24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De verloren penning

De verloren penning

“Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij die vindt? En als zij die gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb de penning gevonden, die ik verloren had. Alzo zeg ik ulieden is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert. Lukas 15:8-10

Dit hoofdstuk is vol van genade en waarheid. Men heeft gedacht, dat de drie op elkaar volgende gelijkenissen die er in staan opgetekend, slechts herhalingen zijn van dezelfde leerstelling onder verschillende beelden. En al was dit zo, de waarheid die er in geleerd wordt is zó gewichtig, dat zij niet te dikwijls voor onze oren herhaald kan worden. Wij zijn daarenboven maar al te zeer geneigd haar te vergeten. En het is goed om er telkens weerom aan herinnerd te worden.

De waarheid die hier geleerd wordt, is eenvoudig deze – dat de genade haar hand uitstrekt tot de ellende. Dat de genade de mensen ontvangt als zondaars. Dat zij handelt met het laakbare, het onwaardige en waardeloze. Dat zij die zich rechtvaardig achtten, de voorwerpen niet zijn van het goddelijk mededogen, doch dat de onrechtvaardigen, de schuldigen, de onverdienstelijken de geschiktste voorwerpen zijn voor Gods oneindige genade. In één woord, dat de zaligheid niet is door verdienste maar uit genade.

Deze waarheid, zeg ik, is van het uiterste belang. Want zij moedigt de boetvaardigen aan om terug te keren tot hun Vader. Doch zij wordt zeer licht vergeten. Want zelfs zij die door genade zalig zijn geworden, vervallen maar al te licht in de gezindheid van de oudste broeder. En spreken alsof hun zaligheid toch eigenlijk van de werken der wet afhing.

Echter, mijne vrienden, de drie gelijkenissen welke in dit hoofdstuk staan opgetekend, zijn geen herhalingen. Zij verkondigen wel dezelfde hoofdwaarheid, doch alle drie stellen er een ander gezichtspunt van voor.

De drie gelijkenissen zijn drie zijden van een grote piramide van Evangelielering. Doch alle drie dragen zij een onderscheiden opschrift. Niet slechts in de gelijkenis, maar ook in de lering, die er door bedekt wordt, is verscheidenheid, toeneming, uitbreiding en onderscheiding.

Wij behoeven slechts aandachtig te lezen om te ontdekken, dat wij in deze drie-eenheid van gelijkenissen zowel eenheid van grondwaarheid, als onderscheiding van voorstelling hebben. Ieder van deze gelijkenissen is nodig voor de anderen. En te samen verbonden geven zij ons een veel vollediger verklaring van haar leer, dan zij ons ieder afzonderlijk zouden kunnen geven. Beschouwt voor een wijle de eerste van de drie die ons een herder voorstelt, een verloren schaap zoekende. Wie wordt hiermede bedoeld? Wie is de Herder Israëls? Wie brengt het afgedwaalde weer? Zien wij niet duidelijk de eeuwig heerlijke en gezegende opperste Herder der schapen die zijn leven aflegt om hen te verlossen? Buiten twijfel zien wij in de eerste gelijkenis het werk van onze Heere Jezus Christus.

De tweede gelijkenis neemt een volkomen gepaste plaats in. Ik twijfel er niet aan, of zij stelt het werk voor van de Heiligen Geest, werkende door de gemeente voor de verloren, doch kostbare zielen der mensen. De gemeente is die vrouw, die haar huis met bezemen keert, om de verloren penning te zoeken. En in haar werkt de Geest zijn bedoelingen der liefde.

Het werk nu van de Heilige Geest volgt het werk van Christus. Gelijk wij hier eerst de Herder zien, het verloren schaap zoekende. En dan lezen van de vrouw die de verloren penning zoekt, zo wordt de ziel door de grote Herder verlost. En dan door de Heilige Geest verlevendigd. Gij zult bemerken dat iedere gelijkenis volkomen en tot in de kleinste bijzonderheden begrepen wordt als zij op die wijze wordt verklaard. De herder zoekt een schaap, dat moedwillig afgedwaald is. En in zoverre is het element van de zonde aanwezig. De verloren penning doet dit denkbeeld niet bij ons opkomen. En dat was ook niet nodig, omdat deze gelijkenis niet, gelijk de eerste, over vergeving van zonde handelt. En van de andere kant, hoewel het schaap dom is, is het toch niet gevoelloos en dood. Doch de penning is volstrekt ongevoelig en onmachtig. En daarom een des te geschikter zinnebeeld van de mens op het ogenblik, dat de Heilige Geest op hem begint te werken, want dan is hij dood door de misdaden en de zonden.

De derde gelijkenis stelt blijkbaar God de Vader voor die in zijn overvloedige liefde het verloren kind ontvangt dat tot Hem weerkeert. Zonder de eerste en de tweede gelijkenis zou de derde waarschijnlijk verkeerd begrepen worden. Wij hebben wel eens horen zeggen: de verloren zoon wordt, zodra hij terugkomt, ontvangen. Er wordt geen melding gemaakt van een Zaligmaker, die hem zoekt en redt. Is het mogelijk om alle waarheden in een enkele gelijkenis te leren? Spreekt niet de eerste van de herder die het verloren schaap zoekt?

Waartoe te herhalen wat reeds gezegd is? Er wordt ook gezegd, dat de verloren zoon vrijwillig teruggekeerd is. Want er is geen toespeling op de werking van een hogere macht op zijn hart. Het is alsof hij eigener beweging zegt: “Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan.” Het antwoord is, dat het werk van de Heilige Geest duidelijk beschreven werd in de tweede gelijkenis. En dus niet opnieuw behoefde voorgesteld te worden. Indien gij die drie beelden naast elkaar plaatst, dan stellen zij het gehele plan van de verlossing voor. Doch ieder afzonderlijk stelt het dit werk voor met betrekking tot de een of de ander van de goddelijke Personen der volzalige Drie-eenheid.

Met veel smart en zelfopoffering zoekt de Herder het roekeloze, dwalende schaap. De vrouw zoekt naarstiglijk de gevoelloze penning die verloren is. De Vader ontvangt de weergekeerde zoon. Wat God te samen gevoegd heeft, scheidde de mens niet. Deze drie schetsen naar het leven zijn één. En in alle drie wordt deze éne waarheid geleerd. Toch is echter de ene van de andere onderscheiden en in zichzelf zeer leerrijk.

Mag God ons onderwijzen, terwijl wij de mening van de Geest trachten te ontdekken in deze gelijkenis, die, naar wij geloven, het werk van de Heilige Geest voorstelt in en door de gemeente.

De gemeente wordt altijd voorgesteld als een vrouw, hetzij als de reine bruid van Christus, of de schaamteloze hoer van Babylon. Gelijk een vrouw het huis met bezemen keert ten goede, zo neemt een vrouw de zuurdesem en verbergt hem in het meel totdat het geheel verzuurd is, ten kwade. Voor Christus een bruid, en voor de mensen een moeder. Zo wordt de gemeente zeer gepast voorgesteld als een vrouw. Een vrouw met een huis onder haar beheer. Dat is het volledig denkbeeld van de tekst. Haar echtgenoot is afwezig. En zij heeft de schat in bewaring. Juist zo is de toestand van de gemeente, nadat de Heere Jezus heengegaan is tot de Vader.

Ten einde ieder deel van de tekst onder de aandacht te brengen, zullen wij letten op de mens in drieërlei toestand – verloren, gezocht, gevonden.

I.

Ten eerste, de tekst handelt van de mens, het voorwerp der goddelijke genade, als VERLOREN.

Let ten eerste op de schat die in het stof was verloren. De vrouw had haar penning verloren. En om hem terug te vinden moest zij het huis met bezemen keren. Waaruit blijkt dat hij op een stoffige plaats, dat hij ter aarde was gevallen, alwaar hij onder vuil en afval verborgen kon zijn.

Elke mens, uit Adam geboren, is zulk een stuk zilver; verloren, gevallen, onteerd. En sommigen zijn begraven onder vuil en stof. Als wij meerdere geldstukken laten vallen, dan zouden zij in verschillende plaatsen terechtkomen. Een er van zou in de modder kunnen vallen en daar verloren blijven. Een ander zou op een tapijt kunnen vallen, op een kleed, of op een glad gewreven vloer en dáár verloren blijven.

Als gij uw geld verloren hebt, dan is het verloren, waar het ook zij, dat gij het hebt laten vallen. Zo zijn ook alle mensen gelijkelijk verloren; maar niet allen zijn zij in dezelfde toestand van zichtbare verontreiniging.

De een is vanwege Zijn omgeving in zijn kindsheid en de invloeden van zijn opvoeding nooit in grove en verdierlijkende ondeugden vervallen. Hij is nooit een vloeker geweest; hij heeft wellicht nooit openlijk de Sabbat geschonden. En toch kan hij met dat al verloren zijn. Een ander daarentegen, heeft zich aan grote uitspattingen overgegeven; hij is gemeenzaam bekend met wulpsheid en losbandigheid en allerlei soort van kwaad. Hij is verloren, nadrukkelijk verloren. Doch de fatsoenlijke zondaar is evenzeer verloren. Er kunnen heden morgen sommigen hier zijn (en wij wensen altijd de waarheid toe te passen) die in het allerergste bederf verloren zijn. Ik bid God, dat zij hoop beginnen te koesteren. En uit de gelijkenis die wij thans overdenken, leren zullen dat de kerke Gods en de Geest van God hen zoeken. En dat zij nog tot de gevondenen kunnen behoren.

En daar er, van de andere kant, ook velen zijn die niet in zo onreine plaatsen zijn gevallen, zou ik hen met liefde er aan willen herinneren dat zij toch verloren zijn. En dat zij het even goed nodig hebben om door de Geest van God te worden gezocht, alsof zij tot de snoodsten der snoden behoren. Gods genade is even nodig om de zedelijke als om de onzedelijke te verlossen.

Mijn waarde hoorder, als gij verloren bent, dan zal het u weinig baten, dat gij u op fatsoenlijke wijze in het verderf stort. En in fatsoenlijk gezelschap vervloekt bent. Indien u slechts één ding ontbreekt, doch dat ene ding het ene nodige is, dan zal het u weinig vertroosting bieden dat u slechts één ding ontbroken heeft. Indien één enkel lek het schip doet zinken, dan was het voor de bemanning niet veel troost, dat hun schip maar op één plaats lek was. Eén enkele kwaal kan een mens doen sterven.

Hij kan in alle andere opzichten gezond zijn, het zal echter een magere vertroosting voor hem zijn te weten dat hij lang had kunnen leven, indien dat ene orgaan maar gezond was geweest. Indien gij, mijn hoorder, geen andere zonde had dan alleen maar een boos ongelovig hart. Indien geheel uw uitwendig leven lieflijk en beminnelijk was en slechts die ene noodlottige zonde in u gevonden werd, dan zult gij maar weinig troost ontlenen van al het overige dat goed in u is. Van nature bent gij verloren. En gij moet, wie gij ook bent, door genade worden gevonden.

Hetgeen in deze gelijkenis verloren was, was zich hoegenaamd er niet van bewust verloren te zijn. De penning was geen levend wezen. En hij had dus geen bewustheid van verloren te zijn of gezocht te worden.

Die verloren penning was even tevreden op de vloer of in het stof, als hij in de beurs van zijn eigenaar en onder zijns gelijken was. Hij wist niet dat hij verloren was. En kon het ook niet weten. En evenzo is het met de zondaar die geestelijk dood is in de zonde. Hij is zich zijn toestand niet bewust. En wij kunnen hem het gevaar, het verschrikkelijke van zijn toestand niet doen begrijpen. Als hij gevoelt, dat hij verloren is, dan is er reeds een werk der genade in hem begonnen. Als de zondaar weet, dat hij verloren is, dan is hij niet langer tevreden met zijn toestand, maar begint te roepen om genade, waaruit blijkt, dat het werk van het vinden reeds is aangevangen.

De onbekeerde zondaar zal erkennen, dat hij verloren is, omdat hij weet, dat die stelling schriftuurlijk is. En daarom zal hij uit beleefdheid voor Gods woord erkennen dat zij waar is. Doch hij heeft niet het minste besef van hetgeen er mee bedoeld wordt, want anders zou hij het òf met verontwaardiging ontkennen, òf zich zelf aansporen tot gebed ten einde weer hersteld te worden in de plaats, vanwaar hij is gevallen. En met Christus’ kostbaar eigendom geteld te worden. O mijn hoorders, daarom is het dat de Geest van God zo nodig is bij al onze prediking, in al ons werk tot behoudenis der zielen, omdat wij met ongevoelige zielen te doen hebben.

De man, die een reddingstoestel aan het venster van een brandend huis plaatst, kan hen wel redden die zich van hun gevaar bewust zijn en zich naar voren haasten om hem te helpen. Of zich ten minste aan hem onderwerpen in zijn reddingswerk, maar als iemand krankzinnig is, als hij speelt met de vlammen, als hij idioot is en denkt, dat er een grote illuminatie ontstoken is. En niets begrijpt van het gevaar. En slechts door de schittering van de vlammen gebiologeerd is, dan zou de redder een heel moeilijk werk hebben te verrichten.

Zo is het ook met de zondaren. Zij weten niet, hoewel zij zeggen het te weten, dat zonde de hel is. Dat van God vervreemd te zijn wil zeggen alreeds veroordeeld te wezen. Dat in de zonde te leven betekent dood te zijn, terwijl gij leeft. De ongevoeligheid van de penning is een juiste voorstelling van de volkomen onverschilligheid van de zielen, welke door Gods genade nog niet levend zijn gemaakt.

De penning was verloren, maar niet vergeten. De vrouw wist, dat zij oorspronkelijk tien penningen had. Zij telde ze zorgvuldig na, want zij maakten haar gehele schat uit. En zij vond er slechts negen. Wel wist zij echter, dat zij er nog één moest hebben. Dit is onze hoop voor de verlorenen van de Heere: zij zijn verloren, maar niet vergeten.

Het hart van de Zaligmaker gedenkt hen en bidt voor hen. O ziele, ik vertrouw dat gij behoort tot hen die de Heere de zijnen noemt. Als Hij zich de smarten herinnert, die Hij heeft verduurd om u te verlossen. En de liefde van de Vader gedenkt die zich van eeuwigheid in u weerspiegeld heeft toen de Vader u zijn geliefden Zoon gaf. Gij bent niet vergeten door de heilige Geest die u voor de Zaligmaker zoekt.

Dit is de hoop van de leraar dat er een volk is, waaraan de Heere gedenkt. En dat Hij nooit zal vergeten, ofschoon zij Hem vergeten. Hoewel zij vreemdelingen voor Hem zijn. Van verre staan. Onwetend, verhard en dood zijn. Klopt het hart van God toch van liefde voor hen en is tot hen geneigd. Zij, die van ouds gerekend en opgeteld waren, zijn nog altijd in het goddelijk geheugen gegrift. En hoewel verloren, worden zij toch nog steeds ernstig herdacht.

In zekere zin is dit waar van elke zondaar hier tegenwoordig. Gij bent verloren, maar gij wordt toch blijkbaar herdacht, want ik ben heden gezonden om u het Evangelie van Jezus te prediken. God heeft gedachten der liefde over u en nodigt u uit u tot Hem te bekeren en te leven. Geef acht op het woord van zijn heil.

Vervolgens: de penning was verloren, doch die hem verloren had liet er nog altijd haar eigendomsrecht op gelden. Merk op, dat de vrouw dit geldstuk noemt “de penning die ik verloren had.” Toen zij haar bezitting verloor heeft zij niet ook het recht op die bezitting verloren.

Die penning is, toen hij haar hand ontglipte, niet het wettig eigendom van iemand anders geworden. Zij, voor wie Christus gestorven is die Hij in bijzondere zin heeft verlost, zijn niet het eigendom van Satan, ook niet als zij nog dood zijn door de zonde. Zij kunnen onder des duivels wederrechtelijke heerschappij komen, doch het monster zal van zijn troon worden verjaagd. Christus heeft hen van ouds van de Vader ontvangen, Hij heeft hen gekocht met zijn dierbaar bloed en Hij zal hen bezitten. Hij zal de overweldiger verjagen en de zijnen opeisen. Zo spreekt de Heere: “Ulieder verbond met de dood zal te niet worden en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan.”

Gij hebt u om niet verkocht en gij zult zonder geld worden verlost. Jezus zal de zijnen als eigendom bezitten. En niemand zal hen uit zijn hand rukken. Hij zal zijn recht op hen handhaven tegen allen.

Merk voorts ook op, dat die verloren penning niet slechts in gedachtenis gehouden en als recht opgeëist is, maar ook hogelijk werd gewaardeerd.

In deze drie gelijkenissen rijst hetgeen verloren was gestadig in waarde. Dit is op de eerste aanblik niet duidelijk, omdat men zou kunnen zeggen dat een schaap meer waarde heeft dan een penning. Doch merk op dat de herder slechts één schaap verloor van de honderd, terwijl de vrouw één penning verloor van de tien die zij bezat. En de vader één zoon van de twee. Nu is het niet de waardij die de zaak in en op zich zelf heeft, welke hier in het licht wordt gesteld. Want de ziel van een mens is, in vergelijking van de oneindige God, van slechts zeer geringe waarde. Doch vanwege de liefde die Hij haar toedraagt, is zij van zeer grote waarde voor Hem. Die ene penning is voor de vrouw het tiende deel van alles wat zij bezit. En in haar schatting was hij dus van grote waardij.

Voor de Heere der liefde is een ziel welke verloren is zeer dierbaar en kostelijk. Niet vanwege haar innerlijke waarde. Doch zij heeft een betrekkelijke waarde die door God zeer hoog wordt gesteld. De Heilige Geest stelt hoge prijs op zielen. En daarom stelt ook de kerk er prijs op. Soms zegt de kerk: “Er hebben slechts weinige bekeringen plaats, er zijn weinig leden.

“Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” Zij telt haar weinige bekeerlingen eens over, haar weinige leden. En één ziel is voor haar des te meer kostelijk, omdat er zo weinigen zijn die zich heden in Christus’ schatkamers bevinden, het beeld van de grote Koning dragen. En van het kostbare zilver van Gods eigen genade zijn vervaardigd.

O mijne vrienden, gij acht u zelf van geringe waarde gij die u bewust bent te hebben gezondigd. Doch de kerk acht niet dat gij van weinig waarde bent. En de Heilige Geest veracht u niet. Hij stelt hoge prijs op u en dat doet ook zijn volk. Wij waarderen uw zielen, wij wensen slechts te weten hoe ze te kunnen behouden. Wij zouden kosten noch moeite ontzien, zo wij slechts het middel konden zijn om u te vinden en u wederom in de hand van de grote Eigenaar te brengen.

De penning was verloren, maar hij was niet hopeloos verloren. De vrouw had de hoop hem weer te zullen vinden. En daarom heeft zij niet gewanhoopt, doch ging terstond aan het werk om hem te zoeken. Het is iets ontzettends te denken aan zielen die hopeloos verloren zijn. Hun toestand herinnert mij aan een paragraaf die ik dezer dagen uit een nieuwsblad geknipt heb: – “De visserssmak Veto, van Grimsby, S. Cousins schipper kwam zaterdagavond in de haven van Doggersbank.

De schipper rapporteert, dat hij de woensdag tevoren zo wat twee honderd mijlen van Spurn, lijwaarts een vaartuig bemerkte dat hem op de eerste aanblik een kleine schoener toescheen die in nood was, doch naderbij gekomen bevond hij dat het een grote reddingsboot was, meer dan twintig voet lang en tot aan de kurken vol met water. Er was geen naam op de boot die blijkbaar tot een groot schip of een stoomboot behoorde. Zij was van binnen en van buiten wit geverfd met een bruine streep om de rand. Toen hij haar langszij was gekomen, bemerkte hij aan de achterzijde drie lijken van matrozen op elkaar. En een vierde dwars voor de boeg met het hoofd naar beneden over de roeiklampen hangende. Naar hun kleding en voorkomen schenen het vreemdelingen te zijn, doch de lijken waren in ver gaande staat van ontbinding. Waaruit bleek dat de dood reeds voor enige weken was ingetreden.

De boot met haar ijzingwekkende cargo dobberde voort. En dit verschrikkelijk gezicht heeft de bemanning van de Veto zo aangegrepen, dat zij schier niet in staat waren hun visserswerk te doen. En zo keerde de smak met een betrekkelijk kleine vangst, en vroeger dan zij verwacht werd, terug naar de haven. Verwondert het u, dat die mannen huiverden in de tegenwoordigheid van deze geheimenis van de zee? Een huivering doorvaart mij als ik denk aan die Cliaronsboot, immer voortdrijvende.

De barmhartigheid behoeft haar niet te volgen. Zij kan geen weldaad bewijzen. De liefde behoeft haar niet te zoeken. Zij kan geen redding aanbrengen. Mijn ziel aanschouwt als in een visioen zielen, die hopeloos verloren zijn, dobberende op de baren van de eeuwigheid, buiten alle bereik van hulp.

Helaas! Helaas! Miljoenen van ons geslacht bevinden zich thans in die toestand. Over hen is heengegaan de tweede dood. En machteloos zijn wij allen om hen te hulp te komen. Zelfs het Evangelie heeft voor hen geen aanblik meer van hoop. Het is toch vreugde en blijdschap dat wij heden met verloren zielen te doen hebben die nog niet hopeloos zijn verloren. Zij zijn dood door de zonde. Doch er bestaat een levendmakende kracht die hen kan doen leven.

O zeevaarder op de levenszee, visser van mensen op deze stormachtige wateren, deze verlorenen zijn nog toegankelijk voor uw mededogen, zij kunnen nog gered worden van de meedogenloze diepte. Uw zending is niet hopeloos. Ik verheug er mij heden over dat de goddelozen, hier tegenwoordig, nog niet in de pijn, nog niet in de hel zijn. Dat zij zich nog niet bevinden onder hen, wier worm niet sterft en wier vuur niet uitgeblust wordt. Ik acht ook de christelijke kerk gelukkig dat haar penning niet ergens gevallen is, waar hij niet weergevonden kan worden. Ik verblijd er mij in, dat de gevallenen rondom ons niet hopeloos verloren zijn, ja dat zij, al verblijven zij thans ook nog in de gruwelijkste holen der ongerechtigheid van Londen, al zijn zij dieven en ontuchtige vrouwen, nog niet buiten het bereik zijn van de genade.

Sta op, verhef u, o kerk van God, terwijl de mogelijkheden der genade er nog zijn! Gordt uw lendenen, o gij winners van zielen. En neemt het besluit, dat door Gods hulp en genade ieder uur der hope goed door u besteed zal worden.

Er is nog een ander punt, dat onze aandacht wel waardig is. De penning was verloren, doch hij was in het huis verloren. En dat wist de vrouw. Indien zij hem op straat had verloren, dan zou zij er waarschijnlijk niet naar gezocht hebben, want andere handen zouden er zich over hebben kunnen toesluiten. Indien zij hem in een rivier of in de zee had laten vallen, dan zou zij redelijkerwijs hebben kunnen zeggen, dat zij hem voor altijd kwijt was. Doch zij was er blijkbaar zeker van dat zij hem in huis had verloren. Is het niet troostrijk te weten, dat diegenen, hier tegenwoordig, die verloren zijn, toch nog in het huis zijn?

Zij bevinden zich nog onder de middelen der genade, binnen de werkkring van de kerk, binnen de woning, waarin zij heerst en waar de Heilige Geest werkt. Hoe moet uw hart niet vol zijn van dank dat gij niet verloren bent als heidenen, niet verloren te midden van Rooms of Mohammedaans bijgeloof. Maar verloren, waar u het Evangelie getrouw en duidelijk wordt gepredikt. Waar u met de drang van de liefde wordt gezegd dat een iegelijk die in Christus Jezus gelooft, niet wordt veroordeeld. Verloren, maar ter plaatse, waar het de plicht der kerk is u te zoeken. En waar dit het werk van de Geest is u te zoeken en te vinden.

Dit is de toestand van een verloren ziel, voorgesteld door de verloren penning.

II.

Laat ons nu de ziel beschouwen in de toestand van GEZOCHT te worden.

Wie heeft die verloren penning gezocht? Het was de eigenares zelf. Zij, die het geldstuk had verloren, ontstak een kaars, keerde het huis met bezemen, en zocht naarstiglijk, totdat zij hem vond. Zo, mijn broeders, heb ik gezegd dat de vrouw de Heilige Geest voorstelt, of liever de kerk, in welke de Heilige Geest woont.

Nu zal er nooit een ziel worden gevonden, voordat de Heilige Geest haar zoekt. Hij is de grote Vinder van de ziel. De ziel zal in duisternis verwijlen, totdat Hij komt met zijn verlichtende kracht. Hij is de Eigenaar, Hij bezit haar en Hij alleen kan haar met vrucht zoeken. De God aan wie de ziel behoort, kan haar zoeken, Hij alleen. Maar Hij doet het door Zijn gemeente, want de zielen behoren ook aan de gemeente. Zij zijn de zonen en dochters van de verkoren moeder. Zij zijn haar burgers en haar schatten. Om die reden moet de gemeente persoonlijk de zielen zoeken. Zij kan haar arbeid aan niemand anders opdragen.

De vrouw heeft geen dienstmaagd betaald om het huis met bezemen te keren. Neen, zij deed het zelf. Haar ogen waren veel beter dan de ogen van een dienstmaagd, want de ogen van een dienstmaagd zouden slechts naar de penning van een ander zoeken en hem wellicht niet zien. Doch de meesteres zoekt haar eigen penning. En zij was er zeker van hem te vinden.

Als de kerk van God met diepe ernst gevoelt: “Het is ons werk zondaren te zoeken. Wij moeten niet eens de leraar hiertoe afvaardigen, of de stadszendeling, of de Bijbelvrouw. Doch de kerk als kerk moet de zielen der zondaren zoeken,” Dan zullen, geloof ik, ook zielen gevonden en behouden worden. Als de kerk erkent, dat deze verloren zielen haar toebehoren, dan zal zij ze waarschijnlijk ook vinden.

Het zal een gelukkige dag zijn, als elke kerk van God ijverig werkzaam is voor de behoudenis van zondaren. Het is de vloek der christenheid geweest, dat zij het gewaagd heeft tot hetgeen haar eigen heilige plicht was mannen af te vaardigen die priesters werden genoemd. Of dat zij zekere lieden heeft afgezonderd die met de bijzondere naam van godsdienstigen bestempeld werden, om het werk der barmhartigheid en van de evangelisatie te verrichten.

Wij zijn, een iegelijk van ons, die Christus’ eigendom zijn, verplicht ons deel te doen. Ja wij moesten het een voorrecht achten, waarvan wij niet verstoken willen wezen, om persoonlijk God te dienen, persoonlijk het huis met bezemen te keren en naar de verloren geestelijke schatten te zoeken. In de kracht van de inwonende Geest van God moet de kerk zelf verloren zielen zoeken.

Merk op, dat dit zoeken een zaak van het allergrootste belang is geworden voor deze vrouw. Ik weet niet, wat zij nog meer te doen had; maar wél weet ik, dat zij het alles staan liet, om de penning te zoeken. Daar was het koren, dat gemalen moest worden voor de morgenmaaltijd. Dat was wellicht reeds geschied, maar zo niet dan heeft zij het in elk geval toen niet gedaan.

Daar was een kledingstuk dat versteld moest worden. Water dat geput; het vuur, dat aangelegd en ontstoken moest worden. Of wel, daar waren buren die zij moest bezoeken, doch de meesteres van het huis vergeet alle andere dingen. Zij heeft haar penning verloren. En zij moet hem dadelijk zoeken en vinden.

Zo is het ook met de kerk van God. Haar voornaamste zorg moet wezen de verloren mensenkinderen te zoeken. Zielen er toe te brengen om Jezus te kennen. En door Hem verlost te worden met een grote verlossing, dat moet het grote verlangen en de eerste zorg van de kerk wezen. Zij heeft ook nog andere dingen te doen. Zij moet aan haar eigen opbouw denken. Er zijn andere zaken die zij te verzorgen heeft. Doch dit moet eerst, immer en altijd eerst geschieden. Die vrouw heeft blijkbaar gezegd: “De penning is verloren, die moet ik eerst en voor alles terugvinden.

Het verlies van haar penning was voor haar zulk een ernstige zaak, dat haar handen, als zij neerzat voor haar verstelwerk, haar vaardigheid verloren. Of wanneer de een of andere huiselijke plicht haar aandacht opeiste, dit haar een lastige taak was, want zij kon aan niets dan aan dat ene muntstuk denken. Indien een vriendin kwam om wat met haar te praten, dan dacht zij bij zich zelf: ik wenste, dat zij maar weer vertrok, want ik moet mijn verloren penning zoeken.” Ik wenste wel dat de kerk van God zulk een beheersende liefde had voor arme zondaren dat zij alles onbetamelijk acht, wat haar in haar werk van zielen te winnen in de weg staat. Nu en dan hebben wij, als gemeente, een weinig met de politiek te doen. En ook wel een weinig met de financiën, want nog zijn wij in de wereld. Doch zeer gaarne zie ik het, als in alle kerken alle arbeid en bemoeiingen, vergeleken met de arbeid van zielen te winnen, op de achtergrond blijft.

Die arbeid moet de eerste en het voornaamste zijn. Onderwijst het volk, o gewis! Wij stellen belang in alles wat onze medeburgers goed kan doen, want wij zijn mensen, zowel als christenen. Doch ons eerste en voornaamste werk is zielen te winnen, de mensen tot Jezus te brengen. Hen die, ofschoon gevallen en verloren, het beeld van de hemel dragen, te zoeken.

Dat is de arbeid, waaraan wij ons moeten wijden. Dat is voor alle gelovigen het eerste en voornaamste, dit is de reden van bestaan voor de kerk. Zo zij er geen acht op geeft, vergeet zij haar hoogste doel.

Merk nu op dat de vrouw, daar zij haar hart er op gezet heeft om haar geld terug te vinden, de meest gepaste en geschikte middelen gebruikt om dat doel te bereiken. Ten eerste, zij ontsteekt een kaars. Dat doet ook de Heilige Geest in de gemeente.

In Oosterse huizen zou het ten allen tijde nodig zijn, om, zo men een verloren geldstuk moet zoeken, een kaars te ontsteken. Want in de dagen van onze Zaligmaker werd er nog geen gebruik gemaakt van glas. En de vensters waren niets meer dan nauwe openingen in de muur, zodat de kamers zeer donker waren. Tot op de huidige dag is het in bijna alle Oosterse huizen nog zeer donker. En als men er zoiets als een klein stukje zilvergeld laat vallen, dan moet men er zelfs op de middag een kaars ontsteken om er naar te kunnen zoeken.

De sfeer, waarin de gemeente op aarde zich beweegt, is een donkere schemering van geestelijke onwetendheid en zedelijke duisternis. En om nu een verloren ziel te vinden, moet er licht worden ontstoken. De Heilige Geest gebruikt het licht van het Evangelie: Hij overtuigt de mensen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel.

De vrouw ontstak een kaars. En evenzo verlicht de Heilige Geest een uitverkoren man die Hij tot een licht stelt voor de wereld. Hij roept wie Hij wil en maakt hem tot een lamp om licht uit te stralen op het volk.

Zulk een man zal zich ten koste hebben te geven in zijn roeping. Als een kaars zal hij, licht gevende, verteerd worden. Vurige ijver en werkzame zelfopoffering zullen hem verteren. Zo kan deze gemeente en elke gemeente van God voortdurend haar gezalfde mannen en vrouwen opgebruiken die als lichten schijnen te midden van een krom en verdraaid geslacht. Ten einde verlorene zielen te zoeken.

Maar zij vergenoegde zich niet met haar kaars. Zij haalde haar bezem en veegde het huis. Indien zij de penning niet kon vinden in het huis, zoals het was, dan gebruikte zij haar bezem voor het opgehoopte stof. O! Hoe zal een christelijke kerk, als zij gedreven wordt door de Heilige Geest, zich zelf en al haar werk reinigen!

“Misschien,” zegt zij, “zijn er leden van onze gemeente, van wie het leven niet in overeenstemming is met hun belijdenis. En zo worden de mensen verhard in de zonde. Deze overtreders moeten verwijderd worden. Het godsdienstig leven is laag bij de grond – dat kan een hinderpaal wezen voor de bekering van zielen. En dus moet het opgeheven worden.

Onze voorstelling van de waarheid en onze manier van haar te verkondigen zijn misschien niet geschikt om de aandacht op te wekken. Dus moeten wij daar verbetering in brengen. Wij moeten de beste methoden gebruiken. Ja, eigenlijk moeten wij het gehele huis met bezemen keren.” Ik zie gaarne een ernstig met bezemen keren van het huis door belijdenis van zonde op de bijeenkomst tot gebed. Of door een hartontdekkende prediking. Een met bezemen keren van het huis, waarbij het iedereen ernst is om zijn leven te beteren, nader bij God te komen door een herleving van zijn eigen persoonlijke godsvrucht.

Dit is één der middelen, waardoor de gemeente in staat wordt gesteld om de verborgenen te vinden. En behalve dat: de gehele omgeving van de kerk (want het huis is de sfeer, waarin de kerk zich beweegt) moet in beroering worden gebracht, onderst boven worden gehaald, in één woord, moet “met bezemen worden gekeerd.”

Een kerk, die wezenlijk ernstig is in het zoeken van zielen, zal door de duisternis van de armoede trachten heen te dringen. En de hopen van ongebondenheid omver halen. Zij zal bij hoog en bij laag ijverig zoeken of zij wellicht dat kostbare, waar zij haar hart op gezet heeft, kan redden van het verderf.

Merk ook wel op, dat dit zoeken van de verloren penning met geschikte werktuigen, de bezem en de kaars, van niet weinig beweging vergezeld gaat. Zij veegde het huis – daar was stof voor haar ogen. Indien er soms buren in het huis waren, dan was daar ook stof voor hen. Gij kunt geen huis met bezemen keren zonder voor het ogenblik ongemak en verwarring teweeg te brengen. Wij horen over sommige christenen de klacht wel eens opgaan, dat zij te veel beweging maken om de godsdienst.

Die klacht bewijst, dat er iets gedaan wordt. En dat er naar alle waarschijnlijkheid ook voorspoed op volgen zal. De mensen die geen belang hebben bij de verloren penning, zijn verdrietig om het stof, dat in beweging is gebracht. Het komt hun in de keel en zij moesten er van hoesten. Maar het doet er niet toe: veeg nogmaals, goede vrouw. En laat hen nog maar meer murmureren en klagen. Een ander zal zeggen: “Ik vind zulke godsdienstige opwindingen niet goed. Ik houd meer van een rustige, ordelijke wijze van werken.” Ik denk, dat de geburin van deze vrouw, toen zij bij haar kwam om een bezoek bij haar af te leggen, vol afkeer uitriep: “Ach, er is hier geen stoel om op te gaan zitten. En gij bent zó vervuld van die verloren penning dat gij mij nauwelijks te woord staat. Wel, gij verspilt uw kaars. En schijnt als in een koortsachtige gejaagdheid te verkeren.”

“Ik moet mijn penning terug vinden,” zal de goede vrouw geantwoord hebben. En om hem te zoeken kan ik zelf wel een weinig stof verdragen. En dat moet gij ook, zo gij hier blijven wilt terwijl ik zoek.” Een ernstige kerk zal gewis een zekere mate van onrust ervaren, als zij naar zielen zoekt. En zeer voorzichtige, zeer kieskeurige en vitachtige lieden zullen dit verkeerd vinden. Geeft geen acht op hen, mijn broeders. Gaat voort met uw reinigingswerk en laat hen praten.

Bekommert er u niet om, dat gij het stof in beweging brengt, zo gij het geld slechts vindt. Als de zielen verlost en behouden worden, dan zijn de onregelmatigheden en eigenaardigheden als stofjes aan de weegschaal. Als mensen tot Jezus gebracht worden, trekt het u dan niet aan wat vitters en bedillaars er van zeggen.

Gaat voort met uw arbeid van met bezemen te keren, al zou men dan ook uitroepen: “Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen.” Al zou ook beroering en zelfs vervolging er voor het ogenblik het gevolg van wezen, indien ten laatste een onsterfelijke ziel er door behouden wordt, zult gij u wèl beloond achten.

Het is ook opmerkelijk, dat het zoeken van die penning alle andere dingen zo volkomen op de achtergrond drong. Er werd voor het ogenblik aan niets anders dan aan dit verloren muntstuk gedacht. Hier is een kaars.

De goede vrouw gaat bij het licht niet zitten lezen of haar kleren verstellen. Neen, het licht van die kaars wordt uitsluitend gebruikt om die penning te zoeken. Daaraan alleen wordt dit licht besteed. Hier is een bezem. Er is voor die bezem ook nog ander werk. Doch thans keert hij alleen het huis, om het verloren zilverstuk te vinden. En wordt nergens anders voor gebruikt.

In het hoofd van die goede vrouw zijn twee heldere, scherpziende ogen. Ja, doch zij zien nergens anders naar dan naar haar verloren penning. Wat er overigens in het huis of buiten het huis wezen mag, daar geeft zij niet om – zij geeft slechts om haar penning. Die moet zij vinden. En hier is zij met kaars en bezem, met haar ogen en haar gaven van de geest, met haar lichaam en haar ziel, het wordt alles gebruikt om de verloren schat te vinden.

Zo is het, als de Heilige Geest werkt in de kerk. De prediker, evenals de kaars geeft zijn licht, met het uitsluitend doel echter om de zondaar te vinden en hem zijn verloren toestand te doen inzien. De bezem van de wet en het licht van het Evangelie, het is alles bedoeld voor de zondaar. Al de wijsheid van de Heilige Geest wordt aangewend om de zondaar te vinden. En al het talent, al de bezittingen en de ganse macht van de kerk worden gebruikt om de zondaar te behouden. Het is een schoon tafereel. Mocht ik het dagelijks kunnen aanschouwen. Hoe ijverig worden de zielen gezocht, als de Geest Gods waarlijk in de gemeente aanwezig is!

Nog een gedachte. Deze vrouw zocht haar penning met volharding –totdat zij die vindt.” Mochten gij en ik als delen van de kerk van God afgedwaalde zielen zoeken, totdat wij ze vinden. Wij zeggen, dat zij ons ontmoedigen.

Die penning heeft ongetwijfeld de vrouw die hem zocht, ook ontmoedigd. Wij klagen, dat de mensen niet geneigd schijnen tot de godsdienst. Heeft dit geldstuk deze vrouw op enigerlei wijze geholpen? Zij heeft gezocht; zij heeft het alleen gedaan. En door u, mijn broeder, zoekt de Heilige Geest de verlossing van de zondaar, niet verwachtende, dat de zondaar Hem hierbij zal helpen, want de zondaar wil niet gevonden worden. Bent gij onlangs teruggewezen door iemand, wiens geestelijk goed gij wenste? Ga nogmaals tot hem!

Werd er om uw uitnodiging gelachen? Nodig hen opnieuw! Bent gij vanwege uw ernstige smekingen het voorwerp van hun bespotting geworden? Richt wederom uw smekingen tot hen! Dezen, die ons in het eerst afwijzen, zullen wellicht juist behouden worden.

Een harde, ruwe bejegening is soms niets anders dan een teken, dat het hart de kracht van de waarheid erkent, schoon het er zich voor het ogenblik nog niet aan gewonnen wil geven. Volhard, broeder, totdat gij de ziel vindt die gij zoekt. Gij die u zo inspant voor uw klas in de zondagsschool, gebruik uw kaars, verlicht het gemoed van het kind. Keer het huis met bezemen totdat gij vindt wat gij zoekt. Laat niet af van het kind, voor dat het tot Christus gebracht is.

Gij, die in uw klassen voor oudere leerlingen reeds met jonge lieden te doen hebt, houdt niet op van uw gebed in het verborgen en van uw persoonlijke vermaningen, totdat dit hart Jezus toebehoort. Gij, die u wijden kunt aan straatprediking, of kosthuizen bezoekt. Of van huis tot huis traktaatjes uitdeelt. Ik smeek u allen, want allen kunt gij iets doen. Nooit het zoeken van zondaren op te geven, voor dat zij veilig in Jezus’ handen zijn.

Wij moeten hen verlost zien! Laat ons met de vurige volharding van de vrouw, door alle vormen, regels en moeilijkheden heen breken. Die alles onderst boven keerde en alle dingen schade achtte zo zij slechts haar schat kon terugvinden. Als de Geest van God in ons werkt. Zo wij slechts het middel mogen wezen om sommigen te behouden. En diegenen op te heffen uit het stof, die het beeld van de Koning dragen en dierbaar zijn aan het hart van de Koning.

III.

De tijd is, helaas, maar al te snel voorbijgegaan. En daarom moet ik besluiten met het derde punt: de penning GEVONDEN.

Gevonden! Dit was, in de eerste plaats, het ultimatum van de vrouw. Met minder was zij niet tevreden. Zij hield niet op voor dat het muntstuk was gevonden.

Zo is ook het doel van de Heiligen Geest. Niet dat de zondaar in een hoopvolle toestand wordt gebracht, maar dat hij wezenlijk en waarlijk verlost en behouden zal wezen. En dit is de grote zorg van de kerk, niet dat de mensen hoorders zullen worden, niet dat zij rechtzinnige belijders zullen worden, maar dat zij wezenlijk veranderd, vernieuwd, wedergeboren zullen worden.

De vrouw heeft zelf de penning teruggevonden. Hij kwam niet maar bij toeval terecht. En evenmin is een der buren in het huis gekomen om hem te vinden.

De Geest van God zelf vindt de zondaars. En in de regel is de kerk van God zelf het middel voor hun terechtbrenging. Waarde broeders, enige jaren geleden werd door vele geestdriftvolle, maar misleide personen een blaam geworpen op de zichtbare kerk. Die mensen verbeeldden zich, dat de tijd gekomen was om met alle georganiseerde arbeid te breken. En dat het werk op onregelmatige wijze buiten de kerk om moest geschieden.

Zekere merkwaardige mannen stonden op, wier heftige, woeste kritiek schier gelijk stond aan een aanval op de erkende kerken. Hun arbeid hield zich ver van de regelmatige bediening van het Woord. En was er soms zelfs openlijk tegen gekant.

Hun doel was evenzeer de bestaande kerk omver te werpen als bekeerlingen te maken. Nu vraag ik aan ieder die deze beweging nauwlettend en onpartijdig heeft gadegeslagen, wat daar nu werkelijk uit is voortgekomen? Ik heb hen niet veroordeeld en zal hen niet veroordelen, maar in het licht van hun geschiedenis durf ik heden wel zeggen dat zij de regelmatige arbeid van de kerk niet hebben vervangen en nooit zullen vervangen.

De massa’s moesten wakker geschud worden; doch waar zijn de zo hoog opgevijzelde resultaten? Wat is er van veel van die hooggeroemde arbeid geworden.

Zij, die in verband met een kerk van God hebben gewerkt, hebben blijvend nut gesticht. Zij die als afzonderlijke arbeiders optraden, zijn, hoewel zij een wijle voor het oog van het publiek flikkerden en de couranten met geestelijke snoeverij vulden, thans geheel, of zo goed als geheel verdwenen.

Waar zijn de overwinningen die door hen behaald werden? En de echo antwoordt: waar? Wij moeten tot de oude regelmatige troepen terugkeren. God wil de kerk nog zegenen. En het is voor de kerk dat Hij de kinderen der mensen zal blijven zegenen. Ik verblijd mij als ik van iemand hoor die het Evangelie predikt. Indien Christus gepredikt wordt dan verblijd ik mij hierin, ja, en ik zal er mij in verblijden. Ik gedenk de woorden van de Meester: “Verbiedt hem niet, want wie tegen ons niet is, die is voor ons.” Maar toch! De massa der bekeerlingen zal komen door middel van de kerk en door haar regelmatig georganiseerde arbeid. De vrouw die de kaars ontsteekt en het huis met bezemen keert en aan wie de penning behoort, zal zelf hem vinden.

En let nu op hetgeen zij deed, toen zij hem had gevonden, zij verblijdde zich. Hoe meer moeite zij had voor het zoeken, hoe hoger blijdschap zij smaakte, toen zij hem vond. Welk een blijdschap is er in de kerk Gods, als er zondaars worden bekeerd!

Wij hebben onze hoogtijden, wij hebben onze blijde dagen. Als wij horen van zielen die van de paden van het verderf worden teruggebracht. Uw leraren en ouderlingen smaken soms zulk een innige vreugde als die alleen in de hemel geëvenaard kan worden. Als zij de geschiedenis horen van zielen die bevrijd zijn uit de slavernij der zonde. En gebracht zijn tot de volkomen vrijheid, die Jezus schenkt. De gemeente verblijdt zich.

Vervolgens. Zij roept de vriendinnen en geburinnen om in haar blijdschap te delen. Ik vrees, dat wij onze vrienden en geburen niet altijd met de hun toekomende achting behandelen. En er niet altijd aan denken hen te nodigen om in onze vreugde te delen.

Wie zijn zij? Ik denk, dat hier de engelen bedoeld zijn. Niet slechts de engelen in de hemel, doch zij die hier beneden waken. Merk wel op, dat toen de herder het schaap thuis bracht, er geschreven staat, dat er “alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert. Maar dat hier geen melding gemaakt wordt van de hemel. Noch van de toekomst wordt gesproken. Maar dat er geschreven is: “Alzo is er blijdschap voor de engelen Gods.”

Nu is de kerk en de Heilige Geest op aarde aan het werk. Als er een ziel verlost wordt dan zullen de engelen hier beneden die de wacht houden over de gelovigen en dus onze vrienden en geburen zijn, zich met ons verblijden. Weet gij niet, dat er engelen zijn in onze bijeenkomsten?

Daarom zegt de apostel, dat de vrouw in de vergadering het hoofd gedekt heeft. “Om der engelen wil,” zegt hij, want zij beminnen orde en betamelijkheid. Waar de heiligen zijn, daar zijn ook de engelen en aanschouwen onze orde en verblijden zich in onze blijdschap.

Als wij bekeringen zien, dan mogen wij hen uitnodigen om zich ook te verblijden. En dan zullen zij God met ons loven. Ik denk niet, dat de blijdschap hier eindigt. Want daar de engelen altijd nederdalen en opklimmen op de Zoon des mensen, brengen zij spoedig de tijding naar de heirscharen hierboven. En dan verblijdt zich de hemel over een zondaar, die zich bekeert.

Die blijdschap is tegenwoordige blijdschap. Het is een blijdschap in het huis, in de gemeente in haar eigen sfeer. Het is de blijdschap van haar geburen die rondom haar zijn hier beneden. Alle andere blijdschap schijnt hierin te zijn verzwolgen, evenals alle andere bezigheid gestaakt werd om de verloren penning te zoeken. Zo zwijgt ook elke andere vreugde als de kostbare zaak is gevonden.

De kerk van God heeft duizenderlei blijdschap, de blijdschap dat haar heiligen naar de hemel gaan. De blijdschap, dat haar heiligen rijp worden voor de heerlijkheid. De blijdschap van hen die strijden tegen de zonde en haar overwinnen. En opwassen in genade. En de belofte ontvangen. Maar de voornaamste blijdschap van de kerk en die alle andere blijdschap verzwelgt, gelijk Aärons staf de andere staven verslond, dat is de blijdschap over de verlorene ziel. Die na veel keren met bezemen en veel zoeken eindelijk gevonden wordt.

De praktische lering voor de onbekeerden is dit: waarde vriend, zie welk een prijs er op u gesteld wordt. Gij denkt, dat niemand om u geeft. Maar o! De hemel en de aarde bekommeren zich om u!

Gij zegt: “Ik ben als niets, een verworpeling, van hoegenaamd geen waarde.” Neen, gij bent niet waardeloos voor de gezegende Geest, niet waardeloos voor de kerk van God – zij verlangt naar u.

Zie voorts ook, hoe vals uw vermoeden is, dat gij niet welkom zou wezen, als gij tot Christus komt. Welkom! Welkom! Ach! De kerk zoekt u, de Geest van God zoekt u. Spreek niet van welkom, gij zult veel meer dan welkom zijn.

O hoe blijde zal Christus wezen, zal de Geest wezen, zal de kerk wezen, om u te ontvangen! Ach! Gij klaagt, dat gij niets gedaan hebt om u geschikt te maken voor genade. Spreek niet zo. Wat heeft de verloren penning gedaan? Wat kon hij doen? Hij was hulpeloos verloren. Zij, die hem zoekt, heeft het alles gedaan, Hij, die u zoekt zal alles doen voor u. O ziel, daar Christus u thans zegt te komen, zo kom!

Als zijn Geest u trekt, zo geef u gewonnen! Daar de belofte thans spreekt: “Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol,” zo neem de belofte aan. Geloof in Jezus. God zegene en verlosse u, om Jezus wil. Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend