DE VOLKSPREDIKER
HOOFDSTUK 10
‘De beste preek die Spurgeon ooit heeft gehouden’ — zo omschreef William Young Fullerton het weeshuis dat Spurgeon liet bouwen in Stockwell, Zuid-Londen. Gezien de blijvende invloed van zijn zondagse prediking is dat een opmerkelijke uitspraak! Hoe kan een weeshuis Spurgeons beste preek genoemd worden, terwijl zijn woorden mensen over de hele wereld hebben geraakt en veranderd? Toch heeft ook Spurgeons weeshuis talloze levens beïnvloed. Het bood hoop aan jongens en meisjes wier bestaan anders volkomen ellendig – en waarschijnlijk kort – zou zijn geweest. Het was natuurlijk geen preek in de conventionele zin, maar het sprak wel boekdelen: een levende illustratie van Gods liefde in actie.
Het verhaal van het Stockwell Weeshuis was, net als dat van het Pastors’ College, een prachtig geloofsavontuur – een geschiedenis doordrongen van gebed en volharding. En net als de preken in de Metropolitan Tabernacle Pulpit werd ook dit werk wereldwijd bekend.
Het begin
Het zal nauwelijks verbazen dat het weeshuis begon tijdens een gebedsbijeenkomst. In augustus 1866, tijdens een van de vaste maandagavondbijeenkomsten in de Tabernacle, zei Spurgeon: “Beste vrienden, wij zijn een grote kerk en zouden meer voor de Heere moeten doen in deze stad. Laten wij Hem vanavond bidden om ons een nieuw werk toe te vertrouwen, en als er geld nodig is om dat te verwezenlijken, bidden wij dat Hij ook de middelen wil schenken.”
Gezien de vele bedieningen waarin Spurgeon en zijn gemeente al actief waren, was dit een opmerkelijke uitspraak. Toch was Spurgeon nooit iemand die op zijn lauweren rustte — hij bleef voortdurend zoeken naar nieuwe manieren om de Heere te dienen. De aanwezigen baden mee om leiding van God. Een van hen was diaken William Olney. Terwijl Olney in gebed worstelde, kreeg Spurgeon volgens eigen zeggen de overtuiging dat God hun gebed al had verhoord — ze hoefden het nu alleen nog aan Hem over te laten. Spurgeon zei dat ze verder konden bidden voor andere zaken. Wat het ‘nieuwe werk’ betrof, konden ze nu vertrouwen op Gods tijdige antwoord.
Slechts enkele dagen later ontving Spurgeon een ongebruikelijke brief van mevrouw Anne Hillyard, de weduwe van een predikant. Zij kende Spurgeon via The Sword and the Trowel en door persoonlijke aanbeveling. In haar brief bood ze aan een aanzienlijk bedrag te schenken voor een specifiek doel: “de opleiding en het onderwijs van enkele weesjongens.” Spurgeon was verbaasd over de grootte van het genoemde bedrag. Samen met diaken William Higgs — bouwkundige van beroep — ging hij bij haar op bezoek om de kwestie te bespreken. Voorzichtig opende hij het gesprek door te zeggen dat ze wilden praten over de 200 pond die ze in haar brief had genoemd. De weduwe keek verbaasd op. “Heb ik 200 pond geschreven? Ik bedoelde 20.000 pond!” “O ja,” antwoordde Spurgeon glimlachend, “u schreef inderdaad £20.000, maar ik wist niet zeker of er per ongeluk een nul of twee te veel stond, dus leek het mij veilig om het eerst te verifiëren.”
Dat bedrag – omgerekend ruim £1.300.000 in hedendaagse waarde – leek wel een direct antwoord op het gebed van de maandagavondbijeenkomst. Toch bleef Spurgeon voorzichtig. Was er geen erfgenaam die het geld zou kunnen opeisen? En als dat niet zo was, zou mevrouw Hillyard het niet beter aan George Müller in Bristol kunnen geven, voor diens bekende wezenwerk? Spurgeon had namelijk grote bewondering voor Müller, die hij omschreef als “een man machtig in gebed, die de beloften van God heeft beproefd en bewezen.” Ze waren bevriend, en Spurgeon was ervan overtuigd dat Müller het geld goed zou gebruiken.
