Nooit! Nooit! Nooit! Nooit! Nooit!

Een preek uitgesproken op zondagochtend 26 Oktober 1862, door ds. C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. Hebreeën 13:5

Wat een kracht schuilt er in de woorden: “Hij heeft Zelf gezegd!” De mens die door het geloof begrijpt dat “Hij het Zelf gezegd” heeft, draagt een allesoverwinnend wapen in zijn hand. Welke twijfel kan standhouden tegen dit tweesnijdende zwaard? Welke angst zal niet worden neergeslagen wanneer deze pijl uit de boog van Gods verbond haar treft? Zullen de noden van het leven en de pijn van de dood, de verdorvenheid van binnen en de verleiding van buiten, de verzoekingen van boven en de beproevingen van beneden niet allemaal licht lijken, zodra wij ons kunnen verschuilen achter het bolwerk van “Hij heeft Zelf gezegd”?

Of wij nu rusten in Zijn vreugde of worstelen in de strijd, de woorden “Hij heeft Zelf gezegd” moeten ons dagelijkse toevluchtsoord zijn. Broeders en zusters, laten wij daarom de onschatbare waarde leren kennen van het onderzoeken van de Schrift. Er kan in de Schrift een belofte zijn die precies past bij uw situatie; maar wie haar niet kent, mist de troost die zij bedoelt te geven. U bent dan als een gevangene in een kerker, terwijl er misschien één sleutel aan de bos hangt die uw deur kan ontsluiten en u vrijheid kan schenken — maar zolang u niet zoekt, blijft u opgesloten, al ligt de vrijheid binnen handbereik. In de grote apotheek van de Schrift kan een krachtig medicijn liggen — precies het middel voor uw kwaal — maar u blijft ziek zolang u niet onderzoekt wat “Hij Zelf heeft gezegd”.

Moeten wij dan niet, naast het lezen van de Bijbel, ons geheugen rijk vullen met Gods beloften? Wij kunnen de woorden van grote mensen citeren en verzen van beroemde dichters onthouden — zouden wij dan geen diepgaande kennis moeten hebben van de woorden van God? De Schrift zou de klassieker van de christen moeten zijn. Zoals redenaars Homerus of Vergilius citeren om hun betoog kracht bij te zetten, zo zouden wij Gods beloften paraat moeten hebben wanneer wij strijd voeren tegen twijfel of ontmoediging. “Hij heeft Zelf gezegd” — dat is het fundament van alle rijkdom en de bron van alle troost. Laat dit woord overvloedig in u wonen als een bron van levend water die opwelt tot in het eeuwige leven.

En, o mijn broeders, hoe ijverig moeten wij Zijn Woord onderzoeken! Niet alleen door te lezen en te bewaren in ons geheugen, maar ook door het te toetsen in de praktijk. Telkens wanneer een belofte waar blijkt te zijn, bewaar haar dan in uw hart, en zeg met de heiligen van ouds: ‘Dit is mijn troost in mijn ellende, dat Uw woord mij levend heeft gemaakt.’ Zo riep Jesaja uit: ‘Wacht op de HEERE!’ — en herhaalde: ‘Wacht, zeg ik, op de HEERE’ — alsof zijn eigen ervaring hem dreef Gods stem nogmaals tot zijn toehoorders te richten.

Onderzoek de belofte. Breng Gods “wisselbrief” naar de balie en ervaar of Hij haar werkelijk inlost. Grijp de hefboom die Hij heeft ingesteld om uw last te verlichten en ontdek of er kracht in schuilt. Werp deze goddelijke boom in het bittere water van uw Mara en zie hoe het zoet wordt. Strooi dit zout in het troebele water en let erop hoe het helder wordt, zoals eens bij de profeet Elisa. Proef en zie dat de HEERE goed is; wie Hem vrezen, zullen geen ding ontbreken.

U zult merken dat de apostelen, net als hun Meester, buitengewoon bedreven waren in het citeren van Gods Woord. Hoewel zij zelf geïnspireerde mannen waren en nieuwe woorden hadden kunnen spreken, gaven zij er de voorkeur aan — tot voorbeeld voor ons — te zeggen: “Hij heeft Zelf gezegd.” Laten wij hetzelfde doen. Want hoe aangenaam de woorden van predikanten ook mogen klinken, de woorden van God zijn oneindig zoeter. En hoe verfrissend originele gedachten soms ook zijn, de oude woorden van God dragen het gewicht, de klank en de waarde van kostbare, beproefde munten. Zij zullen nooit tekortschieten op de dag dat we ze werkelijk nodig hebben.

Uit onze tekst blijkt dat “Hij heeft Zelf gezegd” niet alleen twijfel, angst, moeite en duivelse aanvallen overwint, maar ons bovendien alle genade schenkt. Wanneer de apostel ons tot vrede wil leiden, zegt hij: “Wees tevreden met wat u hebt, want Hij heeft Zelf gezegd.” Wil hij moed en vastberadenheid aanwakkeren, dan roept hij: “Hij heeft gezegd, daarom mogen wij vrijmoedig belijden: De HEERE is mijn Helper — ik zal niet vrezen wat een mens mij doen kan.” Voedt hij ons met geloof, dan haalt hij Abraham, Izak, Jakob, Mozes, Gideon, Barak en Jefta aan. Wil hij ons geduld versterken, dan wijst hij op Job; voor het gebed op Elia, die een mens was zoals wij. “Hij heeft Zelf gezegd” is voedsel voor elke genade en de dood voor elke zonde — hier vindt u spijs voor het goede en gif voor het kwade. Onderzoek daarom de Schriften, opdat u gezond, sterk en krachtig wordt in het goddelijk leven.

Wij richten ons nu met grote vreugde op de prachtige woorden van onze tekst: “Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” U bent zich er ongetwijfeld van bewust dat onze vertaling niet de volle kracht van het origineel weergeeft, en dat het ook in het Engels nauwelijks mogelijk is om het volledige gewicht van het Grieks tot uitdrukking te brengen. We zouden het kunnen vertalen als: “Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u nooit, nooit verlaten; Ik zal u nooit, nooit, nooit in de steek laten.” Hoewel dat geen letterlijke, maar eerder een vrije vertaling is, weten we toch niet hoe we de kracht ervan anders zouden kunnen uitdrukken, aangezien er in het Grieks vijf ontkenningen staan. Twee ontkenningen heffen elkaar in onze taal op, maar hier, in het Grieks, versterken ze elkaar achtereenvolgens — zoals, naar ik veronderstel, Davids vijf stenen uit de beek dat zouden hebben gedaan als de eerste niet voldoende was geweest om de reus te doen wankelen. Het vers dat we zojuist hebben gezongen, is een zeer goede weergave van het origineel:

“De ziel die op Jezus heeft gesteund voor leven,
Zal Ik nooit, nee, zal Ik nooit aan zijn vijanden overgeven;
Ook al zou de gehele hel haar trachten te doen wankelen, en haten
Deze ziel zal Ik nooit, nee nooit, nee nooit verlaten.”Hier vinden we de vijf ontkenningen op meesterlijke wijze geplaatst, en de kracht van het Grieks wordt zo goed mogelijk weergegeven.

Wanneer we proberen deze vijfvoudige verzekering — deze kwintessens van troost — uit te leggen, willen we allereerst uw aandacht vestigen op een ernstige toestand, namelijk datgene wat ontkend wordt. Ten tweede wijzen we op een genadige belofte, ofwel datgene wat positief wordt toegezegd. Vervolgens zullen we stilstaan bij opmerkelijke gelegenheden of tijden waarop deze belofte werd uitgesproken. Daarna volgen enkele woorden over de zoete bevestigingen die bewijzen dat deze tekst waar is. En ten slotte, in de vijfde plaats, bekijken we de noodzakelijke conclusies die voortvloeien uit de woorden van deze belofte.

I. Allereerst dan, EEN VRESELIJKE TOESTAND – verloren en VERLATEN door God! Ik ben er vrij zeker van dat ik er niet in zal slagen deze gemoedstoestand te beschrijven. Ik heb erover nagedacht, erover gedroomd en het gevoeld in de beperkte mate waarin een kind van God het kan voelen, maar hoe ik het moet beschrijven, weet ik niet.

1. Verlatenheid betekent totale eenzaamheid. Stel u een reiziger voor in een uitgestrekte, woeste wildernis, waar mijlenver geen mens te bekennen is — geen spoor van andere reizigers. De eenzame man schreeuwt om hulp, maar de holle echo van de rotsen is zijn enige antwoord. Geen vogel in de lucht, geen jakhals in de wildernis, geen insect in de zonnestraal om hem gezelschap te houden, zelfs geen grassprietje om hem aan God te herinneren!
En toch is hij daar niet alleen: die kale rotsen getuigen van Gods bestaan, het gloeiende zand onder zijn voeten en de brandende zon boven zijn hoofd wijzen allemaal op een aanwezige God. Maar stel u voor hoe verschrikkelijk de eenzaamheid zou zijn van een mens die door God zelf verlaten is! Geen ballingschap ter wereld zou zo gruwelijk zijn, want Hij zegt: “Nam ik vleugels van de dageraad, woonde ik aan het einde van de zee, ook daar zou Uw hand mij leiden en Uw rechterhand mij vasthouden.”

Zo’n toestand zou erger zijn dan de hel zelf, want David getuigt: “Al legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.” Eenzaamheid op zich is al een gevoel dat niemand van ons begeert. Een vleugje eenzaamheid kan charme hebben, maar wie ertoe gedwongen is haar gevangene te zijn, kent die niet. Een voorbijgaande afzondering kan verkwikken; volkomen alleen zijn is verschrikkelijk; alleen zijn zonder God is een eenzaamheid zo diep, dat zelfs een verdoemde geest de verschrikking en angst daarvan niet onder woorden kan brengen. Er ligt veel meer in de woorden van onze Heere Jezus dan wij ons kunnen voorstellen, wanneer Hij roept: “Ik heb de pers alleen getreden!” Alleen!

Herinnert u zich dat Hij eens zei: “U zult Mij alleen laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader bij Mij is”? Daar klinkt geen kwelling in door. Maar wat een verdriet moet er in Zijn ziel rondgaan, als Hij uitroept: “Ik heb de pers alleen getreden!” “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” — dat is de kreet van de menselijke natuur in haar diepste wanhoop. Goddank leert deze belofte ons dat wij nooit die wanhopige eenzaamheid zullen kennen van Gods verlatenheid. Maar dat is wel wat er zou gebeuren als Hij ons zou verlaten!

