Een preek gehouden op zondagmorgen, 21 December 1856.
Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft. Markus 5:19
Het geval van de man waarover hier gesproken wordt, is een zeer buitengewoon geval. Het neemt een plaats in onder de gedenkwaardigheden van het leven van Christus die misschien even belangrijk is als het meest treffende dat door één van de evangelisten vermeld wordt. Deze arme ellendeling, die bezeten was geweest door een legioen van boze geesten, was door hen tot iets ergers gedreven dan razernij. Hij koos zijn woning tussen de graven, waar hij dag en nacht verbleef en de schrik was van allen die voorbijgingen. De overheden hadden gepoogd hem te temmen; hij was met boeien en ketenen vastgebonden geweest, maar in de vlagen van zijn dolheid had hij de ketenen in stukken gescheurd en de boeien van elkaar gerukt. Men had pogingen ondernomen om hem opnieuw te vangen, maar niemand kon hem temmen. Hij was erger dan de wilde dieren, want zij kunnen getemd worden, maar zijn woeste natuur wilde niet buigen.
Hij was een ellende voor zichzelf, want hij zwierf dag en nacht over de bergen, luid schreeuwend en vreselijk huilend, zichzelf verwondend met scherpe scherven en zijn arme lichaam op de vreselijkste wijze kwellend. Jezus Christus kwam voorbij; Hij zei tot de duivelen: “Gaat van hem uit.” De man was in één ogenblik genezen; hij viel neer aan de voeten van Jezus, hij werd een redelijk wezen – een verstandig man, ja, meer nog: een bekeerling tot de Zaligmaker. Uit dankbaarheid aan zijn Bevrijder zei hij: “Heere, ik wil U volgen, waar Gij ook heengaat; ik wil uw getrouwe metgezel en uw dienaar zijn; sta mij toe dat ik het mag zijn.” “Neen,” zei Christus, “Ik waardeer uw beweegreden; zij komt voort uit dankbaarheid jegens Mij; maar indien gij uw dankbaarheid wilt tonen, ga dan naar uw huis, naar de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.”
Dit leert ons een zeer gewichtige waarheid, namelijk dat de ware godsdienst de banden der familiebetrekkingen niet verscheurt. De ware godsdienst maakt zelden inbreuk op die gewijde – men zou bijna zeggen: Goddelijke – instelling die “thuis” genoemd wordt; zij scheidt de mensen niet van hun gezinnen, noch maakt zij hen tot vreemdelingen van hun eigen vlees en bloed. Het bijgeloof heeft dit wel gedaan; een afschuwelijk bijgeloof, dat zichzelf christendom noemt, heeft mensen van hun verwanten afgezonderd, maar de ware godsdienst heeft zoiets nooit gedaan.
Indien het mij toegestaan zou zijn, zou ik de kluizenaar in zijn eenzame cel opzoeken en tot hem zeggen: “Vriend, als u werkelijk bent wie u beweert te zijn – een echte dienaar van de levende God en geen huichelaar, zoals ik u nu zie – als u een waarachtig gelovige in Christus bent en wilt tonen wat Hij voor u gedaan heeft, zet dan die drinkbeker opzij, eet dat laatste stuk van uw droge brood, verlaat deze sombere kluis, was uw gezicht, maak die touwgordel los; en wanneer u uw dankbaarheid wilt tonen, ga dan naar uw huis, naar uw vrienden, en vertel hun welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft. Kunt u de bladeren van het bos stichten? Kunt u de dieren leren Degene te aanbidden aan wie uw dankbaarheid behoort? Hoopt u deze rotsen te bekeren en de echo’s tot lofliederen op te wekken? Nee, keer terug, woon bij de uwen, knoop opnieuw betrekkingen aan met de maatschappij en verbind u weer met uw medemensen, want dit is de door Christus goedgekeurde weg om dankbaarheid te tonen.”
Ik zou ook naar ieder klooster willen gaan en tot de monniken en de nonnen zeggen: ‘Kom uit deze muren, broeders, kom eruit! Als u werkelijk bent wat u zegt te zijn: dienaren van God, ga dan naar huis, naar de uwen. Weg met die onzinnige discipline; zij is niet de regel van Christus; u handelt anders dan Hij van u verlangt; ga naar uw huis, naar de uwen.’ En tot de zusters van barmhartigheid zou ik zeggen: ‘Wees zusters van barmhartigheid voor uw eigen zusters; ga naar uw huis, naar de uwen; zorg voor uw bejaarde ouders; als u van een klooster houdt, maak dan uw eigen huis tot een klooster; zit hier niet uw hoogmoed te voeden door ongehoorzaamheid aan de regel van Christus, die zegt: Ga naar uw huis, naar de uwen. Ga naar uw huis, naar de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft en hoe Hij zich over u ontfermd heeft.’
De liefde voor een eenzaam en afgezonderd leven, die door sommigen voor een Goddelijke deugd wordt gehouden, is niets anders dan een ziekelijke geestestoestand. In de eeuwen toen er slechts weinig welwillendheid was, en er bijgevolg slechts weinig handen waren om toevluchtsoorden voor geesteszieken te bouwen, vulde het bijgeloof het gebrek aan liefde aan. Domme mannen en vrouwen werd het toegestaan om in afgezonderde schuilhoeken of in gemakkelijke luiheid aan hun dromerijen de vrije loop te laten. Young heeft zeer terecht gezegd dat ‘de eerste zekere tekenen van een ziel die in welstand verkeert, bestaan in rust des harten en in huiselijk genoegen.’
Vermijd, mijn vrienden, bovenal die romantische en onzinnige opvattingen van deugd, die de nakomelingen zijn van het bijgeloof en de vijanden van de gerechtigheid. Wees niet zonder natuurlijke genegenheid, maar heb hen lief aan wie u door banden der natuur verbonden bent. De ware godsdienst kan niet onverenigbaar zijn met de natuur. Zij kan nooit eisen dat ik mijn tranen bedwing wanneer mijn vriend gestorven is – “Jezus weende.” Zij kan mij ook niet het voorrecht ontzeggen van een vrolijk gelaat wanneer de Voorzienigheid gunstig op mij neerziet; want eens verheugde Jezus Zich in de geest en zei: “Vader! Ik dank U.” Zij brengt er niemand toe tot zijn vader en moeder te zeggen: “Ik ben niet langer uw zoon.” Dat is geen christendom, maar iets ergers dan wat de dieren zouden doen, en het zou ons volledig van onze naasten afzonderen, zodat wij onder hen zouden wandelen alsof wij geen verwantschap met hen hadden.
Aan allen die menen dat een eenzaam leven een leven van godsvrucht moet zijn, wil ik toeroepen: “Het is de grootste begoocheling.” Aan allen die denken dat zij die de banden der verwantschap doorsnijden goede mensen moeten zijn, willen wij zeggen: “Nee, de besten zijn juist zij die deze banden in stand houden.” Het christendom maakt een huisvader tot een betere huisvader, het maakt een huismoeder tot een betere huismoeder dan voorheen. Het bevrijdt mij niet van mijn plichten als zoon; het maakt mij tot een betere zoon en mijn ouders tot betere ouders.
In plaats van mijn liefde te verzwakken, geeft het mij een nieuwe en frisse reden om lief te hebben. Hem die ik voorheen liefhad als mijn vader, heb ik nu lief als mijn broeder en medearbeider in Christus Jezus; en haar die ik als mijn moeder eerde, heb ik nu lief als mijn zuster in het genadeverbond, die de mijne voor eeuwig is in de toekomende staat. O, laat niemand van u veronderstellen dat het christendom ooit tot doel had om inbreuk te maken op de gezinnen. Het heeft juist tot doel ze hecht te maken – ja, zó hecht dat zelfs de dood ze niet kan scheiden, want het voegt hen samen in het ene grote gezin van God, dat door een onverbrekelijke band is omstrengeld, en het herenigt de verschillende afzonderlijke leden aan de overkant van de Jordaan.
Nu zal ik u vertellen waarom ik deze tekst koos. Ik dacht bij mezelf: Er is een groot aantal jongeren onder mijn gehoor die regelmatig komen; zij zitten in de zijbanken van mijn kapel, en velen van hen zijn al tot God bekeerd. Het is nu weer bijna Kerstmis, en zij gaan naar huis om hun vrienden te bezoeken. Als zij thuisgekomen zijn, zullen zij een kerstverhaal of een geschiedenis nodig hebben; ik dacht dat ik er een voor hen moest uitzoeken, vooral voor degenen die pas bekeerd zijn. Ik zal hun een onderwerp voor hun gesprek op kerstavond aanwijzen, dat misschien niet zo vermakelijk is als de schipbreuk van de ‘Golden Mary’, maar dat even interessant zal zijn voor iedere ware christen.
Wat mij betreft, ik zou wel willen dat er twintig kerstdagen in het jaar waren; voor de jongeren die hier (in Londen) in betrekking zijn, doet zich zelden de gelegenheid voor om hun bloedverwanten en vrienden te bezoeken; het gebeurt zelden dat zij zich samen als gelukkige gezinnen of families kunnen verenigen.
En ofschoon ik geen waarde hecht aan de godsdienstige viering van de dag, alsof juist op die dag de Zaligmaker geboren zou zijn, heb ik die dag toch lief als een huiselijke instelling, als een van Engelands vrolijkste dagen, de grote rustdag van het jaar. Het is de dag waarop de ploeg in de vore blijft staan, waarop het stof van de bezigheden wordt afgeschud, waarop de werkman uitgaat om zich te verfrissen op het ruime tapijt van de blijde aarde.
Als iemand van u werkgever is, dan zult u mij deze uitweiding vergeven, wanneer ik met de meeste bescheidenheid verzoek dat u uw personeel op Kerstdag hetzelfde loon geeft alsof het een gewone werkdag was. Ik ben ervan overtuigd dat hun huis er verblijd door zal worden wanneer u dat doet. Het staat u niet fraai hen feest te laten vieren terwijl zij moeten vasten, tenzij u hun iets geeft waarvan zij kunnen feesthouden en waarmee zij zichzelf op die vreugdedag kunnen verblijden.
Maar nu komen wij bij het onderwerp. Wij gaan naar huis om de onzen te zien, en hier is het verhaal dat sommigen van ons te vertellen hebben: “Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.” Ten eerste merken wij op wat zij moeten vertellen; ten tweede waarom zij het moeten vertellen; en ten derde hoe zij het behoren te vertellen.
1. Hier is dan ten eerste, WAT WIJ MOETEN VERTELLEN.
Het moet een boodschap zijn van persoonlijke ervaring. “Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.” U hoeft niet meteen te beginnen met prediken zodra u thuisgekomen bent; dat is u niet opgedragen. U moet ook geen leerstellige punten aanroeren en daarover uitweiden, noch pogingen ondernemen om anderen tot uw bijzondere inzichten en gevoelens over te halen. U behoort niet naar huis te keren met bepaalde leerstukken die u onlangs geleerd hebt, noch proberen die te onderwijzen. Tenminste, u wordt niet bevolen dit te doen; u mag het doen als u wilt – niemand zal het u beletten. Maar u moet naar huis gaan en vertellen, niet wat u geloofd hebt, maar wat u gevoeld hebt, wat u werkelijk weet dat van u is; niet welke grote dingen u gelezen hebt, maar welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft; niet alleen wat u gezien hebt dat er gebeurd is in de grote samenkomst en hoe zondaren tot God bekeerd zijn, maar wat de Heere voor u gedaan heeft.
En let wel: geen enkel verhaal wekt zoveel belangstelling als dat wat iemand over zichzelf vertelt. Er wordt altijd veel interesse gewekt door een boodschap van persoonlijke ervaring. Vergilius, de dichter, wist dit en handelde daarom zeer verstandig door Aeneas zijn eigen geschiedenis te laten vertellen, en hem te laten beginnen met de woorden: “Waarin ik zelf een groot aandeel had.” Als u dus de belangstelling van uw vrienden wilt wekken, vertel hun dan wat u zelf hebt ervaren. Vertel hun hoe u eens zelf een arm, verlaten zondaar was, hoe de Heere u ontmoette, hoe u uw knieën boog en uw ziel voor God uitstortte, en hoe u uiteindelijk van vreugde opsprong, want het was u alsof u Hem in uw binnenste hoorde zeggen: “Ik, Ik ben het die uw overtreding uitdelg omwille van Mijzelf.” Vertel uw vrienden een verhaal van uw eigen persoonlijke ervaring.
Merk verder op: het moet een geschiedenis zijn van vrije genade. Het gaat niet om: “Vertel aan de uwen welke grote dingen u voor uzelf gedaan hebt,” maar: “welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft.”
De mens die altijd spreekt van vrije wil en van het vermogen van het schepsel, en de leerstukken der genade ontkent, mengt in het verhalen van zijn ervaring onvermijdelijk een groot gedeelte van wat hij zelf gedaan heeft. Maar de gelovige in vrije genade, die aan de grote hoofdwaarheden van het Evangelie vasthoudt, weet daar niets van en verklaart: ‘Ik zal u vertellen wat de Heere voor mij gedaan heeft; het is waar, ik moet vertellen hoe ik er eerst toe gebracht werd om te bidden, maar ik zal het aldus vertellen:
“Hetgeen mij leerde bidden was genâ,
Hetgeen mijn oog deed schreien was genâ.”
Het is waar, ik moet vertellen in hoeveel benauwdheden en beproevingen God mij nabij is geweest; maar ik zal het aldus vertellen:
“Genâ bewaarde mij tot het heden,
En genâ zal mij tot het eind’ bewaren.”
Hij spreekt niet over zijn eigen doen, bidden of zoeken, maar schrijft alles toe aan de liefde en genade van de grote God, die in liefde op zondaars neerziet en hen tot Zijn kinderen maakt, tot erfgenamen van het eeuwige leven. Ga naar huis, jongeling, en vertel het verhaal van de arme zondaar; ga naar huis, jonge dochter, en open je dagboek om met de jouwen verhalen van genade te delen. Spreek tot hen over de machtige werken van Gods hand, die Hij in jou heeft gewrocht, uit Zijn eigen vrije, soevereine, onverdiende liefde. Maak het tot een verhaal van vrije genade rondom de huiselijke haard.
In de tweede plaats was de boodschap van deze arme man een verhaal van dankbaarheid. Ik weet dat het een geschiedenis van dankbaarheid was, omdat de man zei: “Ik zal u vertellen welke grote dingen de Heere aan mij gedaan heeft.” Zoals het met deze man was, zo is het met allen die dankbaar zijn: de dankbare mens is altijd vervuld van de grootheid van de barmhartigheid die God hem heeft betoond; hij denkt altijd dat wat God voor hem gedaan heeft onmetelijk goed en onovertrefbaar groot is. Misschien zal een van je vrienden, wanneer hij je dat verhaal hoort vertellen, zeggen: “En wat zou dat?” Dan zal je antwoord zijn: “Voor jou mag het niet van grote betekenis zijn, maar voor mij wel.”
U zegt: “Het is een geringe zaak om u te bekeren,” maar zo heb ik het niet ervaren. Het is een grote, kostelijke zaak om ertoe gebracht te zijn jezelf als zondaar te kennen en te belijden dat je het bent. En zegt u dat het een kleine zaak is om een Zaligmaker gevonden te hebben? Kijk hen in het aangezicht en zeg: “Wanneer u Hem ook gevonden had, dan zou u er niet zo gering over denken. U acht het zo goed als niets dat ik mijn last van mijn rug verloren heb, maar als u eronder gezwoegd had en het gewicht ervan had gevoeld, zoals ik menig lang jaar gedaan heb, dan zou u het geen kleinigheid achten om ontbonden en vrijgemaakt te zijn door een blik op het kruis.” Vertel hun dat het een groot verhaal is, en als zij de grootheid ervan niet kunnen zien, stort dan grote tranen en vertel het hun met grote ernst. Ik hoop dat zij ertoe gebracht mogen worden te geloven dat u tenminste dankbaar bent, al zijn zij het niet. Moge God geven dat u een dankbaar verhaal kunt vertellen; geen ander verhaal is zozeer waard om gehoord te worden als een verhaal van dankbaarheid. En tenslotte, voordat we van dit punt afstappen, nog dit: het moet een verhaal zijn, verteld door een arm zondaar die voelt dat hij niet verdiend heeft wat hij ontvangen heeft. “Hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.” Het was niet slechts een daad van welwillendheid of vriendelijkheid, maar een daad van vrije ontferming en mededogen jegens iemand die in ellende verkeerde.
O, ik heb mensen het verhaal van hun bekering en hun geestelijk leven horen vertellen op zo’n manier dat mijn hart zowel hen als hun verhaal heeft afgekeurd, want zij spraken over hun zonden alsof zij roemden in de grootheid ervan. En over de liefde van God spraken zij zonder een enkele traan van dankbaarheid, zonder de eenvoudige dankzegging van een waarlijk ootmoedig hart, maar alsof zij zichzelf even hoog wilden verheffen als zij God verhieven. O, wanneer wij het verhaal van onze bekering vertellen, dan zou ik willen dat we het met diepe smart deden, en dat we ons herinnerden wie en wat wij eertijds waren, en dat we met grote blijdschap en dankbaarheid bedachten hoe weinig wij deze dingen verdienen. Ik preekte eens over bekering en verlossing, en ik voelde in mijzelf – zoals zij die prediken dikwijls doen – dat het een droog werk was om dit verhaal te vertellen; ja, ik vond het een dor verhaal. Maar plotseling doorkruiste de gedachte mijn gemoed: “Wel, je bent zelf een arm, verloren zondaar; vertel het zoals je het ontvangen hebt; begin Gods genade te verhalen zoals je vertrouwt dat je haar in je eigen hart mag voelen.” En toen begonnen mijn ogen een bron van tranen te worden. Het gelaat van die toehoorders die hun hoofd hadden geschud, begon op te klaren, en zij luisterden omdat zij iets hoorden dat de man zelf voelde, en dat zij erkenden als iets dat waarheid was in hem, ook al was het geen waarheid in henzelf. Vertel uw verhaal, geliefde toehoorders, als verloren zondaars.
Ga niet naar uw huis om daar met een opgetrokken neus op en neer te stappen, alsof u wilt zeggen: “Hier is een heilige die nu bij de arme zondaars is gekomen om hun een verhaal te vertellen.” Ga in plaats daarvan naar huis als iemand die zelf een arm zondaar is. Wanneer u binnenkomt, zal uw moeder zich herinneren wat u vroeger was; u hoeft haar niet te vertellen dat er een verandering heeft plaatsgevonden; ze zal het vanzelf merken als u maar een dag bij haar bent geweest.
Misschien zal ze zeggen: “John, wat is dat toch voor een verandering die in jou heeft plaatsgevonden?” En als ze een godvruchtige moeder is, zult u haar het verhaal beginnen te vertellen. Ik weet – en al bent u een man, u zult niet blozen als ik het zeg – dat ze haar armen om uw hals zal slaan en u zal kussen zoals ze nooit eerder deed. Want u bent haar tweemaal geboren zoon, de hare van wie ze nooit zal scheiden, zelfs al verwijdert de dood u voor een kort ogenblik van elkaar. Ga heen naar uw huis, naar de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heere voor u gedaan heeft en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.
2. Maar nu, in de tweede plaats: WAAROM ZULLEN WIJ DIT VERHAAL VERTELLEN? Want ik hoor velen uit deze vergadering zeggen: “Ik zou dat verhaal aan ieder ander eerder kunnen vertellen dan aan mijn vrienden thuis; ik zou in uw studeerkamer kunnen komen en u iets vertellen van wat ik gesmaakt en ervaren heb van Gods Woord, maar aan mijn vader, moeder, broer of zus kan ik het niet zo gemakkelijk vertellen.” Kom, ik zal proberen u toch te overtuigen het te doen, zodat ik u aanstaande Kerstdag als zendelingen kan heenzenden naar de plaatsen waar u thuishoort, om in de praktijk predikers te zijn, al bent u het niet in naam. Lieve vrienden, vertel dit verhaal als u thuis bent gekomen: Ten eerste, uit liefde tot uw Meester.
O, ik weet het: u hebt Hem lief; daar ben ik zeker van, als u maar enig bewijs hebt dat Hij u eerst heeft liefgehad. U kunt nooit denken aan Gethsemane en Zijn bloedige zweet, aan Gabbatha en de doorploegde rug van Christus, gegeseld door de zweep; u kunt nooit denken aan Calvarie en Zijn doorboorde handen en voeten, zonder Hem lief te hebben. Daarom is het een krachtige aansporing als ik u zeg: omwille van Zijn dierbare Naam, die u zozeer heeft liefgehad, ga naar huis en vertel het verhaal.
Wat? Denkt u dat er zoveel voor ons gedaan kan zijn, en dat wij het toch zouden verzwijgen? Wanneer er voor onze kinderen iets gedaan is, wachten zij niet lang voordat zij aan iedereen vertellen: “Vader of moeder heeft mij dit of dat geschenk gegeven en mij die of die gunst bewezen.” En zouden de kinderen van God dan terughoudend zijn om te vertellen hoe zij gered werden, toen hun voeten zich naar de hel haastten, en hoe verlossende genade hen als brandhout uit het vuur rukte? U hebt Jezus lief, jonge mensen! Ik beroep mij op uw geweten: zult u weigeren het verhaal van Zijn liefde tot u te vertellen?
Zullen uw lippen stom zijn wanneer Zijn eer ermee gemoeid is? Zult u niet, waar u ook gaat, spreken van de God die u liefhad en voor u stierf? De arme man uit onze tekst ging heen en begon in Decapolis te verkondigen welke grote dingen Jezus voor hem gedaan had, en allen verwonderden zich. Doet u hetzelfde. Wanneer Christus veel voor u gedaan heeft, dan kunt u het niet nalaten, maar moet u het wel vertellen.
Mijn geachte vriend, de heer Oncken, predikant in Duitsland, vertelde ons afgelopen maandag dat, zodra hij zelf bekeerd was, de eerste schok van zijn pasgeboren ziel hem er meteen toe bracht heilzaam op anderen in te werken. En waar zou hij nu die heilzame invloed proberen uit te oefenen? Wel, hij dacht dat hij naar Duitsland moest gaan! Het was zijn geboorteland, en hij was van mening dat het bevel luidt: “Ga heen naar uw huis, tot de uwen, en vertel hun.” Nu was er geen enkele baptist in heel Duitsland, noch iemand met wie hij kon overeenstemmen, want de Lutheranen waren van het geloof afgeweken en van de waarheid van God afgedwaald. Maar hij ging erheen en predikte, en hij heeft nu zeventig of tachtig kerken op het vasteland gesticht. Wat bewoog hem om dit te doen? Niets dan liefde tot zijn Meester, die zoveel voor hem gedaan had, kon hem ertoe gedrongen hebben om heen te gaan en aan zijn landgenoten het wonderbaarlijke verhaal van de goddelijke goedheid te vertellen.
Maar ten tweede: zijn uw vrienden godvrezend? Ga dan naar huis en vertel het hun om hun hart te verblijden. Ik ontving gisteravond een kort briefje, met bevende hand geschreven, van iemand wiens jaren de gewone leeftijd van een mens te boven gaan. Zijn zoon was, onder Gods zegen, bekeerd door het horen prediken van het Woord, en de goede man kon niet nalaten de leraar te schrijven om hem te danken en, bovenal, zijn God te prijzen dat zijn zoon wedergeboren was. “Een oude rebel,” zo begint hij, “schrijft u, mijnheer, om u te danken, en bovenal zijn God te danken, dat zijn geliefd kind bekeerd is geworden.” Ik zal die brief bewaren. Hij gaat verder met te zeggen: “Ga voort, en de Heere zegene u.”
Er was nog een ander geval waarvan ik enige tijd geleden hoorde: een jonge vrouw ging naar huis, naar haar ouders, en toen haar moeder haar zag, zei ze: “Kijk, al had de leraar mij heel Londen ten geschenke gegeven, dan zou ik daar niet zoveel waarde aan hechten als aan dit ene: dat ik mag geloven dat jij werkelijk een ander mens geworden bent en in de vreze Gods leeft.” O, als u verlangt het hart van uw moeder van vreugde te doen opspringen en uw vader blij te maken; als u die zuster gelukkig wilt maken die u zo menige brief zond, die u dikwijls las bij een lantaarn op straat, met een pijp in uw mond; ga dan heen en vertel uw moeder dat al haar wensen vervuld zijn, dat haar gebeden zijn verhoord, dat u haar niet langer zult uitlachen omdat zij een zondagsschool houdt, noch haar nog langer zult bespotten omdat zij de Heere liefheeft, maar dat u met haar naar Gods huis zult opgaan, want u hebt God lief en u hebt gezegd: “Uw volk zal mijn volk zijn, en uw God mijn God, want ik heb hoop dat uw hemel mijn hemel zal zijn, voor eeuwig.”
O, wat een geluk zou het zijn als sommigen die van de rechte weg waren afgedwaald, op die manier naar huis zouden gaan! Ik had enige tijd geleden het voorrecht te mogen preken voor een edele instelling voor de opvang van vrouwen die een losbandig leven hadden geleid, en voordat ik preekte, had ik tot God gebeden mijn werk te zegenen. In de gedrukte preek zult u opmerken dat er aan het einde melding wordt gemaakt van twee personen die onder het gehoor van die preek gezegend en teruggebracht werden.
Laat mij u nu een verhaal vertellen van de heer Vanderkist, een zendeling van de inwendige zending hier in Londen, die nacht na nacht ijverig werkt om in dat grote werk nuttig te zijn. Er had in de straat een twistpartij plaatsgevonden door dronkenschap. Hij trad tussen de twistenden om hen te scheiden en zei tegen een vrouw die erbij stond hoe verschrikkelijk het was dat mensen zo dronken werden. Zij liep een eindje met hem op, en hij met haar, en zij begon hem een aangrijpend verhaal van ellende en zonde te vertellen: hoe zij verleid was om van haar vaders huis in Somersetshire weg te lopen, en hoe zij hier, tot haar eeuwige zielesmart, terechtgekomen was.
Hij nam haar met zich mee naar huis en leerde haar de vreze en de liefde van Christus. En wat was het eerste dat zij deed toen zij terugkeerde op de paden der godzaligheid en ontdekte dat Christus de Zaligmaker van zondaren was? Zij zei: “Nu moet ik naar huis gaan, naar de mijnen.” Er werd aan haar familie geschreven; zij kwamen haar tegemoet bij het spoorwegstation in Bristol, en u kunt nauwelijks begrijpen wat een gelukkige ontmoeting dat was! De vader en moeder hadden hun dochter verloren; zij hadden nooit meer iets van haar gehoord; en daar werd zij, door de bemiddeling van de Inrichting, teruggebracht en aan het gezin waartoe zij behoorde weer gegeven.
O, als er zo iemand hier is (ik weet het niet, maar in zo’n grote menigte zal er licht iemand zijn): vrouw! Bent u van uw familie weggelopen? Is het lang geleden dat u hen verliet? “Ga heen naar uw huis, naar de uwen,” ik smeek het u, voordat uw vader zich naar het graf sleept en de grijze haren van uw moeder op het witte kussen van haar doodkist rusten. Keer terug, ik bid het u! Vertel haar dat u berouwvol bent; vertel haar dat God u is tegengekomen, dat de jonge leraar zei: “Keer weder tot de uwen.”
En als het zo is, zal ik mij niet schamen dat ik deze dingen gezegd heb, al zou u denken dat ik er beter over had kunnen zwijgen; want als ik slechts één ziel mag winnen, zal ik God in alle eeuwigheid loven! “Ga naar uw huis, naar de uwen, en bericht hun alles wat de Heere voor u gedaan heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.”
Kunt u zich het tafereel niet voorstellen dat plaatsvond toen de arme bezetene, waarvan mijn tekst melding maakt, genezen naar huis terugkeerde? Hij was een razende waanzinnige geweest, en zou u niet denken dat zijn verwanten, toen hij kwam en aan de deur klopte, verschrikt tegen elkaar zullen hebben geroepen: “O, daar is hij weer!”? Dat de moeder de trap zal zijn opgevlogen en de deur achter zich gesloten zal hebben, omdat haar zoon was teruggekeerd die razend was? En dat de kleine kinderen zullen hebben geschreeuwd, omdat zij wisten wat hij vroeger geweest was (nog niet wetend dat hij nu veranderd was), en hoe hij zich met scherpe stenen had gesneden omdat hij door duivelen bezeten was?
En kunt u zich hun blijdschap voorstellen toen de man zei: “Moeder, Jezus Christus heeft mij genezen; laat mij binnen, ik ben niet meer waanzinnig”? En toen de vader opendeed, zei hij: “Vader, ik ben niet meer wie ik geweest ben; alle boze geesten zijn weg; ik zal niet langer tussen de graven wonen; ik verlang ernaar u te vertellen hoe de heerlijke Man, die mijn verlossing bewerkte, dit wonder aan mij heeft verricht; hoe Hij tot de duivelen zei: ‘Gaat uit van hem,’ en zij voeren heen naar de diepte van de zee; en ik ben thuisgekomen, genezen en gered.” O, als zo iemand, voorheen door de zonde bezeten, deze morgen hier zou zijn en naar huis zou willen gaan om aan de zijnen zijn geschiedenis te vertellen, dan zou het tafereel, denk ik, veel overeenkomst hebben met het beschrevene.
Nog eens, geliefde vrienden! Ik hoor sommigen van u zeggen: “Ach, had het God maar mogen behagen dat ik naar huis kon gaan naar godvrezende vrienden; maar als ik naar huis ga, dan ga ik naar de slechtste plaats; want bij mij thuis kennen zij zelf God niet, en hebben daarom nooit voor mij gebeden, noch mij ooit iets geleerd over de hemel.” Wel, mijn jonge vriend, ga toch naar uw familie. Al zijn zij nog zo slecht, zij blijven uw huisgenoten.
Soms ontmoet ik jongeren die zich bij de kerk willen voegen, en die, wanneer ik naar hun vader vraag, mij antwoorden: “O mijnheer, ik heb mij van mijn vader losgemaakt.” Dan zeg ik: “Jongeman, je moet eerst naar je vader gaan voordat ik iets met je te maken wil hebben; als je in onmin leeft met je ouders, dan wil ik je niet in de kerk opnemen; laat hen zo slecht zijn als maar mogelijk is, het zijn toch je ouders.” Ga dan naar huis en vertel hun jouw verhaal, niet om hen blij te maken, want waarschijnlijk zullen zij boos worden, maar spreek tot hen omwille van de zaligheid van hun ziel. Ik heb goede hoop dat zij, wanneer je hun vertelt wat God aan jouw ziel gedaan heeft, door de Geest geleid zullen worden om dezelfde genade voor zichzelf te begeren.
Maar ik zal je één raad geven: doe dit verhaal niet wanneer al je ongodvruchtige vrienden bij elkaar zijn, want zij zouden je uitlachen. Er was eens een zeer godvruchtige vrouw die verschillende jonge mensen bij zich in de kost had. Alle jongeren waren zeer vrolijk en opgewekt, en zij voelde de behoefte om een woord over de godsdienst tot hen te spreken. Zij bracht het onderwerp ter sprake, maar een algemeen gelach bracht haar meteen tot zwijgen. Zij dacht bij zichzelf: “Ik heb een fout begaan.” De volgende morgen, na het ontbijt, toen allen zich gereedmaakten om uit te gaan, zei zij tegen een van hen: “Mijnheer, ik zou graag een paar minuten met u willen spreken,” en hem apart nemend in een andere kamer, begon zij met hem te praten. De volgende morgen nam zij een ander, en de dag daarna weer een ander, en het behaagde God haar eenvoudige getuigenis te zegenen, wanneer dat aan ieder afzonderlijk werd gegeven. Het lijdt geen twijfel dat, als die vrouw hen allen tegelijk had aangesproken, zij elkaar zouden hebben opgestookt om haar uit te lachen, totdat zij boos geworden zou zijn. Bestraf een mens liever alleen. Een enkel vers kan iemand tot stilstand brengen die door een hele preek op de vlucht zou worden gejaagd; je kunt het middel zijn om iemand tot Christus te brengen die het Woord al vaak heeft gehoord en ermee gespot heeft.
In een van de staten van Amerika woonde eens een ongelovige, een grote verachter van God, een hater van de rustdag en van alle godsdienstige instellingen. Wat zij ook met hem probeerden te doen, de predikanten wisten geen raad met hem. Zij kwamen bijeen om voor hem te bidden. Maar onder hen was één, een zekere ouderling B., die besloot om lange tijd voor hem te bidden; daarna begaf hij zich te paard naar de werkplaats van de man, die smid was. Zijn paard buiten latend trad hij binnen. “Buurman,” zei hij, “ik ben in grote bekommernis over de zaligheid van uw ziel; ik moet u bekennen dat ik dag en nacht om de zaligheid van uw ziel bid.” Daarna verliet hij hem en reed naar huis terug.
De smid ging na een paar minuten naar het vertrek achter de werkplaats en zei tegen een van zijn vertrouwde vrienden: “Hier is iets vreemds gebeurd: ouderling B. is hier geweest; hij redetwistte niet en zei geen enkel woord tegen mij, behalve dit: ‘Ik beken u dat ik diepe bekommernis voel over uw ziel; ik kan niet verdragen dat u verloren zou gaan.’” “O, die man,” voegde hij eraan toe, “ik kon hem niets antwoorden,” terwijl de tranen hem over de wangen liepen. Hij ging naar zijn vrouw en zei: “Ik kan het niet begrijpen; ik heb mij nooit om mijn ziel bekommerd, maar daar is een ouderling, met wie ik helemaal geen betrekking heb en die ik altijd heb uitgelachen, en hij is vanmorgen anderhalf uur komen rijden om mij te vertellen dat hij bekommerd is over mijn zaligheid.” Na korte tijd begon hij te beseffen dat het tijd werd dat hij zelf bekommerd zou raken over zijn eigen zaligheid. Hij ging naar zijn binnenkamer, sloot de deur en begon te bidden. De volgende dag begaf hij zich naar het huis van de ouderling om hem te vertellen dat hij nu ook bekommerd was over zijn zaligheid, en om hem te vragen wat hij moest doen om zalig te worden.
O, mocht het de eeuwige God behagen om sommigen van hen die nu hier zijn op dezelfde wijze te gebruiken, zodat zij ertoe gebracht worden aan anderen te verkondigen welke Zaligmaker zij gevonden hebben, en hoe Zijn bloed een verzoening is voor de zonden van allen die door Hem tot God gaan.
3. Ik zal u niet lang meer ophouden, maar er blijft nog een derde punt over dat wij kort zullen behandelen. HOE MOET DIE GESCHIEDENIS VERHAALD WORDEN?
Ten eerste: vertel het getrouw. Vertel niet meer dan u weet; vertel niet de ervaring van John Bunyan wanneer u uw eigen ervaring behoort te vertellen. Vertel uw moeder niet dat u gevoeld hebt wat Rutherford gevoeld heeft. Vertel haar niet meer dan de waarheid. Vertel haar uw ervaring oprecht, want misschien zou één dode vlieg in die apothekerszalf haar stinkend maken, en één onware verklaring zou al het overige kunnen bederven. Vertel het verhaal dus naar waarheid.
Ten tweede: vertel het met de meeste ootmoed. Ik heb dit al eerder gezegd. Wees niet opdringerig of aanmatigend tegenover degenen die ouder zijn en meer weten dan u, maar vertel uw verhaal nederig; niet als een prediker, niet als iemand die op de kansel staat, maar als een vriend en als een kind.
Ten derde: vertel het zeer ernstig. Laat hen zien dat u het meent. Spreek niet lichtzinnig over de godsdienst; zo zou u geen nut stichten. Speel niet met teksten; haal geen woorden uit de Schrift aan bij wijze van grap. Op die manier zou u kunnen spreken tot u stom bent en toch geen nut stichten, als u hun ook maar in de kleinste mate aanleiding gaf tot spotten door zelf met heilige zaken te schertsen. Vertel het met de grootste ernst.
En ten slotte: vertel het zeer eerbiedig. Probeer uw verhaal niet aan een mens te vertellen voordat u het aan God verteld hebt. Wanneer u met Kerstmis thuis bent, laat dan niemand uw aangezicht zien voordat God het gezien heeft. Sta vroeg op, worstel met God, en als uw vrienden niet bekeerd zijn, worstel dan met God voor hen; dan zult u het een gemakkelijk werk vinden om met hen voor God te worstelen. Probeer, indien mogelijk, met ieder van hen afzonderlijk te spreken om hun uw verhaal te vertellen. Wees niet bevreesd; denk slechts aan het nut dat u mogelijk kunt stichten; bedenk dat hij die een ziel redt van de dood, een menigte van zonden zal bedekken en sterren in zijn kroon zal hebben voor een eindeloze eeuwigheid.
Probeer – onder God – heilanden te zijn in uw eigen familie; probeer het middel te zijn waardoor uw geliefde broers en zussen ertoe komen de Heere Jezus Christus te zoeken en te vinden. Dan zal het eenmaal, wanneer u elkaar in het Paradijs ontmoet, een blijdschap en een zaligheid voor u zijn te bedenken dat u daar bent, en dat de uwen daar ook zijn, tot wier behoud God u verwaardigd heeft het middel geweest te zijn. Laat uw vertrouwen op de Heilige Geest volkomen en oprecht zijn. Vertrouw uzelf niet, maar vrees niet om op Hem te vertrouwen. Hij kan u woorden geven; Hij kan die woorden op hun hart toepassen en u zo bekwaam maken om genade te schenken aan hen die naar uw woorden luisteren.
Nog één enkel woord tot besluit, waarbij ik de tekst op een andere manier zal gebruiken dan wij tot nu toe hebben gedaan. Spoedig, lieve vrienden, zeer spoedig zal de Meester tot sommigen van ons die hier zijn zeggen: “Ga naar huis, tot uw vrienden.” U weet waar uw thuis is. Dat is boven de sterren, waar onze beste vrienden, onze verwanten wonen, waar God, onze Zaligmaker, heerst. Die grijsharige man daar heeft al zijn vrienden begraven; hij heeft gezegd: “Ik zal wel tot hen gaan, maar zij zullen tot mij niet wederkeren.” Weldra zal zijn Meester zeggen: “U hebt lang genoeg verbleven in dit tranendal; ga naar huis, tot uw vrienden.” O zalig uur! O gezegend ogenblik, wanneer het woord zal klinken: “Ga naar huis, tot de uwen!”
En wanneer wij naar huis gaan tot de onzen, wat zullen wij dan doen? Wel, allereerst zullen wij ons begeven tot die gezegende zetel waar Jezus zit, onze kroon afnemen en die aan Zijn voeten leggen, en Hem kronen als de Heere van allen. En wanneer wij dat gedaan hebben, wat zullen wij dan doen? Wel, wij zullen aan de gezaligden in de hemel vertellen wat de Heere aan ons gedaan heeft en hoe Hij Zich over ons ontfermd heeft.
En zal zo’n verhaal in de hemel verteld worden? Zal dat het kerstverhaal van de engelen zijn? Ja, dat zal het zijn. Het is reeds eerder bekendgemaakt; schaam u niet om het nog eens te vertellen, want Jezus heeft het vóór u verteld: “En thuiskomend roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Wees blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.” En u, arm schaap, wanneer u ingezameld zult worden, zult u dan niet vertellen hoe uw Herder u heeft gezocht en hoe Hij u heeft gevonden? Zult u niet neerzitten in de grazige weiden van de hemel en het verhaal vertellen van uw eigen verlossing? Zult u niet wandelen met uw broeders en zusters en hun vertellen hoe God u heeft liefgehad en hoe Hij u daar gebracht heeft?
Misschien zult u zeggen: “Het zal een zeer kort verhaal zijn.” Ja, dat zou zo zijn als u het nu zou moeten opschrijven. Enkele bladzijden zouden nu uw hele levensbeschrijving bevatten; maar hierboven, als uw geheugen verruimd, uw gevoel gezuiverd en uw verstand verhelderd zal zijn, zult u ontdekken dat wat hier op aarde slechts een traktaatje was, in de hemel een dik boekdeel zal zijn. Daar zult u een lange geschiedenis vertellen van Gods ondersteunende, weerhoudende en dringende genade; en ik geloof dat, wanneer u zult rusten om een ander de tijd te gunnen zijn geschiedenis te vertellen, en zo ieder op zijn beurt, u uiteindelijk, na duizend jaar in de hemel te zijn geweest, zult uitroepen: “O heiligen! Ik heb nog iets anders te zeggen.”
Opnieuw zullen zij hun verhalen vertellen, en opnieuw zult u hen onderbreken: “O geliefden, ik denk aan nog een ander geval van Gods verlossende barmhartigheid.” En zo zult u voortgaan en hun onderwerpen aanreiken voor hun gezangen, onderwerpen die de schering en inslag zullen vormen van de hemelse lofzangen. “Ga naar huis,” zal Hij eerlang zeggen, “ga naar huis, tot de uwen, en vertel hun welke grote dingen de Heere aan u gedaan heeft en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.” Wacht nog een korte tijd; vertoef totdat het uur van Zijn welbehagen gekomen is, en u zult spoedig worden ingezameld in het hiernamaals, in het huis der gezaligden, waar eindeloze gelukzaligheid uw deel zal zijn. God geve Zijn zegen om Zijns Naams wil!
Amen.

