DE VOLKSPREDIKER
HOOFDSTUK 11
In de vorige twee hoofdstukken hebben we stilgestaan bij het Pastors’ College en het Stockwell Weeshuis als voorbeelden van Spurgeons bredere bediening. Dat is passend, want algemeen wordt aangenomen dat juist deze twee instellingen hem het meest na aan het hart lagen. Toch was Spurgeon ook bij tal van andere projecten betrokken.
Kerkstichting
Naar schatting speelde Spurgeon tijdens zijn leven een belangrijke rol bij de stichting van maar liefst 187 kerken. Dat lijkt een ongelooflijk aantal, maar in C.H. Spurgeon: The Pastor Evangelist van Mike Nicholls is achterin een bijlage opgenomen met een zorgvuldige opsomming van al deze gemeenten.
Een deel van die kerken waren bestaande gemeenschappen die in zwaar weer verkeerden en dreigden te sluiten. Spurgeon hielp hen nieuw leven in te blazen en opnieuw op te bouwen. De meeste waren echter geheel nieuwe initiatieven – pioniersgemeenten, vooral in Londen en het zuidoosten van Engeland. Niet elk initiatief slaagde; sommige konden geen wortel schieten en verdwenen weer. Maar de overgrote meerderheid hield stand, en veel van die kerken bestaan tot op de dag van vandaag nog altijd als levendige gemeenschappen.
Naar schatting is meer dan de helft van alle Engelse baptistengemeenten die tussen 1867 en 1887 zijn opgericht, direct voortgekomen uit het werk van Spurgeon en zijn studenten – een prestatie van formaat.
Spurgeons werkwijze was flexibel en paste zich aan de omstandigheden aan, maar volgde vaak een herkenbaar patroon. Hij begon met het zoeken naar een gebied dat potentie had voor zendingswerk. Vervolgens stuurde hij een of twee studenten van het Pastors’ College om daar openluchtprediking te houden. Als er belangstelling bleek bij de lokale bevolking, werden ruimtes in de buurt gehuurd voor bijeenkomsten binnenshuis – soms in een school, een gemeentezaal of zelfs naast een café; de locatie deed er weinig toe.
Wanneer het werk vervolgens groeide, mensen tot geloof kwamen en er een nieuwe gemeente ontstond, werd er grond aangekocht en bouwde men een eigen kerkgebouw. Spurgeon had zelfs een vaste advocaat in dienst die de gemeenten hielp met trustakten en andere juridische zaken die daarbij kwamen kijken.
De colporteurs
Daarnaast richtte Spurgeon ook een zogenoemde colportagevereniging op. Het woord colporteur, van Franse oorsprong, werd gebruikt voor mensen die van deur tot deur bijbels en andere christelijke lectuur verkochten. Spurgeon stichtte in 1866 zijn eigen vereniging van colporteurs, die al snel groeide: in 1878 waren er maar liefst vierennegentig mannen bij dit werk betrokken.

De vereniging hield jaarlijks een conferentie, waarbij Spurgeon met zichtbaar enthousiasme de voorzitter was. Tijdens één van die bijeenkomsten nodigde hij een colporteur uit om op het podium te demonstreren hoe hij zijn boeken aanprees. De man pakte een exemplaar uit zijn tas, richtte zich tot Spurgeon en zei: “Geachte heer Spurgeon, ik heb hier een werk dat ik u van harte kan aanbevelen. Ik kan het eerlijk prijzen, want ik heb het gelezen en er veel zegen door ontvangen. De auteur is een goede vriend van mij en hij is altijd verheugd te horen dat colporteurs zijn boeken verkopen, omdat hij weet dat ze het evangelie bevatten. De titel van het boek is Trumpet Calls to Christian Energy, de auteur is C.H. Spurgeon, en de prijs is drie shilling en zes pence. Wilt u het kopen?”
Tot grote vreugde van de aanwezigen stemde Spurgeon onmiddellijk toe — al had hij het boek natuurlijk waarschijnlijk al in zijn bezit!
Net als bij de kerkstichtingen was ook dit werk geen soloproject. Er waren talloze mensen bij betrokken. Soms wordt Spurgeon neergezet als een individualist, iemand die niet gemakkelijk samenwerkte. En inderdaad, hij was een uitgesproken persoonlijkheid en vaak de natuurlijke leider van alles wat hij ondernam. Maar in werkelijkheid was hij in bijna elk aspect van zijn bediening diep afhankelijk van anderen: van zijn vrouw, zijn diakenen, zijn broer, zijn medewerkers en zijn biddende gemeente.
Via de instellingen en verenigingen die hij oprichtte, wist Spurgeon anderen te inspireren, toe te rusten en te bekrachtigen voor christelijke dienst. Hij was zonder twijfel een uniek figuur in het Victoriaanse tijdperk, maar hoewel hij onnavolgbaar was, was hij geen eenmansorkest. Hij vertrouwde op anderen — en zij vertrouwden op hun beurt op hem.
En er was meer. Spurgeon hielp bij het opzetten van een dagschool die basisonderwijs bood aan jonge kinderen. In de Tabernacle organiseerde hij daarnaast avondlessen om volwassenen te helpen die in hun jeugd geen onderwijs hadden gekregen. Verder liet hij zeventien armenhuizen bouwen in de omgeving van de Tabernacle, bestemd voor oudere vrouwen.
De gemeente van New Park Street had al sinds het begin van de negentiende eeuw armenhuizen, dus Spurgeon zette een bestaande traditie voort — maar hij breidde die aanzienlijk uit. Enkele jaren lang betaalde hij de basisvoorzieningen van de bewoonsters, zoals verwarming en verlichting, zelfs uit eigen zak. Spurgeon was niet alleen een predikant van het Woord, maar ook een man die gewone mensen hielp op de meest praktische wijze.
Spurgeon in de Tabernacle
Toch moeten we, ondanks alles wat al gezegd is, niet vergeten dat Spurgeon vóór alles een predikant was — en een zeer uitzonderlijke. De ervaring van de Amerikaanse bezoeker van de Tabernacle, waar eerder aan werd gerefereerd, laat zien dat Spurgeons populariteit als prediker onverminderd voortduurde naarmate de negentiende eeuw vorderde.
Wel veranderde zijn stijl enigszins met de jaren. Hij bewoog zich minder over het podium dan vroeger, zijn voordracht werd rustiger en meer beheerst, en ook zijn omgang met bijbelteksten en thema’s kreeg een rijpere diepgang. Maar het was onmiskenbaar nog steeds hetzelfde evangelie — en de mensen bleven in groten getale komen. Spurgeon bleef de populairste predikant van het Victoriaanse tijdperk.
Niet alleen zijn toon en stijl verzachtten met de jaren, ook de houding van de pers tegenover hem veranderde. De tijd dat zijn optreden wekelijks spottende of lasterlijke krantenartikelen uitlokte, was grotendeels voorbij. Natuurlijk verschenen er nog af en toe aanvallen op hem, maar de felle vijandigheid had plaatsgemaakt voor een voorzichtige waardering en bij een groeiend aantal journalisten zelfs voor oprechte bewondering.
De eenvoudige jongeman uit de vlakten van Cambridgeshire was uitgegroeid tot één van de morele pijlers, niet alleen van Londen, maar van het hele Britse openbare leven. En het waren niet alleen arbeiders en middenstanders die naar de Tabernacle kwamen om hem te horen. Zelfs de invloedrijkste staatsman van het Victoriaanse tijdperk, W.E. Gladstone, woonde op een zondagavond in 1882 een dienst bij.
Er deden zelfs geruchten de ronde — vrijwel zeker ongegrond — dat koningin Victoria ooit incognito een dienst had bijgewoond. Vanaf de opening van de Tabernacle in 1861 tot zijn laatste preek daar in 1891 wist Spurgeon zondag na zondag de grote zaal tot de laatste plaats te vullen.
Huiselijk leven

Ook op huiselijk gebied verliep het leven voor Spurgeon voorspoedig. In 1869 lieten de diakenen van de Tabernacle een nieuw huis voor het echtpaar bouwen: “Helensburgh House”, op de plek van hun oude woning aan Nightingale Lane. Het was een ruim en fraai huis op een riante kavel. Tot die tijd had het gezin echter gewoond in een oud, vochtig huis. Vrijwel niemand had bezwaar tegen deze ontwikkeling, temeer daar het project werd bekostigd door vrienden en niet uit kerkelijke fondsen. Zoals eerder vermeld, verhuisden Charles en Susannah in 1880 van Clapham naar South Norwood, naar hun uiteindelijke, comfortabelere woning: “Westwood.”
Hun huwelijk bleef gelukkig. Tijdens één van zijn vele afwezigheden schreef Charles aan Susannah de volgende tedere woorden: “Denk geen moment dat afstand onze liefde voor elkaar zou kunnen verkoelen; onze band is nu een volmaakte eenheid… Mijn waardering voor u en mijn ervaring van uw goedheid zijn nu samengevlochten met de diepe liefde die er vanaf het begin al was. Elk jaar werpt een nieuw anker uit dat mij nog hechter aan u verbindt — al was dat vanaf het eerste moment niet eens nodig. Moge mijn Heere, wiens kastijdende hand deze afwezigheid heeft toegelaten, u een stille zegen in uw ziel geven en tevens genezing voor uw lichaam. Mijn hele hart blijft in uw zorg.”
Charles’ voortdurende en steeds dieper wordende liefde voor zijn vrouw werd door Susannah volkomen beantwoord.
Gezondheidsproblemen
Toch wijzen Charles’ woorden — vooral de verwijzingen naar “kastijding,” “afwezigheid” en “genezing van het lichaam” — ook op verdriet en strijd. De precieze aard van Susannahs ziekte werd nooit openbaar gemaakt, maar in 1869 onderging zij een operatie onder leiding van Sir James Simpson, een vooraanstaand gynaecoloog. Normaal gesproken zou de ingreep meer dan £1.000 hebben gekost, maar Sir James — zelf een toegewijd christen — grapte dat hij pas een rekening zou sturen wanneer Charles Spurgeon aartsbisschop van Canterbury werd.
De Spurgeons geloofden dat deze operatie haar leven had gered, maar vanaf dat moment was Susannah grotendeels aan huis gebonden. Ze kon haar man niet meer vergezellen op zijn reizen, wat leidde tot lange perioden van scheiding — een ware “kastijding” voor beiden.
Tegelijkertijd ging ook Charles’ gezondheid achteruit. De jicht en reuma waaraan hij sinds minstens 1869 leed, namen in hevigheid toe. Een brief uit 1884 geeft een indruk van zijn lijden:
“Ik ben volledig uitgeput. Ik kan mijn bed niet verlaten, maar ook niet echt rust vinden. De pijn van reuma, lumbago en ischias — allemaal tegelijk — is buitengewoon hevig. Elke kleine beweging naar rechts of links herinnert mij eraan dat ik leef in een lichaam dat tot het scherpste lijden in staat is.”
Deze klachten, in combinatie met aanhoudende nierproblemen, versterkten zijn neiging tot depressie. Er waren tijden dat Spurgeon zelf getuigde dat hij zich ‘uiterst down’ voelde. Zijn levensverhaal is dat van trouw te midden van echt — en soms intens — lijden.
Zijn gezondheid leed bovendien onder de koude, vochtige en door smog vervuilde Londense winters. Zowel zijn artsen als zijn diakenen waren van mening dat een verandering van omgeving verlichting kon brengen. Daarom maakten zij plannen voor een herstelreis. In de winter van 1869–1870 vertrok Spurgeon op een rondreis door Europa, om tot rust te komen en zijn krachten te herstellen.

De reis deed hem zichtbaar goed. Het laatste deel bracht hij door in Mentone (nu Menton), aan de Franse Rivièra. Spurgeon was diep onder de indruk van de plaats, die hij beschreef als “bedoeld om een zieke man weer gezond te maken.” Zijn artsen adviseerden hem het volgende jaar terug te keren voor een langer verblijf. Met enkele uitzonderingen zou Spurgeon voortaan vrijwel elke winter in Mentone doorbrengen — tot aan zijn overlijden.
Een winterverblijf
Mentone was een badplaats aan de Franse Rivièra, slechts enkele kilometers van de Italiaanse grens. Dankzij het mediterrane klimaat was het er zelfs in de winter aangenaam warm — iets wat voor Spurgeons gezondheid van levensbelang was. Ook in andere opzichten was het een ideale plek: er waren comfortabele hotels (Spurgeon verbleef meestal in het Hôtel Beau Rivage), een prachtig landschap, interessante bezienswaardigheden en goed gezelschap.

Spurgeon was bepaald geen teruggetrokken man; hij genoot van het gezelschap van mensen die hij kende en waardeerde, en hun aanwezigheid gaf hem nieuwe energie. Hij reisde bijna altijd met een kleine groep vrienden. Zijn vaste metgezellen waren zijn uitgever Joseph Passmore en zijn trouwe privésecretaris J.W. Harrald, die door velen Spurgeons “wapendrager” werd genoemd vanwege de vele manieren waarop hij zijn voorganger ondersteunde in de strijd van het geloof.
Daarnaast had Spurgeon in Mentone vaak inspirerende ontmoetingen. De plaats was in die tijd een geliefde bestemming voor verschillende bekende christenen. Tijdens verschillende verblijven ontmoette hij onder anderen Hudson Taylor (de zendeling in China), Archibald Maclaren (een invloedrijke baptistenpredikant uit Manchester) en George Müller. Deze ontmoetingen waren voor Spurgeon bijzonder bemoedigend. Hij leidde er geregeld kleine avondmaalsdiensten in zijn hotelkamer — ingetogen, maar ontroerende samenkomsten die diepe indruk maakten op de aanwezigen.
Toch betekende Mentone niet dat Spurgeon volledig rust nam. Zelfs daar bleef hij actief: hij schreef talloze brieven, reviseerde preken voor publicatie in de Metropolitan Tabernacle Pulpit en verzamelde materiaal voor zijn boeken. Maar het leven verliep er onvergelijkbaar rustiger dan in het drukke Londen.
In een brief beschreef hij eens met humor hoe ontspannen het er soms aan toe ging:
“We lagen met z’n allen op het strand, toen een van de vrienden voor de grap onze zakken met stenen vulde en meneer Passmore omver rolde. En toen verscheen — wie anders dan meneer Maclaren uit Manchester! — waarmee ik een lang en aangenaam gesprek voerde. Morgen reizen we samen naar Monaco… Mentone is werkelijk een betoverende plaats.”
Deze anekdote toont een zeldzame, speelse kant van Spurgeon — en geeft een indruk van de rust en blijmoedigheid die hij aan de Côte d’Azur ervoer. Gewoonlijk bracht hij er elke winter tussen de vier en zes weken door.
Dat klonk misschien idyllisch, zelfs wat luxueus, voor een predikant, maar de leden van de Tabernacle gunden het hem van harte. Ze begrepen hoe ernstig en hardnekkig zijn gezondheidsproblemen waren en wisten dat deze perioden van rust zijn leven verlengden. Dankzij hun vrijgevigheid kon Spurgeon nog vele jaren lichamelijk herstellen en geestelijk vrucht dragen in zijn bediening.

Toch bleef zijn gezondheid broos. In 1879 kon hij vijf maanden lang niet in de Tabernacle preken. En in 1884, zelfs onder de zon van de Franse Rivièra, voelde hij zich zo zwak dat hij niet op de geplande datum kon terugkeren naar Londen. Hij herstelde uiteindelijk, maar het besef groeide — bij hemzelf en bij anderen — dat zijn leven de laatste fase was ingegaan.
Toch stond er nog één laatste strijd te wachten, vóór zijn aardse werk ten einde kwam.
De Downgrade-controverse
De zogenoemde Downgrade-controverse kreeg haar naam omdat Spurgeon en anderen meenden dat de fundamentele waarheden van het christelijk geloof in hun tijd werden “gedegradeerd” — dat wil zeggen: ondermijnd of afgezwakt. De controverse speelde zich af in de jaren 1887–1888. Het verloop ervan was complex, en niet iedereen begreep precies waar het om ging of welke kwesties op het spel stonden.
Gelukkig is er tegenwoordig helderheid dankzij het gedegen onderzoek van Mark Hopkins, die met behulp van primaire bronnen de gebeurtenissen zorgvuldig heeft gereconstrueerd en de kern van de discussie heeft blootgelegd. Zijn boek en artikelen zijn wetenschappelijk, maar tegelijk goed leesbaar, en vormen een onschatbare bron voor iedereen die deze periode beter wil begrijpen.
Eerder zagen we al dat Spurgeon zich zorgen maakte over de toenemende aanval op het gezag van de Bijbel door negentiende-eeuwse theologen. In The Sword and the Trowel gebruikte hij zijn maandelijkse column om in 1887 en 1888 te waarschuwen tegen deze ontluikende liberale theologie.
Naast zijn nadruk op de betrouwbaarheid van de Schrift maakte Spurgeon zich vooral sterk voor het behoud van de leer van de verzoening — de overtuiging dat Christus aan het kruis in onze plaats stierf om de straf voor onze zonden te dragen. In sommige kringen werd deze waarheid afgezwakt of zelfs verworpen, iets wat Spurgeon als een directe aantasting van het hart van het evangelie beschouwde. Voor hem stond vast: wie de verzoening ontkende, tastte de kern van het christelijk geloof aan.
In oktober 1887, nog vroeg in het conflict, besloot Spurgeon zijn lidmaatschap van de Baptist Union neer te leggen. Deze stap riep veel kritiek op. Sommigen beweerden zelfs dat zijn zwakke gezondheid zijn oordeel had vertroebeld — een bewering die elke grond miste. Hoewel hij lichamelijk leed, bleef Spurgeon geestelijk helder en doelbewust.
Toch merkten vrienden en medestanders op dat hij zich niet geheel op zijn gemak voelde in een strijd van deze aard. Zijn karakter was meer dat van een principieel protestant dan van iemand die zich langdurig in politiek overleg stortte. Daarom koos hij ervoor zich terug te trekken, in plaats van te blijven en van binnenuit te strijden voor hervorming. De meeste van zijn oud-studenten en de vele kerken die uit zijn bediening waren voortgekomen, bleven lid van de Baptist Union. Zij deelden Spurgeons zorgen over het afglijden van het geloof, maar beschouwden zijn vertrek niet als de juiste weg.
Opmerkelijk genoeg verbrak Spurgeon de gemeenschap niet met hen die in de Union bleven, zolang zij vasthielden aan dezelfde fundamentele overtuigingen. In november 1887 schreef hij aan James Culross, een voormalig voorzitter van de Union die zijn beslissing niet deelde: “Moet ik nog zeggen dat ik het volkomen met u eens ben, behalve dat u in de Union blijft en ik eruit ben gestapt? Wij zullen, naar ons beste vermogen, voor dezelfde zaak strijden. Wij zijn allemaal christenen en baptisten, en kunnen nog op vele andere manieren samenwerken.”
Toch liet Spurgeons beslissing sporen na. De breuk had invloed op de Baptist Union en verdeelde meningen en relaties. Zijn zoon Thomas Spurgeon zei later eens: “De Baptist Union heeft mijn vader bijna de das omgedaan.” Waarop een collega-predikant geestig antwoordde: “Ja, en uw vader heeft de Baptist Union bijna de das omgedaan!”
Dieper graven
Al het voorgaande mag niet verhullen dat Spurgeon protesteerde tegen reële en gewichtige kwesties. Wie dacht dat de voorganger van de Metropolitan Tabernacle iets uit het niets maakte, vergiste zich. Hij had gelijk toen hij stelde dat sommige kerken — zowel binnen als buiten de Baptist Union — waren opgehouden de betrouwbaarheid van de Schrift, de waarheid van het kruis en het wezenlijke belang van evangelisatie te verkondigen. Sommigen twijfelden zelfs aan de belijdenis dat Jezus Christus tegelijk volledig God en volledig mens is.
Spurgeon had, naar onze overtuiging, volkomen gelijk dat zulke zaken van het grootste belang zijn. Zijn besluit om uit de Union te stappen werd door velen in zijn directe omgeving betreurd, maar niemand van hen betreurde dat hij zijn stem verhief. En dat zouden wij evenmin moeten doen. Ongeacht onze kerkelijke achtergrond of denominatie, of onze gemeente nu deel uitmaakt van een groter verband of onafhankelijk is, de thema’s die Spurgeon aankaartte, gaan ons allemaal aan.
Misschien mag het laatste woord aan Susannah Spurgeon worden gegeven. In haar Autobiography, geschreven in de jaren direct na de dood van haar man, noteerde zij: “Ik heb overvloedig bewijs ontvangen dat dit protest niet vergeefs was. Velen die ver waren afgedwaald in de ‘Downgrade’ werden tegengehouden in hun gevaarlijke afdaling en door Gods genade teruggebracht naar de Upline; anderen, die onbewust aan het afglijden waren, werden ertoe gebracht stevig op de Rots te staan.”
Betrokkenheid
Wie in de eenentwintigste eeuw een trouw christen wil zijn, moet zich inzetten voor de centrale waarheden van het evangelie. Ik werd hier onlangs aan herinnerd — niet alleen door na te denken over Spurgeon, maar ook door het lezen van de zeven brieven aan de gemeenten in Openbaring (hoofdstukken 2 en 3).
In deze brieven worden kerken tot allerlei dingen aangemoedigd: volharden in moeilijkheden (2:3), uitblinken in goede daden (3:8), liefde en geloof tonen (2:19), en niet lauw zijn in het geestelijk leven (3:16). Al deze aansporingen blijven ook vandaag relevant. Maar telkens weer klinkt er ook een oproep om valse leer te verwerpen. Sommige gemeenten worden geprezen omdat zij dat doen (bijv. 2:2), terwijl andere worden gewaarschuwd omdat zij het niet doen (bijv. 2:20).
Welke valse leringen moeten wij dan afwijzen? Of, positiever gezegd: aan welke waarheid moeten wij vasthouden? Daar valt veel over te zeggen, maar één ding staat voorop — onze blik moet altijd gericht blijven op Jezus Christus.
Hij is zowel volledig mens als volkomen God. Hij stierf voor onze zonden aan het kruis, stond op uit de dood en zal terugkeren om de levenden en de doden te oordelen (Johannes 1:1; Romeinen 5:6–8; Matteüs 28:6; Handelingen 1:11; 2 Timoteüs 4:1). Mannen en vrouwen worden geroepen om tot Hem te komen en Hem te aanvaarden als hun persoonlijke Heiland en Heer.
Door de eeuwen heen is de kerk helaas niet altijd trouw gebleven aan deze centrale waarheden en heeft zij daardoor soms de kern van het evangelie uit het oog verloren. En ook onze tijd vormt daarop geen uitzondering. Maar wie hier aandacht voor heeft en vasthoudt aan het hart van het evangelie, bewijst opnieuw dat Spurgeons getuigenis in de Downgrade-controverse niet vergeefs was.
Lopen wij het risico de fundamentele waarheden van het geloof te verwateren? Als dat zo is, laten wij dan Spurgeons oproep ter harte nemen: “Blijf staan op de Rots.”

