Bid voor ons. 1 Thessalonicenzen 5:25
Spurgeon reisde vaak naar Frankrijk en Italië. Eén keer was hij in Florence, een heel mooie stad in Italië. Hij was daar samen met een diaken uit zijn grote kerk, de Metropolitan Tabernacle. Waar Spurgeon ook kwam, overal waren mensen die hem wilden zien en met hem wilden praten. In Florence was ook een Amerikaanse dominee. Die wilde Spurgeon heel graag ontmoeten, en dat lukte. Hij zei: “Ik wil u al heel lang ontmoeten, meneer Spurgeon, om u een paar eenvoudige vragen te stellen. Wilt u die alstublieft beantwoorden?” Spurgeon vond dat goed. De Amerikaan zei: “In ons land denken veel mensen na over het geheim van uw grote invloed. Wilt u mij vertellen wat u daar zelf van vindt?” Dat is best een interessante vraag. God gebruikte Spurgeon op een bijzondere manier. Zevenendertig jaar lang was hij dominee van de Metropolitan Tabernacle, toen de grootste kerk ter wereld.In al die jaren werden ongeveer vijftienduizend mensen lid van die gemeente, en hij wist al die mensen bij elkaar te houden. Bijna elke dag kwamen mensen tot geloof door zijn preken in de kerk én door zijn preken in boeken. Zelfs in 1992, honderd jaar na zijn dood, waren er meer boeken van Spurgeon te koop dan van welke andere Engelse schrijver ook. Waarom was hij dan zo succesvol? Waarom gebruikte God hem zo vaak? Wat dacht Spurgeon zelf? Denk daar eens even over na: wat zou jij antwoorden? Het was een goed moment geweest om over zichzelf op te scheppen. Hij had kunnen zeggen hoe knap hij was, hoe goed hij kon preken en hoeveel hij had gedaan. Dan had hij zelf alle eer gekregen. Maar Spurgeon zei iets heel anders. Hij dacht even na en zei toen: “Mijn gemeenteleden bidden voor mij!” Daarmee bedoelde Spurgeon: “Ik verdien zelf geen eer. Ik heb de gebeden van andere gelovigen nodig. Als zij niet voor mij bidden, komt er geen zegen.” Hij wist ook: “Ik ben helemaal afhankelijk van de Heere. Als de Heere de gebeden niet wil verhoren, gebeurt er niets goeds.”
Spurgeon moest dus vertrouwen op twee dingen: op de gebeden van Gods kinderen én op de Heere zelf, Die deze gebeden verhoort. Paulus, de apostel, dacht er net zo over. Paulus was heel verstandig en God gebruikte hem ook heel veel. Door Paulus kwamen veel mensen tot geloof, werden nieuwe gemeenten gesticht, en hij schreef een aantal boeken van het Nieuwe Testament (kun jij opzoeken hoeveel dat er zijn?). Toch vroeg ook Paulus de gelovigen om voor hem te bidden. In zijn brief aan de gelovigen in Thessalonika schreef hij: “Broeders, bid voor ons.” (1 Thessalonicenzen 5:25). Dat geldt ook voor ons: wij moeten bidden voor dominees, voorgangers en zendelingen. Vraag de Heere of Hij hen veel wil gebruiken!

