24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Tweeërlei visvangst

Tweeërlei visvangst

“En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.” Lukas 5:4

“En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.” Johannes 21:6.

Het gehele leven van Christus was een prediking. Hij was een profeet, machtig in woorden en in werken. En door Zijn werken zowel als door Zijn woorden onderwees Hij het volk. Het is volkomen waar, dat de wonderen van Christus getuigen zijn van Zijn zending. Voor degenen, die ze zagen, moeten zij het duidelijk bewijs zijn geweest, dat Hij van God gezonden was. Maar wij behoren niet over het hoofd te zien, dat er voor het verrichten van de wonderen waarschijnlijk een hogere reden is te vinden in het onderwijs, dat daarin gelegen was. Voor de wereld buiten ons zijn in de tegenwoordige tijd de wonderen van Christus moeilijker te geloven, dan de leer, welke Hij onderwees. Twijfelaars veranderen ze in stenen des aanstoots. En wanneer zij geen aanmerkingen kunnen vinden op het wondervolle onderwijs van Jezus, tasten zij de wonderen aan als monsterachtig en ongelooflijk. Ik twijfel er niet aan of zelfs voor gemoederen, die hevig door het ongeloof werden gekweld, zijn de wonderen, in plaats van het geloof te onderschragen, beproevingen van het geloof geweest. Weinigen inderdaad zijn er, in wie het geloof gewrocht werd door tekenen en wonderen; ook is dit in de regel de weg niet, die het evangelie volgt om overtuiging te brengen aan de ziel; de verborgen kracht van het levende woord is het uitverkoren instrument van Christus, en wonderen worden als toevlucht overgelaten aan die Antichrist, door wie de natiën misleid zullen worden. Wij, die uit genade geloofd hebben, beschouwen de wonderen van Christus als heerlijke getuigenissen van Zijn zending en Zijn goddelijkheid; maar wij belijden, dat wij ze nog meer op prijs stellen als leerzame preken dan als krachtige getuigen. Het is onze overtuiging, dat wij veel zouden verliezen van de zegen, die zij naar de bedoeling van God ons moeten brengen, indien wij ze bloot gingen beschouwen als zegels voor de rol, want zij maken een deel uit van het geschrevene op de rol zelf. De wonderen, door onze gezegende Heere gewrocht, zijn handelende preken met heilzame lessen doorweven, welke ons op levendiger wijze worden voorgesteld dan met woorden had kunnen geschieden. Wij nemen dus aan – en onze prediking van dezen morgen zal op die gedachte gegrond zijn – dat de wonderen van Christus leerredenen in daden zijn gepredikt, zichtbare allegorieën, belichaamde waarheden, vlees geworden en in beweging gebrachte grondbeginselen. Zij zijn, in waarheid, de platen in het grote boek van het onderwijs van Christus; de schilderijen tot onderrichting van hen, wier ogen zwak waren.

Wij hebben van predikanten horen spreken, die konden zeggen, dat zij onderscheiden malen over dezelfde tekst hadden gepredikt, maar ieder keer weer een andere leerrede ten gehore hadden gebracht. Iets desgelijks kan van Christus gezegd worden. Hij predikte dikwijls over dezelfde waarheid, maar het geschiedde nooit precies op dezelfde wijze. Wij hebben u deze morgen het verhaal van twee wonderen voorgelezen (Luk. 5 en Joh. 21), welke voor de oppervlakkige waarnemer volkomen gelijk schijnen te zijn. Maar wie met oplettendheid leest en nauwkeurig alles nagaat, zal bevinden, dat ofschoon de tekst in beide gevallen dezelfde is, de leerrede nochtans tal van variaties bevat. In beide voorbeelden van de wonderbaarlijke visvangst is de tekst de opdracht aan de heiligen om het evangelie te prediken; het werk om mensen te vangen; de bediening, waardoor zielen in het net van het evangelie worden gevangen, en uit het element van de zonde tot hun eeuwige behoudenis worden gebracht. De prediker wordt met een visser vergeleken. Het werk van een visser is een moeilijk werk; wee de evangeliedienaar, die zijn taak anders dan als een moeilijke beschouwt. De visser moet uitzeilen in alle wind en weer, en aan allerlei tegenspoed het hoofd bieden; als hij alleen in een kalme zee viste, zou hij wel van gebrek kunnen omkomen. Zo ook met de christen, die zich opmaakt om het evangelie te verkondigen: hetzij de mensen het woord met aangenaamheid ontvangen, of het met toorn en gramschap verwerpen, hij moet bereid zijn zijn naam er zo nodig aan te wagen en zijn gemak prijs te geven; ja, hij moet zelfs zijn eigen leven haten, anders is hij de hemelse roeping niet waardig. Het werk van een visser is een ruwe bezigheid; fijne vingers behoeven niet met zijn netten in aanraking te komen. Het is geen bedrijf voor heren, maar voor ruwe, sterke mannen, die geen vrees kennen, die de dikke touwen door de handen kunnen laten gaan, de teerkwast kunnen hanteren en het dek kunnen schrobben. De evangeliebediening is niet bestemd voor de fijngevoelige zielen, die zo keurig en zo net het leven wensen te doorwandelen, zonder een enkele beproeving, zonder belediging, hoon of smaad. Zulk werk is bestemd voor mannen, die hun taak weten te vinden op de grote wateren, en de zee opdurven, niet vrezende voor het spatten van de golven. Het beroep van de visser moet ook met volharding worden uitgeoefend. Niet door één grote trek maakt hij zijn fortuin. Het net moet gestadig weer worden uitgeworpen. Eén prediking maakt nog geen prediker. Hij, die slechts nu en dan een met zorg klaargemaakte redevoering houdt, is geen ware dienaar van God. Hij moet aanhouden tijdig en ontijdig; hij moet zijn net uitwerpen in alle wateren; hij moet in de morgenstond aan zijn werk zijn en als de avond valt zijn hand niet aftrekken. Wanneer men visser wil worden, moet men op teleurstellingen rekenen. Hoe menigmaal wordt het net opgehaald, dat er niets in is dan wat zeewier. De dienaar van Christus moet ook op teleurstellingen bedacht zijn; hij moet ook niet vermoeid worden van het weldoen, niettegenstaande alles wat hem teleurstelt, maar in het geloof voortgaan, in gebed en in arbeid, en eerst aan het einde zijn loon verwachten. Het is voor u geen moeilijke taak om verder op uw gemak de vergelijking uit te werken tussen visserslui en bedienaars van het evangelie, zozeer springt de overeenkomst in het oog.

De twee verhalen, die voor ons liggen, komen in zekere mate met elkaar overeen; dat zal ons eerste punt zijn. Maar zij hebben een grotere mate van ongelijkheid; dat zullen wij in de tweede plaats in het licht stellen. En dan zullen wij in de derde plaats aanwijzen enige grote lessen, welke zij gezamenlijk bevatten tot onze onderrichting.

I.

In de eerste plaats dan, IN DEZE TWEE WONDEREN ZIJN VELE PUNTEN VAN OVEREENKOMST. Beide hebben zij ten doel de weg aan te wijzen, langs welke het koninkrijk van Christus in groei zal toenemen.

1. In de eerste plaats zult gij bemerken, dat ons in beide wonderen geleerd wordt, dat de middelen moeten worden gebruikt. In het eerste geval sprong de vis maar niet zo in Simons boot, zodat men maar aan ‘t opscheppen kon gaan. En in het tweede geval kwamen ze ook maar niet in scholen uit de zee opzetten om zich op de gloeiende kolen neer te leggen, ten einde de vissers tot een heerlijk feestmaal te dienen. Neen, de vissers moeten in de boot stappen, van wal steken en het net uitwerpen. En nadat het net uitgeworpen is, moeten zij het aan land trekken, of wel met de inhoud beide boten vullen. Alles geschiedt hier door menselijke bedrijvigheid. Het is een wonder, zeker, maar toch, noch de visser, noch zijn boot, noch het vistuig kunnen buiten rekening blijven; zij worden alle gebruikt en tot het werk gebezigd. Laat ons leren, dat God in het behouden van zielen door middelen werkt; dat zolang de tegenwoordige bedeling der genade zal standhouden, het Gode zal behagen door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven. Zo nu en dan steekt een soort van verzet tegen de van God verordineerde middelen in de kerk het hoofd omhoog. Ik heb dit met leedwezen opgemerkt in de Ierse opwekking. Wij troffen gedurig in enige voorname bladen opmerkingen aan, welke ik buitengewoon hinderlijk vond. Daarin werd het als een zaak beschouwd waarmee men elkaar geluk kon wensen, dat geen mens in het werk betrokken was, geen prediker van naam, geen evangelist bekend om zijn ijver. Er werd roem op gedragen, dat in de ganse zaak geen leiding van menselijke zijde aan te wijzen was. Dat was de zwakke zijde van de opwekking, niet haar kracht. Gij werpt mij tegen, dat dit God des te meer de eer gaf. Toch niet. God krijgt de meeste eer door het gebruik der instrumenten. Wanneer God zonder instrumenten werkt, wordt Hij zonder twijfel verheerlijkt; maar Hij weet zelf langs welke weg Hij de meeste eer verkrijgt. En Hij heeft zelf het plan met de instrumenten uitgekozen als het zodanige, waardoor Hij op aarde het meest wordt groot gemaakt. Wij hebben deze schat. Hoe? Alleen? Zonder iets uit de aarde, dat er bij te pas komt? Neen; maar in aarden vaten. Waartoe? Opdat God minder eer zou ontvangen? Neen; wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij uit God, en niet uit ons. God maakt de zwakheid van het schepsel tot het tegenbeeld van de macht van de Schepper. Hij neemt mensen, die in zich zelf niets zijn, en behaalt door hen Zijn schitterende overwinningen. Wellicht zouden wij Simson niet zozeer bewonderen, zo hij de Filistijnen met zijn vuist te pletter had geslagen, als wij doen, nu wij weten, dat hij met zulk een ongeschikt wapen als een ezelskinnebakken de duizenden van zijn vijanden bij hopen neervelde. De Heere neemt geringe wapenen om daarmee grote daden te doen. Toen Hij zei: “Daar zij licht,” en daar licht was zonder enig instrument, toonde Hij Zijn heerlijkheid; maar wanneer Hij in plaats daarvan de apostelen neemt en wederom zegt: “Daar zij licht,” en hen uitzendt, die in zich zelf duisternis waren, en hen als middelen gebruikt om een duistere wereld te verlichten, ik zeg, dat er dan een groter heerlijkheid zichtbaar wordt. En als de morgensterren te samen vrolijk juichten, toen zij eerst het licht op de nieuw gemaakte aarde aanschouwden, dan juichten de engelen in de hemel gewis nog meer, toen zij het licht aldus op deze duistere aarde in volle stromen zagen neerdalen door mensen, die, uit en van zich zelf, de donkerheid slechts zouden hebben vergroot en de somberheid nog akeliger zouden hebben gemaakt. God werkt door middel van mensen, die Hij op bijzondere wijze tot Zijn werk roept. En in de regel niet zonder hen. Een zekere groep mensen streeft er naar om het herdersambt af te schaffen, maar het zal hun niet gelukken; want de Heere zal steeds voortgaan herders naar Zijn eigen hart te geven om Zijn volk te wijden. En alle pogingen door de kudde ondernomen, om van de herders af te komen, zullen tot magerheid en armoede van de ziel leiden. Het geroep, dat zich verheft tegen de bediening door één man, komt niet van God, maar van trotse eigenwaan, van mensen, die er niet mee tevreden zijn om te leren, ofschoon zij het vermogen niet bezitten om te onderwijzen. Het is de neiging van de menselijke natuur om zich zelf in de hoogte te steken, welke deze verstoorders van de vrede van het Israël Gods heeft doen opkomen. Want zij kunnen het niet verdragen zich te onderwerpen aan de overheden, die God zelf heeft aangewezen. En zij hebben een afkeer van hetgeen de apostel leert, waar hij door de Geest van God zegt: “Zijt uw voorgangers gehoorzaam. En zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.” Broeders, ik waarschuw u: er waart een geest rond, die de mannen naar beneden zou willen halen, welke God zich verheven heeft; die hen tot zwijgen zou willen brengen, in wier mond God de tong van vuur heeft gelegd; opdat dwaze mensen een taal zouden kunnen gebruiken naar hun eigen wil, tot het heil van niemand en tot hun eigen schande. Wat ons aangaat, wij zullen, naar ik vertrouw, nooit ophouden die middelen te erkennen, waardoor de Heere krachtig onder ons werkt. Wij willen geen bediening in de kerk van God aan banden leggen. Wij zouden maar al te blij zijn, zo wij zagen, dat zij meer overvloedig werd uitgeoefend. Gave God, dat al des Heeren dienaren profeten waren! Maar wij verklaren ons plechtig tegen die geest, welke, onder het voorwendsel van vrijheid voor allen, de instrumenten op zij zet, waardoor de Heere voornamelijk werkt. God verlangt, dat de vissers bij hun netten en boten zullen blijven. En die nieuwe manier om vis te vangen zonder netten, en zielen te redden zonder dienaren, zal nooit voldoen, want zo iets is niet uit God. Men heeft het beproefd, en wat is de uitkomst van de proefneming geweest? Mij is geen bestaande kerk bekend, die de middelen verachtte, of zij is binnen enige jaren, hetzij door scheuring, hetzij door verval, aan haar einde gekomen. Waar is op de oppervlakte der aarde één enkele kerk, die vijftig jaar bestaan heeft waar de van God uitverkoren middelen der bediening veracht en verworpen werden? “Ikabod!” is op de muren van die kerken geschreven. God verwerpt haar, omdat zij de door God verkoren wijze van werken verwerpen. Haar pogingen zijn hersenschimmen, verschietende sterren, dwaallichtjes, opgeblazenheid van het hoogmoedige vlees, luchtbellen, vandaag zichtbaar en morgen voor altijd weer verdwenen.

2. Ook treedt in beide teksten een andere waarheid eveneens op de voorgrond, namelijk, dat de middelen uit zich zelf geheel en al krachteloos zijn. In het eerste geval hoort gij de bekentenis: “Meester! Wij hebben de gehele nacht over gearbeid, en niet gevangen.” In het laatste geval hoort gij hen op de vraag: “Kinderkens! Hebt gij niet enige toespijs?” met “Neen,” een treurig neen antwoorden. Wat was daarvan de reden? Waren zij dan geen vissers, die in hun beroep bezig waren? Zeker, het waren geen onervaren lieden, zij verstonden het werk. Waren zij op een onverstandige manier aan het werk gegaan? Neen. Waren zij in ijver te kort geschoten? Neen, zij hadden gearbeid. Had het hun aan volharding ontbroken? Neen, zij hadden de gehele nacht over gearbeid. Was er een schaarste van vis in de zee? Zeker niet, want zodra de Meester komt, zijn ze er bij scholen. Wat is dan de reden? Is het niet, omdat er in de middelen op zich zelf geen kracht is buiten de tegenwoordigheid van Christus? De grote Werkmeester, die de middelen niet ongebruikt wil hebben gelaten, wil nochtans, dat Zijn volk weet, dat Hij de instrumenten gebruikt, niet om het instrument te verheerlijken, maar ter wille van de verheerlijking van Zich zelf. Hij neemt wat zwak is in Zijn handen en maakt het sterk, niet opdat de zwakheid wordt vereerd, maar opdat de sterkte wordt aangebeden, welke zelfs de zwakheid dienstbaar maakt aan de goddelijke macht. Broeders, laat ons als gemeente dit steeds in gedachtenis houden, dat wij zonder Christus niets kunnen doen. “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere.” Stelt geen vertrouwen op verenigingen, op besturen, op bedieningen, op iets, dat wij kunnen doen. Laat ons werken alsof het alles van ons afhing; maar laat ons daarbij tot God gaan in afhankelijkheid van Hem, in de zekere wetenschap, dat de macht niet bij ons berust, maar bij Hem alleen. Laat ons de zendelingen uitzenden naar de heidenen; laat ons onze mannen doen uitgaan naar de donkere straten en stegen van deze grote stad; laat ons traktaten uitdelen; laat ons het Woord Gods verspreiden: laat ons bij tientallen predikers van onze profetenschool uitzenden. Doch laat ons, nadat dit alles geschied is, niet stilzitten en zeggen: “Nu is het alles gebeurd, daar moet wel wat goeds van komen.” Neen, Heere, zo Gij Uw zegen niet uit de hoge doet neerdalen, zou het even goed zijn geweest zo wij niets hadden gedaan want dan kunnen er geen vruchten voor de eeuwigheid uit voortkomen.

Hoe dikwijls drijft mij dit op de knieën. Het verrassende werk, hetwelk God doet in betrekking tot deze plaats, doet mijn hart opspringen van vreugde; maar het gebeurt ook wel, dat mijn geest uit vrees dat het alles door het gemis van Zijn zegen nog op niets uitloopt, ter aarde neergeworpen wordt. Gij zult u ongetwijfeld herinneren, dat een broeder enige tijd geleden op de gedachte gekomen is om een boekdeel van de leerredenen, alhier gepredikt, uit te delen aan iedere student te Oxford en Cambridge. Nadat dit geschied was en er ongeveer tweehonderd duizend leerredenen waren uitgereikt, heeft hij ze ook nog uitgegeven aan ieder lid van het Parlement, aan ieder hooggeborene van dit koninkrijk, en aan vorsten, koningen en keizers van Europa. En nu hij dit werk volvoerd heeft, heeft hij weer een nieuwe grootse onderneming op het oog. Waarde vrienden, als ik er aan denk, dat deze boeken overal rondreizen, onder hoog en laag, onder rijken en armen van allerlei plaatsen in het land, dan verblijdt zich mijn hart. Maar toch, als God Zijn zegen inhoudt, dan was het even goed, zo zij nooit van de pers waren gekomen en door mensenhanden onder de bevolking waren verspreid. Wat goeds kunnen zij doen? Al is het net ook nog zo breed, ook nog zo sterk, al wordt het ook nog zo ijverig in de zee geworpen, toch zullen wij de gehele nacht over arbeiden en niets vangen, tenzij de Meester komt om op het werk Zijn zegel te drukken. Laat ons dan altijd biddende zijn om de zegen. Laat ons bedenken, dat wij niets hebben gedaan, voordat wij over hetgeen wij hebben gedaan ‘s Heeren zegen hebben afgesmeekt. Laat ons overwegen, dat al het zaad, hetwelk wij in de grond hebben gestrooid, daar voor de wormen is terechtgekomen, tenzij wij in de bodem het bewarende zaad van het gebed hebben doen nederdalen om dat andere zaad in het leven te behouden. Wij zullen oogsten hebben, zo wij ze van God verwachten; maar als wij op de bodem, op het zaad of op den zaaier zien, zullen wij na al ons zaaien niets voor onze moeite aanschouwen.

3. In de derde plaats wordt in deze beide wonderen duidelijk geleerd, dat de tegenwoordigheid van Christus een goede uitslag waarborgt. Christus zat in Petrus’ boot. Het was Zijn wil, die door een geheimzinnige invloed de vissen naar het net trok, alsof Hij een haak, een verborgen haak, in de kieuwen van ieder hunner had, aan hun dartel spel plotseling een einde kon maken, en ze alle gezamenlijk naar één plek kon doen schieten. Het was Zijn tegenwoordigheid op het droge, toen Hij van het land af tot Zijn tobbende discipelen sprak en tot hen zeide: “Werpt het net aan de rechterzijde van het schip.” Zijn tegenwoordigheid was het, die de vissen heentrok naar die plaats, waar zij gevangen werden. O broeders, wij moeten dit leren, dat het Christus’ tegenwoordigheid is in het midden der gemeente, die de kracht is van die gemeente – de stem van een Koning in het midden van haar. Het is de tegenwoordigheid van Christus’ grote vertegenwoordiger, de Heilige Geest, die aan de kerk kracht moet schenken. “En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.” Daar zit de aantrekkingskracht. De Geest schenkt de kracht, en wij moeten toeven totdat wij ze verkrijgen. Maar wanneer wij ze bezitten, dan kunnen wij niet te vergeefs prediken, want wij worden “een reuk des levens ten leven” voor hen, die ons horen. Christenen, de tegenwoordigheid van Christus bij u moet uw kracht zijn. Zijt veel in gemeenschap met Hem. Laat Zijn Geest u veel doordringen. Peinst veel over Zijn lijden. Houdt u nauw aan Zijn persoon. En dan zal er, waar gij u ook bevindt, een macht om u heen zijn, welke zelfs uw tegenstanders noodzaken zullen deze macht te erkennen. O, dat wij meer van Christus’ tegenwoordigheid in ons als gemeente deelachtig waren! Heft uw harten daarvoor op. Zo Christus hier is, laat ons Hem geen smart aandoen. ,>Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het Hem lust!” En als Hij hier niet is, laat ons van het bed van onze traagheid opstaan en uitgaan om Hem te zoeken, roepende: “Zeg mij aan, Gij, Die mijn ziel lief heeft! Waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in de middag.” En als gij Hem vindt, ik bezweer u, houdt Hem vast en laat Hem niet gaan, totdat gij Hem gebracht hebt in het huis van uw moeder, in de binnenste kamer van degene, die u gebaard heeft, namelijk in de kerk van Christus. Daar willen wij Hem vasthouden. Daar willen wij Hem omhelzen, en Hij zal ons Zijn liefde tonen.

4. In beide voorbeelden maakte de goede uitslag, welke met de middelen door Christus’ tegenwoordigheid gepaard ging, de menselijke zwakheid openbaar. Wij zien de menselijke zwakheid niet meer in een slechte dan in een goede uitslag. In het eerste voorbeeld, in de goede uitslag, ziet gij de zwakheid van de mens; want het net scheurt en het schip begint te zinken. En Simon Petrus valt neer met de uitroep: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.” Hij was daarmee niet zo goed bekend, totdat zijn boot gevuld was; de overvloed van Gods genade deed hem zijn eigen nietigheid gevoelen. In het laatste geval was men nauwelijks in staat het net te trekken vanwege de menigte der vissen. Broeders, als gij of ik ten volle willen weten, welke uiterst nietige wezens wij zijn, zal het ons spoedig blijken, zo de Heere op onze arbeid voor het winnen van zielen Zijn zegen schenkt. Als wij zien, dat er eerst één, en dan nog eens één, en vervolgens tientallen, en uiteindelijk honderdtallen tot de Heere Jezus worden gebracht, zullen wij zeggen: “Wie heeft mij dit heil bewerkt, hoe kunnen zulke wonderen door mij geschieden?” En wij zullen in ootmoed voor de voetbank van de souvereine genade neervallen, en belijden, dat wij zulke verbazende gunsten onwaardig zijn. Laat de kerk zich uitbreiden, laten haar overwinningen vele zijn, laat haar met haar hemelse wapens gehele provinciën overstromen. En in plaats dat de mens al beroemder wordt, zal de mens al dieper zinken. En zal het hoe langer hoe meer gezien worden, dat het de Heere is. Kleine werken, zulke als in onze gemeenten jaren achtereen algemeen voorkwamen, waar de mensen bij tweeën en drieën toegevoegd werden, zijn volkomen bestaanbaar met grote zelfverheffing. En hetzelfde is het geval met volslagen onvruchtbaarheid; let op het vertoon makend gedrag van menige prediker, wiens werk met onvruchtbaarheid geslagen is. En ziet of het niet zo is. Laat de Heere Zijn macht tonen. En de mens vernedert zich in het stof; want wanneer er honderden worden binnengebracht, dan kan dit niet van de dienaar komen; dit is de vinger van God. De mens wordt dan, juist door de overvloedige mate van zegen op zijn werk, vergeten. En de Heere alleen wordt te dien dage groot gemaakt. O, mocht de Heere in de kerken van Engeland grote en verbazingwekkende werken door al Zijn dienaren verrichten! Zij zouden dan hun eigen zwakheid ontdekken. En de naam van God zou worden verheerlijkt. Gij kunt dikwijls de opmerking horen, wanneer een mens voorspoedig is in het winnen van zielen: “Ik ben bevreesd, dat hij zich zal verheffen. Hoezeer is het nodig dat wij bidden, dat hij nederig mag blijven! “Broeders, dat is een zeer noodzakelijk gebed voor iedereen. Maar het is niets noodzakelijker voor de mens, die voorspoedig is, dan voor de onvoorspoedige; inderdaad, het is een hoogmoedige aanmatiging van wie het ook moge zijn, te denken, dat hij minder behoefte heeft om te bidden tegen de hoogmoed dan enig ander mens. Denkt niet, dat wanneer de kerk bloeit, zij noodzakelijk hoogmoedig wordt. Neen, de volheid van de boot doet haar zinken. En de overvloed van het wonder doet ons des te meer uitroepen: “Het is de Heere!” Want wij gevoelen dat zo iets niet door de mens had kunnen geschieden, aangezien het buiten het bereik van de mens ligt zulke wonderen te verrichten.

Zover dan loopt er een gelijkheid door het geheel. Middelen moeten er worden gebruikt; de middelen zonder meer baten niet; de tegenwoordigheid van Christus waarborgt de goede uitslag. Die uitslag maakt de menselijke zwakheid openbaar en leidt tot de uitroep: “Het is de Heere!”

II.

Na aldus de gelijkheid te hebben aangetoond zullen wij nog meer op uw belangstelling mogen rekenen WANNEER U DE ONGELIJKHEID WORDT AANGEWEZEN.

Vergunt ons in het begin te zeggen, dat naar ons oordeel de eerste schildering de kerk Gods voorstelt gelijk wij haar zien. En dat de tweede haar voorstelt gelijk zij werkelijk is. Het eerste geval schildert ons de zichtbare, het tweede de onzichtbare kerk. Lucas deelt ons mee wat de schare ziet; Johannes verhaalt ons wat Christus aan Zijn discipelen alleen vertoonde. Het eerste is de algemene waarheid, welke de menigte kan ontvangen; het andere is een bijzondere verborgenheid, alleen aan geestelijk gezinde gemoederen geopenbaard. Let dus zorgvuldig op de punten van verschil.

1. In de eerste plaats is er verschil in de bevelen, die gegeven worden. In het eerste verhaal luidt het: “Steek af naar de diepte, en werp uwe netten uit om te vangen.” In het andere heet het: “Werpt het net aan de rechterzijde van het schip.” Het eerste is Christus’ bevel aan iedere evangeliedienaar. Het andere is het verborgen werk van Zijn Geest, in het woord. Het eerste toont ons, dat de bediening overal en alom heeft te vissen. Al de bevelen, welke de christen heeft wat betreft zijn prediking, laten zich samenvatten in dit woord: “Steek af naar de diepte en werp uw net uit.” Hij moet geen enkele bijzondere soort van mensen uitkiezen; hij moet prediken tot iedereen, tot gevoelige en tot ongevoelige zondaars. Hij moet prediken zowel tot de dorre doodsbeenderen in de vallei als tot de levende zielen. Hij moet niet uitzien waar de vis zit, maar heeft alleen het net uit te werpen en te doen wat zijn Meester hem gebiedt. “Gaat heen in de gehele wereld en predikt het evangelie aan alle creaturen.” De evangeliedienaren, welke alleen tot de uitverkorenen prediken, dienden dit te bedenken. Onze taak brengt mee allerlei vis in te sluiten. En niet al te kieskeurig te zijn waar wij ons bevinden, maar eenvoudig het net neer te laten. Wat doet het er toe, of wij in een stad of in een vlek, of in een dorp zijn? Wat maakt het uit of wij ons te midden van de rijken of van de armen, van de geleerden of van de ongeletterden bevinden? Al zijn wij ook onder de ongebondenen en zedelozen, wij hebben daar niets mee te maken, onze plicht blijft er dezelfde om: af te steken naar de diepte, en het net neer te laten – dat is alles. Christus zal de vissen wel vinden, dat is onze taak niet. De verborgen waarheid is, dat wanneer wij dit doen, de Heere ons zo weet te besturen dat wij het net aan de rechterzijde van het schip werpen. Dat is het verborgen en onzichtbare werk van de Geest, waarbij Hij onze bediening, die in zich zelf algemeen is, zodanig gebruikt, dat zij bijzonder en particulier wordt. Wij spreken tot allen, en Hij spreekt tot sommigen. Wij blazen de bazuin, maar slechts de bankroete schuldenaars horen het: alleen zij, die waarlijk van de Geest Gods zijn, kennen het blijde geklank. En verheugen zich daarin. Wij kunnen hen niet uitkiezen, maar God wel. Wij laten de gezegende zeilsteen van het evangelie zakken en die hemelse magneet heeft een verwantschap met sommige harten, welke God heeft levend gemaakt, zodat zo velen als er verordineerd zijn tot het eeuwige leven, geloven. De apostelen predikten tot de schare, maar de Heere God de Heilige Geest, die de zaligheid van Zijn uitverkorenen had besloten, deed het woord met kracht ingang vinden bij de uitverkorenen en afgezonderden. Welk een blijdschap is het, te denken, dat wij hier altijd een uitgelezen gemeente hebben, want de Heere heeft hen uitgelezen! Ofschoon zij in wanorde door elkaar heen zitten – hier de goeden en daar de slechten, alle soorten ondereen gemengd – zo brengt nochtans God hen in naar Zijn eeuwig voornemen. En onder dat alles is er een kern van uitverkoren zielen binnen de massa van de gemeente, aan welke God het woord toepast. Wij werpen het net dan toch nog aan de rechterzijde van het schip. En het blijkt ons, dat het gevuld wordt.

2. In het eerste voorbeeld zult gij zien, dat er duidelijk een meervoud is waar te nemen. De vissers hebben netten – in het meervoud; zij hebben boten – in het meervoud. Er valt een ontplooiing van een meervoudige werkzaamheid te aanschouwen. Ieder man schijnt afzonderlijk voor de dag te komen. In het andere geval is het één. Er zijn vele mannen, maar zij zijn allen in één boot. Zij trekken gezamenlijk het net. En het is maar één net – er is geen verdeling, het is alles één. Dit nu is het zichtbare en het onzichtbare. Voor ons zijn de middelen, waarvan God gebruik maakt om zondaren tot Zich te brengen, zeer verschillend. Somtijds zijn wij in de ene boot, trachtend al de vis te vangen, die wij machtig kunnen worden. En ginds is weer een andere boot, waar men weer hetzelfde tracht te doen. Wij behoren hen te beschouwen als deel- en lotgenoten. En wanneer onze boot te vol wordt, moeten wij die lotgenoten in het andere schip wenken om ons te komen helpen. Wij moeten niet op die broederen, welke van ons verschillen, neerzien alsof zij bezig waren de zee leeg te maken. En als mededingers van ons. Hoe groter de vangst, des te meer reden tot blijdschap. Hoe meer mannen om iets goeds te verrichten, des te meer zal de naam des Heeren geprezen worden. Ik geloof, dat het in vele van onze steden, waar sommigen van onze kermende broeders zeggen, dat alle goede mensen naar één kapel behoren te gaan, veel beter is dat er drie of vier zijn. Ik stel mij wel eens de vraag, of niet de veelvoudige werkzaamheid, die zich door zo velerlei benamingen openbaart, een grote gunst en een zegen is. In plaats van ook maar in de geringste mate op voet van oorlog te staan met mijn broederen, omdat zij voor hun overtuiging opkomen, prijs ik hen en beschouw ik hen als deelgenoten in een ander schip. Het onderscheid dat er tussen ons bestaat en in onze namen zich uitspreekt, is behulpzaam om ons wakker te houden. Wij wekken daardoor elkander op en doen veel meer goed in de wereld dan het geval zou zijn als de kerk zich slechts door één naam openbaarde. Het is Gods wil, dat de werkzaamheden zich naar verschillende kanten uitstrekken. Er moeten verscheidene netten zijn. En er moeten ook verscheidene vissers wezen, die zich in verschillende boten ophouden. Voor zover wij kunnen zien, zal het altijd wel voorkomen, dat er een Paulus en een Barnabas zijn, die niet met elkaar overweg kunnen. Er zullen altijd uitwendige onderscheidingen zijn in de bediening. En ik beken, dat ik daarvoor het pleit opneem. En dat ik er blij om ben, dat het zo is. Gelijk ik de vorige Sabbat nog heb gezegd dat er zoveel gezindten zijn, vindt in mij geen bestrijder, maar een voorstander.

Maar laat ons onze blik wenden naar het inwendige. Bij Johannes zijn zij allen in één boot, allen met elkaar aan het vissen, allen één net trekkende. Ha broeders! Dat is nu net zoals het in de werkelijkheid ook is. Wij zien het niet, maar al Gods dienaren trekken één net. En de gehele kerk van God is in één schip. O, ik loof God voor die lieflijke leer! Het baat niet, dat streven naar uitwendige eenvormigheid; wij zullen ze nooit aanschouwen. Noch de aanleg van de mens, noch de wil van God, vereisen zulks. Het baat niet, dat strijden tegen de verschillen, welke in de grote zichtbare kerk bestaan. En het is mij niet bekend, dat deze verschillen als zo velerlei kwaad zijn aan te merken. Zij zijn het natuurlijk gevolg van ‘s mensen eindig bestaan. En moeten en zullen tot aan het einde van deze bedeling voorkomen. Het is de eenheid van de Geest; het is de eenheid in Christus Jezus; het is de eenheid in liefde tot elkaar, waarop God wil dat wij acht zullen hebben. Laat ons deze eenheid leren uit het feit dat schoon het ons voorkomt alsof wij van elkaar verschillen, nochtans zo wij Gods dienaren zijn, er slechts één bediening is. Als wij Gods kerk zijn, is er slechts één kerk in de wereld; er is slechts één bruid van de Heere Jezus; er is slechts één schaapskooi en één Herder. Ofschoon het voor ons oog altijd zo zal zijn, twee boten, of twintig boten; twee netten, ja wel vijftig netten, zo is er nochtans voor Hem, Die alle dingen beter ziet dan wij, slechts één boot en één net; en allen, die in dat ene net gevangen worden, zullen veilig aan wal worden gebracht.

3. In de derde plaats is er nog een ander verschil. Hoeveel vissen werden er in het eerste geval gevangen? De tekst zegt: “een grote menigte.” In het tweede geval wordt ook een grote menigte gevangen, maar zij worden alle geteld. “Honderd drie en vijftig.” Lukas deelt ons niet mee hoeveel er de eerste maal gevangen werden, want er waren er enkele onder die het tellen niet waard waren. Maar de tweede maal merkt gij, dat nauwkeurig het getal wordt aangegeven: “honderd drie en vijftig.” Wat was de reden die Petrus had om ze te tellen? Wij kunnen het niet zeggen. Maar ik denk dat ik wel weet waarom de Heere het hem liet doen. Het geschiedde om ons te laten zien, dat, ofschoon in de uitwendige middelen van de bijeen vergadering van het volk in de kerk het getal van degenen die behouden worden, voor ons een zaak is waarvan wij niets bepaalds weten, de Heere nochtans in het verborgene en onzichtbare hen tot de laatste man heeft geteld. Hij weet zeer goed, hoe velen het net van het evangelie zal inbrengen. Ziet, welk een grote menigte daar, waar het woord wordt gepredikt, wordt binnengebracht! Duizenden, tienduizenden worden er aan de verschillende kerken van Christus toegevoegd. En doen belijdenis van hun geloof. Het zou onmogelijk zijn te berekenen hoeveel er in alle landen, waar het christendom bestaat, in het uitwendige net van de zichtbare kerk van Christus zijn gevangen. Maar broeders, het is wel mogelijk bij God om te weten hoeveel er ten laatste zullen worden binnengebracht. En hoeveel er nu zijn in de onzichtbare kerk. Hij heeft hen geteld, hun getal voorverordineerd, vastgesteld en bevestigd. Het getal “honderd drie en vijftig” schijnt mij toe een groot, bepaald getal voor te stellen. De gezaligden zullen in de hemel een getal uitmaken, dat niemand kan tellen, want Gods uitverkorenen zijn niet weinigen; maar zij zullen een getal vormen, dat God kan tellen, want “de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Zij zullen een zeker en bepaald aantal uitmaken, hetwelk evenmin verminderd of vermeerderd zal worden, maar hetzelfde zal blijven naar Zijn voornemen en Zijn wil. Nu heb ik als prediker niets te maken met het tellen van vissen. Mijn taak ligt bij de grote menigte. Wij laten maar telkens weer het net zinken. O Meester! Gij die ons hebt geleerd het net uit te werpen en een menigte te verzamelen, leid Gij er de honderd drie en vijftig in!

4. Merkt nog op een ander verschil. De vissen, die de eerste maal gevangen werden, schijnen van onderscheiden soort te zijn geweest. Het net scheurde, en daarom kwamen er ongetwijfeld sommige weer uit; enkelen waren zo klein, dat zij het eten niet waard waren, en deze werden zonder twijfel weggeworpen. “Het goede lezen zij uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.” In het tweede geval was het net vol grote vissen; het waren alle grote vissen, alle goed om gegeten te worden. Alle honderd drie en vijftig waren het waard, dat zij bewaard werden; er was geen enkele kleine vis bij, die men wel weer in de diepte moest terugwerpen. Het eerste vertoont ons de uitwendige en zichtbare uitwerking van de bediening. Wij vergaderen een groot aantal in de kerk van Christus. En er zullen onder dat getal altijd enigen zijn, die niet goed zijn, die niet werkelijk door God zijn geroepen. Somtijds hebben wij samenkomsten, waarin wij het kwade moeten wegwerpen. Wij hebben vele gezegende bijeenkomsten al waar het om het bijeenvergaderen van de vissen te doen is – en, wat kolossale trekken heeft God ons gegeven! Ere zij Zijn naam! Maar op andere tijden moeten wij neerzitten en onze vissen overtellen. En dan zijn er sommige, die weggeworpen moeten worden. God noch mens kan hen uitstaan. Zo is het in de uitwendige en zichtbare kerk. Laat niemand zich verwonderen, zo het onkruid met de tarwe opgroeit – dat is zo de loop van de dingen. Het moet zo zijn. Laat niemand van ons zich verwonderen, zo er wolven in schaapskleren zijn – het zal altijd zo wezen. Er was een Judas onder de twaalven; er zullen bedriegers onder ons zijn tot aan het einde van deze bedeling. Zo is het niet met de onzichtbare kerk – de kerk in de kerk – het heilige der heiligen in de tempel. Daarin is geen enkele, die uitgeworpen moet worden. Neen; de Heere, die ze in het net bracht, bracht de rechte soort in; daaronder bevond zich geen enkele geveinsde of afvallige. En nadat Hij hen tot het juiste getal van honderd drie en vijftig heeft ingebracht, kunnen zij er niet een van allen weer uitkomen, maar zij worden in dat net bewaard, want dat net scheurt niet. Zij zijn in de verborgen, onzichtbare kerk van Christus. En zij kunnen er niet uitkomen, laten zij net doen wat zij willen. Zij mogen zelfs hun openbare belijdenis prijsgeven en alzo uit de zichtbare kerk treden, maar hun verborgen bezit kunnen zij niet prijsgeven; zij kunnen niet ontkomen aan de verborgen en onzichtbare kerk. En zij zullen daar allen bewaard worden, totdat het net aan land wordt gesleept en alle honderd drie en vijftig behouden zijn.

5. Ook merkt gij dat in het eerste geval het net scheurde, en in het tweede geval niet. In het eerste geval nu, in de zichtbare kerk, scheurt het net. Mijn broeders roepen altijd uit: “Het net is gescheurd!” Ongetwijfeld is het een lelijk ding wanneer de netten scheuren; maar gij behoeft u er niet over te verwonderen. Wij kunnen niet zo maar, als het net vol is, met ons werk ophouden om het te herstellen. Het scheurt toch. Dat het net scheurt is het noodzakelijk gevolg er van dat wij zijn wat wij zijn. Wat bedoelt gij hiermee? Wel dit, dat wij, in plaats van met één naam af te doen, er twintig of dertig hebben. Het net is gescheurd. Ik heb er in het geheel geen verdriet van. Ik geloof dat het zo is als het wezen moet, zolang wij vlees en bloed zijn. Want niet eerder dan voordat er een stel volmaakte mensen bestaat, zult gij het zover krijgen, dat er geen afdelingen meer zijn. Het net moet scheuren en wil scheuren. Maar, ere zij God! In werkelijkheid scheurt het net toch eigenlijk niet, want ofschoon de zichtbare kerk het voorkomen mag hebben van in stukken en brokken te zijn verdeeld, de onzichtbare kerk is één. Gods uitverkorenen, Gods geroepenen, Gods levend gemaakten, de met bloed gekochten van God, zij zijn één van hart, en één van ziel, en één van geest. Ofschoon zij verschillende namen mogen dragen onder de mensen, zo dragen zij nochtans voor God hun naam , door de Vader gegeven, geschreven op hun voorhoofd. Zij zijn één en het kan niet anders of zij moeten één blijven.

Gij bemerkt, broeders, dat ik u niet de raad geef om te streven naar een eenheid in naam. Hoe meer gij daarnaar streeft, des te meer afdelingen zullen er zijn. Onderscheiden broeders uit kerken met verschillende benamingen hebben zich verenigd om een kerk te vormen, die geen sekte zou zijn. Alles, wat zij deden, was, van een sekte de meest sektarische van de sekten te maken – het enghartigste en het bitterste genootschap, ofschoon het enigen van de beste mannen, enigen van de beste christenen en de bekwaamste schrijvers van de tegenwoordige tijd bevat. Gij kunt geen zichtbare eenvormigheid tot stand brengen, het staat buiten uw macht: het net is gescheurd. Laat al die pogingen dus maar gerust achterwege. Bemoeit u met de vissen en laat het net met rust; bewaart alleen de eenheid van de Geest door de band van de volmaaktheid. Draagt zorg dat ge niet scheurziek wordt in uw hart. Dat gij geen ketterij koestert in uw ziel. Dat gij één zijt met al degenen die de Heere Jezus Christus in oprechtheid liefhebben. En in dit opzicht zult gij spoedig zien dat het net niet gescheurd is maar dat de heiligen één zijn. O, ik loof God, dat wanneer wij eens met Gods volk samen zijn – het doet er niet toe wat zij zijn – het ons spoedig blijkt, dat het net niet gescheurd is. Er is menig godzalig bedienaar van het evangelie in de staatskerk, met wie ik met de grootste vreugde gemeenschap oefen, waarbij het mij dan blijkt, dat het net niet gescheurd is. En in de omgang met broeders van allerlei gezindten, van welke sommigen door de leer, anderen door gevoelsargumenten ver als de polen van elkander staan, heb ik ondervonden en is het mij duidelijk gebleken, dat er zulk een wezenlijke en volmaakte overeenstemming van het hart bestond, dat het net niet gescheurd was. Ik geloof niet, dat de broederlijke liefde ooit zulk een volmaakt werk in Christus’ kerk had gehad, indien wij niet in stammen waren verdeeld, evenals de twaalf stammen vanouds. Het is geen beoefenen van de christelijke liefde, wanneer ik een broeder liefheb, die er net zo over denkt als ik. Dat kan wel haast niet anders. Maar als ik een dierbare broeder liefheb, die in sommige punten van mij verschilt, wel, dan is er plaats en gelegenheid voor de beoefening van die christelijke deugd. En gelijk God moeiten en wederwaardigheden bestemd heeft tot oefening van het geloof, zo geloof ik, dat Hij ook met onze vele moeilijkheden op het stuk van de leer ten doel heeft ons te oefenen in het betrachten van de liefde. Totdat de dag komt, wanneer wij allen zullen opwassen tot de grootte van volmaakte mensen in Christus Jezus. Het net is niet gescheurd, broeders. Gelooft het niet. En wanneer gij leest over deze gezindte en die gezindte, ergert u dan niet aan die namen en stammen. Maar brengt er God eerder de dank voor toe. Zegt: dat is de zichtbare kerk, en het net is gescheurd. Maar er is een onzichtbare kerk, waar het net niet gescheurd is, waar wij één zijn in Christus en voor altijd één moeten zijn.

Er zijn verscheiden andere punten van verschil, maar ik geloof, dat de tijd ons ontbreekt om daarover uit te weiden. Ik zal ze slechts bij wijze van wenken aangeven. In het eerste geval, hetwelk de zichtbare kerk voorstelt, ziet gij de menselijke zwakheid als de sterkst sprekende trek aan het licht treden: daar is een boot gereed om te zinken; daar is een gescheurd net; daar zijn mannen, die, door schrik en vrees overvallen, verbaasd staan en de Meester verzoeken heen te gaan. In het andere geval is het heel anders. Daar is ook wel menselijke zwakheid, maar de vissers worden toch met voldoende sterkte aangegord. Zij hebben geen kracht over, zoals gij bemerkt, maar toch zijn zij sterk genoeg; het net scheurt niet; het schip komt langzaam aan land, de vis meetrekkende. En ten laatste sleept Simon Petrus de vissen op het droge. Sterk moet hij geweest zijn. De vissers waren juist sterk genoeg om hun vis op het droge te krijgen. Zo zult gij ook in de zichtbare kerk van Christus dikwijls hebben te treuren over de menselijke zwakheid; maar in de onzichtbare kerk zal God Zijn knechten juist sterk genoeg maken om hun vissen op het land te trekken. De werkzaamheden, middelen en werktuigen zullen juist voldoende kracht bezitten om iedere uitverkoren ziel in de hemel te doen aanlanden, opdat God verheerlijkt worde.

Merkt verder op, dat men in het eerste geval, in de zichtbare kerk, afstak naar de diepte. In het tweede geval wordt er gezegd, dat men niet ver van het land was, omtrent tweehonderd ellen. Zo komt ons ook heden onze prediking voor als uitgaande naar de grote stormachtige diepte om vis machtig te worden. Het schijnt ons toe, dat wij een heel eind hebben af te leggen voor wij deze kostelijke zielen aan land brengen. Maar in het oog van God zijn wij niet ver van het land. En wanneer een ziel gered is, is zij niet ver van de hemel. Voor ons zijn er jaren van verzoeking en beproeving en strijd, maar voor God de Allerhoogste is het een afgedaan werk: “het is geschied.” De zielen zijn behouden; zij zijn niet ver van het land.

In het eerste geval moesten de discipelen alles verlaten en Christus volgen. In het tweede zaten zij neer om met Hem te eten aan de heerlijke feestmaaltijd, die Hij bereid had. Zo hebben wij ook heden in de zichtbare kerk beproeving en zelfverloochening om Christus’ wil te verdragen. Maar, ere zij God, het oog van het geloof bemerkt dat wij spoedig ons net op het land zullen trekken, en dan zal de Meester zeggen: “Komt en eet.” En wij zullen in Zijn tegenwoordigheid neerzitten en feestvieren met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk Gods.

III.

De tijd is voorbij, en ik besluit met uw opmerkzaamheid te vestigen op ÉÉN VAN DE VELE LESSEN, WELKE DE TWEE VERHALEN MET ELKAAR SCHIJNEN GEMEEN TE HEBBEN.

In het eerste geval was Christus in het schip. O, God zij geloofd, Christus is in Zijn kerk, ofschoon zij afsteekt naar de diepte. In het tweede geval was Christus op het land. God zij geloofd, Christus is in de hemel. Hij is niet hier, maar Hij is opgestaan; Hij is voor ons gegaan naar de hoge. Maar hetzij Hij in de kerk is, of hetzij Hij op het land in de hemel is, ons arbeiden, de gehele nacht over, zal door Zijn tegenwoordigheid een rijke beloning ontvangen. Dat is de les. Moeder, wilt gij die leren? Gij hebt lang gearbeid voor uw kinderen. Het is tot nog toe nacht bij u geweest. Die kinderen geven geen blijken van genade; zij geven eerder overvloedige bewijzen van hun zondige aard. En vervullen uw gemoed met smart en droefheid. Uw arbeiden, de gehele nacht over, zal een einde hebben. Gij zult ten laatste het net aan de rechterzijde van het schip werpen. Zondagsschoolonderwijzer, gij hebt lang en naarstig gearbeid, maar met weinig vrucht. Laat de moed niet zakken, de Meester zal u niet vergeefs laten werken. Ter rechter tijd zult gij oogsten, zo gij niet vertraagt. En gelijk deze discipelen een grote zeeoogst hadden, zo zult gij een oogst van zielen hebben. Evangeliedienaar, gij hebt op een onvruchtbare rots geploegd. En tot nog toe hebben geen heerlijke schoven uw hart verblijd. Gij zult “voorzeker met gejuich wederkomen, dragende uw schoven.” En gij, o kerk van God, in arbeid voor het heil der zielen, ze dagelijks in het gebed opdragende, bij de mensen pleitende, dat zij tot Christus zullen komen, wat betekent het, zo zij nog niet gered zijn? De morgen komt, een groot gedeelte van de nacht is voorbij, en de Meester zelf zal spoedig verschijnen. En al mocht Hij geen geloof vinden op de aarde, zo zal nochtans Zijn komst aan Zijn kerk die voorspoed brengen, waarop zij heeft gewacht – een zodanige voorspoed, dat gelijk een vrouw niet meer aan haar smart gedenkt, omdat een mens ter wereld gekomen is, zo ook de kerk niet meer gedenkt aan haar arbeid, haar pogingen en haar gebeden, omdat Christus’ koninkrijk gekomen is. En Zijn wil geschiedt, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Werkt, waarde vrienden! Indien er onder u zijn, die niet aan het werk zijn, begint dan nu; indien sommigen van u nog niet gered zijn; geve de Heere, dat wanneer het woord gepredikt wordt, gij daarin als in een net gevangen wordt. Wij werpen het deze morgen weer eens uit. Wij hopen het hedenavond ook weer uit te werpen. “Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden,” want “wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.” Vlucht tot Christus! Ontvliedt de toekomende toorn! Mocht de Geest het woord aan u toepassen. En u leiden naar de plaats, waar hoog op de berg van de kruisiging de Zaligmaker met bloedende handen en voeten sterft! Eén blik op Hem, en gij zijt behouden. Zie op Hem, zondaar, en leef! God redde u, om Christus’ wil. Amen.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend