24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Van vier gedragen

Van vier gedragen

“Maar Hij vertrok in de woestijn, en bad aldaar. En het geschiedde in één van die dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeeën en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen. En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die verlamd was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, vanwege de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichels neer met het beddeke, in het midden, voor Jezus. En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven. En de Schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten? Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot de verlamde): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeke op, en ga heen naar uw huis. En hij, terstond voor hen opstaande, en opgenomen hebbende dat, waar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende. En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.” Lukas 5:16-26

Gij hebt ditzelfde verhaal in het negende hoofdstuk van Mattheüs en in het tweede hoofdstuk van Markus. Wat door geïnspireerde pennen driemaal herhaald wordt, moet beschouwd worden als driedubbel belangrijk en onze nauwkeurige overweging ten volle waard. Merkt op het leerzame feit, dat onze Zaligmaker, toen Hij zag, dat er buitengewoon grote scharen samenkwamen, Hij zich terugtrok en zich enige tijd voor het gebed afzonderde. Hij begaf zich naar de woestijn om gemeenschap te houden met Zijn Vader; en, als een gevolg, terug te komen, bekleed met een overvloedige mate van genezende en reddende macht. Niet dat Hij in Zich zelf als God niet te allen tijde zonder mate die macht bezat; maar om onzentwil handelde Hij alzo, opdat wij zouden leren, dat de kracht Gods slechts op ons zal rusten naar de mate van onze toenadering tot God. Het verzuimen van het eenzame gebed is de sprinkhaan, die de kracht van de kerk verslindt.

Toen onze Heere uit de eenzaamheid teruggekomen was, bevond Hij de schare, die zich om Hem heen vergaderde, buitengewoon groot, en het was niet alleen een groot, maar ook een zeer gemengd gezelschap. Hier waren vele oprecht gelovigen, daar bevonden zich nog meer twijfelzuchtige toeschouwers; sommigen zagen er met smachtend verlangen naar uit Zijn genezende macht te mogen ervaren, anderen waren in even sterke mate met de begeerte vervuld om iets tegen Hem te vinden. Zo zal er ook in alle godsdienstige samenkomsten, hoezeer ook de prediker bekleed mag zijn met geest en kracht van zijn Meester, een gemengd gezelschap zijn; daar komen te samen uw Farizeën en leraars der wet, die scherpzinnige beoordeelaars, die op alles wat hebben te zeggen, die koudbloedige haarklovers, die er altijd op uit zijn om fouten en gebreken aan te wijzen; en tegelijkertijd, uitverkoren van God en getrokken door Zijn genade, zijn er ook oprechte gelovigen, die in de kracht, welke onder de mensen geopenbaard wordt, zich verheugen, en ernstig zoekende zielen, die de macht ter genezing bij zichzelf wensen te ervaren. Het schijnt bij onze Zaligmaker de regel te zijn geweest om iedere hoorder van spijze naar zijn aard te voorzien. De Farizeeën hadden spoedig datgene gevonden, naar hetwelk zij uitzagen als iets, waaromtrent zij aanmerkingen meenden te kunnen maken; de Zaligmaker bezigde voor Zijn uitdrukkingen zodanige woorden, dat zij Hem er gretig op vatten en Hem van Godslastering beschuldigden; de vijandschap van hun hart kwam op die wijze aan het licht, opdat de Heere gelegenheid mocht hebben ze te bestraffen; en zo dit slechts hun wil was geweest, was de macht van de Heere daar om ook hen te genezen. Ondertussen werden die arme lieden, welke bevende om genezing baden, niet teleurgesteld; de goede Geneesmeester liet geen enkel geval onopgemerkt voorbijgaan en tegelijk werden ook Zijn discipelen, die uitzagen naar gelegenheden om Hem opnieuw te prijzen, volkomen bevredigd; want met ogen vol blijdschap zagen zij, dat de geraakte genezen werd, en hoorden zij, dat zijn zonden hem vergeven werden.

Het geval, hetwelk dit verhaal ons voor de aandacht brengt, is dat van een man, die met lamheid was geslagen. Deze treurige kwaal was mogelijk wel van lange duur geweest. Er is een verlamming, die het lichaam langzamerhand ondermijnt en het hoe langer hoe meer in volslagen machteloosheid doet neerzinken. De macht der zenuwen is bijna vernietigd; het vermogen om zich voort te bewegen is geheel en al verloren gegaan; en toch blijven de geestvermogens, schoon grotelijks verzwakt en sommige er van bijna verdoofd, in wezen. Sommigen hebben gedacht, dat deze man mogelijk wel was aangetast door hetgeen genoemd wordt algemene verlamming, welke zeer spoedig de dood ten gevolge heeft, hetgeen dan ook de verklaring zou geven van de buitengewone haast van de vier dragers om hem tot de Zaligmaker te brengen. Wij zijn met de bijzonderheden van zijn toestand niet bekend, maar zeker is het, dat hij verlamd of geraakt was; en als ik dit geval beschouw en de drie verhalen naga, komt het mij voor, dat daarin met tamelijk grote helderheid dit doorstraalt, dat deze verlamming in een of ander opzicht, ten minste naar het oordeel van de man zelf, met zijn zonde in verband stond. Klaarblijkelijk was hij niet alleen een geraakte, maar ook een berouwhebbend zondaar. Zijn geest werd evenzeer terneergedrukt als zijn lichamelijk omhulsel. Ik weet niet of hij wel in volstrekte zin een gelovige genoemd kon worden; maar het is zeer waarschijnlijk, dat hij, belast met een gevoel van zijn zonde, een flauwe hoop had op de Goddelijke genade, welke, gelijk een vonk in een rokende vlaswiek, moeite genoeg had om te blijven bestaan, maar toch in waarheid aanwezig was. De bezoeking, om welke zijn vrienden hem beklaagden, was in zijn lichaam; maar hij zelf ondervond een veel grotere onrust in zijn ziel; en waarschijnlijk was het niet zozeer met het oog op de lichamelijke genezing, als wel door de hoop op een geestelijke zegen, dat hij zich gaarne aan iedere mogelijke behandeling wilde onderwerpen, welke er toe kon leiden om hem onder het oog van de Zaligmaker te brengen. Ik leid dit af uit het feit, dat onze Zaligmaker hem aansprak met deze woorden: “Wees welgemoed”; hetwelk te kennen geeft, dat hij moedeloos was, dat zijn geest in hem neerzonk; en daarom sprak onze teerhartige Heere, in plaats van dadelijk tot hem te zeggen: “Sta op, neem uw beddeken op,” hem alzo toe: “Zoon! uw zonden zijn u vergeven.” Hij gaf hem bij de aanvang een zegen, om welke de vrienden van de geraakte niet gevraagd hadden, maar welke de man, schoon sprakeloos, zocht in de stilte van zijn ziel. Hij was een “zoon”, ofschoon een beproefde; hij was bereid om het bevel des Heeren te gehoorzamen, toen het vermogen daartoe hem gegeven werd, ofschoon hij nu nog geen hand of voet kon opheffen. Hij verlangde naar de vergeving der zonden, doch kon zijn hand niet uitstrekken om op de Zaligmaker beslag te leggen. Het is mijn plan dit verhaal voor praktische doeleinden aan te wenden; moge de Heilige Geest het tot wezenlijk nut doen zijn. I.

Onze eerste opmerking is deze: ER ZIJN GEVALLEN, WELKE DE HULP VAN EEN KLEINE GROEP ARBEIDERS VEREISEN, ALVORENS DE VOLKOMEN ZALIGHEID WORDT VERKREGEN.

Deze man moet noodzakelijk van vier gedragen worden, alzo verhaalt ons de evangelist Markus; er moet een drager zijn aan iedere hoek van het rustbed, waarop hij lag. De grote massa van de lieden, die in het koninkrijk van Christus worden gebracht, worden bekeerd door de gemene gebeden van de kerk door middel van haar bediening. Waarschijnlijk zullen drie van de vier leden, van welke kerk het ook zij, hun bekering verschuldigd zijn aan het geregeld onderwijs van de kerk in de een of andere vorm; haar school, haar predikstoel, haar pers zijn de netten geweest, waarin zij gevangen werden. Het bijzonder persoonlijk gebed is natuurlijk in vele voorbeelden met dit alles vermengd geweest; maar toch kan men van de meeste gevallen niet zo onderscheiden nagaan, dat zij hoofdzakelijk moeten worden toegeschreven aan persoonlijke gebeden of bewerkingen. Dit is, naar ik denk, de regel, dat de Heere de grote menigte tot Zich wil zien gebracht door het geklank van de bazuin des welbehagens in de verkondiging van het evangelie door Zijn dienaren. Er zijn sommigen, voorzeker, die tot Jezus geleid worden door de afzonderlijke pogingen van één persoon; juist zoals Andreas zijn broeder Simon vond, zo wordt ook de ene gelovige, door zijn persoonlijke mededeling van de waarheid aan een ander, het instrument, door de kracht van Gods Geest, tot zijn bekering. Een persoon, die bekeerd is, is het middel voor een ander, en die andere weer voor een derde. Maar dit verhaal schijnt ons te leren, dat er gevallen zijn, welke niet worden teweeggebracht door de algemene prediking van het woord en waarbij ook niet één persoon het middel in Gods hand is; gevallen, welke vereisen, dat er twee, of drie, of vier, in heilige gemeenschap zich verenigen om, met gemeen goedvinden en uit een gemeenschappelijk zielsverlangen, voor dit ene doel zich te verbinden, en niet eerder uit dit heilige bondgenootschap te treden, voordat dit doel bereikt en hun vriend gered is. Deze man kon niet door één persoon tot Christus gebracht worden; er moeten er vier zijn, die hun krachten verenigen om hem te dragen, anders kan hij de plaats der genezing niet bereiken. Laat ons dit beginsel toepassen. Ginder is een huisvader, die nog geen geredde ziel heeft; zijn vrouw heeft reeds lang voor hem gebeden, maar haar gebeden zijn nog onverhoord. Goede vrouw, God heeft u gezegend met een zoon, die met u zich verheugt in de vrees Gods. Hebt gij ook niet een tweetal dochters, die de Heere vrezen? O gij viertal, neem ieder een hoek van het rustbed van deze kranke man, en brengt uw echtgenoot, brengt uw vader tot de Zaligmaker. Er bevinden zich hier een man en een vrouw, beiden gelukkig in hun vereniging met Christus; gij zendt uw gebeden op voor uw kinderen: houdt nimmer op met die smeking, gaat voort met bidden. Misschien is één van uw familieleden buitengewoon halsstarrig. Extra hulp is nodig. Welaan, wanneer de zondagsschoolonderwijzer zich bij u beiden voegt, zijt gij al met uw drieën; hij kan één hoek van het bed vasthouden; en ik zal mij gelukkig achten, zo ik mij bij het gezelschap mag aansluiten om de vierde persoon te zijn. Mogelijk zal de Heere, wanneer de huiselijke tucht, het schoolonderwijs en de prediking van de dienaar van het evangelie samengaan, in liefde neerzien en uw kind behouden. Waarde broeder, gij denkt aan iemand, voor wie gij lang gebeden hebt; gij hebt hem ook wel toegesproken, en alle geschikte middelen gebruikt, maar tot nog toe zonder uitwerking. Misschien spreekt gij wel al te vertroostend tot hem; het is wel mogelijk, dat gij juist niet die waarheid met kracht hem voorhoudt, welke zijn consciëntie vereist. Zoek nog meer hulp. Het kan wel gebeuren, dat een tweede broeder meer onderrichtend tot hem gaat spreken, waar gij alleen vertroostend gesproken hebt; misschien zal de onderrichting het middel der genade zijn. Nu kan het ook nog wel zijn, dat de onderrichting zomin als de vertroosting voldoende is, en het kan wel nodig blijken, dat er nog een derde bij geroepen wordt, die met nadruk zijn vermanend en waarschuwend woord doet horen, hetwelk dan mogelijk wel de grote vereiste is. Gij met uw tweeën die alreeds in het veld zijt, kunt een tegengewicht bieden tegen zijn vermaning, welke op zich zelf wel eens te scherp kon worden en een vooroordeel in het gemoed van de persoon zou kunnen opwekken, als zij alleen kwam. Het zou wel eens kunnen blijken, dat gij alle drie tezamen de geschikte werktuigen waart in des Heeren hand. Ook zou het nog wel kunnen gebeuren, dat wanneer gij met uw drieën u gelukkig verenigd hebt, de arme geraakte toch nog niet zaligmakend getroffen wordt; misschien is er wel een vierde nodig, die met dieper inzicht dan één van uw drieën, en mogelijk wel met een ervaring, die meer op het geval past dan de uwe, met u samenwerkt, totdat de begeerde uitwerking verkregen wordt. De vier medewerkers kunnen aldus, door de kracht des Geestes, te samen volbrengen wat nog één, noch twee, noch drie in staat waren geweest te volvoeren. Het kan somtijds gebeuren, dat iemand Paulus heeft horen prediken, maar zijn heldere leer, ofschoon zij zijn verstand heeft verlicht, heeft zijn geweten nog niet overtuigd. Hij heeft Apollos gehoord, en de gloed van de welsprekende, treffende woorden van de redenaar heeft zijn hart verwarmd, maar zijn hoogmoed niet vernederd. Later heeft hij nog geluisterd naar Cephas, wiens onomwonden taal en snijdende zinnen hem hebben nedergehouwen en hem van zonde hebben overtuigd; maar eer hij vrede en blijdschap kan vinden in het geloven, is het voor hem nog een vereiste de liefelijke en hartelijke woorden van Johannes te horen. Alleen wanneer ook de vierde man aangrijpt en het bed flink mee in de hoogte tilt, zal de geraakte terecht komen op het pad der genade. Het is mijn vurige begeerte in deze gemeente kleine groepen van mannen en vrouwen te zien, die samengebonden zijn door een werkzame liefde tot het behoud der zielen. Ik zou wensen, dat gij tot elkander ging zeggen: “Dit is een geval, waarin wij gemeenschappelijk belang stellen; wij willen ons plechtig samen verbinden om voor deze persoon te bidden; wij willen verenigd zijn behoudenis zoeken.” Het kan zijn, dat er onder hen, die geregeld dit bedehuis bezoeken en die mijn stem al tien of vijftien jaar gehoord hebben, zijn, die niet onder indrukken verkeren; ook is het mogelijk, dat anderen de zondagsschool hebben verlaten, zonder redding te hebben gevonden. Laten broederlijke viertallen naar deze mensen omzien en Gods hulp daarbij inroepen. Vormt, door één aandrang bewogen, om deze lieden een vierkant, bezet hen van achteren en van voren, en laat hen niet zeggen: “Niemand draagt zorg voor mijn ziel.” Verenigt u tezamen in het gebed met het bepaalde doel voor u en zoekt dan uw oogmerk te bereiken langs de geschiktste wegen. Ik weet niet, broeders, hoeveel zegen ons op die manier zou toevloeien, maar hiervan gevoel ik mij zeker, dat vóór wij zulks beproefd hebben, wij er geen veroordelend vonnis over kunnen uitspreken. Ook kunnen wij er niet volkomen zeker van zijn, dat wij vrij zijn van alle verantwoordelijkheid ten aanzien van de zielen der mensen, voordat wij met iedere mogelijke handelwijze en met alles wat waarschijnlijk tot hun welzijn strekken kan, de proef genomen hebben.

Ik vrees, dat er niet velen zijn, zelfs niet in een grote gemeente, die ziekendrager willen worden. Velen zullen zeggen, dat het plan bewonderenswaardig is, maar zij zullen de uitvoering daarvan aan anderen overlaten. Bedenkt, dat de vier personen, die zich in zulk een arbeid der liefde verenigen, allen met hartelijke toegenegenheid vervuld moeten zijn ten opzichte van de personen, wier zaligheid zij zoeken. Het moeten mensen zijn, die zich niet door de moeilijkheid laten afschrikken, die hun gehele sterkte er aan wensen te wijden om hun schouders te zetten onder de geliefde last, en die volharden totdat zij hun pogingen met een gewenste uitslag zien bekroond. Zij behoren sterk te zijn, want de last is zwaar; zij behoren vastberaden te zijn, want het werk zal hun geloof op de proef stellen; zij behoren vol des gebeds te zijn, want anders arbeiden zij tevergeefs; zij moeten gelovig zijn, anders is hun werk ten enenmale nutteloos. Jezus zag het geloof van de vier dragers en daarom nam Hij hun dienst aan; maar zonder geloof is het onmogelijk Hem te behagen. Waar zullen wij viertallen vinden gelijk deze? Moge de Heere ze vinden, en moge Hij ze zenden tot sommigen uwer, arme, stervende zondaren, die hier heden geraakt nederligt.

II.

Wij gaan nu over tot de tweede opmerking. DAT SOMMIGE GEVALLEN ALDUS BEHANDELD, VEEL NADENKEN VEREISEN, VóóR HET OOGMERK BEREIKT WORDT.

Het wezenlijke middel, waardoor een ziel gered wordt, is duidelijk genoeg. De vier dragers hadden er onder elkander geen verschil over, wat de weg was om de genezing van deze man te bewerken: zij waren hierin eenstemmig, dat zij hem tot Jezus moesten brengen; door het een of ander middel, hoe dan ook, moesten zij hem voor de voeten van de Zaligmaker leggen. Dat was een zaak, waaraan zij niet twijfelden. De vraag was, hoe dit te volvoeren? Er bestaat een oud werelds spreekwoord, dat zegt: “Waar een wil is, daar is ook een weg”; en dat spreekwoord mag, geloof ik, ook veilig op geestelijke dingen worden toegepast. “Waar een wil is, daar is ook een weg”; en indien er mensen door Gods genade geroepen worden tot een grote bezorgdheid voor een bepaalde ziel, dan is er wel een weg, waarlangs de ziel tot Jezus kan worden gebracht; die weg echter laat zich waarschijnlijk niet anders bepalen dan na veel nadenken en overweging. In sommige gevallen kan de weg om het hart te treffen, een weg zijn buiten de gewone weg; een weg, welke gewoonlijk niet moet worden ingeslagen en niet tot het begeerde doel zou leiden. Ik twijfel er niet aan of de vier dragers in het verhaal dachten vroeg in de morgen: “Wij zullen deze arme geraakte naar de Zaligmaker brengen en daartoe door de gewone deur het huis binnengaan”; maar toen zij dit poogden te doen, vonden zij de weg zo door de scharen versperd, dat zij niet eens de drempel konden bereiken. “Maakt ruimte, maakt ruimte voor een kranke man! Op zij daar, ruimte voor een arme geraakte! Toont u toch barmhartig en maakt toch een weinig ruimte, opdat de kranke de genezende Profeet kan bereiken!” Vergeefs al hun roepen, al hun smeken en bevelen. Hier en daar gaan enige medelijdende personen een weinig achteruit, maar de grote menigte kan noch wil zich bewegen; wat er bij komt, velen onder hen vermoeien zich met een soortgelijke bezigheid en hebben evenveel reden om voorwaarts en naar binnen te dringen. “Ziet”, roept één van de vier, “ik zal ruimte maken”, en met dringen en duwen komt hij een eind in de dicht opeengepakte menigte vooruit. “Komt met uw drieën hierheen!” roept hij, “volgt mij en dringt achter mij aan, voetje voor voetje.” Maar zij kunnen niet, het is onmogelijk; het staat te vrezen, dat de arme patiënt van angst zal sterven; het bed wordt door het gedrang heen en weer geduwd en is in beweging als een lichte boot op de golven der zee; de ongerustheid van de patiënt neemt toe; de dragers zijn verlegen en zij zijn recht blijde, dat zij weer uit het gedrang komen om te overwegen wat hun verder te doen staat. Het is klaarblijkelijk ten enenmale onmogelijk hem door gewone middelen naar binnen te krijgen. Hoe dan nu? “Wij kunnen geen loopgraven onder de grond maken; maar wij kunnen niet over de hoofden van de mensen heen komen en de man van boven neerlaten? Waar is de trap?” Menigmaal is er aan de buitenzijde een trap naar het dak van een Oosters huis; wij weten niet met zekerheid of er hier ook een was; maar zo niet, dan kan het huis er naast er toch wel een gehad hebben, en zo kwamen de vastberaden dragers naar boven en gingen misschien wel van het ene dak op het andere over. Waar ons alles niet bepaald en in bijzonderheden wordt medegedeeld, blijft er veel te gissen over; maar zoveel is dan duidelijk; door het een of ander middel hebben zij hun beklagenswaardige last omhoog weten te voeren naar de top van het huis en zich van het nodige takelwerk voorzien om hem daarmede naar beneden te laten. De Zaligmaker was waarschijnlijk bezig in een van de opperzalen te prediken, tenzij dan dat Hij Zich in een gering huis bevond, dat geen bovenverdieping had. Misschien was de zaal of kamer open naar de kant van de binnenplaats, die vol mensen was. In ieder geval, de Heere Jezus was onderdak, en onder een stevig dak ook. Niemand, die nauwkeurig het oorspronkelijke leest zal nalaten op te merken, dat er een werkelijk dak opgebroken moest worden. De aandacht is gevestigd op de moeilijkheid, dat het opbreken van een dak gevaar met zich brengt voor degenen, die zich daar beneden bevinden, en waarschijnlijk een grote wolk van stof naar beneden zou doen komen; en om deze zaak tot klaarheid te brengen, zijn er verschillende veronderstellingen gemaakt. Zo bijvoorbeeld, dat de Zaligmaker onder een soort van zonnedak of uitgespannen doek stond, en de mannen dat doek oprolden; of dat onze Heere onder een veranda stond met een zeer lichte bedekking, welke de mannen gemakkelijk konden wegnemen; anderen hebben voor die gelegenheid zelfs een valdeur uitgedacht. Maar met alle betamelijke eerbied voor verdienstelijke reizigers, kan men over de woorden van de evangelisten toch niet zo gemakkelijk heen lopen. Volgens onze tekst werd de man neergelaten door “de tichelen,” niet door zeildoek of een andere lichte stof; wat voor soort van tichelen het moge geweest zijn, zij waren voorzeker gebakken van gebrande klei, want dat is het denkbeeld, dat in het woord ligt. Wat meer is, Marcus deelt ons mede, dat zij, na het dak te hebben ontdekt, hetwelk naar ik veronderstel ziet op het wegnemen van de tichelen, dat opbraken, hetgeen bijzonder veel weg heeft van het breken door een zolder. Het Griekse woord, door Marcus gebruikt, hetwelk overgezet is door “opbreken” is een woord met een zeer krachtige betekenis; het betekent zoveel als doorgraven of opscheppen, waarin duidelijk het denkbeeld ligt van een belangrijke arbeid ter verwijdering van iets, dat gewicht heeft. Er wordt ons medegedeeld, dat de daken der Oosterse huizen dikwijls van dikke stenen gemaakt zijn; dat moge in het algemeen waar zijn, maar niet in dit geval, want het huis was bedekt met tichelen; en wat het stof aangaat en het neervallen van puin, het is niet volstrekt noodzakelijk daartoe te besluiten; zo klaar als de dag is het evenwel, dat er in een stevig bovendeel van een huis, waar de tichelen weggenomen moesten worden en dat moest worden doorgraven, een gat gemaakt werd; en door die opening werd de man in zijn bed neergelaten. Misschien was er stof, en mogelijk was er ook wel gevaar; maar de dragers hadden zich voorgenomen te volvoeren wat zij zich hadden voorgesteld, het mocht dan kosten wat het wilde. Zij moeten op de een of andere manier de zieke man naar binnen zien te krijgen. Wij behoeven echter niet volstrekt aan te nemen, dat er stof en puin naar beneden kwam, want de vier mannen zullen ongetwijfeld hun best gedaan hebben om de Zaligmaker of Zijn hoorders geen overlast aan te doen. De tichelen of het pleisterwerk konden naar een ander deel van het platte dak worden gebracht, de planken, als die opgebroken werden, eveneens; en wat de sparren aangaat, die waren misschien wel ver genoeg van elkander, dat het smalle rustbed van de zieke man er door kon zonder dat er één weggenomen werd. Hartley zegt in zijn Reisbeschrijving: “Toen ik te Egina woonde, wendde ik gedurig mijn blikken naar het dak boven mijn hoofd en dan werd ik er telkens bij bepaald hoe gemakkelijk die ganse handeling met de geraakte kon plaats hebben. Het dak was op de volgende wijze gemaakt: Een laag riet, van een grote soort, was op het houtwerk geplaatst; hierop was een hoeveelheid heidekruid gestrooid; op de heide was aarde gelegd en tot een stevige massa vast gestampt. Wat moeilijkheid zou het nu opleveren om eerst de aarde, vervolgens de heide, en daarna het riet weg te nemen? Ook zou de moeilijkheid in het geheel niet groter worden, indien er een bedekking van tichelen over de aarde heen lag. En voor de personen, die zich in het huis bevonden kon er ook geen ongerief of overlast uit voortkomen, dat de tichelen en de aarde weggenomen werden; want de heide en het riet zouden alles tegenhouden wat anders naar beneden zou vallen, en konden dan het allerlaatst worden weggenomen. Een man door het dak naar beneden te laten was een zonderlinge en vreemde uitvinding; en dit geeft ons aanleiding tot de opmerking, die wij hier nu hebben te maken. Indien het er ons om te doen is om zielen te redden, moeten wij niet al te kieskeurig zijn en het niet al te nauw nemen omtrent gewoonte, en regel, en gepastheid; want het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan. Wij moeten dit bij onszelf voornemen: “Wij staan nergens voor; alles moet wijken wat tussen de ziel en haar God in staat: het doet er niet toe wat voor tichelen er moeten worden weggenomen, wat pleisterwerk er moet worden losgewerkt of wat planken er moeten worden weggescheurd, of wat arbeid, of moeite, of uitgaven wij ons moeten getroosten; de ziel is voor ons te kostelijk, dan dat wij ons met allerlei tere vraagstukken zouden bezig houden. Of wij ook door het een of ander middel voor sommigen tot behoudenis kunnen dienen, dat moet onze studie zijn. Huid voor huid, ja alles wat wij hebben, is niets vergeleken met de ziel van een mens.” Wanneer vier trouwe harten het op het geestelijk welzijn van een zondaar gezet hebben, zal hun heilige honger door stenen muren of door de daken der huizen breken.

Ik twijfel er niet aan of het was een moeilijke taak de geraakte naar boven te brengen; het opbreken van het dak, het wegnemen van de tichelen, en dat met alle behoorlijke zorg, moet een taak geweest zijn, die veel van de mensen vergde en veel bekwaamheid vereiste; maar het werk werd verricht en het doel werd bereikt. Wij moeten ons nooit door moeilijkheden laten ophouden; hoeveel inspanning de taak ook vergt, het moet altijd veel moeilijker voor ons zijn een ziel verloren te laten gaan dan in de meest zelfverloochenende vorm voor haar bevrijding te arbeiden.

Het was een zeer bijzondere handeling, welke de dragers volvoerden. Wie zou er ooit aan gedacht hebben om een dak op te breken? Niemand dan zij, die veel liefde hadden en met een grote begeerte vervuld waren om de kranke tot nut en tot zegen te zijn. O dat God ons mocht doen opmaken om zonderlinge dingen te beproeven om zielen te redden. Moge er een heilige scherpzinnigheid in de kerk worden opgewekt, een geheiligde vindingrijkheid de handen aan de ploeg slaan om harten van mensen te winnen. Het scheen zijn geslacht een zonderlinge zaak toe, toen John Wesley te Epworth op zijns vaders grafzerk stond te prediken. Ere zij God, dat hij de moed had om te prediken in de open lucht. Het scheen een buitengewoon iets, toen sommige evangeliedienaren predikaties hielden in de schouwburgen; maar het is een zaak van vreugde, dat er door zulke onregelmatigheden zondaars zijn bereikt, die anders van alle middelen verstoken gebleven zouden zijn. Wanneer onze harten slechts vervuld zijn met ijver voor God en liefde tot de zielen, dan zullen wij er wel toe geleid worden ons van middelen te bedienen, waarover anderen een afkeurend oordeel mogen uitspreken, maar welke Jezus Christus zal aannemen.

Wel beschouwd was de methode, welke de vier vrienden volgden, er een, die het meest paste bij hun bekwaamheden. Zij waren, naar ik veronderstel, vier sterke mannen, voor wie de vracht geen bijzonder groot gewicht had, en het werk, aan het openmaken van het dak verbonden, betrekkelijk gemakkelijk was. De handelwijze paste uitnemend bij datgene, wat zij konden leveren. En wat deden zij, toen zij de zieke man hadden neergelaten? Vol bewondering op het toneel neerzien? Ik lees niet, dat zij een enkel woord zeiden; doch wat zij deden, was genoeg; de bekwaamheid om op te heffen en te dragen deed het nodige werk. Sommigen van u zeggen: “Ach, wij kunnen in het geheel niet tot nut zijn; als wij maar konden prediken!” Deze mannen konden niet prediken en zij behoefden ook niet te prediken. Zij lieten de geraakte naar beneden en hun werk was gedaan. Zij konden niet prediken, maar zij konden wel een touw vasthouden. Wij hebben in de christelijke kerk niet alleen predikers nodig, maar ook zielenwinners, die zielen op hun hart kunnen dragen en de gewichtige last kunnen gevoelen; mensen, die misschien wel niet kunnen praten, maar die kunnen wenen; mensen, die met hun taal het hart van andere mensen niet kunnen breken, maar die met hun medelijden hun eigen hart verbreken. In het geval, dat ons bezighoudt, was er geen behoefte aan om te pleiten: “Jezus, Gij Zone Davids, zie op, want er komt een man tot U, die behoefte aan U heeft.” Er was in het geheel geen behoefte aan om er op te wijzen, dat de arme man al zo lange jaren krank geweest was. Wij weten niet, of de man zelf een woord sprak. Hulpeloos en verlamd had hij de kracht niet om als smekeling op te treden. Zij plaatsten zijn bijna levenloze klomp voor het oog van de Zaligmaker, en dat zeide al genoeg; zijn treurige toestand was welsprekender dan woorden konden uitdrukken. O gij harten, die met liefde tot zondaars vervuld zijt, legt hun verloren staat voor Jezus bloot; stelt hun toestand, gelijk die is, aan de Zaligmaker voor; indien uw tong stamelt, zal uw hart de overhand hebben; indien gij niet kunt spreken, zelfs niet tot Christus, zoals gij wel zoudt wensen, omdat gij de gave des gebeds niet bezit, gij kunt toch uw doel niet missen, zo uw sterke begeerten ontspringen uit de geest van het gebed. God helpe ons om gebruik te maken van die middelen, welke ons ter beschikking staan en niet ledig neer te zitten, treurende over de krachten, die wij niet bezitten. Misschien zou het gevaarlijk voor ons zijn, indien wij de bekwaamheden bezaten, waarnaar wij zo begerig zijn; het is altijd veilig om die, welke wij hebben, aan de zo nodige arbeid te wijden.

III.

Nu moeten wij overgaan tot een belangrijke waarheid. Wij kunnen veilig uit het verhaal besluiten, DAT DE WORTEL DER GEESTELIJKE GERAAKTHEID DOORGAANS GELEGEN IS IN ONVERGEVEN ZONDE.

Jezus was voornemens de geraakte te genezen, maar Hij deed dit door allereerst te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven.” Er zijn deze morgen in dit huis des gebeds sommigen, die in geestelijke zin verlamd of geraakt zijn; zij hebben ogen en zij zien het evangelie; zij hebben oren en zij hebben het gehoord, en met aandacht gehoord ook; maar zij zijn zo verlamd, dat zij u zullen zeggen, en wel met een eerlijk gemoed, dat zij de belofte Gods niet kunnen aangrijpen; zij kunnen niet in Jezus geloven tot redding van hun ziel. Indien gij hun aanspoort om te bidden, zeggen zij: “Wij trachten te bidden; maar het is geen aannemelijk gebed.” Indien gij hen er op wijst, dat zij vertrouwen moeten hebben, zullen zij u zeggen, al is het dan ook niet met zoveel woorden, dat zij aan de wanhoop ten prooi zijn. Op hen is van toepassing:

Och, dat ik bidden kon . . . . .
Maar ach, mijn ziel geplaagd,
Beangst, verschrikt, wordt door des bozen macht
Van ‘s Heeren troon verjaagd.

Och dat ik zingen kon . . . .
Maar ach, veeleer geween
Past mij, daar toch bij al de goedheid Gods
Mijn hart blijft als een steen.

Dat ik U minnen kon . . . .
Maar neen, hoe eindeloos groot
Uw liefde ook zij, bewegen doet zij niet
Mijn geest, zo dor, zo snood.

Dat ik geloven kon . . . .
Nu is het alles nacht,
Ik kan niet, schoon ‘k wel wil: o Heer!
‘t Moet komen van Uw macht.

De grond van deze verlamming is zonde in de consciëntie, die in de zodanigen de dood werkt. Zij zijn zich van hun schuld bewust, maar hebben niet de macht om te geloven, dat de karmozijnrode fontein ze kan wegnemen. Zij zijn alleen toegankelijk voor smart, wanhoop en zielsangst. De zonde verlamt hen en doet hen in wanhoop neerzitten. Ik ben er echter zeker van, dat met deze wanhoop in grote mate een element van ongeloof, hetwelk zondig is, zich vermengt; maar naar ik hoop gaat er ook een zekere mate van oprecht berouw mede gepaard, hetwelk de hoop op iets beters in zich draagt. Onze arme, ontwaakte geraakten hopen somtijds, dat zij vergiffenis hebben ontvangen, maar zij kunnen dit niet geloven; zij kunnen zich niet verheugen; zij kunnen zich niet op Jezus werpen; zij zijn geheel en al van kracht beroofd. De grond hiervan nu, dit zeg ik nogmaals, ligt in onvergeven zonde; en ik smeek u, die de Zaligmaker liefhebt, ernstiglijk, met ernst vergeving voor deze verlamde personen te zoeken. Gij zegt tot mij, dat dit ook voor mij een ernstige zaak behoort te zijn; daarin hebt gij gelijk; en ook ik begeer met ernst daarnaar te zoeken; maar, broeders, hun toestand schijnt buiten het terrein van de werkzaamheid van de evangeliedienaar te liggen; de Heilige Geest wijst andere instrumenten aan om te dienen tot hun behoudenis. Zij hebben de openbare evangelieverkondiging gehoord; nu hebben zij behoefte aan bijzondere, aan particuliere vertroosting en hulp, en dat van drie of vier. Verleent ons uw hulp, gij heilzoekende broederen; verdeelt u in groepen van vier personen; grijpt de rustbedden van die mensen aan, die wensen behouden te worden, maar die gevoelen, dat zij niet kunnen geloven. De Heere, de Heilige Geest, make u tot de middelen om hen tot de schuldvergiffenis en de eeuwige zaligheid te leiden. Zij hebben al een lange tijd liggen wachten; hun zonde nochtans houdt hen waar zij zijn; hun schuld is oorzaak, dat zij Christus niet kunnen aangrijpen; dat is de zaak, en het is voor zulke gevallen, dat ik met ernst en aandrang de hulp van mijn broeders inroep.

IV.

Laat ons verder gaan om in de vierde plaats op te merken, DAT JEZUS ZOWEL DE ZONDE ALS DE GERAAKTHEID IN EEN OGENBLIK KAN WEGNEMEN. Het was de taak van de vier dragers om de man tot Christus te brengen; maar daar was hun vermogen ten einde. Het is onze taak de schuldige zondaar tot de Zaligmaker te brengen; daar heeft onze macht haar eindpunt. God zij gedankt, waar wij eindigen, begint Christus; en verricht op de heerlijkste wijze Zijn werk. Merkt op, dat Hij begon met te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven.” Hij legde de bijl aan de wortel; hij begeerde niet dat de zonden van de man mochten worden vergeven, ook sprak Hij geen goede wens uit in die richting, maar Hij liet de vrijspraak horen uit kracht van dat gezag, waarmede Hij als Zaligmaker bekleed was. De zonden van de arme man hielden toen op te bestaan, en hij was gerechtvaardigd in het oog van God. Gelooft gij dit, mijn hoorder; gelooft gij, dat Christus zulks deed voor de geraakte? Dan leg ik u op om nog iets meer te geloven. Dan vorder ik van u om te geloven, dat zo Christus op aarde macht had om de zonden te vergeven vóór Hij een verzoening had aangebracht, Hij veel meer macht heeft dit te doen, nu Hij Zijn bloed heeft gestort en de woorden heeft laten horen: “Het is volbracht!” Nu Hij Zijn heerlijkheid is ingegaan en gezeten is aan de rechterhand des Vaders. Hij is verhoogd om te geven bekering en vergeving van de zonden. Wanneer Hij Zijn Geest in uw ziel nederzendt om Zich in u te openbaren, dan zult gij in een ogenblik volkomen vrijspraak ontvangen. Kleeft de snode zonde der Godslastering u aan? Hebt gij een lang leven van ongelovigheid achter u? Hebt gij in lichtzinnigheid en ongebondenheid uw dagen doorgebracht? Hebt gij u schuldig gemaakt aan afschuwelijke zonden? Eén woord kan u vrijspreken, één woord van die dierbare lippen, van welke deze taal vloeide: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Ik vorder van u, dat gij vraagt om dat woord van vrijspraak. Geen aardse priester kan het u geven; maar de grote Hogepriester, de Heere Jezus kan het ineens uitspreken. Hier ligt een aanmoediging voor u, die bij tweeën of vieren u verenigt om de zaligheid der mensen te zoeken. Bidt voor hen, nu, terwijl zij onder het gehoor van het evangelie verkeren; bidt voor hen dag en nacht en brengt de blijde tijding gedurig tot hen, want Jezus kan nog “volkomenlijk zaligmaken al degenen, die door Hem tot God gaan.”

Nadat onze gezegende Heere de wortel van het kwaad had weggenomen, merkt gij op, dat Hij ook de geraaktheid zelve wegnam. Deze was in een ogenblik verdwenen. Ieder lid van ‘s mans lichaam was tot de staat der gezondheid teruggekeerd; hij kon staan, hij kon lopen, hij kon zijn bed opnemen, beide spier en zenuw hadden haar krachten herkregen. Eén ogenblik is voldoende, als Jezus spreekt, om de wanhopige gelukkig te maken en de ongelovige vertrouwen in te storten. Wat wij niet kunnen doen met onze redeneringen, onze overredingen en onze smekingen, noch zelfs met de letter van Gods belofte, kan Christus in een enkel ogenblik door Zijn Heilige Geest doen; en wij hebben tot onze blijdschap gezien, dat het gedaan werd. Dit is het doorgaande wonder van de Kerk, hetwelk heden ten dage door Christus nog evenzo verricht wordt als in vroegere tijd. Verlamde zielen, bij welke noch het willen, noch het werken gevonden werd, zijn in staat gesteld om moedig te werken en met een ernstig voornemen te willen. De Heere heeft de zwakke kracht ingestort, en degenen, die geen vermogen hadden, heeft Hij de sterkte vermenigvuldigd. Dat kan Hij nog doen. Ik zeg nogmaals tot liefhebbende zielen, die het heil van anderen zoeken, laat dit u aanmoedigen. Het kan wel zijn, dat gij niet lang behoeft te wachten op de bekeringen, waarop uw streven gericht is; het kan wel gebeuren, dat vóór de volgende sabbat ten einde is, de persoon, voor wie gij bidt, tot Jezus is gebracht; of indien gij nog een weinig hebt te wachten, zal het wachten u wel vergolden worden, en ondertussen moet gij bedenken, dat Hij nooit in het verborgen gesproken heeft in de donkere plaatsen der aarde; Hij heeft niet tot het zaad van Jacob gezegd: “Zoek mij tevergeefs.”

V.

Voortgaande komen wij tot het besluit: OVERAL WAAR ONZE HEERE HET DUBBELE WONDER WERKT, WORDT HET OPENBAAR. Hij vergaf de zonde van de man en nam tegelijk zijn kwaal weg. Hoe kwam dit aan het licht? Ik twijfel er niet aan of de vergiffenis van zijn zonde was het best bekend aan de man zelf; mogelijk echter hebben degenen, die dat van blijdschap stralende aangezicht aanschouwden, hetwelk vroeger zo treurig was geweest, wel opgemerkt, dat het woord der vrijspraak in zijn ziel neerzonk als de regen in het dorstige aardrijk. “Uw zonden zijn u vergeven,” viel op hem neer als een dauw van de hemel; hij geloofde de geheiligde verklaring en zijn ogen glinsterden van vreugde. Het is hem misschien bijna onverschillig geweest of hij verlamd bleef of niet, zulk een blijdschap was het, vergiffenis te hebben ontvangen, vergiffenis van de Heere zelf. Dat was genoeg, volkomen genoeg voor hem; maar het was niet genoeg voor de Zaligmaker, en daarom beval Hij hem, dat hij zijn beddeken zou opnemen en wandelen, want Hij had hem daartoe de kracht gegeven. De genezing van de man werd bewezen door zijn gehoorzaamheid. Openlijk voor alle toeschouwers werd een handelende gehoorzaamheid het onweerlegbare bewijs, dat de arme man hersteld was. Merkt op, dat de Heere hem beval op te staan, en hij stond op; hij had geen macht zulks te doen tenzij door de macht, welke er komt met de Goddelijke bevelen. Hij stond op, want Christus zeide: “Sta op!” Daarop vouwde hij die armzalige stromatras op – het Griekse woord, dat er gebruikt wordt leert ons, dat het een zeer armelijk, min, ellendig ding was – hij rolde ze op zoals de Zaligmaker hem beval, hij slingerde ze op zijn schouder en ging heen naar zijn huis. Zijn eerste aandrift moet geweest zijn zich aan de voeten van de Zaligmaker neer te werpen en te zeggen: “Geloofd zij Uw naam”; maar de Meester zeide: “Ga heen naar uw huis”; en ik kan niet ontdekken, dat hij bleef om op enigerlei wijze zijn dankbaarheid uit te drukken; maar met de ellebogen zich door de menigte heenwerkende, met zijn vracht op de rug door het gedrang worstelende, spoedde hij zich voorwaarts naar zijn huis, juist zoals hem bevolen was, en dat zonder er eerst over te beraadslagen of vragen te stellen. Hij deed wat zijn Heere hem gebood, en hij deed het nauwkeurig, in bijzonderheden, terstond en met opgeruimde zin. Hoe vrolijk zal de man geweest zijn; niemand kan zich dat voorstellen dan degenen, die in een soortgelijk geval genezen zijn. Gehoorzaamheid alzo is het echte teken van vergeven zonde en van de wegneming der geraaktheid van het hart. Indien gij werkelijk behouden zijt, zult gij doen wat Jezus u beveelt; uw vraag zal zijn: “Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal?” En wanneer gij daarvan maar eerst zekerheid hebt ontvangen, zult gij het ook gewisselijk doen. Gij zegt mij, dat Christus u vergiffenis heeft geschonken, en nochtans leeft gij in opstand tegen Zijn geboden; hoe kan ik u dan geloven? Gij zegt, dat gij gered en behouden zijt, en nochtans plaatst gij met opzet uw wil tegenover de wil van Christus; welk bewijs heb ik nu voor hetgeen gij zegt? Heb ik niet veeleer een duidelijk bewijs, dat gij niet de waarheid spreekt? Openlijke, nauwgezette, haastige, blijde gehoorzaamheid aan Christus is een blijk van het wondervolle werk, hetwelk Jezus in de ziel werkt.

VI.

Ten slotte, DIT ALLES STREKT TOT VERHEERLIJKING GODS.

Deze vier mannen waren indirekt het middel geweest, dat Gode veel eer en Jezus veel heerlijkheid werd toegebracht; en ik twijfel er niet aan of zij hebben in hun binnenste daar boven op het dak van hun huis God verheerlijkt. Gelukkige mensen, dat zij zulke gewichtige diensten aan hun bedlegerige vriend mochten bewijzen! Wie verenigden zich nog meer in de verheerlijking Gods? Wel, in de eerste plaats de man, die hersteld was. Heeft niet ieder deel van zijn lichaam God verheerlijkt? Ik kan mij hem zo voorstellen. Hij zet zijn ene voet neer tot heerlijkheid Gods, hij raakt met de andere met hetzelfde gevolg de aarde aan, hij wandelt tot de heerlijkheid Gods, hij draagt zijn bed tot heerlijkheid, hij beweegt zijn gehele lichaam tot heerlijkheid Gods, hij spreekt, hij roept, hij zingt, hij springt tot heerlijkheid Gods. Wanneer een mens behouden wordt, verheerlijkt zijn gehele menszijn God; een nieuwgeboren leven wordt hij deelachtig, hetwelk in ieder deel van hem, geest, ziel en lichaam, uitstraalt. Als erfgenaam des hemels brengt hij eer en heerlijkheid aan de grote Vader, Die hem in het huisgezin heeft opgenomen; hij ademt, en eet, en drinkt tot lof van God. Wanneer er een zondaar aan de gemeente Gods wordt toegevoegd, zijn wij allen blijde, maar niemand van ons is zo verblijd en zo dankbaar als hij zelf; wij zijn allen geneigd om God te loven, maar hij moet Hem loven op de luidste toon, en dat zal hij ook doen.

En wie verheerlijkten God nog meer? De tekst deelt ons daarvan niets mede, maar wij gevoelen ons er zeker van, dat zijn familieleden het ook deden, want hij ging heen naar zijn huis. Wij willen veronderstellen, dat hij een vrouw had. Toen die morgen de vier vrienden kwamen en hem op het bed neerlegden om hem weg te dragen, zullen zij wel vol liefhebbende bezorgdheid het hoofd geschud hebben; en ik kan mij wel voorstellen, dat zij in deze geest gesproken hebben: “Ik heb vrij wat zorg, dat ik hem aan u moet toevertrouwen. Arme, arme stumper, wat ben ik bezorgd, dat het niet goed gaat, als hij door het gedrang heen moet. Ik vrees, dat het krankzinnigheid is om op een goede uitslag te hopen. Ik hoop, dat het gezegend afloopt, maar ik huiver er voor. Houdt vooral het bed goed vast, en past toch op, dat gij hem niet laat vallen. Als gij hem door het dak naar beneden laat, denkt dan om de touwen, dat gij die stevig vast houdt; weest voorzichtig, dat mijn arme, bedlegerige man geen ongeluk overkomt; het is nu al erg genoeg met hem, als het maar niet erger wordt.” Maar zoudt gij haar vreugde nu wel kunnen schilderen, toen zij haar man met het bed op de rug op het huis af zag komen? Wat zal zij begonnen zijn te zingen en lof en dank te brengen aan de Heere, Die haar geliefde echtgenoot genezen had! Als er ook kinderen geweest zijn, die daar voor het huis speelden, wat zullen die dan vol blijdschap geroepen en geschreeuwd hebben: “Daar komt vader aan, daar komt vader aan, hij kan weer lopen, hij heeft het bed op zijn rug; hij is nu weer net zo recht en net zo sterk als toen wij nog heel klein waren.” Wat een blij huisgezin! Zij zullen zich wel allen om hem heen vergaderd hebben, vrouw en kinderen, vrienden en buren, en mij dunkt zij zijn begonnen te zingen: “Loof de Heere, o mijn ziel! en al wat binnen in mij is Zijn heilige naam. Loof de Heere, o mijn ziel! en vergeet geen van Zijn weldaden. Die al uw ongerechtigheden vergeeft, Die al uw krankheden geneest.” En wat zal die man dan gezongen hebben, waar hij zich in de eerste plaats in de schuldvergiffenis en in de tweede plaats in de genezing verheugde; en wat zal hij zich verwonderd hebben, dat David dat alles zo goed wist, en dat hij zulke geschikte woorden had, die juist pasten op het geval, waarin hij verkeerde.

Maar daar hebben wij het einde nog niet. Een vrouw met haar gezin en verdere verwanten brengt slechts een deel van het blijde koor der lofzangen ten gehore, ofschoon een zeer welluidend deel. Er zijn nog andere aanbiddende harten, die zich verenigen tot lof en verheerlijking van de genezende Heere. De discipelen, die zich rondom de Zaligmaker bevonden, ook zij verheerlijkten God. Zij juichten, en zeiden tot elkander: “Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.” De gehele Christelijke kerk is vol van geheiligde lof, wanneer er één zondaar behouden is; ook de hemel is met blijdschap vervuld.

Doch er werd ook eer aan God gebracht door de mensen, die er om heen stonden. Zij waren nog niet tot die eenheid met Christus gekomen, welke de discipelen gevoelden; maar toch waren zij getroffen door het zien van dit grote wonder; en ook zij konden niet nalaten te zeggen, dat God grote dingen gewrocht had. Het is mijn bede, dat toeschouwers, vreemdelingen van het verbond met Israël, wanneer zij de wanhopigen vertroost, de afgedwaalden terechtgebracht zien, genoodzaakt zullen zijn getuigenis af te leggen van de macht der goddelijke genade, en dat zij zelf er toe zullen worden geleid om deelgenoten daarvan te worden. Er is “ere voor God in de hoge, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen,” wanneer een verlamde ziel genadiglijk van kracht wordt voorzien.

Is het nu nog nodig, dat ik u van deze plaats opwek om, als dit viertal, arme zielen tot Jezus te dragen? Is het nodig, dat ik mij tot mijn broederen wend, die de Heere liefhebben, om hun op het hart te drukken, dat zij zich hebben te verbinden om zielen te winnen? De menslievendheid tegenover de geraakte vereist dit, en uw begeerte om God te verheerlijken noodzaakt u daartoe. Indien ge inderdaad zijt, wat gij belijdt te zijn, moet de verheerlijking Gods de innigste wens en de hoogste eerzucht van uw ziel zijn. Tenzij gij verraders zijt tegenover mijn Heere, zowel als het tegendeel van menslievend tegenover uw medemensen, zult gij het praktische denkbeeld, hetwelk ik voor uw aandacht heb zoeken te brengen, vatten, en gij zult enige medechristenen opzoeken om u met hen te verenigen en tot hen te zeggen: “Komt, laat ons te samen voor hem – voor een bepaalde persoon, op wien gij het oog hebt – bidden”; en indien gij met een hardnekkig geval bekend zijt, zult gij een heilig viertal vormen, om tot redding werkzaam te zijn. Moge de kracht van de Allerhoogste op u rusten, wie weet welk een heerlijkheid de Heere dan nog door u ontvangt! Vergeet nooit deze vreemde geschiedenis van het bed, dat de man droeg, en van de man, die zijn bed droeg. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend