouw tot haar echtgenoot. Het is één van Satans listen om ons bang te maken voor Christus. Laten we die list doorzien. Waarom zou u bang zijn voor Jezus, als Hij Zelf zegt dat u dat niet hoeft te zijn? Waarom zou u vrezen voor het Lam van God? Hij zegt: “Wees niet bevreesd.” Niet de prediker, niet de engel, maar Jezus Zelf fluistert het Zijn dienaar toe, die als dood aan Zijn voeten ligt: “Wees niet bevreesd.”

Het zou ongehoorzaam zijn om tóch bang te blijven. Wanneer die heilige lippen, die als lelies zijn en mirre verspreiden, tot u zeggen: “Mijn kind, wees niet bevreesd,” hoe zou u dan nog kunnen vrezen? Uw veiligheid, geliefde vriend, ligt niet in angst voor Jezus, maar in vertrouwen op Hem. Nog nooit is iemand gered door bang te zijn voor Christus; geen verloren zoon heeft ooit vergeving gevonden door angst voor zijn vader. Zulke vrees moet verdwijnen, want “De vrees houdt immers straf in” Jezus, onze Heere, is groot én goed, maar Hij heeft vrijwillig de Redder van zondaars willen worden. Waarom zouden wij bang zijn om tot Hem te naderen, als “deze Man zondaars ontvangt”?

Een gastheer die de armsten en minste aan zijn tafel nodigt en hen met welkom begroet, is geen man om bang voor te zijn. En onthoud: wie werkelijk bang is voor Jezus, moet juist vrezen Hem te bedroeven door bang voor Hem te zijn. Wanneer een arts zijn patiënt ziet terugdeinzen voor het mes, verbaast hem dat niet; maar wanneer Jezus ziet dat u terugschrikt voor die hand die niet verwondt maar geneest—door de wond van Zijn eigen hand—dan kijkt Hij bedroefd op u neer. Waarom afstand houden van Hem? De kleine kinderen renden in Zijn armen; waarom zou u weglopen? Niets doet Hem meer verdriet dan de onvriendelijke gedachte dat Hij niet bereid zou zijn de schuldigen te ontvangen. Als Hij u op afstand had willen houden, zou Hij in de hemel gebleven zijn. Zijn komst op aarde bewijst niets anders dan Zijn liefde voor de verlorenen. Bedroef Hem daarom niet door bang voor Hem te zijn. Zijn trouw verbiedt Hem immers ooit iemand af te wijzen die tot Hem komt, want Hij heeft beloofd dat Hij belist niemand zal uitwerpen. U hoeft dus niet te vrezen dat u niet welkom bent.

Deze week ontving ik een brief van iemand die schreef: “Ik geloof dat ik de slechtste mens ben die ooit geleefd heeft—niet uiterlijk, maar in mijn hart. Ik denk dat alle anderen méér gevoel hebben dan ik, of op de een of andere manier beter zijn dan ik. Ik vrees dat Jezus nooit naar mij zal omzien.” Arme, neerslachtige ziel—er is geen enkele grond voor zo’n gedachte. Al woonde er een duivel in u, dan nog zou u tot Christus kunnen komen; en waren het er een legioen—hoe groot dat ook is, ik weet het niet—dan nog zou u, zelfs met alle demonen van de hel in u, niet worden afgewezen. Hij zou ze uitdrijven. Wees dus niet bang om te komen tot Hem van wie de wonden u uitnodigend toeroepen. De gezegende Zaligmaker, die zondaars ontvangt, wil niet dat u uit angst wegblijft.

Ik weet dat sommigen van u proberen de hemel te bereiken via een omweg. Laat me dat uitleggen. Toen men de spoorlijn tussen Moskou en Sint‑Petersburg aanlegde, wees de inmiddels overleden tsaar van Rusland een groep ingenieurs aan om het traject te ontwerpen. Hij bekeek hun ingewikkelde plannen en kaarten, en zei toen eenvoudig: “Breng mij een liniaal.” Men bracht hem een liniaal; hij nam een potlood, trok een rechte lijn en zei: “Zo moet de spoorweg lopen — we willen geen ander plan dan een rechte lijn.”

Er zijn talloze wegen bedacht om zielen naar de hemel te leiden, maar de enige weg die werkelijk telt, is deze: trek een rechte lijn naar Christus. Ik hoor iemand zeggen: “Ik zou graag eens met meneer Cuff spreken.” Dat mag u gerust doen, maar blijf daar niet bij stilstaan — ga eerst naar Christus. “O, maar ik zou graag eens praten met een lieve, godvrezende vrouw,” zegt een ander. Dat is goed, maar ik raad u aan: ga eerst naar Jezus Christus, en pas daarna naar die dame. Het is goed dat er spreekkamers zijn en dat mensen persoonlijke gesprekken zoeken; daar heb ik niets op tegen. Maar de beste spreekkamer vindt u in uw eigen slaapkamer. Kniel daar neer, spreek rechtstreeks met Christus, en vraag het aan Hem. Want als we niet oppassen, maken we van onze christelijke werkers en raadgevers kleine priesters, terwijl er maar één Hogepriester is. Geen mens mag tussen de ziel en Christus in staan.

Blinde zielen zullen nooit ziende worden door alle vriendelijke handen van alle goede mensen in Shoreditch of in heel Londen — alleen de handen van Christus openen blinde ogen. Alleen Hij. En u kunt vanavond nog tot Christus komen. “Maar hoe dan?” vraagt u. Niet door een fysieke stap, maar door een beweging van uw hart. Richt uw gedachten op Hem, uw verlangens op Hem, uw vertrouwen op Hem. Kijk naar Hem, en leef! Moge de Heilige Geest u helpen nu uw vertrouwen op Hem te stellen — en Hij zal u redden. Zo heb ik kort beschreven wat voor vrees opstijgt uit de majesteit van de goddelijke Persoon van Christus, en de remedie die Hij Zelf geeft: “Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.”

Wees dus niet bang voor Jezus vanwege Zijn heerlijkheid, en houd u niet afzijdig vanwege uw onwaardigheid. U hebt terecht een Middelaar nodig tussen uzelf en God, maar u hebt geen middelaar nodig tussen uzelf en Christus. Tot Hem mag u direct gaan, precies zoals u bent. Kom, behoeftige en schuldige, kom, verachte en gebroken ziel;
geen smet is te groot – kom zoals u bent.

Trek die rechte lijn — onthoud dat goed — van uw verloren toestand naar Christus, en laat uw hart zeggen: Ik, verloren en hulpeloos, vertrouw op Jezus om mij te redden — en ik bén gered.

II. Het tweede “Wees niet bevreesd” is even waardevol. Ga naar Lukas, het achtste hoofdstuk en het vijftigste vers — het hoofdstuk dat we zojuist lazen — en daar zult u vinden dat Jaïrus een dochtertje had dat gestorven was. Zij zeiden: “Val de Meester niet lastig. Maar toen Jezus dat hoorde, antwoordde Hij hem: wees niet bevreesd; geloof alleen, en zij zal behouden worden.” DIT BEANTWOORDT DE ANGST DIE VOORTVLOEIT UIT DE WANHOOP VAN DE HUIDIGE SITUATIE.

Het kleine meisje was werkelijk gestorven, maar Jezus zei: “Wees niet bevreesd.” En daarin ligt troost voor velen van ons. Beste vriend, misschien bidt u al lange tijd voor iemand die u dierbaar is — iemand van wie u zo vurig verlangt dat hij of zij tot redding komt — en toch lijkt uw gebed onverhoord. Misschien is die persoon zelfs verder van God afgedwaald dan ooit. Dan zegt u moedeloos: “Het wordt alleen maar erger.” Ja, er is reden tot zorg, maar geen reden tot wanhoop — niet zolang Jezus leeft. Zolang iemands leven nog niet voorbij is, kan Christus hem nog bereiken. Jezus kan nog redden zolang een mens niet verloren is in de hel. Daarom zeg ik: blijf bidden, en wees niet bevreesd. Geen enkel geval is volkomen hopeloos zolang Jezus leeft. Zijn liefde overwint alles.

Soms zien we wonderlijke voorbeelden van verhoring van het gebed. Er wordt verteld van een vrouw die jarenlang voor haar man bad. Ze bezocht trouw de kerk, al ging hij nooit met haar mee. Hij was een ruwe, vloekende drinker, en haar hart was vaak gebroken van verdriet. Toch hield ze vol in haar gebed, al zag ze nooit verandering. Elke zondag ging ze alleen naar de kerk — alleen, samen met haar hondje, dat haar altijd vergezelde en rustig onder haar stoel lag tijdens de dienst. Toen de vrouw stierf, was haar man nog steeds onbekeerd. Maar het hondje bleef op zondag naar de kerk gaan. Zijn baasje vroeg zich af wat het trouwe dier tijdens de dienst deed. Nieuwsgierigheid deed hem het goede dier volgen. De hond leidde hem door het gangpad naar de stoel van zijn geliefde oude baasje. De man ging op die stoel zitten en de hond legde zich, zoals altijd, rustig neer aan zijn voeten. God leidde de predikant die dag; het Woord kwam met kracht, de man weende, en vond in Christus zijn Verlosser.

Geef uw mannen nooit op, beste vrouwen. De Heere kan zelfs een hond gebruiken om hun hart te bereiken, ook als u er niet meer bent. Geef nooit op met bidden, hopen, verwachten. Vrees niet; geloof slechts, en uw verlangen zal vervuld worden. Bid voor hen zolang u adem hebt — en zolang zíj adem hebben. Zodra zij gestorven zijn, heeft bidden geen nut meer; maar zolang ze leven, houd niet op om voor hen te pleiten bij God.

Mensen komen soms op de meest onverwachte manieren tot bekering. Zo waren er eens twee dieven die het huis wilden beroven van een godvrezende predikant. Op zondagavond hield hij gewoonlijk in zijn woonkamer een bijeenkomst voor de armen, waarin hij het evangelie predikte. De mannen besloten naar binnen te sluipen en zich te verstoppen om later het huis te plunderen. Maar ze hebben dat huis nooit beroofd, want door de boodschap van die trouwe dienaar van God stal Christus Zelf hun hart. Ze beleden hun zonden en werden volgelingen van de Heiland.

U weet niet hoe ver de pijlen van de Overwinnaar kunnen reiken. Wanhoop dus nooit. Jezus Christus wil u troosten aangaande hen om wie u zich zorgen maakt met deze woorden: “Wees niet bevreesd; geloof slechts, en zij zullen genezen worden.” Blijf werken, blijf bidden, blijf geloven — Hij kan hen redden.

Maar geloof diezelfde waarheid ook met betrekking tot uzelf. Misschien denkt u, toehoorder, dat u te ver bent gegaan om nog gered te kunnen worden. Toch is dat niet zo. Misschien meent u dat uw geval uitzonderlijk is, maar juist zulke mensen redt Jezus Christus. Had Hij geen ongewone zondaars verlost, dan zou ikzelf er nooit één zijn geweest — want velen beschouwen ook mij als een vreemd mens. Bent u ook “anders”, “vreemd”? Kom dan met mij en vertrouw op Hem. Bent u iemand van wie men zegt dat hij “te ver is gegaan”? Dan bent u juist degene die Christus uitkiest om te zegenen, want Hij heeft er vreugde in om buitengewone zondaars te redden. Hij is immers Zelf een buitengewone Verlosser — er is nooit iemand geweest zoals Hij. En wanneer Hij een zondaar ontmoet die lijkt alsof er nooit één als hij is geweest, neemt Hij hem vaak aan en maakt hem tot een van Zijn dienaren, zoals Saulus van Tarsus — de vervolger — die Paulus, de apostel, werd.

Daarom verzoek ik u: wees niet bevreesd vanwege de grootte van uw zonde. Wees er wel ootmoedig onder, maar wanhoop niet. Misschien bent u oud geworden in zonde, diep geworteld in ongerechtigheid door een lang leven zonder God. Toch, twijfel niet aan de kracht van de Verlosser. Als uw redding van uzelf afhing, zou u kunnen wanhopen — maar de Heere heeft Zijn hulp gelegd op Iemand die machtig is: Zijn eniggeboren Zoon, die volkomen in staat is hen te redden die tot God komen door Hem. O arme, veroordeelde zondaar, hef uw ogen op en hoop. U die het gekletter van de hellepoort al meende te horen, u die in wanhoop zit opgesloten — heb moed, heb hoop! Want Jezus zegt ook tot u: “Wees niet bevreesd, geloof slechts, en u zult genezen worden.” Moge de Heere schenken dat dit genadige “Wees niet bevreesd” vandaag troost mag brengen aan sommigen die zoeken.

III. Ons derde “Wees niet bevreesd” vinden we in Lukas 5:7, en misschien is dit vooral toepasselijk voor broeder Cuff en voor andere dienaren die door Gods genade veel vrucht zien op hun arbeid:

“Die kwamen en zij vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus en zei: Heere, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens. Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen die zij gedaan hadden; en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen.”

DIT BEANTWOORDT DE VREES DIE VOORTVLOEIT UIT DE GROOTHEID VAN ZIJN GOEDHEID. Wanneer de Heere iemand van u voorspoedig maakt in Zijn dienst, en u bent van hetzelfde materiaal gemaakt als ik, dan zal uw succes u ongetwijfeld klein maken voor Zijn troon. Er was een tijd dat ik door velen werd veracht; ieder woord dat ik sprak leek ergernis te wekken. En weet u — dat was voor mij een gelukkige tijd! Want toen kon ik mij verheugen en God prijzen dat ik smaad mocht dragen omwille van Christus. Maar toen de Heere, in Zijn onbegrijpelijke goedheid, mij zielen begon toe te vertrouwen en de gemeente in de Tabernakel begon te groeien, werd ik zó overweldigd door de grootheid van Zijn ontferming, dat ik nauwelijks in woorden kan uitdrukken hoe zwaar de last van die barmhartigheid op mijn geest drukte.

Misschien is mijn geliefde broeder Cuff wel op dezelfde manier naar huis gegaan, na het zien van die menigte in het stadhuis en deze volle Tabernakel, met een hart dat zei: “Heere, waarom hebt U mij willen gebruiken? Waarom mij, en niet een ander?” Als een van u gezegend wordt in zijn werk — en ik vertrouw dat dat zo is — dan kent u wellicht ook die wonderlijke neerslachtigheid die nederigheid voortbrengt bij hem die weet: elke goede gave komt enkel van God.

Er is ook een andere vorm van vrees die voortkomt uit de grootheid van de goddelijke goedheid. Iemand zegt: “Ik denk dat ik gered ben; ik heb naar Christus gezien, en er kwam licht in mijn ziel… maar kan dat wel? Het lijkt te goed om waar te zijn.” Wel, mijn vriend, juist omdat het zó goed is, is het waar! Als het niet buitengewoon goed was, zou het níét van God zijn. Zoals iemand eens zei, toen een vriend hem verbaasd hoorde spreken over de genade van God: “Ja, het verbaast mij ook — maar het is precies iets wat bij Hem past.” Het is immers Gods manier om zondaars te zegenen boven alles wat zij kunnen bidden of denken. Zijn genade verbaast altijd. Wanneer Hij zegent, dan regent het niet — het stroomt! Hij overspoelt de woestijn, maakt van dorre grond een meer en van het dorstige land waterbronnen. Hij bevochtigt niet slechts, Hij verzadigt. Twijfel daarom nooit aan de echtheid van Zijn genade omwille van haar grootheid.

Toch hoor je soms schuchtere gelovigen zeggen: “Wat God hier doet, is wel heel groot — het kan niet blijven bestaan.” Ja, ik heb dat ook gehoord. De samenkomsten waarin velen het evangelie kwamen horen, werden spottend “een wonder van negen dagen” genoemd. Maar zie, het is niet verdwenen. Ons ongeloof zei: “Het zal niet standhouden,” maar de Heere heeft het bewaard. Het geloof voelt zich soms als een man die hoog in de lucht over een koord loopt — je bent bang dat hij elk moment kan vallen. Maar al zou de Heere ons midden in de lucht op een spinnenweb plaatsen, hoog als de Alpen, Hij zou ons niet laten vallen! Geloof is als klimmen op een onzichtbare trap: je ziet geen enkele trede, elke stap lijkt te zweven in het niets. Maar zodra je je voet neerzet, blijkt het vaste rots te zijn — sterker dan graniet.

Soms fluistert Satan: “God zal u verlaten. Hij heeft u tot hier geholpen, maar straks laat Hij u los.” Ah, maar dat zal Hij nooit doen! Zijn trouw wankelt niet. We moeten niet zijn als die boer die, toen hij een rivier moest oversteken, zei dat hij zou wachten tot het water opgedroogd was. Nee — de stroom van Gods genade droogt nooit op. En toch gedragen we ons soms alsof we zullen moeten leven tot die rivier opdroogt. Maar dat zal nooit gebeuren.

Er zijn ook mensen die, wanneer velen tot bekering komen, zeggen: “Er zijn er zóveel; dat kan niet allemaal echt zijn.” Juist daarom geloof ik dat het wél echt is! Als ik zo nu en dan een klein beetje vrucht van het werk zie, ben ik geneigd te zeggen: “Wel, ik weet het niet. Dit kan van God komen, maar het is geen grote manifestatie, want Hij doet doorgaans grote dingen wanneer Zijn Geest wordt uitgestort.”Maar wanneer ik Hem drieduizend mensen op één dag zie roepen, dan zeg ik: “Dit is de vinger van God. Daar ben ik zeker van.” Natuurlijk minacht ik de dag van de kleine dingen niet, maar laat mij ook de dag van de grote dingen prijzen!

Het is mij opgevallen dat degenen die in tijden van opwekking tot de Kerk kwamen, vaak even standvastig bleven als anderen — soms zelfs meer. In rustige tijden, wanneer er weinig mensen tot geloof komen, zijn we geneigd om bij de toelating minder nauwkeurig te toetsen; maar wanneer velen komen, voelen we juist dat we extra zorgvuldig moeten onderzoeken. Ik rechtvaardig dat niet, maar ik weet zeker dat die neiging bestaat. Ik geloof in groot werk. Wanneer ik zie dat onze Heere het net vult, hoor ik Hem in mijn hart zeggen: “Wees niet bevreesd omdat de boten zinken onder de overvloed. Wees niet bang; laat het net nog eens zakken — er komen er nog meer.”

Laten we nooit twijfelen, ook al lijkt het te wonderlijk dat God ons zo overvloedig zou willen zegenen. Ja, het is wonderlijk — maar dat is geen reden tot ongeloof. Kan de Heere zulke onbeduidende schepselen als wij gebruiken? Jazeker. Vraag niet hoe Hij dat doet, als Hij het doet. Hij is soeverein in alles: Hij gebruikt wie Hij wil. En als Hij u zegent, geef Hem dan alle eer, maar laat de grootheid van Zijn genade u niet argwanend maken. U hebt vast weleens een schilder gezien die met zijn palet in de hand bezig is. Op dat palet zitten slordige, onooglijke verfvlekken. Je zou denken: “Wat kan hij met die kleurvlekken beginnen?” Maar stap de kamer in waar zijn werk hangt — en zie: een prachtig schilderij! Wat een licht, wat een diepte, wat een harmonie tussen kleur en schaduw! Waar zijn die vlekken gebleven? Ze vormen het meesterwerk zelf. Wát? Is dat schitterende schilderij ontstaan uit die lelijke vlekken? Ja — want zo werkt een kunstenaar. Op nog veel wijzere wijze werkt Jezus. Hij neemt ons — die armzalige vlekken — en gebruikt ons om de schoonheid van Zijn genade te tonen. Want het is niet het penseel dat de eer verdient, en niet de verf die kracht bezit; het is het meesterschap van de hand van de Kunstenaar die alles tot leven brengt. Aan Zijn naam zij alle lof.

Wees dus niet bevreesd, eenvoudige arbeider. De Grote Kunstenaar weet wat Hij met u kan doen. Men zegt dat van een enkele cent aan ijzer iets gemaakt kan worden dat honderdvoudig in waarde stijgt wanneer het in de handen van een bekwaam maker komt. Wat zou de Heere dan wel niet kunnen maken van zulke arme schepselen als wij zijn? Wie kan het peilen? Hij zegt vandaag: “Wees niet bevreesd.” En ik voeg eraan toe: wees niet bevreesd, gemeente van Shoreditch! De Heere Zelf vult dit grote huis. Roep uw medearbeiders — uw partners in de andere schepen — om u te helpen. Laat iedereen rondom u hun netten uitwerpen, totdat alle boten gevuld zijn. Moge God u een langdurige en blijvende opwekking geven, een geestelijk ontwaken dat de hele regio vervult.

Laat de ouderen niet bevreesd zijn voor het machtige werk van de Heere — geloof erin en verheug u! Want stel dat de Heere op één enkele dag drieduizend zielen zou bekeren, dan zouden velen zeggen: “Ik geloof het niet; zoiets heb ik nog nooit gezien.” Veel kerken zouden aarzelen: “We moeten wachten met toelaten.” Maar op de Pinksterdag doopten zij de bekeerlingen nog diezelfde dag! Zie, de kerk toen wás bereid — zij geloofde in de kracht van de Geest. Ach, hadden wij vandaag maar datzelfde geloof! Er is, vrees ik, geen kerk in Engeland die het zo zou doen, en er zou menige gelovige zijn die mopperde over “enthousiasme” of “overhaaste ijver”. Wij zeggen: “Ik geloof in de Heilige Geest.” Maar geloven wij dat ook werkelijk — in de praktijk? Moge God ons dat levende geloof schenken.

IV. Nu richt ik mij op een vierde punt: “Wees niet bevreesd”, dat we vinden in Mattheüs 10:28. Ik zal er niet op ingaan, maar ik wil u er wel over informeren, omdat velen van u hier behoefte hebben aan de troost die hierin ligt. “En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.” DIT IS BEDOELD OM DE ANGST WEG TE NEMEN DIE VOORTVLOEIT UIT HARDVOCHTIGE VERVOLGING.

In een streek als deze, wanneer een arbeider tot Jezus Christus komt, blijft dat niet lang verborgen. Zijn vrienden en buren merken het al gauw, en helaas — arbeiders zijn zelden vriendelijk voor hun collega’s die christen worden.
Men zei ooit in Amerika: “Het is een vrij land; iedereen mag zijn eigen neger slaan.” En hier lijkt het soms even erg: “Het is een vrij land; iedereen mag zijn medearbeider uitschelden omdat hij God aanbidt.” Wat een diepe gemeenheid is het, dat mensen anderen verachten enkel omdat zij vroom willen leven. Als u het recht hebt te vloeken, dan heb ik het recht psalmen te zingen. Als u het recht hebt om de sabbat te schenden, dan heb ik het recht om die te heiligen — en om mijn werkplaats te betreden en te verlaten zonder uitgescholden te worden omdat ik in de vreze Gods leef. Maar dat recht wordt niet altijd erkend. Sommigen van u moeten, van ’s morgens tot ’s avonds, door een soort spitsroedenloop heen, enkel omdat u de Heere dient.

Toch, geliefde broeders en zusters in Christus, wees niet bevreesd, ook al bent u slechts arme schapen te midden van wolven. Lijkt het niet alsof de Heere iets onmogelijks zei toen Hij sprak: “Zie, Ik zend u als schapen te midden van de wolven”? En toch — Hij vergiste zich niet. Denk er eens over na: hoeveel wolven zijn er vandaag nog in de wereld? Ze kregen alle kansen om de schapen te verslinden, en toch — wat zien we nu? Zijn er vandaag meer wolven of meer schapen? De wolven zijn bijna verdwenen. In Frankrijk haalt men het nieuws als er nog één in een bewoond gebied wordt gezien; en in Engeland is er al geen enkele meer in het wild, al wemelde het land er vroeger van. De waarheid is: de schapen hebben de wolven verdreven. Wat ooit de prooi leek, heeft de jager overwonnen. Zo zal het ook gaan met machteloze gelovigen en hun woedende vervolgers: geduldige zwakheid zal ontembare kracht verslaan.

Wees dus geduldig. U kent het aambeeld in de werkplaats, nietwaar? U weet hoe hard de hamer erop neerkomt. Wat doet het aambeeld? Het antwoordt niet. Het vecht niet terug. Het verdraagt de slagen en blijft staan. Maar bedenk eens — hoeveel hamers zijn er versleten op datzelfde aambeeld? De hamers breken één voor één, maar het aambeeld blijft. Wees een aambeeld, broeder. Wees een schaap. Want hemelse onderwerping behaalt de overwinning,
en geduldige weerloosheid maakt u meer dan overwinnaar. Wees niet bevreesd. Verberg uw getuigenis niet.
Spreek openlijk over Jezus Christus, over wat Hij voor u gedaan heeft. En hoe meer men u lastert of vervolgt, des te vaster zult u — door Gods genade — besluiten te leven zonder blaam, zodat niemand kan zeggen dat hij fout in u vindt en ieder weet: híj is een christen. Dus: klim de mast in, en spijker uw vlag vast. Sla vanavond nog een spijker. Bevestig de vlag aan de top — en laat haar wapperen voor Christus.

Zeg: “Nee, bij Gods genade zal ik mij nooit schamen dat ik een christen ben. Ik zou mij misschien schamen als ik een dronkaard was. Ik zou mij misschien schamen als ik een vloeker was. Maar ik zal mij nóóit schamen dat ik een volgeling ben van de gekruisigde Zoon van God.” O, arme mannen en vrouwen, die vaak het zwaarste deel van de vijandigheid van de wereld moeten dragen — moge God u de genade geven om niet bevreesd te zijn. En twijfel niet aan uw geloof. Wees niet zo bang dat u begint te wankelen of ongelovig te worden. Het ware geloof is nooit in de meerderheid geweest — en zal dat waarschijnlijk voorlopig ook niet zijn.

Wees er maar zeker van: als de waarheid ooit door stemming moest worden bepaald, zou de meerderheid tégen haar stemmen. Want telkens wanneer wij de wereld haar oordeel laten vellen, is dat oordeel onvermijdelijk verkeerd. Soms lijkt het goede, op één plaats of in één tijdperk, tijdelijk te overheersen; maar over de hele aarde bezien zijn de nakomelingen van de slang nog altijd talrijker dan de kinderen van de vrouw.

Gezegend is hij die in een minderheid van één met God durft te staan. Want een minderheid van één, mét God, is — in het oordeel van de waarheid — de ware meerderheid. Reken God tot uw Bondgenoot, en u hebt meer aan uw zijde dan al uw tegenstanders samen.

V. Ik wil u niet langer ophouden, want de hitte neemt toe en ik vrees dat sommigen van u flauwvallen. Daarom wil ik nog een woord zeggen dat ik u allen graag wil laten horen. Dit is het vijfde “Wees niet bevreesd.” U vindt het in Lukas 12:32. Christus predikte tot Zijn discipelen en zei: “Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” DIT IS BEDOELD OM ANGST VOOR TIJDELIJKE ZAKEN TE VOORKOMEN.

Nu weet ik dat dit een tijd is waarin velen van Gods volk zwaar op de proef worden gesteld, en zij vrezen dat er niet voor hen zal worden gezorgd. Luister hiernaar: bent u ooit aan armoede ontsnapt door u zorgen te maken? Heeft uw angst u ook maar één penning rijker gemaakt? Hebt u niet gemerkt dat het vergeefs is om vroeg op te staan en laat naar bed te gaan, en u intussen te kwellen als u geen vertrouwen in God hebt? Hebt u dat nog niet geleerd? En weet u niet dat, als u een kind van God bent, Hij u zeker uw voedsel en kleding zal geven?

Ah, ik hoor iemand diep zuchten: “Het is een strenge winter geweest.” Dat is waar, mijn vriend, het is een strenge winter geweest. Ik durf te zeggen dat de vogels dat ook zo hebben ervaren, en toch merkte ik zondagmorgen, toen ik vroeg mijn raam opendeed, dat ze heel lieflijk zongen; en ook vanmorgen barstten ze uit in een koor van harmonieuze gezangen. Weet u wat het vogeltje zingt, terwijl het op een kale tak zit, omringd door sneeuw? Het tjirpt:

“Sterveling, staak uw zwoegen en verdriet,
God zorgt voor morgen.”

Leer het lied van de mus. Probeer, als het u gegeven is, iets te begrijpen van de geest van die kleine vogel die geen schuur heeft, geen voorraadkamer — en toch elke dag gevoed wordt. Laat dat u troosten: “Uw hemelse Vader weet wat u nodig hebt.” Hij kent uw behoeften. En is dat, voor een kind, niet genoeg — dat de Vader zijn noden kent? Wees gerust: u zult voedsel ontvangen. Misschien zult u in dit leven nooit overvloed kennen, maar u zult het Koninkrijk bezitten — en dat is reden tot vreugde. Uw erfdeel ligt nog voor u, en toch is het al zeker. Wie het einde belooft, zorgt ook voor de weg ernaartoe. Hij die u de kroon heeft beloofd, zal u geen brood onthouden. Sommige van Gods beste kinderen zijn juist degenen die het zwaarst lijden, omdat zij Hem door hun lijden het helderst kunnen verheerlijken.

Ik denk dat de engelen in de hemel bijna jaloers moeten zijn op een kind van God dat de kracht en het voorrecht heeft om te lijden omwille van Christus. Want ongetwijfeld verlenen engelen een volmaakte dienst aan de hemelse Koning, maar niet door te lijden: hun gehoorzaamheid aan Gods wil is actief, niet passief. Ik stel me voor dat zij zich in de hemel rondom sommigen van u zullen verzamelen en zeggen: “U woonde in Bethnal Green of in Shoreditch, nietwaar?” En dan zullen zij vragen: “In wat voor woning leefde u? Een donkere kamer? U was erg arm, had soms geen werk — en vertrouwde u toch op God?” De engelen zullen zich verblijden als u antwoordt: “O ja, wij gingen nog steeds tot onze hemelse Vader en zeiden: ‘Al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?’” Dat is, naar mijn oordeel, het mooiste wat een mens ooit heeft gezegd. Broeder Cuff heeft veel schone woorden gesproken, maar nooit een edeler zin dan deze: “Al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?.” Wat een sublieme uitdrukking!Toen Job alles verloren had — nadat hij een rijk man was geweest — zat hij op de ashoop, krabde aan zijn zweren en zei: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!”

Cherubijnen en serafijnen — in al uw liederen is er geen strofe die dit heroïsche vers overtreft. Engelen kunnen geen zó grote hoogte van sublieme toewijding aan de Onzienlijke bereiken als Job deed, toen hij in zijn ellende zijn God verheerlijkte door zijn onwankelbare vertrouwen. O, u die diep vernederd bent, u hebt grote kansen om God te eren — als u Hem slechts vertrouwt. “Wees niet bevreesd.” “Wees niet bevreesd.”

“Vrees niet het verlies van aardse goed,
Hij zorgt voor wie Hem vrezen,
Hij geeft hun dagelijks brood en moed,
En alles wat zij wezenlijk begeren.”

En Hij zal u ook geestelijk voedsel geven. Wanneer God Zijn volk verlost, laat Hij hen onderweg niet hongeren. Hij voedt hun zielen tot zij aankomen in de heerlijkheid. Onze God is niet zoals de hertog van Alva, die een stad zijn leven spaarde maar haar liet verhongeren. Toen men klaagde, zei hij: “Ik heb jullie het leven geschonken, maar geen voedsel beloofd.” Zo spreekt onze Heere niet. Hij neemt in de belofte van redding alles op wat daarbij hoort: leven, voeding, kracht — alles wat u nodig zult hebben tussen hier en de hemel. Wees daarom niet bevreesd.

VI. Tot slot, de tijd dringt: maar ik wilde afsluiten met het woord in Handelingen 27:24, waar de Heere Zijn engel naar Zijn dienaar Paulus stuurde ten tijde van de schipbreuk, en tot hem zei: “Vrees niet, Paulus; gij moet voor Caesar verschijnen; en zie, God heeft u allen die met u varen gegeven.” Daarom bid ik tot God dat alle gevaren in de toekomst – alle dreigende kwalen en gevaren die u nu omringen – u geen vrees zullen bezorgen, want de Heere zal geen haar van uw hoofd verloren laten gaan, maar Hij die u gemaakt heeft, zal u erdoorheen helpen en u ook meer dan overwinnaars maken.

Beproefde mensen van God, rust in de Heere, en uw vertrouwen zal uw kracht zijn. U hebt vaak gehoord van de jongen aan boord van een schip in een storm, die als enige niet bang was. Toen men hem vroeg waarom hij niet bang was, zei hij: “Omdat mijn vader aan het roer staat.” Wij hebben nog meer reden om alle angst van ons af te werpen, want niet alleen staat onze Vader aan het roer, maar onze Vader is overal, Hij houdt de wind en de golven in de palm van Zijn hand. Er kan u of mij geen kwaad overkomen dat Hij niet heeft verordend of toegestaan. Er kan geen beproeving komen die Hij niet zal beperken en ongedaan maken. Er kan geen kwaad geschieden dat niet ten goede zal werken voor hen die God liefhebben. Wees daarom niet bevreesd. Wat maakt het uit dat de storm huilt, en het schip kraakt en kreunt terwijl het zich door de golven worstelt, en u denkt dat er niets dan vernietiging op u wacht — wees niet bevreesd! Laat de angst geen moment blijven hangen in de aanwezigheid van de eeuwige Christus, die zegt: “Ik ben het; wees niet bevreesd.”

Moge God toestaan dat Zijn eigen “Wees niet bevreesd” op de een of andere manier doordringt tot het hart van iedereen die hier aanwezig is. En aan Zijn Naam zij de eer, voor eeuwig. Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content