2. Deze diepe verlatenheid brengt totale hulpeloosheid met zich mee. Macht behoort aan God toe; trekt Hij Zich terug, dan falen zelfs de sterksten volledig. De aartsengel zonder God verdwijnt spoorloos; eeuwige heuvels buigen, de vaste pijlers der aarde breken. Zonder God keert ons lichaam terug tot stof, en treurt onze geest als David: “Vergeten ben ik, als een dode, verdwenen uit het hart; ik ben geworden als een gebroken kruik.” Christus kende dit toen Hij zei: “Ik ben een worm en geen man.” Hij was zo volkomen gebroken, zo leeg van alle kracht, dat Hij aan het kruis met ontwrichte ledematen riep: “Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, U legt mij in het stof van de dood.”

Geen geknakt riet of rokende vlaswiek is zo zwak als een ziel die door God verlaten is. Onze toestand zou net zo rampzalig en verlaten zijn als die van Ezechiëls kind: in het open veld geworpen, zonder iemand om het te verzorgen of in te bakeren, volledig aan zijn lot overgelaten om te sterven en te vergaan. Zo zouden wij zijn als God ons verliet! Godezijdank voor die beloften die ons behoeden voor deze verschrikking en alle angst ervoor wegnemen.

3. Door God verlaten worden betekent volledig vriendloos zijn. Duizendmaal gezegend zij Jehova dat slechts weinigen van ons ooit hebben ervaren wat het is om werkelijk geen vrienden te hebben! Sommigen kennen momenten waarop we ons zo eenzaam voelden dat we ons verdriet aan niemand durfden toevertrouwen. Elke dienaar die in de kerk bijzonder nuttig is, kent ogenblikken dat hij als kampioen van Israël alleen moet strijden. Maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt door sterker geloof en de morele grootheid van eenzame moed. Hoe verschrikkelijk moet het zijn voor een arme stakker wiens ouders al lang begraven zijn en die al zijn verre familie heeft verloren?

Hij loopt over straat, herinnert zich de naam van iemand die ooit vriend van zijn vader was, klopt aan — en wordt afgewezen. Hij denkt aan een ander, zijn laatste hoop, iemand met wie hij als kind speelde; hij staat aan die deur te bedelen om een aalmoes — en wordt weggestuurd. Dan dwaalt hij in de koude novembermaand door de straten terwijl de regen met bakken uit de hemel komt, en tot zijn ontzetting voelt hij: er leeft niemand die mijn vriend is.

Terug naar zijn eigen parochie? Dat is als thuiskomen in een kerker. Het armenhuis binnenstappen? Geen oog kijkt hem met medelijden aan. Volkomen vriendloos en alleen! Ik geloof dat veel zelfmoorden voortkomen uit dit gemis aan een vriend. Zolang iemand voelt dat er van hem gehouden wordt, heeft hij reden om te leven. Maar als de laatste vriend wegvalt en we ons voelen als een vlot op de eindeloze zee, zonder enig schip in zicht, dan roepen we: “Dood, wees welkom!” Onze Heere en Meester werd in deze toestand gebracht en kende de bitterheid ervan, want ook Hij had geen vrienden meer. “Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.” “Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten.”

Broeders, vele heiligen hebben al hun vrienden verloren, maar konden hun ogen naar de hemel te richten. Zij voelden: hoewel geen mens mij vriend is, toch heb ik een Vriend. Zij hoorden Jezus zeggen: “Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe.” Gesterkt door die goddelijke vriendschap voelden zij zich niet volkomen berooid. Maar door God verlaten worden! O, moge ons dat bespaard blijven! Zonder Vriend in de hemel; om naar die troon van genade te zien en alleen maar duisternis te ontwaren; om barmhartigheid te smeken en een boze blik te ontvangen; om naar liefde te vluchten en een terechtwijzing te krijgen; je tot God te wenden en te merken dat Zijn oor doof is, dat Hij niet hoort, en dat Zijn hand terughoudt zodat Hij niet helpt — o, dit is verschrikking op verschrikking, een totale verlatenheid!

4. Eenzaamheid, hulpeloosheid, vriendloosheid — voeg daar hopeloosheid aan toe. Een man die door mensen verlaten is, kan nog hoop koesteren. Maar laat hem door God verlaten worden, en alle hoop is uitgedoofd; het laatste venster sluit zich, geen straaltje licht meer in de dikke Egyptische duisternis van zijn ziel. Het leven is dood geworden; de dood is verdoemenis — verdoemenis in de diepste diepten. Kijkt hij naar mensen, dan zijn zij gebroken riet; wendt hij zich tot engelen, dan zijn zij wraakengelen; kijkt hij naar het graf, zelfs daar vindt hij geen toevlucht.

Overal grijpt hem lege, zwarte wanhoop. Onze gezegende Heere kende dit toen Zijn geliefden en vrienden Hem verlieten en Zijn vertrouwelingen in duisternis gehuld waren. Alleen zijn bovennatuurlijke geloof liet Hem uiteindelijk zeggen: “Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.” De zwarte schaduw van deze totale hopeloosheid viel over Hem toen Hij zei: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe,” en “Zijn zweet werd als grote druppels bloed, die op de aarde neervielen.”

5. Om deze vijfvoudige verlatenheid — waartegen de vijf ontkenningen zich keren — aan te vullen, voegen we aan al die eenzaamheid, hulpeloosheid, vriendloosheid en hopeloosheid nog een gevoel van onuitsprekelijke lijdensnood toe. Lijden beschrijven is één ding; het doormaken is iets totaal anders. Ellende en wanhoop — het worstelen van die krachten met de geest, totdat de geest wordt neergeworpen, verpletterd en gebroken, zodat verstikking boven leven wordt verkoren; het besef dat elk kwaad zijn hol in ons hart heeft gegraven; het bewustzijn mikpunt te zijn van al Gods pijlen; dat al Gods golven en bruisende wateren over ons zijn heengegaan; dat Hij de genade vergeten is, ons nooit meer genadig zal zijn, en in toorn de poorten van Zijn barmhartigheid heeft gesloten — dit alles maakt deel uit van door God verlaten worden, dat alleen verloren zielen in de hel kunnen kennen! Ons ongeloof geeft soms een glimp van dit alles, maar slechts een glimp, slechts een glimp. Laten we God danken dat Hij ons verlost heeft van de vrees voor dit verschrikkelijke kwaad. Door middel van vijf wonden doodt onze Verlosser ons ongeloof.

Broeders, bedenk wat het gevolg zou zijn als God ons verliet: zelfs in de gunstigste voorstelling van iemand die door God verlaten is, blijft slechts onzekerheid en toeval over. Ik zou liever een atoom zijn dat God bij Zich houdt, wiens baan Hij voorbestemt en voortstuwt naar Zijn wil, dan een aartsengel overgelaten aan zijn eigen keus — handelend zoals hij wil, zonder Gods controle. Want zo’n aartsengel zou weldra zijn weg kwijtraken, in de hel vallen, wegsmelten en sterven. Maar dat kleine atoom, met God aan zijn zijde, volvoert zijn voorbestemde koers, blijft op een zeker pad en behoudt eeuwig de kracht van zijn eerste schepping.

Ik begrijp niet waarom sommigen zo verzot zijn op vrije wil. Vrije wil is zondaars genot, maar Gods wil heiligen glorie. Niets begeer ik liever af te leggen dan mijn eigen wil, om opgezogen te worden in de wil en het doel van mijn Heere. Handelen naar de wil van Hem die het meest goed, waarachtig, wijs en machtig is — dat is voor mij de hemel. Laat anderen de waardigheid van onafhankelijkheid verkiezen; ik verlang naar de glorie van volledig dood zijn in Christus en alleen in Hem te leven. Beste vrienden, als de Heere ons in de steek liet, zou onze koers op zijn best onzeker zijn en spoedig in het niet vergaan.

We weten bovendien dat als God de beste heilige die leeft zou verlaten, die man onmiddellijk in zonde zou vervallen. Hij staat nu veilig op die hoge top, maar zijn hoofd zou tollen en hij zou vallen als er geen onzichtbare handen waren die hem ondersteunen. Hij zet nu voorzichtig zijn stappen; maar neem zijn genade weg en hij zou in de modder rollen en zich daarin wentelen zoals andere mensen. Laat de godvruchtige door zijn God in de steek worden gelaten, en hij zou van kwaad tot erger gaan, totdat zijn geweten — dat nu zo gevoelig is — zou worden verhard als met een heet ijzer.

Vervolgens zou hij uitgroeien tot een atheïst of een godslasteraar, en hij zou op zijn sterfbed komen liggen, schuimbekkend van woede; hij zou voor de rechterstoel van zijn Schepper verschijnen met een vloek op zijn lippen; en in de eeuwigheid, verlaten en in de steek gelaten door God, zou hij met de veroordeelden naar de hel zinken, ja, en onder de verdoemden zou hij de slechtste plaats krijgen, lager dan de laagsten, en in de diepste diepten een nog diepere diepte vinden, en in de toorn van God iets vreselijks vinden dat nog verschrikkelijker is dan de gewone toorn die op gewone zondaars neerdaalt!

Wanneer wij op deze wijze de verschrikking van godverlating schetsen, is het dan geen grote troost dat wij vijfmaal Gods woord hebben: ‘Ik zal u nooit, nooit verlaten; Ik zal u nooit, nooit, nooit in de steek laten’? Ik ben mij ervan bewust dat degenen die het calvinisme belachelijk maken, beweren dat wij onderwijzen dat een mens mag leven zoals hij wil, maar dat hij uiteindelijk veilig zal zijn als God met hem is. Maar dat onderwijzen wij niet — en onze tegenstanders weten dat drommels goed. Zij erkennen dat onze leer onwankelbaar is als zij haar recht weergeven; hun enige wapen is laster en verdraaiing. Nee, wij zeggen: waar God een goed werk begint, leeft de mens niet naar zijn eigen wil — of beter gezegd: hij wíl leven zoals God het wil. Waar God begint, zet Hij door. De mens wordt door God niet verlaten, noch verlaat hij God, maar wordt tot het einde toe bewaard.

II. Ten tweede hebben we hier een GENADIGE BELOFTE, ofwel iets dat absoluut gegarandeerd wordt. Wat wordt door deze belofte gegarandeerd? Geliefden, hierin schenkt God Zijn volk alles. ‘Ik zal u beslist niet verlaten.’ Dan kan geen enkele eigenschap van God ophouden voor ons te werken. Is Hij machtig? Hij toont Zijn kracht voor wie op Hem vertrouwt. Is Hij liefde? Hij omhelst ons met eeuwige goedertierenheid. Welke hoedanigheden ook Zijn goddelijk karakter vormen, zij werken alle ten volle voor ons. Bovendien: wat God bezit — of het nu in de diepste afgronden of de hoogste hemelen ligt, in oneindigheid of eeuwigheid past, in Hem die alles vervult en toch groter is dan alles — dat alles blijft bij Zijn volk, want ‘Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.’ Men kan hier eindeloos over uitweiden, maar ik onthoud me ervan; het samenvatten van ‘alle dingen’ overstijgt menselijk vermogen.

III. Om deze belofte echter vollediger toe te lichten, wil ik u herinneren aan de vijf gelegenheden waarin zij in de Schrift voorkomt. Het getal vijf loopt als een rode draad door ons onderwerp. De betekenis en de geest van de tekst zijn op talloze plaatsen te vinden, en mogelijk zijn er nog andere passages die zo sterk op onze tekst lijken dat men zou kunnen zeggen dat zij ook herhalingen zijn, maar ik denk dat er vijf zijn die duidelijk het belangrijkst zijn.1. Een van de eerste voorbeelden vinden we in Genesis 28:15. “En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!” Hier horen we deze belofte aan een man in grote beproeving. Jakob was meer dan Abraham of Isaak de zoon van verdrukking. Nu vlucht hij uit het huis van zijn vader, laat de tedere liefde van zijn moeder achter, veracht door zijn oudere broer die hem naar het leven staat.

Hij legt zich te slapen met een steen als hoofdkussen, heggen als gordijnen, de aarde als bed en de hemel als baldakijn. Eenzaam, zonder vrienden, spreekt God tot hem: “Ik zal u niet verlaten.” We volgen zijn verdere weg. God leidt hem naar Padan-Aram en blijft bij hem. Laban bedriegt hem op allerlei sluwe, onrechtvaardige wijzen — maar God verlaat hem niet, en Jakob is Laban de baas. Uiteindelijk vlucht hij met vrouwen en kinderen; Laban jaagt hem achterna, maar de HEERE houdt hem tegen. De berg Mizpa getuigt ervan: God kan een achtervolger tot vriend maken. Dan komt Esau opdagen; Jabbok herinnert aan Jakobs worsteling. Door de kracht van Hem die Zijn dienaar nooit verlaat, kust Esau de broer die hij ooit wilde doden. Jakob woont in hutten en tenten te Sukkoth, reist door het land, en als zijn zonen de mannen van Sichem vermoorden en de volken wraak willen nemen, grijpt de HEERE in en redt Jakob.

Dan worden zijn zonen hem ontnomen. Hij klaagt: “Jullie beroven mij van kinderen! Jozef is er niet meer, en Simeon is er niet; nu willen jullie Benjamin ook nog meenemen! Al deze dingen zijn tegen mij!” Maar de dingen zijn helemaal niet tegen hem; God heeft hem niet verlaten, want Hij heeft nog niet alles gedaan wat Hij hem had beloofd. De oude man gaat naar Egypte; zijn lippen worden verfrist terwijl hij de wangen van zijn geliefde Jozef kust, en tot het einde, wanneer hij zijn voeten bij elkaar legt op het bed en zingt over de komende Shiloh en de scepter die niet van Juda zal wijken, bewijst de goede oude Jakob dat God in zes moeilijkheden bij zijn volk is, en in zeven hen niet in de steek laat; dat Hij zelfs tot op hoge leeftijd dezelfde is, en hen tot op hoge leeftijd draagt. Jullie Jacobs, vol van ellende, jullie beproefde en gekwelde erfgenamen van de hemel, Hij heeft tegen u gezegd, tegen ieder van u, Ik zal u nooit verlaten; Ik zal u nooit in de steek laten. O, geloof Hem toch!

2. De volgende keer dat we dezezelfde belofte tegenkomen, is in Deuteronomium 31:6. Daar wordt zij niet zozeer tot afzonderlijke personen gericht, maar tot het hele volk als één geheel. Mozes sprak tot het volk van Juda, door het Woord van God: “Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.” Geliefden, wij mogen dezezelfde belofte beschouwen als een toezegging aan Gods Gemeente, als Kerk. Israël stond op het punt te strijden tegen de vervloekte volken van Kanaän, om de reuzen te verdrijven en de strijders met hun ijzeren wagens te overwinnen. Toch had de HEERE beloofd dat Hij hen niet zou verlaten — en Hij hield Zijn woord, totdat het door Hem uitverkoren volk, van Dan tot Berseba, het beloofde land in bezit had genomen en de stammen met vreugdevolle gezangen optrokken naar Jeruzalem.

Laten wij nu, als Kerk van God, niet vergeten dat het land voor ons ligt en dat wij geroepen zijn het in bezit te nemen. Hoe graag zou ik, als dat mijn roeping mocht zijn, u willen leiden zoals Jozua deed — van overwinning tot overwinning — om de vijanden van de HEERE te verdrijven en het rijk van de Messias uit te breiden! Laten wij doen wat in ons vermogen ligt; wij zullen niet falen. Laten wij in geloof grote dingen durven doen, en wij zullen grote dingen doen. Laten wij het wagen opmerkelijke daden te ondernemen — daden die de rede fanatiek noemt en verstandigen dwaas zouden achten — want Hij heeft gezegd: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” O, dat de Kerk van God die zekerheid ten volle kende — dat haar Heere haar niet kan verlaten! Dan zou zij grotere dingen ondernemen dan ooit tevoren, en het welslagen van haar arbeid zou onfeilbaar zijn. Want God kan een biddend volk niet begeven, noch een werkende Kerk afwijzen; Hij moet haar zegenen — tot het einde toe.

3. De derde keer dat deze belofte wordt uitgesproken, vinden we in Jozua 1:5, waar de HEERE tot Jozua zegt: “Niemand zal tegenover u standhouden al de dagen van uw leven. Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.” Dit is bij uitstek een woord voor dienaren van het Evangelie. Wanneer wij geroepen zijn om Gods volk te leiden, de last van de strijd te dragen en de hitte en moeiten van de dag te verduren, laat dit dan onze kostbare vertroosting zijn: Hij zal ons niet begeven en ons niet verlaten. Niet iedereen kan in de voorste gelederen staan. En hoewel God degene die daar geplaatst wordt een grote eer toevertrouwt, ligt er in zo’n roeping ook een bitterheid verscholen die geen ander kan begrijpen.

Er komen ogenblikken waarop wij, zonder geloof, zouden bezwijken; als de Meester niet bij ons was, zouden wij omkeren en vluchten, zoals Jona die voor Ninevé vluchtte. Maar wie van u geroepen is tot een plaats van leiding in Gods Kerk, make deze belofte tot uw vaste bemoediging. Bind haar als een zegel om uw arm, en zij zal u sterken: “Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.” Ga dan in deze kracht; de HEERE is met u, gij dappere man.

4. De volgende gelegenheid waarop deze belofte klinkt, vinden we in de laatste woorden van David aan zijn zoon Salomo, in 1 Kronieken 28:20. David sprak toen uit wat hij zelf als waar en betrouwbaar had ervaren, en hij zei: “Wees sterk en moedig, en doe het; wees niet bevreesd en wees niet ontsteld, want de HEERE God, mijn God, zal met je zijn. Hij zal je niet loslaten en Hij zal je niet verlaten, totdat je heel het werk voor de dienst van het huis van de HEERE zult voltooid hebben.” Sommige gelovigen bevinden zich in een positie waarin veel voorzichtigheid, discretie en wijsheid vereist zijn. Laat deze belofte dan ook de uwe zijn.

De koningin van Scheba kwam Salomo opzoeken en stelde hem tal van moeilijke vragen, maar God verliet hem niet en liet hem niet in de steek — en hij wist op alles antwoord te geven.  Als rechter over Israël kreeg hij dikwijls ingewikkelde zaken voorgelegd — u herinnert zich het kind en de twee vrouwen — en hij oordeelde met wijsheid die het menselijke te boven ging. De bouw van de tempel was een onderneming van ongekende grootheid, iets wat de aarde niet eerder had aanschouwd, maar door de wijsheid die God hem schonk, werden steen na steen gelegd, totdat uiteindelijk de sluitsteen met gejuich werd aangebracht.Zo zult ook u uw werk volbrengen, zakenman, hoe zwaar uw verantwoordelijkheid ook weegt. Zo zult ook u standhouden, nauwgezet arbeider, ook al volgen vele ogen u op de voet, hopend dat u struikelt. En u eveneens, zuster — al lijkt het soms alsof u zeven ogen nodig hebt om alles te overzien — u zult de zachte stem van God horen zeggen: “Dit is de weg — bewandel die.” U zult nooit te schande staan, noch verward raken, tot in eeuwigheid.

5. Nogmaals — en wellicht is deze vijfde gelegenheid voor velen van u de meest vertroostende — vinden we de belofte in Jesaja 41:17: “De ellendigen en de armen zoeken water, maar het is er niet, hun tong versmacht van dorst. Ík, de HEERE, zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.” Misschien bevindt u zich vandaag in zo’n toestand. Uw ziel dorst naar Christus, maar u kunt Hem niet vinden. U voelt dat u verloren bent zonder de genade die ontspringt aan het verzoenende bloed. Misschien hebt u uw toevlucht gezocht tot werken en ceremoniën, tot gebeden, weldaden en ervaringen, maar u hebt ontdekt dat het allemaal slechts droge bronnen zijn. En nu kunt u nauwelijks nog bidden, want uw tong kleeft aan uw gehemelte van dorst.
Maar juist nu — in deze diepste laagte, in de ellendigste toestand waarin een mens kan verkeren — zal Christus u niet verlaten. Hij zal verschijnen om u te helpen.

Een van deze vijf gelegenheden zal zeker bij u passen. En laat mij u herinneren: wat God tot één heilige heeft gezegd, geldt voor allen. Wanneer Hij een bron opent voor één mens, is dat opdat iedereen mag drinken. Wanneer het manna valt, is het niet alleen voor wie in de woestijn zijn — wij voeden ons nog altijd aan dat manna door ons geloof. Geen enkele belofte is uitsluitend persoonlijk. Wanneer God de deur van Zijn graanschuur opent, mag één hongerige de eerste zijn die binnenstapt, maar allen die hongeren mogen komen en eten. Of Hij het woord nu aan Abraham of aan Mozes gaf — het is aan u gegeven, als erfgenaam van het verbond. Er is geen zegen te hoog voor u, geen genade te groot voor u. Sla uw ogen op naar het noorden en het zuiden, naar het oosten en het westen: dit alles is van u.

Beklim de Pisga en zie de verste grenzen van de goddelijke beloften — het land is geheel het uwe. Er is geen beek met levend water waaruit u niet mag drinken. Als het land overvloeit van melk en honing, eet dan de honing en drink de melk. De vetste offers, de zoetste wijnen — laat het alles van u zijn, want geen enkele zegen wordt een heilige ontzegd. Wees vrijmoedig in uw geloof, want Hij heeft gezegd: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” Kortom: er is niets wat u kunt begeren, niets wat u kunt vragen, niets wat u nodig hebt — in deze tijd of in de eeuwigheid; niets levends of stervends, niets in deze wereld of de volgende, niets nu of op de dag der opstanding, niets in de hemel — dat niet ligt opgesloten in deze ene belofte: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.”

IV. Ik zal vijf slagen toebrengen om de spijker vast te slaan terwijl ik spreek over DE ZOETE BEVESTIGINGEN van deze uiterst kostbare belofte.

1. Laat mij u herinneren: de HEERE kan en zal Zijn volk niet verlaten — vanwege de band die Hem met ons verbindt. Hij is uw Vader; zou een vader zijn kind ooit in de steek laten? Heeft Hij niet gezegd: “Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het kind van haar schoot? Zelfs al zouden die het vergeten, Ík zal u niet vergeten.” Zou u, hoe zondig ook, uw eigen kind aan zijn lot overlaten? Nooit, nooit! Bedenk dat Christus uw Bruidegom is. Zou een echtgenoot zijn vrouw verwaarlozen? Is het geen schande voor een man als hij haar niet voedt en koestert als zijn eigen lichaam? Zou Christus een van die trouweloze echtgenoten zijn? Heeft Hij niet gezegd: “dat Hij het verlaten haat” — en zou Hij u ooit verstoten?

Onthoud dat u deel bent van Zijn lichaam. Niemand haat ooit zijn eigen vlees. Misschien bent u slechts een pink — zou Hij die vinger laten wegkwijnen, verhongeren, wegrotten? Misschien bent u een van de minst eervolle leden — maar staat er niet geschreven dat Hij juist aan zulke leden overvloedige eer bewijst, opdat wat ons minder aantrekkelijk lijkt, overvloedige schoonheid ontvangt? Als Hij Vader is, Bruidegom, Hoofd, alles in allen — hoe kán Hij u dan verlaten? Denk niet zo hard over uw God.

2 Ten tweede: Zijn eer verbindt Hem ertoe u nooit te verlaten. Wanneer we een huis half voltooid zien staan, in puin achtergelaten, zeggen we: “Deze man begon te bouwen, maar kon het niet afmaken.” Zal men dit van úw God zeggen — dat Hij begon u te zaligmaken, maar u niet tot volmaaktheid kon brengen? Zal Hij Zijn woord breken en Zijn waarheid bezoedelen? Zal men spotten met Zijn macht, Zijn wijsheid, Zijn liefde, Zijn trouw? Nee! Dank God, nee! Hij zegt immers: “En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.” Ware u, gelovige, te gronde te gaan, de hel zou juichen met duivelse spot over Gods karakter. En als ook maar één ziel die Jezus beloofde te redden verloren ging, zouden de demonen van de afgrond voor eeuwig met de vinger wijzen naar een verslagen Christus, naar een God Die een werk begon maar niet voltooide.

“Zijn eer is verbonden aan het redden
Ook de minste van Zijn schapen;
Al wat de Vader Hem gaf,
Bewaart Hij veilig in Zijn hand.”

3. Vanwege het verleden. En als dat nog niet genoeg is, bedenk dan dat uw eigen verleden bewijst: Hij zal u niet verlaten. U bent door diepe wateren gegaan — bent u verdronken? U bent door vuur gegaan — bent u verbrand? U hebt zes zware beproevingen doorstaan — heeft Hij u in de steek gelaten? U bent afgedaald tot de wortels van de bergen, het onkruid wikkelde zich om uw hoofd — heeft Hij u niet weer omhooggehaald? U hebt diepe smarten en zware lasten gedragen — heeft Hij u niet verlost? Zeg het maar: wanneer heeft Hij u ooit verlaten? Getuig tegen Hem! Als u merkt dat Hij vergeetachtig is, twijfel dan aan Hem. Als Hij uw vertrouwen niet waard blijkt, verwerp Hem dan — maar niet eerder. Het verleden zingt duizend lofzangen van dankbaarheid, en elke noot klinkt met onweerlegbare logica: Hij laat Zijn volk nooit in de steek.

4. Vanwege het getuigenis van de heiligen. En als dat nog niet genoeg is, vraag het aan uw vaderen en aan de heiligen die ons voorgingen. Is er ooit iemand verloren gegaan die op Christus vertrouwde? Ik heb gehoord van lieden die zeiden Jehova te beminnen, maar uit de genade vielen en omkwamen. Ik heb van predikanten gehoord die zich aan zulke leugens overgaven — maar ik weet: dat is nooit gebeurd. Hij bewaart al Zijn heiligen; niet één is verloren gegaan. Zij zijn in Zijn hand en tot op heden veilig bewaard gebleven.

David klaagt: “Al Uw golven en baren zijn over mij heengegaan” — en toch roept hij: “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.” Jona zucht: “De aarde; haar grendels sloten zich voor eeuwig achter mij” — en kort daarna belijdt hij: “Het heil is van de HEERE!” U daarboven, verheerlijkten, hebt het koninkrijk geërfd door veel verdrukking. Gekleed in witte gewaden, glimlachend vanaf uw tronen van heerlijkheid, roepen júllie tot ons: “Twijfel niet aan de HEERE en wantrouw Hem niet! Hij heeft Zijn volk niet verlaten en Zijn uitverkorenen niet verstoten.”

5. Geliefde vrienden, er is geen enkele reden waarom Hij ons zou verstoten. Kunt ú een reden bedenken waarom Hij u zou laten vallen? Is het uw armoede, uw naaktheid, uw benarde toestand, het dreigende gevaar? In al deze dingen zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad. Zegt u: “Het zijn mijn zonden”? Dan antwoord ik: zonde kan nooit een reden zijn waarom God Zijn volk verstoot. Zij waren vol zonden toen Hij hen voor het eerst omarmde en hun zaak op Zich nam. Dat zou een reden geweest zijn om hen nooit lief te hebben — maar omdat Hij hen liefhad toen zij dood waren in overtredingen en zonden, kan hun zonde nooit een grond zijn om hen te verlaten.

Bovendien verzekert de apostel: “Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen” — en zonde hoort bij de tegenwoordige én toekomstige — “noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.” O kind van God, wees niet bang dat u deze kostbare waarheid misbruikt. De huichelaar, de onwaardige belijder, mag zeggen: “Ik zal zondigen, want God verstoot mij niet” — maar ú, erfgenaam des hemels, zult dat niet doen. U sluit deze belofte in uw hart en spreekt: “Nu zal ik Hem liefhebben Die de Zijnen heeft liefgehad tot het einde toe.” Geloofd zij God!

“Te midden van al mijn zonde, zorg en nood,
zal Zijn Geest mij nooit loslaten.”

Ga heen, gij slaven die de vloek van God vreest, en zweet en zwoeg in angst! Wij zijn Zijn kinderen, en wij weten: Hij kan ons niet uit Zijn hart verdrijven.

Moge God ons verlossen van die schandelijke slavernij — de leer die mensen doet sidderen dat God ontrouw zou zijn, dat Christus Zich van Zijn eigen Bruid zou afkeren, dat Hij de leden van Zijn eigen lichaam zou laten omkomen; dat Hij voor hen stierf en hen toch niet redden zou! Als de Schrift ons iets leert, dan is het wel dit: dat de kinderen van God niet kunnen omkomen. Als dit Boek van kaft tot kaft waarheid is, dan getuigt het op honderden plaatsen dat “De rechtvaardige aan zijn weg zal vasthouden, en wie rein van handen is, in kracht zal toenemen.” “Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken,” zegt de HEERE, Die u genadig is.

V. En nu, ten vijfde, de PASSENDE CONCLUSIES die uit deze leerstelling kunnen worden getrokken.

1. Een van de eerste vruchten is tevredenheid. De apostel zegt: “Hebben wij voedsel en kleding, laten wij daarmede tevreden zijn” — want Hij heeft gezegd: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” Ismaël, de zoon van Hagar, had zijn water in een kruik; hij had Isaac kunnen bespotten omdat die geen kruik had. Maar hierin lag het verschil: Isaac woonde bij de bron. Sommigen van ons hebben weinig in deze wereld — geen kruik water, geen reserves bij de hand. Maar wij wonen bij de bron, en dat is oneindig beter. Vertrouwen op de dagelijkse voorziening van een trouwe God is meer waard dan twintigduizend pond per jaar.

2. Moed is de volgende les. Laten wij vol vertrouwen uitroepen: “De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen. Wat zal een mens mij doen?” Een kind van God dat beeft van angst? Er is niets dat meer indruist tegen zijn natuur. Wordt u vervolgd? Kijk uw vervolger recht in de ogen en draag het met vreugde. Spotten zij met u? Laat ze maar; ú kunt lachen wanneer zij wenen. Verachten zij u? Wees dan verheugd dat dwazen u verachten en gekken u miskennen. Het zou zwaar zijn als de wereld ons liefhad; het is licht als zij ons haat. Wij zijn zo gewend geraakt aan valse beschuldigingen van slechte motieven en eigenbelang, aan verkeerd begrepen woorden en uit context gerukte uitspraken, dat wij ons onwaardig zouden voelen als zij ons níét haatten. “Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, die sterven moet, voor een mensenkind, gras, dat vergaat, en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft, Die de hemel uitgespannen heeft en de aarde gegrondvest?”

3. Werpt dan uw moedeloosheid van u af. Sommigen van u kwamen vanmorgen hier zo somber als het grijze weer buiten. Juist toen de zonnestralen door de zijramen braken, trokken onze broeders haastig de gordijnen dicht om het verblindende licht te weren. Maar ik hoop dat ú de stralen van heilige vreugde die nu over u schijnen, niet afweert. Nee! Omdat Hij zei: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten”, laat uw zorgen achter in de kerkbank en neem een loflied mee naar huis.

4. En dan, broeders en zusters, wat een grond voor onuitsprekelijke vreugde! Hoe kunnen wij ons verheugen als Hij ons nooit verlaat! Liederen alleen zijn niet genoeg — juicht van vreugde, allen die oprecht van hart zijn!

5. En ten slotte: wat een vaste basis voor geloof! Laten wij ons met ons volle gewicht op onze God verlaten. Laten wij ons op Zijn trouw werpen zoals wij ons op een bed van rust werpen, en al onze lichaams- en zielszorgen aan Hem toevertrouwen. Werpt nu uw lasten op Hem, want Hij heeft gezegd: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” O, dat deze belofte voor u allen gold! Ik zou mijn rechterhand geven als het kon! Maar sommigen van u mogen haar niet opeisen — zij hoort bij hen die op Christus vertrouwt. “O,” zegt een ziel, “dan zal ik op Christus vertrouwen!” Juist, arme ziel, doe dat, doe dat! Vertrouw op Hem, hoe zwart u ook bent — Hij zal u reinigen en nooit verlaten. Hoe goddeloos ook — Hij zal u heiligen en nooit verlaten. Al verdient u Zijn liefde niet — Hij zal u aan Zijn boezem drukken en nooit verlaten. In leven of dood, tijd of eeuwigheid — Hij zal u nooit verlaten, maar u veilig naar Zijn rechterhand brengen en zeggen: “Hier ben Ik met de kinderen die U mij gegeven hebt.”

Moge God deze vijf zalige waarheden in ons geheugen en hart griffen, omwille van Christus. Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content