Maar Anne Hillyard hield voet bij stuk: Spurgeon zelf moest het werk beginnen. Uiteindelijk stemde hij ermee in. Hij aanvaardde haar schenking en besloot dat er een weeshuis zou worden gebouwd. De gebeden van die maandagavond waren duidelijk verhoord. Velen droegen later financieel bij aan de oprichting en verdere groei van het Stockwell-weeshuis, maar menselijk gezien was Anne Hillyards gave de onmisbare vonk. Zij vermeed publiciteit en leefde bescheiden in Bath, waar zij in januari 1880 overleed. Zelfs de beheerders van het weeshuis moesten haar adres met moeite achterhalen. Tot haar laatste adem lag het werk haar na aan het hart – haar vermeende laatste woorden waren: “Mijn jongens! Mijn jongens!”
Haar gift werd herdacht in een glas-in-loodraam in de bestuurskamer van het weeshuis. Het stelde haar eerste ontmoeting met Spurgeon en Higgs voor en bevatte de tekst van Jakobus 1:27, waar in de Authorised Version gesproken wordt over het bezoeken van de “vaderlozen in hun verdrukking.” Een toepasselijk eerbetoon. Anne Hillyard was geen opvallend persoon, maar ze gaf vrijwillig aan God wat ze had – en de vrucht daarvan was een zegenrijke bediening. Haar vrijgevigheid blijft een voorbeeld én een uitdaging voor ons.
De jongens- en meisjeshuizen
Zodra Spurgeon een taak op zich nam, deed hij dat met volledige overgave, en het werk vorderde snel. Nog voor het einde van 1867 was er een raad van bestuur gevormd, met Spurgeon als voorzitter. Zijn broer James Archer Spurgeon trad toe tot de raad en werkte zo bekwaam dat hij in januari 1868 werd aangesteld als assistent-pastor in de Tabernacle, om zijn broer te ontlasten. Hoewel James niet dezelfde predikende gave bezat, was hij een bekwame organisator en een onmisbare steun. Met de gezamenlijke inzet van de gebroeders Spurgeon en een aantal trouwe diakenen namen de plannen vaste vorm aan. Er werd grond aangekocht, en al snel werd begonnen met de bouw. Via The Sword and the Trowel deed Spurgeon regelmatig verslag van de voortgang en moedigde hij giften aan. De respons was royaal. In de Autobiography worden bijdragen genoemd van £250 tot £1.000, en een zekere mevrouw Tyson liet later zelfs £25.000 na in haar testament.
Toch was het financieel krap: een groot deel van mevrouw Hillyards gift zat vast in beleggingen waarover de trustees niet direct konden beschikken. Maar dankzij geloof, gebed en vindingrijkheid kwamen ze erdoorheen. De bouwplaats bevond zich in Stockwell, ongeveer drie kilometer ten westen van Elephant and Castle en de Tabernacle. In 1868 en 1869 verrees daar een indrukwekkend complex.
Op 9 september 1869, te midden van grote feestelijkheden, werd het Stockwell Weeshuis officieel geopend. Anne Hillyards oorspronkelijke visie betrof enkel vaderloze jongens, maar Spurgeon verlangde ernaar uiteindelijk ook meisjes op te nemen. Anne was de eerste die daarvoor doneerde – £50, vermoedelijk het laatste wat zij zich kon veroorloven – en Spurgeon verdubbelde het bedrag. Door verdere steun van lezers van The Sword and the Trowel en de Tabernacle-gemeente werd het benodigde bedrag verzameld, en in 1879 werd de meisjesvleugel geopend. Tijdens Spurgeons leven bleef het werk gestaag groeien. Toen ook de meisjeshuizen gereed waren, bood het complex onderdak aan meer dan vijfhonderd kinderen.
Spurgeon liet zich inspireren door het geloofsvertrouwen van zijn vriend Müller. Hoewel hij sneller dan Müller geneigd was om anderen te vertellen waar behoefte aan was, kwamen hun manier van werken en hun verhalen over verhoorde gebeden in wezen sterk overeen.
Geloof en gebed

Andere verhoringen van gebed kwamen in de vorm van financiële voorziening. “Als we tot de bodem van de meelbus komen,” zei Spurgeon eens, “zal de Heer het schrapen horen — en Hij zal haar weer vullen!” Dat was precies de ervaring van het weeshuis, jaar na jaar. Op een zekere dag merkte Spurgeon tijdens een bestuursvergadering op: “Welnu, we zijn leeg; we moeten ons wenden tot de grote Minister van Financiën!” Iedereen begreep wat hij bedoelde, en onmiddellijk begonnen ze samen te bidden. Binnen enkele dagen werd er £850 geschonken — genoeg om aan de meest dringende noden te voldoen.
Een andere keer ontving Charlesworth zes dozijn kroppen rapen van een gulle gever, die hoopte dat iemand ook wat vlees zou sturen, zodat de kinderen een goede maaltijd zouden hebben. Nauwelijks een uur later arriveerde een boer — die niets wist van het eerdere geschenk — met een volledig schaap! Zulke gebeurtenissen waren een voortdurende aanmoediging om te blijven bidden. Dat betekende niet dat het leven altijd gemakkelijk was. Er waren momenten waarop zelfs Spurgeons geloof zwaar werd beproefd. Toch slaagden ze er, jaar na jaar, niet alleen in om het werk gaande te houden, maar het zelfs verder uit te breiden. Spurgeon noemde “de opmerkelijke omstandigheden rond de oprichting en groei van deze instelling een bewijs dat het het werk van de Heere zelf is.” Een conclusie die moeilijk te betwisten valt.
Spurgeon en zijn medewerkers geloofden diep dat God hen tot dit werk had geroepen. Daarom hadden zij geloof, waren zij bereid risico’s te nemen en bleven zij volhardend in gebed. Ze richtten zich niet op kortstondig succes, maar toonden standvastigheid op de lange termijn, ondanks tegenslagen en ontberingen. Dat roept ook bij ons de vraag op: waartoe nodigt God ons uit om ons aan te wijden, en hoe kunnen wij groeien in geloof, gebed, toewijding en volharding?
‘Spurgeons kinderen’
Spurgeon maakte vanaf het begin volkomen duidelijk dat toelating tot het weeshuis in Stockwell uitsluitend op basis van behoefte en nood zou plaatsvinden. Kerkelijke denominatie speelde geen enkele rol; veel van de opgenomen kinderen kwamen zelfs uit een anglicaanse achtergrond. Zijn motto was eenvoudig maar krachtig: “Laat altijd de grootste behoefte het luidst spreken.” Toch waren veel kinderen niet in de strikte zin van het woord wezen, want hun moeders leefden vaak nog. In de meeste gevallen was de vader overleden, waardoor het gezin in een uiterst kwetsbare positie terechtkwam. Zonder enige vorm van sociale zekerheid kon zelfs een gezin uit de middenklasse snel in armoede vervallen wanneer de vader – de voornaamste kostwinner – wegviel en er geen familie was die kon bijspringen. Zulke sterfgevallen waren in het vervuilde, door ziekte geteisterde Londen van het Victoriaanse tijdperk helaas schering en inslag.
Spurgeon beschreef hun situatie in aangrijpende bewoordingen: “Degenen voor wie wij moeten zorgen, zijn niet ver te zoeken. Zij staan voor onze poorten: weduwen uitgeput van arbeid, bleek, verzwakt en vaak aangetast door tuberculose; kinderen half verhongerd, verwaarloosd en omringd door verleidingen. Kunt u hen aanzien zonder medelijden? Wij kunnen dat niet!” Spurgeon voelde diep medelijden met zulke gezinnen — en hij keek niet slechts met bewogenheid toe; hij kwam daadwerkelijk in actie.
Het leven in het weeshuis
Spurgeon was vastbesloten dat het weeshuis zo min mogelijk op een instelling zou lijken. Allereerst droegen de kinderen geen uniform. In andere weeshuizen waren kinderen vaak gemakkelijk te herkennen aan hun uniforme kleding — men sprak zelfs over de kleur van hun jas. De kinderen van Spurgeon daarentegen droegen gewone kleren, en geen twee waren hetzelfde gekleed. Het Stockwell-weeshuis bestond uit afzonderlijke huizen die rond een binnenplaats waren gerangschikt. De meeste huizen boden plaats aan twintig tot dertig kinderen en hadden elk een huismoeder en een assistente. Dat was een groot contrast met de grote slaapzalen van andere weeshuizen, die vaak meer aan legerkazernes deden denken.
Er werd veel gedaan om een huiselijke sfeer te scheppen. Naast het dagelijkse onderwijsprogramma waren er regelmatig uitstapjes, en soms werden er artiesten ingehuurd om de kinderen te vermaken. Op Eerste Kerstdag 1877 kregen de jongens bijvoorbeeld een Punch and Judy-voorstelling en een goochelshow te zien. Dit alles was, zeker in die tijd, zowel vernieuwend als doordrongen van opmerkelijke christelijke barmhartigheid: liefde werd niet getoond alleen door de kinderen op te nemen, maar ook door hen met zorg en aandacht te omringen zodra ze arriveerden.
Spurgeon was diep betrokken bij het leven in het weeshuis. Hij bleef niet alleen een zeer actief voorzitter van het bestuur, maar bezocht het weeshuis ook geregeld. Het nieuws van zijn komst werd telkens met luid gejuich ontvangen! Na zijn dood schreef Charlesworth: “De kinderen hielden van hem, en zijn bezoeken leidden altijd tot uitbundige vreugde… In hun enthousiasme om zijn hand te pakken, liepen de jongere kinderen vaak het risico onder de voet te worden gelopen.” Spurgeon herinnerde zich zelf dat de jongens en meisjes “als bijen” om hem heen zwermden. Hoezeer hij dit werk belangrijk vond, blijkt misschien wel uit het feit dat hij vaak tijd maakte om het weeshuis op Eerste Kerstdag te bezoeken — en dat hij meestal pennies meebracht om aan de kinderen uit te delen!
Maar zijn populariteit was niet alleen te danken aan die kleine geschenken; hij was werkelijk geliefd. De kinderen wisten hoe hun leven eruit zou hebben gezien als het weeshuis er niet was geweest. Hun dankbaarheid jegens Spurgeon was veel groter dan die paar muntjes. De visie van Anne Hillyard, die aan de basis van dit werk stond, was gericht op één heilig doel: kinderen de kans bieden om persoonlijk te reageren op het evangelie. “De kleintjes tot Jezus brengen is mijn eerste en belangrijkste verlangen,” schreef ze eens.
Het is dan ook geen wonder dat Spurgeon die toewijding volledig deelde. Op zondag namen de kinderen deel aan de kerkdienst, of — als ze te jong waren — aan een speciale dienst in het weeshuis. ’s Middags was er zondagsschool, zoals in die tijd gebruikelijk was, en op woensdagavond vond er eveneens een bijeenkomst plaats. Er werd nooit druk uitgeoefend; niet alle kinderen kwamen tot geloof, al vonden velen wél de Heere Jezus als hun Redder.
Twee jongens
Er zijn helaas maar weinig persoonlijke verslagen van de kinderen die in de tijd van Spurgeon in het weeshuis verbleven. Van meisjes hebben wij geen enkel verslag kunnen vinden, maar van enkele jongens wel — en over twee van hen is wat meer bekend. John Maynard, in het weeshuis bekend als “Little Jack”, kwam tot geloof tijdens zijn verblijf in Stockwell en liet zich dopen. Daarna ging hij naar het Pastors’ College om zich voor te bereiden op het predikantschap. Na zijn opleiding vertrok hij als zendeling naar Congo (het huidige Democratische Republiek Congo). Maar enkele weken na aankomst in het Underhill Station aan de Congostroom werd hij ernstig ziek. In 1886 bereikte het verdrietige nieuws van zijn overlijden het college en het weeshuis. John was pas vierentwintig jaar oud.

In de eetzaal werd een gedenkplaat geplaatst voor “kleine Jack”, die, zoals men zei, “de korte weg naar de hemel had genomen”. Zijn verhaal werd in het weeshuis nog vaak verteld — als voorbeeld van toewijding en geloof. Een van de jongens die het verhaal van John Maynard hoorde, was George Henry Edwards, die tussen 1884 en 1890 in Stockwell woonde. Er zijn veertien brieven van hem aan zijn moeder bewaard gebleven, die een ontroerend inkijkje geven in het leven in het weeshuis. Toen George net aankwam, verkeerde hij in slechte gezondheid — waarschijnlijk verzwakt door ondervoeding — maar al snel kon hij schrijven dat zijn “voeten en handen beter waren”.
Zijn brieven staan vol kleine, alledaagse details: “Breng me alsjeblieft een doosje kleurpotloden.” — “Ik kreeg gisteren een brief van tante Ellen; ze stuurde me een paar handschoenen en wanten.” — “Soms gaan we ’s middags naar Clapham Common, en dat vind ik erg leuk.” In zijn eerste brieven maakte George nog wat spelfouten (zo schreef hij ‘craons’ in plaats van crayons voor kleurpotloden), maar zijn taal en handschrift verbeterden snel — zijn sierlijke hand is zelfs gemakkelijker te lezen dan die van Spurgeon zelf.
Natuurlijk miste George zijn familie, maar er is geen reden te twijfelen aan wat hij in zijn allereerste brief schreef: “Ik ben hier erg gelukkig.” Dat bleef ook zo gedurende zijn hele verblijf. In één van zijn brieven vermeldde hij zelfs een bezoek van Spurgeon zelf, op 1 maart 1886.
Tijdens dat bezoek gaven enkele jongens een gymnastische demonstratie voor hun geliefde voogd, maar voor Spurgeon had nog iets anders meer betekenis. In een eerdere brief had George namelijk geschreven dat hij in oktober 1885 een christelijke lezing had bijgewoond, waar verschillende jongens hun hart aan de Heere hadden gegeven en hun geloof openlijk beleden — hijzelf ook. Hun namen werden genoteerd, en George vertelde dat de spreker beloofd had “ons allemaal een boek te geven” en hun al een klein traktaat had uitgedeeld met de titel The New Heart.
Op 15 februari 1888 schreef George opnieuw over een bijzondere avond: een lezing over Afrika, met toverlantaarnplaatjes. Een van de beelden die hij zag, was dat van John Maynard. Enkele studenten van het college waren aanwezig en hadden de presentatie waarschijnlijk verzorgd. George Edwards volgde niet letterlijk in de voetsporen van John Maynard als zendeling, maar het lijkt erop dat beide jongens hetzelfde geestelijke geschenk ontvingen — een “nieuw hart” van God (Ezechiël 36:26).
Het Spurgeon-weeshuis was niet alleen een plaats waar kinderen werden gered van armoede en ziekte, maar ook een plek waar zij het evangelie van Jezus Christus hoorden en er persoonlijk op konden reageren. Zo werden velen niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gered. En op die manier kwam de oorspronkelijke visie van Spurgeon en Anne Hillyard op wonderbaarlijke wijze tot vervulling.
Dieper graven
Was het weeshuis werkelijk “de beste preek die Spurgeon ooit heeft gehouden”, zoals Fullerton beweerde? Sommigen zullen dit wellicht overdreven vinden, omdat Spurgeons preken vandaag de dag nog steeds over de hele wereld worden gelezen. Ze waren niet alleen vruchtbaar in de negentiende eeuw, maar zijn ook in de eenentwintigste eeuw nog steeds krachtig en actueel. Dat is onmiskenbaar waar — maar ook het weeshuiswerk dat Spurgeon begon, draagt tot op heden vrucht.
Het laatste weeshuis sloot in 1979 zijn deuren, maar Spurgeons (voorheen Spurgeon’s Childcare) zet zich nog altijd in voor kwetsbare kinderen en jongeren. In samenwerking met kerken, lokale overheden en maatschappelijke organisaties worden in het hele Verenigd Koninkrijk talloze projecten uitgevoerd. Spurgeon stichtte dus niet alleen een weeshuis; hij legde het fundament voor een werk dat de tand des tijds heeft doorstaan. Misschien zou zelfs Spurgeon het met Fullerton eens zijn geweest, want tijdens een bezoek aan Müller’s Homes in Bristol zei hij: “Ik heb nog nooit in mijn leven zo’n preek gehoord als ik daar hoorde.”
Toch hoeven we geen keuze te maken tussen Spurgeons prediking, zoals die is vastgelegd in de Metropolitan Tabernacle Pulpit, en de daadwerkelijke liefde die in het weeshuis tot uitdrukking kwam. Beide waren onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor Spurgeon bestond er geen tegenstelling tussen het zogenoemde sociale evangelie en de verkondiging van persoonlijke verlossing door geloof in Jezus Christus. Hij stond in een evangelische traditie die de noodzaak van beide benadrukte: het was van levensbelang dat mannen en vrouwen, jongens en meisjes, persoonlijk op Jezus vertrouwden als hun Heere en Heiland. Maar even onmisbaar was het dat dit geloof zichtbaar werd in daden van liefde en zorg voor de naaste.
Spurgeon zocht in zijn bediening voortdurend naar dat evenwicht: hij verkondigde de noodzaak van bekering en geloof, en tegelijk had hij hart voor weduwen, wezen en armen. Ook wij, als kerken en individuele discipelen, worden geroepen om diezelfde dubbele nadruk in ons leven te bewaren.
Betrokkenheid
Door de geschiedenis heen is het meer dan eens gebeurd dat evangelicalen de nadruk op sociale bewogenheid verloren. Sommigen vreesden dat te veel aandacht voor maatschappelijke betrokkenheid ten koste zou gaan van de oproep tot bekering en geloof. Maar Spurgeon laat zien dat beide hand in hand kunnen gaan. En hij stond daarin niet alleen: andere grote geloofsgetuigen, zoals George Müller, George Whitefield, Hannah More en William Wilberforce, wisten eveneens praktische christelijke liefde te verbinden met vurige evangelisatie. Waarom zou u zich niet verdiepen in hun levens? Ieder van hen toont op een unieke manier hoe krachtige evangelieverkondiging samengaat met actief dienstbetoon aan de wereld. Praktische liefde is geen ontkenning van het evangelie, maar juist een wezenlijk onderdeel van de roeping van elke evangelische christen.
Gelukkig hebben veel christenen in de afgelopen decennia het belang van liefde in actieherontdekt en erkennen zij opnieuw de noodzaak daarvan. Misschien zijn u en uw gemeente al betrokken bij maatschappelijk werk, lokaal of wereldwijd. In dat geval hoop ik dat u zich gesterkt weet om vol te houden. Maar als dat nog niet zo is, of als u de noodzaak ervan niet inziet, bid ik dat de woorden in dit hoofdstuk u hebben geholpen om de vreugde en roeping van praktische liefde te ontdekken.
Aan wie kunt u vandaag de liefde van Christus tonen? Wat kunt u, in uw eigen omgeving, doen? Neem tijd om daarover te bidden — maar bid niet alleen. Want wie werkelijk het voorbeeld van Spurgeon volgt, zal ontdekken dat oprecht gebed altijd tot daden leidt.

