24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Nazareth, of Jezus door Zijn vrienden verworpen

Nazareth, of Jezus door Zijn vrienden verworpen

“En zij werden allen in de Synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op de top van de berg, op dewelke hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.” Lukas 4:28-30

Jezus had verscheiden jaren in afzondering in het huis van zijn pleegvader te Nazareth doorgebracht. Hij moet daar wel goed bekend geweest zijn: de uitnemendheid van zijn karakter en van zijn gedrag moeten wel de aandacht getrokken hebben. Op de bestemde tijd verliet Hij Nazareth, werd door Johannes in de Jordaan gedoopt en begon terstond Zijn werk, bestaande in het prediken en het verrichten van wonderen. De inwoners van Nazareth hebben ongetwijfeld dikwijls tot elkaar gezegd: “Hij zal vroeg of laat wel eens thuis komen en Zijn ouders een bezoek brengen. En als Hij komt, gaan wij allen heen om te horen wat de timmermanszoon heeft te zeggen.” Er is altijd veel belangstelling om één van de knapen van het dorp te horen, als hij predikant wordt. En deze belangstelling werd verhoogd door de hoop, dat men wonderen zou zien, gelijk Hij te Kapernaüm verricht had. De nieuwsgierigheid was opgewekt, iedereen hoopte en vertrouwde, dat Hij Nazareth beroemd zou maken onder de steden van de stammen van Israël; misschien zou Hij Zich daar wel vestigen en een massa klanten naar hun winkels trekken door de grote Geneesmeester van Nazareth, de grote Wonderwerker van het district te worden. Toen de tijd daar was en het Hem behaagde, kwam de beroemde Profeet naar Zijn eigen stad.

En toen de Sabbat naderbij kwam, werd de belangstelling zeer groot, terwijl de mensen elkaar de vraag deden: “Wat dunkt u, zal Hij morgen ook in de synagoge zijn?” Als Hij daar is, moet Hij op de een of andere manier aan het spreken gebracht worden. De opziener van de synagoge, in het algemeen gevoelen delende, nam, toen hij zag, dat Jezus tegenwoordig was, op het geschikte ogenblik van de dienst de rol van de profeet en reikte ze aan Hem over, opdat Hij een deel daarvan zou lezen en dan naar Zijn eigen gevoelen daarover zou spreken. Alle ogen waren geopend; slaperig volk was er die morgen in de synagoge niet, toen Hij de rol nam en ze openvouwde gelijk iemand, die wel gewend was met het boek om te gaan. Hij opende de rol bij een zeer duidelijk sprekende en op Hem zelf toepasselijke plaats. Deze las Hij staande, aldus door zijn houding eerbied aan het woord betuigende. En vervolgens, nadat Hij het boek weer had dichtgevouwen, Zijn zetel weer innam, niet omdat Hij niets te zeggen had, maar omdat het de goede gewoonte van die dagen was, dat de prediker zat en de hoorders stonden, een methode, in sommige opzichten zeer te verkiezen boven de tegenwoordige; in ieder geval zeker wanneer de prediker lam is of de hoorders slaperig zijn.

De plaats, welke Jezus hun voorlas, was gelijk ik gezegd heb, zeer gepast en op Hem zelf toepasselijk. Maar de opmerkelijkste zaak daarin was misschien niet zozeer wat Hij las, als wat Hij niet las; want Hij hield bijna in het midden van een zin op: “Om uit te roepen,” zei Hij, “het jaar van het welbehagen des Heeren,” en daar bleef Hij steken. De plaats is niet volledig, tenzij gij de volgende woorden leest: “en de dag van de wraak van onze God.” Onze Heere hield wijselijk bij die woorden met lezen op, waarschijnlijk omdat Hij wenste, dat de eerste rede, die Hij zou houden, niets dan zachtheid zou ademen, en geen woord van bedreiging zou bevatten. De begeerte en het gebed van Zijn hart voor hen was, dat zij mochten behouden worden. En dat het voor hen in plaats van een dag der wraak het jaar van het welbehagen des Heeren mocht zijn. Zo vouwde Hij het boek toe, ging zitten, en begon daarna met Zijn verklaring door Zijn eigen zending hun voor ogen te stellen. Hij zette uiteen, wie de blinden waren, wie de gevangenen waren, wie de gebrokenen van harte en de gebondenen waren. En op wat wijze de genade van God vrijheid en genezing en heil beschikt had. Zij waren allen met verwondering vervuld, zij hadden nooit iemand zo vloeiend en met zoveel kracht, zo eenvoudig en toch op zo edele wijze horen spreken. Alle ogen waren op Hem gericht en iedereen stond verbaasd over de stijl en de wijze van behandeling van de spreker. Spoedig ging er een gefluister door de synagoge, want iedereen zei tot zijn metgezel: “Is niet deze de zoon van de timmerman? Is niet zijn moeder genaamd Maria? En Zijn broeders Jakobus, en Joses, en Simon en Judas? En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar dan bekomt deze al deze dingen?”

Zij waren verbaasd en afgunstig bovendien. Toen veranderde de spreker van onderwerp, in het gevoel, dat het niet de bedoeling van Zijn bediening was de mensen verbaasd te doen staan, maar hun hart te treffen. En richtte Zich met een ontzettende kracht tot hun consciëntie; want als de mensen de dienaar alleen hun verwondering aanbieden, hebben zij hem nog niets gegeven. Wij begeren, dat gij overtuigd en bekeerd wordt. En als het daar niet toe komt, dan schieten wij te kort. Jezus wendde Zich af van een onderwerp zo uitermate belangwekkend, zo vol van allerlei zegeningen, aangezien het voor hen niets anders was dan paarlen voor de zwijnen geworpen. En Hij sprak tot hen persoonlijk, op de man af, wel enigermate scherp, zoals zij dachten: “Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester! Genees U zelf; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapernaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.” En daarop zei Hij ronduit tot hen, dat Hij de rechtmatigheid van hun aanspraken niet erkende, dat ofschoon Hij in dat district groot geworden was en onder hen gewoond had, Hij nochtans om die reden geen enkele verplichting erkende om Zijn macht ten toon te spreiden teneinde hun een genoegen te doen. En Hij gaf een voorbeeld in betrekking tot deze zaak.

Hij toonde aan, dat Elia (toen God, “de Vader der wezen en de Rechter der weduwen,” een weduwe wilde zegenen, niet gezonden was om een weduwe in Israël te zegenen, maar een heidense vrouw, een Syrofenicische, een van de vervloekte Kanaänieten. Tot geen van de weduwen in Israël werd “Elia gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was.” Daarop maakte Hij verder melding van het feit, dat Elisa, de dienaar van Elia, toen hij aan melaatsen genezing had te brengen, geen lsraëlietische melaatsen genas, hij reinigde zelfs niet eens die melaatsen, welke met de goede tijding kwamen, dat het Syrische leger gevloden was, maar hij reinigde een vreemdeling van een ver land. En wel Naäman. Aldus stelde de Zaligmaker de leer van de souvereine genade voor. Aldus maakte Hij het duidelijk, dat Hij vrij was om met het Zijne te doen gelijk Hij wilde. En dit, met andere omstandigheden, welke met de rede gepaard gingen, wekte zo de toorn op van de gehele vergadering, dat die ogen, welke eerst met verwondering Hem hadden aangestaard, nu begonnen te glinsteren als de ogen van dieren, en die tongen, welke bereid waren Hem lof toe te brengen, nu hun verontwaardiging begonnen uit te braken.

Zij stonden in eens op om de prediker te doden; de nieuwsgierigheid van gisteren was veranderd in de verontwaardiging van vandaag; en terwijl zij enige uren geleden de profeet het welkom in Zijn vaderland zouden hebben toegeroepen, zouden ze nu denken, dat “Kruist Hem! Kruist Hem!” te goed voor Hem was. Zij sleurden Hem uit de synagoge, hun eigen godsdienst-oefening opbrekende en niet denkende aan de heiligheid van de dag, waaraan zij zulk een wonderlijke eerbied betoonden. En zij voerden Hem mee om, gelijk boosdoeners soms van hoge rotsen worden neergestoten, zo ook Hem van de top van de berg, op dewelke hun stad gebouwd was, neer te werpen. Hij ontweek hun en ontkwam. Maar wat een zonderling einde bij zulk een begin!

Gij en ik zouden gezegd hebben: Wat een vruchtbaar veld hebben wij hier! De beste prediker en een gehoor, zo vol begeerte als zich maar denken laat. Een bijzonder opmerkzame schare. Alle oren open, bijna iedere mond open, zo vol verwondering zijn zij over Hem, over de wijze, waarop Hij hen toespreekt, en over hetgeen Hij heeft te zeggen. Talrijke bekeringen zullen hier plaats hebben. Nazareth zal het bolwerk worden van het christendom. Het zal het middelpunt, de hoofdplaats zijn voor het nieuwe geloof. Niets daarvan: zodanig is de verdorvenheid van de menselijke natuur, dat waar wij veel verwachten, wij slechts weinig krijgen. En de akker, die een honderdvoudige oogst van tarwe moest opgebracht hebben, niets oplevert dan doornen en distels.

Het is mijn voornemen met Gods hulp een toepassing van dit verhaal te maken, hetwelk zich richt op het hart en geweten van sommigen alhier tegenwoordig, die met de Zaligmaker ongeveer op dezelfde wijze doen als deze mannen van Nazareth met Hem deden in de dagen van Zijn vlees. Wij zullen overwegen, in de allereerste plaats, wie deze verwerpers van Christus waren; ten tweede, waarom deze verwerping; en ten derde, wat er uit voortvloeide.

I.

In de eerste plaats dan, WIE WAREN DEZE VERWERPERS VAN CHRISTUS? Ik stel de vraag, omdat ik overtuigd ben, dat zij hier op dit tegenwoordige ogenblik hun typen en vertegenwoordigers hebben.

Het waren, waarde vrienden, in de allereerste plaats degenen, die in de naaste betrekking stonden tot de Zaligmaker. Het waren de lieden van Zijn eigen stad. In de gewone weg zou men verwachten, dat mede-ingezetenen van een stad iemand de grootste vriendelijkheid betoonden. Hij was gekomen tot het Zijne, en ofschoon de Zijnen Hem niet hadden aangenomen, levert het stof van verwondering op, dat dit niet het geval was. Nu zijn er deze morgen sommigen in dit huis, die geen christenen zijn; zij zijn niet met Christus, en bijgevolg zijn zij tegen Hem; maar toch staan zij in de naaste betrekking tot Christus van alle onbekeerde mensen in de wereld, omdat zij van hun kindse dagen de godsdienstoefening hebben bijgewoond; zij hebben deelgenomen aan het gezang, het gebed en de dienst in het huis des Heeren; bovendien zijn zij ten volle overtuigd van het gezag en de goddelijkheid van het Woord van God. Ook bestaat er bij hen geen twijfel waarom de Zaligmaker van God gezonden werd. En dat Hij kan zalig maken en de aangewezen Zaligmaker is. Zij worden niet verontrust door twijfelingen. Twijfelzieke gedachten brengen hen niet in verwarring. Het zijn in waarheid Agrippa’s, bijna overreed om een christen te worden. Het zijn geen christenen, maar zij staan in de naaste betrekking tot de christenen van alle levende zielen op de oppervlakte van de aardbodem. Men zou natuurlijk verwachten, dat zij de beste mensen zijn om tegen te prediken, maar dit is niet gebleken het geval te zijn. Het is ook bij mij niet het geval gebleken, want van sommigen van deze, hier aanwezig, is het minder waarschijnlijk, dat zij tot beslissing komen dan degenen, die van verre staan. Gij weet wie ik bedoel, want sommigen van u, als gij mij in het gezicht ziet, mogen wel denken; “Meester, in wat gij daar zegt ligt ook een bestraffing voor ons.”

Wederom, deze lieden van Nazareth waren degenen die het meest van Christus wisten. Zij waren goed bekend met Zijn moeder en Zijn overige betrekkingen. Zij kenden Zijn gehele geslachtslijst. Zij konden zo zeggen, dat Jozef en Maria uit de stam van Juda waren; misschien konden zij ook wel zeggen, waarom zij van Bethlehem kwamen, en hoe het kwam, dat zij enige tijd in Egypte doorbrachten. De gehele geschiedenis van het wonderbare kind was hun bekend. Deze lieden nu, welke niet van node hadden, dat hun de eerste beginselen werden onderwezen, voor wie het geen vereiste was, dat ze onderricht werden in de grondwaarheden van het geloof, moesten voorzeker een zeer hoopvol volk voor Jezus geweest zijn om tegen te prediken; maar helaas! Dit bleek niet het geval te zijn. Ik heb velen hier, die wondervol op hen gelijken. Gij kent de gehele geschiedenis van de Zaligmaker en hebt die al van uw kindsheid af gekend. Meer dan dat, de leerstukken van het evangelie worden theoretisch goed door u verstaan. Gij kunt redeneren over evangeliewaarheden, en het is u een genot dit te doen, want gij zijt met een levendige belangstelling daarin vervuld. Wanneer gij de Schrift leest, is zij voor u niet een duister, geheimzinnig boek, dat gij in het geheel niet kunt begrijpen, maar gij zijt in staat anderen te onderwijzen welke de eerste beginselen der waarheid zijn. En toch, niettegenstaande dat alles, hoe onbegrijpelijk treurig is het, dat gij, zoveel wetende, zo weinig in beoefening hebt. Ik vrees dat sommigen van u het Evangelie zo goed kennen, dat het juist om deze reden veel van zijn macht bij u verloren heeft, want het is even goed bekend als een verhaal, dat gij driemaal gehoord hebt. Indien gij het voor de eerste maal hoorde, zou het nieuwe u treffen. Maar zulk een belangstelling kunt gij nu niet gevoelen. Er wordt van Whitfield’s prediking gezegd, dat een van de redenen van haar groot succes was, dat hij het evangelie predikte aan mensen, die het te voren nooit hadden gehoord. Het evangelie was voor de grote massa van het Engeland van Whitfield’s dagen zo ongeveer een nieuwe zaak. Het evangelie was òf zoekgeraakt bij de Engelse kerk en op de preekstoelen van de Dissenters, òf waar het bleef, was het bij de weinigen in de kerk. En was het onbekend bij de massa’s daarbuiten. Het eenvoudige evangelie van “geloof en leef” was zozeer een nieuwe zaak, dat toen Whitfield opstond in de velden om voor zijn tienduizenden te prediken, zij het evangelie hoorden alsof het een nieuwe openbaring vers uit de hemel was. Maar sommigen van u zijn tegen het evangelie verhard geworden. Het zou onmogelijk zijn het voor uw oren in een nieuwe vorm te gieten. Het scherpe, het snijdende van de waarheid is voor u afgesleten. Zondag op Zondag gaat gij naar dit kerkgebouw – gij zijt hier al lang geweest – gij neemt uw zitplaats in en woont de dienst bij. En dat is bij u al even goed een gewoonte geworden als dat gij ‘s morgens opstaat en u aankleedt. De Heere weet, dat ik bevreesd ben voor de invloed van sleur en gewoonte bij mij zelf; ik vrees, dat het bij mij niet meer dan een blote vorm mocht worden te arbeiden aan het heil van uw zielen. En ik bid God, dat Hij u en mij mocht verlossen van de dodelijke uitwerking van een godsdienstige sleur. Het zou beter zijn voor sommigen van u, dat gij uw plaats van de samenkomst met een ander ging verwisselen, liever dan in de oude te slapen. Ga heen en hoor iemand anders, als gij mij al lang gehoord hebt en geen zegen hebt ontvangen. In plaats van hier op de kerkbanken te gaan zitten en onder het woord om te komen, in slaap gesust door het evangelie, hetwelk de bedoeling heeft u wakker te schudden, ga liever elders en laat een andere stem tot uw oor spreken, laat een andere prediker zien wat God mogelijk voor hem doen wil. O mocht de Geest van God u slechts redden. En het zal voor mij dezelfde blijdschap zijn of gij onder iemand anders behouden zijt of onder mijn eigen woord. Dit is evenwel de zaak: het is diep treurig, dat mensen, die zo na in betrekking staan tot het christendom, die zoveel aangaande Christus weten, nochtans de Verlosser verwerpen.

Wederom, het waren lieden, die meenden, dat zij recht op Christus hadden. Zij gevoelden het niet, dat het een grote vriendelijkheid van de zijde van de Heere Jezus zou zijn hun zieken te genezen. Zij redeneerden ongetwijfeld aldus: ” Hij is uit Nazareth afkomstig, en nu is het natuurlijk Zijn dure plicht Nazareth te hulp te komen.” Zij beschouwden zich zelf als in zeker opzicht eigenaars van Hem te zijn, die naar welgevallen over Zijn krachten konden beschikken. Onze Zaligmaker verwierp dat denkbeeld en wilde hun juk niet dragen. Ik heb wel eens gevreesd, dat gij, die kinderen zijt van godvrezende ouders, of getrouwe kerkgangers, of mensen die bijdragen voor verschillende godsdienstige doeleinden, in uw hart de gedachte koestert, dat als er één moet zalig worden, gij het toch wel moet zijn; doch uw aanspraak heeft geen grond om op te rusten. Gave God, dat gij niet slechts bijna, maar geheel behouden waart, ieder van u; maar misschien is juist het feit, dat gij meent aanspraak te hebben op de zaligheid, de steen, welke u in de weg ligt, omdat gij denkt: “Voorzeker, Jezus Christus zal een gunstig oog op ons slaan, al komen anderen ook om.” Ik zeg u, Hij zal met het Zijne doen gelijk Hem behaagt, en hoeren en tollenaars zullen sommigen van u voorgaan in het koninkrijk der hemelen, als gij denkt, dat gij enig recht op genade hebt; want de genade Gods is Gods souvereine gave. En Hij wil, dat u zulks bekend zij. Hij heeft het gezegd, gezegd als met de stem van de donder: “Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm, en Ik zal barmhartig zijn, wie Ik barmhartig ben.” Als gij u tegen Zijn souvereiniteit verzet, zult gij struikelen over een steen, die u de dood zal kosten. Maar als gij gevoelen kunt, dat gij geen aanspraak bij God hebt, indien gij u kunt stellen in de toestand van de tollenaar, die zijn ogen zelfs niet naar de hemel durfde opheffen, maar op zijn borst sloeg, zeggende: “O God, wees mij zondaar genadig,” zijt gij in een toestand, waarin God u kan zegenen op een wijze, die bestaanbaar is met de waardigheid van Zijn eigen souvereiniteit. O, neem genoegen met de toestand, in welke de genade kan worden aangenomen. Bedelaars, en de zodanigen moet gij zijn, mogen niet kieskeurig zijn. Hij, die om genade vraagt, moet zich niet op het standpunt plaatsen, dat hij zijn God voorschriften geeft; hij, die gaarne gered wil worden, al is het dat hij zulks onwaardig is, moet in de gedaante van een smekeling tot God komen en nederig pleiten, dat uit loutere genade de liefde van de Heere zich aan hem mocht openbaren. Ik vrees, dat er in het gemoed van sommigen van u iets van deze geest aanwezig is. En is dit het geval, dan zijt gij de lieden, die Christus verworpen hebben. Hoort, o hemelen, en luister toe, gij aarde! Wij roepen de hemelen en de aarde tot getuige, dat gij de bijna christenen zijt; gij, die het evangelie naar de letter kent, en meent, dat gij recht op de Zaligmaker hebt. En die nochtans ongehoorzaam blijft aan het Goddelijk bevel: “Geloof en gij zult leven.” Gij zijt het, die u van de Zaligmaker afwendt en Hem verwerpt; gij wilt niet tot Hem komen, opdat gij het leven zou hebben. Hoort het, zeg ik, o hemelen, en ontzet u, gij aarde!

II.

In de tweede plaats zullen wij de redenen aangeven, WAAROM ZIJ ALDUS DE MESSIAS VERWERPEN.

Deze redenen zullen van toepassing zijn op sommigen van u, onbekeerde lieden, die hier vóór mij zit. Somtijds komt de Geest van God met een zacht werkende macht over een gehoor en doet de mensen de waarheid gevoelen, welke voor hen bestemd is. Bidt, waarde broeders in Christus, dat dit nu het geval mocht zijn; dat onze onbekeerde vrienden, die ons zoveel te doen geven vanwege hun vijandschap tegen Christus, onder de indruk mogen geraken van de betogingen, welke nu tot hen gericht worden. Waarom verwierpen zij Christus? Naar mijn mening deden zij het onder een mengeling van gewaarwordingen, waarvan door één omstandigheid geen rekenschap gegeven kan worden. Verscheidene zaken werkten samen om hun toorn en vijandschap gaande te maken. Het vuur van hun toorn werd door verschillende brandstoffen gevoed.

In de eerste plaats zou het mij niet verwonderen of de grondoorzaak van hun onvoldaanheid was gelegen in het feit, dat zij niet gevoelden, dat zij de lieden waren, tot wie de Zaligmaker verklaarde gezonden te zijn. Merkt op, dat Hij in het achttiende vers zegt, dat Hij was gezonden, “om aan de armen het Evangelie te verkondigen.” Nu mogen de armsten in de synagoge zich wel gestreeld gevoeld hebben door dat woord; maar daar het bijna een grondbeginsel bij de Joodse leraars was, dat het niet betekende wat er van de armen werd – want weinigen dan de rijken konden de hemel binnengaan – moet de aankondiging van een evangelie voor de armen hun verschrikkelijk democratisch en buitensporig in de oren geklonken en in hun gemoed de grondslag van een vooroordeel gelegd hebben. Hij bedoelde natuurlijk de “armen van geest”, hetzij zij al of niet arm zijn naar het tijdelijke, want dat zijn de armen, die Jezus komt zegenen. Maar het gebruik van uitdrukkingen, zo tegengesteld aan alles wat zij gewoon geweest waren te horen, maakte, dat zij zich op de lippen beten, terwijl zij bij zich zelf zeiden: “Wij zijn geen armen van geest; hebben wij de wet niet onderhouden?” Zeiden niet sommigen van hun: “Wij hebben onze gedenkcedels breed en de zomen van onze klederen groot gemaakt; wij hebben niet anders dan met gewassen handen gegeten; wij hebben de vastendagen en de feesten gehouden en wij hebben lange gebeden gedaan. Waarom zouden wij enigerlei armoede des geestes gevoelen?” Hierom gevoelden zij, dat er in Christus’ zending niets voor hen was. Toen hij vervolgens melding maakte van de gebrokenen van harte, waren zij zich in het geheel geen behoefte bewust aan een gebroken hart. Zij gevoelden, dat hun hart heel was, zij waren over zich zelf voldaan, zij waren volkomen tevreden. Waarvoor zal een prediker dienen? Wie zal tot de gebrokenen van harte prediken, wanneer al zijn hoorders gevoelen, dat zij geen reden hebben hun hart van berouw te scheuren? Wanneer Hij verder sprak van de gevangenen, beroemden zij er zich op, dat zij als vrijen geboren waren en dat zij nooit iemand gediend hadden; zij verwierpen met verachting het denkbeeld, dat zij behoefte hadden aan een bevrijder, want zij waren zo vrij als maar mogelijk was. Wanneer Jezus verder sprak van de blinden, riepen zij uit: “Blinden! Wil Hij ons beledigen? Wij zijn ver ziende mannen. Blinden! Laat Hij heengaan en prediken tot sommigen van die uitgeworpenen, die verblind zijn. Maar wat ons aangaat, wij kunnen blikken in de diepte van alle mysteriën. Wij hebben met Zijn onderwijs en Zijn openen van de ogen niets van node.” Wanneer Hij tenslotte sprak van de verslagenen, alsof zij met striemen gegeseld waren vanwege hun zonden, zeiden zij: “Wij hebben geen zonden, om welke wij zouden geslagen worden; wij zijn altijd eerwaardige, rechtschapen mannen geweest en nog nooit zijn wij door de gesel van de wet gekastijd; wij hebben geen behoefte aan vrijheid voor de verslagenen. Wat gaat ons het jaar van het welbehagen des Heeren aan, als het alleen voor de verslagenen en gevangenen is. Dezulken zijn wij toch niet.” Met één oogopslag, broeders, bemerkt gij de reden, waarom in deze dagen Jezus Christus wordt verworpen door zovele kerkgaande en kapelgaande mensen. Hier ziet gij de reden waarom zoveel van die achtenswaardige personen, wier plaats in onze bedehuizen geregeld bezet is, de zaligheid door genade verwerpen; het komt, omdat zij niet gevoelen, dat Zij een Zaligmaker nodig hebben. Zij menen, dat zij rijk en verrijkt zijn en aan geen ding gebrek hebben; maar zij weten niet, dat zij zijn arm, en jammerlijk, en blind, en naakt. Zij laten er zich op voorstaan, dat zij verstandig, nadenkend, verlicht zijn; zij weten het niet, dat tenzij een mens Christus ziet, hij in de duisternis wandelt en stekeblind is en geen licht aanschouwt. Zij zijn niet verslagen, zeggen zij. Gave God, dat zij het wel waren. Misschien heeft God hen aan zich zelf overgelaten, omdat het toch niet baatte hen te verbrijzelen. En waarom zouden zij nog meer geslagen worden? Zij wijken slechts hoe langer hoe verder af. Omdat zij geen tegenstrijdigheden in de consciëntie gevoelen, noch verschrikkingen voor de wet van God, daarom is Jezus Christus voor hen een wortel uit een dorre aarde. Zij verachten Hem, gelijk de gezonde om de geneesheer lacht. En gelijk de rijke zich niet bekommert om de aalmoes van de weldoeners. Maar ach! Waarde vrienden, laat mij het u herinneren, dat, al is het dat gij geen behoefte aan een Zaligmaker gevoelt, die behoefte daarom wel bestaat, al ziet gij er niets van in. Gij zijt in zonde geboren en in ongerechtigheid ontvangen. En geen doopwater kan uw onreinheid afwassen. Daarenboven hebt gij van uw jeugd af aan gezondigd in uw hart met woorden en met gedachten; en gij zijt alreeds veroordeeld, omdat gij niet geloofd hebt in de Zoon van God. Al is het dat gij geen openbare goddelozen bent, er bestaat nochtans een uitspraak van Gods Woord, welke ik u in herinnering moet brengen: “De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe, alle God vergetende heidenen.” Die laatste lijst sluit u in, mijn hoorder, u, die vergeet, en uitstelt, en beuzelt; die wacht op een gelegener tijd. U, die leeft met het Evangelie vóór u, en nochtans niet aan zijn bevelen gehoor geeft, maar tot uw zonden zegt: “Ik heb u al te lief om berouw over u te hebben”, en tot uw eigengerechtigheid: “Ik ben te zeer gehecht aan deze grondslag om die te verlaten en te bouwen op het fondament, hetwelk God gelegd heeft in de persoon van Zijn Zoon.” Ach! Waarde hoorders, het is de eigenwaan, welke de ledige zak doet denken, dat hij vol is, de hongerige doet dromen, dat hij gegeten heeft en verzadigd is. Het is de eigengerechtigheid, welke de zielen van duizenden ten verderve voert. Niets is zo verderfelijk als dit hovaardige zelfvertrouwen. Het is mijn bede, dat de Heere u moge doen gevoelen, dat gij geheel en al onmachtig, verdoemelijk, verloren en verworpen zijt, en dan is er geen vreze, dat gij Christus zult verwerpen; want hij, die geheel en al bankroet is, is gewillig genoeg om een Redder aan te nemen. Hij, die niets van zich zelf heeft, valt vlak voor het kruis neer. En neemt met blijdschap de volheid aan, die in de Heere Jezus opgesloten ligt. Dit is de eerste en misschien wel de voornaamste oorzaak, waarom de mensen de Zaligmaker verwerpen.

Maar, in de tweede plaats, het is bij mij aan weinig twijfel onderhevig, dat de mannen van Nazareth op Christus vertoornd waren, vanwege Zijn buitengewoon hoge aanspraken. Hij zei: “De Geest des Heeren is op Mij.” Daar schrokken zij van. Mogelijk waren zij nog bereid te erkennen, dat Hij een profeet was. En wanneer Hij het zo in die zin bedoelde, dan konden zij er genoegen mee nemen. Maar waar Hij zei, dat de Heere Hem gezalfd had om te prediken, Zich aldus uitgevende voor niemand anders dan de beloofde Messias, daar schudden zij met het hoofd en zeiden mompelende: “Zijn aanspraken gaan te hoog.” Waar Hij Zich naast Elia en Elisa plaatste, en er aanspraak op maakte, dat Hij dezelfde rechten en dezelfde geest had als die beroemde mannen, en bij wijze van gevolgtrekking Zijn hoorders bij de aanbidders van Baäl in Elia’s dagen vergeleek, daar was het voor hun gevoel, alsof Hij Zich zelf te hoog plaatste en hen te laag neerdrukte. En hier zie ik wederom een andere hoofdreden, waarom zo velen van u, goede mensen, zoals gij toch zo gaarne beschouwd wilt worden, mijn Heere en Meester verwerpen. Hij plaatst Zich zelf te hoog. Hij vraagt te veel van u. Hij drukt u te veel naar beneden. Hij zegt u, dat gij niets moet zijn, en dat Hij alles moet wezen. Hij zegt u, dat gij de afgod van de wereld, met al haar begeerlijkheden, vaarwel moet zeggen. En dat Hij uw Meester moet zijn, en niet uw eigen genegenheden. Hij zegt u, dat gij het rechteroog van het zondige vermaak, dat de heiligheid in de weg staat, moet uitrukken. En dat gij de rechterarm van winstbejag moet afrukken, liever dan zonde bedrijven. Hij zegt u, dat gij uw kruis moet opnemen en Hem volgen buiten de legerplaats, de godsdienstigheid en de ongodsdienstigheid van de wereld latende voor hetgeen zij zijn. Dat gij niet langer gelijkvormig moet zijn aan de wereld, maar in een geheiligde zin een ongelijkvormige moet worden aan al haar ijdelheden en grondbeginselen, gewoonten en zonden. Hij zegt u, dat Hij de vorst en gebieder in uw ziel moet zijn, en dat gij Zijn gewillige dienaren en liefhebbende discipelen moet wezen. Dit zijn eisen te hoog voor de menselijke natuur om daaraan toe te geven; en toch, waarde toehoorder, bedenk, dat als gij er niet aan toegeeft, een veel erger zaak u wacht. Kust de Zoon, kust Zijn scepter nu, zeg ik u. Buigt u nu neer en erkent Hem, want doet gij het niet, zo wacht u, “opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.” Zij, die de zilveren scepter niet kussen, zullen met de ijzeren roede verbrijzeld worden. Zij,. die niet willen, dat Christus in liefde over hen regeert, zullen met schrik Zijn heerschappij gevoelen ten dage, als Hij Zich met de wrake als met een kleed bedekt en Zijn gewaad kleurt met het bloed van Zijn vijanden. O, erkent Hem, nu Hij bedekt is met Zijn eigen bloed, opdat gij Hem niet behoeft te erkennen, wanneer Hij bedekt is met het uwe. Neemt Hem aan, terwijl het u nog mogelijk is, want gij zult niet in staat zijn Hem te ontkomen, wanneer die ogen, die gelijk zijn aan de vlam van een vuur, verterende blikken op Zijn tegenstander zullen werpen. Helaas, dit is een overvloedige bron van jammer en ellende voor de kinderen der mensen, dat zij Koning Jezus niet kunnen geven wat Hem toekomt, maar gaarne de Heere der heerlijkheid in een hoek zouden duwen. O snode harten, om u tegen zulk een dierbare, zulk een grote, zulk een goede Koning te verzetten!

In de derde plaats, een andere reden kan gelegen zijn in het feit, dat zij niet genegen waren Christus te ontvangen, voordat Hij een groot wonder voor hun ogen verricht had. Zij wilden met geweld wonderen zien. Hun gemoed was in een ziekelijke toestand. Het evangelie, dat zij nodig hadden, daar wilden zij niet van weten. De wonderen, welke Hij niet verkoos te geven, die eisten zij met een onstuimig verlangen. O, hoe velen zijn er heden ten dage, die tekenen en wonderen moeten zien, of anders willen zij niet geloven! Ik ken u wel, jonge vrouw, die u in uw hart dit voorgesteld hebt: “Ik moet gevoelen gelijk John Bunyan gevoelde, dezelfde schrik van de consciëntie, dezelfde duisternis van de ziel, of anders wil ik nooit in Jezus geloven.” Maar als gij dat nu eens nooit gevoelt, zoals waarschijnlijk het geval zal zijn? Wilt gij dan naar de hel, uit spijt tegen God, omdat Hij niet juist met u wil doen wat Hij deed met een ander? Een jonge man daarginds heeft tot zich zelf gezegd: “Als ik een droom had, gelijk ik hoor, dat die en die gehad heeft, of als er iets zeer opmerkelijks in het bestuur van de goddelijke voorzienigheid met mij plaats had, wat juist met mijn smaak overeenkwam, of als ik vandaag een plotselinge schok kon gevoelen van ik weet niet wat, dan zou ik geloven.” Aldus overlegt gij, dat mijn Heere en Meester door u het pad moet worden aangewezen! Gij zijt bedelaars aan Zijn poort, om genade vragende. En nu moet gij nodig wetten en regels vaststellen, waarnaar Hij u die genade zal verlenen. Meent gij dan, dat Hij Zich daar ooit aan zal onderwerpen? Mijn Meester is van een milde geest, maar Hij heeft een recht koninklijk hart, Hij wil van voorschriften niets weten en handhaaft Zijn souvereiniteit in al Zijn daden. Maar waarom, waarde hoorder, zijt gij toch zo bijzonder gesteld op tekenen en wonderen? Is dat wonder nog niet groot genoeg, dat Jezus zegt, dat gij u maar aan Hem moet toevertrouwen. En dat Hij belooft, dat gij terstond zalig gemaakt zult worden? Is dat teken nog niet groot genoeg, dat God zulk een evangelie heeft voorgesteld als dat van: “Geloof en gij zult leven?” Is dat nog niet genoeg, is het evangelie niet zijn eigen wonder. Is het niet een bewijs voor zich zelf, omdat hij, die gelooft, het eeuwige leven heeft? Is dit geen wonder der wonderen, dat “God alzo lief de wereld gehad heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve?” Voorzeker, dat kostelijke woord: “Die wil, die kome, en neme het water des levens om niet,” en die plechtige belofte: “Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen,” die zijn beter dan tekenen en wonderen. Een Zaligmaker, die de waarheid is, moet geloofd worden. Hij heeft nooit onwaarheid gesproken. Waarom wilt gij bewijs hebben voor de waarachtigheid van een die niet liegen kan? De duivelen zelf verklaarden, dat Hij de Zone Gods is; en wilt gij u daar nu tegen stellen? Souvereine, machtige, onweerstaanbare genade, kom en overwin deze boosheid in de harten der mensen, en maak hen gewillig om zich aan Jezus toe te vertrouwen, hetzij ze tekenen en wonderen zien, al of niet.

Wederom, en misschien raak ik ditmaal de kop van de spijker in sommige gevallen, ofschoon ik veronderstel op deze plaats niet in vele: een deel van de verbittering, welke er bestond in de gemoederen van de mannen van Nazareth, werd veroorzaakt door de eigenaardige leer, welke de Zaligmaker predikte op het stuk van de uitverkiezing. Het is bij mij zelfs de vraag, of dat niet in de grond de werkelijke prikkel was van de gehele zaak. Hij stelde voorop, dat God recht heeft Zijn gunsten uit te delen, gelijk het Hem behaagt. Dat Hij, dit doende, dikwijls de onwaarschijnlijkste voorwerpen uitkoos; dat bij voorbeeld een weduwe heel in het afgodische Sidon ten tijde van een hongersnood voorziening ontving in haar behoeften, terwijl de weduwen van Israël zonder spijze worden gelaten; dat op een andere tijd onder Elisa, toen God een melaatse wilde genezen, Hij de Israëlitische melaatsen aan hun lot overliet, maar een melaatse, die uit het afgodische land van Assyrië kwam, en die gewoon geweest was zich neer te buigen in het huis van Rimmon, genezing ontving. Dit nu was niet naar hun geest. En ik veronderstel, dat zelfs in deze gemeente, ofschoon gij vrij wel gewend zijt aan krachtige uitspraken ten aanzien van de souvereiniteit van God en wij ons niet schamen de predestinatie of voorverordinering en de uitverkiezing even duidelijk te prediken als ieder ander leerstuk, er toch nog sommigen zijn, die ontzettend slecht op hun gemak zijn, wanneer dit leerstuk wordt uiteengezet. En een gevoel hebben alsof zij de prediker wel haast te lijf konden gaan, omdat die leer zo beledigend is voor de menselijke natuur. Allerwegen kunt gij opmerken, dat de kerk van Rome niet half die haat heeft tegen het Lutheranisme, welke zij heeft tegen het Calvinisme. Het is de leer der genade, welke de ziel is van het Calvinisme, die het vergif is van de pauselijke kerk. Deze kan de waarheid niet verdragen, dat God Zijn behoudende hand uitstrekt waar Hij wil; dat Hij de zaligheid niet in de handen van de priesters heeft gelegd, noch het aan onze eigen verdienste of onze eigen wil heeft overgelaten of wij zalig zullen worden. God bewaart de sleutels van de bergplaats der genade en deelt uit gelijk het Hem behaagt. Dit is de leer, welke de mensen zo boos maakt, dat zij niet weten wat zij er al niet van zullen zeggen. Maar, waarde hoorders, ik vertrouw, dat dit niet de reden is, waarom gij weigert in Jezus te geloven, want als dit zo mocht zijn, dan is het een allerdwaaste reden, daar toch, ofschoon deze leer waar is, er nog een andere waarheid bestaat, namelijk, dat “een iegelijk, die in Jezus Christus gelooft, niet verdorven zal worden.” Terwijl het waar is, dat de Heere barmhartigheid betoont aan wie Hij barmhartigheid wil betonen, is het evenzeer waar, dat het Zijn wil is om barmhartigheid te bewijzen. En Hij alreeds barmhartigheid bewezen heeft aan iedere ziel, die berouw heeft over haar zonden. En haar vertrouwen in Jezus stelt. Waarom te trachten op een waarheid af te dingen, omdat gij ze niet kunt verstaan ? Waarom slaat gij tegen de prikkels, met het gevolg dat gij u zelf verwondt, wanneer de prikkels even scherp blijven als ooit en door al uw slaan niet zullen worden weggenomen. De Heere der heirscharen heeft het aldus verordineerd om de trots van alle heerlijkheid te beschamen en al de uitnemendheid van de aarde tot verachting te brengen: “Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.” De Heere wil de hoge boom vernederen, de groene boom doen verdorren, en de verdorde boom doen bloeien, opdat geen vlees zou roemen voor Hem en de Heere verheerlijkt wordt. Buigt u dan voor de souvereine genade! Zou Hij geen Koning zijn? Wie zou anders heersen dan God? En als Hij Koning is, heeft Hij dan niet het recht de ter dood veroordeelde misdadigers vergiffenis te schenken, zonder u de redenen daarvoor op te geven? Laat die vraag en alle andere vragen liggen en komt tot Jezus, Wiens open armen u uitnodigen. Hij zegt: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven.” Indien gij wacht, tot gij alle moeilijkheden hebt opgelost, dan zult gij nooit komen. Indien gij weigert Christus aan te nemen, totdat gij alle mysteriën verstaat, zult gij in uw zonden omkomen. Komt terwijl de poort open is en de lamp brandende gehouden wordt, want Hij heeft gezegd: “Die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.”

Ik moet nog een andere reden vermelden voor de twist van de inwoners van Nazareth met onze Heere: het was waarschijnlijk, omdat zij niet hielden van zulk een eenvoudige, persoonlijke toespraak als zij van de Zaligmaker kregen te horen. Sommige hoorders is het om grote sierlijkheid te doen. Gij moet een spade geen spade noemen; het is een landbouwwerktuig; gij moet van de dingen slechts in de meest kiese bewoordingen spreken. Maar onze Heere maakte geen gebruik van een keurige taal. Hij was een eenvoudig sprekend man. En Hij sprak rechtuit tot de mensen. Hij wist, dat de mensen naar de hel zouden gaan, al was Hij ook nog zo eenvoudig, en daarom wilde Hij niet, dat ze tot verontschuldiging zouden inbrengen, dat zij de prediker niet konden verstaan. Hij stelde de waarheid zo duidelijk voor, dat zij ze niet slechts konden verstaan, maar dat zij ze ook niet verkeerd konden verstaan, al beproefden zij het ook. Zijn prediking was zo persoonlijk mogelijk: Gij zult zonder twijfel tot Mij zeggen.” Hij sprak niet over Kapernaüm, maar het ging al over Nazareth, en dit droeg er ook toe bij dat zij toornig werden.

Wederom, Hij gaf te verstaan, dat het Zijn bedoeling was de heidenen te zegenen. Elia had een heiden gevoed en Elisa had een heiden genezen. En dit niet te miskennen feit deed de Jood op de tanden knarsen, want hij vreesde dat het uitsluitend bezit van zegeningen zou ophouden, en dat er aan anderen, behalve de kinderen Israëls, gaven der genade zouden worden geschonken. Een hond van een heiden zou in het huisgezin worden toegelaten; hij zou niet alleen verlof krijgen om te eten van de kruimeltjes, die daar van de tafel vielen, maar in een kind worden veranderd. Dat konden de Joden niet verdragen. Onder de eigengerechtige lieden nu is zeer veel van die geest, welke de zegen uitsluitend voor zich begeert. Ik heb wel mensen horen zeggen – en ik heb mij vreselijk geërgerd toen ik het hoorde – “Er hebben weer van die samenkomsten plaats om de meisjes van de straat af te houden. Dat baat toch niet – laten ze het maar beproeven; het helpt niets, ze worden er toch niets beter van. En dan zijn er nog van die andere mensen, die zich met dat gemene volk ophouden en die minne achterbuurten ingaan. Die lui die dat doen, moesten zich daar maar voor goed vestigen; dat past niet, zich zo te verlagen en met zulk tuig van volk om te gaan. De kerk is er voor; als ze daar niet heen willen, laten ze dan wegblijven.” En wat betreft het opzoeken van de allerlaagst gezonkenen. Sommige mensen trekken de neus op alleen als zij er maar aan denken. Dat is nu juist het afschuwelijke oud Joodse denkbeeld van het uitsluitend recht op het evangelie, alsof die mensen niet even goed waren als gij, met al hun zonden en met al hun armoede. Want ofschoon hun ondeugden meer uitwendig mogen zijn, ze zijn geen ziertje verfoeilijker dan de trots van sommige mensen, welke roem dragen op een eigen gerechtigheid, die niet bestaat. Ik weet het nog niet, op wie God met de grootste afkeer neerziet: op de openbare zondaar of op de voor het oog zich goed gedragende mens, wiens inwendige hoogmoed zich tegen het evangelie verzet. De dokter geeft er niet om, of hij het gezwel aan de buitenzijde van de huid ziet, of dat hij weet, dat het in de inwendige delen is; wellicht is hij van oordeel, dat het in het eerste geval veel gemakkelijker gaat om er bij te komen dan in het tweede. Onze Heere Jezus Christus nu wil, dat gij zult weten, hoe goed ge ook zijt, dat gij tot Hem moet komen, juist zoals de snoodste onder de snoden komen moet. Gij moet komen als schuldig – als rechtvaardige kunt ge niet komen. Gij moet tot Jezus komen om gewassen te worden. Gij moet tot Hem komen om bekleed te worden. Gij meent, dat gij niet van node hebt gewassen te worden. Gij verbeeldt u, dat gij reeds bekleed zijt. En bedekt, en schoon van aanzien. Maar ach! Het gewaad van een uitwendige achtenswaardigheid en van een uitwendige zedelijkheid is dikwijls niets anders dan een spinrag om een afschuwelijke melaatsheid te verbergen. Totdat Gods genade het hart verandert. God eist waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Hij ons wijsheid bekend. Maar het oppervlakkige Engeland van onze dagen is volkomen voldaan met uiterlijke welgemanierdheid, al zijt ge dan ook van binnen zo verrot als maar mogelijk is. De levende God wil van geen voorwendsels weten; gij moet wedergeboren worden. Deze leer, nog eens gezegd, is er een, welke de mensen niet kunnen verdragen; allerlei harde dingen worden dan ook gezegd van hem, die ze predikt. En om deze reden verwerpen zij Christus. Dit doende evenwel verwerpen zij hun eigen zaligheid, verwerpen zij de enige hoop op de hemel en zetten zij het zegel op hun eigen verdoemenis.

Ik zou wensen, dat de tijd niet zo snel daarheen vloog, wanneer ik zulk een onderwerp heb als dit. Het schijnt, dat ik het geweten van sommigen van u met mij heb, en ik hamer maar door als met een zware voorhamer. Maar ik vrees toch, dat er zeer weinig uitwerking gezien wordt, omdat het ijzer koud is. O, dat de Heere u in de oven mocht werpen en u aan gesmolten ijzer gelijk mocht maken! Dan zouden de hamer van het evangelie en de wet gezamenlijk u wel enigermate een evangelische vorm geven en gij werd mogelijk behouden. Gods arm is sterk genoeg. Gods vuur heet genoeg om zelfs het ijzer van de eigengerechtigheid te smelten.

III.

En nu, WAT ER UIT VOORTVLOEIDE.

Dit vloeide er uit voort. In de eerste plaats, zij wierpen de Zaligmaker uit de synagoge. En daarna trachtten zij Hem van de top van de berg naar beneden te werpen. Dat waren Zijn vrienden, goede, respectabele lieden; wie zou het van hen gedacht hebben? Gij hebt dat lieve gezelschap in de synagoge gezien, waar ze zo lieflijk zongen en zo aandachtig luisterden; zou gij dat wel geraden hebben, dat er een moordenaar onder de mantel van ieder van hun verborgen was? Er was alleen maar een gelegenheid voor nodig om de moordenaar voor de dag te brengen; want wij zien hen allen bezig om te beproeven Jezus van de steilte af te werpen. Wij weten niet hoeveel van de duivel er in ieder van ons aanwezig is. Indien wij niet vernieuwd en door de genade veranderd zijn, zijn wij erfgenamen des toorns, gelijk al de anderen. De beschrijving, welke in de Romeinenbrief gegeven wordt in het tweede hoofdstuk, dat verschrikkelijke hoofdstuk, is een waar schilderij van ieder kind van Adam. Hij mag er achtenswaardig uitzien; hij mag schijnen een lam te zijn en zo kalm te wezen, dat een gespeend kind zou kunnen spelen in het hol van de basilisk; maar hij is met dat al een dodelijke basilisk. De slang mag slapen, en hij mag er mee spelen, maar laat ze eens ontwaken. En ge zult zien, dat ze een dodelijk schepsel is. De zonde mag slapende zijn in de ziel. Er kan een tijd komen, dat ze opwaakt. En er kan ook in Engeland een tijd komen, wanneer die goede mensen, die ogenschijnlijk Christus aankleven en onze bedehuizen geregeld bezoeken, zich werkelijk als vervolgers openbaren. Het is in Engeland al eerder zo geweest. De lieden, die naar het evangelie luisterden in de laatste tijd van de regering van Hendrik de Achtste. De lieden, die met zoveel genoegen naar Latimer hoorden onder Eduard de Zesde, waren even bereidwillig om takkenbossen aan te brengen onder Koningin Maria en de dienstknechten des Heeren te verbranden. Waarde vrienden, uw tegenstand tegen Christus mag die bedrijvende vorm niet aannemen. Maar tenzij gij tot bekering komt, zijt gij vijanden van Jezus. Ontkent gij dat? Ik vraag u, waarom gelooft gij dan niet in Hem? Waarom vertrouwt gij Hem niet? Gij stelt u niet tegen Hem, waarom geeft gij u dan niet aan Hem over? Maar zolang gij Hem niet vertrouwt, kan ik u slechts een plaats geven als Zijn vijand. Gij geeft het duidelijkste bewijs daarvoor, om dat gij zelfs niet door Hem behouden wilt worden. Als er een man op het punt was om te verdrinken, en een ander stak zijn hand uit, en als dan die eerste zei: “Neen, ik wil door u niet gered worden. Dan maar liever verdrinken,” wat zou dat een bewijs van vijandschap zijn! Wat bewijs kon zekerder zijn? Zo staat het geval met u. Gij weigert door de genade van Christus behouden te worden. O, welk een vijand van Christus moet gij in de grond van uw hart zijn!

Wat kwam er uit voort? Wel dit: Ofschoon zij de Zaligmaker aldus uitwierpen, zij konden Hem geen schade toebrengen. Het nadeel was geheel aan hun zijde. Christus is niet van de berg gevallen, want Hij ontkwam door Zijn wondermacht. En het evangelie zal er geen schade bij lijden of gij het al verwerpt, ja meer doet dan het verwerpen en u tegen stelt. Jezus Christus glijdt ongedeerd midden door Zijn vijanden heen. Door de vervolgingen van Nero en Diocletianus heen, ging de ware Christus Gods Zijns weegs. Door al het verbranden van Maria en het ophangen van Elizabeth heen, tot aan de tijden van Claverhouse en zijn dragonders toe, bleef het goede, oude evangelie overwonnen door zijn vijanden. Het blijft nog tot op deze dag hetzelfde: het ontkomt aan al de woede van zijn machtigste vijanden. Maar wat werd er van hen? Dit, dat nu zij Christus verworpen hadden, Hij hen aan hun lot overliet. Zij ontvingen geen genezing vanwege hun ongeloof. Dat zal ook met u het geval zijn. En nu is dat al een duizend achthonderd en zoveel jaar geleden en de zielen van al deze mannen van Nazareth zijn verschenen voor de zetel van het gericht. En wanneer wij nog wat verder zijn en de grote bazuin zal slaan, zullen al die mannen, welke het er op toelegden om Hem van de top van de berg naar beneden te werpen, naar Hem moeten zien. En dan zullen zij Hem daar zien waar zij Hem niet kunnen grijpen of misleiden of naar beneden werpen. Wat zal dat voor hen een gezicht zijn! Zullen zij dan tot elkaar zeggen. “Is niet deze de zoon van Jozef?” Wanneer zij Hem zien, zittende op de troon van Zijn heerlijkheid, en al Zijn heilige engelen met Hem. Zullen zij dan zeggen: “Zijn moeder, is ze niet bij ons, en Zijn broeders, en Zijn zusters?” Zullen zij dan tot Hem zeggen: “Geneesmeester, genees u zelf?” O, welk een verandering zal er komen over die onbeschaamde aangezichten! Hoe zal er dan voor iedere grijnslach beschaamdheid van het aangezicht zijn, en voor ieder toornig woord geroep, en wening, en jammergeklag, en knersing der tanden! Mijn hoorders, hetzelfde zal er met u gebeuren. Binnen enige jaren zullen gij en ik onze beenderen vermengd hebben met onze moeder aarde, en daarna zal er een algemene opstanding komen. En wij zullen leven en in het laatste der dagen op de aarde staan, en Christus zal komen op de wolken des hemels. En gij, die het evangelie gehoord en Hem veracht hebt, wat zult gij dan zeggen? Zorgt maar met uw verdediging gereed te zijn, want gij zult spoedig opgeroepen worden om te zeggen, waarom het vonnis niet tegen u zou worden uitgesproken. Gij kunt niet zeggen dat gij het evangelie niet geweten hebt, of dat gij niet gewaarschuwd bent tegen de gevolgen van de verwerping daarvan; gij hebt het geweten, wat had gij meer kunnen weten? Maar uw hart wilde niet ontvangen wat gij wist. Wanneer de Heere begint te zeggen: “Gaat weg, gij vervloekten!” welke aanspraken zult gij dan doen gelden om niet bij het vervloekte gezelschap gerekend te worden? Het zal tevergeefs zijn om te zeggen: “Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd,” want dat zal juist tot verzwaring dienen, dat het koninkrijk der hemelen zo nabij u gekomen is en gij het nochtans niet hebt ontvangen. En wanneer dan de banvloeken worden uitgesproken, en Hij, die eens het Lam was zo vol van ontferming, zal blinken als de Leeuw uit Juda’s stam vol van majesteit, zal die banvloek met buitengewone kracht en spoed geslingerd worden, rustende op dit ontzaglijk feit – dat gij Christus hebt verworpen. Dat gij Hem gehoord hebt, maar het oor van Hem hebt afgewend; dat gij op zo grote zaligheid geen acht hebt gegeven en de Geest der genade smaadheid hebt aangedaan. Daar ik zelfs niet kan hopen woorden te vinden, die de kracht kunnen hebben van Gods eigen taal, zal ik deze rede besluiten met u enige woorden voor te lezen, welke ik u dringend verzoek ter harte te nemen. Zij zijn te vinden in het eerste hoofdstuk van de Spreuken, in het vier en twintigste vers: “Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; en gij al Mijnen raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Wanneer uwe vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind. Wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden. Zij zullen mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden. Daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des Heeren niet hebben verkoren. Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd, al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad. Zo zullen zij eten van de vrucht van hunne weg, en zich verzadigen met hunne raadslagen.” God behoede u voor die vloek. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend