Een preek uitgesproken op 26 december 1875, door C.H. Spurgeon, in de Metropoltan Tabernacle.
En u zult Hem de Naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons. Mattheüs 1:23
Deze vertaalde woorden klinken mij bijzonder aangenaam in de oren. Waarom was het eigenlijk nodig om het woord “Immanuel” te vertalen en uit te leggen? Was het niet juist de bedoeling om duidelijk te maken dat deze Naam ook ons, de heidenen, betreft? Daarom werd hij vastgelegd in een van de belangrijkste talen van de toenmalige heidense wereld: het Grieks. De vertaling bij de geboorte van Christus, evenals de drie talen die werden gebruikt in het opschrift op het kruis bij zijn dood, laten zien dat Hij niet alleen de Verlosser van de Joden is, maar ook van de heidenen.
Toen ik langs de kade in Marseille liep en de schepen van allerlei naties in de haven zag liggen, trok de opschriften op de winkels en magazijnen mijn aandacht. De aankondigingen van versnaperingen en goederen stonden er niet alleen in het Frans, maar ook in het Engels, Italiaans, Duits, Grieks, en soms zelfs in het Russisch en Zweeds. Op de winkels van zeilmakers, scheepsbouwers, ijzerhandelaren en handelaren in scheepsbenodigdheden waren de borden meertalig, zodat mensen uit vele landen zich aangesproken voelden.
Dit was een duidelijke uitnodiging aan alle volken om te komen kopen, een teken dat men hun komst verwachtte en speciale voorzieningen voor hun wensen had getroffen. Het woord “vertalen” betekent hier dus: de boodschap overbrengen in verschillende talen zodat iedereen wordt aangesproken. Eerst staat de tekst in het Hebreeuws, “Immanuel”, en daarna volgt de vertaling in de taal van de heidenen: “God met ons”. Dit is een interpretatie die ons laat weten dat ook wij zijn uitgenodigd, dat wij welkom zijn, dat God onze noden gezien heeft en voor ons gezorgd heeft. Zo kunnen wij vrijelijk komen, zelfs wij, zondaren uit de heidenen, die ver van God waren. Laten wij met eerbiedige liefde beide vormen van deze kostbare Naam bewaren en uitzien naar de blijde dag waarop onze Hebreeuwse broeders hun “Immanuel” zullen verbinden met onze “God met ons”.
Onze tekst spreekt over de naam van onze Heere Jezus. Er staat: “U zult Hem de Naam Immanuel geven.” Tegenwoordig geven we onze kinderen vaak namen zonder specifieke betekenis. Het zijn soms namen van ouders of gerespecteerde familieleden, maar meestal dragen onze kindernamen geen bijzondere betekenis. Vroeger was dat anders. Toen hadden namen altijd betekenis. Bijbelse namen bevatten vaak een belangrijke boodschap, en dat geldt vooral voor elk van de namen die aan de Heere Jezus worden toegekend. Bij Hem wijzen de namen op wie Hij is en wat Hij doet. “Zijn nNam zal zijn: Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst,” want dat is Hij in waarheid. Zijn Naam is Jezus, maar dat is geen toeval. Geen enkele andere naam zou Zijn grote werk — het redden van Zijn volk van hun zonden — beter kunnen omschrijven.
Als er staat dat Hij zo genoemd wordt, betekent dat dat Hij dat ook werkelijk is. Ik weet niet dat in het Nieuwe Testament ergens letterlijk staat dat de Heere Jezus “Immanuël” wordt genoemd. Zijn apostelen en discipelen spreken Hem niet zo aan, maar ze tonen het wel door hun woorden. Ze noemen Hem “God geopenbaard in het vlees” en zeggen: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.” Ze gebruiken misschien niet steeds dat ene woord, maar ze leggen de betekenis ervan uit en geven ons heldere vertalingen. Zo verkondigen zij deze verheven titel en maken ze op verschillende manieren duidelijk wat bedoeld wordt met “God met ons” in de persoon van de Heere Jezus Christus. Het is een glorieus en fundamenteel feit dat, sinds Christus in deze wereld geboren is, God met ons is.
U kunt de tekst desgewenst in twee delen splitsen: “GOD” en vervolgens “God MET ONS”. We moeten op elk woord evenveel nadruk leggen. Laten we nooit, ook maar voor één moment, twijfelen aan de goddelijkheid van onze Heere Jezus Christus, want Zijn goddelijkheid is een fundamentele leerstelling van het christelijk geloof. Misschien zullen wij nooit volledig begrijpen hoe God en mens in één Persoon verenigd konden worden, want wie kan God door onderzoek doorgronden? Deze grote mysteries van de godheid, deze diepe dingen van God, gaan ons begrip te boven. Onze kleine boot zou verloren kunnen gaan als wij ons zo ver op deze uitgestrekte, oneindige oceaan zouden wagen, dat wij de kust van de duidelijk geopenbaarde waarheid uit het oog zouden verliezen. Laten we echter in ons geloof standvastig vasthouden aan het waarachtige feit dat Jezus Christus – Hij die in de kribbe van Bethlehem lag, in de armen van een vrouw werd gedragen, een weg van lijden ging en stierf aan het kruis van een misdadiger – toch “Die God is, boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid” en “Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord”.
Hij was geen engel – dat maakt de apostel duidelijk in de eerste en tweede hoofdstukken van de brief aan de Hebreeën. Hij kon ook geen engel zijn, want aan Hem worden eerbewijzen gegeven die nooit aan engelen worden geschonken. Evenmin was Hij een ondergeschikte godheid of een tot God verheven wezen, zoals sommigen op absurde wijze hebben beweerd. Al die ideeën zijn niets meer dan dromen en leugens. Hij is even werkelijk God als God maar zijn kan, één met de Vader en de eeuwig gezegende Geest. Was dit niet het geval, dan zou niet alleen onze hoop haar kracht verliezen, maar zou ook de zoetheid van deze tekst volledig verdwijnen. De kern én de heerlijkheid van de menswording is juist dat Hij God Zelf was, verhuld in menselijk vlees. Als een ander wezen in menselijk vlees tot ons was gekomen, zou ik daar niets bijzonders aan vinden, en zeker niets troostends.
Dat een engel mens wordt, raakt mij weinig; zelfs als een ander verheven wezen mens zou worden, brengt dat geen vreugde in mijn hart en schenkt het mij geen troost. Maar “God met ons” is een onvergetelijke vreugde. “GOD met ons” – alles wat God betekent, de Godheid, de oneindige Jehova – is bij ons. Dit was het waard om bezongen te worden in een middernachtelijk lied, toen engelen de herders verrasten met hun kerstgezang en riepen: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.” Dit was het waard om door zieners en profeten voorspeld te worden; het was het waard dat er een nieuwe ster aan de hemel verscheen, en het was het waard dat deze waarheid zorgvuldig werd bewaard door inspiratie. Het was zelfs waard om voor te sterven – zoals de marteldood van apostelen en belijders toont, die hun leven niet dierbaar achtten vanwege de vleesgeworden God. En dit, mijn broeders, is vandaag de dag nog steeds waard om als blijde boodschap te verkondigen, waard om een heilig leven te leiden dat de gezegende kracht ervan weerspiegelt, en waard om in vreugde te sterven als getuigenis van de troost die zij biedt.
Hier ligt de kern van ons heilig geloof: “Zonder twijfel, het mysterie van de godsvrucht is groot: God is geopenbaard in het vlees.” Hij die in Bethlehem werd geboren, is God en “God met ons.” God alleen – daar ligt de majesteit; “God met ons” – daar liggen barmhartigheid, heerlijkheid en genade. God alleen zou ons angst kunnen aanjagen, maar “God met ons” vervult ons met hoop en vertrouwen. Neem deze tekst aan als een kostbaar geschenk en draag hem in uw hart als een bundel zoete kruiden, die vrede en vreugde in uw ziel verspreidt. Moge de Heilige Geest deze waarheid in u verdiepen en u daarmee sterken. Ik wil u graag meenemen met de woorden van een van onze dichters:
“Zonde der gerechtigheid,
Woord dat vlees geworden zijt,
Tussen alle mensen in,
In het menselijk gezin.”
Laten we eerst deze waarheid bewonderen, vervolgens er dieper over nadenken en daarna trachten deze persoonlijk toe te passen.
I. LATEN WIJ DEZE WAARHEID BEWONDEREN: “God met ons.” Laten wij er met eerbied afstand van houden, zoals Mozes deed toen hij God in de brandende braamstruik zag: hij deed een stap terug, trok zijn schoenen uit en besefte dat de plek waar hij stond heilige grond was. Dit is een wonderlijk feit: God, de Oneindige, heeft ooit gewoond in het kwetsbare lichaam van een kind en heeft Zijn intrek genomen in het lijdende, nederige lichaam van een mens. “God was in Christus. ( 2 Kor. 5:19)” “Hij heeft Zichzelf ontledigd door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.”
Let allereerst op het wonder van nederigheid dat in dit feit besloten ligt: dat God, Die alle dingen heeft geschapen, de natuur van een van Zijn eigen schepselen op Zich heeft genomen; dat de Zelfbestaande Zich heeft verenigd met het afhankelijke en voortgebrachte; en dat de Almachtige Zich heeft verbonden met het zwakke en sterfelijke. In het geval dat voor ons ligt, daalde de Heere af tot in de diepste diepten van vernedering en ging Hij een verbond aan met een natuur die niet de hoogste plaats innam op de ladder van het bestaan. Het zou een grote nederigheid zijn geweest als de oneindige en onbegrijpelijke Jehova de natuur van een of ander edel geestelijk wezen, zoals een serafijn of een cherubijn, op Zich had genomen; de vereniging van het goddelijke met een geschapen geest zou al een onmetelijke vernedering zijn geweest. Maar dat God één is geworden met de mens, is nog veel meer.
Bedenk dat in de Persoon van Christus het mens‑zijn niet alleen bestond uit een levendmakende geest, maar ook uit lijden, honger, sterven, vlees en bloed. Onze Heere nam al het materialistische op Zich dat een lichaam vormt, en een lichaam is uiteindelijk niets anders dan het stof van de aarde, een structuur gevormd uit de materialen om ons heen. Er is niets in ons lichaam dat niet te vinden is in de substantie van de aarde waarop wij leven. Wij voeden ons met wat uit de aarde groeit, en wanneer wij sterven, keren wij terug naar het stof waaruit wij zijn genomen. Is het niet vreemd dat juist dit grovere deel van de schepping, dit mindere deel, dit stof, niettemin wordt verenigd met dat zuivere, wonderbaarlijke, onbegrijpelijke, goddelijke Wezen, waarvan wij zo weinig weten en dat wij helemaal niet kunnen bevatten? O, wat een nederigheid! Ik laat het over aan uw overpeinzingen in uw stille momenten. Denk er met ontzag over na. Ik ben ervan overtuigd dat niemand enig idee heeft hoe wonderbaarlijk het was dat God Zich zo verlaagde om in menselijk vlees te wonen en “God met ons” te zijn.
Maar om het nog opmerkelijker te maken, bedenk dan dat het wezen waarvan Christus de natuur aannam, een wezen was dat gezondigd had. Ik kan mij gemakkelijker voorstellen dat de Heere de natuur van een ras op Zich nam dat nooit gevallen was; maar zie, het menselijk ras stond in opstand tegen God, en toch werd Christus een mens, opdat Hij ons zou verlossen van de gevolgen van onze opstandigheid en ons zou verheffen tot iets hogers dan onze oorspronkelijke zuiverheid. “Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de zonde, en de zonde veroordeeld in het vlees.” “O, wat een diepte,” is alles wat we kunnen zeggen, terwijl we toekijken en ons verwonderen over deze nederigheid van goddelijke liefde. Richt vervolgens, terwijl u dit wonder eerbiedig van een afstand beschouwt, uw aandacht op het wonder van kracht dat voor ons ligt.
Hebt u ooit nagedacht over de kracht die zichtbaar wordt in het feit dat de Heere een lichaam heeft gevormd dat in staat is zich met God te verenigen? Onze Heere werd vleesgeworden in een lichaam dat werkelijk een menselijk lichaam was, maar dat toch op een wonderbaarlijke manier was voorbereid om de inwoning van de Godheid te kunnen dragen. Contact met God is ontzagwekkend; “Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij, raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.” Hij zet Zijn voeten op Paran en het smelt, en de Sinaï lost op in vlammen van vuur. Deze waarheid was zo sterk in de geest van de vroege heiligen gegrift, dat zij zeiden: “Niemand kan het aangezicht van God zien en leven;” en toch was hier een mens die niet alleen het aangezicht van God zag, maar ook door de Godheid werd bewoond.
Wat een menselijk lichaam was dit, dat de aanwezigheid van Jehova kon verdragen! “U hebt voor Mij een lichaam gereed gemaakt.” Dit was inderdaad een wonderbaarlijk gevormd lichaam, een heilig iets, een bijzonder voortbrengsel van de kracht van de Heilige Geest. Het was een lichaam zoals het onze, met even gevoelige zenuwen en even soepele spieren, met een even verfijnde opbouw als het onze, en toch was God erin. Het was een kwetsbare boot om zo’n lading te dragen. O, mens Christus, hoe kon U de Godheid in U dragen! Wij weten niet hoe het ging, maar God weet het.
Laten wij deze verborgenheid van de Almachtige in menselijke zwakheid aanbidden, dit begrijpen van het Onbegrijpelijke, deze openbaring van het Onzichtbare, deze lokalisatie van de Alomtegenwoordige. Helaas, ik brabbel slechts! Wat zijn woorden wanneer we te maken hebben met zo’n onuitsprekelijke waarheid? Het is genoeg om te zeggen dat de goddelijke kracht op wonderbaarlijke wijze zichtbaar was in het voortbestaan van het stoffelijke lichaam van Christus, dat anders zou zijn verteerd door zo’n wonderbaarlijk contact met de goddelijkheid. Bewonder de kracht die woonde in “God met ons”.
Nogmaals, terwijl u naar dit mysterie kijkt, bedenk dan wat een teken van goede wil dit moet zijn voor de mensenkinderen. Wanneer de Heere de mensheid op deze ongeëvenaarde manier met Zichzelf verenigt, moet dat wel ten goede komen aan de mens. God kan niet van plan zijn het geslacht te vernietigen dat Hij zo met Zichzelf verbindt. Een dergelijk huwelijk tussen mens en God moet vrede betekenen; oorlog en vernietiging worden dan nooit aangekondigd. God, geïncarneerd in Bethlehem, aanbeden door herders, kondigt niets anders aan dan “vrede op aarde, in de mensen een welbehagen”.
O zondaars, die beven bij de gedachte aan de goddelijke toorn – zoals u terecht doet – hef uw hoofden op met vreugdevolle hoop op genade en gunst, want God moet vol genade en barmhartigheid zijn voor dat geslacht dat Hij zo boven alle andere onderscheidt door het met Zichzelf te verenigen. Wees blij, o mensen van vrouwen geboren, en verwacht onnoemelijke zegeningen, want “een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven”.
Als u naar rivieren kijkt, kunt u vaak aan hun kleur zien waar ze vandaan komen en over welke grond ze hebben gestroomd: rivieren die voortkomen uit smeltende gletsjers zijn meteen te herkennen. Er is een tekst over een hemelse rivier die u zult begrijpen als u deze in dit licht bekijkt: “En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het water des levens, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam.” Waar de troon wordt bezet door de Godheid, en de aangestelde Middelaar, de vleesgeworden God, het eens bloedende Lam, daar moet de rivier zuiver zijn als kristal, en een rivier zijn, niet van gesmolten lava van verslindende toorn, maar een rivier van het water des levens.
Aanschouw “God met ons” en u zult zien dat de gevolgen van de menswording aangenaam, heilzaam, reddend en veredelend moeten zijn voor de mensenkinderen.
Ik bid u uw bewonderende blik voort te zetten en samen met ons opnieuw naar God te kijken als een belofte van onze verlossing. Wij zijn een gevallen ras, wij zijn weggezakt in de modder, wij zijn verkocht onder de zonde, in slavernij en onderworpen aan Satan; maar als God naar ons ras komt en zich met onze aard verenigt, dan moet onze val worden goedgemaakt, want het is onmogelijk dat de poorten van de hel hen kunnen tegenhouden die God met zich hebben. Slaven onder de zonde en gebonden aan de wet, luister naar de bazuin van het jubeljaar, want er is iemand onder u gekomen, geboren uit een vrouw, onder de wet, die ook de machtige God is, beloofd om u te bevrijden.
Hij is een Verlosser, en een grote: in staat om te redden, want Hij is Almachtig, en beloofd om dat te doen, want Hij is de strijd aangegaan en heeft het harnas aangetrokken voor de strijd. De kampioen van Zijn volk is iemand die niet zal falen of ontmoedigd raken totdat de strijd volledig is gestreden en gewonnen. Jezus, die uit de hemel neerdaalt, is de belofte dat Hij Zijn volk naar de hemel zal brengen; het aannemen van onze natuur is het zegel van onze verheffing tot Zijn troon. Als het een engel was geweest die tussenbeide was gekomen, zouden we misschien nog enige vrees hebben gehad; als het slechts een mens was geweest, zouden we misschien verder zijn gegaan dan vrees en in wanhoop zijn vervallen; maar als het “God met ons” is, en God daadwerkelijk de menselijkheid in eenheid met Zichzelf heeft aangenomen, laten we dan “de klokken van de hemel luiden” en blij zijn; er moeten stralender en gelukkiger dagen komen, er moet redding voor de mens zijn, er moet glorie voor God zijn. Laten we ons koesteren in de stralen van de Zon der Gerechtigheid, die nu over ons is opgegaan, een licht tot verlichting van de heidenen en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël.
Ik smeek u uw bewonderende blik vast te houden en samen met ons opnieuw te kijken naar God als de vaste belofte van onze verlossing. Wij zijn een gevallen volk, gezonken in de slijk van de zonde, verkocht onder de slavernij van de zonde en gebonden aan Satan. Maar wanneer God Zelf tot ons komt en Zijn aard met de onze verbindt, moet onze val worden hersteld. Het is immers onmogelijk dat de poorten van de hel standhouden tegen hen die God met zich hebben.
O, u die slaven van de zonde bent en onderworpen aan de wet, luister naar de bazuin van het jubeljaar. Er is Iemand gekomen, geboren uit een vrouw, onder de wet, die ook de machtige God is en beloofd heeft u te bevrijden. Hij is onze grote Verlosser, krachtig om te redden, omdat Hij almachtig is. Hij heeft de strijd aangebonden en Zijn harnas aangetrokken. Deze Kampioen van Zijn volk zal nooit falen of ontmoedigd raken totdat de strijd gestreden en gewonnen is. Jezus, die neerdaalt uit de hemel, is de levende belofte dat Hij Zijn volk naar de hemelse heerlijkheid zal brengen. Het aannemen van onze menselijke natuur is het verzegelen van onze verheffing tot Zijn troon. Was het een engel geweest die tussenbeide kwam, dan zouden we misschien nog hebben gevreesd; was het slechts een mens geweest, dan hadden we wellicht de moed verloren en in wanhoop verkeerd. Maar nu het “God met ons” is, God die daadwerkelijk onze menselijkheid in eenheid met Zichzelf heeft aangenomen, laten we dan de hemelse klokken luiden en juichen. Er staan stralender en vreugdevollere dagen voor ons klaar, er is redding voor de mensheid, en er is glorie voor God.
Laten we ons koesteren in de stralen van de Zon der Gerechtigheid die nu over ons is opgegaan — een licht dat de heidenen verlicht en heerlijkheid brengt aan Zijn volk Israël. Zo hebben wij ons van een afstand verwonderd.
II. Laat ons in de tweede plaats HET ONDERWERP NADER BEKIJKEN. Wat is dit? Wat betekent dit: “God met ons”? Ik verwacht niet dat ik vanochtend de volledige betekenis van deze korte tekst, “God met ons”, kan uiteenzetten, want naar mijn mening lijkt zij de hele geschiedenis van de verlossing te omvatten. Zij verwijst naar het bestaan van de mens zonder God en naar het feit dat God Zich omwille van de zonde van de mens heeft teruggetrokken. Zij spreekt, zo lijkt het mij, ook over het geestelijke leven van de mens: over de komst van Christus tot hem en over de hoop op heerlijkheid die in hem wordt gevormd. God communiceert met de mens, en de mens keert terug naar zijn God en ontvangt opnieuw het goddelijke beeld, zoals in het begin. Ja, de hemel zelf is: “God met ons”.
Deze tekst zou zonder enige moeite voor honderd preken kunnen dienen; ja, men zou er eindeloos over kunnen uitweiden, gezien de vele betekenissen ervan. Op dit moment kan ik slechts enkele hints geven van gedachtegangen die u op uw gemak kunt volgen, met de hulp van de Heilige Geest. Dit heerlijke woord “Immanuël” betekent in de eerste plaats dat God in Christus zeer nauw met ons verbonden is. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt, is zeer krachtig en drukt de sterkste vorm van “met” uit. Het betekent niet slechts “in ons gezelschap”, zoals een ander Grieks woord zou doen, maar “met”, “samen met” en “delend met”. Dit voorzetsel duidt op een hechte verbinding, een sterke band, die een innige gemeenschap impliceert, zo niet verklaart. God is op een bijzondere en hechte manier “met ons”. Denk hier eens even over na, en u zult inzien dat God inderdaad heel dicht bij ons is gekomen.
Dat moet wel zo zijn, want Hij heeft onze natuur aangenomen, letterlijk onze natuur: vlees, bloed, beenderen, alles wat een lichaam vormt; verstand, hart, ziel, geheugen, verbeeldingskracht, oordeelsvermogen, alles wat een rationeel mens vormt. Christus Jezus was de Mens te midden van mensen, de tweede Adam, de volmaakte vertegenwoordiger van de mensheid. Zie Hem niet als een mens die tot God werd verheven, maar evenmin als een God die slechts half mens werd of als een soort halfgod. Verwar de naturen niet en verdeel de Persoon niet: Hij is slechts één Persoon, maar toch volkomen mens, zoals Hij ook volkomen God is. Denk dan aan deze waarheid en zeg: “Hij die op de troon zit, is zoals ik, behalve dat Hij geen zonde heeft.” Nee, het is te veel om onder woorden te brengen; ik zal er niet verder over spreken, want het is een thema dat mij overweldigt en ik vrees onbezonnen uitspraken te doen. Overweeg deze waarheid steeds opnieuw en zie of zij niet zoeter is dan honing en honingraat.
God is tot ons gekomen in onze menselijke natuur en heeft ons op onze hele levensreis vergezeld. Er is nauwelijks een rustplaats te vinden op de levensweg waar Jezus niet met ons heeft gerust, of een vermoeiende etappe die Hij niet met ons heeft afgelegd. Vanaf de poort van het begin tot aan de deur die het leven afsluit, zijn de voetsporen van Jezus te zien. Lag u in de wieg? Hij was daar. Was u een kind onder ouderlijk gezag? Christus was zelf een jongen in het huis te Nazareth. Bent u de strijd van het leven aangegaan? Uw Heere en Meester deed hetzelfde; en hoewel Hij niet oud geworden is, droeg Hij door onophoudelijke arbeid en lijden het gehavende gelaat dat past bij een door zorgen getekende ouderdom.
Bent u alleen? Dat was Hij ook, in de woestijn, op de berghelling en in de duisternis van de hof. Begeeft u zich in het openbare leven? Zo werkte Hij ook, te midden van de drukste menigte. Waar u zichzelf ook bevindt – op de heuveltop of in de vallei, op het land of op zee, in het volle daglicht of in de duisternis – waar, zeg ik, kunt u zijn zonder te ontdekken dat Jezus daar vóór u was? Wat de wereld over haar grote dichter heeft gezegd, kunnen wij met oneindig meer recht van onze Verlosser zeggen: “Een man zo veelzijdig, dat hij niet één persoon leek te zijn, maar de belichaming van de gehele mensheid.”
Hij was een evenwichtig Mens, en toch lijken alle heilige levens in het Zijne samengevat te zijn. Twee gelovigen kunnen heel verschillend zijn, en toch zullen beiden ontdekken dat het leven van Christus overeenkomsten vertoont met hun eigen leven. De een zal rijk zijn en de ander arm, de een actief en ijverig en de ander geduldig en lijdzaam, en toch zal ieder die de geschiedenis van de Verlosser bestudeert, kunnen zeggen: Zijn weg liep parallel aan de mijne. Hij werd in alle opzichten gelijk aan Zijn broeders. Hoe ontroerend is het feit dat onze Heere “God met ons” is, niet hier en daar en af en toe, maar voor altijd.
Dit komt vooral tot uiting in het feit dat Hij “God met ons” is in ons verdriet. Er is geen enkele pijn die het hart verscheurt, ik zou bijna zeggen: geen enkele pijn die het lichaam verstoort, waarin Jezus Christus niet bij ons is geweest. Voelt u het verdriet van armoede? Hij had geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen. Verdraagt u het verdriet van een verlies? Jezus weende bij het graf van Lazarus. Bent u omwille van de gerechtigheid belasterd en heeft dat uw geest gekweld? Hij zei: Smaad heeft mijn hart gebroken. Bent u verraden? Vergeet niet dat ook Hij een vertrouwde vriend had die Hem verkocht voor de prijs van een slaaf. Op welke stormachtige zeeën bent u heen en weer geslingerd die niet ook rond Zijn boot hebben gebulderd? Er is geen dal van tegenspoed zo donker, zo diep, zo schijnbaar onbegaanbaar, of u kunt, als u zich bukt, de voetstappen van de Gekruisigde ontdekken. In het vuur en in de rivieren, in de koude nacht en onder de brandende zon roept Hij: “Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben zowel uw metgezel als uw God.”
Het is een diep, maar mysterieus gegeven dat wanneer u en ik aan het einde van ons leven komen, bij de slotscène ervan, we zullen ontdekken dat Immanuël daar was. Hij voelde de pijn en de krampen van de dood, doorstond het bloedige zweet van de kwelling en de verschrikkelijke dorst van de koorts. Hij kende de scheiding tussen de gekwelde geest en het arme, bezwijkende vlees, en riep, zoals wij zullen doen: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.” Ja, Hij kende het graf, want daar sliep Hij, en Hij verliet het graf met een heerlijke geur, ingericht als een rustplaats en niet als een lijkenhuis vol verrotting. Dat nieuwe graf in de tuin maakt Hem tot “God met ons”, totdat de opstanding ons uit ons bed van klei zal roepen om Hem te vinden als “God met ons” in nieuwheid van leven.
Wij zullen worden opgewekt naar Zijn gelijkenis, en het eerste wat onze ogen zullen zien, zal de vleesgeworden God zijn. “Ik weet dat mijn Verlosser leeft, en hoewel wormen mijn lichaam zullen verslinden, zal ik God toch in mijn vlees zien.” “God met ons.” Ik zal Hem in mijn vlees zien als de Mens, de God. En zo zal Hij voor eeuwig de meest intieme band met ons onderhouden. Zolang de eeuwen verstrijken, zal Hij “God met ons” zijn. Heeft Hij niet gezegd: “Omdat Ik leef, zult gij ook leven”? Zowel Zijn menselijke als Zijn goddelijke leven zullen voor altijd voortduren, en zo zal ook ons leven voortduren. Hij zal onder ons wonen en ons leiden naar levende waterbronnen, en zo zullen wij voor altijd bij de Heere zijn.
Nu, mijn broeders, als u deze gedachten opnieuw overweegt, zult u daarin een rijke schat aan geestelijk voedsel vinden, ja zelfs een feestmaal, samengevat onder die ene noemer: God in Christus is met ons, in de meest innige verbondenheid.
Maar ten tweede is God in Christus met ons in de meest volkomen verzoening. Dit is vanzelfsprekend waar, als het eerste waar is. Er was een tijd dat wij van God gescheiden waren: wij waren zonder God, van Hem vervreemd door slechte werken; en God was ook van ons verwijderd vanwege de volmaakte rechtschapenheid van Zijn karakter, die de ongerechtigheid ver van Hem wegstoot. Hij is te rein van ogen om de ongerechtigheid aan te zien, en het kwaad kan niet bij Hem wonen. De strenge gerechtigheid waarmee Hij de wereld regeert, eist dat Hij Zijn aangezicht verbergt voor een zondig geslacht. Een God die met welwillendheid naar schuldige mensen kijkt, is niet de God van de Schrift, die op tal van plaatsen wordt voorgesteld als brandend van verontwaardiging tegen de goddelozen. “Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.”
Maar nu is de zonde die ons van God scheidde, weggenomen door het gezegende offer van Christus aan het kruis. En de gerechtigheid, waarvan de afwezigheid een kloof moest veroorzaken tussen de onrechtvaardige mens en de rechtvaardige God – die gerechtigheid, zeg ik, is gevonden, want Jezus heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Daarom is God nu in Jezus met ons, met ons verzoend, en is de zonde die Zijn toorn opwekte, voor altijd van Zijn volk weggenomen.
Er zijn er die tegen deze visie bezwaar maken, maar wat mij betreft wijk ik geen millimeter voor hun tegenwerpingen. Het verbaast mij niet dat zij kritiek hebben op bepaalde onverstandige uitdrukkingen, die ik evenmin waardeer als zij; maar als zij zich verzetten tegen de verzoening als een genoegdoening voor geschonden gerechtigheid, hebben hun bezwaren voor mij geen enkele kracht. Het is volkomen waar dat God altijd liefde is, maar Zijn strenge gerechtigheid staat daarmee niet in tegenspraak. Het is evenzeer zeker dat Hij tegenover Zijn volk altijd, in de hoogste zin, liefde was, en dat de verzoening het gevolg is, en niet de oorzaak, van goddelijke liefde.
Maar toch, in Zijn rechtvaardige karakter, als Rechter en Wetgever, is God “een God Die iedere dag toornt”, en zouden zonder het verzoenende offer van Christus zelfs Zijn eigen volk kinderen des toorns zijn, evenals de anderen. Er was toorn in het hart van God, als rechtvaardige Rechter, tegen degenen die Zijn heilige wet hadden overtreden, en de verzoening heeft zowel betrekking op de positie van de Rechter van de hele aarde als op de mens. Ik zal nooit ophouden te zeggen: “Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent, maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.” God kan nu bij de mens zijn en zondaars als Zijn kinderen omhelzen, wat Hij niet rechtvaardig had kunnen doen als Jezus niet was gestorven. Jehova is nu niet langer een God tégen ons, maar “God met ons”; Hij heeft ons met Zichzelf verzoend door de dood van Zijn Zoon.
Een derde betekenis van de tekst “God met ons” is deze: God in Christus is met ons in gezegende gemeenschap. Dat wil zeggen dat Hij nu zo dicht tot ons is gekomen, dat Hij werkelijk met ons in contact treedt, onder meer door middel van heilige gesprekken. Nu spreekt Hij tot ons en in ons. In deze laatste dagen heeft Hij tot ons gesproken door Zijn Zoon en door de goddelijke Geest, met de zachte stem van waarschuwing, troost, onderwijzing en leiding. Bent u zich hiervan niet bewust? Sinds uw ziel Christus heeft leren kennen, hebt u dan niet ook genoten van de omgang met de Allerhoogste? Nu wandelt u, net als Henoch, “met God”, en net als Abraham spreekt u met Hem zoals een mens met zijn vriend spreekt. Wat zijn uw gebeden en lofprijzingen anders dan de woorden die u tot de Allerhoogste mag richten? En Hij antwoordt u, wanneer Zijn Geest de beloften verzegelt of de geboden toepast, wanneer Hij u met nieuw licht in de leer binnenleidt of u meer vertrouwen schenkt in de toekomende goede dingen.
O ja, God is nu met ons. Daarom, wanneer Hij roept: “Zoekt Mijn aangezicht”, antwoordt ons hart: “Uw aangezicht, Heere, zal ik zoeken.” Wat betekenen deze samenkomsten op zondag voor velen van ons anders dan: “God met ons”? Wat betekent die avondmaalstafel anders dan: “God met ons”? Hoe vaak hebben wij, bij het breken van het brood en het uitgieten van de wijn ter gedachtenis aan Zijn verzoenende dood, Zijn werkelijke tegenwoordigheid ervaren – niet in bijgelovige, maar in geestelijke zin – en hebben wij ontdekt dat de Heere Jezus werkelijk “God met ons” is. Ja, in elke heilige instelling, in elke oprechte daad van aanbidding merken wij dat er een deur naar de hemel is geopend, een nieuwe weg waardoor wij vrijmoedig tot de troon van de genade mogen naderen.
Is dit niet een vreugde die alles overtreft wat de aarde ons kan bieden? En het is niet alleen in woorden dat de Heere met ons is; God is nu ook met ons in krachtige daden én woorden. “God met ons” – dat is het motto op onze koninklijke banier, dat de vijand met angst vervult en de strijdende schare van Gods uitverkorenen verblijdt.
Is dit niet onze strijdkreet: “De HEERE van de legermachten is met ons; de God van Jakob is voor ons een veilige vesting”? Wat onze vijanden binnenin betreft: God is met ons om onze verdorvenheid en zwakheden te overwinnen. En wat de tegenstanders van de waarheid buiten ons betreft: God is met Zijn kerk, en Christus heeft beloofd dat Hij altijd met haar zal zijn tot aan de voleinding van de wereld. Wij hebben niet alleen Gods Woord en beloften, maar wij hebben ook Zijn genadige daden gezien, zowel in Zijn voorzienigheid als in het werk van Zijn gezegende Geest. “De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenvolken.” “God is bekend in Juda, Zijn Naam is groot in Israël. In Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. Daar brak Hij de vurige pijlen van de boog, het schild, het zwaard en de strijd.” “God met ons” – o, mijn broeders, dat doet ons hart van vreugde opspringen en vervult ons met heilige moed. Hoe zouden wij ontmoedigd kunnen zijn, als de HEERE der heerscharen aan onze zijde staat?
Het is ook niet alleen zo dat God met ons is in daden van macht voor ons, maar ook doordat Hij Zijn eigen leven in onze natuur uitstort. Daardoor worden wij eerst opnieuw geboren en daarna in het geestelijke leven ondersteund. Dit is nog wonderbaarlijker. Door de Heilige Geest wordt het goddelijke zaad, dat leeft en blijft tot in eeuwigheid, in onze ziel gezaaid, en van dag tot dag worden wij met kracht gesterkt door Zijn Geest in de innerlijke mens. En dat is nog niet alles, want als meesterwerk van genade woont de Heere door Zijn Geest zelfs in Zijn volk. God is niet in ons geïncarneerd zoals in Christus Jezus, maar het enige dat nog wonderbaarlijker is dan de incarnatie, is de inwoning van de Heilige Geest in gelovigen. Nu is het werkelijk “God met ons”, want God woont in ons. “Weet u niet”, zegt de apostel, “dat uw lichamen tempels zijn van de Heilige Geest?” “Zoals geschreven staat: Ik zal in hen wonen en in hen wandelen.” O, de hoogten en diepten die dan besloten liggen in die paar woorden: “God met ons”. Ik had u nog veel meer te zeggen, maar de tijd dwingt mij om het kort samen te vatten.
De Heere wordt “God met ons” door het herstel van Zijn beeld in ons. “God met ons” was te zien in Adam toen hij volkomen zuiver was, maar Adam stierf toen hij zondigde, en God is niet de God van de doden, maar van de levenden. Nu wij, door het nieuwe leven te ontvangen en verzoend te worden met God in Christus Jezus, ook het herstelde beeld van God ontvangen, worden wij vernieuwd in kennis en ware heiligheid. “God met ons” betekent heiliging: het beeld van Jezus Christus dat op al Zijn broeders is gedrukt.
God is ook met ons – laten we dat nooit vergeten – en laten we dit met diepe sympathie overdenken. Broeders, bent u bedroefd? God is in Christus meelevend met uw verdriet. Broeders, hebt u een groot doel? Ik weet wat dat is: het is Gods heerlijkheid; daarin bent u meelevend met God, en God met u. Mag ik u vragen: wat is uw grootste vreugde? Hebt u niet geleerd u te verheugen in de Heere? Verheugt u zich niet in God door Jezus Christus? Dan verheugt God Zich ook in u. Hij rust in Zijn liefde en verheugt Zich over u met gezang, zodat God in een zeer bijzondere zin met ons is, omdat door Christus onze doelen en verlangens gelijk zijn aan die van God. Wij verlangen hetzelfde, streven naar hetzelfde doel en verheugen ons in dezelfde dingen. Wanneer de Heere zegt: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb,” antwoordt ons hart: “Ja, ook wij hebben ons welbehagen in Hem.” Het welbehagen van de Vader is het welbehagen van Zijn eigen uitverkoren kinderen, want ook wij verheugen ons in Christus; onze ziel juicht bij het horen van Zijn Naam.
III. Ik moet dit prachtige thema verlaten nadat ik twee of drie dingen heb gezegd over ONZE PERSOONLIJKE TOE-EIGENING van de waarheid die voor ons ligt.
“God met ons.” Als Jezus Christus dan “God met ons” is, laten we dan zonder enige twijfel of aarzeling tot God komen. Wie u ook bent, u hebt geen priester of bemiddelaar nodig om u aan God voor te stellen, want God heeft Zich aan u voorgesteld. Bent u kinderen? Kom dan tot God in het kind Jezus, dat in de kribbe van Bethlehem sliep. O, u grijsaards, u hoeft zich niet terughoudend op te stellen, maar kom zoals Simeon en neem Hem in uw armen en zeg: “Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.” God zendt een Ambassadeur die geen angst inboezemt: niet met helm en maliënkolder, niet met een lans in de hand, maar de Heraut van de hemel nadert ons met een witte vlag, vastgehouden door een Kind, door Iemand uit het volk gekozen, door Iemand die gestorven is, en die, ondanks Zijn heerlijkheid, nog steeds de afdrukken van de kruisnagels draagt. Mens, God komt tot u als Iemand zoals u. Wees niet bang om tot de zachtmoedige Jezus te naderen. Denk niet dat u zich moet voorbereiden op een audiëntie bij Hem, dat u de voorspraak van een heilige nodig hebt of de tussenkomst van een priester of predikant.
Iedereen kon naar het kind in Bethlehem komen. Ik meen dat de gehoornde ossen het hooi aten waarop Hij sliep; zij waren niet bang. Jezus is de Vriend van ieder van ons, hoe zondig en onwaardig we ook zijn. U, armen, hoeft niet bang te zijn om te komen, want zie, Hij is geboren in een stal en ligt in een kribbe. U hebt geen slechtere accommodatie dan Hij, u bent niet armer dan Hij. Kom en wees welkom bij de Prins der armen, bij de Verlosser van eenvoudigen. Blijf niet achter uit angst dat u niet geschikt bent; de herders kwamen naar Hem toe in al hun eenvoud. Ik lees nergens dat zij bleven wachten om hun beste kleren aan te trekken, maar in de kleren waarin zij zich op die koude middernacht hadden gehuld, haastten zij zich, zoals zij waren, naar de tegenwoordigheid van het jonge Kind. God kijkt niet naar kleren, maar naar harten, en aanvaardt mensen wanneer zij met een gewillige geest tot Hem komen, of zij nu rijk of arm zijn. Kom dus; kom en wees welkom, want God is inderdaad “God met ons”.
Echter, stel het niet uit. Toen ik gisteren over dit onderwerp nadacht, leek het mij een onvergeeflijke daad van verraad als iemand zou zeggen: “Ik zal niet tot God komen”, nadat God in zó’n gedaante tot de mens is gekomen. Misschien kende u Gods liefde niet toen u zondigde, zoals u deed; misschien hebt u, hoewel u Zijn heiligen vervolgde, dat uit onwetendheid en ongeloof gedaan. Maar zie, uw God reikt u de olijftak van vrede aan, op een wonderbaarlijke manier, want Hij komt Zelf hier om uit een vrouw geboren te worden, opdat Hij u, die ook uit een vrouw geboren bent, kan ontmoeten en u van uw zonden kan redden.
Zult u nu niet luisteren nu Hij door Zijn Zoon spreekt? Ik begrijp dat u niet meer naar Zijn woorden wilt luisteren wanneer Hij spreekt met de klank van een bazuin, die steeds luider en langer klinkt, vanuit de vlammende rotsen van de Sinaï. Het verbaast mij niet dat u bang bent om dichterbij te komen wanneer de aarde schudt en wankelt voor Zijn ontzagwekkende tegenwoordigheid. Maar nu houdt Hij Zich in en verhult Hij de pracht van Zijn aangezicht, en komt Hij naar u toe als een Kind in nederige gestalte, de Zoon van een timmerman. O, als Hij zo komt, zult u Hem dan de rug toekeren? Kunt u Hem verwerpen? Welke betere Ambassadeur zou u zich kunnen wensen?
Deze vredesboodschap is zo teder, zo zachtmoedig, zo vriendelijk, zo ontroerend gebracht, dat u zeker niet het hart kunt hebben om u ertegen te verzetten. Nee, keer u niet af, laat uw oren de taal van Zijn genade niet weigeren, maar zeg: “Als God met ons is, zullen wij met Hem zijn.” Zeg het, zondaar, zeg: “Ik zal opstaan en naar mijn Vader gaan en tegen Hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd.”
En wat u betreft, u die alle hoop hebt opgegeven, u die uzelf zo vernederd en gevallen acht dat er geen toekomst meer voor u kan zijn: er is nog hoop voor u, want u bent een mens, en het wezen dat het dichtst bij God staat, is een mens. Hij die God is, is ook mens, en dat feit zou u moeten doen zeggen: “Ja, misschien ontdek ik nog wel broederschap met de Zoon des mensen, die de Zoon van God is. Ik, ja ik, kan nog verheven worden om onder de vorsten geplaatst te worden, zelfs onder de vorsten van Zijn volk, op grond van mijn herboren mens‑zijn, dat mij verbindt met de mensheid van Christus, en zo met Zijn Godheid.”
Verwerp uzelf niet, o mens, u bent toch te kostbaar om voedsel te zijn voor de worm die nooit sterft en brandstof voor het vuur dat nooit gedoofd kan worden. Keer u met heel uw hart tot uw God, en u zult een grootse bestemming voor u vinden.
En nu, mijn broeders, is het laatste woord aan u: laten wij bij God zijn, aangezien God bij ons is. Ik geef u als motto voor het komende jaar: “Immanuël, God met ons.” U, heiligen die door bloed zijn verlost, hebt recht op dit alles in de volste zin van het woord; drink het in en word vervuld met moed. Zeg niet: “Wij kunnen niets doen.” Wie bent u dat u niets zou kunnen doen? God is met u. Zeg niet: “De kerk is zwak en de tijden zijn slecht”, maar zeg: “God is met ons.”
Wij hebben de moed nodig van die oude soldaten, die moeilijkheden slechts zagen als wetstenen om hun zwaarden aan te slijpen. Ik waardeer Alexanders uitspraak, toen men hem zei dat er duizenden, misschien wel miljoenen Perzen waren. “Goed,” zei hij, “het is goed om te oogsten waar het graan dik staat. Eén slager is niet bang voor duizend schapen.” Ik waardeer zelfs de uitspraak van de oude Gascon, die, toen men hem vroeg: “Kunnen u en uw troepen die vesting binnengaan? Zij is onneembaar”, antwoordde: “Kan de zon er binnenkomen?” “Ja.” “Welnu, waar de zon kan komen, kunnen wij ook binnenkomen.”
Wat mogelijk is of wat onmogelijk lijkt, kunnen christenen doen op Gods bevel, want God is met ons. Ziet u niet dat het woord “God met ons” de onmogelijkheid volledig wegneemt? Harten die anders nooit gebroken zouden kunnen worden, zullen gebroken worden als God met ons is. Dwaling die anders nooit weerlegd kon worden, kan worden omvergeworpen door “God met ons”. Wat voor mensen onmogelijk is, is mogelijk voor God.
John Wesley stierf met die woorden op zijn lippen, en laten wij ermee in ons hart leven: “Het beste van alles is: God met ons.” Gezegende Zoon van God, wij danken U dat U ons dat woord hebt gebracht. Amen.

