Heiligheid in Spurgeons leven

DE VOLKSPREDIKER
HOOFDSTUK 7

Zoals Spurgeon vaak sprak over het gebed en het lezen van de Bijbel, zo legde hij ook met grote nadruk de vinger bij het belang van persoonlijke heiligheid. Voor hem was dit geen bijkomstig thema, maar een kernpunt van het christelijk leven. Hij was ervan overtuigd dat iedere gelovige moest streven naar een heilig leven, en dat besef doortrok zijn hele bediening; het klonk steeds opnieuw door, niet alleen in zijn prediking, maar ook in zijn geschriften en zijn gebeden in de openbare samenkomsten.

Tijdens een preek zei Spurgeon eens nadrukkelijk dat “wanneer Jezus Christus een ziel nadert, Hij haar nadert om haar rein te maken”. In die woorden komt zijn diepgewortelde overtuiging naar voren: het christelijke leven is een voortdurend proces van reiniging en loutering door God zelf. Tegelijk vond Spurgeon dat een gelovige daarbij niet passief mocht afwachten. Hij moest – met wat hij noemde een ‘geestelijke intensiteit’ – de heiligheid actief najagen. In The Treasury of David typeerde hij die toewijding als een “nobele ambitie” en een “heerlijke onderneming”.Niet iedereen in zijn tijd dacht op die manier over heiligheid. Sommigen beweerden dat werkelijk heilige mensen per definitie somber of ongelukkig moesten zijn. Spurgeon wees dat idee resoluut van de hand. Voor hem waren heiligheid en ware vreugde juist onafscheidelijk verbonden: een mens die werkelijk heilig leeft, zo stelde hij, is vervuld van diepe, blijvende vreugde. Het was zijn “levensambitie” om zelf zo iemand te zijn.

Misschien kwam zijn verlangen naar heiligheid nog het duidelijkst naar voren in zijn gebeden. Eens bad hij: “O Heere, onze God, wij verlangen er vurig naar om van de zonde verlost te worden. Wij hunkeren naar heiligheid.” En op een ander ogenblik beleed hij met eerlijke zelfkennis: “Wij strijden niet tegen de machten der duisternis zoals wij zouden moeten… maar toch is er iets in ons dat naar heiligheid verlangt.” Zulke woorden laten zien hoe diep dit verlangen in hem leefde. Wie Spurgeon hoorde bidden of preken, kon niet anders dan aanvoelen hoeveel gewicht hij hechtte aan een zuiver, christelijk leven.

Er zou moeiteloos een heel hoofdstuk gevuld kunnen worden met citaten uit zijn preken, boeken en gebeden. Dat zou geen straf zijn, want zijn woorden zijn zelden dor of droog; ze bruisen van kracht, warmte en geestelijke diepte. Spurgeons stem klinkt nog altijd, en wat hij zegt, blijkt verrassend actueel. Hij onderwijst niet alleen over het belang van persoonlijke heiligheid, maar ook over talloze andere aspecten van het geloofsleven. Toch blijft één indringende vraag hangen: leefde hij zelf ook wat hij preekte? Van zijn gebedsleven en omgang met de Schrift weten we dat dit onmiskenbaar het geval was. Maar hoe stond het met zijn heiligheid in het dagelijkse leven? Was zijn hart even zuiver als zijn woorden, of waren er verborgen gebreken die hij met de rest van de wereld nimmer deelde?

Financiële integriteit

Een eerste punt is dat Spurgeon een man was met grote financiële integriteit. Dat is des te opmerkelijker omdat hij buitengewoon rijk had kunnen worden: hij stond aan het hoofd van de grootste baptistengemeente ter wereld, wat zowel ledenaantal als bezoekers betrof, en zijn gedrukte preken, pamfletten en boeken vonden steeds meer aftrek, zowel in Groot‑Brittannië als ver daarbuiten. In 1871 werden er in Groot‑Brittannië al wekelijks meer dan 25.000 preken verkocht, en in 1879 lag het totale aantal verkochte preken in Amerika rond de 500.000.

Het was dan ook niet vreemd dat er geruchten de ronde deden dat Spurgeon zichzelf royaal verrijkte en dat de predikant van de Metropolitan Tabernacle een zeer welgesteld man was. De werkelijkheid zag er echter heel anders uit, zoals duidelijk werd in 1879, vijfentwintig jaar nadat Spurgeon naar Londen was gekomen, toen de gemeente zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum als predikant wilde vieren. Tijdens een speciaal feest sprak de vooraanstaande diaken William Olney, die de gelegenheid aangreep om openlijk te vertellen hoe hun predikant met geld omging. Op basis van zijn insiderkennis kon hij verklaren dat Spurgeon de gemeente al die jaren een indrukwekkend voorbeeld van giften had gegeven; zo onthulde hij – tegen zijn eigen bedoeling in – dat Spurgeon persoonlijk bijna £5.000 had bijgedragen aan het bouwfonds van de Tabernacle en bovendien alle schoonmaak‑ en verlichtingskosten van het gebouw uit eigen middelen betaalde.

Olney sprak met warmte over de zelfverloochening en vrijgevigheid van zijn predikant en onderbouwde zijn lof met concrete feiten. Aan het slot van zijn toespraak maakte hij bekend dat onder gemeenteleden en andere weldoeners een aanzienlijk bedrag was ingezameld om Spurgeon ter gelegenheid van dit jubileum een bijzonder geschenk te geven: maar liefst £6.233. Spurgeon, die al van deze actie wist, had echter vooraf laten weten wat hij met het bedrag zou doen zodra hij het in handen kreeg: “Geen cent voor mij… Ik zal het niet houden. Het is allemaal van de Heere en zal ook geheel aan de zaak van de Heere worden besteed.”

Toen hij opstond om op Olneys woorden te reageren, sprak hij over zijn verlangen om “meer te doen voor de zaak van Christus en meer voor de armen”. Hij voegde eraan toe dat de wereld niet kan begrijpen dat iemand door iets anders dan eigenbelang gedreven wordt, maar dat iemand die de kracht van de liefde tot Jezus kent, hebzucht naar rijkdom even verachtelijk vindt als het stof onder zijn voeten. Spurgeon hield woord en liet de gehele collecte weggeven.

Gezinsleven en karakter

Het gezinsleven is wellicht de eerlijkste toetssteen van heiligheid. Juist thuis — waar niemand zich lang anders kan voordoen dan hij werkelijk is — openbaart zich het ware karakter van een mens. Daar, binnen de muren van zijn eigen woning, bleek Charles Spurgeon even oprecht als op de preekstoel. Wie hem van nabij kende, wist dat hij ook in die persoonlijke sfeer op wonderlijke wijze slaagde voor de beproeving van ware heiligheid.

De Tweeling Thomas en Charles
De Tweeling Thomas en Charles

Het huwelijk van Charles en Susannah was een bron van diep geluk, al liep er ook een spoor van pijn doorheen. Hun tweelingzonen, Thomas en Charles, schonken hun grote vreugde, maar na hun geboorte kreeg Susannah geen kinderen meer, en haar gezondheid werd broos. Toch — of misschien juist door die beproevingen — werd hun liefde in de loop der jaren alleen maar hechter.

Vanaf het eerste begin was er een sterke verbondenheid tussen hen; voor Charles was Susannah zijn “engel van vreugde”. Tot aan zijn laatste dagen bleef zij hem trouw terzijde staan in zijn arbeid, onder meer door leiding te geven aan het boekenfonds dat theologische werken ter beschikking stelde aan predikanten die ze anders nooit hadden kunnen aanschaffen. Wie Spurgeons autobiografie leest, ziet hoe teder hij over zijn vrouw sprak, en hoe vol liefde zij later over hem terugblikte. Vele jaren na zijn dood, terwijl ze keek naar een portret van hem als jonge predikant, beschreef zij hem met ontroering als een man van “aangename nederigheid” en “zachtaardige vriendelijkheid”, met een “krachtig geloof in God” en een leven dat zij noemde “glorieus en onberispelijk”.

Niet alle grote predikanten uit de negentiende eeuw waren gelukkig in hun huwelijk – soms door eigen toedoen – maar Charles en Susannah Spurgeon vormden daarop een kostbare uitzondering. En hun zonen? Waren Thomas en Charles verwaarloosde pastorie-kinderen, overschaduwd door de drukte van hun vaders bediening? Integendeel. Alles wijst erop dat “Tommy” en “Charlie” van hun vader hielden, zowel in hun jeugd als in hun volwassen leven. Charles junior schreef later dat zijn vader een man was van “edel en godvrezend karakter”, en hij merkte op dat dezelfde “ongeëvenaarde genade en goedheid” die zijn vader op de preekstoel toonde, ook thuis alom aanwezig was. Tot vreugde van hun ouders kwamen beide zonen tot geloof en lieten zich in de Metropolitan Tabernacle dopen. Later volgden ze hun vader in het ambt: Charles junior werd predikant in Greenwich, en Thomas diende een tijd in de Stille Zuidzee voordat hij in 1894 de roeping aannam om zijn vader op te volgen in de Tabernacle. Die taak bleek zwaar – het is geen geringe verantwoordelijkheid om in de voetsporen van Charles Haddon Spurgeon te treden – maar dat deed niets af aan hun warme dankbaarheid jegens hun vader, die voor hen altijd een wijze, standvastige en liefdevolle vriend was gebleven.

Liefde, medeleven en vriendschap

Spurgeons liefde en medeleven bleven niet onopgemerkt. Zijn vriend en biograaf William Young Fullerton vertelde dat menig briefschrijver in tijden van nood plotseling een briefje van vijf pond in de post vond. Spurgeon gaf vrijgevig aan wie gebrek leed, zonder ook maar een zweem van gierigheid. Volgens Fullerton was hij een man met een volkomen “transparant karakter”: indrukwekkend, eerlijk, onbaatzuchtig en boven alles “Zijn hele wezen stond in dienst van Christus”. Zijn biografie eindigde hij dan ook met de woorden dat, wanneer hij terugdacht aan Spurgeons leven en karakter, hij slechts kon zeggen: “Met trots breng ik hem mijn eerbetoon!”

Nu zou men kunnen denken dat Fullerton, als goede vriend, Spurgeon misschien te gunstig beoordeelde. Maar ook wie hem minder persoonlijk kende, kwam tot soortgelijke conclusies. William Robertson Nicoll, hoofdredacteur van een christelijke krant, beschreef Spurgeon als een man vol zelfbeheersing, opmerkzaamheid en wijsheid, met een nuchtere scherpzinnigheid en een humor die verfrissend werkte. Nicoll zag in hem iemand voor wie de groei van het Koninkrijk van de genade zijn hoogste welzijn was, en voor wie een nieuwe innerlijke diepte van geestelijk leven de ware rijkdom vormde. Velen die met Spurgeon omgingen, prezen vooral zijn godsvrucht: zijn warme, praktische geloofsleven en zijn diep doorleefde godsvrucht. En wie hem van dichtbij kende, zag niet in de eerste plaats de beroemde prediker, schrijver of organisator, maar een liefdevolle, wijze vriend.

Spurgeon’s fouten

Toch was hij geen volmaakt mens. Spurgeon kon fel uithalen naar mensen binnen de kerk met wie hij het theologisch oneens was. Zijn oordeel over rooms‑katholieken en over de “High Church Party” in de Anglicaanse kerk – die meer nadruk legde op ritueel – was soms scherp en weinig vergevingsgezind. Zelfs vrienden vonden dat hij in zijn polemieken weleens te streng was. Zelf bleef hij bij zijn overtuigingen, maar later erkende hij dat hij met meer mildheid had kunnen spreken. In 1891 zei hij dat hij het afgelopen jaar geleerd had dat er onder Gods volk meer liefde en eenheid was dan men doorgaans dacht. Verschillende vormen van eredienst, zo zei hij, waren als voren in een akker – verschillend in richting, maar toch deel van één en hetzelfde veld.

Een ander zwak punt in Spurgeons leven was dat hij perioden kende waarin hij eenvoudig te veel hooi op zijn vork nam. Soms gunde hij zichzelf geen echte vrije dag, werkte hij door waar hij had moeten rusten en liet hij zo zien hoe gemakkelijk zelfs een toegewijd dienaar van God kan vervallen in een ongezonde werkdruk. Wij kijken daar vandaag nog weer anders tegenaan als we bedenken dat Spurgeon ook rookte. Hij bekende zelfs eens dat hij sigaren rookte “tot eer van God” – iets wat tegenwoordig velen zonder aarzelen als een duidelijke tekortkoming zouden zien, al wist men in het Victoriaanse tijdperk nog weinig van de schade voor de gezondheid van roker en omgeving. Zulke dingen maken duidelijk dat Spurgeon niet volmaakt was. Tegelijk nam hij zijn zwakke plekken serieus; hij leerde ze onder ogen te zien en ermee te worstelen in het vertrouwen op de kracht van de Heilige Geest.

Gaandeweg vond hij meer balans tussen werk en rust. Vanaf de jaren tachtig nam hij jaarlijks een lang winterverlof en plande hij ook in de zomer enkele weken vrij, vaak in Schotland. Zijn preek in Rothesay, aan de Firth of Clyde – het verhaal waarmee dit boek begon – hield hij zelfs terwijl hij met vakantie was, al waren die dagen allesbehalve zorgeloos. Toch kon hij in die weken meestal in een rustiger tempo leven en ontdekte hij hoe hard hij tijd nodig had om lichamelijk, mentaal en geestelijk op adem te komen.

In zijn jonge jaren had Spurgeon bovendien zichtbaar te kampen met trots. In een brief van 23 maart 1855 schreef hij dat zijn trots zo “verschrikkelijk” was dat geen mens op aarde die ooit zou kunnen bedwingen en dat alle pogingen daartoe “zinloos” waren, maar dat zijn Meester dat wél kon en ook zou doen. Zulke en andere innerlijke strijdpunten legde hij dagelijks in het gebed voor God neer. Hoewel hij ervan overtuigd was dat een christen in dit leven nooit volmaakt wordt, leefde hij toch in een gestage groei in heiligheid. Jaar na jaar vormde God zijn karakter en hielp Hij hem om deze tekortkomingen meer en meer te overwinnen, zodat vrienden als Fullerton en zijn zoon Thomas later vooral één eigenschap benadrukten: zijn nederigheid, de vrucht van een genadige omkering van een oud zwak punt in een geestelijke kracht.

Heiligheid: leer en oproep

Het is zinvol te vragen hoe Spurgeon tot zo’n niveau van heiligheid kwam en welke weg hij daarin ging. Allereerst maakte hij duidelijk dat hij volledig vertrouwde op het werk van de Heilige Geest. Wie zich aan Christus als Verlosser en Heer toevertrouwt, ontvangt de inwoning van de Geest, die kracht geeft om te veranderen en anders te leven, en die kracht blijft het hele leven door de bron van alle ware heiligheid. Heiligheid is, van begin tot eind, een werk van God in het leven van de gelovige.

Dat betekent echter niet dat de christen achterover kan leunen, alsof heiligheid zich vanzelf wel zou vormen. In Spurgeons dagen waren er stemmen die beweerden dat het genoeg was om “los te laten en God het werk te laten doen”, en dat men zo als vanzelf op een hoger niveau van heiligheid terecht zou komen. Spurgeon zag dat anders. Voor hem waren christenen “actieve deelnemers” aan hun eigen heiliging. Zij werkten mee met de Heilige Geest in Zijn louterende werk door te bidden, Gods Woord te lezen en vervolgens, met alle kracht die God verleent, te strijden om naar de leer van de Bijbel te leven, in de geest van Kolossenzen 1:29. Alleen langs die weg, zo leerde hij, komt een christen werkelijk vooruit in een heilig leven. “Wees er maar zeker van,” zei Spurgeon, “dat u en ik niet heilig worden door te gaan slapen.” Het christenleven is een strijd – tegen zonde, wereld en duivel – en die strijd moet dagelijks gevoerd worden. In een preek over 2 Korintiërs 7:1, rondom de woorden “laten wij ons reinigen”, benadrukte hij dat Christus door de Heilige Geest in al Zijn volk woont en heiligheid werkt in ieder discipel, maar dat de Geest dat doet door gelovigen juist in beweging te zetten. God, zo zei hij, “werkt het in; u werkt het uit; u moet in uw uiterlijke leven uitwerken wat Hij in de innerlijke bronnen van uw geestelijk bestaan werkt”.

Spurgeon kon dan ook zeggen: “Schrijf mijn leven aan de hemel. Ik heb niets te verbergen.” Het is een opmerkelijke uitspraak, die de lezer bijna dwingt zichzelf af te vragen of hij of zij hetzelfde zou durven zeggen. Zij roept ertoe op om tijd te nemen voor God, schuld te belijden en te bidden om kracht en helder inzicht om een heilig leven te leiden, in het besef dat God niet in de eerste plaats grote gaven zegent, maar een grote gelijkvormigheid aan Christus. Ware heiligheid is een wezenlijke noodzaak voor de kerk van vandaag en kan niet ontbreken waar Christus werkelijk geëerd wil worden. Hoe worden wij dan heilig? Volgens Spurgeon is zijn leer over heiligheid eenvoudigweg de leer van de Bijbel, en juist daarom spreekt zij nog altijd met kracht. Wij moeten bidden dat God heiligheid in ons werkt, maar wij mogen dat gebed niet losmaken van dagelijkse inzet. Met alle energie die Hij schenkt, moeten wij aan het werk; gebed en actie horen onlosmakelijk bij elkaar. Zijn vraag aan de lezer laat zich niet gemakkelijk wegschuiven: doet u dit werkelijk, dag in, dag uit?

Heiligheid krijgt concreet gestalte in een leven van integriteit en zuiverheid, zoals Spurgeon dat zelf nastreefde, en leidt tot een leven dat zichtbaar anders is dan de wereld eromheen – zoals bij Spurgeon, maar bovenal zoals bij Jezus. Dat maakt kwetsbaar voor spot, zoals Spurgeon jarenlang in de pers heeft ervaren en zoals Christus Zelf nog veel diepere vernedering heeft doorstaan. Toch hoort het bij de bereidheid van een discipel om te lijden omwille van Christus, zoals Paulus schrijft in 2 Korintiërs 6:4‑5. Tegelijk is een heilig mens niet hard, streng of moeilijk, maar liefdevol en vol medeleven, in de geest van 2 Korintiërs 6:6. Spurgeons leven laat bovendien zien dat een heilig leven juist een vreugdevol leven is. Heilige mensen zijn niet zuur en bedrukt, maar leven ten volle en volgen hun Heere Jezus, waar Hij hen ook leidt. Wie heiligheid zo leert zien, ervaart haar niet meer als iets sombers of onaantrekkelijks, maar herkent erin iets dat werkelijk begeerlijk is – en terecht, want God roept ieder van ons op om een hartstochtelijke liefde tot heiligheid te koesteren.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

Het Spurgeon Archief (Webmaster)

Het Spurgeon Archief

Nederlandstalige verzameling van Spurgeon artikelen, waaronder preken, dagelijkse overdenkingen en citaten. [email protected]

Onze Socials:

Copyright & Content